Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Middelblok 1 en 191 Gouderak' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gestelde 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak' weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard. In de artikelkop van de in het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak' weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak' weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22b.’ gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak), tenzij daarvan in dit hoofdstuk is afgeweken. In aanvulling hierop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 plan:
het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak' met identificatienummer NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01 van de Gemeente Krimpenerwaard;
 
1.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard;
 
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties;
 
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.5 agrarisch bedrijf:
een onderneming, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
 
1.6 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
1.7 bebouwingspercentage:
de bebouwde oppervlakte van gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van het bouwvlak.
 
1.8 bedrijf:
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, niet zijnde zelfstandige detailhandel;
 
1.9 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer (agrarische) bedrijfsactiviteiten;
 
1.10 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op dan wel bij een terrein bestemd voor een huishouding waarvan huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering in overeenstemming met de functie, noodzakelijk is;
 
1.11 beroepsactiviteiten in of bij een woning:
het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving;
 
1.12 bestaand:
  1. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, met uitzondering van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
  2. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
1.13 bevoegd gezag:
het college van burgemeester en wethouders;
 
1.14 bijgebouw:
een bij een woning behorend gebouw dat functioneel ondergeschikt is, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte, dat niet in directe verbinding staat met de woning en dat niet voor bewoning is bestemd;
 
1.15 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
1.16 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
1.17 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
 
1.18 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
 
1.19 cultuurhistorische waarden:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;
 
1.20 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
1.21 extensief recreatief medegebruik:
extensieve vorm van dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen en paardrijden, inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, zoals picknicktafels, banken en informatieborden, waarbij de recreatievorm geen specifiek beslag legt op de ruimte en geen onevenredige afbreuk doet aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap;
 
1.22 graasdierbedrijf:
een agrarisch bedrijf dat afhankelijk is van grasland vanwege het houden van graasdieren of grasverkoop;
 
1.23 graasdieren:
runderen, uitgezonderd andere vleeskalveren dan rosékalveren, schapen, geiten, paarden, ezels, Midden-Europese edelherten, damherten en waterbuffels;
 
1.24 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf; grondgebonden agrarische bedrijven hebben een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;
 
1.25 kampeermiddel:
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, die blijkens hun inrichting bestemd zijn voor het houden van recreatief nachtverblijf;
 
1.26 kampeerterrein:
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;
 
1.27 kantoor:
gebouw of deel daarvan dat gebruikt wordt voor de bedrijfsmatige verlening van diensten op administratief, financieel, ontwerptechnisch, juridisch of ander daarmee gelijk te stellen gebied; bij een bedrijfsgebonden kantoor staat de dienstverlening ten dienste van en is verbonden aan de uitoefening van bedrijfsactiviteiten; bij een zelfstandig kantoor is dat niet het geval;
 
1.28 karakteristieke landschapselementen:
elementen die, tezamen met het verkavelingspatroon, de structuur en het aanzien van het landschap bepalen en het landschap kenmerken, zoals eendenkooien, pest- en geriefbosjes, poelen, kleine historische wateren, knotbomen, singels en houtwallen, natuurvriendelijke oevers, blokboezems, moerasjes, kaden, veenputten en dergelijke;
 
1.29 landschappelijke waarden:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur;
 
1.30 natuurwaarden:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, geomorfologische, bodemkundige, waterhuishoudkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;
 
1.31 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
 
1.32 onderkomen:
een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn functie onttrokken voer- of vaartuig, ark, kampeermiddel of soortgelijk verblijfsmiddel, voor zover deze niet als bouwwerk is aan te merken;
 
1.33 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;
 
1.34 peil:
  1. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;
1.35 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.36 voorgevel:
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
 
1.37 voorgevelrooilijn:
denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een gebouw loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen;
 
1.38 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen en inlaten;
 
1.39 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Bij toepassing van hoofdstuk 22b (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak) wordt als volgt gemeten, waarbij artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard niet van toepassing is voor zover dit in strijd is met hoofdstuk 22b:
 
2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.2 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.3 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  
2.4 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.5 de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens:
wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelgrens gelegen punt van het gebouw tot die perceelsgrens op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens;
 
2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.7 de bedrijfsvloeroppervlakte:
wordt gemeten binnenwerks, met dien verstande dat de totale vloeroppervlakten ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten worden opgeteld;
 
2.8 ondergeschikte bouwonderdelen:
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en aanduidingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
3.1 Verhouding met ruimtelijke regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in artikel 1.3.
 
3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rijkswege (bruidsschat)
  1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 22b.
  2. Onder de regels in hoofdstuk 22b, als bedoeld onder a, worden de regels van het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak' met identificatienummer NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01 van de Gemeente Krimpenerwaard verstaan.
3.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van hoofdstuk 22b (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak).
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
 
Artikel 6 Agrarisch met waarden
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als 'Agrarisch met waarden' aangewezen locatie heeft de volgende functies: 
  1. reële grondgebonden graasdierbedrijven, niet zijnde een geitenhouderij;
  2. hobbymatige agrarische activiteiten, zoals beweiding door landbouwhuisdieren;
  3. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon;
  4. karakteristieke landschapselementen;
  5. watergangen en andere waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers, dammen en bruggen;
  6. extensief recreatief medegebruik;
alsmede voor:
  1. bij deze functie behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, perceelsontsluitingen, (ontsluitings)wegen en paden.
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - schuilstal' een gebouw in de vorm van een schuilstal worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  3. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
Artikel 7 Bedrijf
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf'.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Bedrijf' aangewezen locatie heeft de volgende functies: 
  1. bedrijven genoemd in categorie 1 en 2 van de bij hoofdstuk 22b gevoegde bijlage 1 ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’;
  2. bedrijfsgebonden kantoren, met dien verstande dat kantooroppervlak ten hoogste 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak mag bedragen, tot ten hoogste 2.000 m²;
  3. verhardingen, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de functie;
alsmede voor:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1': een grondverzet- en aannemersbedrijf;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': een bedrijfswoning.
7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat buiten het bouwvlak geen overkappingen gebouwd mogen worden;
  3. voor zover binnen het bouwvlak de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is gegeven mag de bebouwde oppervlakte van gebouwen en overkappingen, gemeten ten opzichte van het bouwvlak, niet meer bedragen dan is aangeduid;
  4. de inhoud van een bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) bedraagt ten hoogste 650 m³;
  5. in afwijking van het bepaalde onder d geldt dat, indien de bedrijfswoning ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak een grotere inhoud had, deze inhoud is toegestaan;
  6. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  7. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  8. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: 
bouwwerken, geen gebouwen zijnde
max. bouwhoogte
overkappingen3 m
nutsvoorzieningen
4 m
lichtmasten 6 m
erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning of het bedrijfsgebouw
2 m
overige erfafscheidingen
1 m
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3 m
 
Artikel 8 Water
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water'.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies: 
  1. waterpartijen en (primaire) waterlopen, zoals sloten, watergangen, taluds, bermstroken, oevers, bruggen, ondergeschikte groenvoorzieningen en andere tot de functie behorende watervoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.
Artikel 9 Wonen
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
 
9.2 Functieomschrijving
Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. woningen, met inbegrip van beroepsactiviteiten in en bij de woning;
  2. aan- of uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals pergola’s en erfafscheidingen;
  3. wegen, parkeervoorzieningen, waterlopen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;
met dien verstande dat:
  1. de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening beroepsactiviteiten binnen een woning en de daarbij horende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 35% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m².
9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  3. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat buiten het bouwvlak en de aanduiding 'bijgebouwen' geen overkappingen mogen worden gebouwd;
  5. de inhoud van een woning, inclusief aan- en uitbouwen en exclusief bijgebouwen en ondergrondse kelders (met uitzondering van ruimten aanwezig tussen de begane grondvloer en het aansluitend afgewerkt terrein), bedraagt ten hoogste 650 m³ of niet meer dan de inhoud ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak, indien deze meer dan 650 m³ bedraagt;
  6. het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50% van het achtererf;
  7. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m² behalve indien:
    1. het achtererfgebied van de woning groter is dan 500 m², bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 75 m²;
    2. het achterfgebied van de woning groter is dan 750 m², bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 100 m²;
  8. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  9. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  10. de goothoogte en/of bouwhoogte van een aan- of uitbouw, bijgebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
bouwwerken
max. goothoogte
max. bouwhoogte
aan- of uitbouwen en bijgebouwen
3,30 m
6 m
overkappingen en pergola’s
n.v.t.
3 m
erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning
n.v.t.
2 m
overige erfafscheidingen
n.v.t.
1 m
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
n.v.t.
5 m
 
Artikel 10 Waarde - Archeologie 3
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede als functie de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een hoge archeologische verwachting, waarbij deze functie voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie(s).
 
10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Ten aanzien van de in artikel 10 lid 1 bedoelde locaties gelden de volgende bouwregels:
 
10.3.1 Verbod
Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties.
 
10.3.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 10.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
  1. locaties waarvoor uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of;
  2. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 m, of;
  3. bebouwing waarvoor bodemingrepen plaatsvinden die een diepte hebben van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  4. bebouwing waarvoor bodemingrepen plaatsvinden die een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 100 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies(s), of;
  5. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits:
    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.
10.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.4.1 Afwijken
Het bevoegd gezag in afwijking van het verbod in subsubparagraaf 10.3.1 toch een omgevingsvergunning voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende functies(s) verlenen, mits: 
  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;
  3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorwaarden als bedoeld in subsubparagraaf 10.4.2 aan de omgevingsvergunning.
10.4.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.4.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
10.4.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.4.1 wint hij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
 
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Verbod
Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: 
  1. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld;
  2. het verwijderen van funderingen;
  3. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  7. het aanbrengen van diepwortelende bomen en/of beplanting;
  8. het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  9. het verlagen van het grondwaterpeil;
  10. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden.
10.5.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 10.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. worden uitgevoerd op gronden waarvoor uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of;
  2. het archeologisch onderzoek betreffen, of;
  3. een diepte hebben van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld, of;
  4. een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 100 m², of;
  5. het normale onderhoud en beheer betreffen, of;
  6. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, of;
  7. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
10.5.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.5.1 wordt slechts verleend indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden als gevolg van de werken of werkzaamheden niet worden verstoord, of;
  3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorwaarden als bedoeld in subsubparagraaf 10.5.4 aan de omgevingsvergunning.
10.5.4 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.5.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
10.5.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.5.1 wint hij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
 
Artikel 11 Waarde - Archeologie 6
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 6'.
 
11.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede als functie de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een middelhoge archeologische verwachting, waarbij deze functie voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie(s).
 
11.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Ten aanzien van de in artikel 11 lid 1 bedoelde locaties gelden de volgende bouwregels:
 
11.3.1 Verbod
Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen locaties.
 
11.3.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 11.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
  1. locaties waarvoor uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 3 m onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of;
  2. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 m, of;
  3. bebouwing waarvoor bodemingrepen plaatsvinden die een diepte hebben van niet meer dan 3 m onder het bestaande maaiveld en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  4. bebouwing waarvoor bodemingrepen plaatsvinden die een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies(s), of;
  5. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits:
    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.
11.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.4.1 Afwijken
Het bevoegd gezag in afwijking van het verbod in subsubparagraaf 11.3.1 toch een omgevingsvergunning voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende functies(s) verlenen, mits: 
  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;
  3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorwaarden als bedoeld in subparagraaf 11.4.2 aan de omgevingsvergunning.
11.4.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 11.4.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
11.4.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 11.4.1 wint hij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
 
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Verbod
Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen locaties de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: 
  1. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld;
  2. het verwijderen van funderingen;
  3. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  7. het aanbrengen van diepwortelende bomen en/of beplanting;
  8. het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  9. het verlagen van het grondwaterpeil;
  10. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden.
11.5.2 Uitzonderingen
Het in subparagraaf 11.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. worden uitgevoerd op gronden waarvoor uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 3 m onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of;
  2. het archeologisch onderzoek betreffen, of;
  3. een diepte hebben van niet meer dan 3 m onder het bestaande maaiveld, of;
  4. een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m², of;
  5. het normale onderhoud en beheer betreffen, of;
  6. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, of;
  7. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
11.5.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in subparagraaf 11.5.1 wordt slechts verleend indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden als gevolg van de werken of werkzaamheden niet worden verstoord, of;
  3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorwaarden als bedoeld in subparagraaf 11.5.4 aan de omgevingsvergunning.
11.5.4 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in subparagraaf 11.5.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
11.5.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subparagraaf 11.5.1 wint hij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
 
Artikel 12 Waterstaat - Waterkering
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat - Waterkering'.
 
12.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede als functie de waterkering, waterhuishouding en waterstaat, waarbij deze functies voorrang hebben op de andere daar voorkomende functie(s).
 
12.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Ten aanzien van de in artikel 12 lid 1 bedoelde locaties gelden de volgende bouwregels:
 
12.3.1 Verbod
Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locaties.
  
12.3.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 12.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in artikel 12 lid 2 bedoelde functies, met een maximale bouwhoogte van 10 m.
 
12.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het verbod in subsubparagraaf 12.3.1 toch een omgevingsvergunning voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende functie(s) verlenen, mits dit verenigbaar is met de belangen van de waterstaat en/of waterkering en de beheerder van de waterkering daarover heeft geadviseerd.
   
3 Algemene regels
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 14 Algemene regels voor gebruiksactiviteiten
 
14.1 Strijdig gebruik
Het is in ieder geval verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken:
  1. als seksinrichting;
  2. als standplaats voor onderkomens, alsmede wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  3. als kampeerterrein, caravanterrein en dagcamping;
  4. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de locatie;
  5. als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de locatie;
  6. voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport, alsmede voor het crossen met motorvoertuigen en bromfietsen;
  7. voor (mest)bassins;
  8. voor bewoning van vrijstaande bijgebouwen;
behoudens voor zover anders is bepaald in de regels zoals opgenomen in regels hoofdstuk 2.
 
14.2 Uitzonderingen
Het in artikel 14 lid 1 bepaalde is niet van toepassing op het (tijdelijke) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de functie(s) of het normale onderhoud van de locatie.
 
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
15.1 Geluidzone - industrie
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' gelden de volgende regels:
  1. de bouw van een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is niet toegestaan, tenzij
    1. een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde vóór de vaststelling van dit plan is verleend;
    2. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op enige gevel van het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight.
Artikel 16 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
 
16.1 Beoordelingsregels afwijkingen
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in regels hoofdstuk 2 toch een omgevingsvergunning verlenen voor afwijkingen ten behoeve:
  1. maten en percentages, mits de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;
  2. het overschrijden van bouwgrenzen, geen functiegrenzen zijnde, mits dit nodig is in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig is in verband met de juiste inpassing van de gebouwen binnen bouwvlakken, waarbij de grenzen met niet meer dan 5 m worden overschreden;
  3. het overschrijden van bouwgrenzen naar de zijde grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied door:
    1. erkers, balkons en bordessen tot maximaal 2 m;
    2. ingangspartijen tot maximaal 2 m, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
  4. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 25 m² en een bouwhoogte van niet meer dan 5 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen en gasdrukregel- en gasdrukmeetstations;
  5. het bouwen van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 m;
voor zover de afwijking niet leidt tot onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
16.2 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 7 lid 3 van hoofdstuk 22b (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak) wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk alleen verleend, als het uiterlijk van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, te beoordelen door de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit volgens de criteria van de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017' en rekening houdend met het 'Planboek herinrichting Middelblok 191 Gouderak', zoals opgenomen in de bij hoofdstuk 22b gevoegde bijlage 2.
 
Artikel 17 Parkeren
17.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of gebruiken van een locatie indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 (december 2018) of diens rechtsopvolger, dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren.
 
17.2 Afwijken
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 1, indien: 
  1. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd;
  2. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen;
  3. uit parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet onevenredig toeneemt.
17.3 Advies
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17 lid 2 wordt pas verleend, nadat een advies is verkregen van een verkeerskundige.
 
4 Overgangsregels
 
Artikel 18 Overgangsrecht
18.1 Overgangsrecht voor bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
18.2 Overgangsrecht voor gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.