direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Noortheylaan 1b
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De locatie Noortheylaan 1B is gelegen binnen het bestemmingsplan "Duivenvoordecorridor" en heeft in dat bestemmingsplan gedeeltelijk de bestemming 'Woondoeleinden' en gedeeltelijk 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden / open gebied'. Op het deel met de bestemming 'Woondoeleinden' staat een woning, op de gronden met agrarische bestemming staat een schuur.

Het postzegel-bestemmingsplan “Noortheylaan 1B” vervangt het vigerend planologisch-juridisch bindende kader voor het toegestane ruimtelijk gebruik van de gronden binnen het plangebied. In dit plan worden de gronden aangewezen voor 'Wonen' en 'Tuin'. De bestaande opstallen worden gesloopt en daarvoor in de plaats wordt één woning gerealiseerd, met een kelder en garage. Het gehele perceel wordt als (sier)tuin ingericht, passend bij de woonbestemming.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Noortheylaan 1b te Leidschendam, aan de noordoostzijde begrensd door de Noortheylaan, aan de noordwestzijde en zuidoostzijde omringd door naastgelegen woningen en aan de zuidwestzijde begrensd door een open landschap. Het plangebied bestaat uit twee percelen, kadastraal bekend als gemeente Veurs, sectie A, nummers 1174 en 1259.

In de onderstaande afbeeldingen (afb. 1 en 2) is het plangebied van het bestemmingsplan aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0002.png"

Afbeelding 1: plangebied Noortheylaan 1B in groen kader 

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0003.png"

Afbeelding 2: plangebied Noortheylaan 1B in rood kader

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert momenteel het volgende bestemmingsplan:

  • 1. "Duivenvoordecorridor", vastgesteld op 5 september 2007 en onherroepelijk sinds 29 juli 2009;

Voor perceel A1174 geldt de bestemming 'Woondoeleinden' en voor perceel A1259 de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden / open gebied'. Daarnaast ligt het gehele plangebied binnen de dubbelbestemmingen 'Beschermd Stads- en Dorpsgezicht' en 'Primair Archeologisch waardevol gebied' (hoge archeologische verwachting).

1.4 Opbouw van het plan

Het bestemmingsplan Noortheylaan 1b bestaat uit een drietal onderdelen, te weten:

  • de toelichting (plus bijlagen),
  • de regels (plus bijlagen),
  • de verbeelding (in de vorm van geometrisch bepaalde planobjecten)
1.4.1 De toelichting

Na een beknopte inleiding in dit eerste hoofdstuk, is de toelichting als volgt opgebouwd:

  • In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. De relevante onderdelen worden benoemd en waar nodig vertaald naar het bestemmingsplan.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder meer wordt een beschrijving gegeven van de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige structuur en de functionele opbouw van het plangebied.
  • In hoofdstuk 4 wordt het toekomstbeeld voor het plangebied geschetst. Daarbij wordt specifiek ingegaan op onderhavige ontwikkeling.
  • In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op diverse relevante milieuaspecten.
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en archeologie.
  • In hoofdstuk 7 is opgenomen hoe de in het bestemmingsplan benoemde keuzes juridisch worden vormgegeven in de regels en op de verbeelding.
  • Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Hierbij wordt ingegaan op het overleg met andere partijen, de maatschappelijke en de financieel-economische uitvoerbaarheid.
1.4.2 De regels en verbeelding

De regels en de (digitale) verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Zij leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden en opstallen in het plangebied vast en vormen het formele beoordelingskader voor aanvragen om omgevingsvergunning.

De regels en de verbeelding zijn opgesteld in overeenstemming met de geldende verplichte standaarden voor digitaal vergelijkbare en uitwisselbare bestemmingsplannen, die onder meer zijn vastgelegd in de IMRO2012 en de SVBP2012.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor onderhavig plangebied relevante ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor ontwikkelingen in het plangebied en is daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuzes die in het plan zijn gemaakt.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven. Om deze nieuwe aanpak vorm te geven, was een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid nodig. Dit heeft geresulteerd in de op 13 maart 2012 door de Minister vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040 en geeft haar visie hoe Nederland in 2040 er voor moet staan. Dit op basis van de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven, zowel bovengronds als ondergronds, richting 2040 bepalen. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid, drie rijksdoelen met daaraan slechts 13 nationale belangen gekoppeld. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens wordt een eenvoudigere regelgeving nagestreeft. Daarbij verwacht het Rijk dat andere overheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving.

De 13 belangen in de SVIR zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling.

Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland

    • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.
    • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie.
    • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen.
    • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond

Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid

    • 1. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
    • 2. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem.
    • 3. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen.

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

    • 1. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
    • 2. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
    • 3. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
    • 4. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.
    • 5. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
    • 6. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
2.1.1.1 Relatie tot onderhavig plangebied

De SVIR kent een dusdanig hoog abstractieniveau, dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's op het voorliggende bestemmingsplan van toepassing is. De met dit bestemmingsplan gepaard gaande sloop en nieuwbouw heeft wel raakvlakken met de SVIR, met name waar het gaat om het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving. Ook de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de SVIR. In onderhavig geval is sprake van sloop en nieuwbouw van één woning, er worden geen woningen toegevoegd; een onderbouwing van de Ladder kan achterwege blijven.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, met uitzondering van enkele onderdelen, in werking getreden. Dit besluit is eerder aangekondigd als de Algemene maatregel van bestuur Ruimte (AMvB Ruimte) en wordt ook wel afgekort als het 'Barro'.

De AMvB Ruimte is gericht op de doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Hierin worden door het Rijk kaderstellende uitspraken gedaan ten aanzien van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Deze uitspraken onderscheiden zich in die zin, dat van de provincies en gemeenten wordt gevraagd om met de inhoud daarvan rekening te houden bij hun ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (d.w.z.: door middel van tussenkomst door de provincie) door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De AMvB Ruimte bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken van het rijk.

Omdat een deel van het ruimtelijk rijksbeleid en de bijbehorende kaders nog in ontwikkeling is danwel nog niet in werking is getreden, wordt de AMvB Ruimte gefaseerd vastgesteld. De op 30 december 2011 inwerking getreden fase van de AMvB Ruimte bevat kaders ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundamenten;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie

Vooralsnog is er geen sprake van nieuw of aanvullend beleid of regelgeving. De eerste fase van de AMvB Ruimte bevat de reeds in de Nota Ruimte opgenomen beleidskaders.

2.1.3 Monumentenwet

Op grond van de Monumentenwet 1988 kunnen van rijkswege beschermde monumenten en stads- en dorspgezichten worden aangewezen.

Het plangebied ligt in het van rijkswege beschermde dorpsgezicht 'Landgoederenzone Wassenaar - Voorschoten - Leidschendam - Voorburg', dat als zodanig is aangewezen op 19 november 2007. Het omvat een aangesloten reeks van landgoederen, buitenplaatsen met bijbehorende parken, tuinen, landerijen met boerderijen en villawijken met wijk- en groenvoorzieningen. In het gebied liggen onder meer de landgoederen Zuidwijk, De Horsten, Duivenvoorde, Clingendael, Backershagen en De Paauw en villaparken De Kieviet en Oud Wassenaar. In het gebied zijn de historisch geografische, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken uit de zeventiende tot en met de vroege twintigste eeuw nog goed herkenbaar.

Als gevolg van deze aanwijzing tot beschermd gezicht dient het bestemmingsplan een beschermend karakter te hebben. Hiertoe is de dubbelbestemming Waarde - Beschermd Stads- en Dorpsgezicht opgenomen.

Voor het slopen van bouwwerken in beschermd dorpsgezicht geldt een vergunningsplicht conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eén van de voorwaarden om een vergunning te verlenen is dat op de locatie van het te slopen gebouw een plan is voor nieuwbouw. Dit om te voorkomen dat er een gat valt in het beschermd dorpsgezicht dat niet wordt opgevuld.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Voor reeds aangewezen beschermde dorpsgezichten is dit niet van rechtstreekse invloed; de aanwijzing wijzigt niet. De Monumentenwet 1988 blijft nog gedeeltelijk gelden totdat de Omgevingswet in werking treedt.

2.1.4 Wet op de Archeologische Monumentenzorg

In 1992 werd in Valetta (Malta) door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

In Nederland is er bij de implementatie hiervan voor gekozen om gemeenten een sleutelrol te laten spelen bij het beheer van het bodemarchief. Op 1 september 2007 trad daarvoor de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. De Wamz omvatte de wijziging van de Monumentenwet 1988, de Woningwet, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet voor het aspect archeologie. De integratie van de archeologie in de ruimtelijke besluitvorming werd verder verankerd in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit Omgevingsrecht (2010). Het sluitstuk was de invoering van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) in oktober 2010). Gemeenten zijn op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht om de bestemming van gronden en de daarbij behorende regels binnen een periode van tien jaar opnieuw vast te stellen.

Bestemmingsplannen dienen namelijk te zijn voorzien van planologische regelingen die voldoen aan de eisen die heden ten dage daaraan worden gesteld. Hiermee is de implementatie van de archeologische monumentenzorg geheel geïntegreerd in de ruimtelijke wetgeving en besluitvormingsprocedures.

De sinds 2007 ingevoerde wijzigingen houden in dat bij ruimtelijke plannen de initiatiefnemer van de ruimtelijke ingreep door het bevoegd gezag kan worden verplicht de archeologische waarde van het te verstoren terrein aan te tonen. Indien de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag is vastgesteld (bijvoorbeeld door middel van archeologisch vooronderzoek) kunnen de aanwezige en bedreigde archeologische waarden in de belangenafweging worden meegewogen, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag van Valetta (Malta). Daarin neemt de zorg voor het archeologisch erfgoed een belangrijke plaats in.

Nieuw is de bepaling dat "de verstoorder betaalt". Dit heeft tot gevolg dat alle kosten van archeologisch onderzoek en het eventueel uitvoeren van een opgraving voor rekening van de initiatiefnemer van een (bouw)plan is.

De archeologische waarden zijn op landelijk niveau aangegeven op de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) uitgebrachte Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW).

2.2 Provinciaal Beleid

2.2.1 Visie Ruimte & Mobiliteit

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid Holland de "Visie Ruimte en Mobiliteit" (hierna: VRM) vastgesteld. Deze visie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde te brengen en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

In de VRM zijn vier thema's te onderscheiden:

  • beter benutten en opwaarderen;
  • versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht);
  • versterken ruimtelijke kwaliteit;
  • bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

De VRM bestaat uit de 'Visie ruimte en mobiliteit', de 'Verordening ruimte 2014', het 'Programma ruimte' en het 'Programma mobiliteit'.

2.2.1.1 Aansluiting bij de Ruimtelijke Structuurvisie

Voor de gemeente Leidschendam-Voorburg geldt dat in het kader van de Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012 met daarbij behorend uitvoeringsprogramma wordt ingevuld hoe de voor haar grondgebied relevante opgaven uitvoering zullen krijgen en de prioritering hiervan. De drie geformuleerde pijlers, als basis voor duurzame ontwikkeling van onze gemeente tot 2040, geven richting aan de gewenste ruimtelijke opgaven. Het uitvoeringsprogramma biedt vervolgens de basis voor het actief vormen van allianties en samenwerkingsverbanden om het gewenste ontwikkelingsperspectief voor 2040 een stap dichterbij te brengen. De gemeente zoekt daarbij de aansluiting met de provinciale Agenda Ruimte om samen te werken aan de (gezamenlijke) ruimtelijke en sociale opgaven, met specifieke aandacht voor de Vlietzone en het provinciaal landschap Duin Horst & Weide.

2.2.2 Cultuurhistorische hoofdstructuur

De Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft een overzicht van cultureel erfgoed in de provincie Zuid-Holland. Het cultureel erfgoed wordt hier opgevat als het geheel van overblijfselen uit het verleden in de bodem (archeologie), de ongebouwde omgeving (landschap) en de gebouwde omgeving (nederzettingen). Wanneer deze overblijfselen nog voldoende herkenbaar zijn als een kenmerk van de regionale bewonings- en ontginningsgeschiedenis, zijn ze op kaart gezet: de zogenoemde cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland.

De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht op hoofdlijnen van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Deze kaart kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder thema bestaat weer uit 2 kaarten, de kenmerkenkaart en de waardenkaart, die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom.

De cultuurhistorische kaart is een belangrijke onderlegger voor ruimtelijke planvorming. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden blijft en/of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de provincie de zogenoemde Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. Dit zijn zestien regioprofielen, die als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus dienen om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen, zoals die staan in de Provinciale Structuurvisie. De regioprofielen zijn een aanscherping van het bestaande beleid voor cultuurhistorie en ruimtelijke planvorming.

Het voorliggende plangebied maakt deel uit van het gebiedsprofiel 'Duin, Horst en Weide'.

2.2.3 Archeologie

De provincie Zuid-Holland is medeverantwoordelijk voor het behoud en beheer van het cultuurhistorisch erfgoed op en in haar grondgebied. De archeologische waarden die zich (vrijwel) onzichtbaar in de grond bevinden, zijn onderdeel van dat cultuurhistorisch erfgoed. Met de ontwikkeling van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) in 2001 en de herziening daarvan in 2007 heeft de provincie de archeologische waarden in kaart gebracht. De provinciale rol bij de bescherming van het bodemarchief is ook wettelijk geregeld door de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Provincies mogen, wanneer gemeenten hun taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg niet voldoende oppakken, gebieden aanwijzen (attentiegebieden) die zij van provinciaal belang achten. De gemeente moet dan binnen een jaar de bestemmingsplannen in die gebieden herzien, teneinde de archeologische waarden in het gebied te beschermen. Ook mag de provincie een verordening opstellen waarin zij zaken met betrekking tot de archeologische monumentenzorg regelt. Ook geeft een dergelijke verordening de verplichting aan gemeenten haar bestemmingsplannen conform aan te passen. Daarnaast heeft de provincie net als ieder ander het recht om een zienswijze in te dienen op een bestemmingsplan.

De Provincie gaat uit van de CHS en de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bij het bepalen welke gebieden naar haar mening van provinciaal belang zijn. Zij heeft deze instrumenten verankerd in de Verordening Ruimte. In de Verordening Ruimte zijn regels opgesteld, op basis van artikel 4.1, eerste lid Wet ruimtelijke ordening. De Verordening Ruimte is in 2014 geactualiseerd en opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). De Provincie stelt hierin dat het haar wens is duidelijker aan te geven hoe de verdeling van de verantwoordelijkheid is tussen provincie en gemeenten bij het beschermen van bekende en potentiële archeologische waarden. Uitgangspunt is dat de gemeenten meer ruimte krijgen om hun eigen archeologiegebied in relatie tot de ruimtelijke ordening beter uit te voeren.

De gemeenten krijgen het voortouw bij de gebieden met verwachte archeologische waarden. Het gaat om de gebieden met een redelijk tot hoge trefkans op archeologische sporen en gebieden met een zeer hoge trefkans op archeologische sporen. Gemeenten kunnen voor die gebieden gemotiveerd afwijken van het provinciaal beleid op basis van een archeologische waardenkaart die gestoeld is op archeologisch onderzoek. De provincie zal zich dan terughoudend opstellen. Het provinciaal belang is het grootst in de gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Deze gebieden zijn daarom benoemd als planologische aandachtsgebieden. De daar aanwezige archeologische waarden hebben een relatie met de in de Provinciale Onderzoeksagenda (POA) benoemde provinciale onderzoeksthema's. Deze waarden moeten goed beschermd worden in het bestemmingsplan. Daarom worden de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in de verordening. Door vaststelling van eigen archeologiebeleid en een gemeente dekkende archeologische beleidskaart kan een gemeente op basis van lokale omstandigheden gemotiveerd afwijken (naar beneden en naar boven) en een eigen planologisch regime ontwerpen. Wel is het wenselijk dat de provincie hierin wordt gekend en zij instemt met het afwijkende regime.

Op basis van de Verordening Ruimte is het noodzakelijk dat een bestemmingsplan regels opneemt ter bescherming van de archeologische waarden. Dit bestemmingsplan bevat een archeologische dubbelbestemming ter bescherming van de nog in de bodem (te verwachten) archeologische waarden.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012

De herijking (vastgesteld op 25 september 2012) vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:

  • versterken van de groene woonstad;
  • verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur;
  • beter benutten en verbeteren van de bereikbaarheid.

De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Plangebied Noortheylaan 1b valt binnen het zogenaamde buitengebied. Voor het buitengebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd.

Buitengebied:

  • De ontwikkeling van het Regiopark optimaal benutten als een onderscheidende vestigingsfactor en aanvullende kwaliteit voor het imago van de groene woonstad.
  • Verbetering van de recreatieve mogelijkheden en ontwikkeling van nieuwe economische kansen met behoud van de agrarische functie.
  • Realisatie van diversiteit aan kwaliteiten aan de stadsranden.
  • Verbetering van de recreatieve netwerken en de stad-landverbindingen.

De in de herijkte structuurvisie geformuleerde ambities voor dit gebied, zijn in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk in de overwegingen meegenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0004.png"

Afbeelding 3: Uitsnede Structuurbeeld 2040

2.3.2 Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020

In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan.

In het Klimaatplan is ook het werken met een duurzaam bouwen instrument vastgelegd, het werken met het instrument GPR gebouw.

In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de thema's energie en duurzaam bouwen als één van de milieuaspecten.

2.3.3 Duurzaam bouwen

De Wro strekt ter bevordering van een “duurzame” ruimtelijke kwaliteit.

De ambities en afspraken op het gebied van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam bouwen (Dubo) van de gemeente, geactualiseerd op het onderdeel energie door het Klimaatplan 2009-2020. Hierin zijn de ambities en doelstellingen op rijks-, provinciaal- en regioniveau vertaald naar het gemeentelijk werkveld.

Uit het oude beleid volgt, wat ook is vastgelegd in andere documenten:

  • indien hout wordt toegepast, pas dan duurzaam geproduceerd hout toe. Dit is met name hout met het FSC-keurmerk (Forest Stewardship Council), conform FSC-convenant met Haaglanden;
  • vermijd consequent het gebruik van zink, lood en koper voor zover blootgesteld aan de buitenlucht en gebruik geen koper voor waterleidingen (volgt uit het Waterplan en beleid Waterschappen);
  • beperk zoveel mogelijk het gebruik van PVC in alle bouwdelen. Indien gebruik wordt gemaakt van PVC, gebruik dan gerecycled PVC en PVC waarvoor een retoursysteem bestaat.

De drie genoemde maatregelen worden waar mogelijk vastgelegd in intentie- of samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelende partijen. De beleidslijn is dat de gemeente werkt met het instrument GPR-gebouw. De gemeente gebruikt dit meetinstrument om de Dubo-prestatie van eigen projecten zichtbaar te maken en bevordert het gebruik van het instrument door derden.

GPR-gebouw is een veelgebruikt hulpmiddel voor het maken van duurzaamheidkeuzen bij nieuwbouw en renovatie van woningen, utilitaire gebouwen en scholen. GPR-gebouw is een praktische en gebruiksvriendelijke online applicatie om plankwaliteit en milieubelasting van een project is samenhang te optimaliseren. De prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers. Hierbij behaal je een 6 als je bouwt volgens het Bouwbesluit. Het steven naar een maximale duurzaamheid wordt vertaald in een score van 10. Welke score behaald dient te worden is (vooralsnog) afhankelijk van het project.

2.3.4 Nota archeologie, herijking 2013

Conform de Wamz/Wro moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m2. Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009.

In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt in de 'archeologienota herijking 2013'. De Nota archeologie geeft een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten en de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief worden geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels.

De bodem van de Gemeente Leidschendam-Voorburg is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting.

Op de archeologische beleidskaart zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

De vier waarderingsgebieden zijn:

Waarde-Archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde-Archeologie 2   Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde  
Waarde-Archeologie 3   Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting  
Waarde-Archeologie 4   Gebieden met een lage archeologische verwachting  

Onderhavig plangebied bevindt zich in een zone met een hoge archeologische waarde of verwachting (Waarde-Archeologie 3).

De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden. Het wordt daarom aangeraden de gemeentelijke website te bezoeken voor de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart.

2.3.5 Gemeentelijke erfgoedverordening

Het is voor iedere gemeente verplicht om een verordening vast te stellen waarin de inschakeling is geregeld van een monumentencommissie. Deze commissie adviseert op het gebied van de monumentenzorg en heeft in elk geval tot taak om te adviseren over omgevingsvergunningen voor wijziging aan (van) rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten worden aangewezen en beschermd op basis van de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010. Daarnaast vormt de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 de basis voor het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten en gemeentelijke groenmonumenten. Ook is het mogelijk op basis van de verordening een gebouw, groenelement of structuur aan te wijzen als een beeldbepalende zaak. De gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken worden geregistreerd op de gemeentelijke monumentenlijst.

Voor onderhavig plangebied geldt dat het ligt binnen het beschermd stads- en dorpsgezicht. Hiervoor is een dubbelbestemming opgenomen.

2.3.6 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is nader uitgewerkt in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg. In de nota komen verschillende vormen van parkeerregulering, inclusief bijbehorend afwijkingsbeleid, aan de orde. Daarnaast wordt onder andere aangegeven hoe wordt omgegaan met parkeren voor diverse doelgroepen, parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen en de handhaving van het parkeerbeleid. Op basis van een inventarisatie van parkeerknelpunten biedt de nota een overzicht van oplossingsrichtingen voor de korte, middellange en lange termijn.
Eén van de uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. De te hanteren parkeernormen bij nieuwbouw, functiewijziging of verbouw zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg.

2.3.7 Beeldkwaliteitsplan Duivenvoordecorridor

Als welstandskader voor het gebied geldt het in 2013 vastgestelde Beeldkwaliteitsplan Duivenvoordecorridor. Dit document is vooral gericht op de grotere ontwikkellocaties, waarbij de toetsing plaatsvindt door een kwaliteitsteam. Nieuwbouw in de bestaande linten wordt getoetst door de Welstands- en monumentencommissie.

In het beeldkwaliteitsplan zijn een aantal bebouwingstypes gedefinieerd: 'de nieuwe buitenplaats', 'de nieuwe boerderij', 'het nieuwe lint' en 'overige ontwikkelingen'. Voor lintbebouwing, zoals ter plaatse van het plangebied, worden de volgende regels gegeven:

Individuele volumes

De woningen in de linten presenteren zich als individuele volumes. Hierbij is ruimte voor individuele expressie onder voorwaarde dat de bouwmassa's onderling op elkaar zijn afgestemd.

Volumeopbouw

De bebouwing aan het lint zelf is van een meer bescheiden maat, in de tweede lijn is ruimte voor de ontwikkeling van een groter gebouw, refererend naar de voormalige werkplaatsen.

Detaillering van de gebouwen

De architectuur is ingetogen, ambachtelijk en 'streekeigen' door de overheersende toepassing van materialen die uit de directe omgeving afkomstig hadden kunnen zijn: baksteen, hout en keramische pannen. De gevelcompositie en het kleurgebruik dienen in harmonie met de architectuur te zijn.

Bestaande linten

Waar bebouwing in een bestaand lint wordt bijgeplaatst dient in maat en schaal, situering, architectuur en materiaalgebruik aansluiting te worden gezocht bij de karakteristieken van dat lint. Daarbij dienen de 'meest karakteristieke' panden uit het betreffende lint als referentie.

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied op basis van de bestaande situatie, de ruimtelijke hoofdstructuur en de aanwezigheid van verschillende functies in het plangebied of in de directe nabijheid daarvan.

3.1 Ruimtelijke analyse

Het plangebied is gelegen aan de Noortheylaan 1b in de Duivenvoordecorridor. Aan de Noortheylaan staan diverse woningen, boerderijen, bedrijfsruimten en kassen. De gebouwen hebben verschillende korrelgroottes, veelal afhankelijk van hun functies. De bedrijfsruimten en boerderijen hebben de grootste korrel. De korrelgrootte van de woningen en bijgebouwen zijn kleiner. Er is gekeken naar de bestaande woningen en boerderijen om te kunnen bepalen welke korrelgrootte, voorgevelbreedte en uitstraling passend is voor het realiseren van een nieuwe woning in dit gebied. Bij de analyse is de direct omliggende bebouwing bekeken. Wat opvalt is de diversiteit aan bebouwing. De twee monumentale boerderijen in de directe omgeving van het plangebied zijn beeldbepalende elementen. De gebouwen zijn opgetrokken uit baksteen met een zadeldak, hetzij in riet of keramische dakpannen. De woningen liggen terug ten opzichte van de Noortheylaan. De gevelcompositie is terughoudend.

3.2 Functionele analyse

Het plangebied bestaat uit twee kadastrale percelen met daarop een bestaande woning en een schuur. De bestemming binnen het voorgaande bestemmingsplan, het bestemmingsplan Duivenvoordecorridor, betrof voor het kleinste van de twee percelen de bestemming 'Woondoeleinden' en voor het andere 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden / open gebied. Beide percelen zijn bebouwd; er is geen vrij zicht naar het achterland noch vrij zicht vanaf het achterland naar de tegenover gelegen monumentale boerderij (zie afb. 5).

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0005.png"

Afbeelding 5: Bestaande bebouwing.

Hoofdstuk 4 Visie op het plangebied

Dit hoofdstuk gaat in op de ruimtelijke en functionele aspecten die van belang zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Deze visie bepaalt de vorm en inhoud van de juridische regeling van dit bestemmingsplan.

4.1 Ontwikkeling

Voor onderhavige locatie is een principeplan ingediend voor sloop en nieuwbouw. Dit plan is door de gemeente beoordeeld en gebleken is dat het ingediende plan in hoofdlijnen voldoet aan de (kwaliteits-) eisen die verwacht worden van nieuwbouw woningen in de bestaande linten van de Duivenvoordecorridor.

4.1.1 Beeldkwaliteitsplan Duivenvoordecorridor

Alle ruimtelijke plannen binnen de Duivenvoordecorridor worden getoetst door een kwaliteitsteam. Met dit beeldkwaliteitplan wil het kwaliteitsteam aan ontwikkelende partijen vooraf aangeven aan welke kwaliteitseisen plannen moet voldoen, opdat van meet af aan helder is waaraan de plannen worden getoetst. Een goed ontwerp is meer dan de optelsom van randvoorwaarden, het gaat daarbij ook om de samenhang der dingen, om de balans die tussen de verschillende uitgangspunten is gevonden.

Kenmerkend voor het buitengebied tussen Leidschendam-Voorburg en Voorschoten is de afwisseling tussen bebouwing en open landschap. Voor onderhavig plangebied is sprake van bebouwing in het lint.

4.1.1.1 Lintbebouwing

Het voorliggende nieuwbouwplan is een toevoeging in het lint van de Noortheylaan. Het plan valt binnen het hoofdstuk 'het nieuwe lint'.

Het buitengebied in de Duivenvoordecorridor werd niet uitsluitend bevolkt door baronnen en boeren. Er woonden ook loonwerkers en ambachtslieden die hier hun werkplaats hadden. Zij woonden in linten. Deze linten kenden een verscheidenheid in beeld en massa. De woningen stonden relatief dicht aan de weg, waren bescheiden van omvang en onderling verschillend.

4.1.1.2 Individuele volumes

De woningen in de linten presenteren zich als individuele volumes. Hierbij is ruimte voor individuele expressie onder voorwaarde dat de bouwmassa's onderling op elkaar zijn afgestemd.

4.1.1.3 Volumeopbouw

De bebouwing aan het lint zelf is van een meer bescheiden maat, in de tweede lijn is ruimte voor de ontwikkeling van een groter gebouw, refererend naar de voormalige werkplaatsen.

4.1.1.4 Detaillering van de gebouwen

De architectuur is ingetogen, ambachtelijk en 'streekeigen' door de overheersende toepassing van materialen die uit de directe omgeving afkomstig hadden kunnen zijn: baksteen, hout en keramische pannen. De gevelcompositie en het kleurgebruik dienen in harmonie met de architectuur te zijn.

4.1.1.5 Bestaande linten

Waar bebouwing in een bestaand lint wordt bijgeplaatst dient in maat en schaal, situering, architectuur en materiaalgebruik aansluiting te worden gezocht bij de karakteristieken van dat lint. Daarbij dienen de 'meest karakteristieke' panden uit het betreffende lint als referentie.

4.1.1.6 Erfinrichting

De linten hebben een landelijke uitstraling door het gebruik van:

  • in diepte wisselende voortuinen
  • open ruimte tussen de gebouwen

De achterzijde van het lint vormt vanuit het landschap bezien de voorzijde. Vanuit het landschap bezien dient het lint zich als een informeel groen lint te presenteren.

4.1.1.7 Parkeren

Parkeren vindt op het eigen erf plaats.

4.1.1.8 Relatie met het landschap

Essentieel voor bebouwing, erfscheidingen en de beplanting is het doorzicht vanuit het lint op het achterliggend landschap.

4.1.2 Ligging

Het bouwvlak van de woning wordt in onderhavig plan enkele meters verschoven in de richting van Noortheylaan 1a (rechts in afb. 6). De bestaande schuur komt te vallen. Door deze verschuiving ontstaat een ritme van individuele bebouwing, waardoor het geheel als lint wordt ervaren. De woning ligt terug ten opzichte van de Noortheylaan, waardoor het open landschap het woonerf als het ware omarmt. Het woonperceel is zo gepositioneerd dat er langs de bebouwing vrij zicht is.

De woning is kleinschaliger dan de naastgelegen boerderijen en vormt de overgang tussen de boerderijen (grote korrel) en de woningen (kleinere korrel) aan de Noortheylaan. Door de herstructurering van deze locatie ontstaat er vanaf de Noortheylaan meer zicht naar het achterliggende landschap. Een openheid die past bij deze omgeving.

Voor de ontsluiting van het woonhuis zal gebruik worden gemaakt van een nieuwe in-/uitrit aan de Noortheylaan. Het bestemmingsplan laat geen hoge schuttingen of hekwerken toe, zodat de ruimte van de siertuin naadloos overvloeit in de ruimte van het open landschap. Dit komt de leefomgeving en de ruimtelijke kwaliteit ten goede.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0006.png"

Afbeelding 6: Bestaande en nieuwe korrelgrootte in en om het plangebied. Rode pijl geeft planlocatie weer, groene pijlen zichtlijnen.

4.1.3 Volume

De voorgestelde woning voegt zich in het bestaande ruimtebeeld (zie afb. 7). Er is sprake van een eenvoudige hoofdvorm voorzien van een zadeldak, met een kaphelling van (minimaal)  45° en één (hoofd-)nokrichting. Er is een goede maatverhouding tussen hoofd- en bijgebouw. De garage inclusief de verbindingszone worden ten opzichte van de woning ruim 3 meter naar achteren geplaatst. Hierdoor ontstaat een duidelijke hiërarchie tussen hoofdgebouw en bijgebouw.

De maatvoering past binnen de regels van de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan Duivenvoordecorridor, met uitzondering van de serre aan de achterzijde. Doordat de serre ondergeschikt is vormgegeven, is geen sprake van een negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van een bouwplan zonder serre.

Een bouwplan op deze locatie dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Voor de goot- en nokhoogte 3,35 m en 8,25 meter wordt aangehouden. Dit in verband met de aansluiting op de bestaande bebouwing in de omgeving, waaronder een rijks- en een gemeentelijk monument.
  • De gewijzigde situering van de woning en kapvorm van het bijgebouw is ter beoordeling van de Welstand- en Monumentencommissie.
  • De beeldkwaliteit moet bij de locatie passen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0007.png"

Afbeelding 7: Impressie van het te realiseren volume ten opzichte van de omringende bebouwing.

4.1.4 Conclusie

Doelstelling bij de planvorming voor het nieuw te bouwen woonhuis met kelder en garage, de nieuw aan te leggen en in te richten tuin en het erf, is dat een kwaliteitsverbetering plaats vindt van de ruimtelijke kwaliteit en het lint. Uit de voorgaande beleidskaders en de uiteenzetting van het plan, kan geconcludeerd worden dat de planvorming niet leidt tot strijdigheden met het vigerend ruimtelijk beleid.

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten

5.1 Inleiding

In het bestemmingsplan is naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid ook rekening gehouden met verschillende omgevingsaspecten, zoals bijvoorbeeld de bodemgesteldheid, geluid, luchtkwaliteit en de milieucategorisering van bedrijven.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Om milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten te voorkomen worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de vestiging van bedrijven niet toegestaan, met uitzondering van aan huis verbonden beroep. Het plangebied was (gedeeltelijk) reeds bestemd voor wonen. Er worden door vaststelling van dit bestemmingsplan geen bedrijven belemmerd in hun uitvoering.

5.3 Bodem

5.3.1 Onderzoeken

Op 18 maart 2014 is er een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd en op 23 april een nader onderzoek. Het gehele rapport is als afzonderlijke bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen (Bijlage 1).

Uit het onderzoek komen geen aandachtspunten voor het perceel A-1174. Op dit perceel zijn geen milieuhygiënische beperkingen inzake de bouw van een woning.

Voor het perceel A-1259 is uit het onderzoek gebleken dat de grond sterk is verontreinigd met PAK, zink en asbest met een omvang van ca. 300 m3 en een olieverontreiniging van ca. 20 m3. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De grond dient geschikt te worden gemaakt voor het gebruik als woning met tuin.

5.3.2 Conclusie

Op perceel A-1259 is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dit dient te worden gemeld aan de ODH. Een saneringsplan moet worden opgesteld, de bodem moet worden gesaneerd en geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik (wonen met tuin). Na sanering dient een evaluatierapport te worden overgelegd.

5.4 Water

5.4.1 Inleiding

De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan en is in samenspraak met de waterbeheerders tot stand gekomen. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de watergangen binnen het plangebied als ook voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het boezemwater. Het Hoogheemraadschap is tevens de beheerder van de waterkeringen. De gemeentelijke taken zijn o.a. het riool- en oeverbeheer.

5.4.2 Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied bevindt zich niet binnen de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

5.4.3 Waterkwantiteit

Het perceel is gelegen aan de Noortheylaan 1b in het buitengebied van Leidschendam. De bestaande verharding neemt niet meer dan 500 m² toe. Er hoeft geen watercompensatie plaats te vinden.

5.4.4 Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het plangebied liggen geen (natte) ecologische verbindingszones. De aanwezigheid van een woning en garage hebben geen noemenswaardige invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater.

5.4.5 Afvalwater en riolering

Het huishoudelijke afvalwater van de woning zal geloosd worden via de aanwezige riolering. Het hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater.

5.4.6 Conclusie

Uit de digitale watertoets blijkt dat Hoogheemraadschap van Rijnland een waterbelang heeft. Daarom is het plan ingediend en beoordeeld. Het Hoogheemraadschap van Rijnland geeft aan in te stemmen met onderhavig plan, waarvoor geen watercompensatie nodig is. Er zijn geen waterhuishoudkundige belangen in het geding.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Inleiding

De normen voor luchtkwaliteit zijn geregeld in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze paragraaf staat bekend als de 'Wet Luchtkwaliteit'. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. Hiervoor zijn bepaalde maximumstandaarden voor vervuiling in het leven geroepen.

De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Het komt in grote lijnen er op neer dat projecten die tot gevolg hebben dat de jaargemiddelde norm van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) met meer dan 3% stijgt, wordt aangemerkt als een groot project. Kleine projecten die minder dan 3% bijdragen hoeven niet getoetst te worden. De belangrijkste grenswaarden zijn :

Stof   Norm   Niveau   Status  
Stikstofdioxide
(NO2)  
jaargemiddelde    40 µg/m3   grenswaarde
geldig vanaf 2015  
Fijn stof
(PM10)
   
jaargemiddelde    40 µg/m3   grenswaarde geldig vanaf 2011  
  24-uursgemiddelde; overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar.    50 µg/m3   grenswaarde geldig vanaf 2011  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde   25 µg/m³   grenswaarde
geldig vanaf 2015  

Het Rijk, de provincies en de gemeenten werken samen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit programma heeft tot doel de Europese luchtkwaliteitseisen te realiseren.

De Wet luchtkwaliteit werpt geen belemmeringen op voor ruimtelijke ordening projecten wanneer aan tenminste één van de volgende voorwaarden wordt voldaan

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL);
  • een project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Er moet in kaart worden gebracht of met de huidige luchtkwaliteit de ontwikkeling kan plaatsvinden.En of door de uitvoering van het project de luchtkwaliteit niet dusdanig zal verslechteren dat het wordt gezien als een NIBM-project.

5.5.2 Luchtkwaliteit plangebied

De luchtkwaliteit van het perceel aan de Noortheylaan 1B is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau.

Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 20-25 µg/m3 bedraagt. De concentraties liggen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 µg/m3.

Ten aanzien van fijn stof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 20-21 µg/m3 bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 µg/m3.

5.5.3 Conclusie

De bestaande woning en schuur worden gesloopt en op het perceel wordt een nieuwe woning met garage gebouwd. De functie en verkeersbewegingen in de bestaande en nieuwe situatie zullen overeenkomen. Er kan worden gesteld dat het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Het project is op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar.

5.6 Geluid

5.6.1 Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Alleen wegverkeerslawaai is relevant voor dit plan.

Bij nieuwbouw van woningen stelt de Wet geluidhinder eisen voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege verkeer op de openbare weg. Conform de Wet geluidhinder is de voorkeursgrenswaarde dan gelijk aan Lden 1 = 48 dB. Voor een nieuwe woning in het gebied buiten de bebouwde kom geldt standaard een maximale ontheffingswaarde van 53 dB (art. 83, lid 1 Wgh).

Onderhavig plan betreft vervangende nieuwbouw. Dan is een hogere waarde tot 58 dB toelaatbaar (art. 83, lid 7, Wgh). Bij een geluidbelasting boven 53 dB moeten mogelijk extra maatregelen aan de gevel van een woning worden genomen die ervoor zorgen dat binnen in de woning voldaan wordt aan een binnenwaarde van 33dB.

5.6.2 Onderzoek

Op 8 juni 2015 is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is als afzonderlijke bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen (Bijlage 2).

Het plangebied is gelegen aan de Noortheylaan. Dit is een 30 km/u-weg, die geen wettellijke geluidszonering heeft. Op verdere afstand is de Veursestraatweg gelegen, waarop een toegestane maximumsnelheid van 80 km/u geldt. Langs deze weg geldt wel een geluidszone.

Uit de berekeningen blijkt dat geluidsbelasting vanwege de Veursestraatweg niet hoger is dan 46 dB. Dit is nog zonder correctie (art. 110g Wgh). Er wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde vanwege deze gezoneerde weg. De geluidsbelasting van de Noortheylaan komt uit op 49 dB zonder correctie (art. 110g Wgh). De gecumuleerde geluidsbelasting van beide wegen bedraagt 50 dB en is een aanvaardbaar akoestisch klimaat. De maximaal toelaatbare (hogere) waarde is 58 dB.

5.6.3 Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt is er geen belemmering voor uitvoering van het bouwplan. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 50 dB, wat een aanvaardbaar akoestisch klimaat is. Gezien deze geluidsbelasting mag verwacht worden dat volstaan kan worden met een normale uitvoering van de gevel. Ter verhoging van de akoestische kwaliteit kunnen er in de aan de weg liggende gevel geluiddempende ventilatievoorzieningen worden gebruikt.

5.7 Flora en Fauna

Op 6 mei 2015 is er een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als afzonderlijke bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen (Bijlage 3).

5.7.1 Beschermde soorten

In het plangebied zijn geen beschermde en bedreigde plantensoorten aangetroffen en deze worden op basis van het veldonderzoek en terreinkenmerken ook niet verwacht. In de te slopen woning zijn potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De beoogde plannen hebben geen nadelige gevolgen op mogelijk aanwezige vlieg- en/of jachtroutes en op belangrijk foerageergebied van vleermuizen.

Zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren, alsmede verblijfplaatsen van reptielen en zwaar beschermde amfibieën, libellen, dagvlinders en andere ongewervelde zijn niet binnen het plangebied aangetoond of te verwachten. In de woning en de schuur zijn geen geschikte broedlocaties voor Huismus aangetroffen. Overige broedvogels met jaarrond beschermde nestlocaties worden ook niet verwacht binnen de invloedsfeer van de plannen.

Permanent oppervlaktewater ontbreekt in het plangebied, waardoor vissen en voortplanting van amfibieën kunnen worden uitgesloten.

5.7.2 Beschermd natuurgebied

Het plangebied is geen onderdeel van een natuur-of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is ook geen onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

5.7.3 Conclusie

De quickscan heeft uitgewezen dat geen negatieve effecten op soorten en/of soortgroepen door de geplande werkzaamheden worden verwacht, behalve voor de vleermuis. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren volgens het huidige vleermuisprotocol naar de functie van de woning als mogelijke verblijfplaats voor vleermuizen. Het betreft meerdere bezoekronden die verspreid over de periode mei- september dienen te worden uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek zal beoordeeld worden welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten op aanwezige vleermuizen te voorkomen.

Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval te starten in de periode voor begin maart en na eind juli of de invloedsfeer van de plannen kort voorafgaand aan het werk te controleren op broedende vogels en in gebruik zijnde nesten.

Het project is op het gebied van Flora en Fauna uitvoerbaar.

5.8 Externe Veiligheid

Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet is gesitueerd in de omgeving van een Bevi-bedrijf. Ook is het plangebied niet gesitueerd in de omgeving van de basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt door onderhavige ontwikkeling niet vergroot. Op basis van genoemde bevindingen kan geconcludeerd worden dat verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven.

5.9 Kabels en leidingen

Door of nabij het plangebied geen hoofdgastransportleidingen. Tevens zijn er geen andere leidingen die speciale bescherming behoeven in het bestemmingsplan of anderszins van invloed zijn op het plan.

5.10 Duurzaam bouwen

5.10.1 Energie Algemeen

In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 staan uitgangspunten voor de doelgroep 'woningen' geformuleerd:

  • De gemeente kiest voor integrale woonkwaliteit. Naast energiebesparing betekent dit bijvoorbeeld ook meer comfort in woningen en een gezond binnenklimaat. Energiebesparing mag nooit ten koste van de gezondheid van bewoners en de gemeente blijft daarom het belang van goede ventilatie benadrukken. Voor de grotere projecten (met meer dan één woning) vindt toetsing plaats met het instrument GPR gebouw waarmee de duurzaamheidskwaliteit wordt bepaald;
  • Bij alle nieuwbouwwoningen wordt gestreefd naar 10% verlaging van de EPC-norm, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. Woningen worden flexibel gebouwd met het idee dat deze op termijn energieneutraal moeten worden. Zo kan worden besloten om woningen geschikt te maken voor latere toepassing van zonne-energie of lage temperatuur verwarming;
  • De gemeente drukt de CO2-reductie bij nieuwbouw vanaf 200 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL). Bouwen volgens de minimumeisen levert bij nieuwbouw een EPL van 6,6 op, een energieneutrale locatie levert een EPL van 10 op. Voor alle nieuwbouwwoningen met meer dan 200 woningen wordt, afhankelijk van de locatie en het type bouwproject, een minimale EPL gerealiseerd van 7,0 tot 8,0.

In het kader van het klimaatbeleid wordt gestreefd naar het opnemen van collectieve duurzame energieopties in bestemmingsplannen en bouwplannen. Een energievisie geeft voor grotere bouwprojecten de mogelijkheden aan voor duurzame energiemogelijkheden binnen Leidschendam-Voorburg. Gezien de geringe schaal van onderhavig plan (één woning) is collectiviteit niet aan de orde.

5.10.2 Uitwerking

Op de locatie staan schuur en woning die niet meer voldoen aan de huidige woonwensen en eisen. Door een nieuwe woning terug te bouwen die voldoet aan de nieuwste wet- en regelgeving, wordt een duurzame en energiezuinige woning gerealiseerd. Door de woning en garage op een kleinere footprint te bouwen dan de huidige bebouwde situatie, ontstaat er meer groen. Meer groen zorgt voor een beter leefklimaat in de omgeving. Een beter leefklimaat draagt bij aan de duurzaamheid van het gebied.

Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor activiteit bouwen van de woning met garage en kelder, zal een GPR-gebouw berekening worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat aan de drie verplichte maatregelen van de Nota Duurzaamheid wordt voldaan en de minimale eisen van het Bouwbesluit 2012. De energieprestatie coëfficiënt zal lager zijn dan 0,4. Tevens zal gebruik worden gemaakt van een hybride warmtepomp. Deze maatregelen zorgen voor een duurzame en energiezuinige woning.

Hoofdstuk 6 Cultureel erfgoed

6.1 Archeologisch erfgoed

6.1.1 Algemeen
6.1.1.1 Zorgplicht

De archeologische zorgplicht wordt door de gemeenten via het bestemmingsplan en vergunningverlening uitgevoerd. Als bevoegd gezag kan de gemeente van aanvragers van een vergunning voor bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische waarde of verwachting vragen om inzichtelijk te maken of de geplande bodemingrepen consequenties hebben voor het bodemarchief in het plangebied (zgn. vooronderzoek). Als de uitslag daarvan is dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, zal het plan moeten worden aangepast. Als dit niet mogelijk is neemt de gemeente een besluit: de omgevingsvergunning kan worden geweigerd, of er worden aan de vergunning nadere voorwaarden gesteld, zoals een opgraving om de archeologische informatie veilig te stellen.

6.1.1.2 Uitvoering

De uitvoering van de archeologische zorgplicht is gebaseerd op de driehoek overheid (gemeente), initiatiefnemer ('veroorzaker') en archeologisch uitvoerder. De gemeente is bevoegd gezag, regisseert het archeologische onderzoeksproces, stelt eisen, toetst en besluit; de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van het benodigde onderzoek en de kosten daarvan; de uitvoerder is een door het rijk erkend archeologisch bedrijf of organisatie die het onderzoek conform de eisen uitvoert. Conform het wettelijke veroorzakersprincipe is de initiatiefnemer/ vergunningaanvrager verantwoordelijk voor de kosten: dit geldt voor alle fasen van vooronderzoek, maar ook (wanneer het besluit tot opgraving of archeologische begeleiding is genomen) voor de kosten van een archeologische begeleiding of opgraving, inclusief de uitwerking en rapportage daarvan.

Om te voldoen aan deze nieuwe 'vraag naar archeologie' is een archeologische markt in het leven geroepen: sinds 2001 zijn er in Nederland vele archeologische bedrijven (uitvoerend en adviserend) actief. Initiatiefnemers mogen hieruit zelf een keuze maken, mits de archeologische partij erkend is. Om de kwaliteit van onderzoek in dit geliberaliseerde bestel te borgen, zijn namelijk alle onderdelen van het archeologische proces, de producten en actoren beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en houdt de Erfgoedinspectie toezicht.

6.1.1.3 Uitgangspunten

Het belangrijkste doel van de nieuwe wet is de bescherming van het bodemarchief door het reguleren van bodemverstorende activiteiten.

  • Uitgangspunt is de aanwezige of te verwachten archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem (in situ) te behouden of te ontzien. Alleen als in situ behoud niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van informatie door het verrichten van een opgraving en het opslaan van gegevens en vondsten.
  • De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die – binnen de kaders van de wetgeving – dienen te beschikken over een gemeentelijke beleidsnota archeologie en een beleidskaart archeologie. Gemeenten zijn verplicht om bij nieuwe bestemmingsplannen rekening houden met archeologie en kunnen archeologische randvoorwaarden opleggen aan omgevingsvergunningen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg niet wordt verleend.
  • De initiatiefnemer van de bodemverstorende activiteit moet het door de gemeente verplicht gestelde archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling en –uitvoering zelf regelen en ook zelf betalen (principe 'de verstoorder betaalt').
  • Elk archeologisch veldonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) door een bedrijf met een opgravingsvergunning.

De wet regelt dus de te volgen procedures en de financiering van archeologisch (voor)onderzoek en ook het eigendom en beheer van archeologische vondsten. Gelet op de bedoelingen van Malta en de consequenties van de nieuwe wet voor provincies, verschuift de beleidsinzet nog nadrukkelijker van toetsing op archeologische aspecten bij ruimtelijke plannen achteraf naar inbedding van deze aspecten vooraf, van alleen regels handhaven naar meedenken en van behoud van archeologische waarden sec naar behoud en benutting van deze waarden.

6.1.1.4 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Archeologische Monumenten Zorg cyclus

De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is een door de archeologische beroepsgroep gedragen document dat eisen stelt aan de uitvoering en uitvoerders van archeologische werkzaamheden. Het gebruik van de KNA is verankerd in het Nederlandse archeologiebestel door middel van het Besluit archeologische Monumentenzorg (BAMZ), (zie ook art. 24, lid 1 van de BAMZ).

Archeologisch onderzoek wordt in de regel gefaseerd uitgevoerd. Dit wordt de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) cyclus genoemd. De AMZ-cyclus bestaat uit de volgende stappen:

  • A. Inventariserend onderzoek.
  • Een inventariserend onderzoek begint met een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met enkele controleboringen. Doel hiervan is het opstellen van een gespecificeerde verwachting van het plangebied. Als uit dit onderzoek blijkt dat op de betreffende locatie geen waardevolle archeologische resten aanwezig zijn of verwacht worden, hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd.
  • Als uit het bureauonderzoek blijkt dat er wel waardevolle archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn, of als het bureauonderzoek geen uitsluitsel geeft over mogelijk aanwezige archeologische resten, zal een inventariserend veldonderzoek moeten plaatsvinden. Meestal gebeurt dit in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In uitzonderingsgevallen (zie KNA) zijn archeologische begeleidingen toegestaan. Het inventariserende veldonderzoek heeft tot doel vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig zijn en wat de kenmerken hiervan zijn (aard, datering, enz.). Vervolgens vindt een waardering plaats van de aangetroffen resten conform de criteria van de KNA en wordt aan het bevoegd gezag een advies uitgebracht over de te nemen vervolgstappen.
  • B. Besluit.

Op basis van de resultaten van het (waarderend) inventariserend onderzoek neemt het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, een besluit over de te nemen vervolgstappen: behoud van de archeologische resten in de bodem, aanvullend onderzoek, vrijgave of een combinatie van dezen.

  • C. Vervolgstappen.
  • Indien het bevoegd gezag besluit dat de archeologische resten zo waardevol zijn dat zij in de bodem bewaard moeten blijven, kan dit betekenen dat bijvoorbeeld een vergunning voor een bouwactiviteit niet of onder voorwaarden wordt verstrekt, of dat planaanpassing moet plaatsvinden.
  • Als er wel waardevolle archeologische resten aanwezig zijn, maar deze niet in aanmerking komen voor behoud, zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden. Dit zal meestal betekenen dat er een opgraving wordt uitgevoerd. In uitzonderingsgevallen wordt een archeologische begeleiding toegestaan.
  • Bij afwezigheid van archeologische resten of indien aanwezige archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden, wordt de betreffende locatie vrijgegeven.

De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen.

In onderstaand schema is de AMZ-cyclus in hoofdlijnen weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0008.jpg"

Afbeelding 8: de KNA-processen in relatie tot het proces van de archeologische monumentenzorg (AMZ).

6.1.1.5 Kosten Archeologische MonumentenZorg

De kosten van alle onderzoeken en maatregelen die plaats dienen te vinden volgens de AMZ-cyclus komen rechtstreeks voor rekening van de initiatiefnemer van een bodemverstorende activiteit. Als al deze stappen doorlopen zijn en de rapportages van de archeologische onderzoeken zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag heeft de initiatiefnemer aan zijn verplichtingen voldaan en is het archeologische onderzoek in principe afgerond. Indien er bij uitvoering van de werkzaamheden vervolgens alsnog onverwachts archeologische vondsten worden gedaan, is de initiatiefnemer conform art. 53 van de Monumentenwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag en gelegenheid te geven tot archeologisch onderzoek.

6.1.1.6 Archeologie Afweging

Het bevoegd gezag dient tussen de archeologische en andere maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken. De gemeente kan aangeven welke archeologische vindplaatsen dienen te worden behouden door inpassing en welke door middel van opgravingen. Inpassing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door aanpassing van het stedenbouwkundig plan of het ontwerp. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. Daarnaast kan de gemeente ook, beargumenteerd, aangeven welke er mogen worden opgegeven. Besluiten dienen te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb). De overheid die heeft bepaald dat er onderzoek moet plaatsvinden (of niet) is verder verplicht inzicht te geven in de achterliggende argumenten en de wijze waarop eventueel tegengestelde belangen tegen elkaar zijn afgewogen (artikelen 3:2 en 3:4 Awb).

6.1.1.7 Beleidsregels bij de archeologische beleidskaart

In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'Nota archeologie: herijking 2013' opgesteld.

In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.noortheylaan1b-VG01_0009.jpg"

Afbeelding 9: Archeologische beleidskaart

De vier waarderingsgebieden zijn:

Waarde-Archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde-Archeologie 2   Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde  
Waarde-Archeologie 3   Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting  
Waarde-Archeologie 4   Gebieden met een lage archeologische waarde  
6.1.2 Bestemmingsplan
6.1.2.1 Inleiding

In 2013 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'archeologienota herijking 2013' opgesteld. Deze is in februari 2014 vastgesteld.

Volgens het archeologiebeleid geldt binnen het plangebied Noortheylaan 1b een hoge archeologische verwachting. Om eventueel aanwezige archeologisch resten te beschermen, wordt een dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 3' opgenomen.

Voor bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Het is mogelijk dat de omgevingsvergunning in het belang van de archeologie niet wordt verleend, of dat deze wordt verleend onder voorwaarden, zoals het treffen van maatregelen om de archeologische resten in de bodem te behouden, of de verplichting tot het verrichten van archeologisch onderzoek.

Binnen het plangebied zullen een bestaande woning en schuur worden gesloopt en zal een nieuwe woning met garage worden gebouwd. De woning zal worden voorzien van een kelder van 182 m2 en de keldervloer wordt aangelegd op een diepte van ca. 3,5 m beneden maaiveld. De woning zal verder worden onderheid, waarbij waarschijnlijk 15 tot 20 heipalen worden geslagen tot op een diepte van maximaal 18 m beneden maaiveld.

Met het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen de mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

In het kader van de herontwikkeling heeft in het plangebied reeds archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden (Ras, J. 2016: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen 'Plangebied Noortheylaan 1b', Leidschendam, Gemeente Leidschendam-Voorburg).

6.1.2.2 Samenvatting archeologisch onderzoek

Het plangebied ligt ter plaatse van de flank van een strandwal die tussen circa 3800 en 3500 voor Chr. is ontstaan. Daarna zijn op deze strandwal duinen ontstaan. Ter plaatse van de flank van de strandwal is Hollandveen gevormd, met daarop verstoven of opgebracht duinzand.

Binnen het plangebied kunnen archeologische vindplaatsen worden aangetroffen uit de periode van het Midden Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd, waarbij, op basis van het vastgestelde microreliëf, de grootste kans op archeologische resten tot de Nieuwe Tijd geldt voor de zone waar de strandwal is gelegen.

Archeologische resten uit het Midden en Laat Neolithicum kunnen hier worden aangetroffen op en in de top van de strandwal, op een diepte van circa 1.30 - 1.65 meter beneden het maaiveld (1.14 - 1.41 meter –NAP). Archeologische resten uit de Bronstijd kunnen hier worden aangetroffen op en in het Hollandveen, op een diepte van circa 0.9 - 1.35 meter beneden het maaiveld (0.74 - 1.11 meter –NAP). Archeologische resten uit de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen kunnen hier worden aangetroffen op en in de top van de Oude Duinafzettingen, op een diepte van 0.4 - 0.6 meter beneden het maaiveld (0.15 - 0.44 meter –NAP) en op en in de top van het Hollandveen, op een diepte van circa 0.9 - 1.35 meter beneden het maaiveld (0.74 - 1.11 meter –NAP). Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bebouwingsresten vanaf circa 1600 - circa 1960 A.D. Wel is er in ieder geval vanaf de zeventiende eeuw een weg direct ten noordoosten van het plangebied aanwezig.

Voor mogelijk aanwezige archeologische resten geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden zouden kunnen voorkomen. Het zou immers kunnen gaan om nederzettingsterreinen, activiteitenzones, grafvelden, maar ook om akker- en/of weidegebieden, enz. Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. Er zijn geen aanwijzingen voor grootschalige bodemverstoringen ter plaatse van het plangebied, anders dan als gevolg van de bebouwing die hier vanaf de jaren zestig is gerealiseerd.

Als gevolg van de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de aanleg van de bouwput en de funderingsleuven zal de top van de Strandwal, de Oude Duinafzettingen en de top van het Hollandveen worden aangesneden. Daarbij bestaat een kans dat mogelijk aanwezige archeologische resten uit het Midden Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd zullen worden verstoord. Voor de dieper gelegen horizonten geldt dat deze slechts in zeer beperkte mate zullen worden verstoord als gevolg van de heiwerkzaamheden.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek concludeert het onderzoeksbureau dat de voorgenomen planrealisatie kan leiden tot de aantasting van archeologische resten. Daarom wordt de uitvoering van een aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Om de archeologische waarde aan te tonen dient er vervolgonderzoek plaats te vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De sloopwerkzaamheden mogen voorafgaand aan verdere werkzaamheden tot maaiveld plaatsvinden, om te voorkomen dat eventuele archeologische waarden hierdoor worden geschaad.

6.1.2.3 Dubbelbestemming Waarde-Archeologie

In het plangebied Noortheylaan 1b zijn de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' aangegeven. Daarvoor geldt dat voor alle bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden maaiveld in het belang van de archeologische monumentenzorg kan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen. Naar het oordeel van het bevoegd gezag dient de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in dat rapport in voldoende mate te zijn vastgesteld.

6.1.2.4 Conclusie

Het in januari 2016 uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd (Bijlage 4).

Er dient vervolgonderzoek plaats te vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Daaraan voorafgaand is sloop van de opstallen tot op het maaiveld toegestaan.

6.2 Cultuurhistorisch erfgoed

6.2.1 Duin- horst- en weide

Noortheylaan 1b bevindt zich in de Duivenvoordecorridor, een onderdeel van het Duin- horst- en weide gebied. Dit gebied ligt tussen Den Haag/Leidschendam en Leiden/Voorschoten in. We zien een duinstrook aan de kust, die loopt tot aan Wassenaar, vervolgens de Horsten vanaf de duinenrij tot aan de Vliet. En de weiden bevinden zich met name aan de zuidoostkant van de Vliet. De Noortheylaan ligt midden in de corridor die is ingeklemd tussen Leidschendam en Voorschoten. Centraal ligt daar kasteel Duivenvoorde, hemelsbreed op relatief korte afstand van het plangebied.

Over het Duin- horst- en weidegebied is al veel gepubliceerd. Daarbij wordt de uitzonderlijke kwaliteit van dit kroonjuweel geroemd. De kwaliteit ligt vooral in de opeenvolging van landschappen; de clustering van landgoederen op één van de oudste ontginningsgebieden van Nederland; het strandwallenlandschap, de relatief droge strandwalruggen en de lager gelegen nattere strandvlakten en tot slot het veenweide gebied. De laatste wordt gekenmerkt door de open structuur, boerderijlinten en randen van droogmakerijen.

6.2.2 Beschermd stads- en dorpsgezicht

De kwetsbaarheid van dit gebied, in het drukste stukje van Nederland, is enorm. Verantwoorde ontwikkeling is alleen mogelijk daar waar tussen betrokken partijen wordt samengewerkt.

Het plangebied bevindt zich binnen één van de drie beschermde stads- en dorpsgezichten van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Herbouw na sloop dient te voldoen aan vaststaande voorwaarden. Niet om ontwikkelingen vast te zetten, maar om ontwikkelingen cultuurhistorisch verantwoord te laten verlopen.

De bestaande woning en de schuur zijn beide geen monument, ook is er geen sprake van cultuurhistorische waarde. Wel dient de nieuwe bebouwing zich goed te voegen in haar omgeving. Aan de overzijde van de weg en direct naast het plangebied bevinden zich een gemeentelijk monument en een van rijkswege beschermd monument.

6.2.3 Plangebied

In het gebied is sprake van een beschermde status vanwege het door het rijk opgelegde beschermde dorpsgezicht. Het doel van deze status is om de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied dat ook wel bekend staat als de ‘Duivenvoordecorridor’ en de ‘Landgoederenzone Wassenaar Voorschoten en Leidschendam-Voorburg’ te behouden.

Bij het toestaan van het huidige bouwplan zijn geen cultuurhistorische waarden in gevaar. De huidige bebouwing vertegenwoordigt geen zeldzame monumentale waarde en het huidige bouwplan sluit qua formaat en oriëntatie aan bij de omringende bebouwing aan de Noortheylaan. Wel zal het nieuwbouwplan moeten worden getoetst aan de bijzondere welstandscriteria die gelden voor dit gebied, alsook een aansluiting moeten vormen op de bestaande historische bebouwing en landschappelijk inrichting. Dit zal door de welstands- en monumentencommissie worden getoetst.

6.2.4 Conclusie

Vanuit cultuurhistorisch oogpunt kan medewerking worden verleend aan dit plan. Wel dient nieuwe bebouwing met grote zorg te worden ingepast in dit bijzonder waardevolle gebied. Sloop- en bouwplannen in dit gebied dienen te worden voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie van het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving

7.1 Systematiek van de bestemmingsregels

Dit postzegel-bestemmingsplan is opgesteld voor een specifieke ontwikkeling, namelijk de sloop van een loods en de sloop en nieuwbouw van een woonhuis aan de Noortheylaan 1b. Met dit plan wordt de bestemming gewijzigd naar 'Tuin' en 'Wonen' en het huidige bouwvlak voor de woning wordt vergroot en verplaatst.

De juridisch-planologische regeling van dit bestemmingsplan is opgesteld conform de gangbare en actuele bestemmingsplannormen en standaarden voor digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen. De plandocumenten omvatten de bindende planstukken, te weten de regels en de verbeelding, en de onderbouwende of toelichtende planstukken (de toelichting en andere onderzoeken). De regels en de verbeelding bevatten een juridische vertaling van de beleidsvoorwaarden vanuit de diverse overheden enerzijds (hoofdstuk 2) en van het beoogde ruimtelijk toekomstperspectief anderzijds (hoofdstuk 4). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met:

  • de toelichting op de verbeelding en regels;
  • nadere onderzoeken t.b.v. diverse specifieke beleidsaspecten.

7.2 Inleidende regels

De artikelen 1 en 2 omvatten alle gebruikelijke bepalingen en definities, die van belang zijn voor de toepassing van zowel de bestemmingsregels als de algemene regels. Zodoende hebben zij een zekere betekenis voor de handhaving van de regels en de hierin bepaalde eisen ten behoeve van de stedenbouwkundige karakteristiek en/of cultuurhistorische waarde enzovoorts.

7.3 Bestemmingsregels

Tuin

De gronden vanaf de weg tot 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw (de woning) zijn bestemd voor 'Tuin'. Voor onderhavig plan geldt dat de gronden naast de woning eveneens zijn aangewezen voor 'Tuin', zodat de gronden kunnen worden ingericht als bij de woning horende siertuin.

Wonen

De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van één grondgebonden woning en bijbehorend erf. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Binnen de woonbestemming is beroep aan huis onder voorwaarden toegestaan.

Waarde - Archeologie 3

Volgens de Beleidskaart Archeologie van de gemeente komt in het gehele plangebied een archeologische verwachtingswaarde voor. Voor het plangebied geldt gebiedstype 3; gebied met een hoge archeologische waarde of verwachting. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de mogelijk in het gebied aanwezige archeologische waarden.

Waarde - Beschermd Stads- en Dorpsgezicht

Het plangebied ligt binnen het rijksaangewezen beschermd stads- en dorpsgezicht, derhalve is deze dubbelbestemming opgenomen. De in die dubbelbestemming opgenomen regels zijn opgenomen ter bescherming van de in en om het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.

Waterstaat - Waterkering

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' beslaat slechts een zeer klein stukje van het plangebied. De locatie wordt bepaald door de Legger van het Hoogheemraadschap.

7.4 Algemene regels, overgangs- en slotregels

In het bestemmingsplan is een aantal algemene regels opgenomen, zoals algemene bouw- en gebruiksregels. Ook is een vergunningsplicht opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, met name ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in het gebied.

Tenslotte zijn de wettelijk verplichte bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het bestemmingsplan.

7.5 Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan.
    Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het bestemmingsplan is immers aan eenieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in het plangebied op de hoogte (kunnen) zijn van de regels.
  • 2. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan.
    De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk.
  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling.
    Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
  • 4. Actief handhavingsbeleid.
    Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

De afdeling die belast is met handhaving heeft jaarlijkse handhavingsplannen en een handhavingsprogramma voor meerdere jaren. Daarin zijn prioriteiten gesteld ten aanzien van de te handhaven zaken. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt natuurlijk niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieu-overtredingen.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggend postzegel-bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van de wens van de grondeigenaar om op deze locatie de bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het opstellen van een bestemmingsplan dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting tot het voeren van vooroverleg vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond hiervan is de gemeente verplicht bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

Het bestemmingsplan wordt niet aan inspraak onderworpen op grond van de Inspraakverordening gemeente Leidschendam-Voorburg. Door het volgen van de procedure als bedoeld in artikel 3:4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) wordt eenieder immers actief betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Naast de wettelijke verplichting om de mogelijkheid te bieden om door eenieder zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen, heeft er tevens vooroverleg met betrokken instanties, maatschappelijke organisaties, ingezetenen en belanghebbenden plaatsgevonden. Hieronder is beschreven op welke wijze dit vooroverleg heeft plaatsgevonden en welke reacties zijn gegeven.

8.2.1 Ontvangen reacties

Een aantal instanties is gevraagd om aan te geven welke belangen verankerd zouden moeten worden in het bestemmingsplan, rekening houdend met de specifieke ruimtelijke kenmerken van dit gebied. Daarbij is nadrukkelijk gevraagd de reactie te motiveren en tevens te beschrijven op welke wijze dat specieke belang in het bestemmingsplan verwerkt zou moeten worden.

Aangeschreven zijn, onder andere: provincie Zuid-Holland, gemeente Voorschoten, Hoogheemraadschap van Rijnland, Veiligheidsregio Haaglanden, vereniging Erfgoed Leidschendam en Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg.

Naar aanleiding hiervan zijn de hierna volgende overlegreacties ontvangen.

Provincie Zuid-Holland

De Provincie wil graag weten of het nieuwe bouwvlak in lijn blijft met het lint. Op basis van de (concept) verbeelding is aangegeven dat dit zo goed gaat. Verder de vraag of het bestemmingsplan niet moet worden gepubliceerd op RO online.

Reactie gemeente:

Er wordt geen voorontwerp opgesteld, dus ligt het bestemmingsplan in deze fase nog niet ter inzage. Deze opmerking heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

Hoogheemraadschap van Rijnland

Aangezien er in het plangebied geen waterhuishoudkundige belangen in het geding zijn, verstrekt het Hoogheemraadschap van Rijnland een positief wateradvies.

Indien er voor de realisatie van de woning grondwateronttrekking en/of lozing van grondwater noodzakelijk is, dan is van belang om te weten dat Rijnland nu, naast beheerder van het oppervlaktewatersysteem, ook beheerder is van het grondwater. Daardoor is Rijnland bevoegd gezag voor de meest voorkomende categoriën van grondwaterottrekkingen.

Reactie gemeente:

Deze opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen en heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

Veiligheidsregio Haaglanden

In de notitie 'Advisering EV – Veiligheidsregio Haaglanden - invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen', versie 1.0 van 20 januari 2016 is de werkwijze beschreven van de VRH voor de ontwikkelingen die in het kader van externe veiligheid door de VRH van een specifiek advies worden voorzien. Deze notitie is afgestemd met de gemeenten.

De ontwikkeling waar het adviesverzoek betrekking op heeft, valt niet onder één van de categorieën ontwikkelingen uit de notitie. In het kader van externe veiligheid zal de ontwikkeling niet zorgen voor een significante toe- of afname van het huidige risico. Op basis daarvan is besloten om op de ontwikkeling geen specifiek advies omtrent externe veiligheid uit te brengen, in verband met de aanwezigheid van de rijksweg A4 op ongeveer 1500 meter van het plangebied.

Voor de afweging over de eventueel te treffen maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de maatregelen zoals deze voor het transport van giftige vloeistoffen en giftige gassen zijn opgenomen in de notitie.

Het is belangrijk dat in de verdere uitwerking van het plangebied ook specifiek wordt gekeken naar de brandveiligheid. Hiervoor kunnen extra maatregelen nodig zijn. Bij de toetsing op brandveiligheid dient er tevens aandacht besteed te worden aan de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen.

Reactie gemeente:

Deze informatie wordt ter kennisgeving aangenomen voor de verdere uitwerking van het bouwplan. Er zijn geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg

Vanuit de werkgroep is aangegeven dat de archeologische bescherming in het bestemmingsplan 'Duivenvoordecorridor' goed is geregeld (artikel 26 van de regels). De werkgroep beveelt de gemeente aan om daar in het nieuwe plan naar te verwijzen.

Reactie gemeente:

Het bestemmingsplan 'Noortheylaan 1b' is een op zichzelf staand bestemmingsplan, de regels moeten dus worden opgenomen in het plan zelf. De regels ten aanzien van de archeologische bescherming zijn ondergebracht in Artikel 5 van dit bestemmingsplan. Dit artikel is anders vormgegeven dan het genoemde artikel 26 van 'Duivenvoordecorridor', omdat op het nieuwe bestemmingsplan de SVBP2012 van toepassing is. Ook zijn de regels gebaseerd op de 'Nota archeologie: herijking 2013', zie paragraaf 6.1 van de toelichting.

8.2.2 Zienswijzenprocedure

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro resp. Afdeling 3.4 van de Awb wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken zowel digitaal als in papieren vorm ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren brengen bij de gemeenteraad.

Het ontwerp van onderhavig bestemmingsplan heeft van 1 juli 2016 tot en met 11 augustus 2016 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zienswijzen naar voren te brengen.