direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Keijzershof 2022
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1926.wp010220110-4001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de zuidwestzijde van Pijnacker wordt de laatste hand gelegd aan de woonwijk Keijzershof. Het gaat om het noodelijk en westelijk deel van het deelgebied 'Park van Buijsen'. In dit deelgebied zijn 27 vrije kavels uitgegeven en 85 grondgebonden woningen gerealiseerd. De werkzaamheden richten zich nu voornamelijk op de ontwikkeling van een appartementencomplex en de afwerking van de openbare ruimte.

In het geldende bestemmingsplan ‘Keijzershof 2018’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om voor gerealiseerde of te realiseren woningen waarvoor inmiddels omgevingsvergunningen verleend zijn de globale bestemming ‘Woongebied’ te wijzigen in gedetailleerdere bestemmingen, ten behoeve van de beheerssituatie.

Dit wijziginsplan biedt één actueel planologisch-juridisch kader voor een gedeelte van het deelgebied 'Park van Buijsen' binnen de woonwijk Keijzershof. Het wijzigingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het zuiden van Pijnacker en ligt nabij de zuidoostelijke gemeentegrens van Pijnacker-Nootdorp. Het plangebied, gedeelte van deelgebied 'Park van Buijsen', ligt binnen de woonwijk Keijzershof. Het grenst aan de noordkant aan de Van Buijsenlaan en Tuindershof. Aan de oostzijde aan de wijk Koningshof, de zuidzijde de straat Krooneend en het deelgebied 'Groene Vizier'. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Zuidweg en de N470.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: Google Maps, bewerking Juust)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Dit bestemmingsplan is op 28 juni 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Woongebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0002.png"

Afbeelding 2 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

In de bestemming 'Woongebied' is in artikel 15.4 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen in een gedetailleerde bestemming ten behoeve van het beheer, waarbij nadere bepalingen worden opgenomen over de ligging en omvang van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat:

  • a. de gebruiksmogelijkheden als bepaald in 15.1 niet mogen worden vergroot;
  • b. de bouwmogelijkheden als bepaald in 15.2 niet mogen worden verruimd;
  • c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet mogen worden ingeperkt ten opzichte van omgevingsvergunningen die zijn verleend.

Dit wijzigingsplan is opgesteld met inachtneming van bovengenoemde voorwaarden. Zie hiervoor paragraaf 2.3 Juridische planbeschrijving. Het betreft een wijzigingsplan dat uitwerking geeft van het geldende bestemmingsplan. Het wijzigingsplan voorziet in een beheersregeling voor woningen waarvoor inmiddels een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Deelgebied Park Van Buijsen is het laatste gebied van de woonwijk Keijzershof dat ontwikkeld wordt. Park Van Buijsen wordt in het noorden begrensd door de Van Buijsenlaan die grenst aan Koningshof. Aan de westkant ligt het Park Van Buijsen aan de Plas van Van Buijsen. Dit is een bestaande plas met een grote landschappelijke waarde voor het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0003.png"

Afbeelding 3 | Inrichtingsplan (bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp)

In het deelgebied Park Van Buijsen staat het wonen in en om de Plas Van Buijsen centraal. Het deelgebied Park Van Buijsen kent een tweetal woonsferen. In het westelijk deel van het gebied fungeert de plas als identiteitsdrager voor het woongebied De Eilanden. Hier zijn wooneilanden van bescheiden omvang voorzien, die liggen in een fijnmazig stelsel van watergangen waarin natuurvriendelijke oevers, rietkragen, hakhout en knotwilgen de sfeer bepalen. De bebouwing is extensief, waardoor het bestaande natuurlijke karakter van het gebied zo veel mogelijk behouden blijft. In het gebied ten oosten van de Plas Van Buijsen is een meer compact woongebied gelegen. Hier is een mix van twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen gerealiseerd.

De plas is beeldbepalend en functioneert daarbij ook als buffer en bergingsvijver. Gebiedseigen water wordt vanuit de woonbuurten naar de watergangen langs de Zuidweg en de verlengde Floralaan geleid en in de plas opgevangen. De watergangen aan de westzijde van de Overgauwseweg voeren aan de noordzijde van het gebied in de richting van de plas af. De oevers van de watergangen zijn als 'poldersloot' uitgevoerd, waarbij betrekkelijk smalle en steile oevers zijn toegepast. Daarnaast zijn er natuurvriendelijke oevers gelegen. In het woongebied zijn groen- en waterelementen gerealiseerd en nog voorzien.

Het gebied Park Van Buijsen is geheel als verblijfsgebied ingericht en dat betekent dat de auto te gast is en dat de inrichting van de buitenruimte is ingericht op het verblijf en het verplaatsen van voetgangers en fietsers.

2.2 Visie

Park Van Buijsen

In het deelgebied Park Van Buijsen staat het wonen in en om de Plas van Van Buijsen centraal. Dit gebied biedt in totaal plaats aan 400 tot 450 woningen. Voor dit gebied is een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat is toegevoegd als Bijlage 1. Op basis van dit plan is het onderliggende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' opgesteld. Op basis van de regels uit het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' zijn omgevingsvergunningen voor het bouwen verleend. In dit gebied zijn 24 vrije kavels uitgegeven en 87 grondgebonden woningen gerealiseerd.

Voor een klein deel van het plangebied is nog geen omgevingsvergunning verleend. Het gaat om de locatie bij de Floralaan en de Europalaan, gelegen op de overgang tussen de Plas Van Buijsen het woongebied aan de oostkant. Op basis van de visie 'Park van Buijsen' kan hier een prominent woongebouw worden ontwikkeld, de Van Buijsen. Het is een markant gebouw dat als poort naar de meer bebouwde kom van Pijnacker-Zuid fungeert. Bovenal is het een prachtige plek om te wonen, met uitzicht over de plas, de Overgauwseweg en het buitengebied. Parkeren voor de bewoners vindt plaats onder het woongebouw en is vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar.

De plannen hiervoor zijn in ontwikkeling, maar nog niet concreet genoeg om dit deel van het gebied op te nemen in dit wijzigingsplan. Om die reden is het buiten het plangebied gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0004.png"

Afbeelding 4 | Visie Park Van Buijsen (bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp)

2.3 Juridische planbeschrijving

2.3.1 Verantwoording planvorm

Dit wijzigingsplan heeft tot doel een eenduidige juridisch-planologische regeling te scheppen voor de hele wijk Keijzershof. Het wijzigingsplan is een beheersplan met een overwegend conserverend karakter, hierbij worden vigerende rechten gerespecteerd. Bij het opstellen van onderhavig wijzigingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het wijzigingsplan aangesloten bij de landelijke standaarden voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).

De bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen niet worden verruimd. Er zijn geen nieuwe functies toegestaan en de bouwwerken zijn niet groter of op een kleinere afstand tot bijvoorbeeld perceelsgrenzen gebouwd. Het wijzigingsplan is werkt bovendien ook niet beperkend ten opzichte van de verschillende omgevingsvergunningen die zijn verleend.

In dit wijzigingsplan is ter plaatse van de vergunde woningen de bestemming 'Wonen' of 'Wonen - 2' opgenomen. Ter plaatse van het hoofdgebouw is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen met een gevellijn en de vergunde goot- een bouwhoogte. Aan de voorzijde van de woningen is de bestemming 'Tuin' opgenomen, hier mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Binnen de bestemming 'Tuin' zijn ter plaatse van de nadere aanduidingen wel overkappingen toegestaan. Verkeersvoorzieningen zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied' en de structurele groenvoorzieningen als 'Groen'.

Voor het gehele grondgebied van de gemeente is het Parapluplan 2022 opgesteld. Dit plan voorziet in een juridische regels voor:

  • verkamering, woningsplitsing en -samenvoeging;
  • het hanteren van actuele parkeernormen voor de hele gemeente;
  • het uniformeren van een aantal regelingne die nu tot verschillen leiden (o.a. het bouwven van omgevingsvergunningplichtige bijbehorende bouwwerken).

De regels uit het parapluplan zijn overgenomen in onderhavig wijzigingsplan.

2.3.2 Systematiek wijzigingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) en planregels (juridische regelingen) en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Voor de inhoud van de regels zijn de 'Standaardregels Stedelijk gebied' van de gemeente gehanteerd waarbij tevens de inhoud van het paraplubestemmingsplan 'Implementatie standaardregels' is verwerkt. Voor de systematiek van het bestemmingsplan is aangesloten op de systematiek uit het wijzigingsplan 'Keijzershof 2020'. De verbeelding is op eenzelfde wijze opgebouwd.

2.3.3 Planregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Groen
Binnen het plangebied is de groenhoofdstructuur bestemd tot 'Groen'. Behalve voor beplantingen zijn de gronden ook bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, watergangen en -partijen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, in- en uitritten en andere, ondergeschikte verhardingen.

Tuin
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Op of in deze gronden mogen aan een hoofdgebouw aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zoals erkers en ingangspartijen, worden gebouwd. Ook andere bouwwerken en erf- of perceelsafscheidingen mogen worden gebouwd, met in achtneming van de bouwregels.

Verkeer - Verblijfsgebied
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor verhardingen voor woonstraten, pleinen, parkeerstroken en -voorzieningen, fiets- en voetpaden, bermen, groen- en speelvoorzieningen, watergangen en duikers en bij een en ander behorende andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen.

Op de gronden mogen ondergeschikte gebouwen, andere bouwwerken voor nutsvoorzieningen en bij de bestemming behorende andere bouwwerken gebouwd worden. Hiervoor zijn regels opgenomen.

Water
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water met daarbij behorende taluds en oevers. Op de gronden mogen uitsluitend bij de bestemming behorende andere bouwwerken, zoals duikers, bruggen, kademuren en beschoeiingen worden gebouwd. Bij aangrenzende wegen behorende andere bouwwerken zoals overkluizingen ten behoeve van in- en uitritten en paden zijn tevens toegestaan.

Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep en/of bedrijf aan huis, parkeren en water. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. De maximale goot- en bouwhoogte zijn opgenomen op de verbeelding. De vergunningsplichtige opties, zoals deze bij de nieuwbouw van de woningen zijn opgenomen, zijn op de verbeelding met de maximale hoogtes ingetekend. Dit betreffen bijvoorbeeld een uitbouw of opbouw op een uitbouw. Voor het overige wordt aangesloten bij de regelingen van het vergunningsvrij bouwen.

Wonen - 2
De bestemming 'Wonen - 2' is opgenomen voor de vrije kavels binnen het plangebied. Om de uitbreidingsmogelijkheden ten tijde van de aankoop van de vrije kavels te behouden, zijn de bouwvlakken op basis van de kavelpaspoorten ingetekend. Binnen de bouwvlakken gelden maximale hoogtes.

Waarde - Ecologie
De gronden die op de gemeentelijke ecologiekaart voor ecologische waarden staan aangegeven, hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ gekregen. Deze gronden komen, ongeacht de onderliggende bestemming, slechts beperkt voor bebouwing in aanmerking en werken en werkzaamheden zijn aan een omgevingsvergunning verbonden.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Tevens is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen.

Algemene gebruiksregels
In dit artikel is een bepaling opgenomen ten aanzien van het beperken van het toegestane oppervlakte aan verharding ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding en er zijn algemene verbodsregels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen. Daarnaast is een wijzigingsgebied opgenomen ten behoeve van het opnemen van gedetailleerdere bestemmingen om op deze manier het ontwikkelingsgericht bestemmingsplan te wijzigen in een bestemmingsplan dat gericht is op het beheer.

Algemene procedureregels
In dit artikel is opgenomen welke wettelijke procedures gelden bij afwijking of wijziging van het plan.

Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. In dit wijzigingsplan gaat het om een verdere uitwerking van het geldende bestemmingsplan. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit wijzigingsplan.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In het kader van het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' heeft een uitgebreide toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden. Daarnaast voorziet dit wijzigingsplan ten op zichte van het voorgaande planologisch regime niet in een groter planologisch beslag op de ruimte en voorziet niet in een functiewijziging, omdat de gebieden reeds bestemd waren als 'Woongebied' waarbinnen woningen mogen worden gebouwd. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Algemeen
De provincie Zuid-Holland heeft al haar beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in het provinciale Omgevingsbeleid. Dit Omgevingsbeleid bestaat uit twee kader stellende documenten, de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, plus verschillende uitvoeringsprogramma’s.

Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant:

Verstedelijking en wonen
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op het juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Woningbouw als de enige of primaire oplossing voor de sociaal-economische vitaliteit is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijn strategie.

Differentieer de woningvoorraad
Een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat biedt mensen keuzevrijheid in woonomgevingen en heeft een woningvoorraad die aansluit op de behoefte.

Ruimtelijke kwaliteit
Op het gebied van wonen zet de provincie in op voldoende (bouwen naar behoefte) en passende woningen voor verschillende doelgroepen, bij voorkeur naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en het provinciaal beleid. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Zie voor de toetsing hieraan in paragraaf 3.1 Rijksbeleid.

Toetsing en conclusie

In het kader van het onderliggende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is uitgebreid getoetst aan het provinciaal beleid. Ten aanzien van de (nog te ontwikkelen) locaties binnen Keijzershof geldt dat deze onderdeel uitmaken van de VINEX locatie Pijnacker Zuid, waarvoor reeds sedert ruim 25 jaar een woningbouwopgave rust vanwege Rijksbeleid. Ook is opgenomen dat voor de delen die nog onwikkeld moeten worden door de gemeente Pijnacker-Nootdorp een herziene visie op Keijzershof is vastgesteld. In 2016 is de visie voor Pijnacker-Zuid herijkt. De herijkte visie heeft als opgave een leefbare en aantrekkelijke wijk voor verschillende doelgroepen te ontwikkelen. De visie gaat ook in op Park Van Buijsen zoals benoemd in paragraaf 2.2 Visie. Bij het opstellen van deze visie is rekening gehouden met de relevante richtpunten op grond van de kwaliteitskaart.

Op basis hiervan vormt het provinciaal beleid geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie 2040 (2012)

In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt.

Pijnacker-Nootdorp wil een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is (visie). Zij wil in de regio een uniek woonmilieu bieden, met het groene buitengebied meerwaarde geven en met duurzame en innovatieve bedrijven – waaronder de glastuinbouw – de economie versterken (missie).

3.3.2 Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 - Verbonden met elkaar

De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een omgevingsvisie opgesteld waarin wordt beschreven hoe Pijnacker-Nootdorp er in 2050 uit zou kunnen zien. Met de nieuwe Omgevingsvisie bereiden ze zich voor op de Omgevingswet die naar verwachting 1 januari 2023 in werking treedt. De omgevingsvisie is binnen deze wet een nieuw instrument waarin de gemeenteraad zijn integrale visie op fysieke leefomgeving voor de lange termijn geeft. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving en is breder dan zijn voorganger: de ruimtelijke structuurvisie. Het gaat niet alleen om thema's als wonen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie en groen, maar ook om onderwerpen als gezondheid, omgevingsfactoren (milieu), duurzaamheid en veiligheid.

De gemeente onderscheidt vier ontwikkelingslijnen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving van Pijnacker-Nootdorp:

  • 1. Ontwikkelingslijn 1: Onderscheidend groen
  • 2. Ontwikkelingslijn 2: Karakteristieke woon- en leefomgeving
  • 3. Ontwikkelingslijn 3: Aantrekkelijk economische vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers
  • 4. Ontwikkelingslijn 4: Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren

De ontwikkelingslijnen zijn geen keuzemogelijkheden, ze zijn allen even belangrijk en versterken elkaar. Samen geven ze een integraal beeld en richting voor de toekomst voor het gehele grondgebied van de gemeente.

3.3.3 Woonvisie 2020-2030

Op 25 juni 2020 is de Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 vastgesteld. De

De woonvisie bestaat uit vier pijlers:

  • 1. Mooi wonen, prettig leven:
    • a. Identiteit en kwaliteiten van woonkernen behouden.
    • b. Bijsturen van kwetsbare woongebieden.
  • 2. Passende woningen voor onze inwoners:
    • a. Werken aan betaalbare koop- en huurwoningen.
    • b. Sturen op het behoud van de sociale voorraad.
    • c. De doorstroming stimuleren.
    • d. Een toekomstbestendige woningvoorraad voor senioren.
    • e. Uitbreiding van de bestaande voorraad.
  • 3. Duurzaam wonen:
    • a. Meewerken aan het ontwikkelen van de Regionale Energie Strategie (RES).
    • b. Het maken van een Energietransitieplan voor Pijnacker-Nootdorp.
  • 4. Een thuis voor alle doelgroepen:
    • a. Voor vijf doelgroepen is extra aandacht nodig:
      • vergunninghouders
      • woonwagenbewoners
      • spoedzoekers
      • arbeidsmigranten
      • uitstroom uit de zorg
3.3.4 Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening (2018)

Op 23 februari 2018 heeft de gemeenteraad integrale ruimtelijke beleidsregels vastgesteld. Deze nota bevat de integrale ruimtelijke beleidsregels voor Pijnacker-Nootdorp. Het is kaderstellend bij het opstellen van bestemmingsplannen. De beleidsregels gaan onder andere over wonen in de kernen en groen en openbare ruimte in de kernen.

Pijnacker-Nootdorp wil in de regio een uniek woonmilieu bieden door in de drie herkenbare kernen een hoge woonkwaliteit te behouden en te versterken. De ligging van iedere kern en de wijze waarop deze is opgezet is en moet onderscheidend ten opzichte van elkaar blijven. Binnen de gemeente wordt gestreefd naar het mogelijk maken van een lokale wooncarrière. Dat betekent dat er voor iedere doelgroep en in iedere prijsklasse woningen beschikbaar zijn.

Na afronding van de geplande groei in wijken als Ackerswoude, Keijzershof en Tuindershof liggen de contouren van kernen vast in het landschap. De gemeente gaat dan de omslag maken van groeigemeente naar beheergemeente en van kwantiteit naar kwaliteit. Dit betekent ook dat de strategische betekenis van de openbare ruimte toeneemt. De gemeente garandeert de basale instandhouding van de openbare ruimte.

Daarbij stelt de gemeente zich niet alleen tot doel om de belangen van verblijfskwaliteit voor jong en oud, ontmoeten, recreëren, bewegen en rust in het oog te houden, maar wil ook de openbare ruimte beter aansluiten op de gevraagde woonmilieus. Openbare ruimte is een kwaliteitsdrager voor de aanpak van kwetsbare wijken. Daarom mag geen verdere druk ontstaan op de kwaliteit en het gebruik van groenvoorzieningen en spelen binnen de rode contouren. Initiatieven in groen en openbare ruimte zullen tegen deze achtergrond en doelstellingen worden bekeken.

3.3.5 Natuur op de Kaart (2017)

In 2018 is de nota ‘Natuur op de kaart’ vastgesteld met bijbehorend uitvoeringsprogramma. Dit uitvoeringsprogramma bestaat uit maatregelen die de gemeente uitvoert bij de aanleg van nieuwe woon- en werkgebieden en nieuwe infrastructuur. Verder bevat het maatregelen en doelen voor het beheer van het groen, en is er aandacht voor onderzoek en monitoring.

Het plangebied maakt formeel geen onderdeel uit van de grotere groengebieden die aan de basis liggen van de nota 'Natuur op de kaart'. Wel is er bij de inrichting van het gebied rekening gehouden met de ligging in de buurt van de belangrijke groenelementen. Bovendien is er bijzondere aandacht gegeven aan de relatie met Plas van Van Buijsen.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

Archeologiebeleid Pijnacker-Nootdorp

De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar archeologiebeleid verwoord in de nota 'Pijnacker-Nootdorp; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' uit 2009. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Hiertoe is in het kader van het onderliggende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' reeds een archeologisch inventariserend veldonderzoek door Transect uitgevoerd.

De conclusie voor het plangebied is dat aan de westzijde zich een zone bevindt waar archeologische resten voor kunnen komen uit de Romeinse tijd (zie afbeelding 5). Deze verwachting is gebaseerd op de lokale geologische ondergrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0005.png"

Afbeelding 5 | Archeologische verwachtingskaart (bron: Transect, bewerking Juust)

Het plangebied is door middel van inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), in de vorm van een booronderzoek, nader onderzocht. Hierbij is gezocht naar de aanwezigheid van archeologisch relevante niveaus in het gebied en de mate van intactheid hiervan. In deelgebied A is vastgesteld dat sprake is van een ophoogpakket tot een diepte van 1,8-2,5 meter beneden maaiveld, waarbij de top van de oorspronkelijke afzettingen in sterke mate geroerd is geraakt door het aanbrengen van dit pakket of door de vervening van het gebied. In dit deelgebied is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Om die reden is in het onderliggende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.

Om die reden hoeft er verder geen rekening te worden gehouden met archeologische vindplaatsen. Gelet op het uitgevoerde onderzoek is het niet noodzakelijk om op de verbeelding en in de regels een beschermende regeling op te nemen.

Mochten tijdens toekomstige werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan hebben de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden de wettelijke plicht deze archeologische waarden meteen te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Pijnacker-Nootdorp (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten

In het plangebied komen geen monumenten of andere waardevolle cultuurhistorische elementen voor.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie bedoeld.

Milieuzonering dient twee doelen:

  • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De VNG doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk).
Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn.

Bouwstenen van milieuzonering
Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst)
De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan te worden vastgelegd.

Omgevingstype
De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.
De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 1.

Categorie   Richtafstand tot rustige woonwijk/ rustig buitengebied
 
Richtafstand tot gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1000 m   700 m  
6   1500 m   1000 m  

Tabel 1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan (dus inclusief vergunningvrij aanbouwen) mogelijk is.

Functiemenging
De term 'gebied met functiemenging' heeft betrekking op een milieuzonering binnen een gebied waar functiemenging voorkomt of wordt beoogd. in de VNG-publicatie is aangegeven kan hier niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De Staat van Bedrijven 'functiemenging' hanteert drie categorieën A, B en C met specifieke criteria:

Categorie A
Activiteiten zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen woning en bedrijf zijn daarbij toereikend.
Categorie B
Activiteiten kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig gescheiden van woning en andere gevoelige functies.
Categorie C
Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.

De 'bedrijvenlijst - functiemenging' is niet uitputtend. In de planregels wordt geregeld dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, die niet in de lijst zijn opgenomen, maar die naar aard en invloed met bedrijven uit desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Dit moet wel worden aangetoond met milieutechnisch onderzoek.

Milieuzonering in het plangebied
Op basis van de gegevens uit het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering de uitvoering van de beoogde herontwikkeling van Keijzershof niet in de weg staat. Binnen het plangebied worden geen nieuwe milieubelastende functies mogelijk gemaakt. Ook blijkt op basis van het onderliggene bestemmingsplan dat in de nabijheid van het plangebied geen hinderlijke bedrijvigheid aanwezig is.

Aan de zuidkant zijn enkle maatschappelijke bestemmingen gelegen ten behoeve van het 'Groene Vizier'. Tussen deze voorzieningen en de vrijstaande woningen aan de zuidzijde van het plangebied is een groene buffer aanwezig en bestemd. Hierdoor is sprake van ruimtelijke scheiding tussen deze voorzieningen en dit deel van de woonwijk.

4.4 Bodem

Om de bodem voor langere tijd te willen gebruiken, moeten we de bodem op de juiste manier benutten en beschermen. Naast het beschermen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit hecht de gemeente waarde aan de overige functionele bodemkwaliteiten. Onder functionele bodemkwaliteiten wordt verstaan de draagkwaliteit, informatiekwaliteit, regulatiekwaliteit en productiekwaliteit. Deze kwaliteiten hebben onder andere betrekking op cultuurhistorische betekenis, levende bodem, ondergronds bouwen en bodemenergie inclusief geothermie.

4.4.1 Regelgeving en beleid

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden.

Opgemerkt wordt dat tijdens het opstellen van dit wijzigingsplan de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De gemeente is onder de omgevingswet het bevoegd gezag bodem. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: preventie, toedeling van functies en beheer van historische bodemverontreinigingen.

  • Preventie: gaat niet alleen om de verontreinigingen door chemische stoffen maar ook om aantasting door het aanbrengen van veranderingen in de geologische opbouw (structuur) van de bodem of in de fysisch-mechanische eigenschappen van de bodem.
  • Toedeling van functies: de materiële integratie van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, waaronder de chemische, fysische en ecologische bodemkwaliteit, krijgt vorm in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
  • Beheer van historische bodemverontreinigingen: de bescherming van de gezondheid van mensen, planten en dieren vraagt om het verstandig omgaan met resterende historische verontreinigingen.

Onder de Omgevingswet zullen de pijlers beleidsmatig worden ondergebracht in de toekomstige omgevingsvisie, het omgevingsprogramma ondergrond en het omgevingsplan.

Pijnacker-Nootdorp heeft in 2008 haar eigen Bodemnota vastgesteld. Deze Bodemnota was de eerste stap naar een verdiepte ruimtelijke ordening, waarbij de gemeente de kansen van de ondergrond in beeld brengt. De ambities van Pijnacker-Nootdorp sluiten goed aan bij landelijke ontwikkelingen op het gebied van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) (lagenbenadering) en het bodembeleid (Convenantbodemontwikkelingsbeleid). Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijke ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa.

Pijnacker-Nootdorp heeft in 2022 haar gemeentelijke Nota bodembeheer vastgesteld. De nota gaat over het hergebruiksbeleid voor grond en baggerspecie op het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp en geeft vorm aan het duurzaam en verantwoord beheer van de bodem in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

De provincie Zuid-Holland heeft haar beleid ten aanzien van bodemaspecten verwoord in de 'Beleidsvisie Bodem en Ondergrond' uit 2013. De provincie brengt in deze visie middels zes beleidsprioriteiten focus aan in het zoeken naar de balans tussen het optimaal benutten én beschermen van de bodem en de ondergrondse ruimte. De provincie is onder de Wet bodembescherming bevoegd gezag bodem.

4.4.2 Plangebied

Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de bodemkwaliteitszone B2/T2/O2 'Bebouwing na 1945'. Doorgaande wegen en spoorwegen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

4.4.3 Conclusie ten aanzien van het wijzigingsplan

Onderhavig wijzigingsplan is overwegend consoliderend van aard. Er is geen sprake van het toevoegen van gevoeligere bestemmingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018'.

4.4.4 Onderzoek en sanerende maatregelen bij (her)inrichting of bestemmingswijziging

Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het

verwijderen van grondgebonden objecten, dient middels milieuhygiënisch bodemonderzoek dat voldoet aan Kwalibo te zijn vastgesteld of het beoogde gebruik mogelijk is of dat sanerende maatregelen moeten worden uitgevoerd om het gebruik mogelijk te maken. Een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm zal hiervan onderdeel uitmaken om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en het raadplegen van het gemeentearchief.

Indien in het kader van de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zal voorafgaand het uitvoeren van bodemsanerende maatregelen de provincie als bevoegd gezag moeten hebben ingestemd. Het betreft maatregelen zoals het verplaatsen, isoleren en/of het verwijderen van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

De gemeente toetst de saneringsvariant van een 'ernstig geval van bodemverontreiniging' in het kader van de Woningwet, de saneringsvariant van een 'niet-ernstige geval van bodemverontreiniging' binnen de kaders van de Wet bodembescherming, en de saneringsvariant in het kader van de bodembeheeropgave onder toekomstige Omgevingswet.

Voor de aanpak van gevallen van asbestverontreiniging die vallen onder het Besluit asbestwegen Wms dient goedkeuring te zijn verleend door het bevoegd gezag, te weten Inspectie Leefomgeving en Transport.

Voorafgaand aan het vrijkomen van baggerspecie en/of het dempen van een watergang dient voor het bepalen van de (milieuhygiënische) kwaliteit van baggerspecie een waterbodemonderzoek te worden uitgevoerd conform de vastgestelde norm (huidige norm: NEN-5720), voor zover het Besluit bodemkwaliteit geen vrijstelling kent. Tevens wordt geadviseerd om gelijktijdig monsters te nemen van de ondergrond onder de (aanwezige) baggerspecie, het volume van de aanwezige baggerspecie vast te (laten) stellen en een verwerkingsadvies voor de baggerspecie op te (laten) stellen.

4.4.5 Actualiteit milieuhygiënische (bodem)kwaliteitsgegevens

Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden, waaraan alle bij de overheid ter toetsing aangeleverde bodemkwaliteitsgegevens dienen te voldoen. Met de introductie van het Bbk is een nieuw standaard stoffenpakket geïntroduceerd en dienen onderzoeken en waar nodig bodemsanerende maatregelen te worden uitgevoerd door erkende bodemintermediairs (Kwalibo: Kwaliteitsborging in het bodembeheer). Bodemkwaliteitsgegevens die niet voldoen aan het Bbk, kunnen niet als actueel worden beschouwd.

Ook locatie specifieke omstandigheden kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Een (bodem)onderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor zijn of worden beïnvloed.

4.4.6 Herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof

Indien tijdens graafwerkzaamheden herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof vrijkomt en hergebruikt of afgevoerd gaat worden, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het kader van het Besluit bodemkwaliteit kan het noodzakelijk zijn om aanvullend op het bodemonderzoek een partijkeuring (AP04) uit te laten voeren om van de vrijkomende partij de verwerkings- en/of gebruiksmogelijkheden te kunnen classificeren.

In de gemeentelijke Nota bodembeheer is het vastgestelde beleid voor gebruik van grond en baggerspecie binnen de grenzen van de gemeente Pijnacker-Nootdorp beschreven.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door:

  • het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen);

Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.

Algemeen toetsingskader

Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd verblijft. Met het PR wordt de aan te houden afstand gecreëerd tussen de risicovolle activiteit en (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, grote kantoorgebouwen, ziekenhuizen en scholen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, bedrijfsgebouwen en sporthallen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR  een grenswaarde is of een richtwaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder andere aspecten als de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, maatschappelijke en economische belangen een rol.

Regelgeving
Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant:

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico.

Het verplicht gemeente hiermee rekening te houden bij het verlenen van milieuvergunningen en bij een ruimtelijk besluit.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Op basis van het Bevb dienen plannen nabij buisleidingen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. Het Bevt sluit aan op de begrippen en normen zoals deze in het Bevi en het Bevb worden gehanteerd.

Basisnet

Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt de veiligheid van het vervoer gegarandeerd. Het basisnet heeft, in het geval van Pijnacker-Nootdorp, betrekking op de snelwegen. Het basisnet is vastgelegd in onder andere de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Activiteitenbesluit milieubeheer

In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.

In zowel het Bevi, het Bevb als het Bevt is een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat het bevoegd gezag op een juiste wijze de hoogte en de toename van het groepsrisico moet verantwoorden en moet onderbouwen. Daarbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.

Wat verandert er met de komst van de Omgevingswet?

Aandachtsgebieden zijn een nieuw fenomeen binnen de omgevingsveiligheid. Aandachtsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waar mensen binnenshuis, zónder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.

De aandachtsgebieden laten dus zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen in nieuwe situaties te beschermen tegen de gevaren bij ongevallen met deze effecten. Het is niet nodig om maatregelen te treffen ter bescherming van personen in gebouwen en locaties die nu al (rechtmatig) binnen een aandachtsgebied van een bestaande risicobron aanwezig zijn.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren en daarmee tussen drie verschillende aandachtsgebieden: warmtestraling (brandaandachtsgebied), overdruk (explosieaandachtsgebied) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebied). De aandachtsgebieden zijn feitelijk effectafstanden van worst-case scenario's. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen.
De bevoegdheid voor het stellen van regels binnen aandachtsgebieden ligt grotendeels bij gemeenten. In beginsel zijn gemeenten verplicht om, op basis van het Bkl, het gehele aandachtsgebied als voorschriftengebied aan te wijzen. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken, behalve bij de (huidige en toekomstige) aanwezigheid van “zeer kwetsbare gebouwen” (gebouwen bestemd voor niet zelfredzame personen). Ook bij plasbrandaandachtsgebieden welke in het kader van het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn aangewezen kan niet worden afgeweken. Binnen een voorschriftengebied worden, op grond van het Bbl, extra bouwkundige maatregelen geëist bij nieuwbouw. Naast bouwkundige maatregelen zijn ook andere maatregelen, zoals omgevingsmaatregelen, mogelijk. Bouwkundige maatregelen zijn vaak de laatste stap in het bieden van bescherming aan personen in gebouwen.

Een gifwolkaandachtsgebied kan niet worden aangewezen als voorschriftengebied. Wel geldt na het inwerkingtreden van de Omgevingswet voor alle nieuwbouw dat de ventilatie centraal afschakelbaar moet zijn.

Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied

Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een PR 10-6 risicocontour die buiten de inrichting valt. Het plangebied valt wel binnen het invloedsgebied van MPM Oil te Delft. Dit bedrijf is een groothandel in smeermiddelen, koelvloeistoffen, ruiten-sproeierantivries en vergelijkbare producten voor transportmiddelen. In een viertal opslagvoorzieningen volgens PGS 15 worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. In geval van brand kunnen toxische verbrandingsproducten vrijkomen. Volgens de QRA van 11/07/16, kenmerk 0242778.02, bedraagt het groepsrisico 0,38 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt echter buiten de PR 10-8 risicocontour zodat de bijdrage van de ontwikkelingen in het plangebied aan het groepsrisico verwaarloosbaar klein is. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0006.png"

Tabel - Invloedsgebieden inrichtingen

Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied

Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen
Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 risicocontour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 risicocontour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10-6 risicocontour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren.

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A4 en de A12 maar wel binnen het invloedsgebied van de A13. Het plangebied ligt op ruim meer dan 200 meter van de A13. Een berekening en een (volledige) verantwoording van het groepsrisico zijn dan ook niet aan de orde. Wel moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Als op grond van het ruimtelijk plan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier niet het geval.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0007.png"

Tabel - Invloedsgebieden en afstanden rijkswegen

Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen
Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de rijksweg A13 niet.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht.

De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500. Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico.

Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven.

Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter. Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de 10% van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de 10% van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. Voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico mogen de drempelwaarden uit de tabellen 1.6 en 1.7 met 10 vermenigvuldigd worden. Deze aantallen worden niet gehaald, er zal geen sprake zijn van overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.

Een deel van het plangebied ligt binnen de 200 meter van de N470. Vanwege het feit dat er geen ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt en er daarmee geen sprake is van een toename van het groepsrisico van 10% of meer is een berekening van de toename van het groepsrisico is niet aan de orde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het plan maakt geen ontwikkelingen worden mogelijk en daarmee is geen sprake van een toename van het groepsrisico van 10% of meer. Een beperkte verantwoording volstaat, er moet alleen worden ingegaan op bestrijdbaarheid, en bereikbaarheid. Voor de volledigheid zal ook aandacht worden besteed aan zelfredzaamheid.

Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen
Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd.

De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand van het plangebied.


Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water
Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats.


Buisleidingen binnen/nabij het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0008.png"

Tabel - Invloedsgebieden en afstanden buisleidingen

Aardgas
Nabij het plangebied ligt een hoge druk aardgastransportleiding (W-539-09). Deze buisleiding heeft een diameter van 16 inch en druk van 40 bar. De buisleiding kent een invloedsgebied van 170 meter. Bij een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied van een buisleiding is een berekening en verantwoording van het groepsrisico verplicht. Het plangebied ligt op ongeveer 20 meter van de buisleiding en ligt dus binnen het invloedsgebied. Het plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een berekening en een volledige verantwoording van het groepsrisico zijn daarom niet aan de orde. Een beperkte verantwoording volstaat hier. De aardgastransportleiding vormt verder geen belemmering.

Brandbare vloeistoffen
Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Deze buisleiding ligt op zo'n 20 meter afstand van het plangebied. De brandstofleiding vormt daarom geen belemmering.

CO2

Er loopt een ondergrondse CO2-leiding ten zuiden van het plangebied. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2-leiding (Tebodin, document-nummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt op ongeveer 10 meter van het plangebied en is daarom geen belemmering.

Verantwoording groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding W-539-09

Het bevoegd gezag ruimtelijke ordening is verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarbij binnen het invloedsgebied van een buisleiding (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig (kunnen) zijn, in de toelichting een verantwoording van het groepsrisico op te nemen waarin een aantal aspecten beschouwd moeten worden (Bevb art. 12). Afhankelijk van de hoogte en de toename van het groepsrisico moet een volledige verantwoording worden opgesteld of volstaat een beperkte verantwoording (GR=<0,1xOW of toename GR = <10% mits GR=<1xOW). In dit geval is vanwege de mate van toename een beperkte verantwoording voldoende.
In onderstaand tabel staat aangegeven welke aspecten op grond van de wet- en regelgeving vermeld moeten worden in de ruimtelijke onderbouwing bij een volledige verantwoording en bij een beperkte verantwoording.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0009.png"

Tabel – Te behandelen aspecten bij de verantwoording van het groepsrisico bij buisleidingen

De in deze verantwoording vermelde gegevens en resultaten zijn afkomstig uit de technische rapportage: Adviesgroep AVIV BV, Externe veiligheid / bestemmingsplan Keijzershof 2018, Project 173517, datum 22-12-2017.

Situatie

Binnen het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding, W-539-09. In onderstaand tabel zijn een aantal eigenschappen van de aardgasleiding samengevat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0010.png"

Tabel – Gegevens hogedruk aardgasleiding

De ligging van de aardgasleiding is te zien in afbeelding 6. Tot slot is in afbeelding 7 de bestaande en toekomstige bebouwing binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0011.png"

Afbeelding 6 | Ligging van de buisleiding W-539-09

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0012.png"

Afbeelding 7 | Bestaande bebouwing van het plangebied binnen het invloedsgebied van de buisleiding

Te beschouwen aspecten bij een beperkte verantwoording

  • 1. Huidige en toekomstige dichtheid van personen in het invloedsgebied
    De personenaantallen in de onderstaande tabel zijn afgeleid uit bijlage 1 van de technische rapportage uit 2017. Aangezien het huidige plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zal het personenaantal niet (veel) afwijken van destijds.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0013.png"

Tabel - Huidige en toekomstige personenaantallen in het invloedsgebied

  • 2. Hoogte van het huidige en het toekomstige groepsrisico
    Het groepsrisico voor de in 2017 huidige en de toekomstige situatie is in 2017 berekend met de meest recente versie van het voorgeschreven rekenpakket Carola. In zowel de bestaande situatie als in de nieuwe situatie was het groepsrisico 0,54 en bleef het groepsrisico dus onder de oriëntatiewaarde. Omdat er met dit plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, zal het groepsrisico niet veranderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0014.png"

Tabel - Huidig en toekomstig groepsrisico

  • 3. Toename van het groepsrisico

Het groepsrisico neemt niet toe omdat het plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. De hoogte van het groepsrisico wordt bepaald door de reeds aanwezige bebouwing verderop oostwaarts langs de buisleiding.

  • 4. Maatregelen tot bestrijden en beperken omvang van een zwaar ongeval of een ramp

De Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan dat het van belang is dat de bereikbaarheid voorde hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen voldoende is.

Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid (november 2012)' ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben.

Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. De ontwikkellocaties binnen het plangebied zijn nog niet gedetailleerd aan deze eisen getoetst. Vooralsnog ziet de Veiligheidsregio geen knelpunten en er zal voor gezorgd worden dat, als een definitieve verkaveling bekend is, er ook geen knelpunten ontstaan.

Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid A13 en N470

Er is in deze paragraaf gebruik gemaakt van de notitie “ADVISERING EV - VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen”. Hierin staan per risicobron maatregelen opgenomen. Voor de volledigheid worden in deze paragraaf ook de belangrijkste scenario's die kunnen optreden bij transport van gevaarlijke stoffen over de weg benoemd.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (1% letaliteit) van de A13 maar ligt op meer dan 200 meter. Het plangebied ligt ook (deels) binnen het invloedsgebied van de N470 en ligt deels ook op minder dan 200 meter. Er vindt over de A13 en over de N470 transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daarom moet aandacht worden besteed aan het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of een zwaar ongeval. Als op grond van het bestemmingsplan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier niet het geval.

Maatgevende Scenario's

Wat betreft de A13 is meest waarschijnlijke scenario is een lekkage van een tankwagen met gevaarlijke stoffen. Hierbij komt een kleine hoeveelheid van de vervoerde stof vrij. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Bij de meeste stoffen zal de omgeving uit voorzorg worden ontruimd, maar zullen er, buiten irritatie aan luchtwegen en ogen en/of stankoverlast, weinig problemen zijn. Het ergst denkbare scenario is een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een (tank)wagen met een giftige vloeistof of giftig gas. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de soort stof en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Daarbij hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding. In het ergste geval kan dit leiden tot een invloedsgebied van meer dan 4.000 meter. De kans op dit scenario is zeer klein.

Voor de N470, waarover in principe alleen brandbare gassen (propaan, LNG) worden vervoerd, zijn een warme BLEVE en een wolkbrand de ergst denkbare scenario's. Een ander scenario is de koude BLEVE. Door het instantaan falen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk, komt de inhoud spontaan en explosief vrij. Er ontstaat overdruk en warmtestraling. Bij een warme BLEVE wordt een tank door een externe brand opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen als gevolg van de druk.

Tijdens het transport kan een wolkbrand kan ontstaan doordat na een botsing de losslang van de LNG-tank afbreekt. Hierdoor stroomt het LNG er uit. Er vormt zich dan een brandbare wolk die zich in eerste instantie over de grond verspreidt en eenvoudig kan worden ontstoken. Dit ontsteken leidt tot een kortdurende vlammenzee en mogelijk een drukgolf, een gaswolkexplosie, ontstaan (als de brandbare wolk is ingesloten en dan ontstoken raakt).De kans op een wolkbrand als gevolg van een ongeval met een LNG-tankwagen is klein.

Aangezien met het voorliggende ruimtelijke plan geen maatregelen aan de risicobron kunnen worden getroffen, zijn genoemde maatregelen gericht op de beheersing en vermindering van de effecten van een incident.

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een toxische vloeistof is bronbestrijding mogelijk door de vloeistofplas af te dekken met een schuimvormend blusmiddel. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Dit is ook een mogelijkheid voor effectbestrijding. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien de oorzaak een lekkage is. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie proberen te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is, zodat de toxische vloeistof nog niet volledig is uitgestroomd en verdampt. Als de oorzaak het ineens vrijkomen van de gehele inhoud is zal effectbestrijding zeer lastig zijn. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.
De koude BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankauto en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er eigenlijk geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor de wolkbrand geldt hetzelfde als voor de koude BLEVE, ondanks de iets langere ontwikkeltijd. Ook hier zal de effectbestrijding gericht zijn op het bestrijden van eventuele secundaire branden.
Bij een warme BLEVE is bronbestrijding mogelijk mits de koeling van de tankwagen snel genoeg gestart wordt. Zolang de tankwagen niet faalt is er tijd om het gebied te ontruimen. Voorwaarde hierbij is dat de brandweer voldoende snel ter plaatse kan zijn en dat er bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Indien de warme BLEVE optreedt zijn er geen mogelijkheden om het primaire effect te beperken. De inzet van de brandweer zal dan vooral gericht zijn op de bestrijding van secundaire branden.

Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn.

Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019' (januari 2020) ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. De ontwikkellocaties binnen het plangebied zijn aan deze eisen getoetst. Voor wat betreft de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van bluswatervoorzieningen geldt dat deze in de huidige situatie en onder normale omstandigheden voldoende is.

Maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid
Voor de aanwezigen in of nabij de vuurbal (warme BLEVE) zijn de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid beperkt tot geen, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling. Voor de aanwezigen op grotere afstand wordt geadviseerd om het gebied te ontvluchten.

Bij een toxisch scenario geldt dat, als in objecten een ventilatievoorziening aanwezig is of wordt gerealiseerd, deze ventilatie met een eenvoudige (handmatige) handeling uit te schakelen moet zijn. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

Risicocommunicatie

Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan dat om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten, het van belang is dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De gemeente deelt het advies dat informatie verstrekken aan personen van belang is. Het betreft de handelingsperspectieven om de veiligheid te verhogen. Op de website van de gemeente www.pijnacker-nootdorp.nl kunnen burgers hierover veel informatie vinden bij het thema “veiligheid”. Ook op de landelijke website www.crisis.nl en op de regionale site https://www.haaglandenveilig.nl kan men veel informatie vinden.

Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan. Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in:

  • het waarschuwen van bewoners en de naastgelegen bedrijven (het attenderen van de bevolking op een gevaar of dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies);
  • voorlichting: het verzamelen, het verwerken en verstrekken van informatie, met als doel het beperken of voorkomen van de directe gezondheidsgevolgen voor de betrokkenen door een ongeval.

Conclusie
Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van MPM Oil maar op een dermate grote afstand dat een bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar klein zal zijn. Er is daarom geen berekening uitgevoerd en geen verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Het plangebied ligt ook binnen het invloedsgebied van de A13 en de N470. Gezien de afstand van het plangebied tot de A13 (3.300 meter) is geen volledige verantwoording van het groepsrisico opgesteld maar is wel aandacht besteed aan bereikbarheid en bestrijdbaarheid, aan zelfredzaamheid en aan risicocommunicatie. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Zij via e-mail gereageerd (kenmerk: 2020080737625, datum 3 september 2020). Hierin geeft de VRH dat het plangebied weliswaar binnen het invloedsgebied van de A13 ligt maar dat gezien de grote afstand tussen de A13 en het plangebied er geen significante toe- of afname van het groepsrisico te verwachten is. De VRH adviseert, er van uit gaande dat de reeds genoemde maatregelen (afschakelbare ventilatie, bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, risicocommunicatie) worden uitgevoerd, geen aanvullende maatregelen.

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.

Voor het deelgebied 'Park Van Buijsen' geldt dat deze buiten de geluidzone van de spoorlijn RandstadRail (Den Haag CS - Rotterdam Slinge) is gelegen. Enkel wegverkeerslawaai is aan de orde. Ten behoeve van de bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Voor woongebied "Park Van Buijsen" overschrijdt de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de nieuwe weg de bovengrens van 53 dB (zie afbeelding 8). Derhalve is het niet mogelijk woningen te realiseren voor de locaties waarbij de geluidbelasting hoger is dan 53 dB. Om toch woningen, grenzend aan de nieuwe weg plan Keijzershof, mogelijk te maken zijn aanvullende bron- en overdrachtsmaatregelen onderzocht. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de bovengrens van 53 dB ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Bij toepassing van een stillere elementenverharding wordt de bovengrens niet meer overschreden. Deze bronmaatregel is dan ook doeltreffend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1926.wp010220110-4001_0015.png"

Afbeelding 8 | Geluidbelasting t.g.v. het wegverkeer op de nieuwe weg plan Keijzershof incl. 5 dB aftrek art. 110g Wgh (bron: Tritium Advies)

Opgemerkt dient te worden dat dit wijzigingsplan geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Daarnaast worden ook geen geluidbronnen mogelijk gemaakt. De afweging voor een goed woon- en leefklimaat op het aspect geluid is voldoende onderbouwd in het geldende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018'.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

In het kader van het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het deelgebied Park Van Buijsen mogelijk in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit nader onderzoek met behulp van de NSL-rekentool kan worden gesteld dat de jaargemiddelde grenswaarden voor de jaren 2020 en 2030 nergens op de omliggende (ontsluitings)wegen worden overschreden. Er wordt derhalve voldaan aan de normen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

Daarnaast wordt in dit wijzigingsplan geen extra woningen mogelijk gemaakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018'. Het uitvoeren van een nader luchtkwaliteitsonderzoek is niet nodig.

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Meijendel & Berkheide en ligt op een afstand van circa 15 kilometer. Dit wijzigingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die - ook gezien de grote afstand - negatieve effecten hebben op de habitattypen in Natura2000-gebieden. Voor de ontwikkelingen die nu vastgelegd worden in dit wijzigingsplan zijn reeds omgevingsvergunningen verleend.

NatuurNetwerk Nederland

In het plangebied zijn geen gebieden aanwezig die deel uitmaken van het NatuurNetwerk Nederland. Daarnaast ligt binnen het plangebied ook geen gebieden, die aangewezen zijn als belangrijk weidevogelgebied.

Soortenbescherming

Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is een onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd. Voor het plangebied 'Park Van Buijsen' geldt dat voorkomen moet worden dat in de periode maart tot augustus grondhopen met steile hellingen aanwezig zijn waarin oeverzwaluwen kunnen gaan broeden en dat de werkzaamheden het beste in de winter buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden met het oog op algemene broedvogels. Indien de werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de directe omgeving voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Tevens dient de algemene zorgplicht te allen tijde in acht genomen te worden.

Ecologie

Het plangebied grenst aan de 'Plas van Van Buijsen'. Dit is een ecologisch waardevol gebied. Om die reden is voor een klein deel binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' overgenomen. Het is bedoeld voor de instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden, gericht op ontwikkeling en instandhouding van ecologische netwerkenen beschermde groei- en verblijfplaatsen. Door het overnemen van deze dubbelbestemming is de ecologische waarde beschermd.

4.10 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Het plangebied is aan de noordkant ontsloten op de Van Buijsenlaan en de Aalscholver. Aan de zuidkant is het plangebied ontsloten op de Zuidweg. In het kader van het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling goed is. Het verkeer kan verkeersveilig afgewikkeld worden via het bestaande wegennet van gebiedsontsluitingswegen.

Pijnacker-Zuid heeft een halte voor metrolijn E (RandstadRail) en daarmee een directe aansluiting met Den Haag en Rotterdam. Pijnacker-Zuid 'leunt' vooral op deze openbaar vervoersverbinding, de RandstadRail-halte blijft de openbaar vervoersknoop van Pijnacker Zuid. Verder zijn de belangrijkste fietsroutes zijn in noord-zuidrichting en oost-westrichting georiënteerd, zodat door dit raster van fietsverbindingen niet alleen een goed verbonden netwerk met de bestaande wijken van Pijnacker en het buitengebied ontstaat, maar ook tussen de buurten in Pijnacker-Zuid onderling.

Het parkeren vindt bij de vrijstaande woningen en twee-onder-één kapwoningen hoofdzakelijk op eigen terrein plaats. Voor de bewoners van rijwoningen is voorzien in parkeerhofjes achter de woningen. Aan de voorzijde is voorzien in parkeergelegenheid door middel van langsparkeren.

Ten aanzien van parkeren dient altijd voldaan te worden aan de Nota Parkeernormen van de gemeente. Bij het verlenen van de omgevingsvergunningen voor het bouwen van de woningen is hier rekening mee gehouden.

4.11 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020
Het beleidsdocument 'Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020 heeft de gemeente samen met het Hoogheemraadschap van Delfland opgesteld. Het bevat de opgave voor de gemeente bij de klimaatverandering, en de maatregelen daarvoor in de komende jaren. Voor de wijk Keijzershof zijn geen knelpunten of maatregelen aangegeven.

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Om te waarborgen dat er sprake zal zijn van voldoende waterberging, zijn er bepalingen opgenomen in de regels van het geldende bestemmingsplan 'Keijzershof 2018'. Er dient minimaal 0,95 ha oppervlaktewater te worden gerealiseerd. Er is ook vastgelegd dat er sprake moet zijn van 0,35 ha waterberging.

Er zijn met HHD afspraken gemaakt over de waterbalans. De gemeente realiseert in het plan (meer dan) genoeg water. Volgens de waterbalans tekening 'KEH-45-4025' (zie Bijlage 2) wordt er in de eindsituatie 85.617 m² water gegraven. Dit is 10.148 m² meer water dan nodig is. Op dit moment is het benodigde water al aanwezig. Om de wadi/waterbergende voorziening in het plangebied te handhaven is er een aanlegvergunningstelsel opgenomen en een specifieke gebruiksregel voor de wadi.

In het bestemmingsplan 'Keijzershof 2018' is in de toelichting een nadere motivatie opgenomen ten aanzien van andere thema's binnen het aspect water. Deze zijn nog steeds van toepassing.

4.12 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die genoemd is in onderdeel D van het Besluit m.e.r.. Een beoordeling of besluit is dan ook niet benodigd.

4.13 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het vastleggen van verleende omgevingsvergunningen voor woningen. De vergunningen zijn verleend op basis van regels van de onderliggende bestemmingsplannen. Voor de delen waarvoor nog geen vergunningen zijn verleend is de geldende bestemming (Woongebied) overgenomen. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe woningen of andere bouwplannen mogelijk ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet aan de orde.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg 

Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Ter inzage legging ontwerp wijzigingsplan

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerp wijzigingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij het college. Vaststelling van het wijzigingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.

Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 9 februari t/m 23 maart 2023 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging is geen zienswijze ingediend. Parallel aan deze inspraakprocedure is ook het vooroverleg op grond van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd. Er zijn wel enkele ambsthalve wijzigingen doorgevoed (zie Bijlage 3).