direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Doorontwikkeling Vlietland Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het watersport-, recreatie en natuurgebied Vlietland met een omvang van circa 300 hectare ligt centraal in de Randstad, aan de rand van het Groene Hart. Vlietland ligt vrijwel geheel in de gemeente Leidschendam-Voorburg tussen het Rijn-Schiekanaal en de Rijksweg A4 en naast de gemeentegrenzen van Voorschoten en Leiden. In 1984 is Vlietland als (voormalig) zandwingebied na de eerste herinrichting als recreatiegebied in gebruik genomen. Zoals andere grote, aangelegde dagrecreatiegebieden wordt dit recreatiegebied voornamelijk gebruikt op warme, zomerse dagen in de weekeinden en vakanties. In het voor- en najaar en in de winter is het bezoek beperkt.

Al geruime tijd is het de wens om functies toe te voegen die jaarrond gebruikt kunnen worden en daarmee de attractiviteit en het maatschappelijke rendement van het recreatiegebied te vergroten. Door het toevoegen van verblijfsrecreatieve voorzieningen op gronden die nauwelijks gebruikt worden, zullen opbrengsten worden gegenereerd die ten goede zullen komen aan het beheer en onderhoud van Vlietland. Met deze uitgangspunten is het bestemmingsplan 'Vlietland noordoost 2005' opgesteld. Dit bestemmingsplan had als doel de realisatie van een recreatiepark met 222 recreatiewoningen en - appartementen, horeca en in- en outdoorvoorzieningen. Om verschillende redenen hebben de meeste van deze ontwikkelingen tot op heden geen doorgang gekregen.

Inmiddels liggen de navolgende initiatieven voor:

  • een recreatiepark met 222 recreatiewoningen, een bedrijfswoning en enkele centrale voorzieningen zoals een receptie. In aanpassing op het oorspronkelijke plan, waarin sprake was van een mix van 120 gestapelde recreatiewoningen, 102 grondgebonden recreatiewoningen en een bedrijfswoning, gaan de huidige plannen uit van uitsluitend grondgebonden recreatiewoningen. Dit om geen uitzicht te hebben op de 14 meter hoge viaducten van de (te realiseren) Rijnlandroute en de (te verleggen) A4 die vlak langs Vlietland (komen te) lopen;
  • een horecavoorziening bij het zwemstrand met een grondoppervlak van 900 m2 (footprint). Het oorspronkelijke plan ging uit van restaurant met voorzieningen aan het zwemstrand met een bebouw grondoppervlak van 400 m2 en twee restaurants met voorzieningen bij de recreatiewoningen met ieder een bebouwd grondoppervlak van 250 m2 (samen 500 m2 bebouwd grondoppervlak). Het plan is nu om de horecavoorzieningen bij de recreatiewoningen niet apart en niet bij de recreatiewoningen te bouwen maar deze te clusteren tot een restaurant met voorzieningen bij het zwemstrand met een bebouwd grondoppervlak van 900 m2. Dit is bedrijfseconomisch beter dan de bouw en exploitatie van drie aparte restaurants. De locatie bij het zwemstrand is hiervoor het meest geschikt. Dit onder meer gezien de attractiviteit van deze locatie en de aanwezige en de nieuw aan te leggen parkeerterreinen daar vlakbij.

De bovengenoemde aanpassingen zijn niet in lijn met de nu geldende planologische kaders. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is het voorliggend juridisch-planologisch kader opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Recreatiegebied Vlietland ligt in het noordoostelijk deel van de gemeente Leidschendam-Voorburg, ten zuidwesten van het kruispunt van de Rijksweg A4 en de toekomstige Rijnlandroute (N434).

Het plangebied van dit bestemmingsplan beslaat twee delen in het meest noordoostelijke gedeelte van recreatiegebied Vlietland. De twee delen van het plangebied liggen binnen de gemeentegrens van Leidschendam-Voorburg, nabij de gemeentegrens van Leiden, op korte afstand van de nieuwe Rijnlandroute en vlakbij de richting Vlietland te verleggen Rijksweg A4. In figuur 1.1 is de locatie van het plangebied indicatief weergegeven. Uit deze figuur blijkt dat de A4 ten oosten van het plangebied ligt. In het noordwesten van het plangebied liggen het Rijn-Schiekanaal (de Vliet) en de gemeentegrens met Voorschoten. In het noorden en noordoosten van het plangebied ligt de gemeentegrens van Leiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van de twee delen van plangebied is de beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg van toepassing. Voor het plangebied geldt daarbij het besluitvlak 'Beheersgebied Vlietland Noordoost 2005'. De regels van het bestemmingplan Vlietland Noordoost 2005' zijn - met uitzondering van wijzigingsbevoegdheden - van toepassing in dit gebied.

Na inwerkingtreding komt het onderhavige bestemmingsplan voor het plangebied in plaats van de bovengenoemde beheersverordening.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is het voorliggend bestemmingsplan getoetst aan de rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleidskaders.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Keuzes

De belangrijkste keuzes zijn:

  • Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit
  • Ruimte voor overgang naar een circulaire economie
  • Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden
  • Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen

Toetsing en conclusie

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van andere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De belangrijkste uitgansgpunten uit het Barro zijn opgenomen in de NOVI. In de volgende paragraaf is getoetst aan het Barro.

De doorontwikkeling van Vlietland Noord is in lijn met het rijksbeleid.

2.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijk ordening (Barro)

Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament, defensie en natuurontwikkeling.

Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen, bijvoorbeeld voor defensie en waterveiligheid, de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen. Naar aanleiding van een advies van de Raad van State voorziet het Barro ook in een bij dit besluit behorende ministeriële regeling (Rarro).

Toetsing

Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkelingen van toepassing zijn.

2.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro, artikel 3.1.6, lid 2)

Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten worden getoetst aan Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (de ladder voor duurzame verstedelijking): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De huidige planologische mogelijkheden zijn daarbij vertrekpunt. Hierna is beoordeeld welke ontwikkelingen worden gezien als 'stedelijke ontwikkelingen'.

Recreatiewoningen

Het toevoegen van gebouwde leisurevoorzieningen wordt in principe gezien als stedelijke ontwikkeling.

In het recreatiepark zullen maximaal 222 grondgebonden recreatiewoningen en een bedrijfswoning worden gerealiseerd. De beheersverordening gaat ook uit van 222 recreatiewoningen. Op basis van artikel 5 lid 3 van de planregels zijn echter 102 vrijstaande recreatiewoningen toegestaan. De overige 120 recreatiewoningen mogen alleen gestapeld (in 3 lagen) gerealiseerd worden.

Voor de vrijstaande recreatiewoningen gelden (onder andere) de volgende bouwregels:

  • het maximale grondoppervlak per recreatiewoning bedraagt 80 m2;
  • voor 10 recreatiewoningen is een groter grondoppervlak toegestaan, voor zover het totale grondoppervlak van de grondgebonden recreatiewoningen van 8.160 m² niet wordt overschreden;

Voor de gestapelde woningen is in de beheersverordening een maximale oppervlakte van 6.500 m2 opgenomen (inclusief een bedrijfswoning). In voorliggend bestemmingplan worden alle woningen grondgebonden uitgevoerd. De grondgebonden woningen worden uitgevoerd met een grondoppervlak van 80 m2, waarbij het totale grondoppervlak toenemen tot 17.760 m2 (222 x 80m2). Dit is een toename van 3.100 m2.

Conclusie: het gebied heeft al een verblijfsrecreatieve bestemming en het aantal recreatiewoningen neemt niet toe. Gestapelde recreatiewoningen worden grondgebonden uitgevoerd. De effecten op de omgeving daarvan zijn positief omdat e.e.a. beter landschappelijk inpasbaar is. Er is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Horecavoorziening

Op basis van de vigerende beheersverordening is de toegestane horeca verdeeld over de bestemmingen Recreatieve doeleinden (R) en Verblijfrecreatieve doeleinden (VR).

Bestemming Recreatieve doeleinden (R):

  • In lid 1 is opgenomen, dat per plaatse van de aanduiding (cr) een horecabedrijf met een bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 1.000 m² behorende tot ten hoogste categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten is toegestaan, met dien verstande dat tevens zalenverhuur zoals genoemd in categorie 2 van deze staat is toegelaten, alsmede sanitaire voorzieningen ten behoeve van de dagrecreatie.
  • In lid 3 is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding (cr) gebouwen tot een totaal bebouwd oppervlak van 425 m² mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de gebouwen zoals genoemd in dit lid en in lid 3 onder e tezamen een bebouwd oppervlak van ten hoogste 525 m² mogen hebben.
  • Het bestemmingsplan 'Vlietland noordoost 2005' bevat een wijzigingsbevoegdheid (artikel 4 lid 10). Hiermee kan het college het bestemmingsplan wijzigen ter plaatse van de aanduiding “wijzigingsbevoegdheid” ten behoeve van onder andere :
    • 1. horecabedrijven met een totaal bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 800 m², behorende tot ten hoogste categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, met dien verstande dat tevens zalenverhuur, zoals genoemde in categorie 2 van deze Staat, is toegestaan.

Een beheersverordening mag echter geen wijzigingsbevoegdheden bevatten. Deze bevoegdheid moet dus als vervallen worden beschouwd.

Verblijfsrecreatieve doeleinden (VR):

  • In lid 1 onder c, is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding (h) één horecabedrijf van ten hoogste 400 m2 bedrijfsoppervlakte is toegestaan.
  • In lid 1 onder g, is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding (ch) één horecabedrijf met een bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 600 m2 is toegestaan.
  • Bovengenoemde horecavoorzieningen mogen tezamen beschikken over een grondoppervlak van 900 m2.

In dit bestemmingsplan wordt een vlak opgenomen met de bestemming Recreatie-Dagrecreatie. Hierbinnen worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden horecavoorzieningen uit de vigerende beheersverordening geclusterd in één gebouw met een maximaal bebouwd oppervlak van 900 m2. Hierbinnen is maximaal 2.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak (BVO) aan horeca toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid wordt niet meer opgenomen.

De bestemmingplanbepalingen ten aanzien van twee horeca-uitgiftepunten in de buurt van het restaurant bij het zwemstrand blijven gelden. Deze liggen buiten de plangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan.

De oppervlakte ten behoeve van centrale voorzieningen zoals receptie, technische dienst en opslag wordt verruimd van 300 m2 naar 850 m2. Deze centrale voorzieningen dienen ter ondersteuning van de recreatiewoningen en zijn uitgesloten van toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie: Op basis van de geldende beheersverordening wordt nagenoeg evenveel bebouwd oppervlak en evenveel bedrijfsvloeroppervlak aan horeca toegestaan. Het betreft daarom geen stedelijke ontwikkeling.

De behoefte aan grondgebonden recreatiewoningen en samengevoegde horecavoorzieningen (op de locatie van het restaurant met voorzieningen bij het zwemstrand) is hierna uit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening onderbouwd.


De ontwikkeling vindt plaats in de toeristische regio 'Zuid-Hollandse kust'. Het gebied ligt strategisch op een internationaal goed bereikbare plek ten opzichte van de kust, het Groene Hart en toeristische steden en attracties.

Trends en ontwikkelingen recreatieparken
Door het aantrekkende inkomende toerisme en de toename van het binnenlandse toerisme verwacht 'Rabobank cijfers en trends' groei van de sector voor de nabije toekomst. Op langere termijn blijft de situatie uitdagend. Het is de uitdaging om relevant te blijven voor gasten. Het op peil houden van de kwaliteit van het recreatiepark is hierbij belangrijk, evenals goede centrumvoorzieningen en recreatiemogelijkheden die bijdragen aan de kwaliteit en aan de belevenis van de gast.

Door de corona-crisis kampt de horeca met forse omzetdalingen. Voor de horeca zal de crisis zeker tot eind 2021 voelbaar zijn.

Het totaal aantal overnachtingen op recreatieparken is in de periode 2012 en 2019 met 17% toegenomen naar bijna 4,3 miljoen (CBS, statline). De vraag naar Nederlandse recreatieparken komt voornamelijk uit eigen land. Ongeveer tweederde van de boekingen is afkomstig van Nederlanders. Het aantal buitenlandse bezoekers is de afgelopen jaren sterker toegenomen dan het aantal Nederlandse boekingen. Tijdens de Coronapandemie is gebleken dat het binnenlands toerisme enorm aan populariteit gestegen is. Dit heeft geleid tot een grote vraag naar vakantiewoningen in eigen land.

Rabobank (2019) verwacht dat het buitenlands toerisme de komende jaren nog verder zal toenemen. Omdat het aantal binnenlandse overnachtingen relatief stabiel blijft, zal de groei in de sector voornamelijk komen door de buitenlandse toerist.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0002.png"
Figuur 2.1 Groei overnachtingen op huisjesparken (Bron CBS, bewerking Rho)

Naar de toekomst toe zal het vastgoed van recreatieparken aan de nieuwe duurzaamheidseisen (van zowel overheid als consument) moeten voldoen. Een mogelijkheid hierbij is het circulair bouwen van accommodaties of centrumvoorzieningen. Tal van zaken kunnen bijdragen aan een duurzame exploitatie, zoals het verminderen van afval, energiebesparende verlichting, zonne-energie, waterbesparend sanitair en duurzame voeding.

Recreatiecentra ervaren een toenemende afhankelijkheid van boekingssites en bijbehorende reviews. Hierdoor is de online vindbaarheid via dergelijke boekingswebsites, social media en een goed boekingssysteem steeds belangrijker.

De consument verandert en is op zoek naar steeds nieuwe ervaringen. Recreatieparken moeten hier op inspelen door nieuwe dag-attracties of accommodaties toe te voegen. Hierbij is de trend dat alles luxer en duurzamer moet.

Consumenten hebben de voorkeur voor flexibele aankomst- en vertrektijden waarbij de standaard verblijfsperiodes (weekend, midweek, week) worden losgelaten. Recreatieparken zullen op deze wensen moeten inspelen. Dit biedt ook kansen om de rentabiliteit te verhogen.

Conclusie

Het aantal overnachtingen van Nederlanders op recreatieparken groeit licht en het aantal buitenlandse gasten is tot en met 2019 gestegen. 2020 en 2021 zijn niet representatief vanwege de corona-pandemie. De Nederlandse consument is steeds meer op zoek naar luxe. Dit vertaalt zich in meer overnachtingen op recreatieparken. Het realiseren van recreatiewoningen en voorzieningen is kansrijk.

Verblijfsrecreatie en dagrecreatie raken steeds meer met elkaar verweven, waarbij thematisering een belangrijke rol speelt. Onderscheidend aanbod door de ligging tussen de kust en het Groene Hart met aantrekkelijke steden in de buurt en een goede (internationale) bereikbaarheid is kansrijk. Daarnaast beschikt de locatie (als onderdeel van het Watersportgebied De Hollandse Plassen) over een unieke vaarverbinding naar andere aantrekkelijke watersport- en recreatiegebieden en steden met een grote cultuurhistorie als Leiden, Delft, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Den Haag. Dit maakt het geschikt voor recreatie in eigen land.

Trends en ontwikkelingen leisure
Uit onderzoek van NRIT Media blijkt dat de vrije tijd onder meer in het teken staat van de geniet-economie en retro-grenzen.

Genieten is weer helemaal terug in de vrije tijd. Samen zijn, doen en denken lijkt een belangrijke rol te hebben in de vrije tijd. Het aanbod van vrijetijdsactiviteiten blijft groeien. De huidige consument is kritisch en kiest een steeds hoger kwaliteitsniveau. Aan de andere kant is ook de charme van kleinschaligheid, simpel en basic een succesfactor. Samen en live beleven zijn door de digitalisering het belangrijkste doel van onze vrijetijd. Net als het bevestigen van onze lifestyle.

Na de jarenlange globalisering lijken grenzen weer retro te zijn. We zijn in Nederland meer geneigd om ons voor vrije tijd binnen onze eigen landsgrenzen te oriënteren. In Nederland blijven we steeds meer genieten in eigen land. NRIT Media geeft aan dat we over de beste leisure-infrastructuur van de wereld beschikken. Veel, veilig en dichtbij genieten zijn weer terug. De trend van lokalisering blijft succesvol. Economisch is de gastvrijheidsindustrie een belangrijke economische pijler.

Conclusie

Het perspectief voor het toevoegen van kwalitatief hoogwaardige verblijfsrecreatie in Nederland is goed, gelet op de trend van meer dichtbij genieten. De verwachting is dat de groei van het aantal buitenlandse toeristen terug komt na de pandemie.

Trends en ontwikkelingen groepsaccommodaties
Uit onderzoek van NVM (De Nederlandse markt voor recreatiewoningen, 2017) blijkt dat groepen steeds belangrijker worden in de (verhuur)markt voor recreatiewoningen. Mensen hebben meer te geld te besteden, maar tegelijkertijd minder vrije tijd. De vrije tijd die ze hebben, willen zij daarom in toenemende mate effectief besteden in de nabijheid van vrienden en familie ('quality time'). Hierdoor zijn grote accommodaties waar hele vriendengroepen of families in kunnen verblijven sterk in trek. Investeren in dergelijke woningen biedt dus goede perspectieven.

Conclusie

Het plan biedt de mogelijkheid voor een aantal grotere recreatiewoningen met ruimte voor grotere groepen.

Behoefte grondgebonden recreatiewoningen

De markt voor recreatieappartementen is anders dan voor grondgebonden recreatiewoningen. Voor recreatieappartementen is de markt veel nadrukkelijker georiënteerd op situering direct aan de kust. NVM concludeert in haar rapport 'De Nederlandse markt voor recreatiewoningen (2016)' dat waar vrijstaande recreatiewoningen in de buurt van een bos, strand of binnenwater mogen liggen, een appartement daar letterlijk op uit moet kijken. De locatie voldoet minder goed voor recreatieappartementen aangezien recreatieappartementen in gebouwen van drie lagen uitzicht zouden hebben op de hoge viaducten van de Rijnlandroute die vlak tegen Vlietland gerealiseerd wordt. De locatie voldoet wel aan de vestigingsvoorwaarden voor grondgebonden recreatiewoningen.

Daarnaast willen veruit de meeste recreanten een vrijstaande grondgebonden recreatiewoning met een tuin (even weg uit de drukte en van de buitenlucht kunnen genieten). Dat blijkt ook uit de verkoopcijfers van recreatiewoningen (bron: De Nederlandse markt voor recreatiewoningen, 2019). Ongeveer 9 op de 10 verkochte woningen betreft een vrijstaande woning, vaak een bungalow. De gemiddeld verkochte recreatiewoning wordt steeds groter. Tweederde van de verkochte recreatiewoningen is tussen de 50 en 100 meter groot. Inmiddels is 1 op de 5 verkochte woningen groter dan 100 meter, 15 jaar geleden was dat nog slechts 1 op 8 woningen.

Sinds de pandemie is de behoefte op grongebonden recreatiewoningen naar verwachting verder toegenomen. De behoefte aan grondgebonden recreatiewoningen is opnieuw bevestigd op basis van actuele inzichten uit een marktconsultatie vanuit de initiatiefnemer.

In de belangrijke toeristische regio langs de kust van Noord-Holland, waar het aanbod al erg beperkt was, is het aanbod weer sterk gedaald. In de regio langs de kust van Noord-Holland is de krapte op de markt nu het grootst: weinig aanbod, veel verkopen met als gevolg prijsstijgingen. Ook in Zuid-Holland en Flevoland is de krapte groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0003.png"

Figuur 2.2 Ontwikkeling aanbod recreatiewoningen per regio

Het seizoen voor verblijfsrecreatie is inmiddels behoorlijk breed. 'Vroeger spraken we over zomerwoningen, nu noemen we het recreatiewoningen. Het seizoen duurt nu bijna 8 maanden. Het loopt vanaf Pasen tot de kunstmaand in november en daarna is er nog drukte met kerst & oud en nieuw.

Conclusie

Met het realiseren van het recreatiepark kan een groot deel van het jaar in de verblijfsrecreatieve vraag worden voorzien.

Behoefte horeca

Met het toevoegen van extra horeca wordt voorzien in de behoefte van de steeds toenemende aantallen recreanten die Vlietland bezoeken en de recreanten die op het recreatiepark overnachten.

Uit gegevens van CBS (kwartaalmonitor horeca, tweede kwartaal, 2021) blijkt dat de omzet van de horeca tot en met 2019 ieder kwartaal is toegenomen. 2020 en 2021 zijn niet representatief gelet op de corona-pandemie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0004.png"

Figuur 2.3 Omzetontwikkeling horeca (bron: CBS, 2021)

Conclusie

Recreanten verwachten steeds meer luxe, beleving en kwalitatief goede voorzieningen. Voorzieningen waaronder restaurants horen daarbij. De marktverwachting voor horeca is jaren goed geweest en de verwachting op basis van trends (Rabobank, CBS) is dat dat ook weer terug komt na de corona pandemie.

Conclusie

De locatie in Vlietland zoals bepaald in dit bestemmingsplan is geschikt voor grondgebonden recreatiewoningen en minder geschikt voor recreatieappartementen gezien de nabijheid van de Rijnlandroute met 14 meter hoge viaducten en de A4. Door het groeiende aantal overnachtingen op recreatieparken en de groeiende vraag naar meer luxe en kwalitatief goede voorzieningen, zal het toevoegen van verblijfsrecreatie bij Vlietland niet leiden tot onaanvaardbare leegstand op andere recreatieparken. Het bestemmingsplan sluit aan bij de ontwikkeling van de toenemende vraag naar voorzieningen zoals hierin genoemd.

2.3 Provinciaal en regionaal beleid

2.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 2021)

De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit

De gebiedsprofielen, die gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio zijn opgesteld, spelen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van zo'n gedeelde opvatting. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.


Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.

Groene buffer

De provincie wil in alle overgangsgebieden van stedelijk gebied naar open landschap het contrast behouden tussen de dynamiek en dichtheid van de stad en de luwte van de aangrenzende groene ruimte. Daarom zijn deze gebieden aangewezen als groene buffer en als zodanig beschermd. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Stabiele en aantrekkelijke stadsranden en goede inpassing van infrastructuur dragen hieraan bij.

Verblijfsrecreatie

De provincie beschouwt permanente bewoning van recreatiewoningen als een onwenselijke ontwikkeling. Nieuwe recreatiewoningen zijn alleen toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken, teneinde permanente bewoning tegen te gaan.


Toetsing

Er wordt verblijfsrecreatie mogelijk gemaakt in een gebied dat in het Programma ruimte (geconsolideerd 2019) is aangemerkt als verblijfsrecreatiegebied. De beoogde ontwikkeling geeft daar invulling aan. Permanente bewoning is expliciet uitgesloten in de specifieke gebruiksregels in artikel 4 van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0005.png"

Figuur 2.4 Uitsnede kaart 'Bebouwing in de groene ruimte' (bron: programma ruimte)

2.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 2019)

De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het volgende is relevant voor de ontwikkeling van het recreatiepark:

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit

  • 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
    • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
    • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
      • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en;
      • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
    • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
      • een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
      • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
  • 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën
    • a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien ineen ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden;
    • b. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien ineen ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programmaruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.
  • 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn:
    • a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):
      • duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;
      • wegnemen van verharding;
      • toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
      • andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.
    • b. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken;
    • c. in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.
  • 4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling:
    • a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of
    • b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.

Toetsing

Het plangebied is op de kwaliteitskaart 'laag van de stedelijke occupatie' vrijwel geheel aangeduid als verblijfsrecreatiegebied en dus is de functie in lijn met de gewenste invulling van deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0006.png"

Figuur 2.5 Uitsnede kwaliteitskaart 'Laag van de stedelijke occupatie'

Verblijfsrecreatiegebieden variëren van relatief open en groene campings tot terreinen met stacaravans en complexen met recreatiebungalows en bijbehorende voorzieningen. Er is sprake van een tendens tot herstructurering en opwaardering, waarbij campings worden bebouwd, stacaravans worden vervangen door bungalows, of bungalowterreinen worden heringericht. Bij verblijfsrecreatiegebieden is van belang dat ze een aantrekkelijke, recreatieve uitstraling hebben en qua locatie, schaal, inrichting en kwaliteit van de randen goed passen in hun omgeving.


Richtpunt: Verblijfsrecreatiegebieden hebben een recreatief karakter en passen qua locatie, schaal, inrichting en kwaliteit van de randen goed in hun omgeving.

Een klein deel van het plangebied is aangemerkt als 'Water als structuurdrager'. Richtpunten zijn:

  • Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem.
  • Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.

Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met deze richtpunten.

Op de kaart 'Laag van de beleving' is het gebied aangemerkt als groene buffer. Richtpunten:

  • Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone.
  • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0007.png"

Figuur 2.6 Uitsnede kwaliteitskaart 'Laag van de beleving'

De ontwikkeling draagt bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde met passende verblijfsrecreatieve mogelijkheden.

Het plangebied is in de Omgevingsverordening op de kaart beschermingscategorieën aangeduid als beschermingscategorie 2 en specifiek als 'groene buffer'. Voor een klein gedeelte, nabij de haven en het huidige Zwethpad, gelden ook de richtpunten voor recreatiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0008.png"

Figuur 2.7 Uitsnede kaart Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

Als landschap zijn deze gebieden relatief klein, soms ruimtelijk versnipperd en altijd medebepaald door stadsranden. Behoud van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. De stedelijke druk is relatief groot, maar tegelijkertijd vormen ze op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan het richtpunt voor dit recreatiegebied. Gelet op het grotere ruimtebeslag door recreatiewoningen en de inperking van de openbare toegankelijkheid is in dit geval sprake van aanpassen.

Met de komst van de recreatiewoningen zal een groot gedeelte van het gebied niet meer openbaar toegankelijk zijn. Wel worden fiets- en wandelroutes in het gebied gerealiseerd. Deze routes blijven openbaar toegankelijk. Nu maakt het vigerende bestemmingsplan deze ontwikkeling in de publieke ruimte op deze locatie al mogelijk.

De ontwikkeling wordt zorgvuldig ingebed in het recreatiegebied. Er wordt zorg gedragen voor een goede landschappelijke inpassing, zodanig dat het gebied naar de omgeving zijn groene karakter behoudt. De dagrecreatieve capaciteit en kwaliteit van openbaar toegankelijke gebieden en voorzieningen blijft behouden en wordt versterkt. Het gebied zal door de groene en waterrijke inrichting zijn ecologische functie behouden en versterken. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 4. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht.

Zoals in 2019 bij de uitgifte van erfpacht is voorzien, wordt het gebied omheind en afgesloten met een slagboom. Desondanks blijven binnen het gebied fiets- en wandelroutes openbaar toegankelijk. Hiermee kan iedereen in het groene en waterrijke gebied blijven recreëren.

Beeldkwaliteit

In dit geval is een beeldkwaliteitsparagraaf noodzakelijk die de voorgenomen inrichting beschrijft en aangeeft hoe er rekening is gehouden met de groene kwaliteiten, hoe de continuïteit van de recreatieve routes om en door het gebied zijn gewaarborgd en of er in passende overgangen met de omgeving wordt voorzien (met aandacht voor de gebiedsovergang tussen openbaar recreatiegebied en het recreatiepark). In het vigerende plan zijn overgangen duidelijk gemarkeerd door middel van een watergang tussen het recreatiepark en het openbare recreatiegebied.

Het gebied blijft een groene (verblijfs)recreatieve functie houden. Hierna is ingegaan op beeldkwaliteit. Hiervoor biedt het Gebiedsprofiel Duin Horst en Weide (Provincie Zuid-Holland, 2014) belangrijke aanknopingspunten. Het gebiedsprofiel is een handreiking om ontwikkelingen mogelijk te maken met ruimtelijke kwaliteit. Hierna is ingegaan op de voor dit gebied relevante richtpunten.

Vrijetijdslandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0009.png"

  • Vlietland en het Valkenburgse Meer van elkaar differentiëren en ontwikkelen als onderscheidende, aantrekkelijke (water)recreatiegebieden voor verschillende doelgroepen. Goede, groene inpassing in het landschap.
  • De verschillende recreatiegebieden met elkaar verbinden door een uitgebreid routenetwerk. Uitgangspunt zijn logische en aangename routes voor verschillende modaliteiten; voor ieder wat wils.
  • Recreatieve routes en functies rondom het Valkenburgse Meer sluiten aan op het toekomstige groenblauwe raamwerk van Valkenburg. Daarom bij de uitbreiding van de plas en andere ontwikkelingen alvast rekening houden met de ontwikkeling van Valkenburg.
  • Ontwikkelen van een compleet en (verkeers)veilig netwerk van wandel- en fietsroutes door het gebied zodat het landschap toegankelijk en beleefbaar wordt. Vooral aandacht voor routes in oost-west richting die de verschillende landschappen verbinden.
  • De wandel- en fiets- en vaarroutes op elkaar aansluiten. Op strategische knooppunten voorzieningen ontwikkelen. De knooppunten hebben een representatieve uitstraling.
  • Eenduidige bewegwijzering door een knooppuntensysteem en de routes voorzien van informatie zodat de recreant het landschap en de ontstaansgeschiedenis optimaal kan ervaren en begrijpen.
  • Er wordt gestreefd naar verschillende soorten routes voor verschillende doelgroepen (dorpsommetjes, struinpaden, doorgaande fietsroutes etc.), passend bij het betreffende landschap en rekening houdend met de waarden en kwetsbaarheden daarvan.
  • Inzetten op een samenhangend vaarnetwerk, waarbij verbindingen gemaakt worden met de historische centra van Leiden, Den Haag, Voorschoten en Wassenaar, de plassen en interessante toeristisch-recreatieve punten, zoals het Kasteel Duivenvoorde.
  • Ontwikkeling van havens als recreatieve knooppunten en het versterken van de verbinding tussen water en land. Hiertoe de dorpshavens voorzien van recreantenplaatsen.
  • Vlietland en het Valkenburgse Meer van elkaar differentiëren en ontwikkelen als onderscheidende (water)recreatiegebieden. Aansluiten bij de landschappelijke karakteristieken.

Toetsing

Het richtpunt voor verblijfsrecreatiegebieden stelt dat recreatiegebieden een recreatief karakter hebben en qua locatie, schaal, inrichting en kwaliteit van de randen goed in hun omgeving moeten passen. Een richtpunt voor fiets- en wandelroutes benoemt dat nieuwe obstakels en omwegen in het recreatieve netwerk voorkomen dienen te worden en in buffergebieden dragen nieuwe ontwikkelingen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. In de planvorming wordt hier rekening mee gehouden.

Water als structuurdrager

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0010.png"

  • Doorontwikkeling van Vlietland en het Valkenburgse Meer als aantrekkelijke, goed ingepaste recreatiegebieden. Daarbij voortbouwen op de onderscheidende kwaliteiten van de beide zwemplassen en de plassen ten opzichte van elkaar differentiëren;
  • Vlietland: behoud en versterking van de groene inpassing in het landschap. Benutten verbinding met de Vliet als blauwe ader van Duin Horst en Weide. Zichtbaarheid en beleefbaarheid van het water vanaf de omliggende routes vergroten. Kwaliteitsverbetering voorzieningen;
  • Versterken van de ecologische betekenis van de zandwinplassen door verbetering van de waterkwaliteit en het ontwikkelen van natuurvriendelijke oevers.

Toetsing

In het ontwerp wordt rekening gehouden met de kwaliteiten van het recreatiewater en natuurvriendelijke oevers.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen

  • 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
    • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voorduurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
    • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen.Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

Toetsing

In dit geval is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, (zie paragraaf 2.2.3).

Artikel 6.50 risico’s van klimaatverandering

In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van:

  • a. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  • b. overstroming;
  • c. hitte;
  • d. droogte

Toetsing

Aan paragraaf 5.2 zijn twee alinea's toegevoegd met voorbeelden van klimaatadaptieve maatregelen en/of voorzieningen, maar het voorontwerp bestemmingplan geeft nog geen inzicht (in) hoe(verre) mogelijke risico's van klimaatverandering kunnen worden voorkomen en/of beperkt, danwel aanvaardbaar worden geacht, bij realisatie van beoogde recreatiepark. Is sprake van klimaatrisico's voor het plangebied en welke maatregelen en/of voorzieningen zijn overwogen en/of genomen, met een toelichting op eventuele afwegingen om maatregelen en/of voorzieningen niet te treffen.

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn in lijn met de provinciale omgevingsverordening.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)

In de Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012) staat hoe Leidschendam-Voorburg tussen nu en 2040 een vitale groene woon-werkstad kan blijven met een eigen identiteit in de regio. In de structuurvisie heeft de gemeente specifiek haar visie op de Vlietzone benoemd.

Opgave Vlietzone

De Vliet heeft een cultuurhistorische belangrijke geschiedenis. Hier liep een van de oudste kanalen van Nederland, namelijk de Fossa Cobulonis. Dit kanaal is gegraven door de Romeinen in circa 50 na Christus onder aanvoering van de Romeinse veldheer van de Nederrijntroepen, Corbulo. Aan de Vliet lag in Voorburg de Romeinse plaats Forum Hadriani en in Leiden de havenplaats Matilo. Het Rijn-Schiekanaal werd in 1636 als een van de eerste kanalen in Nederland geschikt gemaakt voor de trekvaart als openbaar vervoer. Het kanaal en de oevers worden intensief gebruikt door wandelaars, fietsers en watersporters. De Vlietzone is echter ook deels verrommeld.

Voor Leidschendam-Voorburg en voor het omringende stedelijke gebied is het belang van de Vlietzone als een groene, recreatieve ruimte toegenomen. In het Regionaal Structuurplan Haaglanden zijn in samenhang met de A4-zone drie opgaven geformuleerd voor de Vlietzone: economische ontwikkeling, realisatie van een aantrekkelijke groene zone en verbetering van de bereikbaarheid en doorstroming. De toekomstige inrichting van de Vlietzone is van belang voor de gehele omringende stedelijke agglomeratie en daarmee is het een regionale opgave.

Ambitie Vlietzone

De Vlietzone dient volgens het provinciale structuurplan ontwikkeld te worden tot een robuust, (openbaar) toegankelijk en aantrekkelijk gebied voor groen, natuur, recreatie, landgoederen en sport, (recreatief) verbonden met Midden-Delfland en Vlietland, voorzien van een daarbij passende stedelijke ontwikkeling, ontdaan van verrommeling en met een terughoudend vormgegeven, goed ingepaste infrastructuur. De uitdaging is hier om de stedelijke functies, met excellente woon- en werkmilieus, te combineren met recreatieve en groene functies. Vlietland speelt in het gebied een eigen rol als het gaat om intensieve recreatie met strand- en watersportfaciliteiten. Ook wordt Vlietland uitgebreid met de verblijfsfunctie in de vorm van recreatiewoningen.

Met de ontwikkelingen in en rondom de Vlietzone speelt de gemeente Leidschendam-Voorburg in op de nieuwe behoeften van de stedeling. De bijzonder gunstige en strategische ligging van de kernen en de

recreatiegebieden is van grote economische waarde. De gemeente Leidschendam-Voorburg streeft naar versterking van de ruimtelijke eenheid rondom de Vliet en vergroting van de sportieve, recreatieve en toeristische beleving, waarbij de nadruk ligt op oever- en waterrecreatie. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de ruimtelijke en functionele kwaliteit en rekening houden met de kleinschaligheid, cultuurhistorische elementen en de landschappelijke waarden.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling van het watersport- en recreatiegebied Vlietland is in lijn met de ambitie van de gemeente om de Vlietzone te ontwikkelen tot een aantrekkelijk gebied voor groen, natuur, recreatie, landgoederen en sport. In de visie worden onderdelen van het plan voor recreatiepark Vlietland specifiek benoemd, waaronder het uitbreiden van de verblijfsfunctie in de vorm van recreatiewoningen en de intensieve recreatie mogelijkheden met strand- en watersportfaciliteiten.

De beoogde ontwikkeling van het recreatiepark is in lijn met de structuurvisie.

2.4.2 Duurzaamheidsbeleid

Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022

Om te zorgen dat ook voor de komende generaties onze planeet een goede plek is om te leven, moeten we veranderen in hoe we werken, wonen, en leven. Ook in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg wil grote stappen zetten op het gebied van duurzaamheid energie en milieu. De ambitie is een CO2-neutrale gemeente met een circulaire economie in 2050. We werken aan een toekomstbestendige stad met een gezond woon- en leefklimaat.

Sinds 2016 is op basis van de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 aan verduurzaming gewerkt. Op basis van ontwikkelingen, het coalitieakkoord in 2018 en vakinhoudelijke kennis van partners en ambtenaren wordt het duurzaamheidsbeleid verder ontwikkeld en bestendigd in het uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022. Dit heeft geleid tot het beleidsdocument 'Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2020', dat is vastgesteld op 10 december 2019.

2.4.3 Horecabeleid

Horecanota 2011

Het gemeentebestuur onderkent het belang van horeca voor de gemeente. De horeca biedt werkgelegenheid aan een groot aantal mensen, hetgeen gunstig is voor de economie van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Daarnaast heeft de horeca een recreatieve functie voor een aanzienlijk deel van de bewoners. Hierbij moet worden gedacht aan restaurant- en cafébezoek en het bezoeken van andere uitgaansgelegenheden. De horeca vervult een wezenlijke functie in de ondersteuning van andere bedrijven in de gemeente en ook ondersteuning bij de winkel- en ontmoetingsfunctie van de stad. De aanwezigheid van een veelzijdige en goed functionerende horeca levert dus een belangrijke positieve bijdrage aan de gemeente Leidschendam-Voorburg. Daarnaast is het van groot belang dat door de aanwezige horeca dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt belast. Overlast en hinder voor de burgers dienen zo veel als mogelijk te worden beperkt. Geluidsoverlast en verstoring van de nachtrust kunnen de kwaliteit van het woon- en leefklimaat aantasten. De ' 'Horecanota 2011' is vastgesteld op 31 mei 2011. De nota bevat ook een Staat van horeca-activiteiten. Deze is in dit bestemmingsplan als bijlage opgenomen.

2.4.4 Toeristisch beleid

Visie recreatie en toerisme Leidschendam-Voorburg 2025

De toeristisch-recreatieve sector ontwikkelt zich zowel provinciaal als regionaal als een kansrijke groeisector. Recreatie en toerisme leveren ook binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg een belangrijk bijdrage aan het economisch klimaat. Daarnaast is er nog een groot potentieel aan bezoekers. Tot nu was er nog geen integraal beeld van de activiteiten en ingrediënten op het gebied van reactie en toerisme in de gemeente. Daarom is besloten om een visie op te stellen voor recreatie en toerisme, samen met de lokale partners in de toeristisch recreatieve sector. Dit heeft geleid tot de ' Visie recreatie en toerisme', die is vastgesteld op 4 juli 2017. De visie gaat uit van een combinatie van vier belevingswaarden binnen Leidschendam-Voorburg: historie, water, natuur en shoppen. Als doel is onder andere gesteld het aantrekken van recreanten en toeristen en het versterken van recreatieve voorzieningen. Dit bestemmingsplan draagt daaraan bij.

Hoofdstuk 3 Huidige situatie

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied op basis van de bestaande situatie.

3.2 Bestaande functies en ruimtelijke structuren

Het watersport- en recreatiegebied Vlietland is vanwege de vele bomen, struiken en andere vegetatie in dit gebied te beschouwen als een groene, recreatieve long in het Randstedelijke gebied tussen Leiden en Den Haag. Vlietland ligt op de overgang van het stedelijk gebied in het westen en noorden en het Groene Hart in het oosten. Ten zuiden van het recreatiegebied Vlietland ligt het natuurgebied Vogelplas Starrevaart. Door het zuiden van Vlietland en door de Vogelplas Starrevaart loopt een ecologische verbinding tussen de duinen en het Groene Hart.

Vlietland presenteert zich naar de omgeving als een groen en waterrijk gebied. Het gebied is ingericht rondom en gericht op twee langgerekte plassen en kleinere plas in het noordoosten. Deze meren worden gebruikt voor allerlei vormen van waterrecreatie zoals onder meer zwemmen, zeilen, surfen, vissen, motorbootvaren, kanoën en roeien. Ten behoeve van de waterrecreatie zijn er meerdere jachthavens, een jachtwerf, een watersportwinkel, een roeivereniging, een surfvereniging, een zeilschool, een flybordschool, een aquapark, vissteigers, aanlegsteigers en een watersportcentrum waar men allerlei vaartuigen kan huren. Er is een loods waar men surfplanken en kano's kan stallen. Op het land rond het meest noordelijke grote meer in Vlietland zijn allerlei voorzieningen voor recreatie zoals een camping, een restaurant, een klimpark, horeca uitgiftepunten, stranden, ligweiden en parkeerplaatsen. Rond en door Vlietland lopen voetpaden-, fietspaden en ruiterpaden. De bebouwing in het gebied is zeer beperkt en concentreert zich in de noordwesthoek van Vlietland. Van oudsher staan er in het zuiden en noorden buiten Vlietland enkele woningen langs de Vliet. De bebouwing in Vlietland bestaat voornamelijk uit recreatieve voorzieningen rond de jachthavens. Het overige gebied bestaat uit een afwisseling van hoog opgaande beplantingselementen met open ruimten ertussen die een parkachtig landschap vormen. Het noordwesten van Vlietland is bestemd voor intensieve recreatie, het midden van Vlietland is bestemd als overgangsgebied en het zuiden van Vlietland is bestemd voor extensieve recreatie en natuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0011.png"

Figuur 3.1 Typerende foto van het plangebied (bron: IDDS, 2020)

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op 2 deelgebieden in het noordoostelijke deel van Vlietland. In de huidige situatie gaat het om een gebied dat is ingericht als parkachtig landschap met grote ligweiden en bosschages. Er is geen bebouwing op deze twee deelgebieden. De interne ontsluitingsweg, de Rietpolderweg, loopt door één van deze deelgebieden. Deze zal worden omgelegd.

De geldende planologische regeling biedt in het plangebied de mogelijkheid voor het toevoegen van dag- en verblijfsrecreatieve functies. Concreet gelden de volgende planologische mogelijkheden:

deelgebied noord

  • een recreatiepark bestaande uit eilanden met 102 grondgebonden recreatiewoningen en 120 gestapelde (3 lagen) recreatiewoningen;
  • één bedrijfswoning;
  • restaurants met voorzieningen (zoals horeca-uitgifte, terrassen etc.);
  • centrale voorzieningen zoals een receptie;
  • wegen, paden, bruggen, parkeerplaatsen en aanlegsteigers.

deelgebied zuid

De geldende planologische regeling biedt in het tweede plangebied de mogelijkheid voor het realiseren van een restaurant met horeca-uitgiftepunt, terrassen, een bouwwerk voor de verhuur van watersportartikelen (vaartuigen zoals: zeilboten, sloepen, motorboten, kano's, roeiboten, surf- en supplanken) en recreatieve outdoorvoorzieningen zoals bijvoorbeeld een midgetgolfbaan.

Deze mogelijkheden zijn tot op heden niet gerealiseerd. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste maatvoeringen per functie weergegeven.

Tabel 3.1 Overzicht programma vigerende planologische regeling

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0012.png"

Hoofdstuk 4 Toekomstige situatie

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat in op de visie op het plangebied en de feitelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor de toekomstige situatie. Deze toekomstige situatie bepaalt de vorm en inhoud van de juridische regeling (bestemmingsregels) van dit bestemmingsplan.

4.2 Visie op het plangebied

Vlietland zal zich mede als gevolg van het onderhavige bestemmingsplan verder kunnen gaan ontwikkelen als een belangrijke locatie voor dag- en verblijfsrecreatie in een groene omgeving ten behoeve van de bewoners van de Randstad.

Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • zorgdragen voor een goede landschappelijke inpassing, zodanig dat het gebied naar de omgeving zijn groene karakter behoudt;
  • de dagrecreatieve capaciteit en kwaliteit van openbaar toegankelijke gebieden en voorzieningen blijft behouden en wordt versterkt;
  • het gebied zal door de groene en waterrijke inrichting zijn ecologische functie behouden en versterken;
  • er wordt door de werkzaamheden voor de herinrichting geen schade gedaan aan de natuurwaarden mits de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen;
  • de te kappen bosbeplanting wordt in de omgeving herplant;
  • de recreatiewoningen worden zodanig gesitueerd en omgeven door grondwallen dat de belasting door verkeerslawaai van de A4 en de nieuwe Rijnlandroute aanvaardbaar is. Tevens worden deze wegen aan het zicht onttrokken door de aanleg van grondwallen en schermen.

4.3 Feitelijke ontwikkelingen in het plangebied

In de nieuwe situatie worden uitsluitend grondgebonden recreatiewoningen gerealiseerd. Huurders van recreatiewoningen verblijven ook liever in een grondgebonden recreatiewoning dan in een gestapelde recreatiewoning. De bouwmogelijkheid voor gebouwen in drie lagen voor appartementen wordt daarom geschrapt. De realisatie van grondgebonden woningen heeft een andere ruimtelijke impact door minder hoge bebouwing. Met name het bebouwingsfront aan de plas komt hierdoor te vervallen. Hierdoor zal de bebouwing minder nadrukkelijk aanwezig zijn in het landschap en vanaf het water, de woningen gaan op in het groene landschap. Het groene karakter van het gebied wordt hierdoor meer benadrukt. Vanuit de markt is er meer vraag naar grondgebonden recreatiewoningen waar men in zijn eigen woning kan genieten van de rust van de natuur. Door in te zetten op grondgebonden woningen is er meer variëteit mogelijk en (individuele) architectonische expressie van de recreatiewoningen. Ondanks de infrastructurele ontwikkelingen in de omgeving (zoals de Rijnlandroute) kan door de realisatie van zicht- en geluidwerende grondwallen midden in de Randstad toch een onderscheidend en aantrekkelijk verblijfsklimaat gerealiseerd worden; appartementen passen daar minder goed in. Bovendien zijn appartementen, vanwege de infrastructurele ontwikkelingen in de omgeving (met name de viaducten van de Rijnlandroute) ook minder passend. (omdat uitzicht daarop niet bevordelijk is voor een aantrekkelijk recreatief verblijf in Vlietland).

De ontwikkeling zorgt ook voor een heldere functionele indeling van het gebied. De functies verblijfsrecreatie en horeca worden gescheiden. Dat betekent dat ter plaatse van recreatiepark een rustiger klimaat gecreëerd wordt; de reuring wordt geconcentreerd in het zuidelijk plandeel.

Programma

Om aan te sluiten bij de eisen van hedendaagse recreanten maakt voorliggend bestemmingsplan een kwaliteitsverbetering ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan mogelijk. In paragraaf 2.2.3 is deze behoefte beschreven.

Recreatiewoningen

De 120 gestapelde recreatiewoningen uit het vigerende plan worden vervangen door grondgebonden recreatiewoningen. Door het omzetten van gestapelde recreatiewoningen naar grondgebonden recreatiewoningen vindt er een lichte stijging van het totaal bebouwd oppervlak (footprint) van recreatiewoningen plaats. In plaats van 14.660 m2 in het vigerende bestemmingsplan, maakt dit bestemmingsplan 17.760 m2 aan bebouwd oppervlak van recreatiewoningen mogelijk. Verder zullen er centrale voorzieningen, zoals een receptie, gerealiseerd worden. Deze zijn nodig voor een moderne exploitatie van het vakantiepark. Hiervoor is een footprint van 850 m2 voorzien. Daarnaast is er één bedrijfswoning toegestaan. Gerelateerd aan de omvang van de gronden die bestemd zijn voor de met water omgeven eilanden ten behoeve van de recreatiewoningen (219.032 m2) is de toename van de hoeveelheid bebouwde grond ten behoeve van het grondgebonden realiseren van alle recreatiewoningen en de realisatie van de centrale voorzieningen slechts 1,8 %. Daarbij wordt opgemerkt dat het oorspronkelijke plan uitging van meer bebouwing. Daarin was immers een indoor tennisbanencomplex en een clubhuis voor een golfbaan gepland. Deze functies, met een footprint van in totaal 1.200 m2, zullen niet meer gerealiseerd worden.

Horeca

In het vigerende bestemmingsplan waren meerdere horecavoorzieningen binnen het plangebied mogelijk (twee restaurants met voorzieningen bij de recreatiewoningen en een restaurant met voorzieningen bij het zwemstrand). In het voorliggende plan worden deze restaurants met voorzieningen geclusterd in het restaurant bij het zwemstrand in het zuidelijk deelgebied. Dit restaurant ligt daarmee op een goede en attractieve locatie waarbij men uitkijkt over het water aan het strand en ligweides. Daarnaast is dit restaurant goed te bereiken via de interne ontsluitingsweg van Vlietland, de Rietpolderweg, en kunnen bezoekers met de auto deze parkeren op de (huidige en nog te realiseren) grote gratis parkeerterreinen naast en vlakbij het restaurant. Bij dit restaurant worden ten behoeve van de verhuur van watersportartikelen ook ligplaatsen gerealiseerd.

Het vigerende bestemmingsplan biedt verder de mogelijkheid om binnen 200 meter van het zwemstrand maximaal twee gebouwen ten behoeve van horecabedrijven en sanitaire voorzieningen mogelijk worden opgericht van maximaal 100 m2. Deze mogelijkheid blijft gehandhaafd. Vooralsnog zijn deze voorzieningen voorzien als uitgiftepunten bij het Aquapark, ten westen van het nieuwe restaurant, en ten zuiden van de spartelvijver.

Het nieuwe restaurant krijgt een maximale oppervlakte van 2.000 m2 bvo.

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste maatvoeringen per functie weergegeven.

Tabel 4.1 Overzicht programma nieuwe planologische regeling

Functie   Aantal   Grondoppervlakte   Inhoud  
Recreatiewoningen (grondgebonden)   222   17.760 m2   500 m3  
Bedrijfswoning   1     650 m3  
Ondersteunende voorzieningen     850 m2    
Horeca voorzieningen   2.000 bvo   900 m2    

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de waterhuishouding, het bodemsysteem, verkeer en parkeren, luchtkwaliteit, geluid, natuurbescherming, externe veiligheid, gezondheid, kabels en leidingen, duurzaamheid en m.e.r. beoordeling. Per onderdeel is achtereenvolgens ingegaan op de huidige situatie, de toekomstige situatie en de wijze waarop met dit ruimtelijk plan de toekomstige situatie juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt.

5.2 Water

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Water- en rioleringsplan Leidschendam- Voorburg 2016-2021 dat op 15 december 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Gemeente

  • Water- en rioleringsplan Leidschendam- Voorburg 2016-2021

Hoogheemraadschapsbeleid

Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Keur en uitvoeringsregels

Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.

Gemeentelijk water- en rioleringsplan 2016 - 2021

Het WRP geeft een beschrijving van de watervisie over de lange termijn heen voor zowel het oppervlaktewater, het grondwater als het regen- en afvalwater. De strategie om de gemeente voor te bereiden op de klimaatverandering, het verbeteren van de scheiding van afvalwaterstromen en de verbetering van de waterkwaliteit is beschreven. Het document bevat prestatie indicatoren om de voortgang meetbaar te maken. Daarnaast bevat het plan de verplichte onderdelen van de rioolonderhoud en vervangingsplanning gedurende de planperiode.

Riolering en afkoppelen 

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk Water- en rioleringsplan (WRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat momenteel uit een recreatiegebied dat voor een groot deel is ingericht als ligweide met bosschages. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onverhard

 

Bodem en grondwater

Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Op de kaart is te zien dat de bodem van het plangebied bijna geheel uit water en bebouwing bestaat (figuur 5.1). In de directe omgeving van het plangebied is er sprake van Kleidek op veen, klei op veen en lichte klei met homogeen profiel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0013.png"

Figuur 5.1 Uitsnede kaart bodemsoort (plangebied rood omcirkeld) (bron: Bodemkaart)

In de omgeving van het plangebied zijn twee grondwatertrappen aanwezig, grondwatertrap II en III (zie figuur 5.2). Voor beide grondwatertrappen geldt een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van minder dan 40 cm onder maaiveld. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) schommelt tussen de 50 en 80 cm onder maaiveld voor grondwatertrap II en de grondwaterstand schommelt tussen de 80 en 120 cm onder maaiveld voor grondwatertrap III. De hoogte van het maaiveld varieert tussen circa 30 cm onder NAP en circa 60 cm boven NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0014.png"

Figuur 5.2: Uitsnede kaart grondwaterstanden (plangebied rood omcirkeld) (bron: Bodemkaart)

Waterkwantiteit

Binnen het plangebied zijn verschillende overige watergangen aanwezig (Zie figuur 5.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0015.png"

Figuur 5.3 Uitsnede Legger Oppervlaktewater (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Mogelijk kan dit plan bijdragen aan de krw doelstellingen door de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied ligt binnen de beschermingszone en de kernzone van een regionale waterkering, zie figuur 5.4. Er is geen aanleiding dat de nieuwe inrichting van het boezemwater leidt tot verschuivingen van de waterkeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0016.png"

Figuur 5.4 Uitsnede legger regionale waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)

Toekomstige situatie

Waterkwantiteit

In de nieuwe inrichting wordt het boezemwater van Vlietland doorgetrokken in het plangebied, waardoor zo'n 2,6 ha aan nieuw boezemwater wordt gerealiseerd.

De omvang van de gronden die bestemd zijn voor de met water omgeven eilanden ten behoeve van de recreatiewoningen is 219.032 m2. De toename van de hoeveelheid bebouwde grond ten behoeve van het grondgebonden realiseren van alle recreatiewoningen en de centrale voorzieningen is daarbij slechts 1,8%.

Ten aanzien van het benodigde wateroppervlak stelt Rijnland als eis dat te dempen watergangen volledig moeten worden gecompenseerd en dat in nieuw in te richten gebieden 15% van

het toegenomen oppervlakte aan verhard oppervlak (daken, wegen en dergelijke) als boezemwater moet worden gerealiseerd. Dit betekent dat aan de norm van waterberging wordt voldaan (minimale eis is 0,45 ha) en dat een overschot aan berging in het boezemstelsel wordt gecreëerd.

In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat 2,6 hectare van de oppervlakte binnen de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie uit water dient te bestaan. Dit water dient aan te sluiten op het huidige watersysteem.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Recreatiepark Vlietland ambieert om een groot deel van de te realiseren oevers, natuurvriendelijk uit te voeren. Hierbij wordt een talud met een gradiënt van 1:3 gehanteerd. Dit draagt bij aan de doelstellingen voor meer natuurinclusiviteit in het plangebied.

Veiligheid en waterkeringen

Binnen de ontwikkeling van Vlietland wordt er gewerkt aan een mogelijke verlegging van het tracé van de boezemwaterkering. Voorgesteld is om deze te verleggen naar de Rietpolderweg en voor een deel naar het bestaande fietspad. Voor eventuele werkzaamheden binnen de kern- en/of beschermingszone dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de 'Keur'.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone van 5 meter niet zonder vergunning van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Klimaatadaptatie

Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van water en groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft.

Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van gebieden, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. Voor het tegengaan van hitte en daaraan gerelateerde verdroging wordt gestreefd naar hittewerende dakbedekking of bouwmaterialen zodat het stedelijk gebied niet verder opwarmt. In het plangebied komt nieuw open water terug. Verder krijgt het gebied een groene invulling. Daarmee wordt een klimaatadaptief klimaat gecreëerd.

Conclusie

Conform de compensatieregels van het Hoogheemraadschap Rijnland wordt er voldoende (2,6 hectare) water aangelegd. Voor de bouw binnen de beschermingszone van een waterkering moet een vergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap Rijnland.

Voor de afvoer van afvalwater wordt er aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering en voor de afvoer van hemelwater wordt de voorkeursvologorde aangehouden.

Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie.

5.3 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek

In 2007 is door onderzoeksbureau Tauw t.b.v. van de uitgifte in erfpacht van de percelen van recreatiepark Vlietland een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder opgenomen.

Grond

In de grond worden voor zowel de boven als de ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. In mengmonsters van de bovengrond worden incidenteel licht verhoogde gehalten met zware metalen en EOX aangetroffen. De mengmonsters van de ondergrond tonen incidenteel een licht verhoogde gehalten aan met PAK, minerale olie en EOX. Voor de percelen 8 en 11 worden geen overschrijdingen aangetoond.

Grondwater

In het grondwater bleken incidenteel matig tot sterk verhoogde chroom en kwik concentraties aangetoond. Deze concentraties zijn na herbemonstering niet meer aangetoond. Deze verontreinigingen worden niet aangetoond in de grond (maximaal S-waarde overschrijdingen) en zijn ook niet te relateren aan het gebruik van het terrein. Een mogelijke oorzaak voor de verhoogde concentraties is een verstoring van het chemische evenwicht. Tevens is een meetfout voor met name kwik niet uit te sluiten.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek geen belemmering vormen voor de uitgifte van de percelen in erfpacht.

In het historisch bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat waar geen lokale bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreiniging. Er zijn geen aanwijzingen dat bij de aanleg van Vlietland (slootdempingen en ophogingen) anders dan onverdachte, gebiedseigen grond is gebruikt.

5.4 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Er is geen specifieke wetgeving met betrekking tot het aspect verkeer en vervoer. Wel wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening de aanvaarbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid in beeld gebracht. In de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte, diverse regionale en provinciale verkeer- en vervoersplannen en jurisprudentie is de toepassing van een mobiliteitsscan (ook wel 'Mobiliteitstoets' genoemd) als beleid opgenomen. In het kader van de Mobiliteitsscan wordt onderbouwd dat:

  • op een zorgvuldige wijze naar de mobiliteitsaspecten is gekeken;
  • er (indien nodig) tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om een goede ontsluiting en bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid te garanderen voor gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer.

De parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling kan worden berekend aan de hand van parkeernormen die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg (2012). Er wordt aangesloten bij de parkeernormen voor buitengebied in een niet-stedelijke omgeving. De parkeernormen hebben een bandbreedte, de gemiddelde waarde wordt daarbij als parkeernorm gehanteerd. Bij het berekenen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). Hierbij worden dezelfde uitgangspunten als bij de parkeernormen gehanteerd.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Vlietland wordt vanuit het noordoosten via de Hofvlietweg ontsloten op rijksweg A4 (Amsterdam - Den Haag, toe- en afrit "Vlietland", afslag 7) en op de N206 (Leiden-Zoetermeer, plaatselijk bekend als de Europaweg). In Vlietland zelf bevindt zich een weg in de vorm van een halve cirkel, de Rietpolderweg, die naar de parkeerterreinen en interne ontsluitingswegen leidt. Deze weg heeft een functie als erftoegangsweg en zal binnen het recreatiegebied een maximumsnelheid van 30 km/h krijgen. Om vanuit Leidschendam of Voorschoten met de auto in het noordelijk deel van Vlietland te komen, dient men op de rijksweg A4 de afslag nummer 7 Leiden/Zoeterwoude-Dorp/Vlietland/Voorschoten te nemen of gebruik te maken van de N447 (Voorschoten-Leiden) en de N206.

In de toekomst zal nieuwe N434 (onderdeel van de Rijnlandroute) ten noorden van het recreatiegebied aansluiten op de A4. Dit is een volledige aansluiting, wat betekent dat automobilisten vanuit alle richtingen alle kanten op kunnen. De nieuwe aansluiting gaat met fly-overs over de A4 heen. Het plangebied is na deze ontwikkeling nog steeds voor gemotoriseerd verkeer bereikbaar via de Hofvlietweg.

Om het zicht vanaf recreatiegebied Vlietland op de Rijnlandroute en de 14 meter hoge viaducten daarvan te beperken komen er langs de rand van de Rietpolderweg (de rondweg van Vlietland) aarden wallen met begroeiing. Deze wallen hebben tevens een geluiddempende functie. De provincie Zuid-Holland heeft zich gecommitteerd om langs de Rijksweg A4 ter hoogte van Vlietland en de Vogelplas Starrevaart een adequaat geluidwerende groene voorziening aan te leggen die ook geluidsabsorberend zal zijn.

Langzaam verkeer

Fietsers (en voetgangers) kunnen het gebied eenvoudig vanuit alle richtingen bereiken via grotendeels vrijliggende fietspaden. Rond Vlietland zijn ruime, geasfalteerde paden aanwezig. Vanuit Leidschendam is er toegang tot Vlietland via de Oostvlietweg en de Kniplaan.

Vanuit Stompwijk via de Kniplaan en de brug over de A4, via de "brug over de Vliet in het verlengde van de Kniplaan" en de Oostvlietweg vanuit Leidschendam, vanuit Zoeterwoude via de fietstunnel onder de A4, vanuit Voorschoten over de fietsbrug bij de jachthaven en vanuit Leiden via de Vlietweg.

Openbaar vervoer

Het gebied wordt niet per openbaar vervoer ontsloten. De dichtbijgelegen bushaltes bevinden zich aan de Professor Einsteinstraat en de Badhuisstraat te Voorschoten. Dit is op loopafstand (minder dan een kilometer afstand van de brug over de Vliet). De dichtstbijzijnde treinstations bevinden zich in Voorschoten en Leiden (Lammenschans).

Parkeren

De beoogde verdere ontwikkeling van het watersport- en recreatiegebied Vlietland bestaat onder meer uit de ontwikkeling van een verblijfsrecreatiepark van maximaal 222 recreatiewoningen inclusief centrale voorzieningen zoals een receptie en een bedrijfswoning. De in het vigerende bestemmingsplan toegestane horecavoorzieningen op de gronden bij de recreatiewoningen en de gronden bij het zwemstrand worden geclusterd tot een grote horecavoorziening bij het zwemstrand”.

De parkeerbehoefte van de beoogde functies in het recreatiepark kan worden berekend met behulp van de gemeentelijke parkeernormen (zie tabel 4.1). Hierbij worden de verschillende horeca- en voorzieningengebouwen voornamelijk gebruikt door gasten van het recreatiepark (die bij hun recreatiewoning parkeren), waardoor hiervoor geen behoefte is berekend.

Enkel voor het grote horecagebouw is de parkeerbehoefte berekend, omdat deze op zichzelf klanten zal trekken. Hierbij is uitgegaan van het maximaal mogelijke bruto vloeroppervlak (2.000 m2 bvo). Er wordt de aanname gedaan dat ongeveer een derde deel van de bezoekers van het horecagebouw alleen voor het restaurant gebruik maakt van de parkeerplaats. De overige gasten komen vanuit het recreatiepark met recreatiewoningen of zijn recreanten van het al bestaande zwemstrand met bijbehorende recreatieve functies. Voor hen zijn geen extra parkeerplaatsen nodig.

Tabel 5.1 Toekomstige parkeerbehoefte plangebied

Functie   Aantal   Parkeernorm   Parkeerbehoefte  
Recreatiewoningen   222 woningen   2,1 per woning   466,2  
Bedrijfswoning   1 woning   2,4 per woning
(incl. bezoek)  
2,4  
Restaurant   2.000 m2 bvo (maximaal)   15 per 100 m2 bvo   (300 * 1/3) = 100  
Totale parkeerbehoefte       569 parkeerplaatsen  

De berekende parkeerbehoefte komt neer op 569 parkeerplaatsen, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden. De parkeerbehoefte van het plan wordt binnen het recreatiegebied Vlietland opgelost. Het parkeren voor het recreatiewoningen wordt binnen het park opgelost, Het parkeren voor het restaurant wordt bij het restaurant opgelost.

Verkeersgeneratie en –afwikkeling

Verkeersgeneratie

De toevoeging van maximaal 222 recreatiewoningen, en de bedrijfswoning aan het plangebied zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie van het plangebied. De recreatiewoningen en bedrijfswoning komen niet in de plaats van huidige functies, daarom wordt enkel de toekomstige verkeersgeneratie berekend. Deze is berekend aan de hand van CROW kencijfers en opgenomen in tabel 4.2. De centrale voorzieningen op het recreatiepark zullen voornamelijk worden gebruikt door gasten van het recreatiepark, de verkeersaantrekkende werking van die functies zal daarom gering zijn en wordt niet meegenomen in de berekening.

Enkel voor het grote horecagebouw (restaurant met voorzieningen) bij het zwemstrand is de verkeersgeneratie berekend, omdat deze op zichzelf klanten zal trekken. Er wordt opnieuw de aanname gedaan dat een derde van de bezoekers hiervan alleen voor het restaurant naar vlietland komt. Het overige deel maakt al gebruik van de bestaande recreatieve voorzieningen of van de toekomstige recreatiewoningen. Zij zorgen niet voor extra verkeersbewegingen van en naar het restaurant.

CROW geeft voor de functie 'restaurant' geen kencijfers verkeersgeneratie. Daarom wordt deze bepaald op basis van de berekende parkeerbehoefte (tabel 5.1). Gelet op de ligging langs de A4 en de functie als restaurant wordt verwacht dat de gemiddelde autobezetting hoog is. In de worstcase situatie zal per etmaal een parkeerplaats een turnover hebben van 2. Dit betekent per parkeerplaats een verkeersgeneratie van 4 mvt/etmaal.

Tabel 5.2 Toekomstige verkeersgeneratie plangebied

Functie   Aantal   Kencijfer   Verkeersgeneratie  
Recreatiewoningen   222   2,7 per woning   599,4  
Bedrijfswoning   1   8,2 per woning   8,2  
Restaurant   2.000 m2 bvo
(maximaal)  
4,0 per pp   (100* 4) = 400  
Totale verkeersgeneratie       1.008 mvt/etmaal  

Op een gemiddelde weekdag zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersgeneratie van 1.008 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Verkeersafwikkeling

De verkeersafwikkeling wordt doorgaans beoordeeld op basis van het aantal motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde werkdag. De drukste dag recreatieparken is doorgaans op vrijdag, op die dag wisselen veel recreatiewoningen van gasten. Ook op maandagen vinden er vaak wisselingen plaats. De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag is 1,1 (CROW publicatie 272). Dit betekent een verkeersgeneratie van 669 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag.

Voor recreatieparken zijn de drukste dagen de wisseldagen. Dit zijn de dagen waarop veel recreatiewoningen van gasten wisselen. De wisseldagen van recreatieparken zijn veelal maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag. Gedurende wisseldagen dienen doorgaans de recreatiewoningen voor 10:00 uur te worden verlaten en kunnen nieuwe gasten vanaf 15:00 uur de woning betrekken. De extra verkeersgeneratie van recreatieparken gedurende wisseldagen zal tot een beperkte verhoging van de verkeersintensiteiten op de ontsluitingswegen leiden. Immers zijn er meerdere wisseldagen per week en is er een spreiding over de dag van het aankomend en vertrekkend verkeer. Alhoewel gedurende wisseldagen de etmaalintensiteiten relatief gelijk blijven, zal het genereerde verkeer meer geconcentreerd zijn op de piekmomenten. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie gedurende het maatgevende uur van een gemiddelde werkdag wordt doorgaans aangehouden dat de spitsuurintensiteiten 10% van de etmaalintensiteit bedraagt. Dit betekent dat voor een gemiddelde werkdag gedurende de maatgevende periode de recreatiewoningen 60 mvt/uur genereren. Voor het bepalen van de spitsuurintensiteiten gedurende een wisseldag wordt een worstcase aanname gemaakt. Voor het hanteren van een worstcase aanname wordt uitgegaan dat gedurende een wisseldag alle recreatiewoningen van gasten wisselen. Ervan uitgaande dat beide wisselmomenten 2 uur duren betekent dit een verkeersgeneratie van 669 mvt/uur gedurende de piekmomenten.

Inclusief de berekende verkeersgeneratie van het restaurant en de woning betekent dit een verkeersgeneratie van 1069 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Deze verkeersgeneratie wordt afgewikkeld over de interne ontsluitingswegen en de Rietpolderweg. Vervolgens maken bezoekers van het recreatiepark en restaurant gebruik van de Hofvlietweg op het hoofdwegennet te komen.

Daarbij wordt opgemerkt, dat de functies die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden, in principe al mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan. Dat betekent dat in de wegenstructuur al rekening gehouden is met de komst van deze functies. Gezien de inrichting en capaciteit van de ontsluitingswegen en het feit dat enkel verkeer van en naar het recreatiegebied van de wegen gebruik maken, kan de berekende verkeerstoename zonder knelpunten worden afgewikkeld.

Conclusie

Het beoogde recreatiepark is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer als langzaam verkeer. De parkeerbehoefte van het plan wordt binnen recreatiegebied Vlietland opgevangen en dient te voldoen aan de geldende gemeentelijke parkeernormen. Voor de vakantiewoningen wordt de parkeerbehoefte opgevangen binnen het vakantiepark, voor het restaurant wordt bij het restaurant in parkeergelegenheid voorzien.

Dit bestemmingsplan maakt ten opzichte van het geldende planologisch regime geen nieuwe functies mogelijk; het betreft slechts een herverdeling daarvan. Dat betekent dat er ook geen sprake is van extra verkeersgeneratie ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 5.3: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³  
fijn stof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   Jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan maakt ten opzichte van het geldende planologisch regime geen nieuwe functies mogelijk; het betreft slechts een herverdeling daarvan. Dat betekent dat er ook geen sprake is van extra verkeersgeneratie ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is toch bijdrage aan de luchtkwaliteit toegevoegd.

Bij de ontwikkeling is er sprake van een verkeersgeneratie van 1.008 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,71 µg/m³ en van fijnstof van 0,16 µg/m³ (tabel 4.4). De toename aan NO2 is onder de grenswaarde van 1,2 µg/m³. Het plan draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht.

Tabel 5.4: Worst-case berekening m.b.v. NIBM-tool, bijdrage luchtverontreinigende stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0017.png"

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.6 Natuurbescherming

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming en soortenbescherming

Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide ligt op circa 5,7 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich in het noordoosten aansluitend op het plangebied op een afstand van circa 20 meter (figuur 4.1).

Figuur 4.1 Ligging plangebied (rood omkaderd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland)

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0018.png"

Figuur 4.1: Ligging plangebied (rood omkaderd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland)

Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. De realisatie van de beoogde ontwikkelingen en de daarbij behorende toename van verkeer zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo stikstof is opgenomen in Bijlage 6. Hieruit blijkt dat de beoogde herontwikkeling uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming.

Soortenbescherming

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door ingenieursbureau IDDS B.V. een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 3 toegevoegd. Het bijbehorende veldonderzoek heeft plaatsgevonden op donderdag 20 februari 2020.

Uit de quickscan blijkt dat het voorkomen van beschermde plantensoorten kan worden uitgesloten.

Verder kan de aanwezigheid van broedvogels met beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen worden uitgesloten. In verband met het mogelijk voorkomen van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling buiten het broedseizoen uit te voeren of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen. Verder kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen en vliegroutes voor vleermuizen worden uitgesloten, gebruik van het plangebied door vleermuizen als essentieel foerageergebied kan niet worden uitgesloten.

Daarom is een nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit dit onderzoek komt naar voren dat in het plangebied essentieel foerageergebied is van de gewone dwergvleermuis en de watervleermuis is vastgesteld. Indien wordt gehouden aan het advies in het onderzoek, namelijk om op de gronden van het vakantiepark slechts een beperkt deel van de aanwezige bomen te verwijderen, zou er geen ontheffing van de Wnb nodig zijn om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Gezien het planvoornemen is dit niet haalbaar. Daarom is een ontheffing nodig.

Conclusie

Voor de beoogde ontwikkeling is een ontheffing nodig.

5.7 Geluid

Toetsingskader

Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang.

Recreatiewoningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij zowel 30 km/h-wegen als bij gezoneerde wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd.

Onderzoek en conclusie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van de omliggende wegen op de recreatiewoningen (bijlage 9) betreft de Rijksweg A4, de Hofvlietweg en de nieuwe aan te leggen RijnlandRoute (N434). Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Rietpolderweg.

Conclusies akoestisch onderzoek

Voor de Rijksweg A4 en de RijnlandRoute (N434) geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op een deel van het plangebied overschrijdt. Dit geldt voor zowel een toetshoogte van 1,5 meter als 4,5 meter. Desondanks wordt nergens in het gebied de maximale ontheffingswaarde van 53 dB, die voor nieuwe geluidgevoelige objecten c.q. woningen van toepassing zou zijn, overschreden. Voor de recreatiewoningen kan een dergelijke geluidbelasting acceptabel worden geacht.

Voor de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Hofvlietweg geldt dat de 48 dB contour zich bevindt op een afstand van maximaal 22 en 25 meter uit de wegas of de aansluiting op de Rietpolderweg, bij een toetshoogte van respectievelijk 1,5 en 4,5 meter. De 53 dB contour bevindt zich voor beide toetshoogten op een afstand van maximaal 10 meter.

Voor de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Rietpolderweg geldt dat de 48 dB contour zich bevindt op een afstand van maximaal 10 meter uit de wegas van deze weg. Dit geldt voor beide toetshoogten. De 53 dB contour wordt op een toetshoogte van 1,5 meter nergens overschreden. Bij een toetshoogte van 4,5 meter bevindt deze contour zich op een afstand van maximaal 6 meter uit de wegas.

Er wordt geconcludeerd dat er voor de nieuw te bouwen recreatiewoningen sprake is van een acceptabele geluidsbelasting. Daarnaast is er sprake van een door de provincie aan te leggen grondwal. Deze voorziening zal naar verwachting zorgen voor een reducering van de geluidsbelasting op de recreatiewoningen.

Voor de nieuwe bedrijfswoning wordt geadviseerd om deze op een geluidonbelaste locatie te situeren. Wanneer de bedrijfswoning toch op een geluidbelaste locatie wordt gesitueerd dient een procedure hogere waarde worden doorlopen.

5.8 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Adviesgroep AVIV B.V. een onderzoek Externe veiligheid uitgevoerd (Adviesgroep AVIV B.V., 9 maart 2020, project 204109). Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (bijlage 7 ). Dit onderzoek concludeert de volgende relevante risicovolle bronnen:

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg

A4

De A4 bevindt zich op een afstand van circa 143 meter van het plangebied. Het invloedsgebied wordt bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Het plangebied valt in het invloedsgebied.

Plaatsgebonden risico

Uit de Regeling Basisnet blijkt dat voor wegvak Z7 een plaatsgebonden risicocontour 10-6 is bepaald van 13 m, gemeten vanuit de wegas. De minimale afstand tussen de as van de weg en het plangebied is 143 m. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

Groepsrisico

In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Hiermee wordt voldaan aan art. 8 lid 2b van het Bevt. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op art. 7 van het bevt, dat wil zeggen op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet.

Plasbrandaandachtsgebied

Rond de A4 is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied.

Verbindingsweg A4-A44 (RijnlandRoute)

De beoogde ontwikkeling ligt langs de nieuwe verbindingsweg tussen de A4 en de A44 op een afstand van circa 150 meter. Deze route is nog niet gerealiseerd en niet opgenomen in het onderzoek externe veiligheid van AVIV in Bijlage 7 maar wordt hier apart behandeld. Uit het Inpassingsplan RijnlandRoute (maart, 2016) blijkt dat over de verbindingsweg A4-A44 gevaarlijke stoffen vervoerd zullen worden. In dit inpassingsplan is een verantwoording gegeven inclusief een QRA (kwantitatieve risicoanalyse).

Plaatgebonden risico

Uit de het achtergrond rapport externe veiligheid uit het MER (2e fase) dat hoort bij het inpassingsplan blijkt dat de PR 10-6 contour 0 meter is voor de nieuwe verbindingsweg. Het plangebied ligt hierbuiten.

Groepsrisico

De afstand van het plangebied tot de as van de weg is circa 150 meter. Gezien dit binnen 200 meter is dient de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt te worden. Uit het inpassingsplan RijnlandRoute (maart, 2016) blijkt dat het groepsrisico van de verbindingsweg A4-A44 onder de 0,1 maal de orientatiewaarde ligt. Het hoogste groepsrisico van deze verbindingsweg ligt in het noordelijke gedeelte van de weg en niet bij het plangebied. Een overschrijding van 0,1 maal de orientatiewaarde als gevolg van de beoogde ontwikkeling is onwaarschijnlijk.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de verbindingsweg. In onderstaande tabel zijn de toekomstige jaarintensiteiten van gevaarlijke stoffen per wegvak (in 2023) weergegeven. Voor de personen dichtheid is uitgegaan van de personendichtheden uit het externe veiligheid rapport Vlietland van AVIV in Bijlage 7. Het horecabedrijf ligt op meer dan 200 meter en heeft weinig invloed op de hoogte van het groepsrisico van de verbindingsweg A4-A44. Maatgevend zijn de grondgebonden vakantiewoningen. Hiervoor geldt dat 266 personen overdag aanwezig zijn en 533 in de nachtperiode. De woningen liggen verspreid over een gebied van circa 15 hectare. Dit komt neer op een dichtheid van 36 personen per hectare (533 personen / 15 hectare).

Tabel 5.6 Jaarintensiteit van gevaarlijke stoffen per wegvak (in 2023) bron: Inpassingsplan Rijnlandroute verantwoording groepsrisico, Tauw (2014)

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0019.png"

In de HART worden onderstaande vuistregels gehanteerd voor de toetsing van de oriëntatiewaarde en 10 % van de oriëntatiewaarde voor een autosnelweg. Omdat het aantal GF3 transporten per jaar 736 is, heeft de autosnelweg geen 10-6-contour.

  • Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.
  • Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-4 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-5 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.
  • Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-4 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-5 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.

Over de betreffende wegvak wordt geen LT3, GT4 of GT5 vervoerd. Hierdoor kunnen de vuistregels toegepast worden. Uit het inpassingsplan RijnlandRoute blijkt dat het groepsrisico ten gevolgde van de weg minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Hierdoor hoeft er slechts getoetst te worden of 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De afstand tot de weg bedraagt circa 150 meter en het GF3 vervoer bedraagt 736 per jaar. Uit de tabelen 1-4 en 1-5 uit het HART blijkt dat bij deze afstand (150 meter) en hoeveelheid vervoer (736 transporten) de 10% van de oriëntatiewaarde wordt overschreden bij een dichtheid van 400 personen per hectare bij twijzijdige bebouwing en 600 personen per hectare bij eenzijdige bebouwing. De bevolkingsdichtheid van de beoogde ontwikkeling ligt hier ruim onder (36 personen per hectare). Hieruit kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico onder de 10% van de oriëntatiewaarde ligt. De afstand is voldoende en de personendichtheid laag.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een groepsrisico die hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een verdere berekening is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gemaakt te worden.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

De buisleidingen A-515, A-517, A-560 en W-514-01, hebben een invloedsgebied van respectievelijk 430, 405, 430 en 140 m.

Plaatsgebonden risico

De berekeningen hebben ter plaatse van het plangebied geleid tot een PR 10-6-contour rond aardgasleiding A-517 die door een deel van het plangebied loopt. Een terrein met recreatiewoningen (kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;) is een kwetsbaar object. Kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen de PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee in principe een belemmering voor de ontwikkeling indien de recreatiewoningen over het gehele noordelijk deel van het plangebied worden verdeeld. Echter hebben de Provincie Zuid-Holland en de Gasunie in het kader van de aanleg van de recreatiewoningen een afsprakenkader opgesteld ten aanzien van werkzaamheden in de buurt van de gasleiding. Deze maatregel is inmiddels in werking en deze PR contour is niet meer aanwezig op de locatie alwaar de recreatiewoningen gerealiseerd zullen worden. De bestaande risicocontour van de gasleiding is hiermee niet meer relevant (zie bijlage 7). Daarmee zijn in het hele gebied recreatiewoningen toegestaan.

Groepsrisico

Voor leiding W-514-01 is er geen sprake van een groepsrisico. Het groepsrisico van de aardgasleidingen A-515 en A-560 is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van aardgasleiding A-517 is groter dan 10% van de oriëntatiewaarde in de huidige situatie. In de toekomstige situatie neemt het groepsrisico af tot onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Rietpolderweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Leidschendam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

De fietsweg aan de oostkant van Vlietland die de verbinding vormt tussen de Rietpolderweg en de Kniplaan door de provincie Zuid-Holland geschikt wordt gemaakt om gebruikt te worden als extra calamiteitenroute. In de praktijk worden naast de Hofvlietweg ook de Oostvlietweg, de Overhaalbrug bij de Kniplaan, de Blauwe brug vanuit Voorschoten en de Vlietweg door hulpdiensten gebruikt als route naar en van Vlietland.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen 223 woningen en een horecagelegenheid met eerder genoemde voorzieningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A4 en de verbindingsweg A4-A44 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en een aantal buisleidingen. De invloed van de buisleidingen wordt door technische maatregelen beperkt. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig die niet al benoemd/verantwoord zijn in paragraaf 5.8; Externe veiligheid. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.10 Duurzaamheid

Op basis van het door de gemeente vastgestelde beleid ten aanzien van duurzaam bouwen, (vastgelegd in de Duurzaam Bouwen Nota), wordt bij de realisering van de voorzieningen in het gebied gestreefd naar een duurzame ontwikkeling. In het algemeen betekent dit dat aandacht wordt besteed aan: ecologie, landschap, water en verkeer en parkeren, etc. De meeste van de aspecten zijn bij de betreffende paragrafen aan de orde gekomen. Met name de aspecten energie en duurzaam bouwen worden in deze paragraaf beschreven.

Ruimtelijke inrichting

Bij de openbare inrichting zijn verschillende thema's relevant waarbij per thema meerdere maatregelen kunnen worden onderscheiden, waarvan hier enkele voorbeelden worden aangegeven:

  • bij het aspect energie zijn maatregelen gericht op het verminderen van energiegebruik, het gebruik van passieve zonne-energie en duurzame energie;
  • bij het materiaal in de openbare ruimte wordt zoveel mogelijk voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van materialen als zink, koper en lood en wordt zo veel mogelijk herbruikbare verharding toegepast;
  • water wordt zoveel mogelijk met natuur gecombineerd, getracht wordt verspreiding van vervuiling via het regenwater zoveel mogelijk te voorkomen.

Duurzaam bouwen op gebouwniveau

Vanaf 1 januari 2021 geldt wettelijk voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, dat de vergunningaanvragen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie uitgedrukt met drie indicatoren: de energiebehoefte van het gebouw, het primair fossiele energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie.

De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in het Klimaatplan 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) vastgesteld te streven naar een drastische afname van fossiel energiegebruik en een toename van hernieuwbare energiebronnen als zon, geothermie (aardwarmte), wind en wellicht biomassa, door een energietransitie. Het streven is om in 2050 samen met de (voormalige) regio Haaglanden klimaatneutraal te zijn en om in 2020 een CO2-reductie van 20%, 20% energiebesparing en 20% meer duurzame energie te realiseren. Nieuwe ontwikkelingen kunnen hieraan bijdragen door in de vergunningaanvraag te voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG).

Toetsing en conclusie

Ten tijden van het opstellen van dit bestemmingsplan wordt er gewerkt aan een nieuwe notitie duurzaam bouwen. Voor de bouw van het recreatiepark wordt er op het moment van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment vigerende beleid ten aanzien van duurzaam bouwen.

Binnen het plangebied wordt er rekening gehouden met diverse duurzaamheidsmaatregelen.

Duurzaam bouwen op gebouwniveau heeft betrekking op energie, water, binnenmilieu, omgevingsmilieu en materiaalgebruik.

Ten aanzien van de te gebruiken elektriciteit worden maatregelen genomen om het verbruik zoveel mogelijk terug te dringen, zoals onderzoek naar gebruik van zonne-energie, goede warmte-isolatie, optimaal gebruik van daglicht. Voor water worden maatregelen genoemd als toepassen regentonnen en waterbesparende voorzieningen (kranen, douchekop, toiletdoorspoeling). Maatregelen voor het omgevingsmilieu kunnen onder andere het toepassen van vegetatiedaken en gevelbegroeiing zijn. Ook bij het materiaalgebruik kan bij worden gedragen aan een duurzame omgeving, onder andere door het toepassen van duurzaam geproduceerd hout en andere minder milieubelastende materialen

5.11 Niet gesprongen explosieven

Toetsingskader

Wanneer er graafwerkzaamheden in verdacht gebied plaats moeten vinden, moet een initiatiefnemer dat vooraf aan de gemeente laten weten door een controle verzoek explosieven in te dienen. De gemeente is verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen van niet gesprongen explosieven.

In 2016 heeft AVG een vooronderzoek niet gesprongen explosieven uitgevoerd in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0020.png"

Figuur 5.7: Onderzoeksgebied onderzoek NGE (bron: AVG, 2016)

Onderzoek en conclusie

Op basis van het vooronderzoek heeft AVG een kaart voor verdachte gebieden opgesteld. Hieruit blijkt dat in het noordoosten van het plangebied zich een verdacht gebied bevindt met een loopgraaf uit WOII. Indien er ter plaatse bodemingrepen plaatsvinden, adviseert AVG de gemeente Leidschendam-Voorburg om hier over te gaan tot opsporing van CE.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.VlietlandNoord-ON01_0021.png"

Figuur 5.8: Kaart verdacht gebieden met een loopgraaf(bron: AVG, 2016)

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen zal bekeken moeten worden of er te plaatse van het verdacht gebied loopgraaf bodemingrepen plaats vinden. Als dit het geval is dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Zo niet, dan vormt het aspect NGE geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.12 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek

In de beoogde situatie worden 222 recreatiewoningen, een bedrijfswoning en een horecagelegenheid gerealiseerd. Gezien de tijdelijke aard van de bewoning wordt de verblijfsrecreatie in het plangebied in principe niet beschouwd als milieugevoelige functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang om een beschouwing te geven van de inpasbaarheid.

In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich de A4 en komt de Rijnlandroute te liggen. Daarnaast zal het plangebied ingericht worden als recreatiegebied. Het plangebied kan zodoende worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Nabij het vakantiepark zijn enkele bedrijfsfuncties aanwezig.

Direct ten noorden van het plangebied ligt een jachthaven. Voor een jachthaven geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Aan de richtafstand kan niet worden voldaan. Het is aannemelijk dat dit geluid met name wordt geproduceerd bij de entree van de haven, nabij een eventuele trailerhelling of bij een clubhuis / horecapaviljoen. In dit geval bevinden zich binnen de 50 meter alleen steigers met boten. De functies die geluid produceren bevinden zich op grotere afstand, circa 200 meter van de bestemmingsgrens. Daarmee is sprake van een goede ruimtelijke inpassing.

Met het bestemmingsplan wordt een nieuw horecapaviljoen mogelijk gemaakt. De afstand van de bestemming waarbinnen horeca mogelijk wordt gemaakt tot aan het vakantiepark bedraagt ruim 100 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtstanden die voor een dergelijke functie gelden.

Er worden door de beoogde ontwikkeling geen bedrijven geschaad in hun bedrijfsvoering en er is tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de recreatiewoningen.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de recreatiewoningen sprake is van een goed verblijfsklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of andere bestemmingen aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

5.13 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

• de kenmerken van de projecten;

• de plaats van de projecten;

• de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van recreatieparken en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer, 250.000 bezoekers of meer per jaar, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. De beoogde ontwikkeling blijft (ruim) onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

Op 19 april 2022 is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is (zie Bijlage 11). Ook is daar de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Hoofdstuk 6 Cultureel erfgoed

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk moet worden aangegeven hoe met het cultureel erfgoed wordt omgegaan binnen het plangebied. Hierbij gaat het om archeologie, maar ook om monumenten, beschermde stadsgezichten en waardevolle landschapselementen.

6.2 Archeologisch erfgoed

Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld.

De bij het beleid horende archeologische verwachtingskaart geeft op perceelsniveau inzicht in het voorkomen van bekende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast bevat de kaart een informatielaag met mogelijke diepteligging van de te verwachten archeologie en bodemverstoring. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidskaart: aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is en waar wel.

Deze beleidskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van bouw- en aanlegvergunningen. Het archeologiebeleid van Leidschendam-Voorburg onderscheidt tien verschillende waarden archeologie. Voor dit gebied geldt Waarde-Archeologie 3. Ter bescherming van deze waarden is een dubbelbestemming opgenomen. Daarmee zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van bepaalde activiteiten. Dat betekent dat vooraf een archeologisch onderzoek overhandigd moet worden.

Onderzoek en conclusie

Door RAAP is een archeologisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Op basis van het bureauonderzoek gold de verwachting dat een ophogingspakket van enkele meters dik aanwezig is met daaronder een dik veenpakket, al dan niet afgedekt met kreekafzettingen. Voor deze eventueel aanwezige kreekafzettingen geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen (nederzettingssporen) vanaf de Late IJzertijd. Op het veen kunnen bewoningssporen uit de Bronstijd tot de Late IJzertijd aanwezig zijn; hiervoor geldt een middelmatige archeologische verwachting.

Op basis van de resultaten van het onderzoek en de maximale diepte van de geplande bodemingrepen wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Bij ingrepen dieper dan 3,0 m -Mv dient een karterend booronderzoek bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen toegevoegd te worden. De noodzakelijke boringen zijn inmiddels verricht.

Op basis van het meest recente archeologische beleidskaart geldt voor het grootste deel van het plangebied echter een middelhoge verwachtingswaarde. Er dient daarom voor het hele gebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

6.3 Culturhistorisch erfgoed

Als onderdeel van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (landschapskenmerkenkaart) wordt het plangebied (dat volledig is drooggelegd in 1799) getypeerd als grootschalige groen- en recreatievoorziening.

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig.

Dit bestemmingsplan is een partiële herziening van de beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg. De uitgangspunten voor het plangebied blijven hetzelfde: De ontwikkeling van een grootschalige groen- en recreatievoorziening. Dit bestemmingsplan is in lijn met de cultuurhistorische gebiestypering als onderdeel van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur.

Hoofdstuk 7 Juridische toelichting

7.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch-planologische regeling voor het plangebied. Eerst wordt ingegaan op de planvorm. Vervolgens wordt ingegaan op de vertaling van de regeling op de verbeelding en in de regels. Daarbij wordt ook de achtergrond belicht, waarom tot een bepaalde bestemmingsvorm is gekomen.

7.2 Planvorm

Er is gekozen voor een planvorm met een beperkt aantal bestemmingen. Het plangebied kent twee bestemmingen: Recreatie - Dagrecreatie en Recreatie - Verblijfsrecreatie. De onderliggende regels sluiten zoveel mogelijk aan op het oorspronkelijke plan.

Binnen deze bestemmingen is ruimte voor onder andere recreatiewoningen en horeca. Er is gekozen om de bouw- en gebruiksmogelijkheden in de regels op te nemen. In de regels te lezen wat er ter plekke is toegestaan.

7.3 Verbeelding

Het kaartbeeld is globaal en bestaat uit twee bestemmingen: 'Recreatie - Dagrecreatie' en 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Hierdoor blijft er flexibiliteit voor de precieze inrichting van het park. De regels bij de verbeelding bepalen de verdere uitwerking van het plan. Zo is er bijvoorbeeld een minimaal percentage opgenomen waarvan het grondoppervlak uit water moet bestaan.

Binnen de bovengenoemde directe bestemmingen zijn uiteraard verschillende vormen van gebruik mogelijk.

7.4 Regels

In de regels zijn onder andere de bestemmingsomschrijving, de bouwvoorschriften en de gebruiksbepalingen opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de afzonderlijke hoofdstukken van de voorschriften. Per artikel is een korte uiteenzetting gemaakt waarop dat artikel betrekking heeft en wat er geregeld is.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In het artikel 'Begrippen' worden de definities gegeven van de begrippen die in de bestemmingsplanregels worden gehanteerd. De manier waarop moet worden gemeten, is weergegeven in het artikel 'Wijze van meten'.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In de voorschriften is per bestemming een toepasselijke set bepalingen opgenomen waaruit valt op te maken wat waar wel en niet is toegestaan.

Recreatie - Dagrecreatie (Artikel 3)

Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de centrale horecavoorziening en overige centrale voorzieningen die zijn beoogd bij het zwemstrand (deelgebied zuid). Binnen deze bestemming is één gebouw met een footprint van 900 m2 ten behoeve van horeca toegestaan. De maximale oppervlakte aan horeca bedraagt 2.000 m2 bvo. Tevens is in dit gebouw ruimte voor kantoor- en dienstruimten en ondersteunende detailhandel en dienstverlening.

Deze bestemming is gericht op dagrecreatie en maakt in dat kader de verhuur van watersportartikelen en pleziervaartuigen mogelijk.

Recreatie - Verblijfsrecreatie (Artikel 4)

Een groot deel van de gronden is voorzien van de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie. Binnen deze bestemming zijn dagrecreatieve activiteiten toegestaan. Tevens zijn kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, één bedrijfswoning en centrale voorzieningen (receptie, ondersteunende horeca en detailhandel) mogelijk.

De totale grondoppervlakte binnen deze bestemming moet voor minimaal 2,6 hectare uit water bestaan.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 ( Artikel 5)

Het archeologisch beleid is met deze dubbelbestemming planologisch geborgd. Voor bepaalde activiteiten is op basis van deze dubbelbestemming een aanlegvergunning nodig. Zoals aangegeven in 6.2 is voor deze ontwikkeling al een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Daarmee is de ontwikkeling qua archeologie uitvoerbaar.

Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering (Artikel 6)

De dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering is toegekend aan de bestaande

waterkering in het gebied. De waterkering is door het hoogheemraadschap aangewezen als te beschermen kering. Middels deze dubbelbestemming is de waterkerende functie, naast het gebruik van de betreffende gronden voor andere bestemmingen, geborgd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In hoofdstuk 3 is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze voorkomt dat dezelfde gronden meermaals in aanmerking mogen worden genomen bij het verlenen van (verschillende) vergunningen, waardoor bebouwingsmogelijkheden onbedoeld kunnen worden verruimd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wro. Verder zijn hier algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels en overige regels opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In artikel 11 is het overgangsrecht overgenomen zoals dat in het Bro is opgenomen.

In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de recreatiewoningen en de horeca. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Voor de uitvoering hebben de initiatiefnemers financiële middelen gereserveerd.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De grond is in erfpacht verkregen voor een periode 107 jaar door de initiatiefnemers, van de provincie Zuid-Holland . Door middel van een anterieure overeenkomst is de dekking van de gemaakte kosten verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Vooroverleg

Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening in december 2021 toegestuurd aan alle relevante overlegpartners en overheidsinstanties. In onderstaande paragraaf zijn de ingekomen reacties samengevat en van een antwoord voorzien.

Tennet

Samenvatting

Tennet geeft aan binnen de plangrenzen geen boven- of ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer te hebben. Ze heeft geen opmerkingen op het plan.

Reactie en conclusie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Dunea

Samenvatting

Dunea geeft aan dat ze in het plangebied geen transportleidingen heeft. Ze heeft geen opmerkingen op het plan.

Reactie en conclusie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Vereniging Erfgoed Leidschendam

Samenvatting

In het bestemmingsplan worden geen specifieke historische belangen geraakt, daarom ziet Vereniging Erfgoed Leidschendam af van de mogelijkheid om deel te nemen aan het vooroverleg. Ze vraagt wel aandacht voor het erfgoed dat ontstaan is: de boompartijen. Ze gaat ervan uit dat deze belangen door andere organisaties vertegenwoordigd zijn in het vooroverleg.

Reactie en conclusie

In de planvorming is aandacht voor de groeninpassing. Ten behoeve van de inrichting van het gebied zullen bomen gekapt worden. Er wordt een landschapsplan met beplantingsplan opgesteld, waardoor het recreatiegebied een nieuwe tijdlaag krijgt.

Reactie en conclusie

De reactie leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Gasunie

Samenvatting

De Gasunie bevestigt dat de PR-contour niet relevant is vanwege het afsprakenkader tussen provincie Zuid-Holland en de Gasunie. Ze ziet geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie en conclusie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg

Samenvatting

  • 1. De reactie richt zich op de regels, met name artikel 5. De werkgroep geeft aan dat de terminologie binnen de regels niet consequent wordt gehanteerd. De werkgroep geeft enkele onvolkomenheden in de regels aan.
  • 2. De belangrijkste inhoudelijke opmerking betreft artikel 5. De werkgroep maakt zich zorgen over de vrijstellingsgrond. Ze stelt dat er 222 woningen kunnen worden gebouwd, waarbij geen archeologisch onderzoek plaats zou hoeven te vinden. Ze vreest dat de bepaling teveel mogelijkheden biedt om geen archeologisch onderzoek uit te voeren.

Reactie en conclusie

  • 1. Naar aanleiding van de reactie zijn de planregels nogmaals nagelopen.
  • 2. In dit geval geldt dat op basis van artikel 5.4 een aanlegvergunning nodig is voor de grondwerkzaamheden. Daaronder valt een archeologisch onderzoek.

Reactie en conclusie

Naar aanleiding van de reactie is een redactie op de regels uitgevoerd.

Gemeente Leiden

Samenvatting

De gemeente Leiden stelt in haar reactie de volgende punten aan de orde:

  • 1. Hoe wordt omgegaan met verlies en compensatie van openbaar recreatiegebied in een steeds verstedelijkter regio? En hoe wordt omgegaan met natuurwaarden?
  • 2. Hoe wordt omgegaan met toenemende verkeersdruk en verkeersveiligheid op de aanvoerwegen en -paden. Met name wordt de drukte op de Vlietweg benoemd;
  • 3. De gemeente Leiden vraagt of het autoverkeer via de Hofvlietweg wordt afgewikkeld;
  • 4. de gemeente Leiden vraagt wat er met het Vinkepad gebeurt dat door het plangebied loopt.

Reactie

  • 1. Allereerst wordt opgemerkt dat het hier geen planologisch nieuwe ontwikkeling betreft. De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden zijn anderszins al mogelijk, maar in een enigszins andere vorm en in vergelijking met het vigerende bestemmingsplan zonder wijzigingen voor wat betreft de openbaarheid. De ontwikkeling zorgt ervoor dat het recreatiegebied jaarrond gebruikt kan worden. Hierdoor wordt het maatschappelijk rendement van dit voor intensieve recreatie bestemde deel van Vlietland verhoogd en worden opbrengsten gegenereerd die gebruikt kunnen worden voor (blijvend goed) beheer en onderhoud van Vlietland . In het kader van de ontwikkeling is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit is toegelicht in paragraaf 5.6;
  • 2. In het nu vigerende bestemmingsplan, waarin de doorontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt is, is ingegaan op het aspect verkeer. Hieruit blijkt dat de functies inpasbaar zijn. De Vlietweg is geen ontsluitingsweg voor auto's naar en van Vlietland. In de uitwerking van de plannen wordt uiteraard aandacht besteed aan de verkeersveiligheid;
  • 3. Het autoverkeer wordt uitsluitend via de Hofvlietweg afgewikkeld. Zie ook onder 2. In het vigerende bestemmingsplan is aangetoond dat het verkeer afgewikkeld kan worden;
  • 4. Door het plangebied komt een doorlopende fietsroute die aansluit op bestaande routes.

Reactie en conclusie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Provincie Zuid-Holland

Samenvatting

De provincie stelt in haar reactie de volgende punten aan de orde:

  • 1. Door de bouw van de recreatiewoningen en de aanleg van de wallen zal het aantal parkeerplaatsen verminderen. De provincie vraagt hoe omgegaan wordt met compensatie.
  • 2. in de toelichting ontbreekt een paragraaf over beeldkwaliteit.
  • 3. De behoefte aan grondgebonden recreatiewoningen moet passen binnen de marktbehoefte en marktvraag naar aanleiding van actuele inzichten.
  • 4. Het uitsluiten van permanente bewoning of functiewijziging naar wonen dient expliciet in het bestemmingsplan geborgd te worden.
  • 5. De huidige toegangsweg moet worden omgelegd.
  • 6. Met de komst van grondgebonden recreatiewoningen en het daarmee samenhangend groter ruimtebeslag zal een groot gedeelte van het gebied niet meer openbaar toegankelijk zijn.
  • 7. Provincie Zuid-Holland wijst er op dat voor fiets- en wandelroutes nieuwe obstakels en omwegen in het recreatieve netwerk voorkomen dienen te worden en dat in buffergebieden nieuwe ontwikkelingen bij dienen te dragen aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
  • 8. Onduidelijk is wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie in het gebied. Provincie Zuid-Holland vraagt om dit inzichtelijk te maken
  • 9. In de toelichting moet worden aangeven of er sprake zal zijn van klimaatrisico's voor het plangebied en welke maatregelen en/of voorzieningen zijn overwogen en/of genomen, met een toelichting op eventuele afwegingen om maatregelen en/of voorzieningen niet te treffen.

Reactie

  • 1. Het betreft hier geen nieuwe planologische ontwikkeling. Op basis van het geldende planologisch regime met onder meer 222 recreatiewoningen is de ontwikkeling van dit gebied al mogelijk. Aan het bestemmingsplan waarin dit voor de eerste keer mogelijk is gemaakt ligt een visie op de doorontwikkeling van het gehele recreatiegebied ten grondslag. De provincie zal nieuwe parkeerterreinen aanleggen ter compensatie van parkeerplaatsen die vervallen als gevolg van de onderhavige herinrichting. De nieuwe ontwikkelingen voorzien in hun eigen parkeerbehoefte. De overige parkeervraag zal op parkeerterreinen elders in het gebied opgelost worden.
  • 2. Een paragraaf beeldkwaliteit wordt toegevoegd.
  • 3. De behoefte aan grondgebonden recreatiewoningen is expliciet onderbouwd in paragraaf 2.2.3 van de toelichting. De behoefte aan grondgebonden recreatiewoningen is opnieuw bevestigd op basis van actuele inzichten uit een marktconsultatie vanuit de iniatiefnemer. Paragraaf 2.2.3 is naar aanleiding van deze overlegreactie aangevuld.
  • 4. Een recreatiewoning is geen reguliere woning. Het permanente bewoning van een recreatiewoning is daarmee altijd strijdig met de bepalingen uit dit bestemmingsplan. Ten overvloede is naar aanleiding van deze overlegreactie een strijdig gebruikregel opgenomen. Daarmee wordt het permanent bewonen expliciet uitgesloten. Toekomstige nieuwe planologische kaders kunnen niet worden uitgesloten; deze worden immers getoetst aan de dan geldende beleidsopvattingen en deze zijn nu niet te voorzien.
  • 5. Provincie Zuid-Holland draagt zelf zorg voor de omlegging van de toegangsweg. Deze aanpassing past binnen het bestemmingsplan.
  • 6. Met de provincie zijn privaatrechtelijke afspraken gemaakt over de mate van openbaarheid. Dat staat los van de keuze van typologie van woningen.
  • 7. In het recreatiegebied zijn diverse fiets- en wandelroutes voorzien. Zoals bij de uitgifte van gronden in erfpacht door de provincie in 2019 is voorzien, mogen delen van het recreatiegebied worden omheind en mag het recreatiewoningengebied afgesloten worden met een slagboom. De fiets- en wandelroutes blijven openbaar toegankelijk.
  • 8. PZH is daarnaast teruggekomen op de ingediende vooroverlegreactie. Bij nader inzien is PZH van mening dat vanwege de diverse ontwikkelingen in het gebied het op dit moment niet realistisch is om een kruispuntberekening uit te voeren. Daarbij is gevraagd om een indicatie van de verkeersdruk van de wisseldagen te geven. Naar aanleiding van deze reactie is in paragraaf 5.4 van het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt wat de wisseldagen als piekmomenten in de verkeersafwikkeling veroorzaken.
  • 9. De klimaatrisico's en eventueel te nemen maatregelen worden opgenomen paragraaf 5.10 van de toelichting.

Reactie en conclusie

Naar aanleiding van de reactie is een paragraaf beeldkwaliteit toegevoegd.

Vereniging Vrienden van Vlietland

Samenvatting

  • 1. In de toelichting worden sommige conclusies weinig robuust onderbouwd. Hierbij wordt verwezen naar de actualiteit van diverse onderbouwingen en het ontbreken van de consequenties van de pandemie.
  • 2. Goede argumentatie van de toename van het bebouwd oppervlak 'footprint' binnen het plangebied ontbreekt. Daarnaast is de relatie van de toename van het bebouwd oppervlak met de openbare toegankelijkheid van het gebied niet duidelijk.
  • 3. Er wordt verzocht om regels ten aanzien van de bescherming van natuurwaarden op te nemen in het bestemmingsplan.

Beantwoording

  • 1. Dit bestemmingsplan betreft een doorontwikkeling van het reeds planologisch mogelijke recreatiewoningengebied. In paragraaf 2.2.3 van de toelichting is de vraag naar grondgebonden recreatiewoningen beschreven. Tijdens de pandemie ontstond juist een stijging in de vraag naar grondgebonden recreatiewoningen.
  • 2. De onderbouwing van de stijging van de maximaal bebouwde footprint ten opzichte van het vigerende plan is opgenomen in paragraaf 4.2 van de toelichting. In het recreatiegebied zijn diverse fiets- en wandelroutes voorzien. Zoals bij de uitgifte van gronden in erfpacht door de provincie in 2019 is voorzien, mogen delen van het recreatiegebied worden omheind en mag het recreatiewoningengebied afgesloten worden met een slagboom. De fiets- en wandelroutes blijven openbaar toegankelijk.
  • 3. De regels uit het vigerende bestemmingsplan zijn als uitgangspunt genomen. In de planvorming wordt voldoende rekening gehouden met ecologische en natuurlijke waarden. Aanvullende regels ten aanzien van de bescherming van natuurwaarden zijn geen onderdeel van dit bestemmingsplan. In het kader van de ontheffing Wet Natuurbeschermingworden maatregelen in het gebied getroffen. Deze maatregelen zijn in dat kader al geborgd.

Veiligheidsregio Haaglanden

Samenvatting

  • 1. In de toelichting van het bestemmingsplan staat omschreven dat in samenspraak met de provincie Zuid-Holland en de Gasunie een afsprakenkader is opgesteld met betrekking tot een aantal bronmaatregelen voor de hogedruk aardgasleiding A-517 waardoor de PR 10-6/jr.-contour komt te vervallen en het realiseren van de recreatiewoningen op deze locatie mogelijk is. De veiligheidsregio wijst erop dat deze conculusie niet is verwerkt in het onderzoek externe veiligheid en adviseert om het onderzoek hierop te laten actualiseren.
  • 2. De aanwezige calamiteitenroute voldoet niet aan de eisen gesteld door Brandweer Nederland. Geadviseerd wordt om een overleg met de VRH in te plannen om de genoemde knelpunten met elkaar te bespreken.
  • 3. De veiligheidsregio adviseert diverse maatregelen om de zelfredzaamheid van de aanwezigen in het recreatiegebied te verbeteren.

Reactie

  • 1. Gasunie en de provincie Zuid-Holland (grondeigenaar) hebben een overeenkomst gesloten teneinde een PR contour te doen verminderen om de realisatie van een recreatiegebied in Vlietland mogelijk te maken. Deze maatregel is inmiddels in werking en deze PR contour is dus niet meer aanwezig op de locatie alwaar de recreatiewoningen gerealiseerd zullen worden. Deze conclusie wordt zowel in het rapport Externe Veiligheid en als in de toelichting van het bestemmingsplan verwerkt.
  • 2. De wegen met bruggen en sloten richting recreatiegebied Vlietland worden geschikt gemaakt voor de zwaarste brandweerwagens. De Hofvlietweg wordt hiervoor geschikt gemaakt middels een versteviging van de bermen. Buiten het bestemmingsplan wordt een calamiteitenroute in Vlietland gerealiseerd door aanpassing van een bestaande route (onder meer door het aanpassen van de draagkracht van bruggen en de verbreding daarvan). Deze aanpassingen zullen in opdracht van de provincie worden uitgevoerd en zijn ruim op tijd gereed voor de in gebruik name van het recreatiewoningenpark (namelijk in 2022).
  • 3. De geadviseerde maateregelen worden meegenomen in de planuitwerking van het recreatiewoningengebied.

Reactie en conclusie

Het onderzoek externe veiligheid wordt aangepast en dit wordt vervolgens in de toelichting van het bestemmingsplan verwerkt.

Hoogheemraadschap van Rijnland

Samenvatting

  • 1. De zones van de (aangepaste) waterkering zijn nog niet aangegeven op de plankaart. Het hoogheemraadschap verzoekt om deze alsnog op te nemen.
  • 2. Het hoogheemraadschap verzoekt om de regels met betrekking tot dubbelbestemming waterstaatswerken/waterkering op te nemen.
  • 3. Het hoogheemraadschap stelt enkele tekstuele aanpassing in de toelichting voor.

Beantwoording

  • 1. De zones van de waterkering worden opgenomen op de plankaart.
  • 2. De regels met betrekking tot de waterkering worden opgenomen in de regels.
  • 3. De voorgestelde tekstuele aanpassingen worden overgenomen in de toelichting.

Reactie en conclusie

De toelichting, regels en plankaart zijn aangepast conform de verzoeken van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

8.2.2 Zienswijze

Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven.

8.2.3 Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.