Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding en ambitie
Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie van Middelblok 191 te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en hiervoor in de plaats twee bedrijfsgebouwen alsmede een schuilstal voor het hobbymatige houden van dieren te bouwen. De twee nieuwe bedrijfsgebouwen zijn ten behoeve van grondverzet- en aannemersbedrijf De Zwart Grondverzet, die in de huidige situatie is gevestigd aan Middelblok 1-5. Doordat die locatie de groei van het bedrijf niet kan accommoderen en die locatie in de directe invloedssfeer van de beoogde woningbouwontwikkeling 'Gouderak Oost' is gelegen, is het bedrijf niet meer passend op die locatie. Omdat de bestaande bebouwing op de nieuwe locatie, als voormalige veehouderij, niet geschikt is voor de bedrijfsvoering die De Zwart Grondverzet voor ogen heeft, is gekozen voor nieuwbouw op de locatie aan Middelblok 191. Hiermee zullen de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie aan Middelblok 1-5 gelijktijdig komen te vervallen, wat met het wijzigen van de functie van deze locatie naar wonen in het voorliggende plan juridisch-planologisch geregeld wordt. 
 
Voor het planvormen is een conceptaanvraag ingediend die op 12 juni 2023 aan de intaketafel is behandeld. In de brief d.d. 18 september 2023 heeft de gemeente Krimpenerwaard laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Vervolgens is het initiatief op 12 september 2024 behandeld aan de Omgevingstafel, waarbij de vorderingen van het planvoornemen zijn besproken en (hierop) integraal advies is gegeven, ten behoeve van het indienen van een formeel ontwerp en een vergunningsaanvraag bij de gemeente.
 
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Krimpenerwaard, waar het bestemmingsplan 'Middelblok' onderdeel van is en waarin de locatie beschikt over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. Derhalve dient een herziening van het omgevingsplan te worden vastgesteld voor de planlocatie.
 
1.2 Aanduiding plangebied
Het plangebied ligt ten zuiden van Gouda en ten noordoosten van Gouderak, aan het Middelblok 191, in de gemeente Krimpenerwaard. Kadastraal is de kavel bekend onder de gemeente Gouderak, sectie B, perceelnummers 4420 en 4805. Het terrein heeft een oppervlak van ca. 14.500 m². Het plangebied ligt in het buitengebied van Gouderak, nabij de Hollandsche IJssel en dichtbij Gouda.
   
De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: Google Earth)
 
Daarnaast is de locatie aan het Middelblok 1-5 onderdeel van het plangebied. Deze locatie ligt vrijwel direct ten noordoosten van de kern Gouderak.
 
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplan maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard. Voor de planlocatie gold voorheen het bestemmingsplan ‘Middelblok', waarin de gronden voorzien zijn van de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden'. Tevens gold voor het zuidoostelijke deel van de planlocatie aan Middelblok 191, waar de schuilstal is beoogd, het bestemmingsplan 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard', waarin de gronden voorzien zijn van de bestemming 'Agrarisch met waarden'.  
 
De navolgende figuur toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Middelblok'.
 
 
Uitsnede bestemmingsplan 'Middelblok', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
Middelblok 191   
Binnen het plangebied geldt voor het grotere noordoostelijke gedeelte van Middelblok 191 de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor agrarische bedrijven, met uitzondering van intensieve veehouderij. Voor de zuidwestelijke en zuidoostelijke gedeelten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud en herstel van de natuur- en landschapswaarden, agrarische bedrijven (met uitzondering van intensieve veehouderij) en extensieve recreatie. 
 
Naast de agrarische bestemming geldt voor het noordoostelijke en westelijke gedeelte van het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', gericht op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Daarnaast geldt voor het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld en een oppervlakte van 2.500 m².
 
Tevens geldt voor het noordoostelijke en westelijke gedeelte van het plangebied een gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie', waarvoor een beperking geldt voor het bouwen van een woning of een ander geluidsgevoelig gebouw.
 
Middelblok 1-5
Aan de planlocatie aan het Middelblok 1-5 is ook de enkelbestemming 'Agrarisch' toegekend. Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf' is tevens een agrarisch aanverwant bedrijf ('Een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en groene en recreatie functies in het buitengebied zonodig met behulp van werktuigen en apparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van werktuigen of apparatuur. Kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, meststoffendistributie en agrarisch loonwerk.') toegestaan. Aan de voorzijde van erf, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' zijn twee bedrijfswoningen mogelijk.
 
Conclusie
Het beoogde voornemen past niet binnen deze bestemmingen. Het gebruiken van de locatie voor een grondverzet- en aannemersbedrijf en de omzetting van de functie van de vertreklocatie naar wonen is immers niet toegestaan (binnen een agrarische bestemming), waardoor er een wijziging van het omgevingsplan vastgesteld dient te worden.
 
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het resultaat van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komt in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
 
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
 
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
2.1 Participatie
Conform het participatiebeleid van de gemeente Krimpenerwaard dient er participatie gevoerd te worden en een participatieverslag opgesteld te worden. De participatie is vormgegeven door een persoonlijke benadering van omwonenden, waarbij het ontwerpboekje is getoond. Uit dit participatieverslag van februari 2024 (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) blijkt dat er vragen zijn gesteld over de hoogte van de gebouwen. Verder is verzocht om geen ramen te maken in het beoogde bedrijfsgebouw dat aan de zijde van Middelblok 193 komt te staan. Verder zijn er geen bedenkingen geuit of opmerkingen geplaatst. 
 
2.2 Omgevingstafel
Onder de Omgevingswet is de vergunningverlening veranderd en ook de manier waarop integraal naar vergunningaanvragen wordt gekeken. Zo wordt de gemeente bij een aanvraag voor meerdere overheden het aanspreekpunt en verantwoordelijk voor de afhandeling in de keten. Om de nieuwe wijze van vergunningverlening onder de Omgevingswet mogelijk te maken, heeft de VNG samen met gemeenten de omgevingstafel als oplossing ontwikkeld. Na een eerste bespreking van een initiatief aan de Intaketafel kan, wanneer het initiatief wenselijk is, een gesprek plaatsvinden aan de omgevingstafel. Hierbij komen de initiatiefnemer, betrokken overheidspartijen en mogelijke belanghebbenden bij elkaar. Na dit gesprek kan een initiatief dat is besproken aan de omgevingstafel worden aangepast en vervolgens in het kader van de vergunningaanvraag of de wijziging van het omgevingsplan worden ingediend.
 
Het initiatief is op 12 september 2024 besproken aan de Omgevingstafel van de gemeente Krimpenerwaard (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Bij dit gesprek zijn wensen en opmerkingen op het initiatief besproken vanuit de verschillende bestuurlijke partners, waaronder gemeente Krimpenerwaard, Omgevingsdienst Midden-Holland, provincie Zuid-Holland en Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hierbij hebben de bestuurspartners te kennen gegeven extra uitwerking of aanpassingen te willen zien betreffende de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing en de haalbaarheid van het initiatief voor wat betreft het aspect geluid.
 
2.3 Bestuurlijk overleg
In deze paragraaf of in een bijlage zullen de reacties in het kader van het bestuurlijk overleg worden samengevat en van een beantwoording worden voorzien.
 
2.4 Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf vrijdag 19 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in de Nota van beantwoording zienswijzen (gemeente Krimpenerwaard, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11) samengevat en beantwoord.
 
3 Planbeschrijving
3.1 Huidige situatie
Op de locatie aan Middelblok 191 te Gouderak bestaat ongeveer de helft van het perceel uit een tweetal open schuren, erfverharding en een mestplaat, die zijn opgericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf. De andere helft fungeert als weiland. De noordwestkant van het perceel grenst aan het Middelblok, die de ontsluiting vormt voor het (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel, de bijbehorende bedrijfswoning en een naastgelegen woning (Middelblok 189). De weg Middelblok is gelegen op de kruin van de dijk, die verbonden is met de daarachter gelegen provinciale weg N207. Verder kenmerkt de kavel zich door omringende en doorkruisende watergangen van het omringende veen(weide)landschap.
  
De (directe) omgeving kenmerkt zich door afwisselend vrijstaande woningen, agrarische gronden en bedrijventerreinen, die zich aan de overzijde van het Middelblok bevinden.
 
De navolgende afbeeldingen geven impressies van de huidige situatie weer.
 
 
Aanzicht plangebied vanaf Middelblok (bron: Google Street View) 
Impressie plangebied, zicht (vanaf zuidoosten) op huidige agrarische bebouwing en achterliggend weiland (bron: Bui-TeGewoon, 02-02-2024)
Impressie plangebied vervolg, zicht vanaf noordoosten (bron: Bui-TeGewoon, 02-02-2024)
 
3.2 Toekomstige situatie
Het voornemen is om op de locatie aan Middelblok 191 de bestaande bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats twee nieuwe bedrijfsgebouwen en een schuilstal op te richten. De twee bedrijfsgebouwen zijn voor het grondverzet- en aannemersbedrijf De Zwart Grondverzet, terwijl de schuilstal dient voor het hobbymatig houden van dieren. Ten behoeve van de herinrichting van de planlocatie is een planboek vervaardigd (Verstoep bouwadvies architectuur, zomer 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3).
 
De navolgende afbeelding toont een situatietekening van de toekomstige situatie.
 
   
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur, zomer 2024)
 
Oude bedrijfslocatie
De bestaande locatie aan Middelblok 1-5 is minder geschikt voor (uitbreiding van het) grondverzet- en aannemersbedrijf, door ruimtegebrek voor uitbreiding van het bedrijf en doordat het behouden van de bedrijfslocatie op bezwaren stuit bij eventuele nieuwbouwplannen ten oosten van de dorpskern Gouderak. Om die reden worden de bedrijfsactiviteiten aan Middelblok 1-5 te vervallen en verplaatst naar Middelblok 191. De functie van de vertreklocatie wordt gewijzigd naar wonen, waarbij de planologisch toegestane bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen.
 
Het vervolg van de voorliggende motivering richt zich hoofdzakelijk op de nieuwe bedrijfslocatie aan Middelblok 191, omdat de ruimtelijke effecten met name waarneembaar zullen zijn op deze locatie. De toetsing aan het beleidskader en de aspecten van fysieke leefomgeving is dan ook met name voor deze locatie relevant.
 
Nieuwe bedrijfslocatie
De nieuwe locatie heeft de voorkeur boven de bestaande locatie van het bedrijf, dat is gevestigd aan Middelblok 1-5. Daarentegen is er op de nieuwe locatie wel ruimte voor bedrijfsuitbreiding. Daarnaast is de nieuwe locatie meer passend bij de omgeving, die gekenmerkt wordt door een werklandschap gecombineerd met vrijstaande woningen. Tevens is de nieuwe locatie geschikt door de nabijgelegen uitvalswegen, met op korte afstand de N207.
 
Planologische situatie
De gronden ter plaatse van de planlocatie aan Middelblok 191 hebben in de bestemmingsplannen ‘Middelblok’ en 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard', die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Met deze bestemmingen zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het beoogde grondverzet- en aannemersbedrijf niet toereikend. Om de herinrichting van het terrein mogelijk te maken ten behoeve van het grondverzet- en aannemersbedrijf zal aan dit gedeelte van het plangebied de functie ‘Bedrijf’ worden toegekend. Daarmee komt de hiervoor geldende bestemming 'Agrarisch' te vervallen. Hierbij wordt het bouwvlak dusdanig ingetekend, zodat er enerzijds flexibiliteit is voor de bouwindeling van de beoogde bedrijfsgebouwen en anderzijds zekerheid is voor de omgeving. Daarnaast kunnen de overige gronden de huidige toegewezen bestemming 'Agrarisch met waarden' behouden.
 
Voor de planlocatie aan Middelblok 1-5 geldt dat hieraan deels de functie 'Wonen' en deels de functie 'Agrarisch met waarden' wordt toegekend. Hiermee is beoogd dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse beëindigd worden en de bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen.
 
Landschappelijke inpassing en stedenbouwkundige (erf)inrichting
Er is gekozen voor meerdere bebouwingsvolumes om aan te sluiten bij een erfinrichting. Na overleg met de gemeente is ervoor gekozen om de bebouwing te beperken tot twee bedrijfsgebouwen en een kleine schuilstal. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de oppervlakte aan bebouwing licht af van ca. 1.520 m² naar ca. 1.450 m². Voor het grondverzet- en aannemersbedrijf worden twee gebouwen voorgesteld. Hierbij zal het gebouw aan de oostkant dienstdoen als opslag van materieel, terwijl het westelijke gebouw bedoeld is als kantoor, werkplaats, wasplaats en opslag van grotere machines. De bedrijfsgebouwen krijgen een 'stoer', schuurachtig karakter met een sobere detaillering. De gevelopzet betreft een borstwering van metselwerk met daarboven (Zweeds rabat) planken. De toegepaste kleuren zijn in hoofdzaak donker en gedekt.
 
Door deze landschappelijke inrichting blijven de zichtlijnen vanaf de wegen op de dijk (straat Middelblok en rotonde) ten aanzien van het opstrekkende polderlandschap behouden, via de westkant van het plangebied. De beleving van de linten en het uitzicht op de polders kunnen via deze werklocatie optimaal ervaren worden. De langs de weg gelegen woningen kunnen blijvend worden gezien als 'hoofdgebouw'.
 
De erfverharding wordt passend bij het gebruik ingericht: het bedrijfsterrein wordt geheel verhard, terwijl voor de overige verharding bij de landelijke sfeer wordt aangesloten (middels grind en/of gebakken klinkers in kleur). Bovendien wordt de te realiseren bebouwing opgenomen in het groen. De bebouwing wordt omgeven door series van streekeigen aan te planten bomen en struiken, waaronder de knotwilg, (zwarte) es, meidoorn, veldesdoorn en kardinaalsmuts. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat het zicht langs de as van de sloot niet wordt belemmerd. Verder worden er natuurlijke oevers toegepast, ter begeleiding van de waterstructuur en voor een goede overgang van de erfinrichting naar deze doorkruisende weteringen.  
 
Voorts wordt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren aan de zuidzijde een bescheiden schuilstal toegevoegd in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied. Rondom deze schuilstal zal een pluktuin/inspiratietuin worden ingericht, waarbij wordt aangesloten bij de karakteristieke landschappelijke elementen van de achterliggende polder. Ter plaatse van de pluktuin zal gekozen worden voor lage beplanting, zodat er geen zichtlijnen worden belemmerd naar de polder. Ruimtelijk gezien vormt dit gedeelte een ondergeschikte rol ten opzichte van het grondverzet- en aannemersbedrijf.
 
Parkeersituatie
In het middengedeelte van het plangebied wordt ruimte voor parkeren gereserveerd, dit wordt gesitueerd tussen de nieuwe bebouwing en de naastgelegen woning aan Middelblok 189. Door deze opzet is sprake van parkeren uit het zicht (vanaf de dijk). Er zullen in totaal 20 parkeerplekken worden ingericht. Deze parkeerzone wordt gevuld met groen en voorzien van een halfverharde ondergrond. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat de afscherming van deze parkeervakken niet een hoge barrière wordt. In paragraaf 5.1 wordt nader ingegaan op de verkeer- en parkeersituatie.
 
4 Beleidskaders
4.1 Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. 
 
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen, door het verplaatsen van het bedrijf en het vestigen op een andere locatie, waardoor er ruimte voor woningbouw vrijkomt.
 
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 
Planspecifiek
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m². Voor ontwikkelingen van een terrein ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een extra ruimtebeslag van 500 m². In onderhavig geval betreft het de ontwikkeling een oppervlakte van ca. 1.500 m² aan bebouwing. Gelet op de huidige aanwezige bebouwing blijft de oppervlakte echter gelijk, waarmee er geen sprake is van extra ruimtebeslag. Desondanks worden in het kader van een evenwichtig toedeling van functies de behoefte de ligging buiten het bestaand stedelijk gebied hierna nader beschouwd.
 
Behoefte
De huidige locatie van het bedrijf aan Middelblok 1-5 is te klein om de groei van het bedrijf te kunnen accommoderen en daardoor is uitbreiding van bebouwing en bedrijfsterrein noodzakelijk. Onder andere mist het bedrijf een werkplaats, overdekte wasplaats en voldoende ruimte voor stalling. Op de beoogde locatie is meer ruimte aanwezig voor uitbreiding van het bedrijf. Daarbij is de nieuwe locatie gunstiger gelegen aan het Middelblok, omdat hiermee het gedeelte van de weg/route van het Middelblok tussen Gouderak en Gouda wordt ontlast van tractoren, vrachtverkeer en ander zwaar materieel.  
 
Bestaand stedelijk gebied
De planlocatie aan Middelblok 191 ligt aan de rand van het bestaand stedelijk gebied, met aan de overzijde van het Middelblok de bedrijventerreinen aan de Hollandsche IJssel. Een verplaatsing van het bedrijf aan Middelblok 1-5 naar de nieuwe locatie aan Middelblok 191 is gunstig voor de mogelijke uitbreiding van de dorpskern Gouderak, waarbij de percelen van en rondom huidige bedrijfslocatie een potentiële woningbouwlocatie zijn. Daarmee zou een uitbreiding van het bedrijf op de huidige locatie conflicten geven voor de uitbreiding van de kern Gouderak.
    
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
4.2 Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 18 februari 2025. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon. 
  1. Samen werken aan Zuid-Holland
  2. Bereikbaar Zuid‐Holland
  3. Schone energie voor iedereen
  4. Een concurrerend Zuid‐Holland
  5. Versterken natuur in Zuid‐Holland
  6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland
  7. Gezond en veilig Zuid‐Holland
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’).
 
Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit
Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vindt.
 
De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.
 
De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond, gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving.
 
Passende ruimtelijke ontwikkeling
Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is.
 
De provincie maakt onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.
 
Planspecifiek
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven.
 
Laag van de ondergrond
Op de kaart 'Laag van de ondergrond' van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland is het gehele plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei' en het noordelijke deel van het plangebied als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. Ook dienen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand te worden gehouden. Binnen het plangebied is er sprake van een hoogteverschil, vanwege de aanwezigheid van de dijk. Er worden echter geen ingrepen gedaan die afbreuk doen aan dit hoogteverschil.
 
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Het plangebied bevindt zich in een 'veen(weide)landschap' en gedeeltelijk (aan de noordelijke zijde) in 'linten'. Wat betreft de structuur in de veengebieden, wordt deze structuur sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn: 
  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
  • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Daarnaast zijn linten lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden: dijklint, polderlint en boerenervenlint. Het uitgangspunt is dat de linten behouden blijven als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Aansluiten bij de huidige korrel betekent, dat bij een lint met grootschalige bebouwing, grote loodsen of schuren inpasbaar zijn, maar bij een lint met kleinschalige bebouwing niet.
 
De nieuwe bebouwing wordt ingepast binnen de bestaande structuren langs de dijk/in het lint, waar meer bedrijvigheid en woningen zijn gevestigd, en niet direct in de veenweidepolders. De bebouwing van onderhavig plan voegt zich binnen het verkavelingspatroon dat bepaald wordt door sloten en weteringen. Hierdoor blijft de gebiedsidentiteit van het polderlandschap behouden en wordt het veen(weide)landschap met de beoogde ontwikkeling niet aangetast.
 
Voor wat betreft het behoud van de linten is gekozen voor meerdere bebouwingsvolumes en landschappelijke invulling van het perceel, om hiermee aan te sluiten bij een erfinrichting. Het nieuwe bedrijfsgebouw aan de oostelijke zijde wordt geplaatst op de bestaande fundatie van te slopen schuur. Het nieuwe bedrijfsgebouw dat in het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied komt wordt groter van omvang. De gebouwen worden min of meer tegenover elkaar gesitueerd en in het verlengde achter de bestaande woningen. Daarmee blijft de nieuwe bebouwing inclusief nieuwe erfinrichting in hiërarchie ondergeschikt aan de bestaande woningen van Middelblok 189 en 191, waarmee het lint een onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied blijft. 
 
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
 
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart:
 
- Veenweide met riviereninvloed
De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Het hoogteverschil is geleidelijk en er is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Wel is door de directe invloed vanuit de rivier hier meer klei in de bodem aanwezig en liggen de gronden hierdoor iets hoger. Ambities zijn dat het contrast van verdichte dijklinten op oeverwal en open veenweidegebied beleefbaar worden gehouden en dat doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk zoveel mogelijk behouden blijven. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bedrijfslocatie herontwikkeld en daarbij de erfinrichting heringericht. Er wordt aangesloten op de bebouwingsstructuur langs het lint en de erfinrichting krijgt een ruime, landelijke opzet. Daarmee wordt het open veenweidegebied leefbaar gehouden en blijven de doorzichten vanaf de wegen op de dijk over de opstrekkende verkaveling behouden.
  
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
 
4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
Op 1 juli 2025 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat het planvoornemen een ruimtelijke ontwikkeling is die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Er wordt immers (oude) bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen voor nieuwe bedrijfsbebouwing, waarbij het principe van een (agrarisch) erf blijft bestaan. Daarbij zijn geen wijzigingen op structuurniveau voorzien. De ontwikkeling voegt zich binnen het huidige verkavelingspatroon. Tevens zijn in de nabije omgeving meerdere bedrijfsfuncties gevestigd, te weten niet-agrarische bedrijfsfuncties aan de overzijde van het Middelblok en een mix van functies aan zuid(oost)zijde van het Middelblok. Het betreffende niet-agrarische bedrijf, dat wel nadrukkelijk verbonden is met het landelijk gebied, past bij de aard en schaal van het gebied. Bovendien blijkt uit subparagraaf 4.2.1 dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan.
 
Beschermingscategorie
Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 7.43h van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering van een ruimtelijke ontwikkeling moeten kwaliteiten betrokken worden die gaan over:
  1. de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap;
  2. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
  3. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap
  4. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
In subparagraaf 4.2.1 is ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de landschapselementen. Hieruit is reeds gebleken dat het landschap met de beoogde ontwikkeling niet onevenredig wordt aangetast. Zowel de openheid als het groene karakter van het landschap verslechteren niet significant ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling beperkt zich tot het erf van het voormalige agrarische bedrijf en gronden achter de woning aan Middelblok 189. De openheid en groene karakter van het veenweidelandschap zoals dat vanaf de dijk (Middelblok) ervaren wordt daarmee zoveel mogelijk behouden.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 7.45 lid 1 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. Voor het voorgenomen plan is in subparagraaf 4.1.2 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening.
 
Risico's van klimaatverandering
In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
  1. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  2. overstroming;
  3. hitte;
  4. droogte;
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
 
- Wateroverlast
Uit de Atlas leefomgeving blijkt dat het plangebied grotendeels niet gevoelig is voor extreme neerslag. Omdat de terreinverharding met onderhavig initiatief wel wordt verruimd, zullen er klimaatbestendige terreininrichtingen worden uitgevoerd om extreme neerslag te kunnen verwerken. 
 
- Overstroming
Volgens de overstromingskaart van de klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat ter plaatse van het plangebied een hoger overstromingsbeeld kan ontstaan, door de naastgelegen primaire waterkering/dijk. Echter is de overstromingskans in het gebied klein. Ook wordt er op voldoende afstand van de dijk af gebouwd, wat ruimte biedt voor toekomstige dijkverzwaring. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht.
 
- Hitte
Ter plaatse van het plangebied is het volgens de klimaatatlas op dit moment warmer dan gemiddeld. De hittestress zal toenemen wanneer het terrein wordt heringericht. Gelet op de groene aard van de omgeving, incluis het omliggende agrarische landschap, levert dit geen problemen op voor de planlocatie.
 
- Droogte
In het plangebied lijkt op basis van de klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. De grondwaterstand heeft met een peil van ca. 1,5 m-mv een normale stand in het landelijk gebied. Wel zullen er maatregelen worden getroffen om de verhardingstoename te compenseren en wordt het plangebied klimaatbestendig ingericht om voldoende water in de grond vast te kunnen houden. Dit wordt nader behandeld in paragraaf 5.7. Daarnaast is er voldoende oppervlaktewater aanwezig rondom het plangebied.
 
- Bodemdaling
Uit de kaartlaag van de ondergrond van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland is gebleken, zoals eerder behandeld in toelichting paragraaf 4.2.1, dat de ondergrond van de planlocatie is opgebouwd uit rivierklei vermengd met veenondergrond. Profielen met veenondergrond zijn in meer of mindere mate gevoelig voor bodemdaling. Tijdens de ontwikkeling dient er met zorg omgegaan te worden voor het behoud van het veen en de diepe veenpakketten. Daarnaast vormen de oeverwallen (dijken), waar de planlocatie aan gelegen is, plaatselijk hogere en drogere delen binnen het veengebied. Onderhavige ontwikkeling doet geen ingrepen in de bodem die negatieve effecten hebben op het verschil tussen de komgronden en oeverwallen.
 
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het meest nabij gelegen NNN-gebied betreft de polder Middelblok wat deel uitmaakt van het grote NNN-gebied Krimpenerwaard. Het is direct grenzend aan de zuidelijke gronden van de projectlocatie. In artikel 7.61 is opgenomen dat een omgevingsplan voor het Natuurnetwerk Nederland daarbinnen geen activiteiten toe mag laten die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperken, of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Hierbij hoeft geen rekening gehouden te worden met ontwikkelingen buiten het Natuurnetwerk Nederland (geen externe werking). Desondanks heeft het beoogde plan geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Waar het plangebied in het zuiden grenst aan het NNN wordt alleen een pluktuin/inspiratietuin aangelegd met een kleine schuilstal voor het hobbymatig houden van dieren. Verder wordt het terrein landschappelijk ingepast door middel van streekeigen aanplant. Er worden dan ook geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.2.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
 
4.3 Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard
In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd.
 
Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
  • Waarden van heel de Krimpenerwaard;
  • Waarden per gebied;
  • Waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'.
 
In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels.
 
Krachtig buitengebied
Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.
 
Planspecifiek
De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'dynamiek langs de rivieren'. Bij deze gebieden wordt onder meer ingezet op ruimte voor vitale toekomstbestendige bedrijvigheid. Onderhavig initiatief biedt een kans om een bestaand bedrijf dat groeit te verplaatsen naar een locatie waar, ten opzichte van de huidige bebouwing en het bedrijfsterrein aan Middelblok 1-5, meer ruimte is voor uitbreiding. Tevens past de beoogde opzet in schaal bij het gebied. Andere kansen voor het gebied zijn het vergroten van de verkeersveiligheid en waterveiligheid als basisvoorwaarde. Het streven van de gemeente is al jaren om de verkeersdruk met vrachtverkeer en tractoren op het Middelblok richting de kern Gouderak te verminderen. De verplaatsing van dit bedrijf richting een directe ontsluiting naar de provinciale wegen draagt bij aan dit voornemen. Voorts wordt er, door het initiatief op voldoende afstand van de dijk te realiseren, voldoende ruimte geboden voor eventuele toekomstige dijkversterking.
 
Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie.
 
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1 Verkeer en parkeren
 
5.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Met onderhavige ontwikkeling worden gebouwen ten behoeve van een grondverzet- en aannemersbedrijf gerealiseerd. Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling aan te tonen, is CROW-publicatie 744 geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in de 'buitengebied' in een ‘niet stedelijk’-gebied. Daarbij is uitgegaan van de kencijfers voor een 'bedrijf (arbeidsextensief/ bezoekers extensief).
 
Type functie
Aantal m² bvo
CROW-kencijfer (gemiddeld) per 100 m² bvo
Verkeersgeneratie
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)
1.450
4,8
69,6
Totaal
 
 
69,6
    
Met de beoogde ontwikkeling (ca. 1.450 m² bvo) bedraagt de verkeersgeneratie ca. 69,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit vormt naar verwachting geen noemenswaardige verandering in het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van een agrarisch bedrijf, dat thans toegestaan. De huidige (agrarische) bebouwing is met ca. 1.520 m² namelijk in omvang net iets groter dan de toekomstige situatie en daarbij geldt dezelfde type functie conform de CROW-publicatie. De verkeersbewegingen die te verwachten zijn met de beoogde ontwikkeling zullen derhalve niet leiden tot verkeersproblemen en kunnen worden opgevangen met de bestaande verkeersstructuur, zoals de nabijgelegen provinciale weg N207.
 
Bovendien wordt, met de verplaatsing van het bedrijf van Middelblok 1-5 naar de beoogde locatie aan Middelblok 191 in algemene zin gezorgd voor een veiligere verkeerssituatie op het Middelblok richting de kern Gouderak (zie ook subparagraaf 4.3.1). Met de bedrijfsbeëindiging aan Middelblok 1-5 resteert op die locatie uitsluitend de verkeersgeneratie van de bedrijfswoning die naar burgerwoning wordt omgezet (ca. 8 voertuigbewegingen per etmaal).
 
De inrit nabij de aansluiting op het Middelblok wordt niet voorzien van een plateau, waarover is gesproken met de gemeente en wat in overweging is genomen. De inrit is namelijk reeds intensief gebruikt ten behoeve van het agrarische bedrijf en hierbij is gebleken dat de huidige situatie aanvaardbaar is. Tevens zorgt het creëren van een plateau ervoor dat de helling van de inrit steiler wordt. Voor de ontsluiting van de woning aan Middelblok 189 zou dit tot belemmeringen leiden.
   
Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
    
Planspecifiek
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien.
 
Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'. Navolgende tabel geeft een overzicht van het aantal benodigde parkeerplaatsen gelet op de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191.
 
Type functie
Aantal m² bvo
CROW-parkeerkencijfer (gemiddeld) per 100 m² bvo
Parkeerbehoefte
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf)
1.450
1,1
16,0
Totaal
  
16,0
    
Uit de gegevens van de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling minimaal 16 parkeerplekken nodig zijn in het plangebied. Met het beoogde plan worden in totaal 20 parkeerplekken aangelegd en daarmee wordt (op eigen terrein) ruim voldaan aan de parkeerbehoefte. Deze parkeerplekken worden uit het zicht vanaf de dijk in het middengedeelte van het plangebied gesitueerd, en worden opgelijnd tussen de bestaande woningen en de beoogde bebouwing. Omdat er door de beoogde ontwikkeling wat verharding wordt toegevoegd, worden er maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen van wateroverlast te voorkomen. Voor de parkeerplekken houdt dit in dat deze op een natuurlijke en klimaatadaptieve wijze worden ingericht en daarbij worden voorzien van halfverharding, bijvoorbeeld middels grastegels.
 
Op de locatie Middelblok 1-5 is voldoende ruimte op eigen terrein voor de parkeerbehoefte van de bedrijfswoning die naar burgerwoning wordt omgezet (2-3 parkeerplaatsen per woning).
 
Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
5.2 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
 
Planspecifiek
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191 is een quickscan natuur uitgevoerd (Bui-TeGewoon, d.d. 2 februari 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Voor Middelblok 1-5 geldt dat hier geen (fysieke) wijzigingen zijn voorzien die van invloed kunnen zijn op beschermde natuurgebied, beschermde soorten of houtopstanden.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op ca. 4,5 km afstand ten noordoosten van het plangebied. Hier bevinden zich geen stikstofgevoelige waarden. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel is ten zuidoosten van de projectlocatie een NNN-gebied gelegen, te weten polder Middelblok. Het aangrenzende deel van polder Middelblok is aangewezen voor de natuurtypen 'Kruiden- en faunarijk grasland'. Het natuurbeheertype 'Vochtig weidevogelgrasland (N13.01)' ligt op ca. 400 m afstand ten zuiden van de projectlocatie. De activiteiten op de heringerichte projectlocatie krijgen een groene invulling die aansluit bij erfbeplantingen en inrichting in het aangrenzende bebouwingslint. De afstand tot en aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN-gebieden.
  
Stikstofdepositie
Vanwege een toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is er een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving (Verstoep bouwadvies architectuur, d.d. 20 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5).
 
Soortenbescherming
Er heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Eerst zijn middels het bureauonderzoek een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht, welke de basis vormden voor het latere locatiebezoek. Hierop zijn tijdens het veldbezoek mogelijk aanwezige vaatplanten, landzoogdieren, vleermuizen, broedvogels en jaarrond beschermde nesten, amfibieën en ringslangen onderzocht. Voor deze beschermde soorten, waaronder vaatplanten, vleermuizen, amfibieën en reptielen, zijn geen geschikte habitats aanwezig bevonden binnen het plangebied. De bevindingen leiden met betrekking tot soortenbescherming niet tot de noodzaak voor het aanvragen van ontheffingen of een specialistisch vervolgonderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan.
Wat betreft de mitigerende maatregelen is het voor de ringslang van belang om de opgeslagen steenmaterialen en het snoeihout buiten het overwinteringsseizoen (1 oktober - 15 maart) te verwijderen. Voor broedvogels houdt dit in dat het slopen van de opstallen buiten het broedseizoen (1 maart - 1 augustus) of na vrijgave vanuit een vogelcheck door een ecoloog mag plaatsvinden. Aansluitend wordt geadviseerd, met het oog op broedvogels, amfibieën en reptielen, om geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen te creëren.
Verder geldt te allen tijde en voor alle soorten een algemene zorgplicht.
        
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
 
5.3 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
 
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van bedrijfsbebouwing ten behoeve van een grondverzet- en aannemersbedrijf alsmede een schuilstal voor het hobbymatig houden van dieren. Dit komt neer op twee grotere gebouwen en een kleine schuilstal. Door de aard en omvang is de beoogde ontwikkeling niet aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit volgt uit de NIBM-tool die is ingevuld voor Middelblok 191. De navolgende afbeelding toont de resultaten hiervan. Ook voor Middelblok 1-5, waar het bedrijf beëindigd wordt en de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, geldt dat dit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
 
   
Resultaten berekeningen NIBM-tool (bron: Buro SRO) 
  
Daarnaast is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2023 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij Middelblok 191 (receptor 62251686_15827452) bedragen respectievelijk maximaal 15,1 μg/m³ (PM10), 8,0 μg/m³ (PM2,5) en 12,7 μg/m³ (NO2). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
 
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.4 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
 
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.  
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. De kenmerken van het project.
  2. De plaats van het project.
  3. De kenmerken van de potentiële effecten.  
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de vervanging van bedrijfsbebouwing aan Middelblok 191 ten behoeve van een nieuwe bedrijfsfunctie. De bedrijfsfunctie aan Middelblok 1-5 komt hierbij te vervallen. Daarmee is onderhavig plan aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van de Omgevingswet beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten.
 
Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
  1. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
  2. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. 
 
Kenmerken van het project
Onderhavige ontwikkeling betreft het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing ten behoeve van nieuwe bedrijfsbebouwing. De ontwikkeling heeft een totale bvo-oppervlakte van ca. 1.600 m².
 
Wat betreft de aanlegfase wordt, voor het bouwrijp maken van de gronden, een deel van de bestaande funderingen hergebruikt. Voor het aanleggen van nieuwe funderingen wordt bij de graafwerkzaamheden mogelijk zand uit de bodem onttrokken. Verder worden voor de bouw de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt zoals bouwmateriaal (hout, beton, metaal). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Verder komt bij de sloop van de bestaande bebouwing sloopafval vrij. Dit afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Wel komen er tijdens de sloopfase (sloopafval) en aanlegfase (bouwafval) afvalstoffen vrij. Dit afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Hinder wordt voorkomen door de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk gedurende reguliere werktijden plaats te laten vinden. In de omgeving van het projectgebied zijn hoofdzakelijk woningen aanwezig en er bevinden zich geen functies die extra gevoelig zijn voor geluid of trillingen.
 
Plaats van het project
Het plangebied van het onderhavige plan betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied van Gouderak. Er zijn in de bestaande situatie drie schuren aanwezig.
 
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of een beschermd natuurgebied. Bovendien zijn er in het plangebied geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Verder bevindt het zich niet in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid of een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. Wel zijn potentiële externe effecten op omliggende Natura 2000-gebieden relevant. Dit komt verderop in deze paragraaf aan bod.
 
Kenmerken van de potentiële effecten
De verwachting is dat het project geen negatieve effecten veroorzaakt voor de bodem- en waterkwaliteit, mede doordat er geen uitlogende materialen worden toegepast en hemelwaterafvoer niet op het rioolstelsel wordt aangesloten. Er vinden geen ingrepen in beschermingszones van watergangen en -keringen plaats.
 
De realisatie van de bedrijfsbebouwing leidt niet tot een permanente verslechtering van het geluidniveau en de luchtkwaliteit. Wel kunnen deze aspecten tijdens de aanlegfase verslechteren. Omdat het hierbij gaat om een beperkte verslechtering die tijdelijk van aard is, worden deze effecten niet als ernstig beoordeeld.
 
Omdat het plangebied zich niet in een beschermd natuurgebied bevindt wordt er geen afbreuk gedaan aan beschermde natuurgebieden. Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna blijkt dat er geen beschermde flora en fauna worden geschaad. Ook van externe effecten op Natura 2000-gebieden is geen sprake, zoals blijkt uit een AERIUS-berekening.
 
Er is in de toekomstige situatie slechts sprake van een beperkte toename van verkeersgeneratie. De infrastructuur rondom het plangebied kan de nieuwe verkeerssituatie echter gemakkelijk verwerken. 
 
Conclusie
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. gemaakt hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het omgevingsplan.
 
Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r. niet opgesteld hoeft te worden.
 
5.5 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.  
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. In het verleden is op het terrein een veehouderij gevestigd. Gelet op de beoogde ontwikkeling dient, voor de bouwactiviteit ten behoeve van een bodemgevoelig gebouw en voor het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie ten behoeve van een bedrijfsfunctie, bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn, mede door de aangetroffen olieverontreiniging op de locatie, meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd.
 
Er is in het recente verleden tweemaal (voor)onderzoek uitgevoerd. Deze zijn in beide gevallen beoordeeld door de Omgevingsdienst Midden-Holland. Daarbij constateerde de omgevingsdienst dat ter plaatse verontreinigde olie, metalen en asbest zijn aangetroffen. Derhalve heeft er gedurende de periode december 2021 en januari 2022 aanvullend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek plaatsgevonden (Linge milieu, d.d. 31 januari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Doel van het aanvullend onderzoek is het aanvullen van het eerdere onderzoek en het verifiëren van eerder vastgestelde verontreiniging. Geconcludeerd is dat de algemene kwaliteit van de grond en het grondwater van de locatie geen belemmering zijn voor de ontwikkeling van het terrein, met uitzondering van de locatie van een voormalige tank in de westelijke stal. Derhalve heeft een sanering plaatsgevonden voor de aangetroffen minerale olieverontreiniging, waarvoor een evaluatieverslag is opgesteld (Bottomline Projectbegeleiding, d.d. 15 november 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Uitvoering van de bemonstering heeft plaatsgevonden conform het protocol 6001. Op basis van de resultaten is, na overleg met bevoegd gezag, de aangetroffen verontreiniging in voldoende mate verwijderd.
 
Voor de locatie Middelblok 1-5 geldt dat hier ten opzichte van de huidige, feitelijke situatie geen wijzigingen zijn voorzien met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen of locatie. De gronden die al behoren bij de bestaande woning worden in de toekomstige situatie ook voor wonen en tuin gebruikt.
 
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken geen belemmeringen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. 
 
5.6 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
 
Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
  
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen de geluidaandachtsgebieden van het geluidgezoneerde industrieterrein Middelblok, de provinciale weg N207 en het Middelblok. Er zijn echter geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen voorzien. Voor de bedrijfswoning aan Middelblok 191 en de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan Middelblok 105 geldt dat dit een bestaande situatie is. Het plangebied is verder niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied voor railverkeer. Daarmee bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor wegverkeer, railverkeer of geluidgezoneerde industrieterreinen.
 
In paragraaf 5.8 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot activiteiten en milieuzonering.
 
5.7 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
 
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
 
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
  • het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen;
  • het zuiveren van afvalwater.
Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:
  • een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;
  • een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027;
  • water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.
Keur en Beleidsregels
Net als eerder tijdens de Waterwet het geval was, is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard op grond van de Omgevingswet als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
  • onttrekken en lozen van grondwater;
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
        
Planspecifiek
Watercompensatie
Bij een toename van verhard oppervlak is watercompensatie noodzakelijk. In de huidige situatie is een deel van de planlocatie aan Middelblok 191 verhard. Met de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191 is sprake van een toename aan verharding. Aan Middelblok 1-5 zijn geen wijzigingen ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie voorzien. Zoals volgt uit de bijlage (Verstoep bouwadvies architectuur, d.d. 8 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8) is de verhardingstoename ca. 1.145 m². Bij een compensatie-eis van 5%, dient 60 m² extra wateroppervlak aangelegd te worden. Dit oppervlak wordt aangelegd door de watergang aan de zuidzijde van het bedrijfsterrein te verbreden. Zowel de huidige als toe te voegen wateroppervlakken worden als werkingsgebieden opgenomen in de regels en visueel weergegeven op de verbeelding.
 
Waterafvoer
Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar (vertraagd) afgevoerd naar de omliggende watergangen. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Daarnaast wordt er ter plaatse van de voorgenomen was- en spuitplaats een obs geïnstalleerd die het waswater indirect (gezuiverd) loost op het open water.
 
Waterkeringen
De noordwestelijke gronden in het plangebied zijn in bestemmingsplan 'Middelblok' voorzien van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Op deze gronden zijn bij recht geen gebouwen toegestaan. Echter, op grond van de actuele legger van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, bevindt vrijwel het gehele plangebied zich niet binnen de beschermingszone van een waterkering, met uitzondering van het uiterste noordwestelijke gedeelte van het plangebied. In dit deel van het plangebied zijn geen ingrepen voorzien. Bovendien wordt, ter bescherming van de waterkering, aan deze gronden de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.
      
5.8 Activiteiten en milieuzonering
Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project.
 
In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart.
 
Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.
 
In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:
  • industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;
  • woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;
  • gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.  
Planspecifiek
Het planvoornemen voorziet in het vestigen van een grondverzet- en aannemersbedrijf met twee bedrijfsgebouwen. Hiermee zal er in de toekomstige (gebruiks)fase sprake zijn van industrielawaai. Direct grenzend aan de planlocatie bevindt zich één woning (Middelblok 189) en in noordoostelijke richting bevinden zich op korte afstand drie woningen (Middelblok 193, 196 en 197). Een woonfunctie wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Er kan niet worden voldaan aan de richtafstanden van de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG voor het aspect geluid. Voor aannemersbedrijven met een werkplaats groter dan 1.000 m² geldt immers een richtafstand van 30 m voor geluid in gemengd gebied. Het toekomstige bedrijf komt op kortere afstand dan 30 m van de omliggende woningen. Hierdoor moet met een onderzoek nader bepaald worden of de toekomstige ontwikkeling het goede woon- en leefklimaat van deze woningen niet belemmert. Derhalve is akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Sain milieuadvies, d.d. 30 september 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9).
 
Sain milieuadvies concludeert in het akoestisch onderzoek dat in de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode wordt voldaan aan de normstelling vanuit de VNG-handreiking en het geldende omgevingsplan. Echter geldt dat bij incidentele bedrijfsactiviteiten, te weten het laden en lossen van vrachtwagens en/of tractoren, de normstelling vanuit de VNG-handreiking wel wordt overschreden. Dit komt door piekgeluiden die optreden bij het op- of afladen van een rupskraan of dieplader. Daarnaast geldt dat in de avond de normstelling vanuit het geldende omgevingsplan wordt overschreden op omliggende woningen (Middelblok 189 en 193). Dit komt door het terug komen rijden van tractoren, wat regelmatig plaatsvindt. Verder geldt voor de nachtperiode een overschrijding van de normstelling uit het omgevingsplan, door het wegrijden van tractoren en vrachtwagens.
 
Er zijn mogelijkheden om met een maatwerkvoorschrift een hogere normstelling vast te stellen. Dat kan als voldaan wordt aan de instructieregels uit het Bkl en daarbij middels een goede onderbouwing ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele (piek)activiteiten. Aan de normen ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan en voor de avond- en nachtperiode geldt dat de overschrijding amper waarneembaar is (avond) of slechts zelden plaatsvindt (nacht). Hierdoor is (voornamelijk) gekeken naar de mogelijkheden om de geluidoverlast ten aanzien van incidentele piekmomenten te verminderen. Ten eerste zijn, door de ligging van de oprit ten opzichte van de woningen en de beoordelingshoogte van 5 meter, afschermende voorzieningen redelijkerwijs niet mogelijk. De voertuigen rijden na het verlaten van het bedrijfsterrein immers dicht langs de naastgelegen woning, waardoor een scherm geen invloed zal hebben op de beleving van de bewoners. Ten tweede geldt dat alle machines ten behoeve van het bedrijf op de locatie zelf staan, waarmee een goed inzicht in het zware materiaal kan worden gegeven. Dit zware materiaal wordt in de vroege ochtend niet gebruikt. Daarnaast zal, gezien de aard en frequentie van de activiteit, het vertrek van tractoren en vrachtwagens in de vroege ochtend geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat ter plaatse. Hierdoor is er sprake van een aanvaardbare situatie.
 
Verder dient te worden benoemd dat er een bedrijfswoning (nr. 191) aanwezig is op het terrein, waarvoor niets verandert voor het aspect milieuzonering. Dit is en blijft een bedrijfswoning behorend bij het bedrijf op de planlocatie.
 
Voor Middelblok 1-5 geldt dat de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarmee ontstaat geen nieuwe situatie in relatie tot bedrijven en andere milieubelastende activiteiten in de omgeving.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande vormen de milieubelastende activiteiten van de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. De berekende overschrijdingen van het omgevingsplan kunnen met een maatwerkvoorschrift toegestaan worden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
5.9 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
 
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
 
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
 
Seveso-inrichtingen
De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Seveso-inrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.
 
In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
  • 30 meter voor een brandaandachtsgebied
  • 200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
 
   
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving).
 
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten, transportroutes of gasleidingen aanwezig zijn. In de verdere omgeving zijn wel risicobronnen aanwezig. Navolgend wordt hier verder op ingegaan.
 
Buisleidingen
Op circa 260 m van het plangebied in zuidwestelijke richting is de meest nabijgelegen buisleiding gelegen, die met deze afstand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
Risicovolle activiteiten
Daarnaast is op circa 260 m in oostelijke richting de meest nabijgelegen risicovolle activiteit gelegen. Dit betreft twee propaantanks. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de veiligheidszones van deze activiteit Gezien de afstand vormt dit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Transportroutes gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N207. De weg is niet opgenomen in het Basisnet en heeft geen risicocontour. Echter worden over de N207 wel gevaarlijke stoffen vervoerd. Daardoor dient alsnog, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en om te zorgen voor een goed en veilig woon- en leefklimaat, het groepsrisico gewaarborgd te worden. Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. Hierbij worden de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd vanuit een gifwolkscenario en explosiescenario. Bij een ongeval met een vrachtwagen met gevaarlijke stoffen is het namelijk mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel meer dan 1,5 km. Ook is het mogelijk dat er een explosie ontstaat die tot in het plangebied reikt. Derhalve dient de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van toekomstige bewoners te worden onderbouwd. 
 
- Bestrijdbaarheid
Het plangebied is vanuit de noordzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Nadere uitwerking voor bluswaterwinning wordt tussen brandweer en gemeente afgestemd. De opkomsttijd van de brandweer is voldoende en heeft geen bijzonderheden. Daarnaast is er in en rondom het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig.
 
- Zelfredzaamheid
Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is medebepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.
 
Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de bedrijfspanden of naastgelegen woningen te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk de gebouwen niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Ook is het sluiten van ramen en deuren van belang. Naast het schuilen is vluchten dwars op de windrichting een belangrijk handelingsperspectief bij een toxische wolk.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.10 Trillingen
Trillingen zijn een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Van belang is het beperken van overlast door trillingen. Dit aspect is geregeld in paragraaf 22.3.5 van Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard (op basis van de Bruidsschat). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in artikel 22.88 van Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard en artikel 5.87a van het Bkl.
 
Planspecifiek
Het planvoornemen heeft betrekking op het vestigen van een grondverzet- en aannemersbedrijf. In onderhavig geval wordt niet voorzien in nieuwe trillinggevoelige gebouwen zoals (bedrijfs)woningen, echter zijn er (vrijwel) direct naast de planlocatie wel woningen aanwezig. Hierdoor is mogelijk sprake van trillinghinder veroorzakende activiteiten, zoals bij het slopen van de huidige bedrijfsbebouwing en het bouwen van de nieuwe bedrijfsbebouwing. Om de trillinghinder zoveel mogelijk te beperken wordt voorgesteld om de aaneenvolgende werktijden met trillende machines te beperken en deze tijden af te stemmen met de bewoners van omliggende woningen. Dit plan kan verder worden uitgewerkt bij het indienen van aanvraag voor de activiteit bouwen. De trillinghinder veroorzakende activiteiten beperken zich tot de tijdelijke sloop- en bouwfase. Het betreffende bedrijf gebruikt geen installaties die trillinghinder veroorzaken.
 
5.11 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn onder de Wro veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. 
 
Planspecifiek
Archeologie
Het grootste deel van het plangebied is in het bestemmingsplan 'Middelblok' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bureau voor Archeologie, d.d. 8 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Hieruit volgt dat de bodemopbouw oorspronkelijk bestaat uit een klei-op-veen profiel waarvan de bovenste 15 cm humeus is (liedeerdgronden). In de ondergrond (7 tot 9 m -mv) liggen beddingafzettingen van de Gouderak en Zuidplas beddinggordel.
 
In het Mesolithicum kan menselijke activiteit hebben plaatsgevonden op de oevers van de Gouderak en Zuidplas beddinggordels. Vanaf het begin van het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen ligt het plangebied in een veenmoeras en komgebied. Hierdoor is het plangebied in deze periode ongeschikt voor bewoning. In de loop van de 11e eeuw wordt de Krimpenerwaard ontgonnen. Het plangebied ligt op ongeveer 50 m afstand van de rivierdijk. In de 17e eeuw ligt mogelijk in het noordwesten van het plangebied de Bakwetering. Begin 19e eeuw wordt één strook in het noordoosten gebruikt als bouwland en op ander perceel bevindt zich een lijnbaan met bijbehorende bebouwing. De rest is in deze periode weiland. Ter hoogte van de huidige bebouwing zijn vanaf het einde van de 19e eeuw meermaals schuren gebouwd en gesloopt. In de 20e eeuw zijn meerdere sloten gedempt.
 
Uit milieukundige boringen blijkt dat in het hele plangebied een puinpakket aanwezig is van ongeveer 50 cm en dikker. Lokaal is het puinpakket dikker dan 300 cm. Veelal ligt direct onder het puinpakket veen. Daar waar het puinpakket 50 cm of minder dik is, adviseert Bureau voor Archeologie om een verkennend en karterend booronderzoek uit te voeren, indien graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm -mv zijn voorzien. Dit is om nader te bepalen wat de aard en intactheid van het bodemprofiel is en om te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn. Bureau voor Archeologie adviseert om de rest van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat bij realisatie van de bedrijfsgebouwen en uitbreiding van de verharding niet door de bestaande puinlaag heen wordt gegraven. Bij de geplande schuilstal is geen nader onderzoek nodig, omdat de kans klein wordt geacht dat hier behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, gezien de afstand tot de ontginningsas en beddinggordel.
 
Aan Middelblok 1-5 zijn geen bodemingrepen voorzien. Derhalve is voor deze locatie geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.
 
De gronden zijn, in overeenstemming met de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard, voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 6’. 
    
Cultuurhistorie
Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij van het plangebied aanwezig. Het plangebied is volgens het beleidsdocument Gebiedsprofiel Krimpenerwaard gelegen aan een cultuurhistorische rivierdijk (de Hollandsche IJssel). Voor gebieden rondom de dijk gelegen geldt dat door opeenvolgende, deels zeer recente, dijkversterkingen de grenzende bebouwing steeds meer met elkaar vervlochten is geraakt. Eerder is gebleken dat het plangebied is gelegen aan een dijklint en dat, gelet op landschappelijke inpassing, de beoogde bebouwing achter op het erf wordt ingepast, zodat de onderscheidende bebouwingslint en de zichtlijnen vanaf de dijk naar het achterliggende open strokenlandschap zoveel mogelijk behouden blijven.
 
Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
6 Juridische aspecten
6.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
 
6.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
 
6.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
 
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
 
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:  
  • toepassingsbereik;
  • functieomschrijving;
  • beoordelingsregels bouwactiviteiten;
  • beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Krimpenerwaard. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.
 
Agrarisch met waarden
Ten behoeve van reële grondgebonden graasdierbedrijven en hobbymatige agrarische activiteiten, zoals beweiding door landbouwhuisdieren, zijn de zuidwestelijke en zuidoostelijke gronden nabij Middelblok 191 en de achterzijde van het terrein bij Middelblok 1-5 voorzien van het werkingsgebied 'Agrarisch met waarden'. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - schuilstal' mag een schuilstal gebouwd worden. Binnen dit werkingsgebied geldt verder dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden, met een maximum bouwhoogte van 1,5 m.
 
Bedrijf
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen locaties, die de gronden betreffen die geen agrarische functie hebben en geen wateroppervlak zijn, worden bedrijven in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' (het hele werkingsgebied 'Bedrijf') een grondverzet- en aannemersbedrijf. Verder is de (bestaande) bedrijfswoning op de verbeelding aangeduid. 
 
Het bouwen van gebouwen is mogelijk binnen de aangewezen bouwvlakken. Hierbij zijn maximum goot- en bouwhoogten opgenomen en is voor het grote een maximum bebouwingspercentage van 50% opgenomen. Verder zijn er bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten. Hiervoor zijn maximum bouwhoogten opgenomen.
 
Water
Ten behoeve van de aanleg van extra wateroppervlak worden de watergang aan de zuidzijde van het bedrijfsterrein verbreed. Zowel de huidige als nieuw aan te leggen wateroppervlakken worden voorzien van het werkingsgebied 'Water'. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk met een maximum bouwhoogte van 2 m.
 
Wonen
Het erf behorende bij de woning aan Middelblok 1-5 is voorzien van het werkingsgebied 'Wonen', waarbinnen woningen, beroepsactiviteiten in en bij de woning en bijbehorende bouwwerken en voorzieningen mogelijk. Met het toekennen van deze functies worden de bedrijfsactiviteiten (loonbedrijf) die verplaatst worden naar Middelblok 191 'wegbestemd'. De twee bedrijfswoningen, die in de huidige planologische situatie toegestaan zijn, worden omgezet naar burgerwoningen. De bebouwingsmogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden teruggebracht naar wat gebruikelijk is bij burgerwoningen aan het Middelblok.
  
Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 6
Voor de bescherming van archeologische waarden wordt het plangebied voorzien van de werkingsgebieden 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 6'. Hierbij worden beperkingen gesteld aan bodemingrepen, waarbij uitzonderingen gelden van een diepte van 30 cm -mv en een oppervlakte 100 m² voor 'Waarde - Archeologie 3', en een diepte van 3 m -mv en een oppervlakte van 2.500 m² voor 'Waarde - Archeologie 6'.
   
Waterstaat - Waterkering
Een klein noordwestelijk deel van het plangebied aan Middelblok 191 is voorzien van het werkingsgebied 'Waterstaat - Waterkering'. Op basis van de actuele legger is enkel dit gedeelte van het plangebied gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering.
 
7 Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
Planspecifiek
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.