direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Ouwster-Nijega - Jetze Veldstraweg 87
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Jetze veldstraweg 87 te Ouwster-Nijega in de gemeente De Fryske Marren staat een woning. Het plan is om de woning te slopen en hiervoor een nieuwe woning terug te bouwen. De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan.

De gemeente De Fryske Marren wil medewerking verlenen aan het initiatief. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan het bebouwingslint van de Jetze veldstraweg te Ouwster-Nijega . In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het perceel staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Langweer, sectie B, nummer 4704, 4705, 4706 en 4707. Een overzicht van de voormalige situatie is weergeven in figuur 1.2.

Figuur 1.1. De ligging van het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01_0001.jpeg"

Figuur 1.2 Overzicht huidige situatie

1.3 Planologische regeling

Bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017

Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017, dat is vastgesteld op 28 juni 2017. Op basis van dit plan is het plangebied bestemd als 'Wonen' en 'Agrarisch'. Omdat een gedeelte van de nieuwe woning binnen de bestemming 'Agrarisch' is geprojecteerd, is de ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' is een woning namelijk niet toegestaan. Een uitsnede van de plankaart is weergeven in figuur 1.3.

Paraplubestemmingsplan parkeernormen

Op 27 juni 2018 is het paraplubestemmingplan parkeernormen vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn regels ten aanzien van parkeren opgenomen. De regels uit dit bestemmingsplan worden ook in dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01_0002.jpeg"

Figuur 1.3. Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project

2.1 Huidige situatie

Het perceel ligt aan het bebouwingslint van de Jetze Veldstraweg te Ouwster-Nijega. Dit lintdorp ligt op ongeveer 3 kilometer ten zuiden van Joure.

Het plangebied betreft een woonperceel. Op het erf staat een woning. Rondom het perceel is sprake van hoog opgaande beplanting. De gronden ten noorden hiervan zijn in gebruik als grasveld. Een luchtfoto van de huidige situatie is weergegeven in figuur 1.2. Een foto van het vooraanzicht van de woning is weergeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01_0003.png"

Figuur 2.1. Vooraanzicht (bron: Google Streetview)

2.2 Toekomstige situatie

Het voornemen is om de woning te slopen en in ruil daarvoor een nieuwe woning te bouwen. De ontwikkeling voorziet in de bouw van een nieuwe vrijstaande woning plus een aangebouwd bijgebouw. De oppervlakte van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, bedraagt niet meer dan 300 m2.

Figuur 2.2 weer geeft de positie van de beoogde woning weer. De woning krijgt een maximale goot - en bouwhoogte van 4,5 - en 9 meter. Het aangebouwde bijgebouw krijgt een maximale goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte die minimaal 1 meter lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

Dit initiatief wordt ingepast binnen de landschappelijke structuur en betreft een perceelsgebonden ontwikkeling. Met het initiatief worden de kernkwaliteiten van het gebied niet aangetast. De woning is qua omvang passend in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Toekomstige inrichting

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat bij de toelichting bij ruimtelijke plannen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het project die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er ook gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het slopen van een bestaande woning en nieuw bouwen van één nieuwe woning wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (Raad van State, 27 augustus 2014, 201311233/1/R4, r.o. 3.3). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.

Conclusie

De kleinschalige ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is niet aangewezen als één van de 14 nationale belangen en raakt daarom geen beleid en regels uit de SVIR en het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.

Verordening Romte Fryslân

In de verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie oktober 2018) is het provinciaal beleid, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

Voor dit project is artikel 1. 5 'Saldoregeling woningen' relevant. Hiermee kan een nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan in geval van verplaatsing of vervanging van een aldaar bestaande woning, indien:

  • 1. per saldo het aantal woningen in het landelijk gebied gelijk blijft of afneemt, en
  • 2. in geval van vervanging de bestaande woning wordt gesloopt, en in geval van verplaatsing de locatie van de woning aan de woonbestemming wordt onttrokken, en
  • 3. het oppervlak van de nieuwe woning inclusief de bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m², of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen, dan wel niet meer dan het oppervlak van de bestaande woning inclusief de bestaande bijgebouwen indien dit oppervlak meer bedraagt dan 300 m², en
  • 4. de nieuwe woning qua omvang en uitstraling wordt ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

Aan de voorwaarden wordt voldaan omdat:

  • 1. het aantal woningen gelijk blijft;
  • 2. de bestaande woning wordt gesloopt ter vervangen van een nieuwe woning;
  • 3. de maximale oppervlakte 300 m2 (zie hiervoor paragraaf 2.2)
  • 4. de stedebouwkundig opzet passend is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten (zie hiervoor paragraaf 2.2)

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid

Visie De Fryske Marren

In de 'Visie de Friese Meren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.

Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. De gemeente staat hierbij open voor kansen. Initiatieven worden gefaciliteerd met maatwerk naar aard en schaal van de woonomgeving.

Met dit bestemmingsplan is sprake van het vervangen van een woning in een bestaand bebouwingslint. De ontwikkeling heeft dan ook geen impact op het landschap. Er is geen sprake van een uitbreiding die het zicht op het landschap verslechterd. De waarden van het landschap blijven behouden.

Woonvisie 2014-2018 en Uitvoeringsprogramma 2016-2026

In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.

In het Uitvoeringsprogramma 2016-2026 van de gemeente is ruimte opgenomen voor particuliere initiatieven op diverse locatie. In dit geval is slechts sprake van het vervangen van een woning. Er worden geen nieuwe, extra woningen mogelijk gemaakt. Het project is passend binnen het woningbouwprogramma.

Duurzaamheidsvisie 2013-2030

Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie De Friese Meren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energievoorziening, watersysteem, grondstoffen en groen en natuur. In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.

Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit bestemmingsplan dat bij eventuele herbouw van de woning niet aangesloten kan worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moeten worden. De exacte uitwerking is voor het bestemmingsplan niet relevant, mits deze oplossingen binnen de regels gerealiseerd kunnen worden.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Mer-beoordeling

Bij het doorlopen van een ruimtelijke procedure moet rekening worden gehouden met mogelijke verplichtingen op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is vastgelegd wanneer een milieueffectrapportage (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) moet plaatsvinden. Hierbij gelden drempelwaarden. In onderdeel D (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Qua oppervlakte ligt de drempelwaarde op 100 hectare. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen.

Met dit plan wordt één woning mogelijk gemaakt op een bestaand woonperceel. Per saldo neemt het bebouwd oppervlak niet toe en er hoeven geen andere ontwikkelingen plaats te vinden, zoals de aanleg van nieuwe infrastructuur. Daarnaast is slechts sprake van een perceelsgebonden ontwikkeling die geen relatie heeft met andere percelen of andere functies in de omgeving, waarbij geen sprake is van een complex project, waar meerdere woningen, winkels of bedrijven worden gevestigd dan wel op stedelijke voorzieningen die een betekenis hebben voor het dorp. Op basis hiervan kan het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. worden aangemerkt. Een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde. Overigens blijkt uit de beoordeling in de navolgende paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.

4.2 Verkeer en parkeren

De Jetze Veldstraweg is een verkeersluwe ontsluitingsroute bestemd voor bestemmingsverkeer aan deze weg. Deze weg wordt relatief weinig gebruikt door ander verkeer en heeft voldoende capaciteit voor de woonfunctie van het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande aansluiting op deze weg. Aan deze weg worden geen aanpassingen voorgesteld. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Volgens de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Voor parkeren geldt als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. In het plangebied is voldoende ruimte om aan de benodigde parkeerplaatsen te kunnen voldoen. Ook voor eventueel benodigde parkeerplaatsen ten gevolge van een aan-huis-verbonden beroep is sprake van voldoende ruimte.

4.3 Geluid

Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging.

Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en/of andere geluidsgevoelige gebouwen/terreinen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van woningen en/of geluidsgevoelige gebouwen/terreinen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk).

Het plangebied ligt in buitenstedelijk gebied en binnen de zone van de Jetze Veldstraweg. De voorkeursgrenswaarde op basis van de Wet geluidhinder bedraagt Lden = 48 dB. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt Lden = 53 dB (buitenstedelijke ligging van het plangebied).

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Jetze Veldstraweg. Op de weg geldt een maximumsnelheid van 80 km/uur. Ten behoeve van de nieuwe woning is een geluidsonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 toegevoegd. Met behulp van een akoestisch rekenmodel zijn geluidcontouren berekend op een waarneemhoogte van ho =+4,5 m (maatgevend). Uit het onderzoek blijkt dat de Lden = 48 dB-contour vanwege de Jetze Veldstraweg voorlans de rooilijn van de geplande nieuwbouw loopt. Dit betekent dat het aspect wegverkeerslawaai derhalve geen belemmering is; een hogere waarde procedure is niet noodzakelijk.

4.4 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Een gemengd gebied is een gebied met een sterke tot matige functiemenging

 

In de huidige situatie is reeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan stelt de bouw van een woning op een bestaand woonperceel voor. De woning komt op vrijwel dezelfde plek als de huidige woning. Het woon -en leefklimaat blijft derhalve hetzelfde. Ook worden agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.

Daarnaast geldt ten aanzien van geur de geurafstanden zoals is vastgesteld in het geurbeleid 'Verordening geurhinder en veehouderij De Fryske Marren 2016' van de gemeente. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom dient een afstand van 25 meter aangehouden te worden. Aan de richtafstand wordt voldaan. Het plan leidt niet tot een belemmering van de bedrijfsactiviteiten van agrarische bedrijven. Er is sprake van een verantwoorde milieuzonering.

4.5 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied.

De ontwikkeling vindt plaats op een huidig woonerf. Het is niet aannemelijk dat de gronden door het huidige gebruik verontreinigd zijn. Er is dus geen sprake van een verdachte locatie. Voor de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen benoemd.

Verkennend bodemonderzoek

In een puinhoudend mengmonster van de bovengrond zijn voor cadmium, lood, zink en PAK licht verhoogde gehalten aangetoond. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten, ten opzichte van de achtergrondwaarde, gemeten.

In een separaat samengesteld analysemonster van de ondergrond (met sporen baksteen), is voor PAK een matig verhoogd gehalte aangetoond. Voor lood, zink en minerale olie zijn licht verhoogde gehalten

gemeten. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten, ten opzichte van de

achtergrondwaarde, gemeten.

In het grondwatermonster zijn geen verhoogde concentraties vastgesteld, ten opzichte van de streefwaarden. De licht tot matig verhoogd gemeten gehalten in de grond zijn vermoedelijk te relateren aan de bijmenging met baksteen en puin, in de geanalyseerde monsters. In beginsel geldt de tussenwaarde als criterium voor nader onderzoek. Echter, het matig verhoogd gemeten gehalte aan PAK betreft reeds een separaat geanalyseerd monster van de “meest verdachte” bodemlaag. Tevens bevindt het gemeten gehalte zich buiten de contour van de voorgenomen nieuwbouw/graafwerkzaamheden. Derhalve lijkt de uitvoering van een nader bodemonderzoek in deze fase niet noodzakelijk.

Verkennend asbestonderzoek

Tijdens de veldwerkzaamheden is op de noordzijde van het terrein een bijmenging met puin waargenomen. Het voorkomen van ondefinieerbaar puin in de bodem wordt als indicator beschouwd

voor de mogelijke aanwezigheid van asbest. Derhalve is aanvullend verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat visueel en analytisch geen asbest is aangetroffen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat rekening gehouden dient te worden gehouden met het gegeven, dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit Bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden.

4.6 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

In en nabij het plangebied is geen sprake van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Rottige Meenthe & Brandemeer en ligt op circa 7,1 kilometer afstand. Gezien de relatief kleinschalige aard en omvang van het plan is redelijkerwijs te verwachten dat dit geen gevolgen voor beschermde natuurgebieden heeft.

stikstof

Woningbouwplannen of vergelijkbare projecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen.

De Rijksoverheid heeft een handreiking woningbouw en AERIUS opgesteld. In de handreiking is een tabel opgenomen waarin voor woningbouw projecten de indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied is weergegeven.

In de tabel is af te lezen dat voor woningbouwprojecten tot 50 woningen pas vanaf 6 kilometer sprake is van een depositie van meer dan 0,00 mol. Aangezien het in dit bestemmingsplan slechts om één woning gaat en de afstand tot het dichtsbijzijnde natura 2000 gebied meer dan 7 kilometer is, kan met zekerheid gesteld worden dat met dit project geen sprake zal zijn van een depositie van meer dan 0,00 mol. Dit geldt zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase. Een aparte stikstofberekening is daarom niet nodig, alsmede een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOSN20JVELDSTRA87-VA01_0005.png"

Soortenbescherming

In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

De gewenste situatie die de initiatiefnemers voor ogen hebben voorziet niet in het kappen van bomen en het dempen van sloten. Ten tijde van de sloop van het gebouw wordt een ecologische quickscan aangeleverd. Uit een quickscan zal blijken of er beschermde soorten aanwezig zijn. Mogelijk zal uit nader onderzoek blijken dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. In dit kader zullen eventuele mitigerende maatregelen getroffen worden.

Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht van kracht is. Bij verstoring van dieren tijdens eventuele werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.7 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

In dit geval is sprake van vervangende nieuwbouw en draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.8 Water

Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het plan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.

Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap (kenmerk: 20200114-2-22228). De watertoets is opgenomen in bijlage 1. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat de invloed van dit plan op de waterhuishouding beperkt is. Op het plan is de normale watertoetsprocedure van toepassing, omdat het plan plaatsvindt in de nabijheid van een hoofdwatergang. Het waterschap heeft vervolgens op 19 februari 2020 een aanvulling op de watertoets gegeven. Deze aanvulling is in deze paragraaf verwerkt.

In de Leidraad Watertoets staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon. Het aspect 'veilig' is voor dit plan niet van toepassing.

Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op -0,17 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1 op 100 jaar. Het waterschap adviseert om het vloerpeil van de nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil -0,17 m NAP aan te leggen. Voor het bepalen van de hoogteligging van het plangebied wordt verwezen naar https://www.ahn.nl/index.html. Bij de uitwerking van de plannen zal hier rekening mee worden gehouden, waarbij in ieder geval het vloerpeil boven het maatgevend boezempeil van -0,17 m NAP komt te liggen.

Voldoende

Hoofdwateren: Aan de noordwestkant van het plangebied loopt een hoofdwatergang. Hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Het is niet toegestaan om in de beschermingszone bebouwingen en dergelijke te realiseren of opgaande beplanting aan te brengen tenzij e.e.a. is geregeld in een Watervergunning. Binnen de beschermingszone van 5 meter vinden geen ingrepen plaats. Het plan heeft zodoende geen negatieve invloed op de watergang.

Klimaatadaptie: In het kader van klimaatadaptie adviseert het waterschap om bij de inrichting van het plangebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijk overstroming door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Met de uitvoering van de plannen zal hier rekening mee gehouden worden.

Toename verharding: Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat bij een toename van meer dan 200 m2 aan verhard oppervlak, een deel van deze toename wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. In dit geval neemt het verhard oppervlakte per saldo niet toe met meer dan 200 m2. Ten opzichte van de huidige situatie heeft het plan geen versnelde afvoer van hemelwater tot gevolg. Het is daarom niet nodig om compenserende maatregelen te nemen.

Schoon

Afvalwater en regenwatersysteem: Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt afvalwater afgevoerd op de bestaande rioleringsaansluiting. Hemelwater wordt afgekoppeld op het boezemwater.

Waterkwaliteit: De aanlegwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. Er dient aangelegd te worden met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.

Vervolg

Waterwet: Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet tijdig een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet.

Procedure: Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van wateradvies.

4.9 Archeologie

Voor het aspect archeologie is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). De provincie beveelt in het projectgebied aan om bij ingrepen van meer 2.500 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de steentijd-bronstijd. Voor de periodeijzertijd - middeleeuwen adviseert de provincie een archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 5.o00 m².

Met dit bestemmingsplan is sprake van een ingreep van maximaal 300 m2. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, moet hiervan direct melding gemaakt worden bij de bevoegde overheid (gemeente Heerenveen).

4.10 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Volgens de provinciale waardenkaart komen er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden voor waar rekening mee gehouden moet worden. Met de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt vindt ook geen afbreuk aan de landschappelijke waarden plaats. In dit geval betreft dat de opstrekkende verkaveling. Dit bestemmingsplan voorziet slechts in een perceelsgebonden ontwikkeling binnen een bestaand bebouwingslint. De kavelrichting en vorm blijft in de gewenste situatie behouden. Het bestemmingsplan wordt vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar geacht.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten. Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

Voor dit bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen sprake is van risicovolle inrichtingen, transportroutes. Bij de ontwikkeling hoeft dus geen rekening gehouden te worden met mogelijke invloed van risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Daarnaast wordt er met dit bestemmingsplan geen nieuwe objecten voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. Het is en blijft één woning.

Conclusie

Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. De provincie Fryslan en het Wetterskip Fryslân hebben op het voorontwerp gereageerd. De reacties zijn als bijlage 4 en 5 toegevoegd. De provincie heeft geen opmerkingen op het voorontwerp bestemmingsplan. Er zijn geen provinciale belangen in het geding. Het waterschap vraagt om nadere uitwerking van de waterparagraaf. Deze uitwerking heeft plaats gevonden. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

Zienswijze

Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is geen gebruikt gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgen op 28 oktober 2020 vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan wordt vervolgens nog een keer voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De kosten voor het realiseren van de ontwikkeling worden gedragen door de initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over voldoende financiële middelen beschikt om de woningen te kunnen realiseren. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Grondexploitatie

Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan door middel van een anterieure overeenkomst. Voor vaststelling van het planologisch besluit dient duidelijk te zijn op welke wijze de kosten zullen worden verhaald.

Voor dit bestemmingsplan geldt dat er sprake is van een bouwplan omdat er één woning mogelijk gemaakt worden. De gemeente sluit hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij het handboek van de gemeente 'Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren', bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' en het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen'.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

6.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.

Wonen

De woning is bestemd met de bestemming Wonen. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt 4,50 -en 9,00 meter. De gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 300 m2. De woning dient binnen het bouwvlak gebouwd te worden.