| Plan: | Haveling Wijngaarden |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1927.BPbbrouwerstr9WGD-VG01 |
Aanleiding voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is de recente verhuizing van het verenigingsgebouw De Haveling en de naastgelegen schaatsvereniging richting de Multi Functionele Accommodatie (MFA) aan de Dorpsstraat. Het oorspronkelijke verenigingsgebouw De Haveling was een 'thuis' voor bijna alle kerkelijke en niet kerkelijke verenigingen in Wijngaarden. Dit gebouw was in zijn omvang niet langer geschikt voor het huisvesten van een aantal verenigingen.
De bestaande bebouwing zal worden gesloopt, waarbij plaats wordt gemaakt voor de realisatie van twee woningen. Realisatie van deze woningen is echter niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Op basis van de benodigde onderzoeken is in dit bestemmingsplan een verantwoorde basis en een toepasselijke bestemmingsregeling ontworpen, waarbij de woningen juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt.
Het plangebied ligt aan de zuidzijde van Wijngaarden aan de Burgemeester Brouwerstraat. Het plangebied bestaat uit het voormalige dorpshuis De Haveling en de naastgelegen schaatsvereniging. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (rood omkaderd).
Ter plaatse van het plangebied geldt bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Hierin is het plangebied aangewezen met de bestemming 'Woongebied' en de nadere aanduidingen 'maatschappelijk' en 'verenigingsleven' (zie figuur 1.2). Deze aanduidingen maken, naast de woonfunctie tevens maatschappelijke voorzieningen en daarbij behorende ondergeschikte horeca-activiteiten mogelijk.
De bestaande bebouwing is hierbij voorzien van een strak bouwvlak waarbinnen een goothoogte van 6 meter is toegestaan. De realisatie van de twee gewenste woningen is niet mogelijk op basis van de toegekende bouwvlakken. Hierdoor zijn de geplande woningen strijdig met het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen'.
Figuur 1.2 uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Dorpskernen' (plangebied rood omkaderd).
Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan bevat het toepasselijke beleidskader. Hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van het benodigde onderzoek naar onder andere milieuaspecten. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid is opgenomen in hoofdstuk 6.
Het bestemmingsplan moet worden getoetst aan het nu geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid- en toetsingskader. Hieronder is dit beleid- en toetsingskader nader beschreven. Paragraaf 2.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciale beleid- en toetsingskader is opgenomen in paragraaf 2.3. Het relevante gemeentelijk beleid staat in paragraaf 2.4. Paragraaf 2.5 geeft de conclusies.
Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de meest bepalende beleidsdocumenten. De ontwikkeling is niet in strijd met rijksbeleid.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Ruimtelijke besluiten moeten aandacht besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (SER ladder). Bij de ladder moet de regionale behoefte aangetoond worden, of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden, en of de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten.
Toetsing en conclusie rijksbeleid
Bij de ontwikkeling van de 2 woningen in Wijngaarden zijn geen rijksbelangen in het geding.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
4 rode draden
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
1. Beter benutten en opwaarderen
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.
2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.
Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
3. Versterken ruimtelijke kwaliteit
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.
De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
Verstedelijkingsopgave primair realiseren binnen bestaand stedelijk gebied
De provincie kiest er voor de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Dit sluit aan op de vraag en levert een bijdrage aan het versterken van de agglomeratiekracht. Bovendien is er binnen het stedelijk gebied nog veel ruimte beschikbaar, door in te zetten op intensivering, herstructurering en transformatie. De realisatie van nieuwe uitleglocaties is alleen mogelijk als na het doorlopen van de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat een bepaalde verstedelijkingsopgave die beantwoordt aan een aangetoonde duurzame kwalitatieve behoefte niet is te realiseren binnen BSD.
Figuur 2.1 Uitsnede kaart 'Beter benutten bebouwde ruimte' (plangebied blauw omkaderd)
De voorheen gehanteerde bebouwingscontouren, die de maximale verstedelijkingsgrens aangeven en gebaseerd zijn op verouderde prognoses over de ruimtevraag voor wonen en werken, verliezen hierdoor hun functie.
Regionale afstemming en toepassing ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2 Lid 1 en 2 VR)
In de Provinciale Structuurvisie (PSV) en de Verordening Ruimte (VR) is het provinciale, ruimtelijke beleid van de provincie Zuid-Holland vastgelegd. In het provinciaal beleid staat de regionale woonvisie centraal. In de PSV zijn procedurele en inhoudelijke vereisten opgenomen, waaraan een regionale woonvisie moet voldoen. De gemeenten kunnen de regionale woonvisie tevens gebruiken voor de verantwoording van nut en noodzaak van een bestemmingsplan waarin woningbouw is opgenomen. Zolang een gemeente niet beschikt over een regionale woonvisie die voldoet aan de vereisten uit de PSV en daarom ook niet over een door de provincie aanvaard beoordelingskader moet een gemeente op grond van artikel 2 lid 1 en 2 van de VR aantonen dat een bestemmingsplan met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wonen:
Toetsing en conclusie
1/2. De gemeenten in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een akkoord bereikt over de Regionale Woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. De hierin opgenomen werkwijze met betrekking tot de afstemming van bestemmingsplannen in regionaal verband is akkoord bevonden door de provincie. Het nu voorliggende bouwplan is regionaal afgestemd en akkoord bevonden.
3. De locatie betreft een uitbreidingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking.
De provincie vindt dat iedereen in Zuid-Holland moet kunnen beschikken over een passende woning in een passend woonmilieu, nu en in de toekomst.
Op dit moment staat er in het algemeen druk op de woningmarkt, terwijl er ook gebieden zijn met een ontspannen of zelfs krimpende woningmarkt. De omvang en de kwaliteit van de woningvoorraad is niet in balans. Daarvoor moet de bestaande voorraad kwalitatief verbeteren, vraag en aanbod van woonmilieus beter op elkaar worden afgestemd en meer binnenstedelijk worden gebouwd. Herijking van het nieuwbouw- en herstructureringsprogramma is nodig om in 2020 de gewenste voorraad te hebben.
De Woonvisie 2011-2020 is mede gebaseerd op een evaluatie van bestaand beleid en een analyse van de werking van de huidige woningmarkt. De provincie constateert dat:
Conclusie
Het woningbouwprogramma is in regionaal verband afgestemd. In de regio is een jaarlijkse toevoeging van circa 350 nieuwe woningen nodig.
Deel I van de regionale woonvisie schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het ‘wie en waar’ van het wonen in de regio. In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: ‘wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?
Wensbeeld 2020
De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Voor de gemeente Molenwaard zijn de volgende winstpunten te behalen:
Kwantitatieve behoefte
Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van circa 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de Regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regioniveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei.
De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar.
Kwalitatieve behoefte
Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in:
Geen van de gebieden gaat 'op slot' maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment.
Het stedelijk gebied kent naast lokale vraag een substantiële regionale instroom van de groeigroepen 'opwaarts mobielen' en 'gemaksgeoriënteerden': een grote, groeiende groep, in dorpen en steden, lagere en middelhoge inkomens. Deze mensen trekken richting voorzieningen, werk, bereikbaarheid. Opwaarts mobielen zoeken nieuwe koopwoningen in wat hogere prijsklasse, gemaksgeoriënteerden zoeken vaker een huurwoningen en wonen in bestaande wijken.
Er is reden voor grootschalige nieuwbouw en transformatie, met een centrumstedelijk of groenstedelijk karakter.
Toetsingskader woningbouwprojecten
In de visie is een toetsingskader opgenomen voor woningbouwprojecten:
Toetsing
A. Omdat het plan minder dan 5 woningen in een woonkern betreft is in regionaal verband afgesproken dat regionale afstemming niet noodzakelijk is.
B. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar. Die 0,7% past de regio in beginsel toe op alle kernen in de regio. De jaarlijkse planning blijft in de kern niet binnen de 0,7-norm, maar ligt op 1%. Het project is daarom besproken in de regionale werkgroep van 18 november 2014, samen met de plannen voor Wijngaarden West. In het regionaal overleg is het plan beoordeeld op het aantal. De conclusie is dat het aantal naar verwachting geen invloed heeft op de plannen binnen de gemeente. Daarnaast wordt niet verwacht dat het aantal woningen leidt tot concurrentie in de regio.
C/D. Uit de kwalitatieve toets komt naar voren dat het project niet concurreert met nabijgelegen woningbouwprojecten en dat het project invulling geeft aan de lokale vraag.
Conclusie
De ontwikkeling past binnen de Regionale woonvisie en staat hiermee de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Het plan wordt opgenomen op de monitoringslijst zoals die door de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt gevoerd.
Toekomstvisie Molenwaard
De Toekomstvisie van Molenwaard bevat voor wonen de volgende doelstellingen:
De gemeente biedt plaats aan:
Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen; de woonwens en het eigen dorp of de eigen stad als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet Molenwaard in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis.
In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouwprogramma vastgesteld. Relevante kaders zijn:
Met de ontwikkeling van de bestaande woningen wordt voorzien in bovengenoemde doelstellingen van de gemeente Molenwaard. Met de realisatie van de twee woningen wordt voorzien in een woningbouwprogramma doorstromers danwel senioren. Hierdoor biedt de gemeente plaats aan mensen die een binding hebben met de gemeente.
MeerjarenPerspectief Wonen (17 december 2013)
In het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) heeft de gemeenteraad van Molenwaard een visie op het wonen in Molenwaard vastgelegd.
Het MPW heeft het karakter van een vertrekpunt en fungeert als leidend principe. In die zin is het een dynamisch document. Het is een bewuste keuze om geen beleid als blauwdruk vast te stellen, maar ruimte te laten voor dynamiek. De huidige omstandigheden, zowel in de samenleving als economisch, vragen daar om.
De principes voor het MPW zijn vraag en demografie. De geprognosticeerde behoefte per kern is richtinggevend voor het woningbouwprogramma. Verder is gesteld dat het woningbouwprogramma voldoende flexibel moet zijn om aan te kunnen sluiten bij de actuele vraag.
Voor Wijngaarden geldt dat het totaal aan woningbouwplannen, waaronder de Haveling, valt binnen de berekende kwantitatieve behoefte.
De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen Graafstroom' maar is wel in overeenstemming met het ruimtelijke beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en het gemeentelijk beleid.
Recentelijk heeft een verhuizing van het verenigingsgebouw De Haveling en de naastgelegen schaatsvereniging richting de Multi Functionele Accommodatie (MFA) aan de Dorpsstraat plaatsgevonden. Het oorspronkelijke verenigingsgebouw De Haveling was een 'thuis' voor bijna alle kerkelijke en niet kerkelijke verenigingen in Wijngaarden. Dit gebouw was in zijn omvang niet langer geschikt voor het huisvesten van een aantal verenigingen.
De bestaande bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt. De vrijgekomen ruimte biedt plaats aan de realisatie van 2 bouwpercelen waarop een twee-onder-een-kap woning of twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd.
Om het doorzicht vanaf de Burgemeester Brouwerstraat naar het achterliggende open landschap te behouden en bereikbaarheid van de oever te bewerkstelligen is aan de westzijde van de woningen een groenstrook beoogd.
Om de twee woningen te laten passen in het dorpse karakter van Wijngaarden is voor de realisatie van de woningen stedenbouwkundige en architectonische randvoorwaarden opgesteld. Deze randvoorwaarden zijn opgenomen in het zogenaamde 'kavelpaspoort'. Dit kavelpaspoort is opgenomen in Bijlage 1.
In dit kavelpaspoort zijn eisen opgenomen ten aanzien van de situering op het perceel, de oriëntatie van het nieuwe hoofdgebouw en de maximale omvang. Daarnaast zijn aanwijzingen geformuleerd over het kleur en materiaalgebruik, dakvorm en overgang tussen open - privé.
Per woning dient minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. De overige benodigde parkeerruimte kan worden gevonden in de openbare ruimte. Door het vertrek van het dorpshuis Haveling voorziet de openbare ruimte in voldoende parkeergelegenheid.
Op grond van de wet en jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond en moet worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
Waterbeheer en watertoets
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van de gemeente en het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
Het Waterbeheerplan 2010-2015 (2009) heeft een integraal en strategisch karakter. De koers voor de komende zes jaren wordt hierin vastgelegd. In de planperiode staan de volgende aspecten centraal:
Het Waterbeheerplan 2010-2015 borduurt voort op de verschillende beleidsplannen die in de afgelopen jaren zijn vastgesteld. Er is dus geen sprake van een breuk in het waterbeleid maar wel van een verdere intensivering. Het is het eerste volledig integrale waterbeheerplan van het waterschap. Alle beleidsaspecten van waterkeringen, watersysteem en afvalwaterketen zijn in dit plan verwoord. Ook zijn voor het eerst de nationale, de provinciale en waterschapsplannen tegelijkertijd opgesteld. Omdat deze verschillende plannen elkaar beïnvloeden is er veel geïnvesteerd in een goede afstemming tussen de verschillende overheden.
In de Beleidsregels van het waterschap is vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 20 cm stijgen in de Alblasserwaard. In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2.
Gemeentelijk beleid
Het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom is tot stand gekomen door samenwerking tussen de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en Waterschap Rivierenland. Deze samenwerking is ook direct één van de nevendoelen om het hoofddoel, namelijk een veilig, robuust en duurzaam watersysteem in 2025, te bereiken. Aanleiding voor het opstellen van het waterplan is onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), waarin is afgesproken dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld wordt. In dit waterplan is aangegeven wat de opstellers willen bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de kernen van de gemeenten Liesveld en Graafstroom en welke activiteiten daarvoor de komende jaren uitgevoerd moeten worden.
Om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 moet gewerkt worden aan het optimaliseren van het huidige systeem. Hiervoor is de visie uitgewerkt in vier aspecten: afkoppelen, belevingswaarde, samenwerking en beheer en onderhoud. Door invulling te geven aan het afkoppelen wordt meer ruimte voor water gecreëerd en worden diffuse bronnen aangepakt (duurzaam onkruid beheer, duurzaam bouwen). Het systeem is daardoor beter bestand tegen piekafvoeren en raakt minder snel vervuild. Het tweede aspect, de belevingswaarde, is in bebouwde gebieden belangrijk. Hiervoor zijn streefbeelden opgesteld voor de watergangen in de kernen, waarbij voorop staat dat deze afgestemd moeten zijn op de omgeving.
Met onder andere dit waterplan wordt invulling gegeven aan de samenwerking. De gemeente Molenwaard en het Waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke peiler voor het op orde houden van het watersysteem.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de kern Wijngaarden en bestaat in de huidige situatie uit bebouwing en verharding.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit veengrond. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -1,5 m.
Waterkwantiteit en -kwaliteit
Ten zuiden van het plangebied is een A-watergang gelegen. A-wateren zijn wateren van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. Rondom de watergang is sprake van een beschermingszone van 5 m waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen en aanleggen.
De aanwezige watergangen behoren niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.
De oostzijde van het plangebied wordt begrenst door een B-min watergang. De verantwoordelijkheid voor het onderhoud van deze watergang ligt bij de aangrenzende eigenaar.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied is niet gelegen binnen de kern-/beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioleringsstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling bestaat sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 2 woningen met een naastgelegen groenstrook. Het bestaande watersysteem zal hierbij niet worden aangetast.
Waterkwantiteit
Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. In de huidige situatie is het 615 m2 tellende plangebied vrijwel geheel verhard. Na realisatie van het plan zal aan de oostzijde van het plangebied een (onverharde)groenstrook worden gerealiseerd. Het te bebouwen gebied bedraagt 485 m2. Hierdoor wordt voorzien in een afname aan oppervlakteverharding van circa 130 m2. Daarnaast zal dit te bebouwen gebied grotendeels worden aangelegd als tuin waardoor de toekomstige oppervlakteverharding verder zal afnemen. Voor dit plan hoeft daarom geen water te worden gecompenseerd.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Veiligheid en waterkeringen
De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in de omgeving van het plangebied.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watervergunning
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Omdat de woningen buiten de beschermingszone van de watergang worden gerealiseerd, is een watervergunning op basis van de Keur niet noodzakelijk.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Toetsingskader
In het plangebied zullen twee nieuwe woningen gerealiseerd worden. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.
Onderzoek en conclusie
De woningen zijn echter niet gelegen binnen een geluidszone van een spoorlijn, zodat akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai achterwege kan blijven.
Daarnaast zijn de woningen niet gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. De omliggende wegen bevinden zich binnen de bebouwde kom en kennen allen een 30 km/h-regime. Op basis van het gemeentelijk beleid (Geluidbeleid hogere waarden Wgh en 30 km/uur-wegen) dient ook in deze gebieden een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit om er zeker van te zijn dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Echter vanwege de specifieke ligging van het projectgebied (aan het einde van een doodlopende weg), waardoor het aantal verkeersbewegingen beperkt is, kan er in dit geval worden afgezien van een akoestisch onderzoek.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect wegverkeers- en spoorweglawaai de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | Grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van maximaal 2 woningen dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool NSL 2013 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2012 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de N214 (als maatgevende doorgaande weg in de omgeving van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Onderzoek en conclusie
In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend woningen gelegen. Woningen zijn geen hinderveroorzakende functies. Ter plaatse van het plangebied wordt daarnaast een milieuhinderlijke functie, te weten een verenigingsgebouw, vervangen door de niet-milieuhinderlijke functie wonen. Hierdoor zal ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen verbeteren. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Onderzoek
Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat ten zuidwesten van het plangebied, aan de Baanhoekweg 22 in Dordrecht, de Bevi-inrichting Du Pont de Nemours BV is gelegen. Hier vindt vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels plaats met opslag van zeer giftige vloeistoffen. Volgens de risicokaart is de dodelijke effectafstand van de inrichting 5.350 m. Het plangebied ligt op circa 3.700 m afstand. Dit is binnen de effectafstand. In de huidige situatie is het groepsrisico van de inrichting kleiner dan de oriënterende waarde. Door de beoogde ontwikkeling van de sloop van de aanwezige gebouwen en de bouw van twee woningen zal de personendichtheid binnen het effectgebied niet significant toenemen. Door de grote afstand van het plangebied tot de inrichting en de kleine schaal van de beoogde ontwikkeling zal de ontwikkeling geen meetbaar effect hebben op de hoogte van het groepsrisico.
Verder vindt er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied.
Verantwoording groepsrisico
Voor het voorliggende bestemmingsplan is geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Hierover is in het kader van het vooroverleg advies gevraagd aan de veiligheidsregio.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek
Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in dit bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.
Huidige situatie
Het plangebied bestaat bebouwing met daar omheen verharding.
Beoogde ontwikkelingen
Het bestemmingsplan voorziet sloop van de bestaande gebouwen en de bouw van 2 woningen.
Normstelling
Provinciale Verordening
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS en weidevogelgebieden liggen op grote afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op meer dan 3 km afstand ten zuiden van de A15.
Figuur 4.1: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
De sloop en nieuwbouw in de kern van Wijngaarden is niet van invloed op het functioneren van de op ruime afstand gelegen EHS, weidevogelgebieden en Natura 2000. Significant negatieve effecten worden uitgesloten.
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon, www.verspreidingsatlas.nl en www.waarneming.nl).
Vogels
Spreeuw, huismus, gierzwaluw en kauw kunnen broeden in (de omgeving van) de bebouwing.
Zoogdieren
Het plangebied is nagenoeg geheel verhard, incidenteel kunnen wel algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als egel, huisspitsmuis en veldmuis aanwezig zijn. De bebouwing kan plaats bieden aan vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen. Door het ontbreken van groen heeft het plangebied geen functie als foerageergebied. In de omgeving kunnen het groen en de watergang wel fungeren als foerageergebied of onderdeel zijn van een vliegroute van vleermuizen.
Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen gebruik maken van het plangebied als schuilplaats onder bijvoorbeeld stenen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.
In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 4.2: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief)
| Nader onderzoek nodig | ||||
| Vrijstellings regeling Ffw | tabel 1 | egel, huisspitsmuis, veldmuis bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de bastaardkikker |
nee | |
| Ontheffings regeling Ffw | tabel 2 | - | nee | |
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | - | nee | |
| bijlage IV HR | alle vleermuizen | Ja | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | gierzwaluw en huismus | Ja | |
Het bestemmingsplan voorziet in sloop en nieuwbouw. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
Conclusie bureauonderzoek
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Naar aanleiding van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat nader ecologisch veldonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 2.
Conclusie Ecologisch veldonderzoek
Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. De bebouwing bezit geen gaten waarin vleermuizen of vogels (al dan niet met vaste rust- en verblijfplaatsen) zich zouden kunnen ophouden. In het gebied zijn verder geen nestelmogelijkheden voor vogels. Voor overige soort(groep)en is het gebied verder volledig ongeschikt. Wel is het aannemelijk dat er vleermuizen vliegen.
Door niet meer licht toe te passen in de aanleg- en gebruiksfase kunnen de vleermuizen gewoon blijven vliegen. Er komen verder algemene licht beschermde zoogdieren en amfibieën voor. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet.
Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde soorten uitgesloten; de realisatie en uitvoering van het plan is niet in strijd met het gestelde binnen de Flora- en faunawet.
Normstelling en beleid
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het wijzigingsgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
Uit het Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen historische activiteiten bekend zijn die mogelijk hebben geleid tot bodemverontreiniging. Ter plaatse van het plangebied is daarnaast reeds een woonbestemming aanwezig. Er vindt dus geen functieverandering plaats waarbij rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit. Hierdoor is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk.
Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Regelgeving en beleid
Monumentenwet
De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Beleidsnota Archeologie
De acht gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Deze beleidsnota is onderdeel van een drieluik, dat verder bestaat uit een archeologische verwachtings-, een beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC.
In de nota worden de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta onderschreven. Behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem) en het beginsel 'de verstoorder betaalt' zijn de belangrijkste uitgangspunten van het regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Dat beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Als het voornemen bestaat om een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde Archeologische Monumentenzorgcyclus. Dit is een onderzoekscyclus die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorwaarden worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
Onderzoek en conclusie
In het vigerende bestemmingsplan is op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. In de bijbehorende regels is bepaald dat voor bouwwerken groter dan 250 m2 en die dieper reiken dan 30 cm een archeologisch onderzoek is vereist. In het kader van dit bestemmingsplan is advies gevraagd aan de Archeologische Werkgemeenschap Nederland. Deze concludeert dat het plangebied is gelegen buiten het bebouwingslint en dat op de kadastrale minuut van 1811 hier geen bebouwing is aangegeven. Gelet hierop en gelet op het feit dat in het veld geen verhogingen zijn aangetroffen, zal hier geen sprake zijn van een woonheuvel. De archeologische verwachting van het plangebied kan daarom te worden bijgesteld naar een lage verwachting, waardoor verder onderzoek niet nodig is. De archeologische waarden staan hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 2 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van het plan, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is enige flexibiliteit in het plan ingebracht door middel van de opname van algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.
Deze planvorm biedt enige flexibiliteit voor de beoogde functiewijziging en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de functies zijn vastgelegd in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.
Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiernaast is het plan afgestemd op het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen Graafstroom'.
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen opgenomen. In onderstaande paragraaf wordt kort ingegaan op de inhoud van deze bestemmingen. De inhoud van de bestemmingen zijn afgestemd met het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen' en de voor de percelen opgestelde kavelpaspoorten (zie Bijlage 1).
Groen
Om het doorzicht vanaf de Burgemeester Brouwerstraat naar het achterliggende open landschap te behouden en bereikbaarheid van de oever te bewerkstelligen is aan de westzijde van het plangebied is de bestemming 'Groen' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Tuin
Deze bestemming is gebruikt voor de voortuinen voor de woningen (bestemming 'Wonen') en voor een aantal andere gronden waarvoor in het kader van dit bestemmingsplan geen gebouwen worden toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Wonen
Aan de bouwpercelen is de bestemming 'Wonen' toegekend. Binnen deze bestemming is een bouwvlak toegekend waarbinnen een twee-onder-een-kap woning en twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd. Het maximum aantal van twee woningen is middels een aanduiding op de verbeelding vastgelegd. De toegekende maximale goothoogte is overwegend 6 meter. Aan de oostzijde van het plangebied is deze gemaximeerd op een goot- en deels een bouwhoogte van 4 meter.
Voor de percelen is bepaald dat het gezamenlijk oppervlak van hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 80% van het bouwvlak bedraagt. De aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd. Hierbij bedraagt de goothoogte van de aan-, uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 3 meter.
Het verhalen van door de gemeente gemaakte kosten bij de (her)ontwikkeling van een gebied of locatie is met de inwerkingtreding van de Wro verplicht. Dit kan middels een anterieure overeenkomst met ontwikkelende partijen, publiekrechtelijk via het exploitatieplan of – bij volledig gemeentelijk grondeigendom – via gemeentelijke gronduitgifte.
De kosten voor de inrichting van de openbare ruimte zijn voor rekening van de gemeente Molenwaard. De gemeente Molenwaard is volledig eigenaar van de gronden en zal het kostenverhaal middels de gronduitgifte zeker stellen. De financieel-economische uitvoerbaarheid is daarmee gewaarborgd, zodat het plan kan worden gerealiseerd. Er wordt daarom ook geen exploitatieplan vastgesteld.
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is door Waterschap Rivierenland een reactie ingediend. Van de provincie Zuid-Holland is naar aanleiding van het ingevulde e-formulier geen reactie ontvangen. In onderstaande paragraaf is de ingediende reactie van het waterschap samengevat en voorzien van een beantwoording. De ingediende reactie is aan te merken als wateradvies in het kader van de watertoetsprocedure.
Inhoud reactie Waterschap Rivierenland
Het plan geeft het waterschap aanleiding tot het maken van een aantal aandachtspunten. De afname van het verharde oppervlak is niet gespecificeerd in de toelichting opgenomen. Het waterschap vraagt daarom om het totaal van het verhard oppervlak in de huidige en toekomstige situatie in de waterparagraaf op te nemen.
Daarnaast geeft het waterschap aan dat in de paragraaf waterkwantiteit en waterkwaliteit de A-watergang ten zuiden van het plangebied is benoemd, maar de B-min watergang, die aan de oostzijde van het plangebied grenst, ontbreekt. Het onderhoud van deze watergang ligt bij de aanliggende eigenaar. Het waterschap vraagt om deze B-min watergang met de onderhoudsplicht in de waterparagraaf te benoemen.
Reactie gemeente
Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. In de huidige situatie is het 615 m2 tellende plangebied vrijwel geheel verhard. Na realisatie van het plan zal aan de oostzijde van het plangebied een (onverharde)groenstrook worden gerealiseerd. Het te bebouwen gebied (de volledige bestemming 'Wonen') bedraagt 485 m2. Hierdoor wordt voorzien in een afname aan oppervlakteverharding van circa 130 m2. Daarnaast zal dit te bebouwen gebied grotendeels worden aangelegd als tuin waardoor de toekomstige oppervlakteverharding verder zal afnemen. Voor dit plan hoeft daarom geen water te worden gecompenseerd. Deze conclusie is opgenomen in de waterparagraaf.
De B-min watergang met de bijbehorende onderhoudsplicht is opgenomen in de waterparagraaf onder het kopje 'Waterkwantiteit en -kwaliteit'.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 januari 2015 gedurende zes weken ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.