| Plan: | Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1916.phBPLGwstndrw8a-VG01 |
Het bestemmingsplan Landelijk Gebied (het moederplan) is bij besluit van 7 februari 2012 door de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg vastgesteld. Met de uitspraak van de Raad van State van 17 juli 2013 is het plan grotendeels, in ieder geval voor Westeinderweg 8a, onherroepelijk geworden.
In de ontwerpfase van het moederplan is voor Westeinderweg 8a een zienswijze ingediend (nr. 67 van de Zienswijzennota). Deze zienswijze, gericht op vergroting van het bebouwingsvlak, is middels vaststelling van de behorende Zienswijzennota door de gemeenteraad gegrond geacht. De betreffende zienswijze is echter abusievelijk niet in de verbeelding van het (vastgestelde) bestemmingsplan verwerkt.
Recent is een bouwinitiatief voorgelegd om de bestaande veestal op de locatie uit te breiden. De uitbreiding van de veestal past niet binnen het bebouwingsvlak zoals op de verbeelding van het moederplan opgenomen. Het zou passen indien genoemde zienswijze in de verbeelding zou zijn verwerkt.
Doel van de onderhavige Partiële herziening is om in overeenstemming met genoemde zienswijze het bebouwingsvlak van perceel Westeinderweg 8a te vergroten. Om dit mogelijk te maken wordt de bestemming 'Agrarisch' vergroot ten koste van de bestemming 'Agrarische met waarden - landschapswaarden'.
Sinds vaststelling van het moederplan is het gemeentelijk archeologisch beleid gewijzigd. Voor onderhavige locatie heeft dit tot gevolg dat de te verwachten hoge archeologische waarden is gewijzigd in een lage archeologische waarden, op basis waarvan de betreffende dubbelbestemming in de Partiële herziening is aangepast.
Het plangebied betreft Westeinderweg 8a te Leidschendam, aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door de agrarische gronden en aan de zuidzijde door de Westeinderweg.
Het plangebied bestaat uit het bebouwingsvlak inclusief de voorgestelde uitbreiding van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Stompwijk, sectie A, nummer 1009.
Figuur 1.1, Situering Westeinderweg 8a met bebouwingsvlak zoals opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan Landelijk Gebied (2011).
Figuur 1.2, plangebied Partiële herziening
Voor het plangebied vigeert momenteel het volgende bestemmingsplan:
Voor het plangebied gelden op basis van het moederplan de bestemmingen 'Agrarisch' (art. 3), en 'Agrarische met waarden - landschapswaarden' (art 6). Daarnaast ligt het gehele plangebied binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'.
Het bestemmingsplan dient gelezen te worden in samenhang met het moederplan, Bestemmingsplan Landelijk Gebied (2011). In Artikel 5 van de Partiële herziening staat dan ook dat, voor zover niet anders bepaald dat de regels uit het moederplan van toepassing blijven.
Dat geldt ook voor de toelichting van het moederplan.
In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het doel dat met het bestemmingsplan wordt beoogd, omschreven. In hoofdstuk 2 is het relevante geldende beleid en de van toepassing zijnde regelgeving vermeld, voor zover dit gewijzigd is en of relevant is.
De planbeschrijving is in hoofdstuk 3 beschreven. Op de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 4 ingegaan.
Dit bestemmingsplan dient gelezen te worden in samenhang met het moederplan, Bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' (2011).
Het opstellen van deze Partiële herziening vindt plaats binnen het ruimtelijk relevante beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau, zoals opgenomen in de toelichting van het moederplan.
In deze paragraaf wordt het beleidskader nader toegelicht, voor zover dit (gedeeltelijk) achterhaald is door actualisatie of nieuw beleid en relevant is voor dit plan.
Het rijksbeleid is erop gericht om belangen op nationaal niveau te behartigen. Wanneer er geen nationaal belang in het geding is wordt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bij gemeenten en provincies gelegd. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven.
Voor onderhavig bestemmingsplan, Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a worden geen nationale belangen geschaad.
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m³ per jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid Holland de "Visie Ruimte en Mobiliteit" (hierna: VRM) vastgesteld. De meest recente actualisatie hiervan is vastgesteld op 14-12-2016 en in werking getreden op 12-01-2017. Deze visie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde te brengen en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
De VRM bestaat uit de 'Visie ruimte en mobiliteit', de 'Verordening ruimte 2014', het 'Programma ruimte' en het 'Programma mobiliteit'.
In het Visiedocument worden vier thema's onderscheiden.
Beter benutten en opwaarderen
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op.
Door deze visies stemmen de gemeenten het aanbod met elkaar af op de reële behoefte naar woningen en kantoren. Op deze wijze wil de provincie het overschot aan kantoren terugdringen en het tekort aan woningen voor bepaalde segmenten kleiner maken.
Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.
Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
Versterken ruimtelijke kwaliteit
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
Blikvanger is het warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse mainport kan in de toekomst via een ondergronds leidingstelsel worden getransporteerd naar de greenport Westland-Oostland, waar er kassen mee worden verwarmd, en naar steden om te voorzien in de warmtebehoefte van bewoners en bedrijven.
Het programma ruimte beschrijft de operationele doelen en de realisatiemix om doelen te (doen) bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio's en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.
In het programma mobiliteit staan de ambities en de provinciale belangen. Het programma mobiliteit kent een grotere dynamiek dan de visie. Het kan hierdoor bijvoorbeeld in samenhang met een nieuw collegeprogramma, elke vier jaar worden geactualiseerd. Daarbij wordt verbinding gelegd met de verschillende uitvoeringsprogramma's, beleidsuitwerkingen en verordeningen zoals deze al bestaan voor mobiliteit.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan een verordening er één is. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening ruimte 2014 daarom onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen.
Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte') van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de Romeinse Limes.
Het volledige juridisch instrumentarium vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat daarbij om de Verordening ruimte 2014, het provinciaal inpassingsplan en de (proactieve en reactieve) aanwijzing. De provincie kan deze instrumenten inzetten als er sprake is van provinciaal belang. De provincie beschouwt in ieder geval van provinciaal belang de in de visie opgenomen doelen en de uitwerking daarvan in de Programma's ruimte en mobiliteit. In de verordening staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen.
De Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft een overzicht van cultureel erfgoed in de provincie Zuid-Holland. Het cultureel erfgoed wordt hier opgevat als het geheel van overblijfselen uit het verleden in de bodem (archeologie), de ongebouwde omgeving (landschap) en de gebouwde omgeving (nederzettingen). Wanneer deze overblijfselen nog voldoende herkenbaar zijn als een kenmerk van de regionale bewonings- en ontginningsgeschiedenis, zijn ze op kaart gezet: de zogenoemde cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland.
De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht op hoofdlijnen van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Deze kaart kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder thema bestaat weer uit 2 kaarten, de kenmerkenkaart en de waardenkaart, die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom.
De cultuurhistorische kaart is een belangrijke onderlegger voor ruimtelijke planvorming. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden blijft en/of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de provincie de zogenoemde regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. Dit zijn zestien regioprofielen, die als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus dienen om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen, zoals die staan in de Provinciale Structuurvisie. De regioprofielen zijn een aanscherping van het bestaande beleid voor cultuurhistorie en ruimtelijke planvorming.
Gebiedsprofiel Wijk en Wouden
Het voorliggende plangebied maakt deel uit van het gebiedsprofiel 'Wijk en Wouden'. Hiervoor zijn vier thema's benoemd.
Deze vier thema's zijn:
De combinatie van deze vier lagen bepaalt de landschappelijke karakteristiek van Wijk en Wouden en vormt daarmee de hoofdlijnen van het Gebiedsprofiel. Deze landschappelijke karakteristiek is weergegeven in een kwaliteitsbeeld.
Figuur 2.1: Kwaliteitsbeeld Gebiedsprofiel Wijk en Wouden
Dit kwaliteitsbeeld vormt de samenvatting van de genoemde thema's van Wijk en Wouden met bijbehorende ambities: Versterken van de randen van het gebied, de mate van kwaliteit en diversiteit binnen die randen en het behouden en versterken van het herkenbare open middengebied van de polders, met relaties met de landschappen buiten Wijk en Wouden:
Voor onderhavige planontwikkeling is de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied van belang, waar paragraaf 2.2 van de verordening Ruimte op toeziet. Tevens zijn de in paragraaf 2.3 opgenomen regels voor landschap, groen en erfgoed van belang en de in paragraaf 2.2.2 genoemde Gebiedsprofiel Wijk en Wouden. Uitgangspunt daarbij is dat voldoende ruimte wordt geboden aan de landbouw, omdat dat de sector is die kan bijdragen aan behoud en het versterken van landschappelijke kernwaarden en biodiversiteit.
Betreffende locatie ligt in zogenaamd 'categorie 2 gebied' zoals vermeld in de, bij de Verordening Ruimte 2014 behorende Kwaliteitskaart (kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit). Dit houdt in dat de provincie in deze gebieden een aantal specifieke waarden en gebieden in stand wil houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. Ze leveren een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar alleen met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden van het gebied.
De beperkte ontwikkeling die Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a mogelijk maakt, betreft een gebiedseigen inpassingsplan. Onderhavig bestemmingsplan maakt een bruto uitbreiding van het bebouwingsvlak van de bestemming Agrarisch van ca. 1380 m2 mogelijk, wat een uitbreidingsmogellijkheid van het bebouwingsvlak inhoudt van ruim 50 %.
De uitbreiding van het bouwvlak is van belang voor de bedrijfsvoering van het betreffende agrarische bedrijf. In vergelijking met de agrarische bedrijven in de omgeving heeft het betreffende bedrijf thans een kleine bedrijfskavel. Na vergroting tot het gewenste oppervlak heeft het bedrijf een gemiddeld bedrijfskaveloppervlak. De vergroting van het bedrijfsvlak vindt plaats achter het bestaande bedrijfsperceel. Dit is de wenselijke richting bij uitbreiding en past in het landschappelijke kavelpatroon. Daarbij blijft de achter-rooilijn in verhouding tot de naastgelegen percelen het dichtst bij de Westeinderweg gesitueerd. Het boerenervenlint (als kralensnoer van losse boerderijen) wordt in stand gehouden. Met de beperkte uitbreidingsmogelijkheid van het onderhavige boerenerf, blijven de ruime doorzichten van het gebied bewaard.
Derhalve kan gesteld worden dat de gewenste uitbreiding binnen de landschappelijke structuur van het gebied past.
Tot slot biedt het bestemmingsplan ruimte aan versterking van het bestaande veeteeltbedrijf waarbij aan de in artikel 2.3.1 van de verordening Ruimte genoemde voorwaarden (o.a. maximum van 2 ha) ruimschoots wordt voldaan.
Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water.
Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europeseregelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkomen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan (2016-2021) werkt Rijnland aan zijn ambities (http://www.riinland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een Ja, tenzij benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of wordt een watervergunning geest.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen (zie de vergunningencheck: https://vergunningen.info/?overheid = RIJ).
Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem.
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Ten behoeven van onderhavige Partiële herziening is overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap van Rijnland, zijn de voorgestelde maatregelen afgestemd en zijn bovenstaande opmerkingen verwerkt.
Het gemeentelijk beleidskader zoals in het moederplan vermeld is ten aanzien van de onderhavige Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a op een aantal beleidsterreinen aangepast. Hieronder wordt voor de onderhavige locatie ingegaan op de relevante beleidswijzigingen en eventuele gevolgen voor de Partiële Herziening.
De herijking van de structuurvisie Ruimte voor Wensen (vastgesteld op 25 september 2012) vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:
De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a valt binnen het zogenaamde buitengebied. Voor het buitengebied zijn onderstaande opgaven geformuleerd.
Buitengebied:
De in de herijkte structuurvisie geformuleerde ambities voor dit gebied, zijn nog steeds passend binnen voorgestelde (beperkte) uitbreiding van het bebouwingsvlak.
In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, middels het vaststellen door de raad op 4 februari 2014 van de 'archeologienota herijking 2013'.
In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
| Waarde-Archeologie 1 | Archeologisch rijksmonument |
| Waarde-Archeologie 2 | Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde |
| Waarde-Archeologie 3 | Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting |
| Waarde-Archeologie 4 | Gebieden met een lage archeologische waarde |
De betreffende waarderingsgebieden dienen in toekomstige bestemmingsplannen als zodanig bestemd te worden.
Figuur 2.2: archeologische beleidskaart
Westeinderweg 8
Gevolg van de herijking van het archeologiebeleid voor onderhavige locatie is dat de te verwachten hoge archeologische waarde is gewijjzigd in een lage. De reden hiervoor is dat de oude verwachtingswaarde gebaseerd was op een oude bodemkaart. Met deze Partiële herziening wordt derhalve het nieuwe archeologiebeleid toegepast. Op basis hiervan is de betreffende bestemming uit het moederplan 'Waarde - Archeologie hoge verwachting (art.26, moederplan) gewijzigd in de bestemming Waarde - Archeologie - 4 (art 3 Partiële herziening).
De Ontwikkelvisie Stompwijk, vastgesteld door de Raad op 8 juni 2016 als vervolg van de in het moederplan benoemde Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk (2007) is met name gericht op de ontwikkeling van woningen in de dorpskern Stompwijk. Onderhavige locatie is in het buitengebied van Stompwijk gesitueerd, derhalve is de genoemde visies niet relevant voor onderhavige Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a.
In de Ontwikkelvisie Stompwijk is opgenomen dat vanwege de leefbaarheid en veiligheid in de dorpskern van Stompwijk een nieuwe verbindingsweg vanaf de N206 om de Dr. van Noortstraat is gepland. Hiervoor heeft de raad op 13 december 2016 het bestemmingsplan Stompwijk-Verbindingsweg vastgesteld. Betreffende verbindingsweg is aansluitend gesitueerd aan het plangebied van onderhavige Partiële herziening en heeft geen gevolgen voor dat plangebied. Ook niet wat de ontsluiting betreft.
In zijn openbare vergadering van 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg het 'Water- en Rioleringsplan 2016-2021' vastgesteld. Dit nieuwe Water- en Rioleringsplan (WRP) is de opvolger van het 'Gemeentelijke Rioleringsplan 2009-2014' (GRP) en het 'Waterplan 2007-2015'.
Het nieuwe WRP beschrijft de visie en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en grondwater. De visie beschrijft de gewenste situatie op de lange termijn:
Om deze ambities waar te kunnen maken hanteert het WRP als uitgangspunt het realiseren van praktische oplossingen met oog voor de mogelijke effecten van de klimaatverandering. Samenwerking met andere partijen staat hierbij centraal. Het nieuwe WRP is daarom tot stand gekomen met een actieve inbreng van de kant van de hoogheemraadschappen van Rijnland en Delfland.
Waterbeheer en watertoets
Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied.
Zoals vermeld in paragraaf 2.2.4 is ten behoeve van dit wijzigingsplan overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap van Rijnland, zie pararagraaf 4.2.1, zijn de voorgestelde maatregelen afgestemd en met aanpassing van de betreffende paragraaf akkoord bevonden.
In het kader van de vergunningprocedure voor de omgevingsvergunning zal op basis van het definitieve bouwplan getoetst worden of vanwege het bouwinitiatief, uitgaande van de huidige situatie, een dusdanige uitbreiding van verharding plaats zal vinden dat gecompenseerd dient te worden.
De Duurzaamheidsagenda is in 2016 vastgesteld. Deze agenda focust op vijf belangrijkste thema’s die de ecologische duurzaamheid in Leidschendam-Voorburg bevorderen:
Deze agenda heeft de volgende doelen:
Ad a.:Met de duurzaamheidsagenda focust de gemeente op de vijf ecologische duurzaamheidsthema's. Elk van deze thema's kent vastgestelde beleidskaders, met bijbehorende doelstellingen, aanpak en budget. Het gaat onder meer om het Groenstructuurplan, Water- en rioleringsplan, Verkeer- en vervoersplan, de actieplannen lucht en geluid, het afvalbeleid Grip op Grondstoffen en Klimaatplan. Het moet een vanzelfsprekendheid worden dat bij relevante beslissingen en opgaven duurzaamheid volwaardig meetelt.
Ad b: Deze duurzaamheidsagenda brengt de verschillende beleidskaders in beeld zodat duidelijk is wat er gebeurt op het gebied van ecologische duurzaamheid. Deze beleidskaders kennen een eigen dynamiek, waarmee de duurzaamheidsagenda meebeweegt. Actualisering van een beleidskader vraagt geen actualisering van de duurzaamheidsagenda. Ook komt de voortgang van de maatregelen die voortkomen uit de bestaande beleidskaders aan de orde in de reguliere rapportages. De rapportage over de duurzaamheidsagenda is complementair hieraan. Zij focust op de stand van zaken en risico's vanuit het oogpunt van samenhang tussen de thema's.
Ad c: Met het samenbrengen van verschillende maatregelen kunnen middelen gecombineerd worden en de efficiëntie vergroot. De duurzaamheidsagenda biedt daarnaast een overzicht van de diverse beleidskaders om initiatieven te toetsen aan de doelstellingen en te plaatsen binnen de overkoepelende ambitie van een duurzamer Leidschendam-Voorburg.
Door het samenbrengen van de verschillende bestaande beleidskaders is ook duidelijk dat de ambitie een duurzame groene woongemeente te blijven extra accenten vraagt.
In het kader van onderhavige Partiële Herziening, waarbij uitsluitend het bebouwingsvlak wordt uitgebreid op basis van een eerdere toezegging door de raad is bovenstaand minder relevant. Een eventuele wijziging ten aanzien van luchtkwaliteit in het kader van de stankrichtlijn zal op basis van de Wet milieubeheer onderzocht worden, waar onderhavige Partiële herziening niet op toeziet.
Aanleiding van onderhavig bestemmingsplan is de zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied (2011) gericht op het bebouwingsvlak van perceel Westeinderweg 8a. Betreffende zienswijze is opgenomen in de zienswijzen nota Bestemmingplan Landelijk gebied onder nr. 67.
De zienswijze is:
"Graag zou ik dit bouwblok willen uitbreiden i.v.m. mogelijke vervanging c.q. uitbreiding van de huidige veestal en eventuele aanleg van een pad voor de aan/ en afvoer van veevoer en mest enz. De uitbreiding die ik voor ogen heb is de lengte te verlengen met 40m (zie bijgaande tekening), de breedte blijft gelijk van sloot tot sloot:"
afbeelding 3: tekening opgenomen bij zienswijze nr 67 inzake Westeinderweg 8a.
In hoofdstuk 3.2 van de Zienswijzenota (weergave en beantwoording zienswijzen, individuele onderwerp) is betreffende zienswijze namens het college als volgt voorgesteld om af te doen:
"Reactie
In het ontwerpbestemmingsplan heeft het betreffende perceel een agrarische bestemming. Het gemeentelijke beleid is erop gericht om de agrarische bedrijven met graasdieren, zoals het bedrijf van reclamant, die dragers zijn van het weidelandschap, de ruimte te bieden voor schaalvergroting. De verzochte uitbreiding [ ... ]past binnen de genoemde beleidsuitgangspunten. Bovendien wordt een uitbreiding aan de achterzijde van het perceel ruimtelijk gezien, wenselijk geacht nu deze locatie omringd wordt door boerderijen met lange bedrijfspercelen en variatie in bedrijfsgrootte en bedrijfsvorm. Het agrarisch bedrijfsperceel van reclamant is een klein perceel en brengt om die reden variatie aan binnen het boerderijlint ter plaatse. Op de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan wordt voor het bedrijf een ruimer bouwvlak opgenomen. De noodzaak tot uitbreiding van de veestal en de aanleg van overige voorzieningen voor de bedrijfsvoering (zoals een toegangspad), dient echter te zijner tijd door burgemeester en wethouders te worden getoetst.
Conclusie
De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van de verbeelding."
In raadsbesluit nr. 670238 van 7 februari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk gebied is tevens besloten tot vaststelling van bovenvermelde Zienswijzennota. Derhalve tot instemming met bovengenoemde reactie op de zienswijzen aangaande Westeinderweg 8a.
De in de Zienswijzennota genoemde aanpassing van de verbeelding op het moederplan voor de locatie heeft abusievelijk niet plaatsgevonden. Op dit punt is geen beroep ingesteld.
Conclusie
Abusievelijk is dit bestemmingsplan niet in overeenstemming met de door de gemeenteraad overgenomen Zienswijzennota behorende bij het Bestemmingsplan Landelijk gebied (2011).
In het kader van de zorgvuldigheid en rechtszekerheid, mede gezien het tijdsverloop, is gekozen de geconstateerde fout te herstellen middels een Partiële herziening van het betreffende bestemmingsplan.
Recent is voor onderhavig perceel een bouwinitiatief ontvangen om de bestaande veestal uit te breiden / te vervangen. In bovengenoemde zienswijze was dit als reden vermeld om het bebouwingsvlak te vergroten.
Figuur 3.1 Plattegrond bouwinitiatief veestal. Zichtbaar is dat dit initiatief gedeeltelijk buiten het oude bouwvlak ligt.
Middels vergroting van het bouwvlak op basis van onderhavig bestemmingsplan Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a is het bouwinitiatief op de locatie planiologisch mogelijk.
Met onderhavige Partiële herziening wordt tegemoet gekomen aan de zienswijze op het moederplan voor perceel Westeinderweg 8a.
De verbeelding wordt aangepast door vergroting van het (bebouwingsvlak).Om dit mogelijk te maken wordt de bestemming 'Agrarisch' vergroot ten koste van de bestemming 'Agrarische met waarden.
Sinds de vaststelling van het moederplan is met de wijziging van de 'archeologienota herijking 2013', het gemeentelijk archeologisch beleid gewijzigd met de daarbij behorende bodemkaart, zie ook paragraaf 2.3.1.1. Op basis hiervan is de te verwachten hoge archeologische waarde gewijzigd in een lage archeologische verwachting en is de betreffende bestemming hierop aangepast.
Op basis van het gewijzigd archeologisch beleid, zoals in paragraaf 2.3.1.1 omschreven, wordt voor het plangebied, behorend bij onderhavige Partiële Herziening, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' uit het moederplan gewijzigd in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4.
Op grond van betreffende dubbelbestemming is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 2000 m2 en die dieper reiken dan 100 cm beneden maaiveld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan in het kader van de omgevingsvergunning worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Het is mogelijk dat de omgevingsvergunning in het belang van de archeologie niet wordt verleend, of dat deze wordt verleend onder voorwaarden, zoals het treffen van maatregelen om de archeologische resten in de bodem te behouden, of de verplichting tot het verrichten van archeologisch onderzoek.
Het plan heeft tot doel een ruimer planologisch-juridisch kader te bieden ten behoeve van agrarische bedrijfsbebouwing voor perceel Westeinderweg 8a, hetgeen bij de vaststelling van het moederplan akkoord is bevonden maar abusievelijk niet op de verbeelding van dat plan is verwerkt. Met onderhavig plan wordt de gevraagde uitbreiding alsnog planologisch mogelijk gemaakt waarbij de plankosten voor rekening van de gemeente zijn.
Aangezien het plan uitsluitend uitbreiding van agrarische bebouwing mogelijk maakt, geldt niet het vereiste voor een exploitatieplan op basis van artikel 6.12 Wro. art 6.2.1 Bro. Eventuele aanspraken op planschade, zijn voor risico van de gemeente. Het risico hierop wordt overigens als zeer klein tot verwaarloosbaar geacht.
Het opstellen van een bestemmingsplan dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting tot het voeren van vooroverleg vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond hiervan is de gemeente verplicht bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.
Het bestemmingsplan wordt niet aan inspraak onderworpen op grond van de 'Inspraakverordening gemeente Leidschendam-Voorburg 2006'. Door het volgen van de procedure als bedoeld in artikel 3:4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) wordt eenieder immers actief betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Het eerst inspraak verlenen voegt daarom niets toe en is dubbelop. Naast de wettelijke verplichting om de mogelijkheid te bieden om door eenieder zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen, heeft er tevens vooroverleg met betrokken instanties, maatschappelijke organisaties, ingezetenen en belanghebbenden plaatsgevonden. Hieronder is beschreven op welke wijze dit vooroverleg heeft plaatsgevonden en welke reacties zijn gegeven.
Een aantal instanties is gevraagd om aan te geven welke belangen verankerd zou moeten worden in het bestemmingsplan, rekening houdend met de specifieke ruimtelijke kenmerken van dit gebied. Daarbij is nadrukkelijk gevraagd de reactie te motiveren en tevens te beschrijven op welke wijze dat specifieke belang in het bestemmingsplan verwerkt zou moeten worden.
De volgende instanties/ organisaties zijn aangeschreven in het kader van artikel 3.1.1 Bro:
E-formulier:
De provincie Zuid-Holland gaat voor wat betreft haar rol in de ruimtelijke ordening uit van het principe 'Lokaal wat kan, provinciaal wat moet' en hanteert daarbij een open en transparante bestuursstijl, gericht op samenwerking en vertrouwen.
Door middel van een door de provincie beschikbaar gesteld electronisch formulier ('e-formulier') kunnen gemeenten ruimtelijke plannen ter beoordeling aan de provincie aanbieden. Door het beantwoorden van de vragen in dit formulier wordt inzicht gegeven in de vraag of een ruimtelijk plan mogelijk in strijd is met het provinciaal beleid en daarom door de provincie bekeken moet worden.
Voor het voorliggende plan leidt het invullen van het e-formulier tot de conclusie dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen en daarom niet ter beoordeling hoeft te worden opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat het plan niet strijdig is met de provinciale belangen.
De hierna genoemde instantie heeft een reactie ingediend:
Hoogheemraadschap van Rijnland
De herziening van het plan betreft een uitbreiding van het bouwvlak van perceel Westeinderweg 8a. Op basis van Uitvoeringsregel 11 inzake versnelde afvoer verhard oppervlak is bepaald dat bij uitbreiding groter dan 500 m2 extra wateroppervlak moet worden gegraven met een omvang van 15% van de uitbreiding. Indien de toename van verharding meer dan 500 m2 bedraagt moet op grond van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland hiervoor een watervergunning worden aangevraagd. Gevraagd wordt hier aandacht aan te besteden en de als bijlage opgenomen tekst in de toelichting van het plan te verwerken.
Binnen de daartoe gestelde termijn zijn van de overige aangeschreven instanties geen reacties ontvangen.
Reactie gemeente
De de reactie van het hoogheemraadschap van Rijnland is in paragraaf 2.2.5.van de toelichting verwerkt.
Gelet op het voorgaande is het Partiële herziening BP Landelijk Gebied, Westeinderweg 8a economisch en maatschappelijk uitvoerbaar.