| Plan: | Schoolstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1927.BPSchoolstraat-VG01 |
Op de locatie aan de noordzijde van de Schoolstraat is tot eind 2014 een tijdelijke supermarkt gevestigd geweest. Na de opening van de nieuwe supermarkt in het Woonleefhart is de locatie aan de Schoolstraat vrij gekomen voor herontwikkeling. Het voornemen is om op deze locatie woningbouw te realiseren.
Om dit mogelijk te maken is een randvoorwaarden document opgesteld waarin een analyse en een modellenstudie is gemaakt. Op basis van dit document is een voorkeursmodel gekozen door de gemeente dat inmiddels ook in een digitale schetsverkaveling is uitgewerkt.
Voor de vrije kavels zijn kavelpaspoorten gemaakt met daarin de uitgangspunten over o.a. hoogte en bouwvlakken.
Om de woningbouw mogelijk te maken is het noodzakelijk het vigerende bestemmingsplan te wijzigingen.
De planlocatie ligt aan de Schoolstraat, net buiten het gebied van het beschermd dorpsgezicht van de vesting Nieuwpoort, op de rand van één van de eerste uitbreidingen aan de zuidzijde van Nieuwpoort, de buurt ‘Liesdel’. Na de sloop van de bebouwing eind 2014 is gehele situatie op dit moment vrij van bebouwing.
In het najaar van 2014 is de supermarkt naar de nieuwe huisvesting in het Woonleefhart verhuisd en is de gehele locatie aan de Schoolstraat beschikbaar gekomen voor een nieuwe invulling.Het pand is inmiddels gesloopt.
Nieuwpoort is een historische vestingstad aan de Lek. Ten oosten ligt het dorpje Langerak, bijna tegen de singel van de vesting van Nieuwpoort. Ten zuiden van Nieuwpoort hebben er in de loop van de tijd een aantal uitbreidingen plaatsgevonden.
Naast de uitbreidingswijken liggen rondom Nieuwpoort voornamelijk agrarische gronden, enkele kleine bedrijventerreinen en diverse volkstuinterreinen.
Nieuwpoort wordt ontsloten vanaf de provinciale weg N216 door de Veersedijk aan de noordzijde en de Nieuwpoortseweg aan de zuidzijde. Zowel de provinciale weg als de Nieuwpoortseweg liggen op relatief korte afstand van de planlocatie.
De randen
De planlocatie ligt op de rand van de uitbreidingswijk rondom de Liesdel. Deze wijk vormt de zuidrand van de locatie. Twee rijen woningen aan de Schoolstraat kijken uit op de planlocatie.
Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door twee vrijstaande woningen aan de Nieuwpoortseweg. De woningen liggen met de achterkanten naar de locatie en de tuinen zijn overwegend groen ingericht.
Aan de noorzijde ligt een klein eilandje als uitloper van de vesting. Op dit eilandje liggen vier woningen aan de Nieuwpoortseweg met daarachter een paardenwei ter hoogte van de locatie. Dit eiland is zeer groen van karakter en sluit aan bij de inrichting van de dijkjes en de vesting rondom Nieuwpoort. Tussen het eiland en de locatie ligt het water, , met aan de zijde van de locatie een wandelpad, de Doodloop, dat wordt begeleid door bomen. Dit pad sluit aan op de langzaam verkeersroute over de Singel.
Aan de westzijde grenst de locatie aan een agrarisch perceel en volkstuinen. Gescheiden door een smalle sloot. Achter dit perceel ligt de provinciale weg.
De planlocatie valt op dit moment grotendeels in het bestemmingsplan Dorpskernen vastgesteld op 26 maart 2013 en naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Raad van State van 16 april 2014 opnieuw vastgesteld op 4 november 2014. Binnen dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Gemengd' met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5'. Binnen de bestemming 'Gemengd' is naast wonen met daaronder begrepen aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven, ook bedrijven, horeca, detailhandel, maatschappelijke en culturele voorzieningen mogelijk.
Op de locatie is een groot bouwvlak getekend waarbinnen bebouwing is toegestaan. Aanvullend zijn maatvoeringen opgenomen voor dit bouwvlak die regelen dat maximaal 50% bebouwd mag worden met een maximale goothoogte van 4 meter.
Op de locatie ligt een dubbelbestemming voor 'Waarde - Archeologie-5'. Dit betekent dat voorafgaand aan het bouwen archeologisch onderzoek moet worden gepleegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Hierin moet worden gesteld dat de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden.
Tot slot is aan de westzijde een groenstrook als zodanig bestemd, en aan de zuidzijde een verkeersbestemming toegekend.
Afbeelding: vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied grenst aan bestemmingsplan Beschermd Stadsgezicht Nieuwpoort, vastgesteld 29 november 2012, zie bovenstaande afbeelding. Binnen dit bestemmingsplan grens het plangebied aan de bestemming 'Groen' met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie', 'Leiding-Riool' en 'Waarde - Archeologie 5'. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden die samenhangen met het beschermde stadsgezicht. De dubbelbestemming 'Leiding-Riool' overlapt het plangebied.
Het uitgangspunt voor de ontwikkeling van de locatie is dat er een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld. De geplande herontwikkeling van de voormalige supermarktlocatie naar woningbouw past niet binnen het bouwvlak van het vigerende bestemmingsplan. Om de planontwikkeling mogelijk te maken dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen om het vigerende bestemmingsplan te wijzigen.
Dit bestemmingsplan is qua systematiek aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Hiernaast zijn de kavelpaspoorten leidend geweest.
Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan bevat het relevante beleidskader. Hoofdstuk 3 beschrijft de gebiedsvisie. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van relevant onderzoek naar onder andere milieuaspecten. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. De economische uitvoerbaarheid is opgenomen in hoofdstuk 6, waarna in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 2.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 2.3, het regionale beleid in paragraaf 2.4 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 2.5. Paragraaf 2.6 omvat de conclusies ten aanzien van het beleidskader voor het plangebied.
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed.
Middels haar beleid wil het Rijk dat een goede ruimtelijke ordening geborgd wordt. Daarom wordt in de structuurvisie de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.
Voordat een ruimtelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de drie punten van deze ladder.
1. Beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling (aantal hectares of aantallen woningen) gaat het ook om kwalitatieve vraag.
2. Indien stap 1 kan worden beantwoord met een concrete vraag zal moeten worden getoetst of aan de vraag kan worden voldaan met de bestaande voorraad / binnen het bestaand stedelijk gebied (inbreiding boven uitbreiding)
3. Indien de vraag niet binnen bestaande voorraad / bestaand stedelijk gebied is op te lossen kan worden ontwikkeld voor uitbreiding maar uitsluitend indien deze locaties passend multimodaal kunnen worden ontsloten.
Het onderhavige plan betreft de herontwikkeling van de voormalige supermarktlocatie in de kern Nieuwpoort.
Het plan gaat uit van herontwikkeling van een locatie in bestaand stedelijk gebied, er is dus sprake van inbreiding. De herontwikkeling zorgt voor een passende invulling van de voormalige supermarktlocatie.
De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening), welke is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen.
Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
De provincie Zuid-Holland heeft op 9 juli 2014 de nieuwe provinciale structuurvisie vastgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is de opvolger van de provinciale Visie op Zuid-Holland. In de structuurvisie legt de provincie haar beleidslijnen ten aanzien van ruimtelijke ordening en mobiliteit vast. Middels de visie geeft de provincie op hoofdlijnen sturing aan ruimtelijke plannen.
Het hoofddoel van de VRM is om de juiste voorwaarden te scheppen voor een economisch krachtige regio met: ruimte voor ondernemen, goede infrastructuur en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de VRM streeft de provincie, anders dan in de voorgaande visie, naar een nieuwe sturingsfilosofie op het gebeid van ruimtelijke plannen. Deze nieuwe sturingsfilosofie wordt gekenmerkt door:
De structuurvisie geeft een doorkijk naar 2030. Het bestaande beleid wordt in veel gevallen verder doorgezet en uitgewerkt. De VRM is opgezet rondom 4 hoofdthema´s:
1. Beter benutten en opwaarderen, hiermee geeft de provincie de voorkeur voor inbreiding en herontwikkeling boven uitbreiding. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vindt regionale afstemming plaats in het kader van aanbod en behoefte.
2. Versterken stedelijk gebied, de provincie streeft naar concentratie en specialisatie van locaties. Hiermee wil de provincie op nationaal en internationaal niveau mee blijven tellen. Een goede infrastructuur is hiervoor een voorwaarde.
3. Versterken ruimtelijke kwaliteit, de karakteristieken van de verschillende Zuid-Hollandse landschappen moeten worden beschermd en versterkt. Nieuwe ontwikkelingen vinden bij voorkeur plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen is een aantoonbare maatschappelijke behoefte en een aantoonbare behoud en / of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. (onder ruimtelijke kwaliteit verstaat de provincie een integrale benadering van de aspecten, bruikbaarheid, duurzaamheid en belevingswaarde).
4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving, de provincie streeft er naar een voorloper te worden op het gebied van duurzame energieopwerking en verbruik.
Nieuwpoort wordt benoemd als cultuurhistorisch centrum op de kwaliteitskaart bebouwde ruimte/ stedelijke occupatie. Het plangebied zelf niet.
De locatie valt in de provinciale structuurvisie in de gebiedsaanduiding 'stads- en dorpsrand' en 'stads- en dorpsgebied'. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).
De ambitie van de provincie is om 80% van de nieuwbouw binnen het bestaande stads- en dorpsgebied te realiseren. Het karakter van het stads- en dorpsgebied wordt in de structuurvisie beschreven, waarbij aandacht wordt gevraagd voor het verschil tussen steden en dorpen. Voor de ontwikkeling van het stads- en dorpsgebied zijn verschillende ambities bepaald, waarbij behoud van eigen kleur voor ieder dorp een belangrijk uitgangspunt is. Verder zijn voor de planlocatie de volgende ambities van belang:
Doordat de bestaande supermarkt is gesloopt en de locatie wordt ingevuld met bij de omgeving passende woningbouw is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Immers een leegstaande supermarkt is geen aantrekkelijk gezicht, verpauperd en geeft een verhoogde kans op onwenselijke activiteiten als vandalisme. Het geheel vindt plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied en betreft een herontwikkeling. De onderhavige ontwikkeling past daarmee binnen de beleidslijnen, zoals deze door de provincie zijn vastgesteld.
Laag van de ondergrond
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor (het gebruiken van) de bestaande bodem en het watersysteem, de natuurlijke dynamiek en landschapsvormende processen, mede met het oog op het versterken van de toekomstwaarde van Zuid-Holland. Deze aandacht betaalt zich terug in een duurzame, veerkrachtige en robuuste provincie. Binnen het watersysteem zijn de rivieren, de zeearmen en andere watergangen belangrijke dragende structuren. In het plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'rivierklei'.
De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.
Richtpunten:
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor de kenmerken en waarden van de verschillende landschapstypen in de provincie. De locatie valt in de gebiedsaanduiding 'veen(weide)landschap'
Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
Richtpunten:
Gelijktijdig met de structuurvisie is door Provinciale Staten van Zuid-Holland de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld.
De verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd.
In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. De verordening heeft slechts betrekking op een beperkt aantal onderwerpen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale structuurvisie.
In de Verordening Ruimte zijn onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen.
Het onderhavige plan betreft herontwikkeling van de voormalige supermarktlocatie binnen de kern Nieuwpoort naar woningbouw en is in overeenstemming met het provinciaal beleid (zie ook 2.3.1).
De Woonvisie Zuid-Holland 2011 - 2020 is op 12 oktober 2011 vastgesteld door de Provinciale Staten. In deze woonvisie wordt geconcludeerd dat de crisis op de woningmarkt niet geheel is te wijten aan de economische recessie, maar door een structurele verandering van de woningmarkt: aan de vraagkant is kwaliteit belangrijker geworden en in sommige landelijke regio's in Zuid-Holland daalt de bevolkingsomvang. Dit vraagt om anticiperend beleid, waarbij de focus niet alleen gericht moet zijn op het bouwen van woningen, maar ook op het verbeteren van de leefomgeving.
In de provinciale woonvisie zijn daartoe vijf ambities geformuleerd:
Voor het plangebied liggend in de regio Alblasserwaard komt dit erop neer dat er beperkt kan worden gebouwd. Alleen kwalitatieve bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en passend binnen de door de provincie gestelde contigenten kan plaats vinden. Het huidige bouwplan is een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving waarbij er sprake is van herontwikkeling van de supermarktlocatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Hierdoor is het in overeenstemming met de Woonvisie.
In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio recent een nieuwe visie, de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030.
Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren.
In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De kernenprofilering biedt hiervoor een helder kader. In de kernenprofilering wordt de kern Nieuwpoort aangeduid als voorzieningenkern.
De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien.
De visie 'open voor elkaar' benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden.
In antwoord op de door de provincie opgestelde woonvisie heeft de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een regionale woonvisie opgesteld. De regionale woonvisie is een uitwerking van de Visie 2030 en heeft als doel de regionale afstemming van woningbouwplannen te bevorderen en de beleidslijnen ten aanzien van woningbouw in de regio helder te krijgen.
Doel van de visie is om in te kunnen spelen op de veranderende dynamiek van we woningmarkt en de woonkwaliteit te verbeteren. De woonvisie gaat uit van investeren in nieuwbouw regio-breed, maar aangepast op de lokale vraag. Om hierin het onderscheid aan te kunnen geven wordt er in de visie onderscheid gemaakt in:
Nieuwpoort/Langerak is een voorzieningendorp, waarmee toevoeging van nieuwbouw mogelijk is, zonder regionale afstemming tot en met 10 woningen en tot een maximale groei van 0.7% per jaar tot 2020. De optelsom van plannen in de kern Nieuwpoort/Langerak betekent, mede door de ontwikkeling van het Woonleefhart en Langerak-Zuid, meer dan 0,7% groei in de periode tot en met 2019. Er heeft daarom een regionale kwalitatieve plantoets plaatsgevonden.
Er is sprake van inbreiding en er is een passende oplossing voor de tijdelijke supermarkt. Doordat het plan snel gerealiseerd kan worden, wordt een dreigende ongewenste onderbreking van de bouwstroom in de kern Langerak voorkomen.
De vrije kavels (westelijk deel plangebied, bestemming Wonen) concurreren qua prijs en doelgroep niet met de woningbouwprojecten Woonleefhart en Langerak Zuid. De programmering van het Woonleefhart bevat geen vrije kavels. Langerak Zuid krijgt wellicht wel vrije kavels, maar gezien de ligging en de tijd van ontwikkeling zal dit niet met elkaar concurreren. Het bestemmingsplan maakt met een rechtstreekse bouwtitel realisatie van deze woningen in de eerste fase mogelijk.
De Schoolstraat is een inbreidingslocatie op korte afstand van de historische kern en het voorzieningencentrum. Woningen op deze locatie zijn dan ook een logische functie. De markt zal uitwijzen welke woningen in het uit te werken plandeel gewenst zijn. Dit kunnen rijwoningen voor starters of doorstromers zijn, maar evengoed kan de vraag uit de markt leiden tot een invulling met vrijstaande woningen of twee-onder-één-kapwoningen. Hierbij zal opnieuw gekeken worden naar de afstemming met andere ontwikkelingen, zoals Langerak-Zuid.
De woningen mogen pas worden gerealiseerd nadat is gebleken dat er voldoende vraag naar is in relatie tot de woningbouwprojecten Woonleefhart en Langerak Zuid én nadat de eerste fase van het bouwplan (westelijk deel van het plangebied) is gerealiseerd. Daartoe dient de bestemming te worden uitgewerkt.
Conclusie
De ontwikkeling past binnen de Regionale woonvisie en staat hiermee de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Het plan wordt opgenomen op de monitoringslijst zoals die door de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt gevoerd.
Nieuwpoort viel voorheen binnen de gemeente Liesveld. Het structuurplan 2006 is door de gemeente Molenwaard niet geactualiseerd, daarom wordt dit structuurplan Liesveld 2006 als kader gezien.
Verbetering van de kwaliteit van de woonomgeving door dorpsvernieuwing heeft een hoge prioriteit in het structuurplan. De locaties voor herstructurering binnen de woonomgeving zijn beperkt.
Daarnaast wil de gemeente voorzichtig zijn met het zogenaamde 'inbreiden', het volbouwen van trapveldjes of bepaalde kleinschalige groenstroken. Een te grote 'verdichtingsdrang' kan het typische dorpse karakter aantasten. Groen is naast een belangrijke kwaliteit ook een onderdeel van de identiteit. Bij dorpsvernieuwing wordt ervoor gewaakt dat het groen niet uit de dorpen verdwijnt.
Bij de vormgeving en verdere inrichting van de uitbreidingsgebieden zullen groen en water een belangrijke rol spelen. Het zijn tenslotte de kernkwaliteiten van het omringende landschap, die graag worden teruggezien als identiteitsdrager in de dorpen. In de toekomst zal daarom het landschap (groen en water) meer de dorpen in worden getrokken en worden gezorgd voor een goede (recreatieve) toegankelijkheid van het buitengebied. Dan is het ook mogelijk een ommetje te maken vanuit de eigen wijk het weidse landschap in. In de uitbreidingswijken zal 'waterneutraal' worden gebouwd.
Bij de ontwikkeling aan de randen van de dorpen dient tevens aandacht te worden besteed aan een goede overgang met het landelijk gebied.
De wijk Liesdel, die grenst aan de locatie, wordt specifiek benoemd in het structuurplan als het gaat om een kwaliteitsimpuls voor de entree van Nieuwpoort langs de provinciale weg. De inspanning is gericht op realisering van een algehele kwaliteitsverbetering van de woonwijk tussen de Nieuwpoortseweg en de provinciale weg in combinatie met een voornamelijk groenblauwe herinrichting van het westelijk tussengebied langs de provinciale weg. In dit tussengebied ligt primair de opgave voor de aanleg van een ecologische verbinding die een duidelijke meerwaarde biedt aan zowel de aangrenzende woonwijk als de wijdere omgeving. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een brede sloot met natuurvriendelijke oevers. Daarnaast wordt in overleg met de buurtbewoners bezien of een zorgvuldige toevoeging van kleinschalige woonbebouwing in het verlengde van nieuwbouw in de Schoolstraat een meerwaarde aan de gehele woonwijk kan geven. Zoals hier te lezen valt wordt in het structuurplan dus al expliciet rekening gehouden met nieuwbouw in de Schoolstraat, oftewel nieuwbouw op de planlocatie.
Ook wordt de mogelijkheid bekeken of het tussengebied bij kan dragen aan de oplossing van enkele in de wijk gevoelde knelpunten zoals het parkeren, verouderde woningvoorraad, speelruimte en recreatie in de buurt.
29 Huurwoningen zijn inmiddels gerenoveerd, maar op dit moment zijn er nog geen concrete plannen voor deze kwaliteitsimpuls van de rest van de woonwijk of de tussenzone. Wel zijn er enkele woningen verkocht door de woningbouwstichting Lek en Waard Wonen.
Het rapport Kaderstelling Wonen Molenwaard schetst de kaders voor de herijking van het woningbouwprogramma van de gemeente Molenwaard.
De gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland zijn per 1 januari 2013 gefuseerd tot de nieuwe gemeente Molenwaard. Als onderdeel van de fusie was een herijking van het woonbeleid nodig.
In de kaders en de bijbehorende criteria bestaat een ordening. Allereerst worden de prioritaire woningbouwprojecten aan de kernen toegedeeld. Dit zijn de projecten die maatschappelijk urgent (criterium 2.5), planologisch hard (criterium 3.2) of juridisch bindend (criterium 4.2) zijn.
In alle kernen, met uitzondering van Nieuwpoort/Langerak, is het totaal aantal woningen in deze prioritaire projecten lager dan de geprognotiseerde woningbehoefte van de kern. Voor Nieuwpoort/Langerak is de maximale woningbehoefte volgens de quickscan 167 woningen. Met de ontwikkeling van de 270 woningen van Langerak-Zuid, 69 appartementen in het Woonleefhart en nog enkele andere kleine ontwikkelingen wordt dit aantal ruimschoots overschreden. Mede om deze reden heeft de gemeenteraad eind 2013 besloten om het woningaantal in Langerak-Zuid te verkleinen en is ook het programma bij enkele andere projecten neerwaarts bijgesteld, waaronder ook op de onderhavige planlocatie aan de Schoolstraat.
Ook wordt er in het rapport aandacht besteed aan de gewenste doelgroepen. Woondorpen (met weinig voorzieningen) bouwen voornamelijk voor starters en doorstromers. De voorzieningendorpen kunnen ook voor senioren bouwen. Nieuwpoort wordt samen met Langerak geduid als een voorzieningendorp.
In is 1972 is besloten dat het gebied in de gemeente Nieuwpoort Groot Ammers en Langerak, zoals is aangegeven op de bijbehorende tekening nr.282 (zie hieronder), aan te wijzen als stadsgezicht in de zin van artikel 20 van de Monumentenwet. Dit omdat in Nieuwpoort de fraaie wallen, de historische stedebouwkundige structuur en de bebouwing - met als hoofdaccenten het stadhuis en de kerk - tezamen een intiem stedelijke totaliteit vormen, die vanwege de schoonheid en het karakter ervan van algemeen belang zijn.
Het plangebied valt buiten het gebied van beschermd stadsgezicht, maar ligt wel aan de rand en bij ontwikkeling zal dus wel rekening gehouden worden met deze positie door aansluiting te zoeken in architectuurstijl.
De wijk Liesdel is in de welstandsnota getypeerd als een woonwijk met traditionele blokverkaveling. Dit is een planmatig ontwikkelde woonwijk met een in vorm en uitstraling eenzijdige woonbebouwing. Zowel voor de tweede wereldoorlog als in de jaren 50 en 60 zijn veel uitleggebieden gerealiseerd met een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel en bomen op de trottoirs. Langs straten zijn woningen gebouwd, veelal in rijtjes van drie of meer, afgewisseld met dubbele en vrijstaande woningen. De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een ingetogen materiaal en kleur gebruik en eenvoudige hoofdbouwmassa's.
Welstandseenheden
Gebieden met een overwegend traditionalistische bebouwing worden gekenmerkt door een eenvoudige ruimtelijke structuur, stedenbouwkundige patroon en eenvoudige hoofdbouwvormen. De architectuur en de toegepaste materialen en bouwvormen stralen antistedelijkheid uit. Doorgaans worden natuurlijke materialen toegepast zoals baksteen en gebakken pannen. De gevels zijn van een gedekte materiaalkleur en voorzien van een eenvoudige 'dorpse' detaillering. Grofweg zijn er drie typen bebouwingselementen te onder scheiden:
- individuele objecten
- seriële objecten
- bijzondere bebouwingselementen
De wijk Liesdel is te karakteriseren als samenhangende ensembles met een duidelijke en herkenbare traditionalistische bebouwing. In dit gebied is het Basis niveau van welstand van toepassing en voor de gebieden met traditionalistische bebouwing ( W4 ) gelden aparte welstandscriteria.
Ondanks dat de planontwikkeling in strijd is met het vigerende bestemmingsplan past het plan binnen het ruimtelijk beleid van het Rijk, provincie, regio en gemeente.
De nederzetting Nieuwpoort werd in 1250 gesticht door de heer van Liesveld en de heer van Langerak op de plek waar de Nieuwpoortse Vliet in de Lek uitmondt. In de Nieuwpoortse Vliet werd een dam met sluis gebouwd waardoor er een buiten- en binnenhaven ontstond. Reeds in 1283 werden aan de nederzetting stadsrechten toegekend. Het eerste kerkgebouw dateerde uit 1420, maar ging waarschijnlijk in 1524 verloren als gevolg van een van de verschillende stadsbranden die Nieuwpoort geteisterd hebben. De huidige hervormde kerk bevat gedeelten uit de zestiende en delen uit de achttiende eeuw.
Gelegen op de grens van Holland en het Sticht (Utrecht) heeft de stad verschillende oorlogshandelingen moeten ondergaan. In 1567 werd de middeleeuwse omwalling geslecht, een klein deel daarvan is aan de zuidzijde van de stad nog herkenbaar. Als gevolg van de dreiging van een oorlog met Frankrijk in de zeventiende eeuw werd het stadje opgenomen in de Oud-Hollandse Waterlinie. Het rechthoekig opgezette stadje werd onder meer voorzien van zes bastions. Als gevolg van het opwerpen van de nieuwe verdedigingswerken werden tientallen huizen gesloopt. In 1697 bouwde men een nieuw stadhuis en wel op de overkluisde inundatiesluis in de haven. In 1787 verloor de stad haar functie als vesting. Wel boden de vestingwallen bij verschillende watersnoodrampen bescherming tegen het opkomende water.
Na 1900 is de bebouwing aan de Hoogstraat verdicht. Na de Tweede Wereldoorlog is aan de zuidzijde van de stad een nieuwbouwwijk gerealiseerd. Nieuwpoort heeft de status van een beschermd stadsgezicht. Het merendeel van de verdedigingswerken uit de periode dat de stad onderdeel uitmaakte van de Oud-Hollandse Waterlinie is bewaard gebleven.
Nieuwpoort wordt ontsloten vanaf de provinciale weg N216 door de Veersedijk aan de noordzijde en de Nieuwpoortseweg aan de zuidzijde. De planlocatie ligt aan de zuidzijde van Nieuwpoort en ten westen van de Nieuwpoortseweg. Vanaf deze weg is de Schoolstraat één van de inprikkers de wijk Liesdel in. De Nieuwpoortseweg is een 30 km-weg die doorloopt naar de vesting.
De Schoolstraat staat haaks op de Liesdel die evenwijdig aan de Nieuwpoortseweg, van noord naar zuid, door de hele wijk loopt. De Schoolstraat loopt dood op het agrarische perceel aan de westzijde van de planlocatie.
Ten noorden van de planlocatie ligt een langzaam verkeersroute in halfverharding, de Doodloop. Dit smalle pad langs het water heeft een landelijk karakter passend bij de agrarische omgeving, de dijkjes en de vesting. Deze route loopt van de Nieuwpoortseweg naar de Singel. De Singel is ook een langzaam verkeersroute, maar met enkele woonhuizen en de toegang tot volkstuinen. Vanuit de wijk Liesdel is er geen verbinding met deze langzaam verkeersroutes.
De planlocatie ligt op de rand van de uitbreidingswijk Liesdel. De buurt Liesdel is de vroeg-naoorlogse (jaren '60) uitbreidingswijk van Nieuwpoort bij de vesting met een beperkte variatie aan woningtypen met vrijwel uniforme hoogte.
Aan de oostzijde van de planlocatie liggen twee vrijstaande woningen, aan de Nieuwpoortseweg. Deze woningen zijn 1 laag met kap, waarbij de goot tussen de 3 en 4 meter ligt.
In de vesting is de bebouwing over het algemeen 1 tot 2 lagen met kap en bestaat uit individuele woonhuizen en enkele winkelpanden met een zeer kleinschalig karakter. Als uitzondering hierop zijn er een aantal kleine rijen en een paar grote bouwvolumes.
Nieuwpoort en zijn omgeving is groen en waterrijk van karakter. Het water is prominent aanwezig in de gehele kern. Naast de Lek aan de noordzijde en de Singel rondom de vesting lopen er verschillende watergangen het achterland in. Langs de Nieuwpoortseweg loopt een brede watergang richting het zuiden. Deze watergang is beeldbepalend voor deze entreeroute naar Nieuwpoort. Ook ten oosten van de kern liggen er enkele brede watergangen tussen Nieuwpoort en Langerak.
Voor de locatie is de noordelijk gelegen watergang zeer beeldbepalend. Dit is een lus van water aan de Singel die verder gaat richting het westen. In deze lus ligt een eiland met vier woonhuizen en een paardenwei. Dit geheel heeft een zeer groen en landelijk karakter en sluit aan op de groene wallen van de vesting. Deze groene wallen samen met de groene taluds van de singel geven Nieuwpoort een groen karakter.
De wijk Liesdel is veel minder groen van karakter. Rondom liggen wel grote groenblauwe gebieden of stroken (agrarisch, water), maar er is in de buurt weinig (bruikbaar) groen. Er staan in de straten geen bomen en de ondiepe voortuinen geven geen groen beeld. Ook het speelplekje op de hoek Liesdel-Vlietstraat is in zijn geheel verhard met slechts enkele bomen. De Nieuwpoortseweg wordt begeleid met grote laanbomen dat een groen beeld geeft.
Het plangebied ligt op de rand van het groene en waterrijke gebied van de vesting en de 'stenige' wijk Liesdel.
Op de locatie zelf staat één boom tussen de voormalige supermarkt en de Schoolstraat, een volwassen kastanjeboom. Er staan nog twee wat kleinere bomen op het grasveld. In de noordwesthoek is een verwilderde bosschage aanwezig.
De locatie ligt in een woongebied. In de wijk zijn geen voorzieningen aanwezig. Het grootste deel van de voorzieningen bevindt zich in het centrum van de vesting van Nieuwpoort. Aanvullend hierop is winkelruimte aanwezig aan de overzijde van de Nieuwpoortseweg, het WoonLeefHart. Hier is naast appartementen een supermarkt en een brede school beschikbaar. De locatie ligt op circa 450 meter van de vesting en 300 meter van het Woonleefhart.
Vanuit de ruimtelijke analyse en de beoordeling van het vigerend beleid zijn verschillende modellen geschetst. Op basis van de analyses en modellenstudies zijn de ruimtelijke kaders vastgelegd waarbinnen initiatieven uit de markt gerealiseerd kunnen worden.
Om een beeld te geven van de mogelijke uitwerking van het gestelde kader is hieronder een inrichting van de locatie geschetst. Dit beeld laat zien dat er kansen zijn om aantrekkelijke woningen te realiseren voor verschillende doelgroepen en iets toe te voegen is voor de bestaande woonomgeving.
Westelijke kavels
Het westelijk deel van het plangebied betreft 3 vrije kavels met een omvang van circa 500 - 800 m2. De gemeente wil deze kavels als particulier te ontwikkelen in de markt zetten voor de zelfrealisatie van vrijstaande woningen. De woningen krijgen een dorps karakter en een streekeigen uitstraling. Ze sluiten aan op de historische bebouwing van Nieuwpoort.
De woningen richten zich op de openbare ruimte. Dit is in alle gevallen de oostelijke zijde aan de nieuwe toegangsweg. Daarnaast, voor de meest zuidelijke kavel, ook de zuidelijke zijde aan de Schoolstraat en voor de meest noordelijke kavel mede de zijde aan de historische waterloop van Nieuwpoort. Deze positie maakt dit een bijzondere kavel. De dubbele oriëntatie zal in de architectuur goed uitgewerkt moeten worden.
Rijwoning
In de getekende suggestie is voor het oostelijk deel van het plangebied een rij van 7 woningen ingetekend. Dit is het maximale programma op dit deel van het plangebied. De gemeente wil echter nadrukkelijk inspelen op de vragen uit de markt. Op deze plek is er dan ook de mogelijkheid om andere woningtypen te realiseren zolang in het hele plangebied maar niet meer dan 10 woningen in totaal worden gerealiseerd en wordt voldaan aan de uitgangspunten in dit bestemmingsplan.
De suggestie gaat uit van rijwoningen, maar het bestemmingsplan staat ook andere typen toe zoals vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen of patiowoningen.
Er is gekozen voor een opzet haaks op de Schoolstraat voor de rijwoningen. Met deze opzet is gekozen voor een afsluiting van de wijk Liesdel. De nieuwbouw wordt zo betrokken bij het bestaande deel van de wijk.
Groen
De buurt Liesdel heeft maar een beperkte hoeveelheid (speel)groen. Bij deze ontwikkeling wordt hier dan ook rekening gehouden door in het plan een minimale hoeveelheid openbaar groen als verplichting op te nemen bij realisatie van de ontwikkeling. In de schets is dit nu gepositioneerd aan de Schoolstraat, maar deze locatie ligt niet vast. Wel dient het groen in het oostelijk deel gerealiseerd te worden en krijgt het een minimale omvang.
Verkeer en parkeren
De hoofdontsluiting wordt gevormd door de bestaande Schoolstraat. Deze wordt qua ligging en uitvoering niet aangepast. Vanaf de Schoolstraat wordt de nieuwe toegangsweg bereikt vanaf waar alle kavels, in het westelijk plandeel, worden ontsloten. Deze kavels kunnen voor de auto dus niet ontsloten worden vanaf de Schoolstraat of de Doodloop. De nieuwe ontsluitingsweg wordt om die reden niet doorgetrokken tot de Doodloop, maar wordt onderbroken door een groenbestemming.
Belangrijke aandachtspunt is het parkeren. Het bestaande parkeren langs de Schoolstraat wordt hiervoor uitgebreid en aangevuld met parkeren op eigen terrein. Voor dit aspect wordt verder verwezen naar 4.9.2 Parkeren.
Fasering
Besloten is nu enkel het westelijke plandeel, met 3 vrije kavels, op de markt te brengen. Het deel waar de woningen zijn geprojecteerd wordt niet direct in ontwikkeling gebracht. Deze woningen mogen pas worden gerealiseerd nadat is gebleken dat er voldoende vraag naar is in relatie tot de woningbouwprojecten Woonleefhart en Langerak Zuid én nadat de eerste fase van het bouwplan (westelijk deel van het plangebied) is gerealiseerd.
Om die reden wordt voor dit deel een uitwerkingsverplichting opgenomen zodat de gemeente sturing kan geven aan het moment van realisatie.In dit geval is de bestemming 'woongebied-uit te werken' toegepast waar pas kan worden gebouwd als het uitwerkingsplan van kracht is. Gekozen is voor woongebied omdat ook het groen en de voetpaden in dit gebied vallen. Daarmee kan in een later stadium bepaald worden, afhankelijk van de woningtypologieën, wat de exacte indeling wordt.
Voor de vrije kavels zijn kavelpaspoorten gemaakt met daarin de uitgangspunten over o.a. hoogte en bouwvlakken. Deze kavelpaspoorten zijn besproken met de gemeentelijke projectgroep en de gedelegeerde van de welstandscommissie. De paspoorten vormen de basis onder de verbeelding en de regels.
De ruimtelijk relevante randvoorwaarden, voor situering, maten en oppervlakten van hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, zijn in de bouwregels van voorliggende bestemmingsplan verankerd.
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Omgevingstype
De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustige woonwijk, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, niet gereduceerd kunnen worden met één afstandsstap.
Categorie bedrijvigheid
In onderstaande tabel is weergegeven welke type inrichtingen in de omgeving van de locatie zijn gelegen, tot welke VNG-categorie deze behoren, wat de bijbehorende richtafstand is rekening houdende met omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De kolom ‘werkelijke afstand’ is de afstand van de inrichtings-/bedrijfsgrens tot de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woningen. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid of stof) is.
De realisatie van 10 woningen middels het bestemmingsplan ‘Schoolstraat’ in een gebied dat is te beschouwen als een ‘rustige woonwijk’. Uit het onderzoek blijkt dat VGN-richtafstanden geldend voor de bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied niet over het plangebied zijn gelegen. Daardoor is er geen belemmering vanuit bestaande bedrijven.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:
Wet bodembescherming
Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
Op locaties waar ontwikkelingen plaatsvinden dient de bodem gesaneerd te worden als sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een saneringsplan opgesteld te worden dat goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).
Aangezien sprake is van functiewijziging is verkennend bodemonderzoek voor dit bestemmingsplan noodzakelijk. Hoewel uit informatie van het bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat de planlocatie is onderzocht en er geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek is toch een verkennend onderzoek gedaan. Dit omdat de onderzoeken gedateerd zijn en onvoldoende basis bieden voor dit bestemmingsplan.
Onderzoek
Door IDDS is op 12 februari 2015 een verkennend bodemonderzoek gedaan, in de vorm van (historisch) vooronderzoek en booronderzoek.
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en/of de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate
gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is.
Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 4 Akoestisch onderzoek
In het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de aanvraag van een omgevingsvergunning of graafwerkzaamheden. Indien er grond wordt afgevoerd of toegepast op een locatie, dient dit plaats te vinden conform de van overheidswege gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.
Uit het verkennend bodemonderzoek komt naar voren dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader van het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.
Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).
Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer. Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. in het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1).
Het plan is gelegen binnen de geluidzones wetgeluidhinder van de N-216. Door Voortman Ingenieurs is in januari 2014 (geactualiseerd maart 2015) een geluidsonderzoek gedaan naar het wegverkeerslawaai (zie Bijlage 4 Akoestisch onderzoek). Doel was om te onderzoeken of er belemmeringen zijn voor ontwikkeling van de locatie.
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat:
Hogere waarden
Bij een aantal woningen resteert een hogere geluidbelasting dan de heersende waarde.
Voor de woningen, direct grenzend aan de westgrens van het plangebied, zal de gemeente hogere grenswaarden van ten hoogste 50 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh, vaststellen.
Geluidwering van de gevel
Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd en voor woningen met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh, dient voorafgaand aan de bouwaanvraag, een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.
Voor de woningen, direct grenzend aan de westgrens van het plangebied, zal de gemeente hogere grenswaarden van ten hoogste 50 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh, vaststellen.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
| stof | toetsing van | grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | ||
In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³), of indien een project in een specifiek aangeduide categorie valt (zoals woningbouw met 1 ontsluitingsweg en minder dan 1.500 woningen).
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Industriële emissiebronnen
Er zijn geen industriële bronnen in de directe nabijheid van het plan die een relevante invloed hebben op de luchtkwaliteit in het plangebied.
Verkeersemissies
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2014. In deze tool is onder andere de Provincialeweg N216 opgenomen. In onderstaande afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) weergegeven voor het peiljaar 2015.
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat, nabij het plangebied, de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20 ìg/m3, 23 ìg/m3 en 15 ìg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (25 ìg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 11, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen
overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Bijdrage van plan aan luchtemissie
Tevens dient getoetst te worden of het plan zelf niet in ongunstige mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De enige relevante emissies is het plan betreft het woonbestemmingsverkeer. De bijdrage van dit verkeer is echter dusdanig gering dat dit geen toename is ten opzichte van 3 % grens. Het plan blijft onder de drempel van het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM).
Met het bestemmingsplan wordt het juridisch planologisch mogelijk gemaakt om maximaal 10 woningen te realiseren. Deze ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.
Normstelling en beleid
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken. Zowel de grens- als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Op basis van het Bevi geldt als oriëntatiewaarde voor het GR:
Het Bevi bevat een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen.
Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde oriëntatiewaarde.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Uit de "Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" d.d. 10 juli 2012, opgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, blijkt dat alleen voor rijkswegen de externe veiligheidsrisico's zijn beschouwd. Voor gevaarlijk wegtansport binnen gemeentelijke en provinciale wegen is de gemeente c.q. de provincie bevoegd een routering vast te leggen. Om een extern risico van enige omvang aan te kunnen tonen is een relevante vervoersstroom van bulktransport nodig. Over de N216 (provinciale weg Schoonhoven-Gorinchem bij Langerak) vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand tot het plangebied bedraagt minder dan 100 meter. Volgens de risicokaart is er geen PR 10-6-contour (deze bedraagt 0 m, bron: www.risicokaart.nl).
Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen:
Op basis van de gegevens uit de risicokaart is de Provincialeweg N216 aangewezen als een transportroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
Over het wegvak Z132 van de N216 Schoonhoven - Gorinchem vindt vervoer plaats van brandbare vloeistoffen (LF1), zeer brandbare vloeistoffen (LF2) en zeer brandbare gassen (GF3). In de volgende tabel zijn de aantallen transportbewegingen van elke stof weergegeven.
Uit de gegevens blijkt dat langs de N216 geen PR 10-6-risicocontour aanwezig is. Daardoor levert het plaatsgebonden risico geen belemmering op voor de realisatie van 10 woningen.
Op basis van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) geldt voor de stofgroepen LF1 en LF2 een invloedsgebied van 45 meter. Voor de stofgroep GF3 is een invloedsgebied van 355 meter van toepassing. Deze afstanden worden gemeten vanuit het hart van de weg. Het plangebied is op circa 100 meter van de transportroute N216 gelegen. Daarmee ligt het plan binnen het invloedsgebied van de stofgroep GF3.
In het Besluit behorende bij het Basisnet Weg, dat naar verwachting in 2015 in werking treedt, is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Hiervoor zijn in de bijlagen behorende bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld. Deze drempelwaarden geven de gebruiker een indicatie wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden. Een drempelwaarde van hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico geeft een indicatie dat zeker een Groepsrisico-berekening moet worden uitgevoerd.
Voor de stofgroep GF3 is aangegeven dat, rekening houdend met tweezijdige bebouwing, bij een dichtheid van ten minste 1.000 personen per hectare en 50 transportbewegingen sprake is van een groepsrisico dat hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het aantal transportbewegingen van de stofgroep GF3 is maximaal 17. Dit aantal is ruimschoots lager dan de hiervoor genoemde drempelwaarde van 50 transportbewegingen. Een dichtheid van 1.000 personen per hectare komt overeen met een hoog stedelijke situatie. Gezien het bebouwingsbeeld in de omgeving van het plangebied in de huidige en toekomstige situatie wordt een dergelijke dichtheid met zekerheid niet gehaald.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het transport van gevaarlijke stoffen over de N216 een groepsrisico oplevert dat ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft. Om die reden wordt afgezien van een nieuwe berekening van het groepsrisico.
Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor de realisatie van 10 woningen aan de Schoolstraat.
In het gebied is een Clic-melding gedaan om de aanwezigheid van kabels en leidingen in het gebied in beeld te brengen. Uit deze Clic-melding blijkt dat er op dit punt geen zaken zijn die ontwikkeling structureel beïnvloeden.
Wel is er ten noorden van het plangebied, min of meer onder de Doodloop, een rioolawatertransportleiding aanwezig (zie 4.8.3).
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de natuurbeschermingswetgeving. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming (o.a. Natuurbeschermingswet 1998) en soortenbescherming (Flora- en faunawet). Met deze wetten zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn verankerd in de nationale wetgeving. Onder gebiedsbescherming valt ook de toetsing aan het provinciaal ecologisch beleid, waarmee bepaalde gebieden en landschaps-elementen worden beschermd, zoals de Ecologische Hoofdstructuur en het weidevogelgebied.
Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingswet
Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw). Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en wetlands. Voor activiteiten met een mogelijk effect op deze gebieden is toetsing aan de Nbw noodzakelijk.
Natura 2000
Voor het uitvoeren van projecten en handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied en die niet nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied, is een vergunning nodig. Het bevoegd gezag hiervoor zijn Gedeputeerde Staten, tenzij de Nbw-procedure aanhaakt bij de omgevingsvergunning. In dat geval zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, maar is er een verklaring van geen bedenkingen van GS nodig.
Instandhoudingsdoelstellingen beschrijven de doelen voor natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten om een gunstige staat van instandhouding te waarborgen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet op grond van artikel 19j van de Nbw rekening worden gehouden met de effecten van het plan op Natura 2000-gebieden. Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Van negatieve effecten is sprake als, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een habitattype verslechtert of soorten significant worden verstoord. Deze bescherming geldt alleen voor de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Projecten en handelingen die de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied aantasten zijn in ieder geval vergunningplichtig op grond van artikel 19d Nbw.
Beschermde Natuurmonumenten
Bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden is het mogelijk dat (delen van) Beschermde Natuurmonumenten binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied vallen. Indien dit het geval is houdt dit in dat, het betreffende aanwijzingsbesluit tot natuurmonument is komen te vervallen (artikel 15a, lid 2 Nbw). Echter, het voormalig beschermd natuurmonument is nog wel beschermd op grond van de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het van rechtswege vervallen besluit (artikel 15a, lid 3 Nbw). Concreet betekent houdt dit in dat de status van Natuurmonument, na aanwijzing als Natura 2000-gebied, is komen te vervallen maar de doelstellingen niet.
Op grond van artikel 19j lid 1 hoeft niet te worden getoetst aan de doelstellingen van een (voormalig) beschermd natuurmonument. Er moet echter wel op grond van de goede ruimtelijke ordening en het zorgplichtartikel 19l Nbw, worden getoetst aan deze doelstellingen. Met andere woorden: er moet zicht zijn op de haalbaarheid van het plan. Indien het plan effecten kan hebben op het voormalig beschermd natuurmonument, moet worden beoordeeld of hiervoor een vergunning ex artikel 16 Nbw noodzakelijk is en of deze kan worden verleend. In dit artikel is namelijk bepaald dat het verboden is zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.
Ecologische Hoofdstructuur
Het voormalige ministerie van LNV heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) geïntroduceerd. De EHS bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de EHS is de instandhouding en ontwikkeling van deze natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. De EHS wordt beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening.
Het in de Nota Ruimte vastgelegde rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van de EHS, is vertaald in regelgeving in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat per provincie is uitgewerkt in een provinciale ruimtelijke verordening. In de Verordening Ruimte (actualisering 2012) van de provincie Zuid-Holland zijn verplichtingen opgenomen voor bescherming van de EHS. Kort gezegd is hier geregeld dat (ruimtelijke) ingrepen in de EHS die de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS significant aantasten niet zijn toegestaan, tenzij:
Dit is vastgelegd in het 'nee, tenzij'-regime uit de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013 (hierna: compensatieregeling).
Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag (de gemeente) erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Gemeenten moeten het in de verordeningen en beleidsregel vastgelegde beschermingsregime voor de EHS verankeren in bestemmingsplannen en ook de naleving daarvan borgen bij het (verlenen van omgevingsvergunningen voor het) afwijken van ruimtelijke regels.
Overigens kan een gebied, naast een onderdeel zijn van de EHS, tegelijkertijd een Natura 2000-gebied zijn. Als er sprake zou zijn van tegenstrijdige vereisten, dan is het beschermingsregime Natura 2000 leidend.
Soortenbescherming
Soortenbescherming wordt gewaarborgd door de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). De Ffw beschermt alle in het wild levende soorten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. De beschermde diersoorten (vogels, vissen, zoogdieren, amfibieën, reptielen, insecten, ongewervelden, et cetera) en ongeveer 100 plantensoorten zijn te vinden in tabellen, die deel uitmaken van de Ffw. Daarnaast zijn alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen beschermd tijdens de broedperiode en zijn van een aantal soorten de vaste rust- en verblijfplaatsen en functionele omgeving jaarrond beschermd.
Het uitgangspunt van de Ffw is dat alles wat schadelijk is voor beschermde soorten verboden is, zoals het verstoren, verontrusten, doden, vangen, plukken, vernielen, verwonden van soorten of het wegnemen, vernielen of verstoren van hun verblijfplaats. Van het verbod kan alleen onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken. Voor álle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Ffw noodzakelijk. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen. Indien dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het Ministerie van EZ. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase.
Naast de verbodsbepalingen staat in de Ffw dat voor alle in het wild levende planten- en dier-soorten de zogenaamde zorgplicht geldt. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Bij beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Door IDDS is op 22 januari 2015 veldonderzoek uitgevoerd. Uit dit ecologische onderzoek komen de volgende onderzoeksresultaten naar voren:
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 1 Ecologisch onderzoek.
Voor het bestemmingsplan is de watertoets wettelijk van toepassing. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. De watertoets heeft als doel 'het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer'.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen die betrekking hebben op de waterhuishouding. Deze hebben allen als doel 'een duurzaam waterbeheer, zowel kwalitatief als kwantitatief'. De volgende beleidsstukken zijn van toepassing:
Europees
Nationaal
Provinciaal
Deze beleidsstukken hebben eveneens hun vertaling gekregen in het Waterbeheerplan 2010-2015 (WBP). In het kader van het vooroverleg zal overleg worden gevoerd met de waterbeheerder, Waterschap Rivierenland, waarna de opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.
Door het waterschap Rivierenland is het Waterbeheerplan 2010-2015 opgesteld. Dit beleidsplan heeft een integraal en strategisch karakter. De beleidslijnen tot 2015 zijn hierin vastgelegd:
Met het Waterbeheerplan 2010-2015 zet het waterschap haar beleid uit de voorliggende periode voort en waar noodzakelijk is het beleid verder geïntensiveerd. Alle beleidsaspecten van waterkeringen, watersysteem en
afvalwaterketen zijn in dit plan verwoord. Ook zijn voor het eerst de nationale, de provinciale en waterschapsplannen tegelijkertijd opgesteld. Omdat deze verschillende plannen elkaar beïnvloeden is er veel geïnvesteerd in een goede afstemming tussen de verschillende overheden.
Peilgebied
Het plangebied is gelegen in het peilgebied van de Overwaard, gebied OVW065. Dit peilgebied heeft een zomerpeil van -1,52 NAP en een winterpeil van -1,57 NAP.
Oppervlaktewater
Zoals op de legger wateren is te zien zijn er ten noorden en westen van het plangebied watergangen gelegen.
De ten westen van het plangebied gelegen watergang met nummer 44479 heeft een B-min status. Voor B-min watergangen geldt een onderhoudsplicht voor de aangrenzende eigenaren en is een onderhoudszone van 1 meter vanaf de insteek van de watergang van toepassing.
Ten noorden van het plangebied ligt een A-watergang. Deze watergang met kenmerk 352 maakt onderdeel uit van de hoofdafwatering van het peilgebied. Voor de A-watergang geldt een gedeeld onderhoud en aan beide zijde van de watergang een beschermingszone (onderhoudszone) van 5 meter.
Er zal geen oppervlaktewater binnen het plangebied worden gedempt.
Het onderhavige plan gaat uit van de sloop van het supermarktgebouw en de realisatie van woningen. In de oude situatie (voordat de supermarkt werd gesloopt) was het plangebied deels bebouwd en verhard. Ook in de toekomstige situatie zal een aanzienlijk deel van het plangebied worden bebouwd (woningen) en verhard (openbare weg en erfverharding). De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen.
Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in de stedelijke kern is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak meer toeneemt dan 500m².
Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2.
Om de verhardingen in kaart te brengen is er een oppervlaktebalans opgesteld.
Zoals uit de oppervlaktebalans blijkt zal het verhard oppervlak met 340,7 m2 toenemen. Dit aantal blijft binnen de norm van 500m2 en er is daarmee geen sprake van een compensatieplicht. In de studies is rekening gehouden met de mogelijkheid om extra water te realiseren indien dat ruimtelijk gewenst is door de individuele kavelbouwer. Extra water kan enkel plaatsvinden door (plaatselijke) verbreding van de bestaande, westelijk gelegen, watergang. Dit water is strikt gezien dus niet noodzakelijk en wordt in de ontwikkeling niet als hard kader mee gegeven.
Mocht dit water worden gerealiseerd dan zal dit in overleg met de waterbeheerder moeten gebeuren. Deze watergang zal dezelfde status krijgen als de watergang zelf waarbij rekening moet worden gehouden met een beschermingszone van 1 meter, gemeten vanaf de bovenkant van de taluds. Dit in verband met het toezicht en onderhoud van watergangen en om die reden mag geen bebouwing binnen deze zone worden gerealiseerd.
Geconcludeerd kan worden dat er als gevolg van de nieuwbouw, bij een flinke regenbui, geen waterpeilstijgingen in de omliggende watergangen optreden.
Aan de achterzijde van de percelen Nieuwpoortseweg 10 en 12 bevindt zich een drainage om een goed waterafvoer te borgen. Wanneer op het oostelijk deel van de locatie Schoolstraat nieuwe woningen worden gebouwd, zal beoordeeld worden of de bestaande voorzieningen afdoende zijn of dat er aanvullende maatregelen voor een goede waterafvoer noodzakelijk zijn.
Waterkering
Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Waterkeringsaspecten zijn niet aan de orde.
Kwel
In de directe omgeving van het bouwplan is vanwege de nabij gelegen Lek sprake van groot oppervlaktewater. Kwelproblemen zijn niet aan de orde.
Grondwaterbeschermingszone
De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingszone als bedoeld in Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland.
Riolering
Ten noorden van het plangebied, min of meer onder de Doodloop, ligt een rioolwatertransportleiding. Deze leiding heeft aan beide zijde een beschermingszone die vrij dient te worden gehouden van bebouwing. De leiding en de beschermingszone zijn op de verbeelding opgenomen.
Voor de nieuw te bouwen woningen zal een gescheiden rioolsysteem worden aangelegd in de nieuw aan te leggen woonstraat. De riolering zal onder vrij verval worden aangelegd en aangesloten op de bestaande riolering in de Schoolstraat.
Voor wat betreft hemelwater wordt gevolg gegeven aan de beleidslijn voor nieuwbouw en wordt ingezet op het niet-aankoppelen van schone oppervlakken. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is er op gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Er mogen hierbij geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt. In de nabije omgeving van het bouwplan is voldoende oppervlaktewater aanwezig waarop het hemelwater (op eenvoudige wijze) kan afwateren. Daarom zal in de nieuwe situatie het hemelwater direct worden geloosd op de aangrenzende watergangen.
Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Wegen
Buiten de bebouwde kom is het waterschap in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden de wegbeheerder, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De wegen in de stedelijke kern van Langerak zijn in beheer en onderhoud bij de gemeente Molenwaard.
Het voorgenomen bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een gemengde bestemming naar wonen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.
Het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie zal afnemen. Op de locatie was een supermarkt gevestigd met door de dag heen verkeersbewegingen van winkelend publiek en expeditieverkeer. In die oude situatie was geen probleem met de bereikbaarheid. De realisatie van, uiteindelijk maximaal 10, woningen zal zeker niet tot een toename van verkeersbewegingen leiden. Ook in de nieuwe situatie zullen de verkeersbewegingen goed en veilig verwerkt kunnen worden.
In de situatie tot eind 2014 was op de locatie sprake van een Supermarkt (Spar). Ten behoeve van deze supermarkt was er een parkeerterrein aanwezig met 16 parkeerplaatsen. Aan de Schoolstraat zijn aan de westzijde 6 parkeerplaatsen beschikbaar in de vorm van haaks parkeren. Aan de oostzijde is sprake van 10 parkeerplaatsen, ook in de vorm van haaks parkeren. Voor de plaatsen aan de Schoolstraat gold een gecombineerd gebruik voor de voormalige supermarkt alsmede de woningen aan de zuidzijde van het plangebied.
Het plan gaat uit van de sloop van een supermarkt en de realisatie van maximaal 10 woningen, waarvan 3 vrijstaande
Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317. Uitgaande van de locatie liggend in de schil / overloopgebied in een weinig stedelijk gebied levert de onderstaande normstelling en parkeervraag (maximale planologische invulling) op. Hierbij is uitgegaan van de 3 vrije kavels en 7 rijwoningen. Dit is de maximale planologische ruimte. Eventuele realisatie van vrijstaande woningen of twee-onder-één-kapwoningen zal een lagere parkeerbehoefte tot gevolg hebben en wordt hier dus verder niet uitgewerkt.
Vrijstaand
Woning vrijstaand heeft een minimale norm 1,7 en maximaal 2,5 parkeerplaats per woning. Op basis van de 3 woningen is hier dus een behoefte van minimaal 5,1 en maximaal 7,5 parkeerplaatsen. Per woning worden 2 opstelplaatsen op eigen terrein gerealiseerd die geteld worden als 1,7. Omdat de wens is dat er per woning altijd 0,3 plaatsen voor bezoekers op straat worden gerealiseerd betekent dit voor de vrije kavels dat minimaal 0,9 parkeerplaats en maximaal 2,4 wordt gerealiseerd op openbaar gebied
Op de kavels worden minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen kavel naast elkaar gerealiseerd. Hierbij dient op de kavel een minimale maat van 5,5 meter breed en 6 meter diep aangehouden te worden.
Rijwoningen
Voor de rijwoningen is de norm minimaal 1,4 en maximaal 2,2 parkeerplaats per woning. Op basis van 7 woningen is hier dus een behoefte van minimaal 9,8 en maximaal 15,4 parkeerplaatsen. Deze plaatsen zullen allen in het openbar gebied moeten komen
Totaal
De totale behoefte van de nieuwbouw komt op bassi van bovenstaande uit op minimaal 10,7 en maximaal 17,8. parkeerplaatsen In de situatieschets is onderzocht hoe de toekomstige parkeerbehoefte gerealiseerd kan worden. Nu de supermarktfunctie komt te vervallen is na overleg met de verkeerskundige van de gemeente besloten uit te gaan van nieuw te realiseren parkeervoorzieningen in het plangebied conform de minimale parkeernorm. Dit betekent dus een parkeerbehoefte van 11 extra parkeerplaatsen. Daartoe is het aantal parkeerplaatsen langs de Schoolstraat uitgebreid van 16 naar 29 parkeerplaatsen. Een plus van 13 plaatsen.
De getekende schets toont dus aan dat er voldoende ruimte is voor de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein en door optimalisatie van de parkeerruimte aan de Schoolstraat.
Monumentenwet
De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Beschermd stadsgezicht Nieuwpoort
Het plangebied ligt tegen het beschermd stadsgezicht van Nieuwpoort aan. Voor dat gebied is het bestemmingsplan 'Beschermd stadsgezicht Nieuwpoort' opgesteld, vastgesteld op 29-11-2013.
Op 27 november 1972 hebben de toenmalige Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Nieuwpoort aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van artikel 35 van de Monumentenwet (destijds artikel 20). Dit plangebied hoofdzakelijk aangewezen als bijzonder niveau van welstand.
De gave combinatie van een middeleeuwse vestingstad met een 17e-eeuwse fortificatie daar omheen maakt Nieuwpoort tot een zeldzame en cultuurhistorisch bijzondere kern. De structuur wordt bepaald door een eenvoudig assenpatroon met daaromheen de vestingwerken die bestaan uit wallen met een getrapt profiel, 6 bastions en een brede vestinggracht.
Aan de zuidzijde buiten de vestinggracht is een lusvormige watergang een overblijfsel van de middeleeuwse gracht. Hierlangs loopt het pad dat grenst aan de voorgenomen ontwikkeling.
De provincie Zuid-Holland heeft de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) vastgesteld. De provincie betrekt hierdoor de cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen en richt zich hierbij vooral op het beschermen en versterken van het cultureel erfgoed voor zover dit is vastgelegd op de kaart van de CHS. Om deze reden is de CHS opgenomen in de streekplannen en in de Nota Regels voor Ruimte. De CHS vormt de basis voor toetsing van en advisering over bestemmings- en bouwplannen van gemeenten en erfgoedaspecten. Onderstaande uitsnede uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland laat zien dat waarde wordt toegekend aan de stedelijke vestingwerken met de waterlijn er om heen. Deze waarde beperkt zich primair tot de directe vestingwerken.
De zuidelijke lusvormige watergang wordt niet nader benoemd. Hoewel het nu voorliggende bestemmingsplangebied raakt aan het beschermd stadsgezicht is er dus nog wel sprake van een bestaand overgangsgebied tussen de hoge landschappelijke waarde van de vestingwerken en het plangebied. Dit bestaande gebied, binnen de lusvormige watergang is ingevuld met enkele (monumentale) panden geconcentreerd langs de Nieuwpoortseweg met daarachter open gebied. Dit gebied blijft in zijn huidige vorm behouden als overgangsgebied.
Het plangebied kent geen waarde.
Beleidsnota Archeologie
De acht gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Deze beleidsnota is onderdeel van een drieluik, dat verder bestaat uit een archeologische verwachtings-, een beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC.
In de nota worden de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta onderschreven. Behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem) en het beginsel 'de verstoorder betaalt' zijn de belangrijkste uitgangspunten van het regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Dat beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Als het voornemen bestaat om een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde Archeologische Monumentenzorgcyclus. Dit is een onderzoekscyclus die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorwaarden worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
De gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart laat zien dat er in het plangebied over het algemeen sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde voor prehistorie en middeleeuwen.
In opdracht van de gemeente Liesveld heeft ADC ArcheoProjecten in april 2007 een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek.
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied archeologisch resten kunnen voorkomen vanaf het Mesolithicum tot en met de Brons- of IJzertijd. Deze kunnen worden aangetroffen op de stroomgordel van Liesveld, die zich op een diepte van ca 330 cm –mv bevindt.
Daarnaast kunnen direct onder het maaiveld archeologische waarden vanaf de Late Middeleeuwen worden aangetroffen. Gezien de agrarische geschiedenis van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat de bodem tot op grote diepte verstoord is.
Tijdens het booronderzoek zijn in het westen van het plangebied silthoudende kleilagen aangetroffen, die tot de stroomgordel van Liesveld kunnen worden gerekend. Er zijn echter geen archeologische niveaus waargenomen. Het plangebied was een weinig aantrekkelijke vestigingslocatie gelegen aan de rand van de invloedsfeer van de stroomgordel.
Geadviseerd wordt om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Het terrein kan worden vrijgegeven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat ter plaatse geen bewoning heeft plaatsgevonden. Geadviseerd wordt om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Het terrein kan worden vrijgegeven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r.
Onderzoek en conclusie
Op dit moment worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die mer-plichtig zijn. De woningbouwontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
De in dit uitwerkingsplan besloten ontwikkeling wordt in het algemeen niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij:
Ondanks dat het project onder de richtwaarden zit, moet worden nagegaan of er toch aanleiding bestaat voor een m.e.r.-beoordeling. Dit vloeit voort uit het gewijzigde Besluit m.e.r. die per 1 april 2011 in werking is getreden. Deze herziening was onder meer nodig om uitvoering te geven aan een uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Volgens deze uitspraak dient een activiteit niet enkel te worden getoetst aan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., maar moet ook acht worden geslagen op andere factoren als bedoeld in Bijlage III van richtlijn 85/337/EEG die aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van een milieueffectrapportage.
Omdat het project onder de richtwaarden van de D-lijst valt kan worden volstaan met een procedureel eenvoudige m.e.r. –beoordeling die volledig opgaat in de bestemmingsplanprocedure. De beoordeling vindt plaats op bovengenoemde richtlijn. De criteria uit deze richtlijn zijn:
Kenmerken van het project
De voorgenomen activiteit betreft de aanleg van een kleinschalige woningbouwontwikkeling aan de zuidzijde van Nieuwpoort. Het betreft ruimtelijk gezien geen nieuwe bouwlocatie. Een uitgebreide beschrijving van het project en de stedenbouwkundig opzet is opgenomen in hoofdstuk 3.
Plaats van het project
Ten oosten ligt het dorpje Langerak, bijna tegen de singel van de vesting van Nieuwpoort. Ten zuiden van Nieuwpoort hebben er in de loop van de tijd een aantal uitbreidingen plaatsgevonden. Naast de uitbreidingswijken liggen rondom Nieuwpoort voornamelijk agrarische gronden, enkele kleine bedrijventerreinen en diverse volkstuinterreinen.
Door het agrarische gebruik van de gronden is er geen sprake van speciale natuurwaarden. Binnen het plangebied en in de omgeving hiervan is geen sprake van Natura2000 gebieden of van gronden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur en hebben derhalve hier geen invloed op.
Kenmerken van mogelijke effecten
Ten aanzien van bodem, grondstoffen, lucht, veiligheid en archeologie heeft de voorgenomen activiteit geen effecten van betekenis voor de locatie en de omgeving. Relevante effecten voor het voorgenomen project betreffen:
Ruimtelijke visuele effecten
De voorgenomen activiteit heeft nauwelijks ruimtelijk-visuele effecten voor het landschap binnen het plangebied en de nabije omgeving van de nieuw op te richten bebouwing. Immers het betreft een herontwikkelingslocatie.Ten aanzien van het landschapsbeeld in groter verband geeft de voorgenomen activiteit geen spanning met landschapswaarden.
Mobiliteit
Nieuwpoort wordt ontsloten vanaf de provinciale weg N216 door de Veersedijk aan de noordzijde en de Nieuwpoortseweg aan de zuidzijde. Zowel de provinciale weg als de Nieuwpoortseweg liggen op relatief korte afstand van de planlocatie. Als gevolg van de planontwikkeling is er sprake van een verkeersafname. De Schoolstraat verzorgt de ontsluiting van de woningen. Deze weg verzorgt een goede verbinding met Nieuwpoort en heeft voldoende capaciteit om het verkeer van de woningen te verwerken.
(Grond)water
Uit de oppervlaktewaterbalans is gebleken dat er geen compenserende waterberging benodigd is voor de toename van het verhard oppervlak door de ontwikkeling van de woningen. De oppervlakte extra verharding blijft onder de vrijstellingsnorm van 500m2.
Effecten op beschermde flora en fauna
Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde soorten flora en fauna te doden, verstoren of verontrusten. In het ecologisch onderzoek, zie 4.7 Ecologie, is aangetoond dat daar hier geen sprake van is.
Conclusie
Op basis hiervan, en op basis van de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling van de woningen aan de Schoolstraat in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. Gezien de grote afstand van het plangebied tot aan Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling mag aangenomen worden dat het uitvoeren van de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden.
Omdat geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten als gevolg van het plan is een m.e.r.(-beoordeling) niet nodig. Daar komt bij dat de onderzoeken, zoals deze in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, vergelijkbare informatie geven over milieueffecten als in een MER aan de orde zou komen. Een MER zal derhalve geen nieuwe informatie over belangrijke milieu-effecten opleveren en daarmee geen toegevoegde waarde hebben voor dit bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
Het voorliggende bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan is op hoofdlijnen aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Dorpskernen” van de gemeente Molenwaard. Hier is voor gekozen omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan.
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
Hieronder vallen de openbare groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden alsmede nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan.
Deze bestemming is toegekend aan de ontsluitingsroute in het gebied en het parkeren tegen de Schoolstraat aan. De reden is dat op deze wijze wordt gewaarborgt dat de ontsluiting van de westelijke kavels altijd is geregeld op deze wijze. Ontsluiting aan de zuid of westzijde is ongewenst en er is dus geen belang bij flexibiliteit. Daarnaast wordt zo geregeld dat het parkeren adequaat opgelost kan worden.
Deze bestemming is toegekend aan het westelijk deel van het plangebied dat bedoeld is voor drie woningen. De regeling ziet vooral toe op situering en hoofdvorm. Dit is gedaan door middel van het toepassen van bouwvlakken waarbinnen de hoofdgebouwen gesitueerd dienen te worden waarbij afstemming op de aangrenzende bebouwing kan worden zeker gesteld. Hierbij zijn regels opgenomen ten aanzien van aan te houden afstanden van hoofdgebouwen tot aan de perceelsgrenzen, de hoogte en dergelijke. Ook is de ligging en de maatvoering van de erfbebouwing vastgelegd.
Deze bestemming is gelegen op het oostelijk deelgebied. Binnen de bestemming zijn naast woningen ook openbaar groen, wegen en dergelijke toegestaan. Pas na uitwerking van deze bestemming kan er echter worden gebouwd.
In het artikel worden voorwaarden genoemd waaraan dient te worden voldaan bij uitwerking van de bestemming. Hierbij is onder meer genoemd dat er maximaal 7 woningen toegestaan zijn, en dat moet worden aangetoond dat de behoefte is aangetoond in relatie tot de plannen in de kern Nieuwpoort, en in het bijzonder de ontwikkeling van het Woonleefhart en Langerak-Zuid. De stedenbouwkundige invulling dient te worden uitgewerkt met inachtneming van de bouwregels conform bestemming Woongebied in bestemmingsplan Dorpskernen zoals in de uitwerkingsregels van de bestemming Woongebied - Uit te werken zijn overgenomen.
Ten noorden van het plangebied is een rioolwatertransportleiding van het waterschap gelegen. De in het plangebied aanwezige leiding is bestemd met de daarop toegespitste dubbelbestemming. De regels (met name aan te houden afstanden) met betrekking tot deze leidingen zijn verankerd in de regels. Door deze regeling worden bouwwerkzaamheden en de in de regels genoemde aanlegactiviteiten getoetst aan de belangen verbonden aan de betrokken leiding.
Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van maximaal 10 woningen, als herontwikkeling, mogelijk gemaakt. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Het kostenverhaal wordt middels de gronduitgifte zeker gesteld. Er wordt daarom ook geen exploitatieplan vastgesteld.
Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
In september 2014 en maart 2015 heeft de gemeente voor de direct omwonenden een informatieavond georganiseerd.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met het Waterschap Rivierenland en de provincie Zuid-Holland
In het kader van het vooroverleg is het plan toegezonden aan de volgende partijen:
- Provincie Zuid-Holland;
- Waterschap Rivierenland.
Het waterschap Rivierenland heeft in een reactie d.d. 4 mei 2015 laten weten dat zij adviseren positief over het plan, mits wordt nagegaan of de beschermingszone van de rioolwatertransportleiding in het plangebied is gelegen, de beschermingszones in de bestemmingsplanregels en toelichting worden opgenomen en de toekomstige waterberging nader wordt uitgewerkt.
Deze reactie is verwerkt in dit bestemmingsplan. De voorgenomen extra waterberging is in principe komen te vervallen en wordt enkel als optioneel gezien voor een individuele koper. De hele reactie is toegevoegd als Bijlage 5 Wateradvies Waterschap
Van de provincie Zuid-Holland is geen reactie ontvangen.
Tijdens de informatieavond zijn opmerkingen door omwonenden op het concept bestemmingsplan gemaakt die, waar mogelijk en wenselijk, zijn verwerkt in het voorontwerp bestemmingsplan.
In vervolg op de inspraak en het vooroverleg heeft het ontwerpbestemmingsplan Schoolstraat in de periode van 31 juli 2015 tot en met 11 september 2015 gedurende 6 weken ter visie gelegen. In deze periode zijn 6 zienswijzen ingediende die in Bijlage 6 Nota Zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een beantwoording.
De zienswijzen hebben niet geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan.