| Plan: | Middelweg Nieuw-Lekkerland |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1927.BPmidweg5tot75LKL-VG01 |
Aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is het voornemen de 36 bestaande huurwoningen aan de Middelweg 5 tot en met 75 te slopen en hier 35 nieuwe woningen voor terug te bouwen. Reden hiervoor is dat de woningen niet meer voldoen aan de huidige eisen. De nieuw te bouwen woningen passen niet binnen de aangegeven bouwvlakken uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk'. Op basis van de benodigde onderzoeken dient daarom een verantwoorde basis voor een toepasselijke bestemmingsregeling te worden ontworpen, waarbij de ontwikkeling van de gewenste functies juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt en waarbij voldoende rechtszekerheid voor omwonenden wordt geboden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied bestaat uit de woningen met bijbehorende voor- en achtertuinen aan de Middelweg 5 tot en met 75 te Nieuw-Lekkerland. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan bevat het relevante beleidskader. Hoofdstuk 3 beschrijft de gewenste ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van relevant onderzoek naar onder andere milieuaspecten. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid is opgenomen in hoofdstuk 6.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 2.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 2.3 In paragraaf 2.4 wordt het gemeentelijk beleid behandeld, waarna in paragraaf 2.5 conclusies ten aanzien van het beleidskader voor het plangebied worden gegeven.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (13 maart 2012)
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor de gemeente Molenwaard relevante belangen zijn:
Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco). Het Barro is niet van invloed op dit bestemmingsplan.
Provinciale Structuurvisie (inclusief herzieningen)
In deze 'Visie op Zuid-Holland' beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De structuurvisie geeft de visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie. Daarnaast is er een doorkijk naar 2040. De nieuwe Structuurvisie komt in de plaats van de vier streekplannen en de nota Regels voor Ruimte.
De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.
Visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
In de provinciale structuurvisie is het plangebied aangewezen als Stads- en dorpsgebied. Binnen het Stads- en dorpsgebied is de realisatie van woningen toegestaan. De provinciale structuurvisie staat hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Verordening Ruimte (inclusief herzieningen)
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Om het stedelijk netwerk te versterken kiest de provincie het uitgangspunt om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Om dit te bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten gelegen kernen in Zuid-Holland voorzien van bebouwingscontouren. Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en kernen. Er is rekening gehouden met de vastgelegde streekplangrenzen en plannen waar de provincie al mee heeft ingestemd. Verstedelijking buiten deze bebouwingscontouren is in principe niet toegestaan.
Het plangebied valt binnen de aangegeven bebouwingscontouren. Artikel 2 van de Verordening Ruimte geeft voor dit bestemmingsplan de volgende algemene regels:
|
Lid 1 regionale afstemming
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen voorziet in een aantoonbare behoefte en is gebaseerd op een regionale visie op het programma terzake of is tenminste regionaal afgestemd. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording. Lid 2 ladder voor duurzame verstedelijking Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen houdt rekening met de navolgende voorkeursvolgorde: - het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stedelijk en dorpsgebied 2010 als aangegeven op kaart 4a; - het benutten van locaties aansluitend aan bestaand stedelijk en dorpsgebied 2010 als aangegeven op kaart 4a. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording. Als het bestemmingsplan betrekking heeft op een ontwikkeling met zelfstandige kantoren, gaat de toelichting mede in op de mogelijkheden om ter compensatie elders kantoorruimte te beperken door sloop of functieverandering van bestaande kantoren of het wijzigen van de bestemming van nog niet gerealiseerde kantoorbestemmingen. |
Voor de ontwikkelingen in het plangebied hoeft geen regionale afstemming plaats te vinden. Het plan voorziet in de herbouw van bestaande woningen. Door middel van dit bestemmingsplan worden geen extra woningen toegevoegd. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de doelstellingen uit de Verordening Ruimte. Met voorliggend plan wordt voorzien in de verbetering van bestaand stedelijk gebied en woningvoorraad. Desondanks is het plan toch ter goedkeuring aan de leden van het regionaal overleg toegezonden. De regio heeft aangegeven akkoord te zijn met de ontwikkeling.
Regionale woonvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden
Deel I van de regionale woonvisie schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het ‘wie en waar’ van het wonen in de regio. In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: ‘wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?
Wensbeeld 2020
De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Bijzonder, omdat het steden als Gorinchem en Leerdam met voorzieningen en vitale woonmilieus combineert met landelijke, rustige woonmilieus waar vooral traditionele groepen wonen. Dat is een unieke combinatie voor een woongebied op de grens met de Randstad. De Regio levert woonkwaliteit die zorgt voor binding van de eigen inwoners en aantrekken van mensen van buitenaf. Bewoners profiteren van de economische dynamiek van de Randstad en de Brabantse stedenrij (de route naar het Duitse achterland) terwijl het gebied zelf in de luwte daarvan ligt.
De meeste bewoners van de regio blijven hun kern, gemeente of de regio trouw en uitstroom van stedelijk georiënteerde groepen is beperkt. Dat lukt onder meer door goede samenwerking op het gebied van wonen. Die samenwerking is in een stroomversnelling gekomen, met als ankerpunt de regionale woonvisie van 2013. De visie helpt gemeenten om te doen waar ze sterk in zijn, en aan buurgemeenten over te laten waar zij sterk in zijn. Oog voor de onderlinge verschillen en kansen zorgt voor meerwaarde. Het resultaat is meer dan de som der delen.
Het voorzieningendorp Nieuw-Lekkerland is vitaal, door investeringen in bestaande woningen en nieuwbouw. Er komen levensloopbestendige woningen bij, maar velen blijven - na lang wikken en wegen - in de huidige woning wonen en passen deze waar nodig aan. Hier wordt gericht gebouwd voor senioren die de directe nabijheid van voorzieningen en het comfort van seniorenwoningen belangrijk vinden. Deze voorzieningendorpen zijn ook een goede woonplek voor jongere bewoners. In Mentality-termen: de opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden. Velen van hen willen graag in een dorp wonen, maar dan wel goed bereikbaar met voorzieningen. Door hier met woningverbetering én nieuwbouw precies op in te spelen, is dit dorp een passend thuis, zowel voor starters als (daarna) als doorgroeiers.
Kwantitatieve behoefte
Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van ca. 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de Regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regioniveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei.
De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar.
Kwalitatieve behoefte
Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in:
Geen van de gebieden gaat 'op slot' maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment.
Toetsing
A. Nieuw-Lekkerland is een voorzieningenkern. De grens van 10 woningen waarboven plannen regionaal geagendeerd moeten worden, wordt met dit plan van 35 woningen overschreden. De 35 woningen worden gebouwd ter vervanging van 36 oude huurwoningen.
B. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar. Die 0,7% past de regio in beginsel toe op alle kernen in de regio. De optelsom van de plannen in Nieuw-Lekkerland laat doorgerekend tot 2020 een groei zien van 1,5%. Dit is reden voor regionale agendering.
C/D. Uit de kwalitatieve toets komt naar voren dat het project niet concurreert met nabijgelegen woningbouwprojecten en dat het project invulling geeft aan de grote lokale vraag naar seniorenwoningen en starterswoningen.
Bestaand boven nieuw
Uit eerder woningmarktonderzoek en uit demografische analyses blijkt een uitbreidingsbehoefte voor de kern Nieuw-Lekkerland. In de demografische analyse is deze becijferd op ca. 450 woningen tot 2025. Het totale programma voor Nieuw-Lekkerland bedraagt op dit moment ongeveer 250 woningen.
Het huidige plan kan uit de aard der zaak niet in de bestaande voorraad opgevangen worden. De huidige woningen zijn technisch verouderd en de keuze is gemaakt om ze te vervangen voor nieuwe.
Inbreiding boven uitbreiding?
Het plan voor de Middelweg is een herstructureringslocatie; er worden nieuwe (en minder) woningen gebouwd op de plek van verouderde huurwoningen.
Woonmilieu en beoogde PMC's
Het beoogde woonmilieu sluit aan bij het bestaande: een dorps en kleinschalig plan in de sociale huursector.
Lokale marktanalyse en concurrentieanalyse
Het plan dient ter vervanging van bestaande woningen. De bedoeling is dat huurders die terug willen keren daar de mogelijkheid voor krijgen. Een groot deel van de doelgroep bestaat dus uit bestaande huurders. Voor zover er daarna woningen beschikbaar zijn, worden deze toegewezen aan de volgende die op de wachtlijst staat. Hiermee is het een plan met een louter lokaal karakter. Er worden geen inwoners van buiten Nieuw-Lekkerland getrokken.
Conclusie
Het gaat hier om een plan van 35 sociale huurwoningen dat dient ter vervanging van 36 bestaande sociale huurwoningen. De huidige bewoners zullen (deels) terugkeren in de woningen. Er is geen lokale of bovenlokale concurrentie met andere plannen. De ontwikkeling past binnen de Regionale woonvisie en staat hiermee de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Toekomstvisie Molenwaard
De Toekomstvisie van Molenwaard bevat voor wonen de volgende doelstellingen:
De gemeente biedt plaats aan:
Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen; de woonwens en het eigen dorp of de eigen stad als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet Molenwaard in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis.
In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouwprogramma vastgesteld. Relevante kaders zijn:
Met de herontwikkeling van de bestaande woningen wordt voorzien in bovengenoemde doelstellingen van de gemeente Molenwaard.
Structuurvisie Nieuw-Lekkerland
De gemeenteraad van Nieuw-Lekkerland heeft op 29 november 2012 de structuurvisie “Nieuw-Lekkerland” gewijzigd vastgesteld. De structuurvisie heeft betrekking op het gehele grondgebied van de (voormalige) gemeente Nieuw-Lekkerland.
De structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijk beleid van de gemeente Nieuw-Lekkerland en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. Daarnaast besteedt de structuurvisie aandacht aan het thema 'bevolkingsontwikkeling en wonen'. De structuurvisie geeft op basis van de structuur van de huidige woningvoorraad en de bevolkingsopbouw een beeld van de stand van zaken in de gemeente. Aan de hand van de doorrekening naar de toekomst, die rekening houdt met bekende woningbouwplannen en herstructurering, wordt een beeld geschetst van de kwantitatieve en kwalitatieve woonwensen.
In de structuurvisie is aangegeven dat het dorp Nieuw-Lekkerland is ontstaan uit twee kernen aan de dijk (middelweg en Dorpslaan). Voor 1920 bestond de kern uit een concentratie dorpswoningen nabij de kerk. De eerste planmatige woningbouw van het dorp vond in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw plaats langs de Dorpslaan. In diezelfde periode werd langs de Middelweg een reeks woningen gebouwd. Later volgde het gedeelte tussen de Tiendweg en de Oude Wetering. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werden uitbreidingen gepleegd ten westen van de Middelweg en ten oosten van de Dorpslaan. Vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw is het gebied tussen beide wegen langzaam bebouwd en is Nieuw-Lekkerland één kern geworden.
Wonen
De (voormalige) gemeente Nieuw-Lekkerland telt circa 9.500 inwoners en beschikt over een woningvoorraad van circa 3.300 woningen (peildatum 1 januari 2008). De meeste woningen staan in de kern Nieuw-Lekkerland en de kern Kinderdijk. Buiten de bebouwde kom is sprake van lintbebouwing langs de Lekdijk en verspreid gelegen woningen in het agrarisch gebied.
De woningvoorraad bestaat overwegend uit eengezinswoningen. Er is vrijwel overal sprake van laagbouw. Op enkele plekken in de kern komt gestapelde woningbouw voor. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde wonen in de gemeente relatief weinig ouderen en veel jongeren. Dit resulteert ook in een relatief grote huishoudensgrootte.
In 2010 is een woningmarktonderzoek voor de periode 2010-2020 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er sprake is van een negatief migratiesaldo, vooral richting omliggende gemeenten. Ondanks dit saldo, waarbij jongeren voor de grootste uitstroom zorgen, is de natuurlijke aanwas van de bevolking bovengemiddeld hoog.
De natuurlijke woningbehoefte in de gemeente bedraagt 35 tot maximaal 45 woningen per jaar. Hierbij zorgen de doelgroepen starters en senioren voor de grootste vraag. Starters hebben behoefte aan sociale koopwoningen. Hiervan is de bestaande voorraad in de gemeente in principe al voldoende, maar ontbreekt het aan een goede doorstroming. Senioren hebben behoefte aan toegankelijke woningen, zowel sociale huurappartementen als grondgebonden woningen.
Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in de actualisatie van de bestaande grondgebonden woningvoorraad met name voor senioren. Het plan voldoet hiermee aan de doelstellingen van de structuurvisie.
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk' welke is vastgesteld op 28 juni 2012.
Voor het plangebied is hoofdzakelijk de bestemming 'Wonen' met voor de tussenliggende voetpaden de bestemming 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwvlak opgenomen waarbinnen hoofdgebouwen tot een goothoogte van 6 meter mogen worden gebouwd.
Door middel van een specifieke aanduiding is geregeld dat uitsluitend achter de voorgevel aan- , uit- en bijgebouwen mogen worden gebouwd.
Ter bescherming van de verwachte archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' aan het gehele plangebied toegekend. Ter bescherming van de aanwezige waterkering is aan de noordzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen.
Figuur 2.1 Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (plangebied rood omkaderd)
Hoofdgebouwen mogen op basis van dit bestemmingsplan uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De gewenste herbouw van de 36 bestaande huurwoningen past echter net niet binnen deze aangegeven bouwvlakken. De reeds opgenomen maximale goothoogte is wel toereikend.
Bestemmingsplan 'Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland'
Recentelijk is het bestemmingsplan voor de dijkverzwaring vastgesteld. Dit bestemmingsplan 'Dijkverzwaren Nieuw-Lekkerland' valt gedeeltelijk over het plangebied. De opgenomen bestemmingen voor het plangebied zijn gelijk aan die van het vigerende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk'.
De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan maar is wel in overeenstemming met het ruimtelijke beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en het gemeentelijk beleid.
Woningbouwvereniging Nieuw-Lekkerland heeft een plan ontwikkeld om de 36 bestaande huurwoningen aan de Middelweg 5 t/m 75 te Nieuw-Lekkerland te slopen en hier 35 nieuwe woningen voor terug te bouwen.
foto bestaande situatie
Het bouwplan betreft de realisatie van 3 woonblokken. Het meest noordelijk gelegen woonblok (Blok 1) zal bestaan uit 9 rijwoningen, het middelste woonblok (Blok 2) uit 15 rijwoningen en het meest zuidelijke woonblok (Blok 3) uit 11 rijwoningen.
De huidige situatie bestaat eveneens uit drie woonblokken met rijwoningen. Blok 1 bevat momenteel 10 rijwoningen. Blok 2 bestaat momenteel uit 16 rijwoningen en Blok 3 bestaat momenteel uit 10 rijwoningen. Een visualisatie van de huidige en toekomstige woonblokken is opgenomen in figuur 3.1.
Figuur 3.1 visualisatie van de huidige en toekomstige woonblokken
De nieuw te bouwen woningen zullen wat betreft uitstraling en sfeer aansluiten op de bestaande woningen. Hierbij zal worden uitgegaan van rijwoningen met incidenteel een accent (kaprichting) in de voorgevel. De woningen zullen bestaan uit 1 bouwlaag met een kap (zie figuur 3.2 voor een impressie).
Figuur 3.2 Impressie voor- en zijgevels
Daarnaast zal de openbare ruimte aan de zijde van de Middelweg worden aangepakt. Zo wordt voorzien in de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen en worden groenvoorzieningen gerealiseerd. Deze wijzingen zijn mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan.
Op grond van de wet en jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond en moet worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
Gelet op de kenmerken van de ontwikkelingen in het plangebied (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van de ontwikkelingen en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor het voorliggende bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van de gemeente en het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
Het Waterbeheerplan 2010-2015 (2009) heeft een integraal en strategisch karakter. De koers voor de komende zes jaren wordt hierin vastgelegd. In de planperiode staan de volgende aspecten centraal:
Het Waterbeheerplan 2010-2015 borduurt voort op de verschillende beleidsplannen die in de afgelopen jaren zijn vastgesteld. Er is dus geen sprake van een breuk in het waterbeleid maar wel van een verdere intensivering. Het is het eerste volledig integrale waterbeheerplan van het waterschap. Alle beleidsaspecten van waterkeringen, watersysteem en afvalwaterketen zijn in dit plan verwoord. Ook zijn voor het eerst de nationale, de provinciale en waterschapsplannen tegelijkertijd opgesteld. Omdat deze verschillende plannen elkaar beïnvloeden is er veel geïnvesteerd in een goede afstemming tussen de verschillende overheden.
In de Keur heeft het waterschap een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 20 cm stijgen in de Alblasserwaard. In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied ligt aan de Middelweg te Nieuw-Lekkerland en bestaat uit woningbouw.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zeekleigrond. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand op meer dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -1,1 m.
Waterkwantiteit
Ten noorden van het plangebied is een A-watergang gelegen. A-wateren zijn van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. Rondom deze watergangen is een beschermingszone van 5 m aanwezig. Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De aanwezige watergang ten noorden van het plangebied behoort niet tot een Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichaam.
Veiligheid en waterkeringen
Aan de noordzijde van het plangebied ligt de Lekdijk. Rondom deze dijk zijn beschermingszones aanwezig. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop en herbouw van de aanwezige woningen.
Waterkwantiteit
Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd. Volgens de eis van het waterschap Rivierenland dient voor elke hectare aan toename in verharding 436 m3 waterberging gerealiseerd te worden.
Voorliggende plan maakt vervangende nieuwbouw mogelijk. De te realiseren woningen zijn echter dieper dan de reeds aanwezige bebouwing. In de huidige situatie is het oppervlak aan verharding circa 1.826 m2. In de toekomstige situatie wordt dit 2.608 m2. De toename in verharding bedraagt circa 782 m2. De eerste 500 m2 toename in verharding is vrijgesteld van watercompensatie. Voor de toename van 282 m2 dient water gecompenseerd te worden. De benodigde watercompensatie bedraagt circa 61,5 m2 (0,0282 ha*236 m3= 12,3 m3; 12,3 m3/0,2 m peilstijging= 61,5 m2). In overleg met het waterschap zal worden bepaald waar de benodigde watercompensatie zal worden gerealiseerd.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watervergunning
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Omdat een deel van het plangebied binnen de beschermingszone van de Lekdijk is gelegen, is voor voorliggende plan een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Omdat de beoogde ontwikkeling bestaat uit vervangende nieuwbouw, is de verwachting dat de ontwikkeling niet van invloed is op de veiligheidssituatie in de omgeving.
Water en Waterstaat in het bestemmingsplan
Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, in principe akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Onderhavige ontwikkeling betreft echter de sloop en herbouw van een bestaande woningen buiten de zone van gezoneerde wegen, waardoor akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Daarnaast zal de afstand tot de wegas van omliggende wegen ten opzichte van de huidige situatie niet. Tevens neemt, als gevolg van de ontwikkeling, het aantal woningen / geluidgehinderden af. Het aspect wegverkeerlawaai staat hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Toetsingskader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tabel Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 t/m 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals bij het afwijken van een bestemmingsplan) onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden, of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen en dus niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is onder andere het geval wanneer de bijdrage van een project aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen kleiner is dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse.
Onderzoek en conclusie
De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van maximaal 35 woningen een vermindering ten opzichte van de bestaande 36 woningen, dat dit ten opzichte van de huidige situatie niet voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Het project valt ruimschoots binnen de categorie woningbouw die volgens het Besluit nibm niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst (maximaal 1.500 woningen). Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de maatgevende weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in ruimtelijke plannen in het algemeen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze VNG-uitgave zijn voor een veelheid aan (bedrijfs)activiteiten richtafstanden genoemd die gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De richtafstanden gelden tussen milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. De betreffende afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Uit jurisprudentie en de genoemde VNG-publicatie blijkt dat in het geval van het omgevingstype 'gemengd gebied' verkleinde richtafstanden gelden. Ook indien uit onderzoek, nadere argumentatie of vergunde rechten blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening kunnen kleinere afstanden aangehouden worden dan de aangegeven richtafstanden.
Onderzoek
Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt voorzien in de vermindering van het aantal woningen. De bestaande situatie zal hierdoor niet wezenlijk wijzigen, waardoor het plan geen invloed heeft op omliggende milieuhinderlijke en milieugevoelige functies.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek
Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt voorzien in de vermindering van het aantal woningen. Er zal hierdoor geen toename zijn van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het bestemmingsplan maakt ook geen bestemmingen mogelijk die gevoelig zijn voor externe veiligheid.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van de externe veiligheidsrisico's. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er zijn geen hoogspanningslijnen of straalpaden in de omgeving van het plan. De conclusie is dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.
Onderzoek
Voor de ontwikkelingen in het plangebied is ecologisch onderzoek uitgevoerd. In onderstaande paragraaf zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit plan opgenomen. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.
Conclusies
Door de geplande ingreep komt een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis te vervallen. Om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen om de schade aan deze soorten tot een minimum te beperken. Deze maatregelen dienen te worden verwerkt in een activiteitenplan.
Er zijn in het plangebied geen nestlocaties aanwezig van jaarrond beschermde broedvogels. Bij de ingreep gaan wel nestlocaties voor algemene broedvogels verloren. Wanneer een broedgeval verloren gaat is sprake van de Flora- en faunawet. Door het treffen van mitigerende maatregelen en het plannen van de werkzaamheden buiten het broedseizoen, kan overtreding van de Flora- en faunawet worden voorkomen en hoeft hiervoor geen ontheffing te worden aangevraagd.
Op andere beschermde soorten uit tabel 2 en tabel 3 van de Flora- en faunawet worden geen negatieve effecten verwacht. Echter, in het kader van de algemene zorgplicht dient wel rekening te worden gehouden met de winterrust van de egel en algemeen beschermde amfibieën.
Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van beschermde natuur. Negatieve effecten op de PEHS of Natura2000 gebied worden echter niet verwacht door de bufferende werking van de dorpskern.
Aanbevelingen
Door middel van onderstaande mitigerende maatregelen kan overtreding van de Flora- en faunawet worden voorkomen.
Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen:
In het geval er een paarverblijf wordt aangetroffen zijn onderstaande maatregelen te verwachten om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen:
Beleid en normstelling
Bij de beoordeling van bestemmingsplannen wordt de richtlijn gehanteerd dat, voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan, ten minste het eerste deel van het verkennend onderzoek wordt verricht ter plaatse van nieuwe bestemmingen.
Onderzoek
Om de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied te onderzoeken is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de vooraf gestelde hypothese 'verdacht' voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de aangetroffen lichte en incidenteel sterke verontreinigingen in grond en grondwater. De sterke zinkverontreiniging geeft aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek. Naar verwachting is de sterke zinkverontreiniging enkel een spotverontreiniging zoals vaker voorkomt in de bebouwde kom. Echter is dit niet zonder aanvullend onderzoek vast te stellen.
Aanbevelingen
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt aanbevolen nader onderzoek te doen naar de horizontale omvang van de sterke zinkverontreiniging in de bovengrond.
Regelgeving en beleid
Monumentenwet
De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek
Om de archeologische waarden ter plaatse van het plangebied te onderzoeken is archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. De gemeente heeft op 10 maart 2014 als bevoegd gezag ingestemd met bovenstaande resultaten van het archeologisch onderzoek.
De resultaten van het archeologisch onderzoek geven geen aanleiding tot aanpassing en in de voorgenomen herinrichtingsplannen in het plangebied. Er zijn bij het booronderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van kansrijke archeologische lagen of voor bodemvorming en er zijn geen primaire archeologische indicatoren aangetroffen. Bovendien zullen de graafwerkzaamheden beperkt blijven tot het bovenste niveau (tot circa 1 meter onder maaiveld) dat deels verstoord is of archeologisch van geringe waarde is.
Conclusie
Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de archeologische en cultuurhistorische waarden de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan.
Op basis van de onderzochte informatie worden geen bijzondere belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten aanzien van de milieu- en overige aspecten.
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze is vormgegeven.
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Het plan heeft de vorm van een gedetailleerd eindplan op basis van artikel 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde herbouw zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de herbouw, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. Deze planvorm biedt flexibiliteit voor de beoogde herbouw en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden.
Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
In het bestemmingsplan is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van deze bestemming. In de regels zijn de exacte gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden gereguleerd.
Wonen
Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de bestemming 'Wonen' toegekend. Binnen deze bestemming is aan de nieuw te realiseren hoofdgebouwen een bouwvlak toegekend. De specifieke aanduiding 'aaneengebouwd' regelt dat uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan. Naast het wonen is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep toegestaan. Een aan huis gebonden bedrijf is uitsluitend na toewijzing van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan toegestaan. Hetzelfde geldt voor het gebruik van bijgebouwen als afhankelijke woonruimte (mantelzorg) en het uitoefenen van een bed & breakfast.
Omwille van de flexibiliteit van de inrichting van het plan zijn de brandgangen c.q. voetpaden (in tegenstelling tot het vigerende bestemmingsplan) eveneens binnen de bestemming 'Wonen' opgenomen. Hierdoor legt het bestemmingsplan geen belemmeringen op bij uitvoering van het plan.
Waterstaat - Waterkering (dubbelbestemming)
In verband met de aanwezigheid van waterkeringen in het plangebied is aan enkele bestemmingen een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend, waardoor de belangen van de waterbeheerder worden veiliggesteld. Binnen deze zone 'Waterstaat - Waterkering' is de Keur van kracht. Alle bouw- en graafwerkzaamheden zijn verboden en dienen te worden getoetst door het waterschap of deze de stabiliteit van de waterkering kunnen aantasten, voordat een vergunning wordt afgegeven.
Met betrekking tot deze ontwikkeling wordt een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de Woningbouwvereniging Nieuw-Lekkerland en de gemeente Molenwaard waarin tevens afspraken worden gemaakt omtrent het uitkeren van eventuele planschadevergoedingen. De financieel-economische uitvoerbaarheid is daarmee gewaarborgd, zodat het plan kan worden gerealiseerd. Hiertoe is ook afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
Vooroverleg
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd naar de wettelijke overlegpartners. Naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan is een overlegreactie ingediend door Waterschap Rivierenland. De ingediende reactie is aan te merken als wateradvies in het kader van de watertoetsprocedure.
In de overlegreactie geeft het waterschap aan akkoord te gaan met de ontwikkelingen zoals opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan. Zij adviseren positief over het plan, maar verzoeken bij de verdere uitwerking rekening te houden met onderstaande punten:
Daarnaast geeft het waterschap aan dat het plangebied binnen de beschermingszone én de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering ligt. In het voorontwerpbestemmingsplan is ervoor gekozen om enkel de beschermingszone te bestemmen door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het waterschap kan zich hierin vinden, maar verzoekt om bij een toekomstig nieuw bestemmingsplan voor de kern Nieuw-Lekkerland de actuele zoneringen uit de Legger over te nemen, met de bijbehorende regels, conform het Barro.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan 'Middelweg Nieuw-Lekkerland' heeft met ingang van 18 juli 2014 gedurende zes weken te inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld een mondelinge of schriftelijke zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.