Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Dorpsstraat 69, Krimpen aan de Lek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.BP2206BT020-VG01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 plan
het bestemmingsplan Dorpsstraat 69, Krimpen aan de Lek' met identificatienummer NL.IMRO.1931.BP2206BT020-VG01 van de gemeente Krimpenerwaard.
 
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
1.3 aan- en uitbouwen
een gebouw, in één bouwlaag en aangebouwd aan de (bedrijfs)woning, welk onderscheiden kan worden van de (bedrijfs)woning en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de (bedrijfs)woning; functionele ondergeschiktheid is niet vereist.
 
1.4 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.5 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.6 achtergevel
gevel aan de achterzijde van een gebouw.
 
1.7 ander werk
een werk, geen bouwwerk zijnde.
 
1.8 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.9 bestaand
 
bij bouwwerken:
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;
 
bij gebruik:
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. dan wel mag plaatsvinden krachtens een omgevingsvergunning.
 
1.10 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.11 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.12 bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
 
1.13 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.14 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
1.15 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen.
 
1.16 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
 
1.17 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel.
 
1.18 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.19 bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.20 bruto vloeroppervlakte (b.v.o.)
de gezamenlijke vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels, horeca of andere bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnruimte en overige dienstruimten.
 
1.21 bijgebouw
een niet voor bewoning bestemd vrijstaand gebouw, dat ten dienste staat van en in bouwmassa ondergeschikt is aan de woning, waaronder in ieder geval begrepen een huishoudelijke bergruimte, garage of hobbyruimte.
 
1.22 dakkapel
een uitspringend venster als onderbreking in een dakvlak.
 
1.23 gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.24 gezoneerd industrieterrein
een terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van bedrijven en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken;
 
1.25 hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
1.26 nutsvoorziening
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.
 
1.27 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.28 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.
 
1.29 pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
 
1.30 peil
het peil gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte bouwterrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf de aansluitende, afgewerkte gemiddelde maaiveldhoogte.
 
1.31 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard dan wel een gelegenheid waar seksuele handelingen worden verricht; onder seksinrichting wordt mede begrepen:
 
1. seksbioscoop
Een inrichting, bestemd voor het door middel van audiovisuele middelen doen plaatsvinden van voorstellingen van erotische en/of pornografische aard.
 
2. seksclub
Een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van vertoningen van erotische en/of pornografische aard dan wel een gelegenheid waar seksuele handelingen worden verricht.
 
3. seksautomaat
Een inrichting, bestemd voor het door middel van automaten doen plaatsvinden van film- en/of videovoorstellingen van erotische en/of pornografische aard.
 
4. sekswinkel
Een ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van seksartikelen, waaronder begrepen pornografische lectuur en videobanden, aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker.
 
5. prostitutiebedrijf
Een ruimte, bestemd dan wel in gebruik voor het daarin uitoefenen van prostitutie.
 
1.32 voorgevel
gevel aan de voorzijde van een gebouw.
 
1.33 waterafvoergebied
een gebied begrenst door (stroom)scheidingen, waaruit beschouwd vanuit het afvoerpunt het water van dat gebied afstroomt of via bemaling getransporteerd wordt naar het desbetreffende afvoerpunt.
 
1.34 waterberging
als functie van water: het tijdelijk of langdurig bergen van (regen)wateroverschotten uit de omgeving.
 
1.35 woning
een gebouw inclusief aan- en uitbouwen, dat bedoeld is voor de huisvesting van één huishouden.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.3 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.4 het bebouwingspercentage
  1. de in procenten uitgedrukte verhouding van de oppervlakte van de bebouwing in een bouwvlak dan wel aanduidingsvlak tot de oppervlakte van dat bouwvlak dan wel aanduidingsvlak, per bouwperceel gemeten;
  2. ingeval geen bouwvlak dan wel aanduidingsvlak is aangegeven wordt onder bebouwingspercentage verstaan de in procenten uitgedrukte verhouding van de oppervlakte van de bebouwing tot de oppervlakte van het bestemmingsvlak, per bouwperceel gemeten.
2.5 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.6 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.7 ondergeschikte bouwonderdelen
bij het meten worden ondergeschikte bouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversiering, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.
 
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Bedrijf
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. bedrijven tot en met categorie 3.1 zoals genoemd in de bij deze regels behorende 'Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten' en ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - machinebouw' bedrijven die zich richten op machinebouw;
  2. het laden en lossen van schepen, uitsluitend aan de zijde van de kade;
  3. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  4. een beeldbepalend pand, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - beeldbepalend pand';
  5. een kraan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kraan';
  6. bedrijfsgebonden kantoren;
  7. verkeersvoorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer;
  8. bijbehorende erven en tuinen, (achter)paden, verkeers- en groenvoorzieningen en water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen.
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Gebouwen
Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
 
1. Bedrijfsgebouwen:
  1. bedrijfsgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  2. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de planverbeelding;
  3. indien gebouwen niet in de perceelsgrens worden gebouwd, bedraagt de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens ten minste 3 meter;
  4. indien gebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van ten minste 3 meter.
2. Bedrijfswoningen:
  1. Uitsluitend het bestaande aantal bedrijfswoningen is toegestaan. Dit aantal wordt bepaald op het tijdstip van het in werking treden van het plan;
  2. de inhoud van bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste de bestaande inhoud;
  3. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - beeldbepalend pand' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm en dakhelling, raamindeling, alsmede de situering op het bouwperceel, te worden gehandhaafd.
3. Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning:
  1. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd binnen het bestemmingsvlak en op een afstand van minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  2. de goothoogte van bijgebouwen bij bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste 3 meter;
  3. de bouwhoogte van bijgebouwen bij bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste 6 meter;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning mag niet meer dan 60 m² bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte met inachtneming van de bestaande lengte, breedte, goot- en bouwhoogte per bijbehorend bouwwerk.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak is gelijk aan de maximale bouwhoogte van de hoofdgebouwen;
  2. de bouwhoogte van de kraan mag niet meer bedragen dan 10 m;
  3. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  4. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten buiten het bouwvlak mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  5. de bouwhoogte van verkeersvoorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer bedragen ten hoogste 6 meter;
  6. de bouwhoogte van reclameborden bedraagt maximaal 3 meter;
  7. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 10 meter;
  8. het bouwen van lichtmasten bij bedrijfswoningen is niet toegestaan.
3.2.3 Beeldbepalende panden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning afgegeven door het bevoegd gezag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - beeldbepalend pand' bebouwing (gedeeltelijk) te vernieuwen of te veranderen.
 
3.2.4 Parkeren
Op deze gronden mogen, met inachtneming van de in lid 3.2.1 genoemde bouwregels uitsluitend in de gegeven bestemming passende bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat deze bebouwing, waarbij gelet op de omvang of functie daarvan ruimte nodig is voor het parkeren of stallen van auto's, alleen is toegestaan indien uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt dat voldaan wordt aan de parkeernorm zoals opgenomen in de Parkeernota 'Actualisatie parkeernota, dd. 29 juli 2011' van de gemeente Nederlek, zoals vastgesteld op 24 januari 2012.
 
3.3 Nadere eisen
 
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van bebouwing met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
  1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  2. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  3. een goede woonsituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de belangen van de waterbeheerder.
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:
  1. Tot een strijdig gebruik van gebouwen en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor risicovolle inrichtingen, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  2. Bedrijfsgebonden kantoren zijn mogelijk tot maximaal 30% van het bruto vloeroppervlak van het bedrijf, met een maximale omvang van 1500 m2 waarbij parkeren op eigen terrein moet worden opgelost.
Artikel 4 Water
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. water en oeverstroken;
  2. waterberging;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. A-watergangen;
  5. een constructie die het water overbrugd teneinde de aangrenzende gronden met elkaar te verbinden en waarover activiteiten mogen plaatsvinden ten behoeve van de aangrenzende bestemming;
  6. scheepvaartverkeer met de daarbij behorende voorzieningen, niet zijnde boothuizen;
  7. extensief dagrecreatief medegebruik met de daarbij behorende bouwwerken.
4.2 Bouwregels
 
4.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het scheepvaartverkeer mag niet meer dan 12 meter bedragen;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2 meter bedragen;
  3. voor de constructie genoemd in artikel 4.1 onder e gelden de volgende voorwaarden:
    1. de constructie dient uitsluitend verbonden te zijn met de aangrenzende gronden;
    2. de constructie dient op maaiveldhoogte tussen de aangrenzende gronden verbonden te zijn, waarbij geen hoogteverschil mag optreden met de aangrenzende gronden;
    3. de constructie mag niet in het water worden gebouwd.
Artikel 5 Waterstaat - Waterkering
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering en doeleinden ten behoeve van de waterhuishouding, met de daarbij behorende bouwwerken.
 
5.2 Bouwregels
 
Op deze gronden mogen, gehoord de waterbeheerder, uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van het in lid 5.1 genoemde doel onder de volgende voorwaarden:
  1. de bebouwing mag niet strijdig zijn met de belangen van de waterkering;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.
5.3 Afwijken van de bouwregels
 
Het bevoegd gezag kan ingevolge bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor het bouwen van bouwwerken die op grond van het elders in deze regels bepaalde zijn toegestaan, mits dit niet strijdig is met de belangen van de waterkering, in welk kader de waterbeheerder gehoord wordt.
 
Artikel 6 Waterstaat - Waterstaatkundige functie
 
6.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waterstaat-Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
  1. waterafvoergebied en waterberging;
  2. sloten, watergangen, waterpartijen en oeverstroken;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. gebouwen en bouwwerken, zoals uitstroomhoofden, krooshekreinigers, bruggen, duikers, stuwen, keerwanden en andere werken.
6.2 Bouwregels
 
Op de gronden als bedoeld in lid 6.1 mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:
  1. de grondoppervlakte van een gebouw ten hoogste 10 m² mag bedragen;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de grondoppervlakte van een gemaalbehuizing ten hoogste 50 m² bedragen;
  3. de goothoogte van een gebouw ten hoogste 3,5 meter mag bedragen;
  4. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 4,5 meter mag bedragen;
  5. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten hoogste 5,5 meter mag bedragen;
  6. de hoogte van erfafscheidingen ten hoogste 2,5 meter mag bedragen.
6.3 Afwijken van de bouwregels
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de in lid 6.1 bedoelde andere door voorkomende bestemming(en), indien daardoor de waterstaatkundige belangen niet worden geschaad en ter zake vooraf advies van de waterbeheerder is ingewonnen.
 
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uit-voering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 8 Algemene bouwregels
 
8.1 Bestaande bebouwing
 
Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende:
  1. voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
    2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
  2. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  3. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing.
8.2 Kelders
 
Onderkeldering is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en in maximaal één laag waarvan de diepte niet meer dan 3 meter mag bedragen.
 
8.3 Bouwen nabij watergangen
 
Bebouwing dient ten minste 2 m, gemeten vanuit de boveninsteek van het talud, uit de randen van de watergang te worden gesitueerd.
 
8.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
 
Gronden en bouwwerken mogen overeenkomstig de in artikel 3 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden nadat het plan onherroepelijk is geworden de landschapselementen uit het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage II van deze regels, zijn aangelegd en in stand worden gehouden.
 
8.5 Voorwaardelijke verplichting beglazing
 
Voor gebouwen die binnen het bouwvlak gerealiseerd worden geldt dat de ramen aan de naar de weg gekeerde zijde van het gebouw worden uitgevoerd in melkglas ramen.
 
Artikel 9 Algemene gebruiksregels
 
9.1 Strijdig gebruik
 
Onder een strijdig gebruik met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
  2. het gebruiken of laten gebruiken van een bijgebouw of een aan- of uitbouw ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  3. het in enigerlei vorm buiten de bedrijfsgebouwen opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen van welke soort dan ook, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan;
  4. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van lawaaisporten;
  5. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van windturbines/windwokkels en zendmasten, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan.
9.2 Evenementen
 
Onder een gebruik strijdig met het bestemmingsplan wordt niet verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van weekmarkten, jaarmarkten, evenementen, festiviteiten, manifestaties en horeca-activiteiten, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift, vergunning, ontheffing of afwijking is verleend.
 
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels
 
10.1 Geluidzone - industrie
 
Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrie' gelden, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, de volgende regels:
  1. de bouw van een woning of een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, alsmede in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder, is binnen deze geluidzone niet toegestaan, tenzij:
    1. een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde voor de betrokken woning of voor het betrokken gebouw onherroepelijk is geworden
    2. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op enige gevel van de betrokken woning of het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde;
  2. bij vestiging van een bedrijf binnen de bestemming Bedrijf moet worden aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten passen binnen de vastgestelde geluidzone van 12 oktober 1982.
10.2 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
 
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn bestemd voor de bescherming van de afdekkende laag van het watervoerende pakket. In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, gelden voor gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' de volgende regels:
  1. de grond mag niet dieper dan 2,5 meter onder maaiveld worden geroerd;
  2. handelingen in de bodem die de deklaag kunnen beschadigen zijn niet toegestaan met uitzondering van handelingen ten behoeve van grondwaterbeheer of handelingen waarvoor door Gedeputeerde Staten toestemming is gegeven;
  3. het heien van palen is alleen toegestaan mits er geen palen met verbrede voet worden gebruikt.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
 
Het bevoegd gezag kan tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
 
De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
 
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
 
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 69, Krimpen aan de Lek’ van de gemeente Krimpenerwaard.