direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Joure - Koarte Ekers 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de locatie De Koarte Ekers 2, aan de rand van de kern van Joure in de gemeente De Fryske Marren. Ter plaatse bevindt zich de bebouwing van een voormalig tuincentrum bestaande uit een woonhuis en bedrijfsgebouwen, voornamelijk kassen. Decennialang zijn op deze locatie bloemen en planten gekweekt voor de kern van Joure. De bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd, waardoor de locatie leeg is komen te staan.

Vanwege de groene inrichting van het plangebied en de ligging van het plangebied met uitzicht op het buitengebied van de gemeente Fryske Marren, leent deze plek zich uitstekend voor woningbouw. Het voornemen bestaat dan ook om alle bebouwing binnen het plangebied te slopen en hier 12 nieuwe woningen te realiseren. De te realiseren woningen bestaan uit 6 twee-onder-een-kapwoningen en 6 schuurwoningen en worden gerealiseerd in een sterk groene omgeving. De beoogde doelgroep bestaat voornamelijk uit medioren en senioren.

Op basis van het geldende planologische regime is er ter plaatse van het plangebied één woning en een kwekerij toegestaan. Het voornemen is daarmee in strijd met het bestemmingsplan. De gemeente De Fryske Marren heeft op 3 oktober 2022 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan bovenstaande ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische kaders om het voornemen te realiseren en toont aan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied betreft het perceel Koarte Ekers 2, op de rand van de bebouwde kom van Joure. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in Joure en ten opzichte van de directe omgeving indicatief weergegeven met de blauwe marker en blauwe omlijning. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: plattekaart.nl)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan ''Bestemmingsplan Joure - Koarte Ekers 2” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige situatie en de gewenste situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie, regio en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieuthema's de revue. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 gaat in op het vooroverleg en de inspraak.

Hoofdstuk 2 De huidige en gewenste situatie

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Plangebied

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit de gronden behorende bij een voormalig tuincentrum. Hier is decennialang een kwekerij gevestigd waar bloemen en planten voor de inwoners van Joure en de wijde omgeving zijn gekweekt. Vanwege gezondheidsredenen van de eigenaar is er een noodzaak ontstaan om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen, waardoor de locatie inmiddels leeg staat. Vanwege het gebruik als tuincentrum is de locatie grotendeels onbebouwd. De bebouwing bestaat voornamelijk uit de voormalige kassen van het tuincentrum en heeft een oppervlakte van circa 980 m².

Het plangebied ligt aan een lint dat de noordelijke grens van de bebouwde kom van Joure vormt. Aan de zuidkant van de Koarte Ekers ligt de wijk Skipsleat, aan de noordzijde bevinden zich voornamelijk agrarische (bedrijfs)percelen. De wijk Skipsleat wordt niet via de Koarte Ekers ontsloten, waardoor de weg waaraan het plangebied zich bevindt een relatief rustige weg is.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangeduid. In afbeelding 2.2 is een straatbeeldfoto van de huidige situatie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0002.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0003.png"  
Afbeelding 2.2: Huidige situatie tuincentrum (Bron: Beyond Now)  

2.1.2 Planologische situatie

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Joure - Wyldehoarne, deels: percelen Koarte Ekers 2 en 6". Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van De Fryske Marren vastgesteld op 21 juli 1999. Daarnaast zijn er twee paraplusbestemmingsplannen geldig die respectievelijk aanvullende regels stellen ten aanzien van parkeren en windturbines bij agrarische bedrijven. Voor de voorliggende ontwikkeling is met name het eerstgenoemde bestemmingsplan relevant; met de regels van de parapluplannen wordt in dit bestemmingsplan wel rekening gehouden.

Op basis van dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen' met aanduiding 'kwekerij'. Op basis van dit bestemmingsplan is er één woning per bouwvlak toegestaan. De realisatie van 12 woningen is daarmee niet in overeenstemming met dit bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt op de gewenste situatie van het plangebied ingegaan.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Het voornemen

Dit bestemmingsplan ziet toe op de herontwikkeling van het voormalige tuincentrum tot "Het Groene Hof": een naam die verwijst naar de recente geschiedenis van de plek en de kenmerken van het te realiseren woonperceel. Het voornemen voorziet in de realisatie van 12 woningen met veel groen en diverse gezamenlijke voorzieningen. De doelgroep van de ontwikkeling betreft voornamelijk, maar niet uitsluitend, medioren en senioren. Met de realisatie van aanzienlijke woningen in een groene omgeving wordt aan deze doelgroep de mogelijkheid geboden om actief te blijven en wordt ontmoeting gestimuleerd. Tegelijkertijd bevordert dit de doorstroming op de woningmarkt aangezien de huidige vrijkomen voor andere woningzoekenden binnen de gemeente.

De woningen die worden gerealiseerd betreffen twee typen koopwoningen. Het gaat om 6 twee-onder-één-kapwoningen en 6 schuurwoningen. De tweekappers worden levensloopbestendig uitgevoerd, dus met een gelijkvloers programma met alle voorzieningen op de begane grond. De schuurwoningen worden rug aan rug geschakeld. Daarmee zijn ze ook interessanter voor eenpersoonshuishoudens. De schuurwoningen refereren ook naar de historie van de plek, en dragen bij aan het karakter van het hof.

Het perceel wordt ingericht als een groen hof, omringd door bomen en gezamenlijk voorzieningen in het plangebied. Langs en aan de aan te leggen in- en uitrit worden de parkeervoorzieningen in de vorm van halfverharding aangelegd. De overige gronden worden sterk groen ingericht, waarbij de gronden gebruikt kunnen worden voor onder andere een moestuin. Tevens komt binnen deze gronden een gebouw van maximaal 75 m² in de vorm van een hobbymatige kas of een theehuisje voor gezamenlijk gebruik.

In afbeelding 2.3 is een inrichtingstekening van de schuur in de gewenste situatie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0004.png"  
Afbeelding 2.3: Stedenbouwkundig plan Koarte Ekers 2 (Bron: Beyond Now)  


De woningen worden gerealiseerd met een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 12 en 6,5 meter. De woningen worden ontworpen met een pergola die aan het hoofdgebouw wordt vastgemaakt. In afbeelding 2.4 is een impressie van de woningen opgenomen waarin het ontwerp met pergola is weergegeven. Om dit ontwerp mogelijk te maken is in voorliggend bestemmingsplan een bouwhoogte voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde van maximaal 6,5 meter opgenomen. Tevens is de bouwhoogte van overkappingen bepaald op 6,5 meter. Op deze manier kunnen de pergola's ook worden voorzien van een dichtgemaakt dak.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0005.png"  
Afbeelding 2.4: Impressie woningen met pergola (Bron: Beyond Now)  

2.3 Verkeer en parkeren

2.3.1 Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW.

2.3.2 Gemeentelijk Parkeerbeleid

De gemeente Fryske Marren heeft op 27 juni 2018 het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld waarin het haar visie op parkeren binnen de gemeente heeft verwerkt in planregels. In deze planregels wordt bepaald dat in het geval van nieuwbouw, uitbreiding en functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen. Er is vervolgens sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen uit de CROW-publicatie en bijbehorende systematiek. In voorliggende situatie wordt dan ook getoetst aan de recente CROW-publicatie.

2.3.3 Situatie plangebied
2.3.3.1 Parkeren

Het initiatief voorziet in de realisatie van 12 woningen in de bebouwde kom van Joure. Het betreffen 6 schuurwoningen die rug-aan-rug worden gerealiseerd en 6 twee-onder-een-kapwoningen. Voor deze ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte als volgt berekend:

Functie   Parkeercijfer   Aantal   Parkeerbehoefte  
Koop, twee-onder-een-kap   2,3   6   13,8  
Koop, tussen/hoek   2   6   12  
Totaal       25,8  

Op basis van bovenstaande tabel komt naar voren dat er afgerond 26 parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Het grootste gedeelte van de parkeerbehoefte wordt centraal in het plangebied opgevangen. Daarnaast krijgt elke tweekapper twee parkeerplaatsen Zoals in afbeelding 2.3 is te zien, zijn er 28 parkeerplaatsen ingetekend. Geconcludeerd wordt dat op eigen terrein eenvoudig kan worden voorzien in de parkeerbehoefte.

2.3.3.2 Verkeersgeneratie

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van het voornemen wordt aangesloten bij de kencijfers van het CROW. Op basis van de te realiseren woningen en de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Joure, ontstaat voor de verkeersgeneratie het volgende beeld:

Functie   Verkeersbewegingen per woning   Aantal   Verkeersgeneratie  
Koop, twee-onder-een-kap   7,8   6   46,8  
Koop, tussen/hoek   7,4   6   44,4  
Totaal       91,2  

Naar verwachting bedraagt de verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van het voornemen afgerond 92 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Deze worden via de bestaande in- en uitrit afgewikkeld op de Koarte Ekers. Dit betreft een relatief rustige weg waar het verkeer zich veilig en eenvoudig op kan bewegen. De afwikkeling van het verkeer zal daarom naar verwachting niet voor verkeersknelpunten zorgen.

Er wordt geconcludeerd dat er geen belemmering zijn tegen de realisatie van het voornemen ten aanzien van de verkeershuishouding.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede kwaliteit van leven. Belangrijk is dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector in de vorm van duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

Vanuit de NOVI wordt sturing en richting gegeven aan complexe opgaven voor de fysieke leefomgeving aan de hand van vier prioriteiten. De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de prioriteiten op het gebied van klimaatadaptatie/energietransitie en de sterke en gezonde steden en regio's. Met de voorliggende ontwikkeling worden namelijk 12 woningen gerealiseerd op een vrijgekomen binnenstedelijke locatie die jaren in gebruik is geweest als kwekerij. Het realiseren van een groen woonhof is het uitgangspunt van het voornemen, waarmee wordt bijgedragen aan het tegengaan van hittestress in de bebouwde kom. De woningen worden daarnaast energieneutraal gebouwd, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ambities binnen de energietransitie. De ontwikkeling sluit al met al goed aan bij de ambities vanuit de NOVI.

Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921). Aangezien de voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 woningen, is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee noodzakelijk.

In voorliggend geval is een notitie 'Ladder voor duurzame verstedelijking' opgesteld, die is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een concrete behoefte en binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.1.4 Conclusie toetsing aan het rijksbeleid

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele
3.2.1.1 Algemeen

De provinciale Staten van Fryslân hebben op 23 september 2020 de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de komende jaren richting aan de activiteiten van de provincie. Hierin staat beschreven waar naar toe wordt gewerkt en hoe de toekomst er uit ziet. De provincie wil met de samenleving goede ideeën en mooie plannen voor Fryslân realiseren. Bij de ruimtelijke inpassing van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan door efficiënt ruimtegebruik, bijvoorbeeld door de mogelijkheden van herstructurering te onderzoeken. Ook zijn een goede beeldkwaliteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing van groot belang. De provincie kiest voor een concentratie van wonen, werken en voorzieningen in stedelijke gebieden.

3.2.1.2 Vier opgaven

In dialoog met de samenleving zijn vier opgaven benoemd die de provincie actief wil aanpakken. Het zijn urgente vraagstukken waarvoor de provincie nú al alles op alles gaat zetten om met de samenleving oplossingen te vinden.

  • Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar;
  • Fryslân zet de energietransitie met kracht voort;
  • Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht;
  • Fryslân versterkt de biodiversiteit.

Deze opgaven zijn groot, onderling verbonden en ze raken de hele provincie. De opgaven vragen om een integrale en gezamenlijke aanpak. De provincie gaat voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie wordt nagestreefd door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving.

3.2.1.3 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 woningen. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied en een gebied aangrenzend hieraan. Het woningbouwproject sluit aan bij deze uitgangspunten van de provincie. Tevens wordt door de groene opzet rekening gehouden met het creëren van een klimaatadaptief woongebied. Het plan doet recht aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met het provinciale beleid.

3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014

De Verordening Romte Fryslân 2014 is op 25 juni 2014 vastgesteld. Op 23 maart 2021 is de verordening geconsolideerd. De verordening stelt concrete regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen uit onder andere de in voorgaande paragraaf beschreven Omgevingsvisie doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

In artikel 3.1.1 lid 1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 is opgenomen dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In paragraaf 3.3.4 is aan de hand van de gemeentelijke woonvisie gemotiveerd dat hier sprake van is, waardoor het voornemen in lijn is met de provinciale verordening.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de Verordening Romte Fryslân 2014.

3.2.3 Fryslân klimaatbestendig 2050+

Op 18 juli 2023 heeft het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân ingestemd met de toekomstvisie Fryslân klimaatbestendig 2050+. Door klimaatverandering, zeespiegelstijging en bodemdaling neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, droogteschade, hittestress en verzilting toe. Hoe zorgen we ervoor dat we in de tweede helft van deze eeuw nog goed kunnen wonen, werken en recreëren in Fryslân en het Groninger Westerkwartier? Deze vraag staat centraal in de visie ‘Fryslân Klimaatbestendig 2050+’, van Wetterskip Fryslân en Provincie Fryslân. Een visie die ervoor pleit om water en bodem sturend te maken in de ruimtelijke inrichting van Fryslân. Dit vraagt om maatwerk per deelgebied (veengronden, kleigronden, zandgronden, Waddeneilanden en bebouwd gebied), want elk gebied kent zijn eigen uitdagingen en mogelijke oplossingen.

Voorliggende plan houdt op de volgende manieren rekening met het klimaatbestendig inrichten van het plangebied:

  • De parkeerplaatsen worden bestraat met halfverharding om de waterdoorlatendheid te bevorderen;
  • Bij de inrichting van het perceel wordt rekening gehouden met de biodiversiteit;
  • De buitenste zoom van 3 meter rondom het plan is bestempeld als groene zone waar bestaande bomen intact blijven en waar geen bouwwerken mogen komen;
  • De gevels van de woningen zijn van hout (evenals de constructie van de bovenverdieping).
3.2.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie de Fryske Marren
3.3.1.1 Algemeen

Op 21 december 2022 is de omgevingsvisie van de gemeente De Fryske Marren vastgesteld. In de omgevingsvisie staat de koers voor de toekomst van de gemeente De Fryske Marren. De opgaven en de afwegingen bij de thema’s en in de interactieve kaart geven een beeld hoe de gemeente De Fryske Marren deze toekomst willen bereiken. Een van de opgaven die de gemeente heeft benoemd in de omgevingsvisie is: Goed wonen en leven voor iedereen in het bebouwd gebied.

3.3.1.2 Goed wonen en leven

De gemeente De Fryske Marren zorgt ervoor dat iedereen een fijne plek heeft om te wonen en te leven. Dat er uitstekende voorzieningen zijn, dat wijken veilig en groen zijn. De ambitie voor de komende jaren is de huidige kwaliteit nog verder verhogen en een omslag maken naar een duurzame en circulaire woningvoorraad.

  • Er is extra aandacht voor wonen bij specifieke doelgroepen, waarbij het komen tot een levensloopvriendelijke gemeente, met aandacht voor wonen met zorg en welzijn, één van de drie pijlers is;
  • Bouwen in kernen waar de vraag aantoonbaar hoog is. De gemeente wil vooral bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer, Balk en Sint Nicolaasga zal daarom de meeste nieuwbouw plaatsvinden. In de andere kernen wordt gebouwd bij aantoonbare vraag;
  • De gemeente werkt aan een CO2-neutrale woonomgeving. De klimaatopgave is de grootste taak waar de gemeente de komende 25 jaar aan werkt. In het bebouwd gebied komen alleen nog nieuwe woningen die voldoen aan de BENG-eisen.
3.3.1.3 Participatie

De gemeente vindt een goede communicatie met de inwoners, bedrijven en stakeholders heel belangrijk. Met meer ruimte voor initiatief. Meer samenwerking tussen inwoners, bedrijven en de gemeente:

  • 1. Iedereen kan meedoen;
  • 2. De besluitvormingsprocessen zijn transparant.
3.3.1.4 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie De Fryske Marren

Het planvoornemen ziet op herstructurering van een vrijgekomen tuinbouwlocatie in Joure waarbij 12 nieuwe woningen worden toegevoegd. De woningen worden voornamelijk gebouwd voor medioren en senioren wat één van de specifiek benoemde doelgroepen is. Daarnaast is Joure één van de kernen waar de vraag aantoonbaar hoog is en geschikt is voor nieuwbouw. Ten slotte worden de woningen conform de geldende eisen gasloos uitgevoerd. Ten slotte zijn de omwonenden in het kader van het planvoornemen betrokken middels een inloop- en participatieavond. Voor een nadere beschrijving van de communicatie met de omwonenden wordt verwezen naar paragraaf 6.2.

Het initiatief sluit aan op de omgevingsvisie van De Fryske Marren.

3.3.2 Woonvisie 2019 - 2023

In de Woonvisie De Fryske Marren 2019 - 2023 heeft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2019 - 2023 vastgelegd. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.

De gemeente wil daar bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk manifesteert zich, door de ligging en het voorzieningenniveau, een grotere vraag naar woningen de komende jaren. Dit vertaalt zich in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw, waar naar verhouding een groter deel van de woonopgave in de hoofdkernen is voorzien. In de andere dorpen en kleinere kernen wil de gemeente ook bouwen bij aantoonbare vraag.

De gemeente verwacht dat de woningvoorraad nog met circa 1.000 woningen zal groeien tussen 2020 en 2029. Deze bouwruimte is gebaseerd op bevolking- en huishoudensprognose van de provincie Fryslân die in juni 2020 is vastgesteld. Naast deze kwantitatieve behoefte is er tevens sprake van een kwalitatieve behoefte aan levensloopbestendige woningen. Hiervoor wordt verwezen naar de in Bijlage 1 opgenomen toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de realisatie van 12 woningen voorziet het plan daarom in een bijdrage aan de gemeentelijke woningbehoefte. Het plan is passend binnen de Woonvisie.

3.3.3 Herziening uitvoeringsprogramma Woningbouw 2019-2026
3.3.3.1 Algemeen

De gemeente De Fryske Marren voert al meerdere jaren actief regie op de gewenste ontwikkeling van de woningmarkt in de verschillende delen van de gemeente. Op 28 maart 2019 stelde de gemeente haar nieuwe woonvisie voor de periode 2019 tot 2023 vast. In deze woonvisie is ook toegezegd het huidige Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016 tot 2026 te herijken aan de hand van de nieuwe visie1. Op basis van het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016 tot 2016 zijn met de gemeente Súdwest-Fryslân en de provincie Fryslân in februari 2018 de zogenaamde regionale Woningbouwafspraken Regio Zuidwest Friesland 2016 tot 2026 gemaakt. Hierin is de woningbouwruimte afgesproken die beschikbaar is voor de beide gemeenten.

3.3.3.2 Afwegingskader

Binnen deze methodiek beoordeelt de gemeente de plannen op basis van een kwantitatief, ruimtelijk en kwalitatief kader. Bij het kwantitatief afwegingskader gaat het erom of het plan binnen de eigen woningbehoefte van de gemeente past. In het ruimtelijk afwegingskader gaat het om de inpasbaarheid in de ruimtelijke visie van de gemeente op een (deel)gebied. Voor plannen in kleine kernen geldt hierbij een aanvullend criterium dat er sprake moet zijn van een gegarandeerde afname van plannen, kavels of woningen. Hiervoor ligt de bewijslast bij de initiatiefnemer.

Het kwalitatief afwegingskader voorziet in een methodiek die aan elk plan een kwalitatieve prioriteitstelling meegeeft. Daarbij gaat het om te komen tot een evenwichtige afweging van verschillende kwalitatieve aspecten van het plan. We willen meewerken aan de plannen die het best scoren op een combinatie van kwaliteiten. Afhankelijk hiervan kan een plan in behandeling worden genomen. Bij de kwalitatieve afweging zijn de volgende kwaliteitsscores te behalen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0006.png"  
Afbeelding 3.1: Kwalitatief afwegingskader (Bron: De Fryske Marren)  
3.3.3.3 Toetsing

In de in Bijlage 1 opgenomen notitie Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgebreid ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling. Hierin wordt aangetoond dat het planvoornemen past binnen de gemeentelijke woningbehoefte en daarmee voldoet aan het kwantitatief afwegingskader zoals opgenomen in de 'herziening uitvoeringsprogramma Woningbouw 2019-2026'.

Het voornemen is getoetst aan het Kwalitatief afwegingskader voor woningbouwplannen zoals deze in de Herziening uitvoeringsprogramma Woningbouw 2019-2026 is opgenomen. Het plan voldoet aan de volgende punten: ligging binnen bestaand stedelijk gebied, in één van de kernen (Joure), positief effect op belevingswaarde, gezondheid en gebruiks- en toekomstwaarde. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan past binnen het afwegingskader woningbouw.

3.3.4 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente De Fryske Marren.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r.

4.1 Geluid

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.1.2 Situatie plangebied
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai

Op grond van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object een akoestisch onderzoek te worden ingesteld wanneer het object is gelegen binnen de wettelijke geluidszone van één of meerdere wegen. De nieuwe woningen worden in het kader van de Wgh aangemerkt als nieuwe geluidsgevoelige objecten.

In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.

Aantal rijstroken   Stedelijk gebied   Buitenstedelijk gebied  
1 of 2 rijstroken   200 m   250 m  
3 of 4 rijstroken   350 m   400 m  
5 of meer rijstroken   350 m   600 m  

Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van de gemeente De Fryske Marren. Vanwege de ligging nabij de Koarte Ekers ligt het plangebied binnen de wettelijke geluidszone van deze weg. Om de geluidsbelasting als gevolg van deze weg op de te realiseren woningen te berekenen, is daarom door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het in Bijlage 2 opgenomen akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Koarte Ekers 46 dB bedraagt, inclusief 5 dB reductie. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen wat betreft het aspect wegverkeerslawaai.

4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai

Spoorlijnen bevinden zich op dusdanig grote afstand dat een nadere beschouwing van railverkeerlawaai achterwege kan blijven. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen of nabij een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder.

4.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.

4.2.2 Situatie plangebied

Ter plaatse van het plangebied is door Sigma een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de resultaten van het bodemonderzoek is gebleken dat in de onderzochte grond- en grondwatermonsters geen verhoogde gehalten t.o.v. de toetsingswaarden zijn gemeten. Aangezien er geen matig tot sterk verhoogde gehalten in de bodem zijn gemeten, kan een nader onderzoek achterwege blijven. De bodem wordt dan ook geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

4.2.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

4.3.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hierboven beschreven kan worden gesteld dat het realiseren van 12 woningen 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt opgemerkt dat woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing.

Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).

Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Atlas van de Leefomgeving staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 4.1 is een uitsnede met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe ster aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0007.png"  
Afbeelding 4.1: Uitsnede Atlas van de Leefomgeving (Bron: Atlas van de leefomgeving)  

Uit de inventarisatie blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied geen noemenswaardige risicobronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde buisleiding bevindt zich op circa 1,1 kilometer afstand, wat ruim buiten de veiligheidsafstanden is.

Met betrekking tot de bereikbaarheid en bluswatervoorziening heeft overleg plaatsgevonden met de brandweer Fryslân. Hieruit is besloten dat de gemeente De Fryske Marren in de directe omgeving een brandkraan zal plaatsen conform de eisen van de brandweer. Tevens wordt de weg op het perceel verbreed met halfopen verharding tot de breedte conform de eisen van de brandweer. Dit bedraagt 5 meter.

4.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5 Milieuzonering

4.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

4.5.2 Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.

Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Joure. In de nabije omgeving bevinden zich voornamelijk agrarische gronden en woningen. Daarom wordt er in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  
4.5.3 Beoordeling
4.5.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Er dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden.

Hierbij spelen twee vragen een rol:

    • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
    • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie. Van enige hinder van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake.

4.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.

In de directe omgeving bevindt zich één noemenswaardige milieubelastende functie, te weten het agrarisch bedrijf aan de Koarte Ekers 3. Op basis van het geldende planologisch regime kan zich hier een grondgebonden agrarisch bedrijf vestigen. Voor agrarische bedrijven geldt veelal de grootste richtafstand voor het aspect 'geur'. Voor veehouderijen geldt voor het milieuaspect geur geen richtafstanden, maar wettelijke afstanden of geurnormen die zijn vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderijen hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan.

Wanneer het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt voor het agrarisch bedrijf een richtafstand van 30 meter voor geluid. De afstand tussen het plangebied en de grens van het agrarisch bouwvlak bedraagt ruim 100 meter. Geconcludeerd wordt dan ook dat ter plaatse van de te realiseren woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verwacht en omgekeerd, dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van de realisatie van het voornemen.

4.5.4 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Geur

4.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

4.6.2 Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

4.6.3 Situatie plangebied

Zoals reeds benoemd in paragraaf 4.5 is aan de Koarte Ekers 3 op ruim 100 meter afstand van het plangebied planologisch een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een intensieve veehouderij, mogelijk. Hier kunnen daarom dieren worden gehouden waarvoor op grond van de Wgv geen geuremissie is vastgesteld. Aangezien het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, dient een afstand van 100 meter te worden aangehouden. Hier wordt aan voldaan. Ten aanzien van het aspect geur wordt daarom een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Daarnaast worden de omliggende agrarische bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering belemmerd, temeer ook omdat andere woningen op een kortere afstand van het agrarisch bedrijf zijn gelegen.

4.6.4 Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.7 Ecologie

4.7.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.7.2 Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Sneekermeergebied' bevindt zich op circa 2,4 kilometer afstand. Vanwege deze afstand kan directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. worden uitgesloten. Naast directe hinder kan tevens sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is door BJZ.nu een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, waarvan de volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting.

Uit de AERIUS berekening is gebleken dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0008.png"  
Afbeelding 4.2: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 en het NNN (Bron: Atlas Leefomgeving)  
4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Zoals in afbeelding 4.2 is te zien, is het plangebied niet gelegen in of in de directe nabijheid van het NNN. Geconcludeerd wordt dan ook geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.7.3 Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Gezien de grote schuur in het plangebied gesloopt zal worden is er door EcoFect een ecologische quickscan uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar .

4.7.3.2 Situatie plangebied

In het kader van het voornemen wordt alle aanwezige bebouwing gesloopt en wordt het plan landschappelijk ingepast. Om te beoordelen of de voorgenomen ruimtelijke ingrepen gepaard gaan met negatieve effecten op beschermde flora en fauna, is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek, waarvan de volledige rapportage in Bijlage 5 is opgenomen.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting wordt verwijderd tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'doden' en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats'. Initiatiefnemer dient in het kader van de zorgplicht echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten).

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

4.7.3.3 Natuurinclusief bouwen

In de Omgevingsvisie ‘De Romte Diele’ wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkeling. Aan de hand van de ‘factsheet natuurinclusief bouwen’ is het mogelijk om in het ontwerp van de woningen rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Dit is in beeld en zal bij het ontwerp van de woningen nader worden onderzocht.

4.7.4 Conclusie

Het voornemen brengt geen negatieve effecten met zich mee op beschermde gebieden en/of beschermde soorten. Het aspect 'ecologie' vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.8 Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1 Archeologie
4.8.1.1 Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.8.1.2 Situatie plangebied

De archeologische waarden in de provincie Fryslân zijn in beeld gebracht middels de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr - 1500 n Chr). Ter plaatse van het plangebied geldt voor beide perioden de volgende archeologische verwachting met bijbehorend advies:

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPJRE23KOARTEEKER2-VA01_0009.png"  
Afbeelding 4.3: Archeologische verwachtingen ter plaatse van het plangebied (Bron: FAMKE)  

  • IJzertijd - middeleeuwen: karterend onderzoek: De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten;
  • Steentijd - bronstijd:
    • 1. quickscan: De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een quickscan te verrichten. Een quickscan is een extensief booronderzoek waarmee duidelijk gemaakt wordt of het steentijd bodemarchief intact is;
    • 2. Karterend onderzoek: In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 2.500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal zes boringen per hectare worden gezet, met een minimum van zes boringen voor gebieden kleiner dan een hectare.

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6.500 m² en overschrijdt daarmee de onderzoeksgrenzen. Om deze reden is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting.

Resultaten archeologisch onderzoek

In vier van de zes boringen (boring 3 t/m 6) is onder een matig dikke bouwvoor een onverstoorde dekzandondergrond aangetroffen, waar bovenin afgetopte profielen van veldpodzolgronden zijn aangetroffen. Verder is een veenpakket-op-dekzand zonder bodemvorming, onder een pakket opgebrachte grond (boring 1) aangetroffen. Ook is er een tot in de C-horizont verstoorde bodemopbouw (boring 2) aangetroffen. De diepte van de onverstoorde, natuurlijke ondergrond, bestaande uit dekzanden met (afgetopte) veldpodzolgronden varieert van 30 tot 40 cm -mv (0,33 tot 0,49 m -NAP), ter hoogte van boring 3 t/m 6. Omdat in het overgrote deel van het plangebied een onverstoorde bodemopbouw met bewaarde podzolgronden is aangetroffen, dient de archeologische verwachting voor het plangebied te worden gehandhaafd.

Door de voorgenomen bodemingrepen worden mogelijk eventuele archeologisch relevante lagen of vindplaatsen bedreigd. Omdat het terrein bij het bouwrijp maken wordt opgehoogd behoort mogelijk een behoud in-situ op de nieuwe kavels waar de woningen zijn voorzien tot de mogelijkheden. In de gemeenschappelijke siertuin in de (noord)ooststrook van het plangebied zijn wadi’s voorzien, daar is een behoud in-situ waarschijnlijk niet mogelijk.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

4.8.2 Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 

4.8.2.2 Situatie plangebied

Op basis van de Atlas Leefomgeving bevinden zich in of in de directe nabijheid van het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische waarden die kunnen worden aangetast vanwege het voornemen.

4.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit plan mogelijk sprake is van negatieve effecten op de archeologische waarden. Hierdoor is de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. De uitvoering hiervan is reeds in gang gezet.

4.9 Water

4.9.1 Algemeen

Een belangrijke verplichting voor alle ruimtelijke plannen en projecten is de watertoets. Het doel hiervan is te waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De “winst”, die wordt behaald bij de watertoets, ligt bij de vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder en de informatievoorziening. Om het proces van de watertoets te bevorderen is door de provincie en het waterschap een handreiking watertoets opgesteld, beschikbaar via de website van provincie en waterschap.

In het provinciale waterhuishoudingsplan (WHP3) en het waterbeheerplan 2022-2027 van het Wetterskip Fryslân is het waterbeleid voor de provincie en het Wetterskip opgenomen. De hoofddoelstelling van beide waterplannen is "het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, zodat een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Het beleid wordt in beide plannen verder uitgewerkt in de thema's waterveiligheid, voldoende water en schoon water.

4.9.2 Situatie plangebied

Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. De voorgenomen ontwikkeling raakt daarmee waterschapsbelangen. Het plan is daarom nader afgestemd met het Wetterskip. Hieronder wordt ingegaan op de van belang zijnde wateraspecten.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.Met het voornemen wordt voorzien in een toename van verharding van ca. 1.030 m².

Voor het voornemen is in afstemming met het waterschap een waterplan opgesteld. De watercompensatie wordt gerealiseerd met het aanleggen van waterbergende laagtes. De uitgangspunten en de berekening van de waterbergende capaciteit zijn opgenomen in het in Bijlage 7 opgenomen waterconcept. Het ontwerp gaat uit van de volgende uitgangspunten:

  • Het hemelwater wordt via open goten naar de waterbergende laagtes gebracht. Waar dit niet kan zal ondergronds een afvoerende buis naar de betreffende laagte afvoeren;
  • Door het toepassen van veel grasbetontegels is het totaaloppervlak aan elementenverharding minimaal;
  • De waterbergende laagtes bevinden zich op het gemeenschappelijk terrein, met een instandhoudingsverplichting in de splitsingsakte, en dus niet op private kavels;
  • Het vloerpeil houdt rekening met een optimale drooglegging en dit vloerpeil zal op hele korte termijn worden voorgelegd.

Met het waterschap is overeengekomen dat het plan dient te voorzien in een waterbergend vermogen van 70 m³. Het ontwerp zoals opgenomen in Bijlage 7 gaat hier vanuit. Het plan voldoet daarmee aan de benodigde compensatie. De aanleg van de waterbergende laagtes wordt planologisch geborgd middels een voorwaardelijke verplichting binnen de algemene gebruiksregels van dit bestemmingsplan.

Peilscheidende en toegangsdammen

In de westelijke sloot is een peilscheidende dam aanwezig. Bij het eventueel verwijderen van een peilscheidende dam zal dit een peilwijziging teweeg brengen. Aan een peilwijziging zitten procedures verbonden. Deze peilscheidende dam blijft in voorliggend geval ongewijzigd. Ook wordt opgemerkt dat de aanwezige toegangsdammen onaangeroerd blijven.

Hoofdwatergang

Het plangebied raakt een hoofdwatergang. Deze kent een beschermingszone van 5 meter aan weerszijde. Voor het beheer en onderhoud is het van belang dat de beschermingszone van 5 meter vrij toegankelijk blijft. Ter plaatse van de beschermingszone wordt een aanduiding opgenomen waarbinnen geen gebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd. Hiermee is de vrije toegankelijkheid van de beschermingszone geborgd. Voor het uitvoeren van andere werken of werkzaamheden zal een watervergunning moeten worden aangevraagd.

Aanleghoogtes

In geval van bebouwing zonder kruipruimte adviseert het waterschap de nieuwe bebouwing minimaal op NAP hoogte aan te leggen. Bij bebouwing met kruipruimte is de droogleggingsnorm van toepassing en wordt een minimale aanleghoogte van +0,1 m NAP (-1 (streefpeil) + 1,10 m (droogleggingsnorm) geadviseerd. Vanuit klimaatrobuust bouwen wordt geadviseerd zonder kruipruimte te bouwen. Naar schatting ligt het maaiveld tussen de -0.1 en +0.2 m NAP. Dit advies wordt meegenomen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

4.9.3 Conclusie

Het plan houdt in voldoende mate rekening met de waterhuishouding.

4.10 Besluit milieueffectrapportage

4.10.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

4.10.2 Situatie plangebied
4.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Het plangebied ligt in voorliggend geval op circa 2,4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Sneekermeergebied'. Uit paragraaf 4.7.2.1 en uit de stikstofdepositieberekening in Bijlage 4 is gebleken dat de voorgenomen herontwikkeling niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Per saldo is er daarmee geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is niet noodzakelijk.

4.10.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r.

Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting.

4.10.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2 Opzet van de regels

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

5.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.);
  • Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels.
  • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn;
  • Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels.

In paragraaf 5.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen.

5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal oppervlak.

In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hier zijn onder andere regels opgenomen voor de overschrijding van de bouwgrenzen en plaatselijke verhogingen.

In dit artikel worden algemene gebruiksregels beschreven ten aanzien van het strijdige gebruik.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.

In dit artikel worden de parkeerregels beschreven.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes onderbouwd. De regels zijn gebaseerd op het handboek bestemmingsplannen van de gemeente De Fryske Marren.

Artikel 3 Groen

De gronden waar de woningen en de inrit niet worden gerealiseerd zijn bestemd als 'Groen'. Deze gronden zullen voornamelijk worden gebruikt ten behoeve van de groene inrichting van het perceel, moestuin(en) en parkeervoorzieningen. Ten behoeve van de realisatie van de hobbymatige kas/theehuisje is de bepaling opgenomen dat binnen deze bestemming één gebouw van maximaal 75 m² is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

Artikel 4 Verkeer

De in- en uitrit in het plangebied is bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden mogen onder andere worden gebruikt ten behoeve van wegen, straten en parkeervoorzieningen. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

Artikel 5 Wonen - 2

De locatie waar de woningen worden gerealiseerd zijn bestemd als Wonen - 2. In de bouwregels is bepaald dat hoofdgebouwen in het bouwvlak dienen te worden gebouwd, waarbij geldt dat het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal mag bedragen. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedragen respectievelijk maximaal 6,5 en 12 meter.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

Met betrekking tot het verhaal van de kosten van de bestemmingsplanprocedure en de uitvoering van het bestemmingsplan, is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten. Het verhaal van kosten is hiermee "anderszins verzekerd", zodat het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op 10 mei 2023 is het plan voorgelegd aan geïnteresseerden en omwonenden in de vorm van een inloopavond. Deze avond is door circa 40 mensen bezocht en er is overwegend zeer positief gereageerd op de plannen. Vanuit omwonenden zijn een drietal aandachtspunten benoemd, te weten:

  • Het is van belang dat er een groene zoom met bomen rondom het perceel blijft. Daarmee houden bewoners aan De Ljip, De Mosk en De Protter uitzicht op groen als ze naar het plangebied kijken.
  • Het plangebied dient aan de noordzijde te worden ontsloten, op de Koarte Ekers;
  • Belangrijk dat er voldoende parkeerplaatsen zijn op het terrein, zodat er geen auto’s langs de weg hoeven te parkeren. Dit is vooral van belang voor de overburen die ook met tractors over de Koarte Ekers rijden.

Het voorliggende plan houdt rekening met al deze aandachtspunten. De groene zoom is evenals alle randen rondom de woningen, bestemd als 'Groen'. Hiermee wordt ongewenste bebouwing voorkomen, er wordt uitsluitend de mogelijkheid geboden om één hobbymatig kasje te realiseren. Verder vindt de ontsluiting plaats op de Koarte Ekers en wordt op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte.

Hoofdstuk 7 Vooroverleg

7.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

7.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.1.2 Provincie Fryslân

Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg naar de provincie toegezonden. De provincie heeft aangegeven dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is en aandacht te besteden aan het aspect 'natuurinclusief bouwen'. De toelichting is op deze punten aangepast.

7.1.3 Wetterskip Fryslân

Zoals in paragraaf 4.9 is aangegeven is de normale procedure van toepassing. Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg aan het waterschap voorgelegd. Het waterplan zoals bijgevoegd in Bijlage 7 is afgestemd met en akkoord bevonden door het waterschap.

7.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp ter inzage gelegd.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. Deze hebben tot aanpassing van het bestemmingsplan geleid.