| Plan: | Wijckel - Jachtlustweg 55 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPBLK22JACHTLUST55-VA01 |
Op het perceel Jachtlustweg 55 te Wijckel zijn plannen om één woning mogelijk te maken. Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan 'Balk Zuidelijke Randweg' was dit reeds mogelijk. Echter is deze mogelijkheid in het huidige bestemmingsplan 'Balk - Zuid 2017' niet meer mogelijk. Deze ontstane situatie heeft ertoe geleid dat voor de eigenaar van het perceel planschade is ontstaan. Ter compensatie hiervan heeft de gemeente besloten om de planschade in natura te vergoeden. In dit geval door de mogelijkheid te creëren om ter plaatse één woning mogelijk te maken. Hiervoor is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan nodig. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
Het perceel Jachtlustweg 55 te Wijckel vormt het plangebied van dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente De Fryske Marren, maar grenst wel aan de bebouwde kom van Balk. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied is afgestemd op het kadastrale perceel nummer 3.701, sectie M van de kadastrale gemeente Balk. De begrenzing van het plangebied is weergeven in figuur 1.2.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Balk - Zuid 2017, vastgesteld op 27 juni 2018. Het plangebied kent hierin de bestemming 'Wonen - 1'. Binnen deze bestemming geldt dat een hoofdgebouw (lees woning) binnen een bouwvlak gebouwd moet worden. Ter plaatse van de huidige woning in het plangebied is hier sprake van. In de rest van het plangebied bevindt zich geen bouwvlak. De bouw van een extra woning is daarmee in strijd het geldende bestemmingsplan. Een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.3.
Figuur 1.3. Fragment geldend bestemmingsplan
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische regeling van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt aan de rand van een uitbreidingswijk van Balk. Figuur 1.1 weergeeft de ligging van het plangebied weer in zijn omgeving. In het plangebied bevindt zich in de huidige situatie één kleine woning. De ligging hiervan is aan de Jachtlustweg 55. De Jachtlustweg is een historisch bouwlint. Aan het lint bevinden een aantal boerderijplaatsen en andere karakteristieke gebouwen. De bebouwing is veelal ingepast met hoogopgaande beplanting rondom de percelen. Zo ook het perceel van dit plangebied.
Aan de zuidkant van Jachtlustweg bevindt zich een uitbreidingswijk van Balk. Het gaat om zowel vrijstaande woningen als twee-onder-een kapwoningen. De voorkant van de woningen volgt hierbij de weg. Ten noorden van de Jachtlustweg bevinden zich enkele agrarische bedrijven.
Het landschap in de directe omgeving betreft een kleinschalig, besloten landschap. Ten noorden van het plangebied is meer sprake van een open grootschalige landschap met grootschalige weidse vergezichten.
Het plangebied is in de huidige situatie al in gebruik ten behoeve van een woonfunctie. In het plangebied staat een oude, kleine woning inclusief bijbehorende bouwwerken. Het plangebied is verder onbebouwd en bestaat voornamelijk uit grasland. De gronden ter hoogte van de toekomstige woning is in gebruik als siertuin / parkje.
Het plangebied is in de huidige situatie ontsloten via de Jachtlustweg aan de noordoostkant en via een zijtak van de Lubertus van Beekstrjitte ten westen van het plangebied.
Een aanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.1 en 2.2.
Figuur 2.1. Aanzicht op de noordoostkant van het plangebied vanaf de Jachtlustweg
Figuur 2.2. Aanzicht op de westkant van het plangebied vanaf de Lubertus van Beekstrjitte
Op het perceel Jachtlustweg 55 te Wijckel zijn plannen om één woning mogelijk te maken. Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan 'Balk Zuidelijke Randweg' was dit reeds mogelijk. Echter is deze mogelijkheid in het huidige bestemmingsplan 'Balk - Zuid 2017' niet meer mogelijk. Deze ontstane situatie heeft ertoe geleid dat voor de eigenaar van het perceel planschade is ontstaan. Ter compensatie hiervan heeft de gemeente besloten om de planschade in natura te vergoeden. In dit geval door de mogelijkheid te creëren om ter plaatse één woning mogelijk te maken. De woning krijgt een maximale oppervlakte van 150 m2. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 11 meter.
De bestaande woning blijft hierbij eveneens in gebruik als woning. Het plan is om de oppervlakte van de woning te vergroten tot maximaal 150 m2. De uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw heeft betrekking op het feit dat de eigenaar graag de bestaande woning wil behouden, maar er geen mogelijkheden zijn om dit naar tevredenheid met bijbehorende bouwwerken te realiseren. Met de uitbreiding van het hoofdgebouw wordt de ruimte geboden om de bestaande (min of meer karakteristieke) woning aan de achterzijde uit te breiden op een wijze waarbij de huidige beeldkwaliteit blijft bestaan. Daarnaast zal er op den duur achter deze uitbreiding een bijbehorend bouwwerk opgericht worden.
In figuur 2.3 is een overzicht van de gewenste situatie opgenomen. De bestaande woning blijft ontsloten op de Jachtlustweg en de nieuwe woning krijgt zijn ontsluiting op de Lubertus van Beekstrjitte.
Figuur 2.3. Tekening nieuwe situatie
Algemeen
Het lint waarin het plangebied is gelegen is in de gemeentelijk beleidsregel 'Bebouwde kommen De Fryske Marren' aangemerkt als buiten de bebouwde kom. De provincie beschouwt het in de Verordening Romte (zie paragraaf 3.2) als landelijk gebied. Wanneer bouwmogelijkheden voor stedelijke functies worden gebouwd in het landelijk gebied, moet op basis van het provinciaal beleid aangegeven worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van de nieuwe functies en hoe het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân het belang dat zij hecht aan een goede verankeringen van ontwikkelingen in het landschap aangegeven. Op basis van de uitgangspunten uit deze structuurvisie is de voorgenoemde ontwikkeling getoetst. Het is van belang dat de ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap.
Waardering landschap
Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het gebied Gaasterlân. Van provinciaal belang zijn de esachtige structuren. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de landschappelijke structuur als onderlegger benut te worden. Wat betreft de beplanting bevinden zich deze langs de wegen en houtwallen zijn aangeplant om als perceelsbegrenzing te dienen. Er is hierbij sprake van een blokverkaveling naar plaatselijk opstrekkende verkaveling. De maat en schaal is kleinschalig tot zeer kleinschalig.
Beoordeling beoogde situatie
Dit bestemmingsplan doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Gaasterlân. De ontwikkeling is volledig perceelsgebonden en heeft zo geen effect op de verkaveling in het gebied. In de bestaande situatie is het plangebied reeds ingepast met hoogopgaande beplanting. Het perceel is in de huidige situatie al op een gebiedseigen wijze ingepast in het gebied. Er wordt geen nieuwe boombeplanting geïntroduceerd. Door de herinrichting wordt er een situatie gecreëerd die recht doet aan de kwaliteiten van zijn omgeving.
De nieuwe woning wordt via de Lubertus van Beekstrjitte ontsloten. Er is sprake van een overzichtelijke verkeerssituatie. Op het perceel is voldoende ruimte om te voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen per woning, overeenkomstig het parkeerbeleid van de gemeente.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking.
In dit bestemmingsplan wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De bouw van één woning is op basis van jurisprudentie (18 december 2013 201302867/1/R4) geen verstedelijking. Toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.
Verordening Romte 2014
In de Verordening Romte Fryslân stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Het perceel betreft een oude boerderijplaats, waarvan de functie is gewijzigd naar wonen.
Bundeling stedelijke functies
In de verordening is geregeld dat in het landelijk gebied in principe geen bouwmogelijkheden voor stedelijke functies, zoals het wonen, geboden mogen worden (artikel 1.1.1). Op grond van de kaarten bij de verordening ligt het plangebied in het landelijk gebied, maar grenst het wel tegen bestaand stedelijk gebied. Op grond van artikel 1.1.1 lid 2 kan een ruimtelijke plan aansluitend op bestaand stedelijk gebied worden toegestaan. In dit geval is sprake van een ontwikkeling aansluitend op bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is daarmee in lijn met artikel 1.1.1 van de verordening.
Ook mag de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer dan 300 m² bedragen. Aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Wonen
In artikel 3.1.1 is bepaald dat in woningbouw kan worden voorzien indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Hierop wordt in paragraaf 3.3 ingegaan.
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 2.1.1 lid 3 is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van het voornemen binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is verwoord in paragraaf 2.3 Ook de cultuurhistorische kernkwaliteiten binnen het plangebied blijven behouden. Dit is nader omschreven in paragraaf 4.8.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de regels van de Verordening Romte Fryslân.
Grutsk op é Romte
In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen.
Het voornemen betreft een perceelsgebonden ontwikkeling dat binnen de bestaande landschappelijke contouren plaatsvindt. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden (zoals ook in paragraaf 2.3 is aangegeven) met dit plan niet aangetast. De nieuwe woning wordt op een goede manier landschappelijke ingepast.
Visie De Fryske Marren
In de 'Visie de Fryske Marren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.
Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. De gemeente staat hierbij open voor kansen. Initiatieven worden gefaciliteerd met maatwerk naar aard en schaal van de woonomgeving.
Woonvisie 2014-2018 en Uitvoeringsprogramma 2016-2026
In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.
In het Uitvoeringsprogramma 2016-2026 van de gemeente is ruimte opgenomen voor particuliere initiatieven op diverse locaties. In dit geval is sprake van het toevoegen van één extra woning. Het plan is passend binnen het woningbouwprogramma.
Duurzaamheidsvisie 2013-2030
Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie De Friese Meren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energievoorziening, watersysteem, grondstoffen en groen en natuur. In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.
Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit plan dat bij de woning niet aangesloten mag worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moet worden. Bij de aanvraag wordt hiermee rekening gehouden.
Welstandnota De Fryske Marren 2014
De gemeenteraad van De Fryske Marren heeft op 22 april 2015 de Welstandsnota De Fryske Marren 2014 gewijzigd vastgesteld. Met de nieuwe welstandsnota is ook het welstandsbeleid aangepast. De welstand toets of een bouwplan aan de minimale beeld- en kwaliteitseisen voldoet en past in de omgeving. De gebieds- en objectgerichte aanpak beoogt de belangrijkste karakteristieken van de bebouwing te beschermen en te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen. Zo ook voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied. Bij de bouwaanvraag toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de welstandscriteria die voor dit gebied gelden.
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt slechts één extra woning mogelijk en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Daarnaast wordt de ontwikkeling, gelet op de aard en de omvang, ook niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beoordeling of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval verandert het gebruik van het perceel niet. Er is slechts sprake van de bouw van één extra woning. Qua ruimte beslag is dit en beperkte ontwikkeling. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van één vrijstaande woning, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De beoogde ontwikkeling wordt niet gekwalificeerd als stedelijk ontwikkelingsproject. Er behoeft dan ook geen besluit te worden genomen of een MER nodig, dan wel niet nodig is.
De nieuwe woning wordt via de Lubertus van Beekstrjitte ontsloten. Er is sprake van een overzichtelijke verkeerssituatie. Op het perceel is voldoende ruimte om te voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen per woning, overeenkomstig het parkeerbeleid van de gemeente.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om de milieuruimte van bedrijven voor het bestemmingsplan in beeld te brengen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor bedrijfsactiviteiten ten opzichte van een rustige woonwijk (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar). Ten opzichte van een gemengd gebied gelden kleinere richtafstanden.
In het plangebied wordt met dit bestemmingsplan de planologische mogelijkheid gecreëerd in een nieuwe woning te realiseren. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende moet zijn. In de omgeving van deze locatie is sprake van woningen en agrarische gronden. Hiermee is de voorgenomen woonfunctie goed te combineren en dit leidt niet tot belemmeringen. Tussen het agrarische bedrijf op het perceel Jachtlustweg 51 is reeds de bestaande woning in het plangebied gelegen. Omdat deze woning op basis van het geldende bestemmingsplan al is toegestaan wordt met de komst van de extra woning hun bedrijfsvoering ook niet beperkt.
Ten aanzien van geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. In de wet is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft, waar aandacht aan geluidshinder moet worden besteed. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds. De Wgh stelt dat op de gevels van geluidsgevoelige objecten voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Op de Jachtlustweg geldt een maximumsnelheid van 60 km/uur. De nieuwe woning wordt gebouwd binnen de geluidszone van deze weg. Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woning volledig buiten de contour van de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB is gesitueerd. Een en ander betekent dat de Wet geluidhinder de uitvoering niet in de weg staat; een hogere waarde procedure is niet aan de orde.
Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. De bestaande woning in het plangebied hoeft daarom niet getoetst te worden. Hier wordt geen nieuwe geluidgevoelige functies voorgesteld. Op basis van de feitelijk en vergunde situatie is de woonfunctie namelijk al toegestaan.
Er ontstaan geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In de zogenaamde waterparagraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets.
Toetsing
Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. Zie bijlage 1. Het plan heeft een beperkte invloed op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de normale procedure worden gevolgd voor de watertoets.
Regionale waterkering
Het plangebied ligt binnen de beschermingszones van een regionale kering. De nieuwbouw wordt gerealiseerd buiten de beschermingszone van de kering. Met de ontwikkeling vinden geen ingrepen binnen de zone van 5 meter plaats.
Toename verharding
In de keur van Wetterskip Fryslân is opgenomen dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.
Met het project is sprake van een beperkte toename aan verharding van circa 750 m2. In onderstaand tabel is een overzicht van de huidige en toekomstige verharding weergeven.
| Watercompensatie Wijckel - Jachtlustweg 55 |
|||||||
| Onderdeel | Bestaand | Nieuw | Compensatie | ||||
| Dempingen | n.v.t. | 0,00 | m2 | 100% | 0,00 | m2 | |
| Dammen | n.v.t. | 0,00 | m2 | 100% | 0,00 | m2 | |
| Verharding bouwblok nieuwe woning | 0,00 | m2 | 150,00 | m2 | 10% | 15,00 | m2 |
| Verharding bouwblok bestaande woning | 100,00 | m2 | 150,00 | m2 | 10% | 5,00 | m2 |
| Verharding kavel nieuwe woning | 0,00 | m2 | 250,00 | m2 | 10% | 25,00 | m2 |
| Verharding kavel bestaande woning | 250,00 | m2 | 300,00 | m2 | 10% | 5,00 | m2 |
| Verharding overig (ontsluiting perceel) | 0,00 | m2 | 275,00 | m2 | 10% | 27,50 | m2 |
| Totaal benodigd te compenseren | 77,50 | m2 | |||||
Watercompensatie is dan ook nodig indien het plangebied zich in het stedelijk gebied bevindt. Compensatie is niet nodig indien het gebied zich in landelijk gebied bevindt. De gemeente heeft hierover contact gehad met het waterschap. Het waterschap heeft aangegeven dat het plangebied in landelijk gebied ligt. In dat geval geldt een compensatieverplichting bij ingrepen groter dan 1.500 m2. De verhardingstoename is kleiner. Formeel gezien is er daarom geen compensatieverplichting. Desondanks wordt met de uitwerking van dit bestemmingsplan toch compenserende maatregelen genomen. Dit door tussen de beide kavels een watergang te gaan aanleggen. De lengte van de watergang zal ca. 40 meter bedragen. Bij een breedte van 2,00 meter wordt voldoende compensatie gerealiseerd.
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden.
Waterkwaliteit
Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.
Afkoppelen en waterkwaliteit
Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In het geval van dit bouwplan kan het hemelwater afkomstig van verhard oppervlak worden geloosd op het oppervlaktewater. Verder wordt aangesloten op de bestaande riolering.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de gewenste functie. De ontwikkeling vindt plaats op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan de woonfunctie reeds is toegestaan.
De ontwikkeling vindt plaats op een erf wat reeds in gebruik is als woonperceel. Het is niet aannemelijk dat deze gronden door dit gebruik verontreinigd zijn. Ook zijn er geen verdachte activiteiten uit het verleden bekend. Er is dus geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van bodemonderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode ijzertijd-middeleeuwen, alsmede een karterend onderzoek voor de periode steentijd-bronstijd.
Met dit plan worden geen bodemingrepen voorgesteld die de onderzoeksdrempel voor archeologisch onderzoek overschrijden (minder dan 5.000 m²). De kans op archeologische vondsten klein is. Er is derhalve geen noodzaak tot een archeologisch onderzoek. Als er onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag. Zekerheidshalve is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' opgenomen. Onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 5.000 m2.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
In het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Dit ondanks het feit dat het plangebied volgens de CHK2 kaart van de provincie deel uitmaakt van een 'Boerderijplaats'. In het bestemmingsplan Balk Zuid heeft het plangebied al de woonbestemming. De waardevolle karakteristieken van de 'Boederijplaats' zijn niet meer in het veld niet aanwezig.
Ook bevindt zich naast het plangebied landgoed Meerzicht. Dit landgoed maakt volgens de CHK2 kaart van de provincie deel uit van een 'Stinzen en states'. In het voorgaande bestemmingsplan was reeds een bouwmogelijkheid aanwezig voor een woning op de gewenste locatie zoals weergeven in paragraaf 2.2. Deze wordt middels deze procedure hersteld. Het waardevolle karakter wat toegedicht wordt aan de percelen, bestaat in het veld niet (meer).
Met de bouw van een woning binnen de bestaande structuren van het landschap en lint wordt geen afbreuk gedaan aan de beschreven cultuurhistorische waarden van de omgeving. Zoals blijkt uit paragraaf 2.3 worden de kwaliteiten en beleefbaarheid van het landschap niet aangetast. Het plan is goed in te passen bij de cultuurhistorische waarden van de omgeving. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb).
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied IJsselmeer bedraagt 4,6 kilometer en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt de afstand 450 meter.
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om te beoordelen of er negatieve effecten op dit gebied en andere Natura-2000 gebieden ontstaan, is een stikstofberekening, met het programma AERIUS, uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 3. De uitkomst van de berekening is 0,00 mol/ha/jaar. Er ontstaan geen negatieve effecten.
Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Fryslân staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden voor het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
Voor de ontwikkeling is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 toegevoegd. Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk algemene broedvogels en potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, dienen enkele mitigerende maatregelen te worden genomen, welke zijn beschreven in hoofdstuk 5 van het onderzoek.
Bij de realisatie van de nieuwe woning en de verbouwing aan het achterhuis wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen, waarbij er meer plek voor verschillende diersoorten wordt gerealiseerd. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van inbouwkasten in de muur of speciale dakpannen voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.
De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving. Hiermee zal tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. Uit de risicokaart blijkt dat nabij het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plangebied ligt niet in invloedsgebieden van risicobronnen. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Maatgevende stoffen in Nederland zijn hiervoor stikstofdioxide en fijn stof.
Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit in Nederland zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.
Er wordt slechts één extra woning mogelijk gemaakt. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die een planologische zone hebben.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de woonbestemming en in de regels (per bestemming) zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd.
In deze paragraaf wordt de afzonderlijke bestemming zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan Balk - Zuid 2017.
Wonen
De woonpercelen krijgen de bestemming 'Wonen - 1'. Het plan biedt mogelijkheden voor het wonen, in combinatie met ondergeschikte functies, aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen. Aan het uitvoeren van deze activiteiten zijn voorwaarden verbonden die ervoor zorgen dat het wonen de hoofdfunctie blijft met de daarbij behorende ruimtelijke uitstraling.
Er zijn binnen de bestemming 'Wonen - 1' twee bouwvlakken opgenomen, één voor de bestaande en één voor de nieuwe woning. De oppervlakte van de woningen zal ten hoogste 150 m² bedragen. Per kavel geldt een maximum van 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken.
Woningen moeten worden opgetrokken uit één bouwlaag met kap, binnen een goot- en bouwhoogte van 3,5 en 11 meter. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken moeten hieraan ondergeschikt zijn (3 -en 6 meter).
Verkeer
De nieuwe ontsluiting aan de westkant van het plangebied krijgt de bestemming Verkeer. Gebouwen en bouwwerken zijn hier niet toegestaan.
Waarde - archeologie
Zekerheidshalve is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' opgenomen. Onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 5.000 m2.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens de periode van zes weken kon een ieder een zienswijze indienen. Alleen van de brandweer is een zienswijze ontvangen. Deze is in een zienswijzenota (zie bijlage 6.1) samengevat en voorzien van een inhoudelijk reactie. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven het bestemmingsplan aan te passen. Wel is voor de bouwfase nog geen stikstofdepositie berekening uitgevoerd. Dit omdat tijdens de ter inzage legging van het ontwerp de bouwvrijstelling nog van kracht was. De stikstofberekening voor de bouw is alsnog uitgevoerd en daarnaast is de uitstoot met de nieuwste versie van Aerius berekend voor de gebruiksfase. Op basis van de berekeningen wordt geconcludeerd dat stikstof geen probleem is. Zie hiervoor ook paragraaf 4.9 en bijlage 3.
Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Het kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de begeleiding daarvan worden door de gemeente bekostigd. De gemeente brengt geen legeskosten in rekening.
Grondexploitatie
Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Omdat het bouwen van een woongebouw een bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 Bro is, is de grondexploitatieregeling van toepassing. In beginsel moet daarom een grondexploitatieplan worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgeweken wanneer het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Voor het herstellen van de ommissie is een anterieure overeenkomst niet aan de orde.