| Plan: | Camping Zonnewende Ouddorp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1924.ODPZonnewende-BP30 |
Aan de locatie Groenedijk 22 in Ouddorp is een (melk)veehouderij gevestigd. Bij is ook een minicamping aanwezig met 25 standplaatsen. Het voornemen is om de bestaande minicamping uit te breiden met 20 standplaatsen (totaal: 45 standplaatsen). Met een tijdelijke ontheffing is voor een bepaalde periode hier al toestemming voor verleend. Daarnaast is het de wens om een kleinschalige horecagelegenheid in de vorm van een theetuin te realiseren en hiervoor een deel van een bedrijfsgebouw te gebruiken.
De gewenste ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied Goedereede'. Binnen de bestemming 'Argrarisch met waarden - Landschapswaarden' is het wel mogelijk om met een binnenplanse afwijking een minicamping van 25 standplaatsen en een kleinschalige horecagelegenheid toe te staan.
Met dit bestemmingsplan wordt de gewenste ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk gemaakt.
Het plangebied (zie afbeelding 1) bestaat uit de volgende kadastrale percelen:
Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 31.550 m². Het ligt in het buitengebied van de gemeente Goeree-Overflakkee ten westen van de kern Ouddorp. Het agrarisch bedrijf en de minicamping worden aan de westkant ontsloten op de de Groenedijk en aan de noorkant ligt de Noordweg. Het plangebied grenst aan agrarische gronden en aan de overkant van de Noordweg ligt het natuurgebied 'Duinen Goeree & Kwade Hoek'.
Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: Street Smart, bewerking door Juust)
Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
Het plangebied bestaat uit een agrarisch bedrijf en een minicamping (zie afbeelding 2). Op dit moment is het toegestaan om 25 standplaatsen te hebben en tijdelijk 45 standplaatsen. Het agrarisch bedrijf is actief als melkveehouderij waar vooral koeien worden gehouden voor het verkrijgen van melk voor de consumptie door mensen. Op het perceel staan twee grote bedrijfsgebouwen. Een daarvan heeft een oppervlakte van ongeveer 1.900 m² en de ander 935 m². Daarnaast is ook een bedrijfswoning aanwezig. Buiten het bouwvlak is mestopslag gelegen. Het agrarisch bedrijf is reeds ingepast met een groensingel rondom het perceel en een grondwal.
Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied (bron: Street Smart)
In de toekomstige situatie krijgen de tijdelijk vergunde 20 extra standplaatsen voor de (mini)camping een vaste plek op het perceel. Hierdoor wordt de landschappelijke inpassing ook gewijzigd. De bestaande grondwal zal in ieder geval worden doorgetrokken naar de perceelsgrens gelegen aan de Noordweg. In een deel van het kleinste bedrijfsgebouw is het de wens om een kleinschalige horecagelegenheid te realiseren in de vorm van een theetuin. Aan de huidige agrarische bedrijfsvoering veranderd niets. De camping blijft ondergeschikt aan de agrarische activiteiten.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Goedereede' van de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit bestemmingsplan is op 4 september 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' (zie afbeelding 3). Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen en ligt er ten hoogte van de camping de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'.
Afbeelding 3 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)
Ten behoeve van nevenfuncties is in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Goedereede' een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze zijn toegestaan onder bepaalde voorwaarden, zie onderstaand. Voor de kleinschalige horecagelegenheid dient aan deze voorwaarden te worden voldaan.
Aan de voorwaarden voor het hebben van een kleinschalige horecagelegenheid bij het agrarisch bedrijf en camping wordt voldaan. Voor de uitbreiding van de (mini)camping is het niet mogelijk om binnenplans af te wijken. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de volgende hoofdstukken.
De huidige bestemming en het huidige bouwvlak is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de landschappelijke inpassing. Verder is voor de camping en kleinschalige horecagelegenheid een specifieke aanduiding opgenomen.
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.
Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.
Regels
Algemeen
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
- Hoofdstuk 1 Inleidende regels
- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
- Hoofdstuk 3 Algemene regels
- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Inleidende regels
Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.
Bestemmingsregels
Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
Deze bestemmingregel is gelijk aan de bestemmingregel uit het bestemmingsplan Landelijk Gebied Goedereede. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven, met dien verstande dat nieuwvestiging of bedrijfsverplaatsing van sierteelt, bosbouw en intensieve kwekerij niet is toegestaan. Voor deze bestemming geldt dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in beginsel binnen de opgenomen bouwvlakken dienen te worden gebouwd. Het bouwvlak mag als geheel worden volgebouwd, maar daarbinnen worden voor diverse typen bebouwing wel maximum inhouds- dan wel oppervlaktematen opgenomen.
Daarnaast is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch: camping' opgenomen. Binnen deze functieaanduiding is een camping met maximaal 45 standplaatsen mogelijk. Binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch: kleinschalige horecagelegenheid' is een kleinschalige horecagelegenheid in de vorm van een theetuin mogelijk. Voor het gebruik van bestaande gebouwen ten behoeve van de kleinschalige horecagelegenheid geldt een maximale oppervlakte van 40 m². Dit is conform de geldende regeling.
Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering
De dubbelbestemming is bedoeld om voor de onderliggende enkelbestemmingen vast te leggen dat bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden uitsluitend toelaatbaar zijn voor zover het waterkeringsbelang respectievelijk de waterstaatkundige functie niet geschaad wordt.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Tevens is een regeling opgenomen die waarborgt dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouw.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.
Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.
Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.
Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. Accommodaties voor recreatie kunnen worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Gezien de aard en omvang van het plan is in dit geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het is geen zelfstandige accommodatie voor recreatie. De camping blijft fungeren als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf.
Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.
Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de 'Omgevingsvisie Zuid-Holland' en 'Omgevingsverordening Zuid-Holland' beschrijft de provincie Zuid-Holland haar doelstellingen en provinciale belangen.
Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant:
Agrarische bebouwing en bedrijfsvoering
Om de openheid van het landelijk gebied te handhaven, is het oprichten van agrarische bebouwing mogelijk indien deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven en wordt geconcentreerd op een bouwperceel met een omvang van maximaal 2 hectare. Indien nodig, is extra ruimte voor verbreding van activiteiten (met bijvoorbeeld zorg, recreatie of duurzame energieopwekking) met ten hoogste 0,5 ha mogelijk.
Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit
In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt.
Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt de ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.
Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand.
De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.
Richtpunten:
Dit is een reliëfrijk, overwegend niet gecultiveerd, zandlandschap van strand en jonge duinen met hoge natuur- en recreatiewaarden. Natuurlijke processen als verstuiving, vernatting en bosvorming zijn duidelijk zichtbaar door de voortdurende dynamiek van zand, golven en wind. Duingebieden worden afgewisseld door grote en kleine badplaatsen en havens. Het gebied is van belang voor de waterveiligheid en drinkwatervoorziening. De kust is een aantrekkelijke plek om te recreëren. Gedurende het strandseizoen kenmerkt het strand zich door een afwisseling van (drukke) strandopgangen en boulevards, waar strandtenten en strandhuisjes vaak het beeld bepalen, naar zeer rustige stranden zonder bebouwing. Dit contrast en deze diversiteit zijn kwaliteiten van het strand als belangrijke openbare en recreatieve ruimte van Zuid-Holland. Het is van groot belang om in de directe nabijheid van de stad plekken te weten waar rust en openheid het beeld bepalen.
Richtpunten:
Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. Vooral grote windturbines hebben verreikende invloed. Ook biovergistingsinstallaties en zonnevelden zijn bouwwerken die niet vanzelf en niet altijd passen bij de kenmerken van het gebied. Anderzijds kunnen bouwwerken voor energie-opwekking bijdragen aan nieuwe landschappelijke kwaliteit. Bij bouwwerken voor energie-opwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en/of inpassing van belang.
Richtpunt:
Deze laag is niet van toepassing op de betreffende locatie.
Gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen.
Aan de westzijde van het eiland liggen de grotere strandpolders. Deze zijn zeer open en vlak en hebben een rationele verkaveling. Ze liggen tussen de jonge en de oude duinen in en het open landschap van de polders staat in sterk contrast met deze naastgelegen duinlandschappen. De hoogteverschillen worden hierdoor sterker beleefbaar. Door de polder lopen twee kreken. Beplanting en bebouwing ontbreekt nagenoeg.
De polders zijn grotendeels in agrarisch gebruik. In 2006 is een natuurontwikkelingsproject gerealiseerd: Volgerland. Zeer markant is het zicht op de vuurtoren op de kop van het eiland. Geïsoleerd van de andere strandpolders ligt aan de oostzijde van het eiland de kleine Bokkepolder. Deze is relatief hooggelegen en heeft in de loop der tijd een meer besloten karakter gekregen door de aanplant van houtwallen en boskavels.
Ambities
Naast de meer doorgaande wegen is er een groot aantal lokale wegen. Deze wegen vormen een fijnmazig netwerk op het eiland. De wegen worden niet alleen gebruikt door autoverkeer, maar ook door landbouw- en (recreatief) langzaam verkeer. De lokale wegen zijn een vanzelfsprekend onderdeel van het landschap, volgen de richting van het landschap en kennen een minimale inrichting. Dit betekent dat de wegen op de kop aansluiten bij het kleinschalige, groene karakter van de linten en schurvelingen. Op de hals en de romp zijn dit eenvoudige en sobere wegen in de weidse polder.
Ambities
Lange afstands fiets- en wandelroute
Goeree-Overflakkee is ideaal om op de fiets of wandelend te verkennen. Verspreid over het eiland zijn meerdere fiets- en wandelroutes uitgezet. Deze routes leiden door historische dorpscentra, weidse polders met dijken en kreken en het besloten schurvelingenlandschap. De routes zijn opgenomen in het fietsknooppuntennetwerk en geven een uitstekende indruk van alles wat het eiland te bieden heeft. Daarnaast lopen over Goeree-Overflakkee twee lange afstandsroutes: de landelijke fietsroute Noordzeeroute (LF1) en het lange afstandswandelpad Deltapad (LAW 5-1).
In recreatieve knooppunten (zoals recreatietransferia en toeristische overstappunten) komen meerdere recreatieve routes en attracties samen en hier kan overgestapt worden van het ene vervoersmiddel op het andere. Daarnaast zijn er recreatieve knooppunten waarbij het niet zozeer gaat om het overstappen, maar om het concentreren van recreatieve activiteiten. Denk hierbij aan de historische dorpskernen en havens.
Ambities
De bovengenoemde gebiedskwaliteiten komen met de gewenste ontwikkeling niet in gevaar. De aard en omvang van de ontwikkeling is passend binnen dit gebied. Het heeft weinig ruimtelijk impact op de gebiedskwaliteiten. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. De ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaltieitskaart. De ontwikkeling is daarmee aan te merken als een ontwikkeling in de categorie 'inpassen'. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn niet benodigd. Daarnaast is het perceel landschappelijk ingepast (zie paragraaf 4.2 onder cultuurhistorie).
Strategische Agenda Kust Zuid-Holland
Op 15 januari 2019 is de Strategische Agenda Kust Zuid-Holland opgesteld. Zuid-Holland zet met de agenda voor de kust een samenhangende, integrale koers uit en benoemt de onderwerpen waarover de provincie met andere partijen in gesprek is of gaat. De strategische agenda bevat ambities en opgaven voor de kust voor de korte en lange termijn. Ruimte geven aan economische dragers en zorg dragen voor de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van de kust gaan daarbij hand in hand.
Nieuwe ontwikkelingen in de kustzone (woningbouw, recreatie, infrastructuur) dienen bij te dragen aan de kwaliteit van de kust als geheel. Dit vraagt om een integrale benadering waarbij economische ontwikkeling en stedelijke groei wordt gecombineerd met investeringen in natuur en landschap.
Aantrekkelijke kust; landschap als vestigingsvoorwaarde; verblijfsrecreatie
Vanuit economisch oogpunt vormen recreatie en toerisme een aantrekkelijke branche voor de kustgemeenten en de regio. De provincie onderzoekt of, en zo ja op welke manier, het mogelijk is om in de groeiende behoefte aan verblijfsrecreatie te voorzien zonder dat het afbreuk doet aan de kwaliteiten van de kust.
Het provinciaal beleid staat de ontwikkeling niet in de weg.
Regionale structuurvisie Goeree - Overflakkee
Op 26 oktober 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee de herziening op de regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee vastgesteld met als titel 'Vitaal belevingseiland in de Delta'. In deze structuurvisie is beleid opgenomen voor het thema 'Toerimse en recreatie'. Kansen zijn er voor kwaliteitsverbetering en uitbreiding van verblijfsrecreatie. De visie geeft aan het kusttoerisme op de Kop van Goeree te willen versterken en verbeteren en behoud van kleinschalig halfopen cultuurhistorisch waardevol buitengebied. Bovendien wordt de uitbreiding van boerencampings bij knooppunten benoemd.
Eilandvisie Goeree-Overflakkee
Op 12 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. Centraal in de visie staan behoud en versterking van de leefbaarheid en van de identiteit van het eiland: de eilanditeit. De visie schetst Goeree-Overflakkee als eiland van rust en ruimte waar mensen naar volle tevredenheid wonen, werken en recreëren. Vanuit de visie zijn zes strategische kernthema's geformuleerd als de leidraad voor de toekomst. Deze thema's hebben elk een toetsvraag. Deze kernthema's fungeren als zeef voor alle beleidsplannen, beleidsvoornemens en initiatieven, zodat toekomstige plannen altijd binnen de Eilandvisie vallen.
De ontwikkeling past bij de identiteit van Goeree-Overflakkee. Het hebben van een (mini)camping als nevenactiviteit bij agrarisch bedrijf is passend. Het versterkt evengoed de recreatieve mogelijkheden op het eiland. Daarnaast tast het door de landschappelijke inpassing de identiteit niet aan.
Het plan draagt niet direct bij aan de sociale structuur op het eiland, maar het initiatief doet ook geen afbreuk aan de sociale structuur.
De uitbreiding van de camping faciliteert het agrarisch bedrijf als nevenactiviteit. Daarnaast biedt het bezoekers meer overnachtingsmogelijkheden bij een bestaande boerencamping.
De ontwikkeling heeft geen specifieke duurzaamheidsaspecten. Het levert in die zin geen extra bijdrage aan de ambitie om het meest duurzame eiland te worden.
De ontwikkeling is niet innovatief en leidt niet direct tot extra banen.
Het plan kan mensen op het eiland met elkaar verbinden al is de kans klein.
De ontwikkeling van 20 extra standplaatsen voor de camping is een kleinschalige ontwikkeling die geen afbreuk doet aan de kernthema's uit de Eilandvisie. Het is een kleinschalige ontwikkeling die goed ingepast kan worden en kan aansluiten op het omliggende landschap. De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit
verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het
bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet
vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de
Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie
welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Het plangebied heeft geen archeologische waarde. De Groenedijk is wel archeologisch, natuur- en landschapswardevol. Echter komt er geen extra ontsluiting ten behoeve van de camping op de Groenedijk. Daarnaast zal aan de Groenedijk zelf geen graafwerkzaamheden plaatsvinden. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Dit aspect staat de ontwikkeling niet in de weg.
Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes
wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet
1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van
een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige
cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.
Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. Er zijn wel waardevolle landschappelijke elementen aanwezig. Het plangebied ligt binnen 'historische landschappelijke vlakken' en deels binnen een 'contrastzone' (zie afbeelding 4).
Voor wat betreft de landschappelijke vlakken met als kenmerk 'Duinlandschap inc. zeewering' heeft het een hoge waarde. De meeste landschapstypen in Zuid-Holland (bv. veenontginning, droogmakijerij, zeekleipolder) zijn - op provinciaal niveau - niet bijzonder zeldzaam. Ze scoren daardoor, bij voldoende gaafheid en samenhang, doorgaans niet hoger dan 'hoge waarde'.
De contrastzone heeft een zeer hoge waarde. Daar, waar verschillende landschapstypen, in een zone van zekere lengte, bijzonder markant bij elkaar komen is sprake van een 'landschappelijke contrastzone': in één oogopslag zijn hier meerdere aspecten van de wording van het landschap te overzien. Vooral langs de kust is, op de overgang van de duinen naar strand en zee, over aanzienlijke lengte van een contrastzone sprake. Datzelfde geldt voor de overgang van de binnenduinrand naar het binnenland.
Afbeelding 4 | Uitsnede interactie atlas Cultuurhistorie - contrastzone (bron: Provincie Zuid-Holland)
Het uitbreiden van de minicamping in noordelijke richting heeft geen invloed op de landschappelijke waarden. De ingrepen zijn beperkt en het plangebied is al ingericht als camping. Daarnaast is het plangebied in het verleden al landschappelijk ingepast en wordt in de toekomstige situatie geoptimaliseerd.
Landschappelijke inpassing
De Kop van Goeree is in het algemeen een duinlandschap met een gelaagde opbouw: van oost naar west de ‘oudere jonge duinen’, strandpolders en ‘jongere jonge duinen’. Bijzonder in de binnenduinrand zijn het schurvelingenlandschap en de contrastrijke zone. Het duinlandschap is kleinschalig met veel afwisseling tussen duinen, duinbossen en agrarische gronden.
De landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken van dit gebied zijn een besloten duinrand met beplanting en bebouwing die de open strandpolders ruimtelijk omkaderd. Dit landschappelijke contrast, dat cultuurhistorisch van hoge waarde is, dient te worden behouden en versterkt.
De camping ligt namelijk op een prominente plek aan het open landschap van de strandpolders. Door de aanwezigheid van de grondwallen en de beplanting is deze impact ruimtelijk beperkt. Een ruimtelijke aansluiting van de camping bij de duinrand door middel van beplanting is gewenst, zo wordt de landschappelijke logica en het contrast van massa aan de randen en open ruimtes zoveel mogelijk doorgezet.
Met de landschappelijke inpassing waarbij de grondwallen worden doorgezet rondom het perceel ontstaat er een uniform beeld en de onafgewerkte grondlichamen worden verwerkt en aan het zicht onttrokken. Dit grondlichaam heeft dezelfde afmetingen en vormgeving als het aanwezige grondlichaam en wordt beplant met hetzelfde sortiment (zie Bijlage 1).
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.
De minicamping is een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. Rondom het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig. Ten aanzien van eventuele overlast op gevoelige functies in de omgeving geldt, op basis van de VNG 'Bedrijven- en milieuzonering', voor een kampeerterrein een richtafstand van 50 meter in verband met geluid. Binnen 50 meter zijn geen gevoelige functies gelegen. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
De hoofdbestemming 'Agrarisch' wijzigt niet. Daarnaast gaat het om een zogenaamde boerencamping waar mensen niet langdurig verblijven.
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.
In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast zijn er in de nabijheid van het plangebied ook geen transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig. De dichtstbijzijnde transportroute gevaarlijke stoffen (weg) is de N57 en ligt op een afstand van ruim 2,5 km.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.
Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
In het plan wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie of extra geluidbronnen mogelijk gemaakt. Er hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Als de Wgh niet geldt is het beoordelingskader een 'goede ruimtelijke ordening'. Vanwege onder andere de ligging midden in het buitengebied en naast een 60 km-weg, die een lage intensiteit heeft, kan aangenomen worden dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.
In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen. Dit aspect is geen belemmering om het gewenste plan te realiseren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het realiseren/uitbreiden van een kampeerterrein kan door de verkeersaantrekkende werking luchtverontreiniging veroorzaken. Gezien de aard en omvang van het project draag het 'niet in betekende mate' bij aan luchtverontreiniging (zie onderstaand tabel).
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.
Afbeelding 5 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron Rijksoverheid)
Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 12,7 µg/m3 (rekenpunt 15968892), 16,7 µg/m3 en 8,9 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ongeveer 15 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Duinen Goeree & Kwade Hoek'. Dit gebied is stikstofgevoelig. Daarnaast ligt op ongeveer 350 meter afstand het Natura 2000-gebied 'Voordelta'.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de nieuwe AERIUS Calculator is voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie Bijlage 2).
Op de habitattypen 'duindoornstruwelen' en 'zoom, mantel en droog struweel van de duinen' is er geen overschrijding van de kritische depositiewaarde door de achtergronddepositie. Voor de habitattype 'grijze duinen' geldt dat er op dit moment al sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde door de achtergronddepositie. Echter is in de meest (naderende) stikstofoverbelaste hexagoon 3703496 geen overlap (0,0 ha). Deze geringe toename van depositie heeft geen invloed op de aard en omvang en effectiviteit van de maatregelen die nodig zijn voor behoud of herstel van de kwaliteit van dit habitattype. De bijdrage van het plan brengt de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitattypen dan ook niet in gevaar.
In de handreiking 'Voortoets Stikstof' (d.d. februari 2021) – pagina 12 - van Bij12 is aangegeven dat als het gaat om een tijdelijke depositie – op een overbelast stikstofgevoelig habitat – ten gevolge van de inzet van materieel ten behoeve van de aanlegfase, van ten hoogte 0,05 mol stikstof per hectare per jaar, gedurende maximaal 2 jaar. Dat betekent dat de totale stikstofvracht als gevolg van het project nooit meer dan 0,1 mol stikstof per hectare kan bedragen gedurende de looptijd van het project. Deze vuistregel is zowel bij projecten als bij plannen (zoals bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen) toepasbaar. In dit geval is de hoogste depositie 0,05 mol stikstof per hectare per jaar op het habitattype 'Duindoornstruwelen'. Er is geen Passende Beoordeling nodig voor de aanlegfase. Voor de aanlegfase is dan ook geen vergunning benodigd.
In de gebruiksfase zijn er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Soortenbescherming
Binnen het plangebied worden geen gebouwen gesloopt, bomen gekapt of sloten gedempt. Alleen de bestaande grondwal wordt doorgetrokken. De ontwikkeling heeft daardoor geen negatief effect op de instandhouding van soorten.
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het plan.
In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen.
Het plangebied ligt niet in een risicogebied. Het uitvoeren van een NGE-onderzoek is niet nodig.
Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Parkeerplaatsen
Op basis van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het parkeerkencijfer bepaald. Er is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' en de gebiedstype 'buitengebied'. Voor een camping (kampeerterrein) is de minimale parkeerkencijfer 1,1 en de maximale parkeerkencijfer 1,3. Voor de 20 extra standplaatsen is een extra parkeerbehoefte van maximaal 26 parkeerplaatsen. Dit kan opgevangen worden op eigen terrein.
Verkeersgeneratie
Voor een camping (kampeerterrein) is de minimale en maximale verkeersgeneratie per standplaats 0,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de 20 extra standplaatsen is een extra verkeersgeneratie van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze extra verkeersbewegingen buiten de bebouwde kom is verwaarloosbaar.
Voor de theetuin (kleinschalige horeca) is geen extra verkeersgeneratie en extra parkeerbehoefte te verwachten omdat de theetuin ten dienste is van de camping.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.
Het plangebied ligt in de zone van de waterkering. Er worden geen gebouwen opgericht en de bebouwingsoppervlakte wordt niet uitgebreid. Het waterkeringsbelang wordt door de activiteiten niet onevenredig geschaad. Daarnaast wordt geen extra verhard oppervlak toegevoegd. Het gaat om een buitenterrein dat grotendeels onverhard is (gras). Watercompensatie is niet aan de orde. Verder wordt hemel- en afvalwater wordt afgekoppeld volgens de huidige situatie. De aansluitingen wijzigen niet. Het plan heeft geen invloed op de grondwaterkwaliteit. Er worden geen producten of materialen gebruikt die een nadelige invloed kunnen hebben op het grondwater. Bovendien vinden geen activiteiten plaats die bodemdaling veroorzaken.
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.
In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de dremeplwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..
De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die genoemd is in onderdeel D van het Besluit m.e.r.. Een beoordeling of besluit is dan ook niet benodigd.
Onder D.10 is de activitiet 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen' opgenomen. De uitbreiding van de camping met 20 standplaatsen ligt ver onder de drempelwaarden. Ondanks het vooral seizoensgebonden kampeerders zijn, is het een permanent kampeerterrein. Aangezien er al een minicampings is gerealiseerd dat past binnen het huidige bestemmingsplan, is voor de geringe uitbreiding van de minicamping geen uitgebreide vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk en dus geen aparte aanmeldnotitie. De voorgaande hoofdstukken zijn ingegaan op de verschillende omgevings- en milieuaspecten die ook in een aanmeldnotitie worden behandeld. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.
Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.
Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.