direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lemmer - Hof fan Lemmer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Planvoornemen

De Kompanjon B.V. is voornemens om aan de noordzijde van Lemmer een nieuwe woonuitbreiding te realiseren. Op basis van het voormalige Streekplan was het de bedoeling om op deze locatie een duurzame en toekomstbestendige woonwijk met een hoge duurzaamheidsambitie te realiseren. De ontwikkeling van het zogeheten Hof fan Lemmer. Daarnaast wordt in een deel van het gebied tussen de bestaande waterzuivering en het plangebied een zonneveld mogelijk gemaakt dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie volledig van duurzame zonne-energie voorziet. Op grond van het geldende planologisch-juridische kader is het niet mogelijk om deze woningbouw en zonneveld te realiseren. Een nieuw bestemmingsplan is nodig om het plangebied van de juiste planologisch-juridische kaders te voorzien. Voorliggend plan voorziet hierin.

NB. Voorheen was de naam van het plangebied Hof van Holland. Inmiddels is de naam gewijzigd in Hof fan Lemmer. Het kan dus zijn dat in een aantal stukken (bijlagen) nog gesproken wordt over Hof van Holland. Dit heeft dus betrekking op hetzelfde plangebied.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de kern Lemmer. Het gaat om de locatie ten oosten van de rioolzuiveringsinstallatie en ten westen van de Tramdijk en het bedrijventerrein Lemsterpark. Aan de zuidzijde is het plangebied begrensd door het woongebied Tramdijk West. Ten noorden van het plangebied bevindt zich agrarische grond. Daarnaast is het plangebied aan de oostelijke zijde begrensd door de Tramdyk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0001.jpg"
Figuur 1. Ligging en begrenzing plangebied (bron: PDOK en Kadaster)

1.3 Geldend juridisch-planologisch kader

Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010', zoals vastgesteld op 27 juni 2011 is op het plangebied van toepassing. Het onderstaande fragment geeft een uitsnede van de bestemmingsplankaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0002.jpg"
Figuur 2. Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Op bovenstaand figuur is te zien dat het plangebied nagenoeg volledig is bestemd als 'Agrarisch'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor:

  • de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • het behoud van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen;
  • sloten en voorzieningen voor het keren en beheersen van water;
  • infrastructurele voorzieningen, zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan;
  • voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik zoals voet-, fiets- en/of ruiterpaden;

Binnen de agrarische bestemming is ter plaatse van het plangebied met een functieaanduiding aangegeven dat het vestigen van een agrarisch bedrijf is uitgesloten. Dit heeft betrekking op een wijzigingsbevoegdheid, waarbij de bestemming 'Agrarisch' kan worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf. Met behulp van de functieaanduiding 'agrarisch bedrijf uitgesloten' heeft de planwetgever duidelijk gemaakt dat deze bevoegdheid niet van toepassing is op de desbetreffende gronden. Daarnaast is een klein deel van de gronden bestemd als Bedrijf - Nutsvoorziening. Deze gronden behoren bij de reeds aanwezige RWZI en waren bedoeld voor een mogelijke uitebreiding. Deze uitbreiding is niet meer aan de orde.

Paraplubestemmingsplan parkeernormen (2018)

Naast het voorgaande is het Paraplubestemmingsplan parkeernormen op het plangebied van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 27 juni 2018 vastgesteld en voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren. De hierin opgenomen regeling is van toepassing op het plangebied en maakt deel uit van de regels van dit bestemmingsplan.

Paraplubestemmingsplan gewasbeschermingsmiddelen en spuitvrije zones (voorontwerp, 2021)

In de gemeente De Fryske Marren geeft de fruit- en bollenteelt aanleiding tot ongerustheid bij omwonenden over de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op de volksgezondheid. Het Paraplubestemmingsplan gewasbeschermingsmiddelen en spuitvrije zones voorziet in een regeling voor de bescherming van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Dit thematische bestemmingsplan is als voorontwerp gepubliceerd op 16 september 2021. Op termijn zal dit plan bij vaststelling van toepassing zijn op het plangebied.

Paraplubestemmingsplan windturbines agrarische bedrijven (2022)

Provinciale Staten van de provincie Fryslân hebben bij vergadering van 1 juli 2020 de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) gewijzigd vastgesteld. Door deze wijziging bestaan er in de provincie nu mogelijkheden om onder voorwaarden kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. In het kader hiervan heeft de gemeente De Fryske Marren het Paraplubestemmingsplan windturbines agrarische bedrijven opgesteld. Dit op 11-05-2022 vastgestelde bestemmingsplan voorziet in een gemeentedekkende en eensluidende planologisch-juridische regeling voor kleine windmolens bij agrarische bouwpercelen. Ook dit themagerichte bestemmingsplan is in het plangebied van toepassing. Deze regeling is niet van toepassing op het plangebied.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 de planbeschrijving. Hoofdstuk 3 geeft de verschillende relevante beleidskaders weer, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing van de omgevingsaspecten aan geldende wet- en regelgeving plaatsvindt. Hierna volgt in hoofdstuk 5 de juridische toelichting op het plan. Tenslotte is in hoofdstuk 6 ingegaan op zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Historie

Het plangebied is al voor een langere tijd aangewezen voor potentiële woningbouw. In het inmiddels verouderde Streekplan uit 2007 van de Provincie Fryslân alsmede de gemeentelijke structuurvisie van de voormalige gemeente Lemsterland uit 2010 is het gebied reeds aangewezen als woongebied. Destijds richtte de beleidskoers wat wonen betreft, zich op het wonen aan het water. Het plan komt dan ook mede voort uit doelstellingen- en beleidskoersen die in een eerder stadium al waren vastgelegd in gemeentelijk beleid. In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de bestaande situatie en het planvoornemen.

2.2 Bestaande situatie

In de bestaande situatie is het plangebied volledig in gebruik als agrarische grond. Zoals zichtbaar op figuur 3 lopen er langs en door het plangebied enkele sloten. Op de linkerzijde van figuur 3 en op figuur 4 is een bomengroep te zien. Achter deze bomengroep bevindt zich de eerder genoemde rioolwaterzuiveringsinstallatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0003.png"
Figuur 3. Overzicht plangebied vanuit het zuidoosten (bron: Google maps)


afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0004.png"
Figuur 4. Plangebied gezien vanaf het oosten (bron: Bijlage 4)

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0005.png"
Figuur 5. Plangebied gezien vanaf het zuiden (bron: Bijlage 4)

2.3 Toekomstige situatie

Het voorliggende plan voorziet in planologisch-juridische kaders voor:

  • maximaal 205 woningen;
  • de bij het woongebied horende ontsluiting, water- en groenvoorzieningen;
  • een zonneveld nabij de huidige RWZI

In het stedenbouwkundig plan zijn 180 woningen opgenomen. Echter is in de regels van dit bestemmingsplan een hoger maximum opgenomen, wat de ruimte biedt om te kunnen inspelen op mogelijk veranderende woningmarktomstandigheden. In het geval van een veranderende markt kunnen er op deze manier maximaal 25 meer betaalbare eenheden worden toegevoegd door het splitsen van kavels. Een en ander zal alleen plaatsvinden met instemming van de gemeente en alleen als de woningmarkt daar aanleiding toe zou geven.

Bij de woningbouw gaat het om woningen voor het midden- en hogere segment. In dit geval betreft dat overwegend twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Voor het overige zijn er in de toekomstige situatie aan de westzijde van het plangebied vijf waterwoningen gerealiseerd. Ook wordt er één appartementengebouw gerealiseerd.

Zonneveld

In de route naar duurzame opwekking van energie heeft het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân op 16 februari 2021 besloten de mogelijkheden van een zonnepark nabij RWZI Lemmer verder uit te werken en hiervoor een intentieovereenkomst af te sluiten met de Wind Groep. Daarnaast heeft het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân op 10 juli 2018 besloten om voor de eigen energiebehoefte zonnepanelen op de RWZI's te plaatsen.

 

Voor het opwekken van duurzame energie met zonnepanelen op RWZI Lemmer, binnen het project Zon op RWZI's is er te weinig ruimte op het zuiveringsterrein zelf. De Kompanjon BV is eigenaar van de gronden ten oosten en zuiden van de RWZI Lemmer. Het perceel is 2,5 hectare groot. Voor Wetterskip Fryslân ontstaat nu de mogelijkheid om circa 8.000 m2 over te nemen van de Kompanjon BV en duurzame energie op deze grond ten behoeve van het zuiveringsproces, te gaan opwekken. Wetterskip Fryslân is voornemens deze grond over te nemen en op dit perceel circa 4.000 zonnepanelen gaan plaatsen. Met deze hoeveelheid kan Wetterskip Fryslân, zonder aanpassingen aan het huidige systeem en aansluitvermogen, een groot deel van hun energiebehoefte voor het zuiveringsproces, afdekken. Dit zonneveld maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0006.png"
Figuur 6. Locatie zonneveld

Daarnaast is er de ambititie om op de resterende gronden tussen de RWZI en het plangebied in de toekomst ook zonnepanelen te plaatsen. In de planvorming is al wel rekening gehouden met dit zonneveld maar deze is niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Hier zal te zijner tijd een zelfstandige procedure voor gevoerd gaan worden.

In de hiernavolgende paragrafen is nader ingegaan op de landschappelijke inpassing en het stedenbouwkundig plan.

2.4 Stedenbouwkundig plan en landschappelijke inpassing

Voorliggend bestemmingsplan betreft een uitwerking van het stedenbouwkundig plan dat voor Hof fan Lemmer is opgesteld. Een gebiedsanalyse en twee stedenbouwkundige denkrichtingen vormden de basis en inspiratie voor het uiteindelijke stedenbouwkundige plan. In het navolgende wordt ingegaan op zowel de landschappelijke analyse als de daaruit voortvloeiende twee denkrichtingen.

Landschappelijke analyse

Het plangebied Hof Fan Lemmer is gelegen in veenweidegebied. Kenmerken zijn de laaggelegen veengronden die nu veelal als grasland in gebruik zijn. Het is een open gebied met opstrekkende verkaveling, met structuurbepalende waterlopen. De richting van deze verkaveling staat loodrecht op de het bebouwingslint van de Straatweg. Ook is de Tramdijk, in het verleden een spoor voor de goederentram, een kenmerkende lijn in het landschap. Tussen de Straatweg en Tramdijk is een natuurgebied (Reigerbosje) gelegen en in combinatie met de lintbebouwing met daartussen doorzichten vormt dit een halfopen landschap. Aan de westzijde van het plangebied ligt het waterrijke natuurgebied De Grote Brekken en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De woonwijk Tramdijk-West, zuidelijk van het plangebied, is gelegen aan boezemwater. De noordrand van de wijk wordt ontsloten door de Wielewei.

De eerder genoemde landschappelijke karakteristieken zijn als ontwerpbasis gebruikt. Het natuurgebied De Brekken, dat zich ten westen van het plangebied bevindt, wordt gekenmerkt door lange waterlinten met daartussen stroken land. De stroken liggen in lijn met de kenmerkende verkavelrichting. Ook is rekening gehouden met de openheid van het noordelijk gelegen agrarische landschap en het Natuurgebied De Brekken. Het onderstaande figuur geeft dit weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0007.png"
Figuur 7. Weergave kwaliteitenkaart

De landschappelijke analyse uit Bijlage 1 heeft als basis voor de nadere uitwerking gediend. In de landschappelijke analyse is ingegaan op de ligging van het plangebied, de lagenbenadering, relevant beleid, belemmeringen/hindercontouren en de kwaliteiten van het gebied. Een beschouwing van deze aspecten heeft geresulteerd in een programma met bijbehorende randvoorwaarden. Dit was leidend voor de ontwikkeling van denkrichingen en het verkavelingsplan voor het Hof fan Lemmer. Onderstaand is het voornoemde programma weergegeven:

  • duurzame woonwijk: hoge duurzaamheidsambitie, van integraal energieconcept (gasloze wijk en opwekking duurzame energie) tot duurzame inrichting;
  • ruimte voor het midden- en hogere segment (twee-onder-een-kapwoning, levensloopbestendige woningen, vrijstaand en appartementen);
  • goede stedenbouwkundige aanhechting op noordrand van Lemmer, met respect voor de huidige bewoners;
  • goede landschappelijke overgang naar noordelijk gelegen landelijke gebied en westelijk gelegen natuurgebied;
  • gelegen aan bevaarbaar water (boezem) met staande mast route. Omringende kades met natuurvriendelijke oevers aanleggen als scheiding tussen boezem- en polderwater;
  • nieuwe ontsluiting van de waterzuivering aan de noordzijde van het plangebied in combinatie met nieuwe fiets- en wandelroute(s);
  • wandel- en fietsroutes verbinden;
  • inspelen op hindercontouren;
  • geen doodlopende wegen langer dan 80 m.

De uit de landschappelijke analyse voortvloeiende kwaliteitenkaart, uitgangspunten en programma/randvoorwaarden zijn vervolgens vertaalt in twee denkrichtingen voor Hof fan Lemmer. De hiernavolgende alinea gaat hier op in.

Twee denkrichtingen

Sinds de zomer van 2021 zijn er twee denkrichtingen uitgewerkt voor een mogelijke invulling van het gebied. In beide is sprake van wonen aan open vaarwater (staande mast verbinding met de Brekken en het IJsselmeer). In de twee denkrichtingen zijn ongeveer 170 wooneenheden opgenomen.

Aan de noordkant van het plangebied is in de uitwerking sprake van een lagere bebouwingsdichtheid die samen met de watergang en de te realiseren waterkering de overgang vormt naar het weidegebied. De beeldkwaliteit van de daar te realiseren woningen zoals hoogte en kleur en de invulling van het groen, zal daarop worden afgestemd. In een latere fase wordt een beeldkwaliteitsplan gemaakt.

In het projectgebied wordt uitgegaan van een bebouwingsdichtheid die lager is dan die van het direct aansluitende Tramdijk-West. Dit creëert een logische overgang naar het buitengebied. Beide denkrichtingen sluiten goed aan op het aangrenzende woongebied (Tramdijk-West) en vormen een goede overgang naar het open weidelandschap aan de noordzijde.

De eerder opgemerkte twee denkrichtingen spelen in op de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van de omgeving van Tramdijk-West. Een goede aansluiting op de bestaande woonwijk, met respect voor de woonkwaliteit voor de huidige bewoners is hierbij een belangrijk principe geweest. De twee denkrichtingen en de daarbij behorende toelichting zijn als Bijlage 2 bij deze plantoelichting te raadplegen.

Denkrichting 'De Linten'

Natuurgebied De Brekken wordt gekenmerkt door lange waterlinten met daartussen stroken land. De stroken liggen in lijn met de kenmerkende kavelrichting. Dit concept heeft geïnspireerd tot het model 'De Linten'. Het onderstaande figuur geeft de denkrichting behorend bij dit concept weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0008.png"
Figuur 8. Stedenbouwkundige denkrichting 'De Linten'

Denkrichting 'Eilandenrijk'
Archeologisch onderzoek heeft een inspirerend grillig patroon van laagtes en hoger gelegen ‘eilanden’ naar voren gebracht. Het geeft fraai weer hoe het gebied in het verleden door natuurlijke processen is gevormd. Dit concept heeft geïnspireerd tot het model 'Eilandenrijk'. Het onderstaande fragment geeft de denkrichting behorend bij dit concept weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0009.png"
Figuur 9. Stedenbouwkundige denkrichting 'Eilandenrijk'

Participatie en stedenbouwkundige uitwerking

Beide varianten zijn gepresenteerd op de inloopavond in mei 2022 voor de direct omwonenden van het project. Op de inloopavond zijn ongeveer 100 bewoners uit de aan het projectgebied grenzende wijk Tramdijk-West aanwezig geweest. Het overgrote deel daarvan heeft positief tot zeer positief gereageerd op de beide denkrichtingen, die nu de basis vormen voor de uitwerking. Door middel van enquêtes via een online platform (https://www.hoffanlemmer.nl//) is gevraagd naar de mening van andere belangstellenden en belanghebbenden op een groot aantal punten. Uit de enquêtes en de reacties van omwonenden op de inloopavond is gebleken dat er veel waardering is voor de gekozen opzet in beide schetsen met een groene parkachtige zone tussen het nieuwe en het bestaande woongebied en de verdere situering van de diverse woning typologieën zoveel mogelijk aan het water. Het draagvlak daarvoor is groot.

Op basis van de uitkomsten van de enquêtes is er in de projectgroep voor gekozen om verder te gaan met variant De Linten en daarin een aantal uitkomsten van de enquêtes te verwerken. De belangrijkste wijzigingen die zijn doorgevoerd zijn:

  • het introduceren van water-wonen (drijvende woningen),
  • het schrappen van een appartementengebouw aan de westzijde,
  • het verbreden van de watergangen en groenstructuren,
  • het creëren van meer zichtlijnen.

Dit heeft geresulteerd in onderstaand concept stedenbouwkundig plan dat als basis dient voor dit bestemmingsplan. Het stedenbouwkundig plan toont een goede invulling met veel open vaarwater, aansluitend bij het omliggende landschap. Het plan is een goede overgang vanuit het ten zuiden ervan liggende Tramdijk West en de landerijen ten noorden. Als overgang vanuit de bestaande wijk Tramdijk West naar het nieuwe gebied is een parkzone vormgegeven die vanuit beide wijken zal worden benut. Er is gekozen voor het onderbrengen van een mix van vrije sector kavels en projectmatige vrijstaande woningen en tweekappers. Aan de oostkant is een appartementengebouw bedacht met vier lagen. Het plan biedt ruimte voor maximaal 205 woningen. Vanuit de exploitatie van het plan wordt een bijdrage betaald aan de gemeente voor het faciliteren van sociale woningbouw op plaatsen die daar qua ligging beter geschikt voor zijn. Het plan past daarmee goed in de totale mix van plannen in Lemmer waarmee de verschillende doelgroepen worden bediend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0010.png"
Figuur 10. Concept stedenbouwkundig plan februari 2023 (aan deze afbeelding kunnen geen rechten worden ontleend).

Op figuur 6 is te zien dat er sprake is van diverse bebouwingslinten met kavels die gelegen zijn aan het water. De richting van de water- en bebouwingslinten ligt in lijn met de kenmerkende verkavelingsrichting. Hierbij zijn doorzichten over het water mogelijk. De kavelgrootte is variabel.

Tussen de noordrand Tramdijk-West en de nieuwe wijk is voorzien in een groen parklint met wandelpaden en speelvoorzieningen.

Hoofdontsluiting voor autoverkeer vindt plaats via de Straatweg en nieuw te realiseren ontsluiting. Woonstraten volgen het patroon van de linten. Ten behoeve van het woongenot van de nieuwe woonwijk wordt het westelijke deel van de Wielewei autoluw gemaakt.

Daarnaast is voorzien in een zonneweide rondom de RWZI. De waterzuivering is tevens ontsloten via een aparte route aan de noordzijde van het plangebied. In figuur 10 is de totale gewenste ontwikkeling weergegeven van de zonneweide. In dit bestemmingsplan is echter alleen dat deel meegenomen die betrekking heeft op de RWZI. Zie hiervoor paragraaf 2.3.

Het plan biedt ruimte voor een trekpont vanaf de Wielewei naar de overzijde.

Archeologische vindplaatsen worden zoveel mogelijk gerespecteerd. Beperkte delen worden onder archeologische begeleiding zorgvuldig ontgraven.

De ontwikkeling zal passen binnen de gemeentelijke Leidraad Ontwerp Openbare Ruimte. Na realisatie van het plangebied door de ontwikkelaar, neemt de gemeente de openbare ruimte over. Dat betekent dat de openbare ruimte zal voldoen aan de eisen en voorwaarden die eraan gesteld worden. Het water wordt mandelig eigendom van de bewoners.

Er is grote belangstelling. Momenteel hebben zich al 450 belangstellenden ingeschreven voor het project. Ongeveer 90% daarvan is afkomstig uit Lemmer. De ontwikkelaar geeft op eigen initiatief belangstellenden uit Lemmer voorrang bij de verkoop van de kavels en de woningen.

2.5 Beeldkwaliteit, groen en landschappelijke inpassing

Met het stedenbouwkundig plan is ook een beeldkwaliteitsplan en groenplan opgesteld en als Bijlage 3 bij dit plan gevoegd. Het beeldkwaliteitsplan bestaat uit twee delen. Met deze indeling kan door de verschillende gebruikers gericht gebruik gemaakt worden van het document.

  • Deel A beschrijft het karakter van de wijk, het hoofdprincipe en de ontwerpambitie. Daarnaast is per karakter-woonsfeer de beeldkwaliteitseisen aangegeven waaraan nieuwbouw moet voldoen. De beeldkwaliteitseisen geven ontwerpers/architecten handvatten voor het ontwerp van de bebouwing en vormen het toetsingskader voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandstoets).
  • Deel B vormt het groenplan en gaat in op de landschappelijke inpassing van het planvoornemen in de omgeving als ook de groene inpassing van de openbare ruimte in het gebied.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voorliggen. Verscheidene trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Groeiende en veranderende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen maar een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt daarnaast om zorgvuldige keuzes. De ruimte is zowel boven-, als ondergronds, een schaars goed.

Het combineren van al die opgaven vraagt om een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar van onderop, in goede samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, bedrijven maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat mogelijk is. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid grotendeels bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes vaak het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2024 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI een visie op lange termijn in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.

Die belangen komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen in sommige gevallen kunnen botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt per gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners, zonder dat toekomstige generaties hier negatieve gevolgen door ondervinden.

De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De algemene denklijn van de NOVI is in de planvorming betrokken.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het planvoornemen zoals benoemd in paragraaf 2.3 is niet in strijd met het beleid zoals benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend onder de naam Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de nationale belangen voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Het gaat in dit geval om nationale belangen als 'Grote rivieren', 'Rijksvaarwegen' of 'Defensie'.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Dit bestemmingsplan is niet in strijd met de regels uit het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een wijzigingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied (zie hiervoor paragraaf 3.2), maar grenst hier wel direct aan. Deze plek geeft specifieke invulling aan de uitbreiding van Lemmer en vormt een logische locatie gezien de ligging direct ten noorden van de laatste uitbreiding en gelegen tussen een stedelijke functie (rioolwaterzuivering) en bestaande infrastructuur. In de regio is gezien het benodigde oppervlakte, het beoogde stedenbouwkundig karakter beschreven in paragraaf 2.3 geen ruimte voor een dergelijk woonmilieu binnen bestaand stedelijk gebied. Het programma is binnen de beoogde stedenbouwkundige opzet dus niet in te passen in stedelijk gebied binnen de regio. Er is specifiek gekozen voor een uitbreiding van het bestaande deel van Lemmer op deze locatie en niet in een ander gebied vanuit zorgvuldig ruimtegebruik. Tevens is het plangebied gezien de ligging nabij de snelweg zeer goed ontsloten. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Wat betreft de kwantitatieve behoefte, blijkt uit de regionale woondeal (paragraaf 3.3.1) en het gemeentelijk woonbeleid (zie hiervoor paragraaf 3.4.3) dat er behoefte is naar het aantal woningen dat in het plangebied mogelijk wordt gemaakt.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân

De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. In de Omgevingsvisie Fryslân, 'De Romte Diele' geheten, staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. Een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie Fryslân voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving bedoelt de provincie: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Voor het onderhavige plan is met name de ambitie 'vitaal' van belang.

De ambitie vitaal richt zich op het leefbaar houden van Friese steden, dorpen en het platteland. Dit betekent dat er voldoende woningen, voorzieningen en bedrijvigheid zijn en dat de bereikbaarheid goed is. Het planvoornemen heeft betrekking op een woonuitbreiding van 205 nieuwe woningen in Lemmer. Dit sluit aan op de doelstelling 'vitaal', die voldoende woningen in de provincie beoogt.

Natuurinclusief ontwerpen

In de Omgevingsvisie De Romte Diele wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door bij het ontwerp rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Bij de uitwerking van de woningen en inrichting van de erven zal rekening worden gehouden met natuurinclusief bouwen. De inrichting van de openbare ruimte is zo groen mogelijk. De beplanting is gevarieerd qua sortiment en richt zich op vogels en insecten.

Zonnepark

Ten aanzien van zonne-energie geeft de provincie aan dat het uitgangspunt als volgt is: zonnepanelen eerst op daken en gevels van gebouwen. Echter geeft de provincie wel aan dat ook kan blijken dat er locaties in het landelijk gebied nodig zijn om de gestelde energiedoelen te behalen. Ook in dat geval prefereert de provincie slimme functiecombinaties. De voorkeur ligt bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals bijvoorbeeld waterzuiveringsinstallaties. Dit plan voorziet, naast een nieuw woongebied, tevens in een kleinschalig zonnepark grenzend aan de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Lemmer. Het zonnepark wordt op gronden gerealiseerd waar gelet op de geurhinder van de RWZI, geen sprake kan zijn van nog meer woningbouw als onderdeel van het woongebied. De inpassing van een zonnepark is daarmee een voorbeeld van efficiënt ruimtegebruik. De realisatie van een zonnepark en een woongebied nabij een bestaande rioolwaterzuiveringsinstallatie, maakt dat er sprake is van slimme functiecombinaties. De realisatie van het zonnepark staat dan ook in lijn met de provinciale omgevingsvisie.

Conclusie
Het planvoornemen is conform de principes en doelstellingen uit de omgevingsvisie Fryslân.

3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014

In de Verordening Romte Fryslân zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Per 1 januari 2024 verandert de Verordening Romte Fryslân in de Omgevingsverordening Fryslân (OVO) 2022. Deze is op 21 september 2022 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsverordening treedt in werking wanneer de Omgevingswet van kracht wordt (1 januari 2024). Dit plan is inpasbaar binnen de omgevingsverordening. Aangezien de omgevingsverordening formeel nog geen rechtskracht heeft, wordt in het navolgende ingegaan op de inpasbaarheid in de Verordening Romte Fryslân.

In de Verordening Romte Fryslân is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied. Het plangebied bevindt zich buiten het stedelijk gebied, zoals dit door de provincie is aangewezen. Dit betekent dat het plangebied zich in het landelijk gebied bevindt. Met dit plan worden twee functies mogelijk gemaakt: een woonfunctie voor 205 woningen en een zonnepark. In het onderstaande wordt per functie ingegaan op de van toepassing zijnde regels uit de verordening.

Woongebied

Aangezien het woongebied in het landelijk gebied wordt gerealiseerd, zijn als eerste de algemene regels uit de verordening van belang voor het planvoornemen. Op grond van artikel 1.1.1, eerste lid mag een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe stedelijke functies bevatten. Een stedelijke functie wordt door de provincie gedefinieerd als functies die gekoppeld zijn aan het functioneren van kernen (dorpen en steden). Uit de begripsbeschrijving wordt duidelijk dat woningen onder deze definitie vallen.

In afwijking van lid 1 kan conform lid 2 in een ruimtelijk plan een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied worden toegestaan. Het planvoornemen ziet op een uitbreiding die direct aansluit op het bestaand stedelijk gebied van Lemmer. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee conform lid 2 van artikel 1.1.1 van de Verordening Romte Fryslân.

Naast de algemene regels in artikel 1.1.1 is in het geval van uitbreidingslocaties tevens artikel 2.1 'Ruimtelijke kwaliteit' van toepassing. Op grond van artikel 2.1.1, lid 1 omvat de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:

  • a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
  • b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

Ad a.
Uit paragraaf 2.3 en 2.4 blijkt dat er bij het planvoornemen rekening is gehouden met bestaande landschapselementen. De bestaande landschappelijke structuur is als uitgangspunt voor het ontwerp gebruikt. Tevens ligt een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen ten grondslag aan het ontwerp. Deze analyse als Bijlage 1 bij de toelichting te raadplegen. Met oog op het voorgaande is het planvoornemen conform ad a.

Ad b.
Uit de hiernavolgende paragraaf 3.2.3 blijkt dat het planvoornemen invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde structuren van provinciaal belang uit de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte. Geheel in lijn met cultuurhistorische kernkwaliteiten dient opgemerkt te worden dat er in Lemmer van oudsher veel vraag is naar wonen aan open vaarwater. De locatie in het plangebied biedt een goede mogelijkheid om dat te realiseren.

Het voorgaande wijst uit dat het planvoornemen conform lid 1 van artikel 2.1.1 is. Naast lid 1 dient ook toetsing plaats te vinden aan lid 2 uit hetzelfde artikel. Lid 2 stelt dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het landelijk gebied, zo nodig regels stelt die ertoe strekken dat landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, ad b. herkenbaar blijven. Voor dit bestemmingsplan bestaat geen aanleiding om specifieke regels op te stellen voor het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Het planvoornemen is daarom conform lid 2 van artikel 2.1.1.

Tot slot is in artikel 2.1.1, lid 3 geregeld dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van:

  • a. een uitbreidingslocatie;
  • b. nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur;
  • c. een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening;
  • d. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven;
  • e. overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies,

binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b.

Het voorligggende plan heeft betrekking op een uitbreidingslocatie van Lemmer. Ad a. is daarom van toepassing. In paragraaf 2.4 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven en toegelicht. Hierbij is gemotiveerd dat de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk inpasbaar is, met inachtneming van bestaande landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Naar aanleiding hiervan kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in lijn staat met artikel 2.1.1, lid 3 uit de Verordening Romte.

Voorts is artikel 2.2 Archeologie van toepassing op het planvoornemen. Dit artikel regelt dat in de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Famke. In paragraaf 4.2 is onderbouwd dat het plan rekening houdt met de voornoemde archeologische waarden en verwachtingswaarden.

Naast het voorgaande is artikel 2.3 'Zorgvuldig ruimtegebruik' uit de Verordening Romte van toepassing op het planvoornemen. De toelichting van een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijk functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uit deze verantwoording moet in ieder geval blijken waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Voor een dergelijke motivering wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3, waarbij in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking is gemotiveerd waarom het planvoornemen in dit geval buiten het bestaand stedelijk gebied moet plaatsvinden. Op basis van deze motivering wordt gesteld dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik in de zin van de Verordening Romte. Het planvoornemen voldoet daarmee aan artikel 2.3 uit de verordening.

Tot slot is artikel 3.1.1 van toepassing op het planvoornemen. Op grond van dit artikel kan een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Ten aanzien van dit artikel geldt dat de voorgenomen woningbouw is opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente. In 3.4.3 is dit nader gemotiveerd.

Zonnepark

Evenals bij de toetsing van het woongebied, is als eerst artikel 1.1.1 van toepassing voor de realisatie van het zonnepark. Zoals eerder opgemerkt mag een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe stedelijke functies bevatten. Uit de begripsbepalingen van de verordening blijkt dat 'opstellingen voor zonne-energie' niet onder de definitie van een stedelijke functie vallen. Bij dit plan is sprake van de realisatie van een opstelling voor zonne-energie. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet aangemerkt wordt als stedelijke functie. Verdere toetsing aan artikel 1.1.1 is derhalve irrelevant.

Daarnaast is artikel 2.1 van toepassing op de realisatie van het zonnepark. Op grond van artikel 2.1.1, lid 1 omvat de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:

  • a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
  • b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

De realisatie van het zonnepark heeft betrekking op gronden die, door de realisatie van het woongebied en de aanwezigheid van de RWZI, verder geen andere functie zouden hebben en daardoor braak zouden komen te liggen. De inpassing van het zonnepark zorgt ervoor dat er sprake is van slimme functiecombinaties en is daarom een logisch gevolg van de ontwikkeling van het woongebied. Er is ten aanzien van het zonnepark dan ook geen specifieke analyse gedaan naar de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen. Wel sluit de opstelling van de zonnepanelen aan op de voor de omgeving kenmerkende verkavelingsrichting. Op basis van het voorgaande wordt geacht dat de realisatie van het zonnepark in overeenstemming is met artikel 2.1.

Lid 2 van artikel 2.1 is in relatie tot het zonnepark niet relevant. Er bestaat geen aanleiding om regels te stellen die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten herkenbaar blijven. Lid 3 van artikel 2.1 is wel relevant. Dit artikel regelt dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van onder meer nieuwe infrastructuur of aanpassing daarvan. Een zonneweide kan als nieuwe energie-infrastructuur worden aangemerkt. In paragraaf 2.4 is gemotiveerd dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing voor zowel het zonnepark als het woongebied. Het planvoornemen voldoet dan ook aan artikel 2.1.1, lid 3.

Ook hier is artikel 2.2 Archeologie van toepassing op het planvoornemen. Dit artikel regelt dat in de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Famke. In paragraaf 4.2 is onderbouwd dat het plan rekening houdt met de voornoemde archeologische waarden en verwachtingswaarden.

Naast het voorgaande dient toetsing plaats te vinden aan artikel 2.3 'zorgvuldig ruimtegebruik'. De toelichting van een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijk functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uit deze verantwoording moet in ieder geval blijken waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Voor een dergelijke motivering wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3, waarbij in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking is gemotiveerd waarom de realisatie van het zonnepark in dit geval buiten het bestaand stedelijk gebied moet plaatsvinden.

Een nieuwe opstelling voor zonne-energie op gronden in het landelijk gebied kan op basis van artikel 9.5.1 alleen worden toegestaan en als uit onderzoek blijkt dat de opstelling noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke ambitie, waarbij toepassing is gegeven aan de volgende prioritering voor het vinden van locaties voor zonne-energie:

  • a. op daken en gevels;
  • b. op gronden binnen het bestaand stedelijk gebied;
  • c. op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond zoals vuilstorten nutsvoorzieningen, zandwinputten en infrastructuur;
  • d. op landbouwgronden of in natuurgebieden.

Bij dit plan is sprake van lid c en d. Deels wordt het zonneveld gerealiseerd op gronden met de bestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf' behorende bij de RWZI Lemmer. Daarnaast is deels sprake van zonne-energie op landbouwgronden. Er moet daarom gekeken worden naar artikel 9.6.3. Op grond van dit artikel kan in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied worden voorzien in een opstelling voor zonne-energie op landbouwgronden die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied of op gronden die een redelijke aansluiting hebben of krijgen op het stedelijk weefsel van de kern. Bij het planvoornemen is dit het geval. Het zonnepark sluit aan op het bestaand stedelijk gebied van Lemmer. In dergelijke gevallen regelt lid 4 van dit artikel dat er rekening moet worden gehouden met de volgende randvoorwaarden:

  • voor de locatiekeuze en landschappelijke inpassing gebruik is gemaakt van de methodiek van de Sinnetafel,
  • de omvang van de opstelling is afgestemd op de energiebehoefte van de kern, of van enkele samenwerkende kernen,
  • de omvang van de opstelling is passend bij de schaal van de kern, tot maximaal 5 ha bij een overige kern, tot maximaal 15 ha bij een regionaal centrum, tot maximaal 20 ha bij een stedelijk centrum en tot maximaal 25 ha bij Leeuwarden,
  • er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden om combinaties te maken met andere functies waarbij in ieder geval ruimte wordt gereserveerd voor het versterken van de biodiversiteit,
  • de locatie ligt niet in de ecologische hoofdstructuur of natuur buiten de ecologische hoofdstructuur, en
  • de omgeving wordt betrokken bij het planproces en ten minste 50% van het zonnepark is in eigendom van de lokale gemeenschap.

Afweging randvoorwaarden
Voor de locatiekeuze en landschappelijke inpassing is gebruik gemaakt van de methodiek van de Sinnetafel. Ook is de omvang van de opstelling afgestemd op de energiebehoefte van de RWZI Lemmer. Uit de begripsbepalingen van de verordening wordt duidelijk dat Lemmer door de provincie is aangewezen als regionaal centrum. Opstellingen mogen daardoor maximaal 20 ha bedragen. In feite is er sprake van drie kleinere opstellingen nabij elkaar. De totale oppervlakte van het te realiseren zonneveld bedraagt circa 8 ha. Dit valt onder de maximum van 20 ha.

Daarnaast is er sprake van functiecombinaties door de combinatie van de RWZI en het zonnepark. Ook worden er tussen de zonneparken sloten gegraven die de biodiversiteit bevorderen. Ook kan onder de zonnevelden vegetatie groeien waardoor de soortenrijkdom toeneemt. Tot slot is de omgeving bij het planproces betrokken.

Het te realiseren zonneveld is bedoeld voor directe levering van elektriciteit aan de rioolwaterzuivering die daardoor geheel in haar eigen energiebehoefte kan voorzien. Het Wetterskip is nauw betrokken bij de ontwikkeling. In het andere deel van het plangebied is het de ambitie om een zonneveld te realiseren waarbij mogelijkheden worden geboden voor participatie door de nieuwe bewoners en huidige omwonenden. Voor dit zonneveld zal te zijner tijd een eigen procedure worden doorlopen. Met oog op het voorgaande wordt gesteld dat de realisatie van het zonnepark in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân.

Conclusie
Het planvoornemen past binnen de Verordening Romte Fryslân.

3.2.3 Structuurvisie Grutsk op 'e Romte

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document Grutsk op ‘e Romte als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, het Rijk en de provincie te borgen.

In de structuurvisie is de provincie opgedeeld in verschillende deelgebieden, waar elk diverse belangen gelden. Het plangebied valt onder het 'Laagveengebied'. De volgende onderdelen zijn in dit deelgebied van provinciaal belang:

  • 1. Enkele veenpolders waarbij de samenhang tussen ontginning, ontwatering, verkaveling, polderdijken, vaarten, en bebouwingspatroon nog goed zichtbaar is.
  • 2. De grootschalige openheid van het Tsjûkemar en enkele veenweidegebieden.
  • 3. De benedenlopen van de beekdalen [Lende, Tsjonger, Alddjip (de Boarn), de Ieën, onderdeel van het grotere systeem van beken en beekdalen].
  • 4. De lineaire bebouwing in samenhang met een sterke gerichtheid van de verkaveling (regelmatig opstrekkend).
  • 5. De Romeinse en vroeg middeleeuwse ontginningen tegen het klei-op-veengebied aan, die basis zijn geweest voor de daarop volgende ontginningen.
  • 6. Het totale watersysteem van beeklopen, meren, vaarten, ringsloten en ringvaarten.
  • 7. Het systeem van zeedijken en voormalige zeedijken, waarvan de IJsselmeerdijk/voormalige Zuiderzeedijk als bijzonder wordt beschouwd in dit dijkensysteem.
  • 8. Dorpen met een sterke relatie met vaarten en meeroevers.

Relatie met beleid/uitwerking randvoorwaarden

Als eerste is provinciaal belang 4 van toepassing op het planvoornemen. Bij het gekozen stedenbouwkundig concept is rekening gehouden met de sterke gerichtheid van de regelmatige blokverkaveling. De woonlinten zijn binnen deze landschappelijke structuur gesitueerd. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de blijvende herkenbaarheid van landschappelijke structuren.

Daarnaast zorgt het planvoornemen voor een extra versterking van de relatie die het karakteristieke waterdorp Lemmer met vaarten en meeroevers heeft. In het plangebied is het merendeel van de woningen aan boezemwater gesitueerd. Dit biedt mogelijkheden voor aanlegplaatsen voor boten en zorgt voor aansluiting op de staande mastroute van Lemmer. Op deze manier kan vanaf het plangebied gemakkelijk naar omliggend (open) water gevaren worden. De voorgenomen ontwikkeling zorgt op die manier voor een versterking van de relatie die het dorp Lemmer met water heeft. Het voorgaande sluit aan op provinciaal belang 8.

Geconcludeerd kan worden dat landschappelijke structuren en karakteristieken ten grondslag liggen aan het stedenbouwkundig ontwerp van het planvoornemen. Een en ander is inzichtelijk gemaakt middels een landschappelijke analyse die ten grondslag ligt aan het stedenbouwkundig ontwerp. Deze analyse is als Bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen. In paragraaf 2.4 is dit nader toegelicht. Al met al is er rekening gehouden met de provinciale belangen, zoals deze zijn beschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

Conclusie
Met oog op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in overeenstemming is met de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

3.2.4 Ontgrondingenverordening Friesland

Er is sprake van een ontgronding als het maaiveld wordt verlaagd. De bodem wordt dan door afgraving ontdaan van een grondlaag. Bij ontgronden dient te worden beschikt over een ontgrondingsvergunning, tenzij er een vrijstellingscategorie van toepassing is. Over een mogelijke ontgrondingenvergunning heeft overleg plaatsgevonden tussen de ontwikkelaar en de FUMO. Ten aanzien van dit plan is artikel 2: uitzonderingen van toepassing. Lid f van dit artikel regelt dat:

ontgrondingen, die noodzakelijk zijn voor de verwerkelijking van een in een niet langer dan 10 jaar geleden onherroepelijk geworden bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming, mits:

  • 1. in de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) uitdrukkelijk is aangegeven dat de verwerkelijking van het plan een ontgronding inhoudt of insluit;
  • 2. de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil;
  • 3. bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

Er is sprake een gesloten grondbalans omdat er geen gronden worden afgevoerd buiten het plangebied. Daarnaast bedraagt de diepte van de ontgronding niet meer dan 2,00 m beneden het maaiveld en wordt bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders afgevoerd of in depot gezet. Er is dan ook geen ontgrondingsvergunning nodig ten aanzien van het planvoornemen.

Conclusie
De ontgrondingenverordening Friesland staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woondeal 2022-2030 Regio Zuidwest Friesland

Met de 35 ondertekende regionale woondeals uit 2022 en 2023 wil de minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening - Hugo de Jonge - het landelijk woningtekort oplossen. De deals vormen de komende jaren de basis voor de volkshuisvestelijke opgave in de 35 regio’s. Met de inzet van alle betrokken partijen zal het aantal woningen evenwichtig en op een hoger tempo groeien. Tweederde van de te bouwen woningen moet betaalbaar zijn. Per gemeente wordt een eerlijk deel van de regionale opgave opgepakt, passend bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. In de woondeals staan naast het concreet aantal te bouwen en transformeren woningen ook andere afspraken, zoals:

  • Specifieke locaties.
  • Percentage betaalbare woningen.
  • Percentage sociale huur.
  • Afspraken over de huisvesting van aandachtsgroepen.
  • Afspraken over gezamenlijke opgaven zoals de inrichting van de openbare ruimte, de aanleg van wegen en het vernieuwen van wijken.

De woondeals zorgen voor een versterking van de samenwerking rond volkshuisvesting. Zodat alle betrokken partijen - Rijk, provincie, gemeente, marktpartijen en corporaties - precies weten hoeveel, voor wie en waar er gebouwd kan worden. In de deals is ook een samenwerkingsstructuur opgenomen met kortere lijnen met het Rijk. Hierdoor zal er vaker contact zijn over regionale knelpunten en instrumenten die het Rijk te bieden heeft om die knelpunten op te lossen en om de woningbouw te versnellen.

Het hebben van een woondeal helpt in het algemeen om procedures te verkorten en eenvoudiger te maken, zodat helderheid ontstaat en risico’s op uitstel of extra kosten worden voorkomen. Het gaat hierbij onder andere om het voorkomen dat door toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking wenselijke woningbouw tegen wordt gehouden bij procedures. Het gaat hierbij om gevallen waarbij ‘ladderruimte’ wordt ingenomen door bestaande harde, vaak verouderde woningbouwplannen die niet of te langzaam worden ontwikkeld.

In 2023 is de Regionale woondeal 2020-2030 van de Regio Zuidwest-Friesland tot stand gekomen. Deze Friese woningbouwafspraken zijn de opmaat voor een langjarige samenwerking tussen gemeenten, provincie en het Rijk en betreft een samenwerking tussen de betrokken gemeentes, de Provinsje Fryslân en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Met de regiodeal bundelen de verschillende overheden hun krachten om de woningbouw in de regio te versnellen. De overheden werken hierbij samen met woningcorporaties, huurdersorganisaties, marktpartijen, zorgpartijen en andere maatschappelijke partners.

In de woondeal Zuidwest-Friesland staat dat er in De Fryske Marren tot en met 2030 minimaal 1150 woningen gerealiseerd worden. Rijk, provincieen gemeenten zetten zich met elkaar in om de opgave te realiseren. In de gehele regio Zuidwest-Friesland gaat het om de realisatie van minimaal 3130 woningen tot en met 2030. Hiermee vult de Fryske Marren 37 % van de opgave in Zuidwest-Friesland. De Fryske Marren en Südwest-Fryslan vullen samen circa 18% van de totale Friese opgave van 17.500 woningen.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
In de woondeal is het voorliggende planvoornemen als sleutelproject opgenomen onder de naam 'Noordelijke Afronding'. De bouwlocaties die zijn aangewezen als sleutelprojecten in de regio en noodzakelijk voor realisatie van de regionale opgave.

Sleutelprojecten zijn projecten die een bijdrage leveren aan de volkshuisvesteiijke doelen (voldoende betaalbare woningen, corporatiewoningen en wonen en zorg voor ouderen) in relatie tot de autonome behoefte waarvan partijen vinden dat we daar gezamenlijke energie, tijd en financiële middelen op moeten inzetten. In paragraaf 3.4.3 is nader ingegaan op het te realiseren programma.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie De Fryske Marren

De gemeente hecht sterk belang aan een samenvattende visie voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Met deze reden is de Omgevingsvisie De Fryske Marren opgesteld (vastgesteld 2022-12-21). De Omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeenteraad in samenspraak met inwoners en ondernemers de toekomst van de gemeente voor zich ziet. Daarbij gaat het om de fysieke leefomgeving: de mogelijkheid om te werken, wonen, ondernemen en recreëren, nu en in de toekomst, in een plezierig en gezond leefklimaat.

De gemeente heeft de omgevingsvisie onderverdeeld in verschillende thema's. Voor het planvoornemen is het thema bebouwd gebied van belang. De opgave die de gemeente voor dit thema stelt, is goed wonen en leven voor iedereen in het bebouwd gebied. De gemeente wil ervoor zorgen dat iedereen een fijne plek heeft om te wonen en te leven, dat er uitstekende voorzieningen zijn en dat wijken veilig en groen zijn. De ambitie voor de komende jaren is de huidige kwaliteit nog verder verhogen en een omslag maken naar een duurzame en circulaire woningvoorraad. Om dit te bereiken wil de gemeente goed wonen mogelijk maken voor iedereen. In de omgevingsvisie geeft de gemeente dan ook aan te willen bouwen in de kernen waar de vraag aantoonbaar groot is. De gemeente wil voornamelijk bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. Daarbij koerst de gemeente wat nieuwbouw betreft op Joure, Lemmer, Balk en Sint Nicolaasga. In deze plaatsen zal de meeste woningbouw plaatsvinden. Dit plan maakt 205 woningen mogelijk in de kern Lemmer. Het planvoornemen sluit daarmee aan op de koers van de gemeente op het vlak van nieuwbouw in de kernen van De Fryske Marren.

Daarnaast wil de gemeente werken aan een CO2-neutrale woonomgeving. De klimaatopgave is de grootste taak waar de gemeente De Fryske Marren de komende 25 jaar aan gaat werken. In het bebouwd gebied komen alleen nog nieuwe woningen die voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG-eisen). De in dit bestemmingsplan voorziene nieuwbouw zal voldoen aan de BENG-eisen waardoor het planvoornemen bijdraagt aan de klimaatopgave.

Naast de realisatie van een woongebied voor 205 woningen, maakt dit bestemmingsplan tevens een zonneweide nabij de bestaande rioolwaterzuiveringsinstallatie mogelijk. Ten aanzien van duurzame energie is in dit geval het thema 'landelijk gebied' van belang. De Fryske Marren stelt dat het onmogelijk is om de energietransiitie onzichtbaar te houden. Inpassing in het landschap is essentieel, maar soms erg lastig. De gemeente geeft aan ruimte te zoeken voor de mogelijkheden voor wind- en zonne-energie. Het beleid voor de locatiekeuze voor zonnevelden moet zorgvuldig worden gedaan. Met oog voor de landschappelijke waarden en afgestemd met omwonenden. Uit paragraaf 2.4 blijkt dat er bij de inpassing van het nieuwe woongebied rekening is gehouden met landschappelijke waarden. De inpassing van het zonnepark is een idee dat daarna volgde. Er is geen sprake van de inpassing van een los zonnepark op reguliere agrarische gronden. De inpassing van de zonneweide in een specifiek deel van het plangebied is een logisch vervolg, gelet op de geurhinder van de nabijegelegen RWZI. Er is sprake van efficiënt ruimtegebruik, aangezien er weinig mogelijkheden zijn voor andere functies op dergelijke gronden. Er is bovendien sprake van een combinatie van functies (woongebied nabij zonneweide).

Naast het voorgaande hebben in kader van het planvoornemen diverse inloopavonden plaatsgevonden. Tijdens deze inloopavonden hebben omwonenden diverse keren de mogelijkheid gehad om hun mening te uit te spreken over het planvoornemen, zo ook over het zonnepark. Op basis van hun opmerkingen/meningen is het planvoornemen aangepast/verder verfijnd. Er kan dan ook gesteld worden dat de inpassing van de zonneweide is afgestemd met omwonenden. Voor nadere verduidelijking wordt verwezen naar de website van Hof fan Lemmer: (https://hofvanhollandlemmer.nl/informatie). Al met al is het planvoornemen in overeenstemming met de gemeentelijke omgevingsvisie.

Conclusie
De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet belemmerd door de Omgevingsvisie De Fryske Marren.

3.4.2 Beleidskader Sinnefjilden De Fryske Marren

In de gemeentelijke omgevingsvisie wordt verwezen naar het beleidskader Sinnefjilden De Fryske Marren. Middels dit beleidskader stimuleert de gemeente onder voorwaarden de opwek van duurzame elektriciteit. Het doel van het beleidskader is om handvatten te bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden en watergebonden zonneparken. In het beleidskader hanteert De Fryske Marren twee te hanteren uitgangspunten voor de ontwikkeling van zonneparkeren in de gemeente:

  • 1. De Fryske Marren geeft de voorkeur aan het realiseren van zonnevelden die goed aansluiten op het energienetwerk;
  • 2. De Fryske Marren geeft voorkeur aan realisatie van zonneparken op minder courante stukken landbouwgrond of in gebieden waar sprake is van een gecombineerde opgave.

Het zonnepark dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, sluit goed aan op het energienetwerk. Het plangebied bevindt zich op korte afstand van het verdeelstation van Lemmer. Deze bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied, nabij de Rijksweg A6. Daarnaast wordt met dit plan voorzien in een zonnepark op een minder courant stuk landbouwgrond. Door de inrichting van het woongebied en de aanwezigheid van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, is het niet mogelijk om meer woningbouw of andere functies op de desbetreffende gronden mogelijk te maken. Een zonneweide voorziet in een passende functie die bovendien zorgt voor slimme functiecombinaties. Het in dit plan mogelijk te maken zonneveld levert levert de elektriciteit buiten het net om rechtstreeks aan de rioolwaterzuivering. Er bevindt zich na realisatie van het planvoornemen een waterrijk en groen woongebied nabij een zonneweide. Het planvoornemen sluit dan ook aan op beide uitgangspunten.

Conclusie
Het planvoornemen past binnen het beleidskader Sinnefjilden van de gemeente De Fryske marren.

3.4.3 Woonvisie 2019-2023 en Uitvoeringsprogramma Woningbouw

In de woonvisie Kwaliteit van leven in De Fryske Marren beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het vlak van wonen voor de periode 2019-2023. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor samenwerkingsafspraken op het gebied van wonen. Dit beleid heeft als voornaamste doelstelling dat de inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwwensen waar moeten kunnen maken. Daarnaast hebben de gemeente De Fryske Marren en de gemeente Sûdwest-Fryslân in 2021 samen met de provincie Fryslân de 'Woningbouwafspraken Regio Zuidwest Frieslan den Provincie Fryslân 2020 tot 2023' gemaakt.

In de woonvisie geeft de gemeente aan daar te willen bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk vertoont zich een grotere vraag dan in de andere kernen. Dit vertaalt zich in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw, waarin uiteengezet is dat in verhouding een groter deel van de woonopgave in de hoofdkernen is voorzien. In de andere dorpen en kleinere kernen wil de gemeente ook bouwen bij aantoonbare vraag. Vanuit kwalitatief oogpunt is er in het woonprogramma extra aandacht voor starters op de woningmarkt via het aanbod van betaalbare koopwoningen, middenhuur en sociale huur.

Het plan voorziet in woningtypes waarnaar van oudsher veel vraag is vanuit Lemmer en omgeving: wonen aan het vaarwater. Het plan vormt een logische afronding voor de eerdere ontwikkelde wijken De Markol en Tramdijk-West. In het ontwerp liggen vrijwel alle bouwkavels aan het open vaarwater. Door het ruim 20 meter brede vaarwater is het percentage uitgeefbare bouwgrond relatief laag. Het aanleggen daarvan en de afwerking van de kavels met damwanden brengt hoge kosten met zich mee. Het toepassen van damwanden is nodig vanwege de veenachtige grondslag in het gebied. Deze aspecten hebben hun doorwerking in de te realiseren grondopbrengsten om het project haalbaar te houden.

Het programma voor de locatie bestaat uit maximaal 2 woningen, vrijstaande en twee-onder-een-kap en een 4 laags-woongebouw. De bouwgrond wordt deels uitgegeven aan kavelkopers in de vrije sector. Het andere deel wordt projectmatig ontwikkeld door de ontwikkelaar aan te wijzen bouwbedrijven. Het onderste lint is smaller ontworpen dan de beide andere linten. Zo kunnen hier relatief kleine kavels worden gerealiseerd voor bungalows. Er is veel behoefte aan een dergelijk product dat in het bijzonder geschikt is voor senioren met alle woonfuncties, inclusief de slaapvoorzieningen op de begane grond en een kleinere tuin (levensloopbestendige woningen). Rijksoverheid heeft de bouw van deze zogenaamde nultredenwoningen voor deze doelgroep als doelstelling geformuleerd om ervoor te zorgen dat de oudere doelgroep langer zelfstandig kan blijven wonen. De plattegrond van dit soort woningen is zodanig aanpasbaar dat ook andere doelgroepen er een goede woonplek kunnen vinden. Tenslotte worden bij de westelijke waterentree van het gebied een aantal drijvende woningen gerealiseerd.

Het merendeel van de woningen ligt in het hogere segment. De gemeente heeft een flinke opgave voor het realiseren van sociale woningbouw. Hier zet de gemeente met de woningbouwcorporaties ook vol op in tot 2030. Zo zijn er op dit moment plannen om meer dan 100 sociale huurwoningen te bouwen in Lemmer, veelal op binnenstedelijke locaties, dicht bij de voorzieningen. De corporatie geeft aan de locatie geen logische keuze te vinden voor sociale woningbouw. Door meer Lemmerbreed wel ruimte te bieden voor sociale woningbouw, zien wij de gewenste mix van sociale woningbouw, woningbouw in het middensegment en woningbouw in het duurdere segment dan ook ingevuld. De ontwikkelaar erkent evenwel uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid om ook het lagere woningsegment te bedienen. In overleg met het college wordt daarom gesproken over een bijdrage per in het plan te bouwen woning aan een gemeentelijk Sociaal Fonds waaruit de gemeente sociale woningbouw elders kan faciliteren. Hierdoor wordt de slaagkans van projecten op andere locaties voor sociale huur ook aanmerkelijk vergroot. Deze bijdrage wordt verder uitgewerkt in de te sluiten anterieure realisatieovereenkomst.

In de eerder genoemde regionale woningbouwafspraken is een lijn omtrent de planning systematiek omschreven: 'De gemeenten zien het woningbouwprogramma als een dynamisch document waar binnen een bepaalde bandbreedte van de afgesproken en geprognoticeerde woningbehoefte in overleg met de provincie ingespeeld kan worden op ontwikkelingen in de woningmarkt.' De gemeenten in de regio Zuidwest Friesland zien de netto bouwruimte die voortkomt uit de huishoudensprognose van 2.500 woningen voor de periode 2020 tot 2030 als een basisprogramma. Van deze 2.500 woningen behoren circa 1.000 woningen tot de gemeente De Fryske Marren en 1.500 woningen tot de gemeente Súdwest-Fryslân. Tussentijds kan dit programma worden bijgesteld, zowel naar boven als naar beneden. Gelet op het realisatieperspectief, streven de gemeenten naar programmering van maximaal 130% van het basisprogramma. Tot 2030 heeft de gemeente per mei 2023 1237 woningen geprogrammeerd in het woningbouwprogramma waarvan er top op heden 321 van zijn gerealiseerd. Het planvoornemen ziet op een uitbreiding van Lemmer, waarbij 210 woningen mogelijk worden gemaakt. Dit woningaantal past, gelet op het voorgaande, ruim binnen de provinciale woningbouwafspraken. Al met al past het plan binnen het woonbeleid van de gemeente De Fryske Marren.

Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan past binnen de woonvisie en het uitvoeringsprogramma van de gemeente De Fryske Marren.

3.4.4 Duurzaamheidsvisie 2013-2030

De gemeente De Fryske Marren heeft op 31 oktober 2012 de Duurzaamheidsvisie vastgesteld. In deze visie worden de gemeentelijke ambities op het vlak van duurzaamheid toegelicht. In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals het watersysteem, groen/natuur en energievoorziening. De gemeente zet bijvoorbeeld in op het groen inrichten van de omgeving van gebouwen.

Het plan heeft een hoge duurzaamheidsambitie. Voor de energievoorziening van de woningen wordt ingezet op aquathermie per woning (warmtepomp met warmte uit het oppervlaktewater). Dergelijke systemen zijn efficiënter dan de inmiddels gebruikelijke lucht/water warmtepomp. Er worden verschillende maatregelen gestimuleerd en toegepast om het gebruik van drinkwater te beperken. Bij het ontwerp en de inrichting van het plan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitgangspunten van klimaatadaptieve ontwikkeling. Circulair en biobased bouwen wordt zoveel mogelijk toegepast en gestimuleerd door middel van afspraken met projectmatige ontwikkelaars en individuele kopers. In het plangebied worden elektrische deelauto’s aangeboden ter beperking van het aantal auto’s in de wijk. In het gebied tussen het plan en de rioolwaterzuivering is een zonneweide gesitueerd waarmee wordt voorzien in de energiebehoefte van de zuivering. Daarvoor zal eerst ongeveer 1/3 van de weide worden aangelegd. Als het stroomnet van Liander over een aantal jaren ruimte biedt zal het restant van de weide worden aangelegd waarbij wordt uitgegaan van participatie door de bewoners.

De duurzame hoofdpunten van het planvoornemen bestaan uit de volgende elemementen die hierna verder zijn uitgewerkt.

  • De bouwkavels zullen “aquathermie-ready” aangelegd worden om de toepassing van een warmtewisselaar in het water zoveel mogelijk te stimuleren. Bij projectmatige woningen wordt de toepassing voorgeschreven.
  • Het gebied tussen de rioolwaterzuivering en het plangebied is geschikt voor een zonneveld dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie volledig van duurzame zonne-energie voorziet en voor het overige deel energie levert aan het net. Dit laatste bij voorkeur via levering aan een lokale energie coöperatie bestaande uit de nieuwe bewoners en door die van de aansluitende straten in Tramdijk-West.
  • Er worden aanpassingen overwogen als beter gebruik van regenwater, grijs afvalwater maar ook wellicht gebruik maken van decentrale sanitatie en toepassingen. Een voorbeeld hiervan is een hydraloop in combinatie met de benutting van regenwater. Dit kan leiden tot 80% besparing op drinkwater.
  • Er wordt rekening gehouden met de risico's van het veranderende klimaat. De drijvende woningen zijn een voorbeeld van klimaatadaptief bouwen. Er wordt gestreefd naar het inrichten van het gebied met een gesloten grondbalans. Bij de drooglegging zijn de normen van het Wetterskip leidend. Als het gebied zo wordt aangelegd ontstaat er in de toekomst, bij een stijgende waterspiegel, geen probleem. In het ontwerp van de wijk wordt aandacht gegeven aan het fenomeen hittestress. Door de aanwezigheid van oppervlaktewater, openbare groenstroken met voldoende grote bomen kan hittestress zoveel mogelijk worden voorkomen. De bewoners worden gestimuleerd de tuinen zo groen mogelijk te houden.

Energie

In opdracht van gemeente, Provincie, Wetterskip Fryslân en De Kompanjon is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een collectief energiesysteem, met als elementen restwarmte van de rioolwaterzuivering, aquathermie uit oppervlaktewater en zonne-energie. De uitkomst van het onderzoek is dat een collectief systeem in vergelijking met een individuele aanpak per woning financieel niet haalbaar is. Wel worden goede kansen toegedicht aan aquathermie per woning (individueel). Daarbij wordt een water-water warmtepomp toegepast, die aan de walbeschoeiing in het water wordt bevestigd. Een dergelijke warmtepomp maakt gebruik van de warmte uit het oppervlaktewater en heeft een hoger rendement dan de gebruikelijke lucht-water warmtepomp en is geluidloos. De bouwkavels worden “aquathermie-ready” aangelegd om deze toepassing zoveel mogelijk te stimuleren. Bij projectmatige woningen wordt de toepassing voorgeschreven.

Zonneweide 

Wetterskip Fryslân heeft de ambitie al haar rioolwaterzuiveringen te laten functioneren op duurzame energie. Het gebied tussen de rioolwaterzuivering en het plangebied is geschikt voor een zonneveld dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie volledig van duurzame zonne-energie voorziet. Het gebied is geschikt omdat het ligt binnen de geurcontour van de RWZI en boven een archeologisch waardevolle ondergrond ligt.

Klimaatadaptie

De nieuwe woonwijk houdt rekening met de risico’s van het veranderende klimaat. De drijvende woningen zijn een voorbeeld van klimaatadaptief bouwen. Er wordt gestreefd naar het inrichten van het gebied met een gesloten grondbalans. Vrijkomende grond uit de te graven watergangen wordt gebruikt voor de ophoging van het woongebied ter verkrijging van voldoende drooglegging. Zo wordt ook 5,5 hectare wateroppervlak gecreëerd en toegevoegd aan de Friese boezem. Bij die drooglegging zijn de normen van het Wetterskip leidend. Als het gebied zo wordt aangelegd zal in de toekomst bij een stijgende waterspiegel geen probleem ontstaan. In het ontwerp van de wijk zal aandacht worden gegeven aan het fenomeen hittestress. Door de aanwezigheid van oppervlaktewater, openbare groenstroken met voldoende grote bomen kan hittestress zoveel mogelijk worden voorkomen. De bewoners worden gestimuleerd de tuinen zo groen mogelijk te houden.

Circulair en biobased bouwen

Het circulair bouwen van woningen is nog maar ten dele haalbaar doordat materiaal daarvoor beperkt beschikbaar is. Biobased bouwmaterialen komen wel steeds meer beschikbaar. Meerdere Friese bedrijven hebben inmiddels een breed aanbod. De ontwikkelaar zal onderzoeken hoe dit toegepast kan worden in de nieuwe woonwijk door stimulering van de kavelkopers (zelfbouwers) en het maken van afspraken met de ontwikkelaars van de projectmatige woningen. Er kan een duurzaamheidsambitieplan gemaakt worden welke als leidraad voor de nieuwe bewoners in de wijk kan gelden. Met het oog op de productie van biobased bouwmaterialen is het noemenswaardig dat er sinds afgelopen seizoen op de huidige projectlocatie ongeveer 11 hectare vezelhennep wordt verbouwd waarmee uiterst duurzaam isolatiemateriaal gemaakt wordt. Twee teeltseizoenen op deze locatie leveren voldoende opbrengst voor het isoleren van ongeveer 150 woningen, in beginsel genoeg voor bijna het volledige woonprogramma.

Met name bij het woongebouw kunnen parkeerplaatsen worden aangelegd voor het stationeren en opladen van elektrische auto’s en deelauto’s Op die manier kan het aantal auto’s in de wijk worden beperkt.

Het voorgaande sluit aan op de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van energievoorziening.

Conclusie
Het planvoornemen is conform de Duurzaamheidsvisie 2013-2020.

3.4.5 Welstandsnota De Fryske Marren 2014

Het begrip welstand heeft betrekking op de mate waarin een bouwplan architectonisch past in de omgeving. Een bouwplan wordt hierop getoetst. De criteria waarop wordt getoetst, zijn vastgelegd in de op 22 april 2015 door de Raad vastgestelde welstandsnota. In de Welstandsnota heeft de gemeente voor verschillende welstandsgebieden welstandscriteria gedefinieerd. Dit is inzichtelijk gemaakt aan de hand van diverse kaarten. In het kader van dit bestemmingsplan is de specifieke welstandskaart voor Lemmer geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied is aangemerkt als 'Veenlandschap'. Het geldende welstandskader is dan ook niet geschikt voor een woongebied. Een beeldkwaliteitsplan is nodig voor ontwikkeling van het plangebied waarin specifieke welstandscriteria dienen te worden opgenomen. Deze nieuwe welstandscriteria moeten ter aanvulling op de geldende welstandsnota worden vastgesteld zodat de juiste stedenbouwkundige toetsing bij verdere planontwikkeling van het gebied kan plaatsvinden.

Conclusie
Aangezien het geldende welstandskader voor een veenlandschap niet geschikt is voor herinvulling met woningbouw, is het vaststellen van nieuwe welstandscriteria in aanvulling op de geldende welstandsnota noodzakelijk. Dat vindt in een op zichzelf staande procedure plaats die parallel loopt aan het bestemmingsplan. De nieuwe welstandscriteria en het bestemmingsplan worden tegelijk vastgesteld.

3.5 Conclusie beleid

Het beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Natuur

Toetsingskader

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. In de Wet natuurbescherming (Wnb) is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Naast de Wnb zijn ook de provinciale omgevingsvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig.

Onderzoek

SOORTENBESCHERMING

In het kader van de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. De rapportage van de beknopte natuurtoets is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. In het hiernavolgende zijn de resultaten en de conclusies daarvan toegelicht.

Resultaten
Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismus, ringmus, gierzwaluw, grutto, algemene broedvogels en verblijfplaatsen van vleermuizen, leefgebied van de bever en otter, waterspitsmuis en Noordse woelmuis en de grote modderkruiper binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn.

Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient voor leefgebied van de waterspitsmuis, noordse woelmuis en grote modderkruiper nader onderzoek uitgevoerd te worden.

Voor algemene broedvogels dienen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Het heeft de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen de maatregelen gevolgd te worden.

Voor algemene broedvogels dienen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Het heeft de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen de maatregelen gevolg te worden zoals beschreven in paragraaf 5.2 van Bijlage 4.

Daarnaast dient verstoring door bouwverlichting voorkomen te worden voor vleermuizen die de mogelijk een verblijfplaats in de omliggende woningen hebben door de maatregelen te volgens zoals beschreven in paragraaf 5.3 van Bijlage 4. Voor de bever en de otter dient er aan westzijde van het plangebied geen extra verlichting geplaatst te worden en kan het plangebied worden afgeschermd door een bomenrij en bosschages aan te leggen.

Voor het verstoren of vernietigen van nest- of verblijfsplaatsen van beschermde diersoorten dient een ontheffing te worden aangevraagd. Om deze ontheffing te verkrijgen, dient er in ieder geval gemitigeerd te worden voor het verlies aan leefgebied, wat mogelijk middels het nader onderzoek zal worden aangetoond. Bij het aanbieden van deze mitigatie dient tevens rekening gehouden te worden met soort-specifieke eisen en aanvullende voorschriften vanuit de ontheffing. Met name de vaak verplichte gewenningsperiode kan ervoor zorgen dat het planvoornemen langer uitgesteld moet worden dan vooraf gedacht, de vertraging kan hierbij oplopen tot een jaar. Wanneer men echter alternatief leefgebied aanbiedt, voordat het nader onderzoek heeft plaatsgevonden, kan de gewenningsperiode alvast beginnen en kunnen de werkzaamheden mogelijk eerder worden uitgevoerd. Voor het verwijderen van leefgebied van mogelijk aangetroffen beschermde soorten dient dus een compenserend gebied aangelegd te worden met even geschikt habitat als het habitat dat verloren gaat.

Bij de realisatie van nieuwbouw wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen, waarbij er meer plek voor verschillende diersoorten gerealiseerd wordt. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van inbouwkasten in de muur of speciale dakpannen voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.

Nader onderzoek muizen

De beknopte natuurtoets heeft uitgewezen dat de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op de waterspitsmuis, Noordse woelmuis en grote modderkruiper. De navolgende tekstpassages beschrijven de onderzoeksresultaten van het onderzoek naar de waterspitsmuis en de Noordse woelmuis. Het onderzoek naar de waterspitsmuis wordt in een aparte, losstaande rapportage uitgewerkt. De volledige rapportage van het nader onderzoek naar muizen is als Bijlage 5 bijgevoegd.

Resultaten
Op basis van beschikbaar beeldmateriaal, de eerder uitgevoerde QuickScan en communicatie met lokale bewoners is een nadere analyse van het beheer van het gebied uitgevoerd. Het reguliere beheer van het plangebied heeft tot gevolg dat het plangebied slechts een aantal weken per jaar geschikt habitat voor de waterspitsmuis en Noordse woelmuis bevat. Dit betreft een te korte periode om regulier levensvatbaar habitat voor de waterspitsmuis en Noordse woelmuis te betreffen. Op basis van deze aanvullende informatie kan de aanwezigheid van de waterspitsmuis en Noordse woelmuis daarmee alsnog worden uitgesloten. Effecten op beide soorten door het planvoornemen zijn daarmee uit te sluiten.

Op basis van het vastgestelde reguliere beheer is het plangebied ongeschikt bevonden voor de waterspitsmuis en Noordse woelmuis. De aangetroffen matig geschikte sloot betreft een te klein en suboptimaal stuk habitat om verblijfplaatsen van de soorten redelijkerwijs te kunnen verwachten. Het nader onderzoek naar deze soorten is derhalve gestaakt en de life-traps zijn op 21 maart 2023 opgehaald.

Consequenties voor het planvoornemen
Het onderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied ongeschikt is bevonden voor de waterspitsmuis en Noordse woelmuis waardoor de noodzaak van het uitvoeren van nader onderzoek is komen te vervallen. Er zijn geen verdere vervolgstappen benodigd voor de waterspitsmuis en/of Noordse woelmuis in het kader van de Wet natuurbescherming.

Nader onderzoek grote modderkruiper

Met oog op de voorgaande beschreven onderzoeksresultaten is een nader onderzoek naar de aan, dan wel afwezigheid van de grote modderkruiper uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 6 te raadplegen. Tijdens het veldbezoek zijn de watergangen binnen het plangebied geïnspecteerd om de meest geschikte locaties te bepalen. De locaties zijn vervolgens onderzocht middels drie sample kits. De drie samples zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van grote modderkruiper DNA, waarbij ieder sample is opgedeeld in 12 replica's, aangezien dit de hoogste gevoeligheid oplevert. Als resultaat wordt het aantal positieve replica’s per sample weergegeven, waarbij 0/12 betekent dat in géén van de replica’s DNA van de grote modderkruiper is aangetroffen.

Consequenties voor het planvoornemen
In geen van de bemonsterde watergangen is de grote modderkruiper aangetroffen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de grote modderkruiper niet aanwezig is in het plangebied. Er zijn geen verdere vervolgstappen benodigd voor de grote modderkruiper in het kader van de Wnb.

GEBIEDSBESCHERMING

Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.

Natura 2000
Het plangebied ligt ruim 2,7 km afstand van het Natura 2000-gebied 'IJsselmeer'. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Fryslân nog Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen.

Het plangebied grenst min of meer aan het natuurgebied 'Groote Brekken'. Dit natuurgebied maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op grond van artikel 7.1.1, lid 2 kunnen ruimtelijke plannen die betrekking hebben op gronden nabij de EHS, nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur.

Met de uitvoering van het plan gaat geen EHS verloren. Er vindt geen grondroering plaats in deze gronden. Bovendien is het natuurgebied van het plangebied gescheiden door een sloot en de Wielewei. De wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS worden door de woningbouw in het plangebied niet aangetast. Negatieve effecten op natuurgebied Groote Brekken als gevolg van het planvoornemen zijn dan ook niet te verwachten.

Ten oosten van het plangebied bevindt zich een natuurgebied dat door de provincie is aangemerkt als 'natuur buiten de EHS'. Natuur buiten de EHS kent in Fryslân geen externe werking. Daarnaast gaat bij uitvoering van de plannen geen Natuur buiten de EHS verloren. Weidevogelleef- en kansgebieden zullen evenmin verstoring ondergaan, gezien de relatief ruime afstand tot het plangebied.

Beschermde houtopstanden
De Wnb beschermt bos van minimaal 1.000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. In het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Fryslân is derhalve niet nodig.

Stikstofdepositie
Als gevolg van het planvoornemen kan er in potentie sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase. Vanwege het planvoornemen is daarom een AERIUS-berekening gemaakt. De AERIUS-berekening is als Bijlage 7 bij deze plantoelichting te raadplegen.

De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf-bestand maakt onderdeel uit van de AERIUS-berekening in Bijlage 7.

Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

Conclusie

Het planvoornemen kan wat het aspect ecologie betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.2 Erfgoed

4.2.1 Archeologie

Toetsingskader

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan vanwege de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient vanwege voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Inventarisatie onderzoek archeologie

Binnen het plangebied hebben in het verleden verschillende archeologische inventariserende veldonderzoeken plaatsgevonden (Ten Anscher, 2004; Hekman 2006). Op basis van deze onderzoeken is duidelijk geworden dat binnen het plangebied een aantal archeologische vindplaatsen uit de steentijd ligt. Binnen het plangebied wordt een groot aantal bouwkavels gerealiseerd, gelegen aan het water. Ten westen van de kavels wordt een zonnepark aangelegd, bestemd voor de energievoorziening van de woningen. Door de voorgenomen ontwikkeling kunnen archeologische resten worden bedreigd. Door RAAP is onderzoek uitgevoerd en per vindplaats besproken hoe met de aanwezige archeologische resten omgegaan kan/moet worden op basis van de geplande bodemingrepen. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd.

Advies per vindplaats

Vindplaats 1

Geadviseerd wordt om de plannen zodanig aan te passen dat geen ingrepen uitgevoerd worden die dieper reiken dan respectievelijk 1,33 m -NAP (noordelijke weg) en 1,5 m -NAP (zuidelijke weg); dit is inclusief een beschermende buffer van circa 0,3 m boven het dekzandniveau. Indien planaanpassing niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving uit te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0011.png"
Figuur 11. Advieskaart vervolgonderzoek vindplaats 1; aanduiding diepteligging top dekzand -NAP is inclusief een buffer van 0,3 m boven het dekzand.

Vindplaats 2

Geadviseerd wordt om de plannen zodanig aan te passen dat geen ingrepen worden uitgevoerd die op deze locaties dieper reiken dan respectievelijk 1,8 m -NAP (waterweg) en 1,5 m -NAP (nieuwe weg); dit is inclusief een beschermende buffer van circa 0,3 m boven het dekzandniveau. Indien planaanpassing niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving uit te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0012.png"
Figuur 12. Advieskaart vervolgonderzoek vindplaats 2; aanduiding diepteligging top dekzand -NAP is inclusief een buffer van 0,3 m boven het dekzand.

Vindplaats 3

Geadviseerd wordt om archeologisch onderzoek in de vorm van een archeologische opgraving uit te voeren indien het dekzandniveau niet kan worden ontzien. Op dit moment geplande ingrepen: ook ter plaatse van de geplande waterweg en nieuwe weg (figuur 13 en figuur 19) aan de noordzijde van deze vindplaats ligt het dekzand op een diepte vanaf 2,1 m -NAP. Ook voor deze locaties wordt daarom geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat geen ingrepen worden uitgevoerd die dieper reiken dan 1,8 m -NAP; dit is inclusief een beschermende buffer van circa 0,3 m boven het dekzandniveau. Indien planaanpassing niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving uit te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0013.png"
Figuur 13. Advieskaart vervolgonderzoek vindplaats 3; aanduiding diepteligging top dekzand -NAP is inclusief een buffer van 0,3 m boven het dekzand.

Conclusie

Ter bescherming van de archeologische waarden binnen deze drie vindplaatsen zijn dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Per vindplaats is een specifiek advies gegeven over vanaf welke diepte geen bodemingrepen mogen plaatsvinden. Daarom heeft elke vindplaats een specifieke dubbelbestemming gekregen. Hierbij is de insteek om bij vindplaats 1 de archeologische laag zoveel mogelijk wordt ontzien. Daar waar er bijvoorbeeld met riolering toch bodemingrepen plaatsvinden die dieper zijn dan aangegeven zal dit plaatsvinden onder archeologische begeleiding. Voor vindplaats 2 en 3 vindt nader onderzoek plaats waar door middel van boringen om de buitenranden van de locaties waar ze het plan raken beter in kaart te brengen. Het kan heel goed dat in die overlap toch niets blijkt te zitten. Dan worden de gebieden aangepast. Mochten de gebieden ongewijzigd blijven dan worden stedenbouwkundige aanpassingen overwogen zodat er geen bodemingrepen nodig zijn binnen de vindplaatsen.

Inventariserend veldonderzoek (waarderend booronderzoek)

Het uitgevoerde onderzoek heeft tot doel de archeologische verwachting voor het gebied te toetsen en eventuele archeologische vindplaatsen in kaart te brengen naar aanleiding van het hiervoor benoemde onderzoek.

Het onderzoek vond plaats op drie deelgebieden in het plangebied die bedreigd worden door de voorgenomen ingrepen. Tijdens het onderzoek zijn in 25 van de 58 boringen archeologische indicatoren aangetroffen. In 25 boringen is houtskool aangetroffen. Daarnaast zijn in twee boringen (die overigens ook houtskool bevatten) in totaal twee scherven aardewerk aangetroffen. Dit aardewerk kan worden gedateerd in de periode bronstijd-ijzertijd. Tijdens het booronderzoek is geen vuursteen aangetroffen.

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. De meest geschikte methode voor een dergelijke vervolgstap is een proefsleuvenonderzoek, waarbij tevens vakken worden opgegraven en gezeefd. Dit proefsleuvenonderzoek wordt aanbevolen voor de deelgebieden Midden en Noord en dient meer inzicht te geven in de aard, omvang, datering, diepteligging, gaafheid, conservering en waarde van de archeologische resten. Voor het derde onderzochte deelgebied (Zuid) wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Het onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd.

Bij de aanleg van de betreffende waterpartijen worden onder archeologische begeleiding proefsleuven gegraven en en afhankelijk van wordt aangetroffen zullen de betreffende gedeelten worden ontgraven onder archeologische begeleiding.

4.2.2 Cultuurhistorie

In het kader van cultuurhistorie is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van belang. Aan de hand van de CHK2 wordt bepaald of en zo ja welke cultuurhistorische waarden er in het plangebied aanwezig zijn. Uit de CHK2 blijkt dat er in het plangebied enkele cultuurhistorische objecten en/of waarden aanwezig zijn. Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de CHK2 weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0014.png"
Figuur 14. Uitsnede CHK2 (bron: provincie Fryslân, 2023)

Uit het bovenstaande figuur blijkt dat er zich in het plangebied geen cultuurhistorische objecten bevinden. Ten zuiden en oosten van het plangebied bevinden zich een aantal puinreden. Dit zijn verharde wegen die in het kader van een inventarisatie van de Provinciale Planologische Dienst zijn geïnventariseerd. Ook is de Tramdyk ten oosten van het plangebied aangemerkt als een voormalige tramweg. Zowel de puinreden als de voormalige tramweg blijven met het planvoornemen gehandhaafd. De van belang zijnde cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied worden dan ook niet aangetast.

Conclusie

Het planvoornemen kan wat het aspect cultuurhistorie als uitvoerbaar worden geacht.

4.3 Waterparagraaf

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen waarin wordt uitgelegd op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Toetsing

Op 21 juni 2023 is bij Wetterskip Fryslân advies opgevraagd middels de digitale watertoets. De digitale watertoets is als Bijlage 10 bij de toelichting te raadplegen. Uit het advies blijkt dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is op het planvoornemen. Op basis van de ingevulde gegevens constateert het wetterskip dat het plan grote invloed heeft op het water of de wateraspecten in de omgeving. In het onderstaande wordt ingegaan op de wateraspecten die Wetterskip Fryslân in relatie tot het onderhavige plan als belangrijk acht.

Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm:

  • Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem;
  • Polder 10%,
  • Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.

Woongebied

Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden een aantal sloten gedempt en is er sprake van een toename van verharding. Er moet daarom gecompenseerd worden. In kader van het planvoornemen is een inschatting gedaan van hoeveel m2 er gecompenseerd moet worden.

Voor de verharding/bebouwing op de woonkavels is uitgegaan van 50% van de totale oppervlakte van de kavels. Dit bedraagt 79.366 m2 / 100 X 50 = 39.683 m2. Voor de te realiseren ontsluiting wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van circa 16.480 m2.

Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt voor de totaal te realiseren verharding in het plangebied 38.683 m2 + 16.480 m2 = 56.163 m2. In het wateradvies wordt gesteld dat het plangebied vrij voor boezem ligt. Er geldt daarom een compensatienorm van 5%.

Ten behoeve van het woongebied dient 56.163 / 100 X 5% = 2809 m2 te worden gecompenseerd.

Naast het voorgaande worden een aantal sloten in het plangebied gedempt. Dit komt neer op een oppervlakte van ongeveer 9045 m2 aan sloten. Gedempte sloten dienen voor 100% te worden gecompenseerd.

In totaal dient er 2809 m2 + 9045 m2 = 11.854 m2 gecompenseerd te worden.

In kader van de realisatie van het woongebied wordt er circa 56.040 m2 aan oppervlaktewater gerealiseerd. 56.040 m2 - 11.854 m2 = 44.186 m2. Er wordt in ruime mate aan de compensatieplicht voldaan.

Zonneweide

De waterhuishoudkundige situatie zal door de realisatie van het zonnepark niet tot nauwelijks wijzigen. Het regenwater zal van de zonnepanelen op de bodem afspoelen. Het regenwater stroomt af op de vrije ruimte tussen de opstellingen. Daar wordt geen gesloten verharding aangelegd; het regenwater kan onbelemmerd infiltreren. Compensatie van verharding is derhalve niet aan de orde voor de zonneweide.

Rioolwaterpersleiding
Wetterskip Fryslân adviseert om rekening te houden met de aanwezige rioolwaterpersleiding. In een strook van 6 meter gelden beperkingen voor het grondgebruik. In de nadere uitwerking van het planvoornemen krijgt dit verder gestalte.

Vrij voor boezem
Wetterskip Fryslân concludeert in haar advies dat het plangebied vrij voor boezem ligt (streefpeil -0,52 m NAP). Dit betekent dat het plangebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Er moet daarom rekening worden gehouden met hoogwater in het kader van regionale wateroverlast. In dit verband adviseert het wetterskip om nieuwe bebouwing/infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. Ten behoeve van het te realiseren woongebied wordt een nieuwe kade gerealiseerd die een waterkering vormt tussen het boezempeil en het polderpeil. Hiermee wordt voorkomen dat het boezemwater de polder in loopt.

RWZI aandachtsgebied
Het wetterskip adviseert om bij de uitwerking van het plan rekening te houden met hun waterzuiveringsobject als 'geurgevoelig'object. Uit paragraaf 4.6 blijkt dat er rekening wordt gehouden met de RWZI. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar die paragraaf. In essentie blijkt uit deze paragraaf dat de RWZI met inachtneming van te nemen maatregelen, geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling oplevert.

De ontwikkelaar is met Wetterskip Fryslân overeengekomen dat de slibbuffers zullen worden afgedekt op kosten van de ontwikkelaar. Ook de bestaande woonwijken hebben daar baat bij.

Regionale en lokale kering
Het wetterskip verzoekt om rekening te houden met de aanwezige lokale en/of regionale waterkering. Werkzaamheden binnen de zonering van deze keringen zijn vergunningplichtig. Op basis van de leggerkaart blijkt dat er een aantal zoneringen deels over het plangebied zijn gelegen. Eventueel benodigde vergunningen zullen bij de nadere planuitwerking worden aangevraagd.

Hoofdwater
De hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Het wetterskip verzoekt om hier rekening mee te houden. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit. Binnen een aantal van de beschermingszones vinden werkzaamheden plaats. Eventueel benodigde vergunningen ten behoeve hiervan zullen worden aangevraagd.

Peilwisseling
Als gevolg van het voorliggende plan wijzigt het waterpeil. Er is derhalve een peilbesluit van het Wetterskip nodig. Het woongebied wordt aangelegd op 30+ NAP. De afkeurhoogte van de nieuwe waterkering is 4- NAP. Deze hoogtes zijn afgestemd met Wetterskip Fryslan. De oude en de nieuwe regionale waterkering zijn voor de duidelijkheid aangegeven op bijgaande tekening. Dit is afgestemd met Wetterskip Fryslan. De exacte dimensionering van de waterkering wordt nog bepaald in overleg met het Wetterskip in het kader van het later nog te nemen peilbesluit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0015.png"
Figuur 15. Ligging huidige en toekomstige waterkering

Conclusie

Het planvoornemen kan wat het aspect water betreft uitvoerbaar worden geacht.

4.4 Externe veiligheid

In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.

Toetsing

Een deel van deze woningen ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Daarnaast ligt nabij het plangebied de A6 waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de externe veiligheidsrisico’s nodig.

Door AVIV is inzichtelijk gemaakt wat de externe veiligheidsrisico's zijn voor het planvoornemen. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies. Het volledige advies is als Bijlage 11 bijgevoegd. Daarnaast is advies gevraagd aan brandweer Fryslân (Bijlage 12) ten aanzien de diverse veiligheidsaspecten, met name de toename groepsrisico ten gevolge van de gasleiding. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek van AVIV weergegeven.

Aardgasleiding

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

Groepsrisico
Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en wijzigt niet door de planontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Belemmeringenstrook
De belemmeringenstrook legt geen beperkingen op aan het plangebied.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het plangebied ligt buiten de 200 m zone waarbinnen conform het Bevt verantwoording afgelegd dient te worden over de invloed op het groepsrisico. Wel dient het Bevt het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Al met al zorgt de transportroute niet voor belemmeringen die de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling in de weg kunnen zitten.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Uit de groepsrisicoberekeningen van de hogedruk aardgasleiding is gebleken dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In een beperkte verantwoording komen vier zaken aan de orde, namelijk:

  • a. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen.
  • b. De hoogte van het groepsrisico.
  • c. De bestrijdbaarheid.
  • d. De zelfredzaamheid.

In het advies van AVIV in Bijlage 11 zijn de punten a en b nader beschouwd en betrokken. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico in de huidige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico wijzigt niet door de voorgenomen ontwikkeling. De punten c en d zijn beschouwd in het advies van brandweer Fryslân (Bijlage 12). Onderstaand zijn de adviespunten van brandweer Fryslân weergegeven en waar nodig van een reactie voorzien.

Bestrijdbaarheid
Bij het verantwoorden van het groepsrisico moet ingegaan worden op de bestrijdbaarheid van het EV-scenario.

Toets
Wat betreft de bestrijdbaarheid zijn de volgende aspecten van toepassing:

  • De opkomsttijd is 10 a 12 minuten en voldoet aan dekkingsplan 2.0;
  • Een fakkelbrand is door de brandweer niet te bestrijden. Deze wordt bestreden door de leidingbeheerder het gas te laten afsluiten. Vanaf dat moment kunnen we de ontstane branden blussen;
  • Er blijven bij een EV-scenario beperkingen ten aanzien van ons optreden bij de woningen in (en buiten) het invloedsgebied (in geval van redding/ ontruiming). In het invloedsgebied is er minimaal 10 kW/m2 aan warmtestraling aanwezig. Mensen kunnen 1 kW/m2 aan. De brandweer kan kort in 3 kW/m2 optreden;
  • Een deel van het plangebied lijkt via één toegangsweg bereikbaar. Dit is anders dan in de toelichting is aangegeven. Dit zijn de twee woonstroken die noordelijk gelegen zijn, de RWZI en het zonnepanelenveld. Een fakkelbrand ter hoogte van het westelijk gelegen appartementencomplex verhindert de toegang van hulpdiensten (alsmede de ontvluchting vanuit het plangebied).

Brandweer Fryslân adviseert om:

  • De noordelijk gelegen wandelroute zodanig uit te voeren, zodat deze door hulpdiensten begaanbaar is;
  • De bruggen die de eilandstroken met elkaar verbinden geschikt te maken voor een brandweervoertuig door de vrije doorgang minimaal 3,5 meter en 4,2 meter hoog te laten zijn en dat de brug berekend is op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton.

Deze punten worden overgenomen en waar nodig vindt overleg plaats met brandweer Fryslân

Zelfredzaamheid
Bij het verantwoorden van het groepsrisico moet ingegaan worden op de zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Dit kan door schuilen en indien nog mogelijk, vluchten uit het bedreigde gebied.

De ruimtelijke inrichting kan op verschillende manieren op zelfredzaamheid inspelen. Dit is de mate van zelfredzaamheid van personen/ de functie-indeling, de infrastructuur, middels eisen aan een gebouw en alarmeringsmogelijkheden.

Toets
Kijkende naar het initiatief zijn de volgende aspecten gunstig ten aanzien van het vluchtscenario:

  • De bezoekers zijn (voornamelijk) zelfredzaam;
  • De bezoekers zijn (voornamelijk) opmerkzaam en hebben een goed waarnemingsvermogen;
  • Vanuit de woningen kan van de aardgasleiding af gevlucht worden richting westelijke richting.

De volgende aspecten kunnen een vertragende werking hebben op het vluchtscenario:

  • De bezoekers kunnen slapend aanwezig zijn;
  • Is onbekend hoe de in- en uitgang van het oostelijk gelegen appartementengebouw is gesitueerd.

Advies
Brandweer Fryslân adviseert om:

  • De initiatiefnemers van het oostelijk gelegen appartementsgebouw mee te geven dat de uitgang/ vluchtroute van het appartementengebouw van de aardgasleiding af wordt gesitueerd.

Dit advies wordt overgenomen

Advies

Brandweer Fryslân voorziet voor het plangebied aandachtspunten met betrekking tot externe veiligheid, omgevingsveiligheid en de basisbrandweerzorg. Naast de hierboven genoemde adviezen, adviseert Brandweer Fryslân om:

  • Er zeker van te zijn dat de groepsrisicoberekeningen op het juiste aantal wooneenheden is gebaseerd. In het onderzoek van AVIV is uitgegaan van 175 woningen, waarvan 34 woningen en 14 appartementen in het invloedsgebied liggen;
  • Deze adviespunten te gebruiken bij de verantwoording van het groepsrisico op basis van het Bevb. Ook de adviespunten die over het bluswater genoemd staan bij het ‘advies risico’s en brandweerzorg’ zijn relevant, omdat een fakkelbrand kan resulteren in diverse gebouw- en buitenbranden.
  • Het initiatief buiten de 100% letaliteitscontour van de aardgasleidingen te houden. Hiermee sluiten we aan op het advies wat reeds door de FUMO is gegeven;

In het bestemmingsplan is naar aanleiding van het advies van de FUMO en de brandweer Fryslân er voor gekozen om het plan aan te passen in die zien dat er geen gevoelige objecten zijn toegestaan binnen de 100% letaliteitsgrens van 50 meter. In de regels en op de verbeelding is hierin voorzien door het opnemen van een gebiedsaanduiding met daarbij behorende regels.

  • In de verantwoording ook in te gaan op de keuze om in de bestemming ‘Leiding – Gas’ (beperkt kwetsbare) bouwwerken toe te staan middels omgevingsvergunning, alsmede hoe dit zich verhoudt tot de populatie bij de groepsrisicoberekeningen;

De bestemming 'Leiding - Gas' is gelegen op gronden met de bestemming 'Groen' en 'Verkeer'. Binnen deze bestemmingen zijn geen (beperkt kwetsbare) bouwwerken toegestaan.

  • Een oplossing te bedenken waarop de RWZI en het zonnepanelenveld bereikbaar is in een situatie waarop er bijvoorbeeld wegwerkzaamheden aan deze weg plaatsvinden;
  • Om de weg naar de RWZI en het zonnepanelenveld minimaal 4,5 meter breed te maken.
  • In geval van een EOS de PGS37-1 te laten gebruiken;
  • Rondom de trafo een ruimtelijke buffer te hanteren. Een afstand van 5 meter staat gelijk van 30 minuten. Een afstand van 10 meter voor 60 minuten. Wij adviseren om dit te laten afstemmen op de tijd die benodigd is om de trafo spanningsloos te maken, waarna deze geblust kan worden.
  • De beheerder/ VVE van de appartementsgebouwen te wijzen op het belang van brandveilig gebruik. Wellicht heeft hij mogelijkheden om bewoners geïnformeerd te krijgen van belangrijke maatregelen, zoals het belang voor het sluiten van deuren bij brand. Op brandweernederland.nl staan de zinvolle tips beschreven.
  • De wegen minimaal 4,5 meter breed te (laten) maken;
  • Om de wegen te (laten) berekenen op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton;
  • Dat de bochtenstraal te (laten) voldoen aan R5.5 en R10;
  • De initiatiefnemer mee te geven om in het ontwerp rekening te houden dat wij tot 10 meter van de ingangen van de appartementsgebouwen met een brandweerauto kunnen opstellen;
  • Binnen 100 meter van de ingangen van de woningen een brandkraan met een minimale opbrengst van 500 l/min te realiseren;
  • Binnen 40 meter van de ingang van de appartementsgebouwen een brandkraan te realiseren;
  • De projectie van brandkranen aan brandweer Fryslân ter advisering voor te leggen;
  • Met brandweer Fryslân in overleg te gaan met als doel om het bluswater bij de RWZI te verbeteren.

Deze punten worden overgenomen en waar nodig vindt overleg plaats met brandweer Fryslân

Conclusie

De externe veiligheidssituatie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.5 Ontplofbare oorlogsresten

Er is een gemeentedekkende bureaustudie uitgevoerd naar de verwachting van in de bodem achtergebleven ontplofbare oorlogsresten (OO). Het doel van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen:

  • Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten oftewel van 'verdacht' gebied?
  • Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk 'verdacht') gebied als 'onverdacht' kan worden aangemerkt;
  • Indien er sprakie is van 'verdacht' gebied wat is dan de te verwachten hoofdsoort, de subsoort, het kaliber/de gewichtsklasse, de nationaliteit en de verschijningsvorm van de mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten? En voor de hoofdsoort afwerpmunitie: tevens het type ontstekingsinrichtingen en het verwachte aantal.

Op basis van het bronnenonderzoek kan gesteld worden dat er voor delen van de gemeente De Fryske Marren feitelijk herleidbare informatie is achterhaald die duidt op betrokkenheid bij oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Enkele locaties zijn als verdacht aangemerkt op afwerpmunitie vanwege bombardementen die op deze locaties hebben plaatsgevonden. Het plangebied voor de Hof fan Lemmer ligt nagnoeg geheel in een gebied dat als 'verdacht' is aangemerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0016.png"
Figuur 16. Verdachte locaties ontplofbare oorlogsrestanten

Op basis van het vooronderzoek zijn verwachtingsgebieden opgesteld waarvan aanwijzingen zijn achterhaald dat er mogelijk OO in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden in verdacht gebied opsporingswerkzaamheden uit te laten voeren door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Door deze opsporing kunnen (delen van) het plangebied worden vrijgegeven. Werkzaamheden in onverdacht gebied kunnen worden uitgevoerd met een Protocol Toevalsvondst. Hierin staat beschreven hoe te handelen wanneer er een munitie(gelijkend) object wordt aangetroffen in onverdacht gebied. De voor deze locatie van belang zijnde informatie is als Bijlage 13 bijgevoegd.

Deze opsporing is geborgd in het bestemmingsplan. Het betreffende gebied heeft de aanduiding Veiligheidszone - ontplofbare oorlogsresten gekregen waarin is bepaald dat pas grondwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd indien door middel van (nader) onderzoek is vast komen te staan dat de bodem vrij is van ontplofbare oorlogsresten.

Conclusie

Door het opnemen van de voorwaardelijke verplichtingen vormt het aspect ontplofbare oorlogsresten op dit moment geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.6 Bedrijfshinder en milieuzonering

Toetsingskader

Om hinder tussen bedrijven en gevoelige functies zoals woningen te voorkomen, is het wenselijk dat tussen beide functies voldoende ruimte is. Om te bepalen welke afstand noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden die zijn opgenomen in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is er veelal geen sprake van bedrijfshinder.

Toetsing

Omgevingstype
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Lemmer. Nabij het plangebied zijn veelal woon-, natuur en agrarische functies met daaromheen groen- en watervoorzieningen aanwezig. Het gaat hierbij om functies die qua aard, dichtheid en schaal kenmerkend zijn voor een rustig buitengebied. Het plangebied kan dan ook aangemerkt worden als rustig buitengebied (met functiescheiding).

  • Externe werking

Bij externe werking gaat het voornamelijk om de vraag of het plan leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Met het planvoornemen wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Deze functie is niet aan te merken als hinderveroorzakend. Op het vlak van externe werking zorgt het planvoornemen dan ook niet voor belemmeringen.

  • Interne werking

Ten westen van het plangebied bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna RWZI). Ten behoeve van de nabije aanwezigheid van deze installatie, is een geuronderzoek uitgevoerd (TAUW, d.d. 13 januari 2023, R001-1285840HJR-V02-bgj-NL). De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 14 bij deze plantoelichting te raadplegen.

Toetsingskader Activiteitenbesluit
In Activiteitenbesluit artikel 3.5b is opgenomen waaraan de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten aan moet voldoen. Samengevat komt dit op het onderstaande neer:

Ter plaatse van de aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing of ander geurgevoelige objecten dienen de volgende waarden als maximale immissieconcentraties te worden aangehouden:

  • 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor nieuwe situaties
  • 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor bestaande situaties

Ter plaatse van verspreid liggende woonbebouwing en van woningen op gezoneerde industrieterreinen dienen de volgende waarden als maximale immissieconcentraties te worden aangehouden:

  • 1 ouE/m3 als 98-percentiel voor nieuwe situaties
  • 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor bestaande situaties

Resultaten onderzoek
Het doel van het onderzoek was om de geurblootstelling in het plangebied ten gevolge van de RWZI vast te stellen. Uit het geuronderzoek blijkt dat de totale geuremissie van de RWZI Lemmer 13,9 MouE/uur bedraagt. Op verzoek van de initiatiefnemer is nagegaan of het mogelijk is de geuremissie te reduceren. Indien de slibbufferbakken worden afgedekt, levert dit een geurreductie van 90% op waardoor de geuremissie 7,3 MouE/uur zou bedragen. Om de blootstelling van de voornoemde geuremissie in de omgeving te bepalen zijn verspreidingsberekeningen uitgevoerd. Daarnaast is op vijf gevoelige locaties in het plangebied de geurimmissieconcentratie berekend. Ook hierbij is de geuremissie in de huidige situatie afgezet tegen de situatie waarbij de slibbuffers zijn afgedekt.

Beschouwing Activiteitenbesluit
In de nieuwe situatie wordt niet voldaan aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot de aaneengesloten woonbebouwing. Er liggen nog woningen binnen de 0,5 ouE/m3-geurcontour. Bij deze woning zal de geurconcentratie 2 % van de tijd groter zijn dan 0,5 ouE/m3. Indien de slibbuffers worden afgedekt zal wel worden voldaan aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot de aaneengesloten woonbebouwing. Vanwege de geurcontour die over een aantal van de woningen valt, zullen de slibbuffers van de RWZI moeten worden afgedekt. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden de slibbuffers daarom afgedekt. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is met oog hierop een gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone' opgenomen met daaraan gekoppend een voorwaardelijke verplichting. Het deel van het woongebied dat onder deze gebiedsaanduiding valt, mag alleen worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen wanneer de slibbuffer is afgedekt en afgedekt blijft. Na de afdekking ligt de geurcontour niet meer over het woongebied en kunnen de woningen worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen. De afdekking is geborgd middels een aan de gebiedsaanduiding gekoppelde voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan.

Het onderstaande fragment geeft de verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan, met daar overheen de geurcontouren van de RWZI weer. De grote geurcontour heeft betrekking op het scenario van afdekking van de slibbuffers. De kleine geurcontour heeft betrekking op het scenario van afdekking van de slibbuffers en de selector.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPLEM21WBHOFFANLEM-VA01_0017.png"
Figuur 17. Visuele weergave geurcontour RWZI

Uit het bovenstaande fragment is, met inachtneming van de voorgaande alinea, af te leiden dat de geurcontour na afdekking van de slibbuffers niet over de woongebiedbestemming heen ligt. Al met al zal het nieuwe woongebied door middel van deze maatregel geen onevenredige geurhinder afkomstig van de RWZI ondervinden. Verwacht mag worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op het moment dat er klachten van bijvoorbeeld omwonenden zijn worden deze afgehandeld door het bevoegd gezag (FUMO/Provincie Fryslân).

Zeiljachtverhuur
Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een zeiljachtverhuur. Voor dergelijke bedrijvigheid kan aansluiting worden gezocht bij 'Verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto's)'. Dit soort bedrijven zijn aan te merken als milieucategorie 3.1 bedrijf met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. Geluid is in dit geval de bepalende afstand. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan, aangezien de uiterste bestemmingsgrens van de dichtstbijzijnde woonbestemming op circa 47 meter van de zeiljachtverhuur wordt gesitueerd. Echter bevinden zich in de huidige situatie op een nog kortere afstand al diverse woningen. Dit toont aan dat dergelijke bedrijvigheid qua aard en schaal passend is binnen een woonmilieu en in overeenstemming is met een goed woon- en leefklimaat. Bovendien wordt het bedrijf al in haar akoestische ruimte beperkt door deze nabije woningen. De hinder die het bedrijf veroorzaakt mag nu al niet dusdanig hoog zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. De woningen in het plangebied worden bovendien op een nog grotere afstand gesitueerd. Onevenredige hinder door de zeiljachtverhuur is niet aan de orde.

Spuitzones
Zoals eerder genoemd in paragraaf 1.3, is het bestemmingsplan gewasbeschermingsmiddelen op 16 september 2021 als voorontwerp gepubliceerd. Op termijn zal dit plan bij vaststelling van toepassing zijn op het plangebied. De gemeente kent nu geen specifieke regeling ter bescherming van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Het paraplubestemmingsplan gewasbeschermingsmiddelen en spuitvrije zones voorziet hierin. Het bestemmingsplan stelt echter regels die uitsluitend betrekking hebben op bestaande situaties. Bij dit bestemmingsplan is sprake van een nieuwe situatie waarbij er sprake is van een wijziging van het gebruik van de gronden. Het paraplubestemmingsplan is derhalve niet van toepassing op dit plan. Wel moet in kader van een goede ruimtelijke ordening rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op het woon- en leefklimaat kunnen hebben. In het onderstaande wordt dit toegelicht.

Het plangebied grenst aan de noordkant aan agrarische gronden waarop alle vormen van agrarisch gebruik (veeteelt en gewassen/bloemteelt etc) zijn toegestaan. Dus in beginsel ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor het spuitzoneringsvraagstuk dient op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:855) in beginsel een 50 meter zonering te worden aangehouden.

Dat zou in dit geval betekenen dat het planvoornemen 50 meter uit de rand van de agrarische gronden moeten blijven of er moet worden vastgelegd dat op de eerste 50 meter van de gronden geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Het feit dat de teelt van gewassen toegestaan is op de agrarische gronden betekent niet dat er per definitie onderzoek naar de spuitzone gedaan moet worden. Als de gronden op het moment gebruikt worden ten dienste van het houden van vee, en geen enkel concreet voornemen kenbaar is gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen naar de teelt van gewassen, dan hoeft er in redelijkheid geen rekening gehouden te worden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. Voorgaande blijkt tevens uit jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:3524).

Het huidige gebruik van de aan het plangebied grenzende agrarische gronden is grasland in relatie tot de veeteelt. De grondeigenaar heeft geen plannen om zijn bedrijfsvoering de komende jaren aan te passen. Bovendien zijn de gronden dusdanig nat dat het gebruik voor gewassen niet mogelijk is.

De bovenstaande alinea's wijzen uit dat spuitzones bij de vorm van agrarisch gebruik dat hier aan de orde is, niet van toepassing zijn. Het paraplubestemmingsplan gewasbeschermingsmiddelen en spuitvrije zones staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

Conclusie

Het planvoornemen kan wat het aspect bedrijfshinder en milieuzonering betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.7 Geluidhinder

Toetsingskader

De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor dit plan vindt alleen toetsing plaats in kader van wegverkeerslawaai.

Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Bij wegverkeerslawaai geldt een uitzondering voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en/of wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

Toetsing

Het plangebied is omgeven door de Wielewei (30 km/uur weg) en de tramdyk die in de bestaande situatie niet toegankelijk is voor autoverkeer. In het te realiseren woongebied zal ook een 30 km/uur regime gelden. De woningen in het plangebied liggen derhalve niet binnen geluidzones in kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

Conclusie

Het planvoornemen kan wat het aspect geluidhinder betreft als uitvoerbaar worden geacht. Er wordt nog gewerkt aan een mobiliteitstoets. Het onderdeel geluid zal onderdeel uitmaken van deze mobiliteitstoets. Deze zal te zijner tijd worden verwerkt.

4.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

De Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit zijn door Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te worden getoetst. De criteria die beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn in de AMvB-nibm vastgelegd.

Toetsing

Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 210 woningen. De gevolgen van woningbouw voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. Voor de categorie woningbouwlocaties geldt een getalsmatige grens van:

  • ca 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg
  • ca 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling

Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor genoemde grenzen. Het planvoornemen kan als 'nibm' worden beschouwd.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit zit de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg.

4.9 Bodem

Toetsingskader

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat een bestemmingsplan uitvoerbaar is. Als gevolg van bodemsanering kan de financiële uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan belemmerd worden. Daarom is het van belang om na te gaan of de bodem schoon is. In het kader van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid wordt daarom onderzocht of de bodem voldoende schoon is.

Onderzoek

Om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te bepalen, is zowel in 2006 als in 2011 bodemonderzoek uitgevoerd. In het navolgende wordt ingegaan op de resultaten van deze onderzoeken.

Verkennend bodemonderzoek
In 2006 is een verkennend bodemonderzoek naar het plangebied uitgevoerd (kenmerk: MI00291, d.d. 12 december 2006, Van der Wiel Infra & Milieu BV). Dit onderzoek is als Bijlage 15 bij de toelichting te raadplegen.

Ten behoeve van het bodemonderzoek is het plangebied ingedeeld in de volgende vier deellocaties:

  • A. Onderzoeksterrein ter plaatse van de percelen gras- en akkerbouwland;
  • B. Dammen;
  • C. Waterbodem ter plaatse van de sloten
  • D. Gedempte (voormalige) sloten

In het onderstaande wordt ingegaan op het verkregen beeld van de bodemkwaliteit per deellocatie.

Locatie A. Onderzoeksterrein ter plaatse van de percelen gras- en akkerbouwland

GROND
In zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn veelvuldig verhoogde gehalten aan EOX en/of minerale olie vastgesteld ten opzichte van de streefwaarden. De grond waarin de gehalten aan EOX hoger zijn vastgesteld dan 0,8 mg/kg, voldoet strikt genomen niet aan de kwaliteitseisen voor grond die wordt hergebruikt.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat EOX een somparameter betreft, waarbij de bepaling slechts in beperkte mate inzicht biedt in de aard van de betreffende individuele componenten. Verhoogde gehalten aan EOX zijn in veel gevallen het gevolg van componenten, die weliswaar extraheerbaar zijn en als EOX worden gedetecteerd, maar die niet als bedreigend voor de volksgezondheid en/of het milieu kunnen worden beschouwd.

De grond van het gehele plangebied is sterk humeus bevonden (veen). Ook zijn analytisch zeer hoge organisch stofgehalten vastgesteld. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de hoge EOX gehalten in verband staan met de aanwezige humuscomponenten in veengrond. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde uitsplitsing van mengmonsters. In de mengmonsters zijn verder geen verhoogde gehalten aan onderzochte parameters vastgesteld.

Met betrekking tot de verhoogde gehalten aan minerale olie wordt geconcludeerd dat de verhogingen worden bepaald door de aanwezigheid van organisch materiaal (veen) dat voldoet aan de definitie van minerale olie.

PAK
In het samengestelde grondmonster van één van de boringen, gesitueerd in de directe nabijheid van een boring uit het onderzoek uit 2004, waarin destijds een tussenwaarde aan PAK is vastgesteld, is het gehalte aan PAK niet verhoogd vastgesteld ten opzichte van de streefwaarde.

GRONDWATER
In het grondwater ter plaatse van de geplaatste peilbuizen zijn geen tot licht verhoogde concentraties aan voornamelijk chroom, arseen, nikkel, xylenen en/of tetrachlooretheen vastgesteld ten opzichte van de streefwaarden. De vastgestelde concentraties zijn dusdanig gering, dat nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk is.

Locatie B. Dammen
In de opgeboorde grond ter plaatse van een aanal dammen zijn onbekende zwakke geuren waargenomen. Ook is bij twee van de dammen gruisachtig materiaal aangetroffen, waarvan de herkomst onbekend is. Daarnaast zijn er ter plaatse van een aantal dammen in lichte tot sterke mate puin en eveneens asfaltbrokken aangetroffen. De aard van het materiaal ter plaatse van een aantal van deze dammen dient aanvullend te worden onderzocht.

Locatie C. Waterbodem ter plaatse van de sloten
De aanwezige slibachtige waterbodem ter plaatse van een aantal van de sloottrajecten in het plangebied voldoet aan de kwaliteitseisen voor klasse 0 slib. Dit type slib mag zonder aanvullende eisen worden verwerkt op het land of verspreid worden in het oppervlaktewater. In de overige sloottrajecten is geen slib aangetroffen.

Locatie D. Gedempte (voormalige) sloten

In de gedempte sloten zijn verhoogde gehalten aan EOX en/of minerale olie vastgesteld ten opzichte van de streefwaarden. Op basis van de hoge gehalten aan organische stof kan worden geconcludeerd dat de ter plaatse aanwezig grond schoon en multifunctioneel toepasbaar is.

Conclusie verkennend bodemonderzoek
Uit milieutechnisch oogpunt bestaan er, uitgezonderd de in het onderzoek genoemde dammen, geen beperkingen voor het planvoornemen.

Verkennend asbestonderzoek dammen
Naar aanleiding van de voorgaande tekstpassages is in 2011 een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd (kenmerk: EN01604, d.d. 1 juli 2011, Enviso Ingenieursbureau). De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 16 bij deze plantoelichting te raadplegen. In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten en conclusies uit het onderzoek. Uit het verkennend asbestbodemonderzoek ter plaatse van de dammen (9, 16, 17, 19 t/m 27) blijkt het volgende:

  • Op het maaiveld is ter plaatse van geen van de dammen zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen;
  • Ter plaatse van de dammen 9, 16 en 20 is asbestverdacht materiaal aangetroffen, waarvan het materiaal in de dammen 16 en 20 asbesthoudend is;
  • Ter plaatse van dam 20 is circa 12,5 m3 asbesthoudende grond/puin aanwezig boven de interventiewaarde. Ter plaatse van dam 16 wordt de interventiewaarde niet overschreden;
  • Bij de overige dammen is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt sprake is van asbesthoudende grond/puin ter plaatse van dam 20. Er dient derhalve een saneringsprocedure te worden opgestart. Hiertoe dient een plan van aanpak te worden opgesteld en ingediend te worden bij het bevoegd gezag. De saneringsprocedure wordt in gang gezet. Eventuele saneringskosten kunnen door de initiatiefnemer worden gedragen.

Op de plekken ter plaatse van de overige dammen waar puin is aangetroffen, moet het puin bij de bouw- en graafwerkzaamheden separaat ontgraven worden. Vervolgens dient het afgevoerd te worden naar een erkende verwerkingslocatie.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling mag wat het aspect bodem betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.10 Verkeer en parkeren

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

Verkeer

Vanwege de woningbouw ontstaan er extra verkeersbewegingen. Door Goudappel BV is een verkeersonderzoek uitgevoerd ten behoeve van deze ontwikkeling, mede rekening houdend met drie andere ontwikkelingen (Tramdijk-Oost (fase 3), Straatweg 54 en Zuiderzee Lyceum) in Lemmer. In de rapportage (Bijlage 17) worden de aanpak, uitgangspunten en resultaten van dit verkeersonderzoek beschreven. Onderstaand is de conclusie uit het onderzoek weergegeven.

Verkeersgeneratie

  • De ontwikkeling 'Hof fan Lemmer' genereert op een gemiddelde werkdag circa 1.600 mvt/etmaal, waarvan circa 160 motorvoertuigen in het drukste spitsuur (avond). Dit komt gemiddeld neer op 2 á 3 auto's per minuut.
  • Alle ontwikkelingen bij elkaar genereren 2.360 mvt/etmaal. In het drukste spitsuur (avond) worden in totaal circa 240 motorvoertuigen gegenereerd. Dit komt neer op gemiddeld 4 auto's per minuut.

Verkeersafwikkeling op wegvakniveau

  • De huidige functie, vormgeving en het gebruik van de Wielewei is per weggedeelte verschillend:
    • 1. Op het westelijke wegvak, waar 'Hof fan Lemmer' ontsloten zal worden, geldt een maximaal wenselijke verkeersintensiteit van circa 2.500 mvt/etmaal. Met een huidige verkeersintensiteit van circa 750 mvt/etmaal is voldoende restcapaciteit aanwezig om de verkeerstoename op te vangen.
    • 2. Op het oostelijke gedeelte geldt, vanwege het criterium bermschade, een maximaal wenselijke verkeersintensiteit van circa 400 mvt/etmaal. De huidige verkeersintensiteit bedraagt circa 380 mvt/etmaal. Dit betekent dat onvoldoende restcapaciteit aanwezig is om de verkeerstoename op te vangen. Het is aan te bevelen om het oostelijke gedeelte van de Wielewei op te waarderen door bijvoorbeeld de weg te verbreden of door bermverharding toe te passen.
  • Naar verwachting is het risico op sluipverkeer via de Carbeel als gevolg van de ontwikkeling 'Hof fan Lemmer' klein. Verwacht wordt dat de meeste bezoekers van de voorzieningen aan de Verlaet te voet of te fiets komen. Dit betreft bestemmingsverkeer. Datzelfde geldt voor verkeer van de ontwikkeling 'Tramdijk-Oost'.
  • Aangezien verkeer net als water is en kiest voor de weg van de minste weerstand, is eventueel sluipverkeer niet uit te sluiten. De grootste verkeerstoename zal zichtbaar worden op de Straatweg tussen de N359 en de Melkweg. Het is belangrijk dat dit weggedeelte blijft doorstromen, bijvoorbeeld mogelijk door een optimalisatie van de cyclustijd van de VRI tussen de N359 en de Straatweg. Hiermee kunnen wachtrijen zoveel mogelijk beperkt worden en ondervinden bewoners minder moeite met het in-en uitrijden van eigen terrein.
  • Om eventueel sluipverkeer als gevolg van de ontwikkeling 'Hof fan Lemmer' zoveel mogelijk te beperken, is het noodzakelijk om het oostelijke gedeelte van de Wielewei op te waarderen door verbreding van de weg of het aanbrengen van bermverharding. Daarnaast is het mogelijk de route via de Carbeel te vertragen door wegversmallingen of verkeersdrempels aan te brengen.

Verkeersafwikkeling op kruispuntniveau

De twee geanalyseerde kruispunten zijn Wielewei – Straatweg en Melkweg – Straatweg. Op basis van het huidige gebruik en de huidige vormgeving is naar verwachting ook in de toekomstige situatie voldoende restcapaciteit op beide kruispunten aanwezig om de verkeerstoename op te vangen. Ook de verliestijd blijft minimaal.

Oplossingsrichting (1) wordt gerealiseerd waarmee het aspect verkeer geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Parkeren

Voor het onderdeel parkeren is het eerdergenoemde paraplubestemmingsplan parkeernormen van toepassing. In dit bestemmingsplan wordt verwezen naar de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren'. Nieuwe bestemmingsplannen die in de gemeente worden opgesteld moeten worden afgestemd op de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren.

Voorliggend bestemmingsplan ziet op een maximaal aantal woningen. Dit aantal is nog niet specifiek onderverdeeld in typologieën, waardoor het exact aantal te realiseren parkeerplaatsen nog niet bekend is. In de regels (artikel 15) van dit bestemmingsplan is geborgd dat het plan moet voldoen aan de geldende parkeernormen en dat elke omgevingsvergunning daar aan wordt getoetst. Bovendien is in het stedenbouwkundig plan rekening gehouden met het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. Dit gaat uit van twee parkeerplaatsen per woningen op het eigen terrein.

Conclusie

Ondanks de toename van de verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied worden geen problemen voor de verkeersafwikkeling verwacht. Daarnaast biedt het plangebied voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren om te voldoen aan de parkeerbehoefte van het planvoornemen. Wat betreft verkeer en parkeren is het planvoornemen dan ook uitvoerbaar.

Er wordt nog een mobilitietsplan opgesteld. Deze volgt op een later moment.

4.11 M.e.r.-verantwoording

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Toetsing

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling met maximaal 210 woningen blijft daarmee ruim onder de drempelwaarden.

De oprichting van een zonneweide valt niet onder het Besluit m.e.r. Het voorgaande blijkt uit jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770). Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit m.e.r. valt. Een zonnepark is volgens de Afdeling:

  • geen landinrichtingsproject,
  • geen stedelijk ontwikkelingsproject en ook,
  • geen industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water.

Hoewel bij dit plan geen sprake is van een kruimelgevallenregeling, wordt er wel een zonneweide planologisch mogelijk gemaakt. Het gaat om een kleinschalige zonneweide om een bestaande RWZI heen. Het aantal zonnepanelen dat met dit plan mogelijk wordt gemaakt, blijft bovendien ruim onder de 22.500. De realisatie van de zonneweide valt dan ook niet onder het Besluit m.e.r.

Met oog op de realisatie van het woongebied, is wel een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk voor het planvoornemen. Deze is opgesteld (zie Bijlage 18) en hieruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Op grond hiervan heeft het bevoegd gezag, de gemeente de Fryske Marren, besloten dat geen milieueffectrapport nodig is bij de besluitvorming over het vast te stellen bestemmingsplan 'Lemmer - Hof fan Lemmer'. Deze beslissing is als Bijlage 19 bijgevoegd.

4.12 Overig

In en rond het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologische bescherming genieten en waar rekening mee gehouden moet worden. Er zijn derhalve geen planologisch relevante kabels of leidingen van invloed op het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.

SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

5.2 Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.

  • Bouwregels

De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of andere bouwwerken. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.

  • Afwijken van de bouwregels

Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming.

  • Specifieke gebruiksregels

Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.

  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Door deze regel is de verplichting opgelegd om bij het uitvoeren van bepaald werk, geen bouwwerk zijnde of bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht kunnen uitzonderingen worden geformuleerd. Daarnaast zijn er toetsingscriteria gesteld dan wel is aangegeven wanneer het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden toelaatbaar zijn.

Hoofdstuk 3 - Algemene regels

In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. Agemene aanduidigsregels bevatten een regeling voor een gebied binnen een gebiedsaanduiding. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen uitgewerkt.

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels

Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.

5.3 Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch
Een deel van het plangebied behoudt de agrarische bestemming. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder gelden er regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Bedrijf - Nutsbedrijf
Op een deel van de gronden binnen het plangebied wordt het mogelijk om een zonnepark te realiseren ten behoeve van de naastgelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie van het Wetterskip. Voor dit zonnepark gelden bouwregels. Het zonnepark mag alleen worden gerealiseerd wanneer de beplanting uit het landschappelijk inpassingsplan binnen 12 maanden na verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het zonnepark is aangelegd en in stand wordt gehouden.

Groen
De hoofdgroenstructuur langs de bestaande woningen bij de Wielewei en de Tramdyk zijn neergelegd in de bestemming 'Groen'. Als ondergeschikte functies zijn o.a. wegen en paden en parkeervoorzieningen toegestaan. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Daarnaast geldt de eerder genoemde voorwaardelijke verplichting ook binnen de bestemming 'Groen'.

Verkeer
Onder de bestemming 'Verkeer' vallen de wegen binnen het plangebied. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

Water
Binnen het plangebied zal veel water worden aangelegd. Deze gronden zijn bestemd als 'Water'. In een deel van dit water zijn woonarkenligplaatsen toegestaan. Dit is op de verbeelding aangegeven met een aanduiding. Voor het bouwen van de woonarken gelden bouwregels. Het water mag niet worden gebruikt als ligplaats. Er mogen alleen bijboten en pleziervaartuigen bij een woonarkenligplaats in gebruik worden genomen. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het gebruik van de gronden ter plaatse van de woonarkenligplaats voor het wonen op een schip. Ligplaatsen mogen alleen direct aansluitend aan een bouwperceel van een woning worden ingenomen.

Vanwege de geurcontour van de slibbuffer van de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het Wetterskip Fryslân is er een gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone' opgenomen. De woonarkenligplaatsen mogen alleen worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen wanneer de slibbuffer is afgedekt. Na de afdekking ligt de geurcontour niet meer over de woonarkenligplaatsen en kunnen de woonarken worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen. De geurcontour is vanaf de afdekking beperkt tot het gebied zoals opgenomen op pagina 10 van Bijlage 14 Geuronderzoek.

Woongebied
De gronden welke zijn beoogd voor woningbouw, zijn voorzien van de bestemming 'Woongebied'. Daarnaast zal een deel van het openbaar groen binnen deze bestemming worden aangelegd.

Voor de woningen geldt dat er geen bouwvlakken zijn opgenomen. De plaats en de maatvoering van de woningen worden volledig bepaald door de bouwregels. Op één locatie kan een woongebouw worden gebouwd. Hiervoor geldt afwijkende maatvoering. Ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' mag een woonhuis plat worden afgedekt en worden voorzien van een derde bouwlaag over een gedeelte van de tweede bouwlaag. Er zijn daarnaast verschillende bouwregels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen en bij woongebouwen. In de specifieke gebruiksregels zijn de voorwaarden opgenomen waaronder de woonfunctie gecombineerd mag worden met een beroep aan huis of een bêd en brochje.

Een deel van het woongebied valt onder de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone'. Voor dit deel van het woongebied geldt dezelfde regeling als voor de woonarken in de bestemming 'Water'.

Leiding - Gas
Onder de Tramdyk ligt een aardgastransportleiding. Ter bescherming van deze leiding geldt er een dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. De regels binnen deze dubbelbestemming hebben voorrang op de andere bestemmingsregels. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Er geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden.

Waarde - Archeologie 1, 2 en 3

Uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat in het plangebied zich een aantal archeologische vindplaatsen uit de steentijd bevindt. Ter bescherming van de archeologische waarden binnen deze vindplaatsen zijn dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Per vindplaats is een specifiek advies gegeven over vanaf welke diepte geen bodemingrepen mogen plaatsvinden. Daarom heeft elke vindplaats een specifieke dubbelbestemming gekregen.

Waarde - Cultuurhistorie
De Tramdyk heeft een cultuurhistorische waarde. Ter bescherming van deze waarde geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. De cultuurhistorische waarde van het dijklichaam mag niet onevenredig worden aangetast door het bouwen van de in het plan toegestane bouwwerken.

5.4 Procedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

Vooroverleg

De planopzet van het plan is besproken met het Wetterskip en de provincie. De opgenomen woningaantallen zijn geaccorrdeerd door de provincie. Na het doorlopen van het vooroverleg worden de reacties hier weergegeven.

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure

Na bekendmaking wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast.

Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Onderzoeks- en plankosten

De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding.

6.1.2 Planschade

Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt.

6.1.3 Exploitatieplan

Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. In geval van de bouw van meerdere woningen is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de weg waarlangs kosten anderszins zijn verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst). In geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. De grond in het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is dan ook anderszins verzekerd.

6.1.4 Conclusie

Zowel de kosten als de afwenteling van planschade worden door de gemeente gedragen. Op basis van deze overweging dient het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch als uitvoerbaar te worden geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

Er heeft uitgebreide participatie plaatstgevonden om te komen tot het stedenbouwkundig plan dat als basis voor ligt aan dit bestemmingsplan. Zo zijn er diverse inloopavonden georganiseerd en hebben omwonenden mee kunnen denken bij de twee denkrichtingen. Via de projectpagina Hof fan Lemmer zijn de verslagen en samenvattingen van de diverse participatieprojecten te lezen en te downloaden. Onderstaand zijn de diverse informatie en overlegmomenten met de omwonenden weergegeven:

  • 25 maart 2019: informatiebijeenkomst mogelijk zonnepanelenveld naast RWZI als onderdeel gebiedsontwikkeling, inventarisatie participatiebereidheid;
  • 17 januari 2022: huis aan huis brief met informatie oven opstelling twee denkrichtingen voor de gebiedsontwikkeling woningbouw;
  • 11 april 2022: informatie over interactieve website met twee denkrichtingen en peiling en enquête over wensen belangstellenden en omwonenden;
  • 31 mei 2022: inloopavond voor omwonenden (huis aan huis uitgenodigd) met presentatie en informatie over de twee denkrichtingen;
  • 6 en 7 maart 2023: inloopavond voor omwonenden en belangstellenden met presentatie en discussie over de gekozen denkrichting en uitwerking daarvan tot een stedenbouwkundig plan;
  • 3 oktober 2023: informatiebijeenkomst omwonenden (huis aan huis uitgenodigd) met reactiepeiling inzake uitgangspunten groenplan/landschappelijke inpassing;
  • 12 december 2023: informatiebijeenkomst omwonenden (huis aan huis uitgenodigd) inzake stand van zaken: stedenbouwkundig plan, beeldkwaliteit, uitwerking reacties groenplan, concept-ontwerp bestemmingsplan en duurzaamheidsambitie.
6.2.2 Vooroverleg ex. art. 3.1.1 Bro

In het kader van bestuurlijk overleg ex. artikel 3.1.1. Bro is het bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid zijn gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. Binnen de gestelde termijn is door de provincie Fryslân een overlegreactie ingediend.

Provincie Fryslân

De Provincie Fryslân heeft een reactie gegeven die betrekking heeft op een aantal aspecten. In het onderstaande wordt per aspect ingegaan op de inhoud en de daarbij behorende gemeentelijke beantwoording. De volledige overlegreactie is als Bijlage 20 bijgevoegd.

Zonnepark bij RWZI
Over zonneparken bij RWZI's is in de afgelopen jaren verschillende keren overleg geweest met uw gemeente en het Wetterskip. In het plan ontbreekt echter een goede motivering over hoe het zonnepark past binnen de Verordening Romte Fryslân (VR). Mocht u op korte termijn het ontwerpbestemmingsplan ter inzage willen leggen, dan zou u het zonnepark kunnen beperken tot het 1/3 deel wat gebruikt zal worden voor de behoefte voor de RWZI en het bouwperceel met de bedrijfsbestemming van de RWZI voor dit deel uitbreiden. Wij gaan graag binnenkort met u in gesprek om te kijken hoe het plan alsnog binnen de VR kan worden ingepast.

Reactie

Na overleg met de de initiafnemer, de gemeente en de provincie is afgesproken dat de bestemming 'Agrarisch - Zonneveld' wordt verwijderd. Er is een gebied van circa 8.000 m2 opgenomen met de bestemming 'Bedrijf – Zonnepark' direct aansluitend op de RWZI. Zie paragraaf 2.3 voor een verbeelding. Dit te realiseren zonnepark is gekoppeld aan de RWZI. Het Wetterskip kan hier de zonnepanelen realiseren die zij nodig hebben om te voorzien in de eigen energie-behoefte. Voor de overige gronden is het de ambitie om in de toekomst een zonneveld te realiseren waarbij mogelijkheden worden geboden voor participatie door de nieuwe bewoners en huidige omwonenden. Voor dit zonneveld zal te zijner tijd een eigen procedure worden doorlopen.

Landschap
Er is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen, waarbij wordt verwezen naar een landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1. Het inpassingsplan dat als bijlage bij de toelichting is gevoegd is een landschappelijke analyse en nog erg globaal. Wij vragen u een concreet en uitgewerkt inpassingsplan te koppelen aan de voorwaardelijke verplichting.

Reactie

Aan het bestemmingsplan (toelichting en regels) is het document beeldkwaliteit, groen en landschappelijke inpassing toegevoegd. Dit document is ook gekoppeld aan de voorwaardelijke verplichting.

Soorten
De provincie vraagt nog nader onderzoek te doen naar de Grutto, als er sprake is van uitvoering van de plannen vanaf volgend jaar (2024). Deze soort wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening in de provincie Fryslân jaarrond beschermd.

Reactie

Dit onderzoek zal worden uitgevoerd en bij het nadere vervolg van het bestemmingsplan worden toegevoegd.

Archeologie
Op basis van onderzoeken is duidelijk geworden dat binnen het plangebied een aantal archeologische vindplaatsen uit de steentijd ligt. Ter bescherming van de archeologische waarden binnen de vindplaatsen zijn 3 dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Voor vindplaats 2 en 3 vindt nader onderzoek plaats. De provincie vraagt de resultaten van het nader onderzoek te verwerken in het ontwerpbestemmingsplan.

Reactie

De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt. Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek zal worden uitgevoerd ten tijde van de aanleg van de betreffende waterpartijen en afhankelijk van wordt aangetroffen zullen de betreffende gedeelten worden ontgraven onder archeologische begeleiding.

Stikstof 
Bij de input van de gegevens voor de AERIUS-calculator wordt de bouw van 180 woningen uitgesmeerd over drie jaren, dus 60 woningen per jaar. Voor de gebruiksfase wordt pas gerekend vanaf 2027 voor in één keer alle 180 woningen, waardoor de aanlegfase en gebruiksfase niet overeenkomen. De provincie vraagt om dit nader te onderbouwen. Tevens vraagt de provincie om bij het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan gebruik te maken van de meest recente versie van de AERIUS-calculator van na de correctie op 6 november 2023.

Reactie

De berekening is opnieuw uitgevoerd met de meest recente AERIUS-calculator en daarnaast is het document voorzien van een nadere onderbouwing zoals gevraagd.

Waterrobuust bouwen
Als gevolg van het voorliggende plan wijzigt het waterpeil en is een peilbesluit van het Wetterskip nodig. De gronden liggen erg laag. De provincie vraagt om in de toelichting van het plan aan te geven hoe hoog gebouwd zal worden (NAP) en hoe de regionale kering in het plangebied ingepast zal worden.

Reactie

De toelichting is op dit punt aangevuld.

Weidevogels 
In de omgevingsverordening (OVO) die per 1 januari 2024 van kracht wordt, is het (plan)gebied aangewezen als weidevogelkansgebied. In de Verordening Romte Fryslân 2014 is het gebied niet aangewezen als weidevogelkansgebied. Als u het ontwerpbestemmingsplan nog dit jaar ter inzage legt, dan geldt de huidige kaart voor weidevogelkansgebied, zoals in de VR is opgenomen.

Reactie

Het bestemmingsplan wordt nog dit jaar (2023) als ontwerp ter inzage gelegd. Gelet hierop geldt de huidige kaart voor weidevogelkansgebied, zoals in de VR is opgenomen en is het plangebied niet aangewezen als weidevogelkansgebied.

6.2.3 Zienswijzen en vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 22 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er vier schriftelijke zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan inclusief ontwerp beeldkwaliteitsplan ingediend door de provincie Fryslân en drie bewoners. Aan de zienswijze van de provincie is tegemoet gekomen. De zienswijzen van de bewoners geven geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Tot slot zijn er ook een aantal ambtelijke wijzigingen doorgevoerd.

Een samenvatting van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie daarop en de doorgevoerde ambtelijke wijzigingen zijn opgenomen in de nota zienswijze en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan 'Lemmer – Hof fan Lemmer inclusief ontwerp beeldkwaliteitsplan die als bijlage bij het raadsbesluit is gevoegd. Het bestemmingsplan is op 29 mei 2024 vastgesteld.