direct naar inhoud van Regels
Plan: Bisonspoor P2 en P3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1904.BPBisonspoorP2MRS-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

Het bestemmingsplan "Bisonspoor P2 en P3" van de gemeente Stichtse Vecht met identificatienummer NL.IMRO.1904.BPBisonspoorP2MRS-VG01;

1.2 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en bijlagen;

1.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 Autovakgarage

locatie waar activiteiten omtrent het repareren en/of in elkaar zetten van auto's plaatsvinden;

1.6 Bebouwing

één of meer bouwwerken;

1.7 Bebouwingspercentage

het percentage van het oppervlakte van het bouwvlak dat op grond van de regels en/of verbeelding mag worden bebouwd;

1.8 Bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren, verhandelen en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

1.9 Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.10 Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11 Bestaande situatie

bij bebouwing: een legaal bouwwerk dat op het moment van ter inzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van de ter inzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders bepaald;

bij gebruik: het legale gebruik dat bestaat op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, danwel nadien kan worden gebruikt krachtens een verleende vergunning, tenzij in de regels anders bepaald;

1.12 Bouwaanzicht

de twee-dimensionele planologische ruimte tussen de uiterste bouwgrenzen van een bouwperceel, het peil en de maximale bouwhoogte;

1.13 Bouwen

het plaatsen, slopen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.14 Bouwgrens

de grens van een bebouwbaar gebied;

1.15 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen met uitsluiting van een onderbouw of een zolderverdieping;

1.16 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.17 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18 Commerciële functie

functies gericht op handel en/of het maken van winst;

1.19 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een bedrijfs- of beroepsactiviteit;

1.20 Dienstverlening

een (naar openingstijden grotendeels) met een winkel vergelijkbare onderneming die is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren, zoals reisbureaus, kapsalons, banken en (para) medische dienstverlening zulks met uitzondering van horecaondernemingen en erotisch getinte horeca;

1.21 Dove gevel
  • een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB Lden, alsmede;
  • een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte;
1.22 Eigen terrein voor parkeren

de gronden met de functieaanduiding 'parkeergarage' en aangrenzend aan het plangebied, de gronden van het winkelcentrumgebied Bisonspoor, onder andere de parkeergarage op het voormalige P1 terrein, met uitzondering van het openbare gebied;

1.23 Erf

een al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en de bestemming deze inrichting niet verbiedt;

1.24 Evenement

één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak zoals een sportmanifestatie, herdenkingsplechtigheid, braderie, optocht (niet zijnde een betoging), (buurt)feest, muziekvoorstelling;

1.25 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26 Geluidluwe buitenruimte

een buitenruimte waar de geluidbelasting niet meer mag bedragen dn 53 dB Lden vanwege elke te onderscheiden verkeersweg én 60 dB Lden vanwege het spoor;

1.27 Geluidluwe gevel

een gevel waar, ten gevolge van elke te onderscheiden weg, de geluidbelasting niet hoger is dan 48 dB Lden, én de geluidbelasting ten gevolge van het spoor niet hoger is dan 55 dB Lden;

1.28 Hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.29 Hoogteaccent

een deel van het gebouw dat hoger is dan het overige deel van het gebouw;

1.30 Hoogtescheidingslijn

een op de verbeelding binnen een bouwvlak aangegeven lijn waarmee de scheiding tussen twee binnen dat bouwvlak aangegeven hoogteaanduidingen wordt weergegeven;

1.31 Horeca(onderneming)

een onderneming die in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie.

De volgende specifieke vormen worden onderscheiden, waarbij in het kader van dit bestemmingsplan geen discotheken zijn toegestaan. Bij de begrippen is een categorie-indeling aangegeven welke in de regels wordt gebruikt:

Categorie h1: (winkel)ondersteunende horeca waaronder verstaan wordt:

een onderneming, die qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 21.00 uur heeft, zoals een dagcafé, lunchroom, koffiecorner en ijssalon;

Categorie h2: bed& breakfast, pensionbedrijf waaronder verstaan wordt:

een overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt en waarbij het verstrekken van consumpties eventueel op een klein terras van ondergeschikte betekenis is, waarbij een bed & breakfast gevestigd is in een woning of bijgebouw van een woning en wordt gerund door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning;

Categorie h3: hotel waaronder verstaan wordt:

een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en eventueel het ondergeschikt exploiteren van zaalaccommodatie en het ondergeschikt verstrekken van voedsel en dranken;

Categorie h4: restaurant/eetcafé waaronder verstaan wordt:

een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waarbij het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; alsmede tot het exploiteren van een ondergeschikte zaalaccommodatie;

Categorie h5: cafetaria/snackbar waaronder verstaan wordt:

een onderneming gericht op het verstrekken aan de verbruiker van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren, welke al dan niet ter plaatse kunnen worden gebruikt;

Categorie h6: zaalaccommodatie waaronder verstaan wordt:

een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is;

Categorie h7: café/bar waaronder verstaan wordt:

een zelfstandige, niet geheel of gedeeltelijk deel uitmakend van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomende bedrijvigheid, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van maaltijden daaraan ondergeschikt is;

Categorie h8: discotheek/dancing waaronder verstaan wordt:

een uitgaansgelegenheid bestaande uit één of meerdere bars en een plek waar je kunt dansen op of luisteren naar (live)muziek;

1.32 (Bedrijfsmatige) Kamerverhuur

de verhuur van ruimte(n) in een (deel van een) gebouw die geschikt is voor of geschikt te maken is voor (nacht)verblijf of een onzelfstandige woonruimte, ongeacht de duur van het verblijf en al dan niet tegen betaling;

1.33 Kantoor

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen / het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord worden gestaan en geholpen;

1.34 Kelder

bouwwerk waarvan het merendeel onder de grond is gelegen;

1.35 Kelderingang

een constructie die dient voor de toegang tot een kelder;

1.36 Kelderkoekoek

een uitgebouwde constructie van beperkte omvang aan de buitenzijde van de kelderwand die dient voor daglichttoetreding en/of ventilatie van de kelder. Als uitgebouwde bak wordt het ook wel een lichtkolk of vossengat genoemd, een lange doorgaande koekoek ook wel een wolfskuil;

1.37 Omgevingsvergunning

een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo);

1.38 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wabo;

1.39 Omgevingsvergunning voor het afwijken

omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c jo. artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wabo;

1.40 Omgevingsvergunning voor het bouwen

omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo;

1.41 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder g van de Wabo;

1.42 Ondergeschikte detailhandel

detailhandel vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen detailhandel hebben en waarvan de detailhandelsfunctie aantoonbaar ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie, waarbij niet meer dan 20% van de totale omzet en/of niet meer dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak met een maximum verkoopvloeroppervlak van 100 m2;

1.43 Ondergeschikte horeca

horeca vanuit vestigingen/voorzieningen (niet zijnde horeca) waarbij deze functie aantoonbaar ondergeschikt is aan de hoofdfunctie zoals een kantine bij een sportaccommodatie;

1.44 Overkapping/luifel/carport

een voor mensen toegankelijk overdekt bouwwerk zonder eigen wanden;

1.45 Perceel

afgedeeld stuk land of water, kavel;

1.46 Perceelsgrens

een grens van een perceel;

1.47 Prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

1.48 Seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon;
  • b. een seksbioscoop of sekstheater;
  • c. een seksautomatenhal;
  • d. een seksclub of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel;
1.49 Sociale huurwoning

een huurwoning als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d van het Besluit ruimtelijke ordening;

1.50 Sport

lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn dan wel bevorderd worden en waarvoor bepaalde regels gelden;

1.51 Straatmeubilair
  • a. bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals:
  • b. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken;
  • c. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame (inclusief de reclame zelf);
  • d. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van niet meer dan 50 m3 en een hoogte van niet meer dan 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen;
  • e. afvalinzamelsystemen;
1.52 Tankstation

benzineservicestation passend binnen SBI2008-code 373.3 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009), met dien verstande dat geen vulpunt voor LPG toegestaan is;

1.53 Verbeelding

de verbeelding van het bestemmingsplan Bisonspoor P2 en P3 bestaande uit het bladen met het nummer NL.IMRO.1904.BPBisonspoorP2MRS-VG01  met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven;

1.54 Verblijfsgebied

gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen;

1.55 Voorgevellijn

een naar de weg of het openbaar gebied gekeerde bouwgrens gevormd door de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw. Bij percelen op de hoek van straten/paden geldt dat langs beide straten/paden een voorgevelrooilijn is gelegen;

1.56 Voorgevel/voorkant

de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een hoofdgebouw of, als het een hoofdgebouw betreft met meer dan één naar het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die architectonisch als de voornaamste gevel kan worden aangemerkt bijvoorbeeld omdat daar de hoofdentree is gelegen;

1.57 Weg

een voor het rijverkeer en ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden;

1.58 Woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.59 Zorgvoorziening

een uitvalsbasis voor (medische) zorgverlening, zoals o.a. huisartsen en apotheken, en dienstverlening op het gebied van (medische) zorg zoals zorgservicepunten, opvang van o.a. kinderen, gehandicapten en ouderen, naschoolse opvang, bureau voor jeugd en gezin, consultatiebureaus en verhuur van hulpmiddelen.

1.60 Zorgwoning

een woning die gekoppeld is aan een zorgvoorziening ten behoeve van de bewoner(s) met een zorgbehoefte.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn;

2.2 Bebouwde oppervlakte van een bouwperceel, bouwvlak of ander terrein

buitenwerks boven peil, met dien verstande, dat de grondoppervlakten van alle op een terrein gelegen bouwwerken worden opgeteld;

2.3 Bebouwingspercentage

het percentage van het bestemmingsvlak, dat ten hoogste bebouwd mag worden met bebouwing, tenzij in de regels anders is bepaald;

2.4 Bedrijfsvloeroppervlakte

binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten, worden opgeteld;

2.5 Bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, (geen gebouw zijnde), met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 Breedte van een bouwvlak

tussen de twee zijdelingse perceelsgrenzen, gemeten in de grens van het bouwvlak of rooilijn;

2.7 Breedte van een bouwwerk

buitenwerks en/of het hart van scheidingsmuren en evenwijdig aan de betreffende gevel;

2.8 Dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.9 Diepte van een bouwwerk (horizontaal)

buitenwerks en/of het hart van scheidingsmuren en haaks op de betreffende gevel;

2.10 Diepte van een (ondergronds) bouwwerk (verticaal)

vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk;

2.11 Goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Met dien verstande dat bij een lessenaarsdak het laagste punt van het dak als goothoogte wordt aangemerkt;

2.12 Inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken;

2.13 Oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van bouwwerk;

2.14 Maaiveldhoogte

de gemiddelde hoogte van de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;

2.15 Ondergeschikte bouwonderdelen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden stoepen, stoeptreden, trappen, funderingen, kelderkoekoeken, erkers, plinten, pilasters, kozijnen, gevel- en kroonlijsten, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt en overige ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt;

2.16 Oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van bouwwerk;

2.17 Peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de door burgemeester en wethouders bij aanvang van de werkzaamheden vastgestelde hoogte van het terrein;
  • c. in/boven water: het gemiddeld waterpeil;
  • d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil.
2.18 Algemene bepaling

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 0,5 m.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Centrum

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maximaal 4.000 m2 netto-vloeroppervlak aan commerciële- en zorgfuncties en dienstverlening, zoals:
    • 1. horeca in de categorieën h1, h4, en h6;
    • 2. detailhandel;
    • 3. sportvoorzieningen in een gebouw, zoals een zwembad/fitnesscentrum;
    • 4. zorgvoorzieningen;
  • b. terrassen, al dan niet overkapt;

en ter plaatse van de aanduiding:

  • c. 'wonen' tevens voor woningen en zorgwoningen op de tweede bouwlaag en hoger;
  • d. 'zorgwoningen' tevens voor zorgwoningen op de tweede bouwlaag en hoger;
  • e. 'wonen' en 'zorgwoningen' mag het totaal aantal woningen niet meer bedragen dan 360 en het totaal aantal zorgwoningen niet meer bedragen dan 100;
  • f. 'parkeergarage' tevens een gebouwde al dan niet ondergrondse parkeervoorzieningen;
  • g. 'speciale vorm van centrum - service station' een tankstation en/of bijbehorende autovakgarage;
  • h. 'laaddock' tevens een al dan niet overbouwde laad- en losruimte voor het winkelcentrum;
  • i. 'politiekantoor' tevens een politiekantoor;

met de daarbij behorende:

  • j. erven;
  • k. groenvoorzieningen en water;
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. overige functioneel met de bestemming 'Centrum' verbonden voorzieningen, zoals pleinen;
  • n. bergingen;
  • o. wegen, voet- en fietspaden;
  • p. parkeervoorzieningen;
  • q. in- en uitritten voor parkeergarages;
  • r. straatmeubilair;
  • s. speelvoorzieningen;
  • t. toegangsportalen van de op de verdiepingen gelegen woningen of voorzieningen;
  • u. geluidswerende voorzieningen zoals een vliesgevel of dove gevel.


met dien verstande dat:

Bij het realiseren van de toegelaten bestemming en/of functies moet worden voldaan aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere grenswaarden en de daarin opgenomen voorwaarden.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken;
  • b. een bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – hoogteaccenten' aanvullend geldt dat:
    • 1. ten hoogste één hoogteaccent is toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 70 m;
    • 2. ten hoogste één hoogteaccent is toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 60 m;
    • 3. overige bebouwing een bouwhoogte heeft van maximaal 28 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – hoogteaccenten' gelden voorts de volgende regels:
    • 1. gebouwen moeten bestaan uit een samengesteld gebouwencomplex van ten minste twee architectonische volumes / hoogteaccenten, zodat sprake is van afwisselende verspringingen in hoogte en wandvorming wordt voorkomen op een bouwhoogte van 28 m en hoger;
    • 2. gebouwen moeten zodanig worden opgericht dat er één of meerdere doorzichten tussen de hoogteaccenten aanwezig zijn, zodat in het bouwaanzicht parallel aan de spoorlijn Utrecht - Amsterdam doorzichten blijven bestaan. De doorzichten moeten samen minimaal 45% van de oppervlakte van het bouwaanzicht parallel aan de spoorlijn bedragen, gemeten vanaf een hoogte van 28 m tot en met 70 m en gemeten over de totale lengte van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccenten'.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overkappingen en luifels mag niet meer bedragen dan 3 m. Indien de overkapping of luifel aansluit aan een gebouw, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag.
3.2.3 Voorwaardelijke verplichting
  • a. Voor de ingebruikname van gronden voor woningen:
    • 1. dienen de Wet geluidhinder, het gemeentelijk ontheffingenbeleid en de voor dit bestemmingsplan afgegeven beschikking hogere grenswaarden in acht te worden genomen;
    • 2. dient voldaan te zijn aan de voorwaarden die zijn gesteld in het geluidsbeleid van de gemeente Stichtse Vecht;
    • 3. is het bouwen van woningen binnen een geluidzone van een weg of het spoor alleen toegestaan als voor de betreffende geluidsgevoelig object een hogere waarde, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, is verleend, dan wel dat dat de geluidbelasting ten gevolge van de Safariweg lager is dan 48 dB Lden én de geluidbelasting ten gevolge van het spoor lager is dan 55 dB Lden;
    • 4. dienen de gevels waar de geluidbelasting vanwege het railverkeer hoger is dan 68 dB Lden als dove gevel te worden uitgevoerd;
    • 5. is het bouwen van woningen alleen toegestaan als de woningen op alle bouwlagen beschikken over een geluidluwe gevel en, indien er sprake is van een buitenruimte, een geluidluwe buitenruimte;
    • 6. dienen de woningen zodanig te worden ingericht dat ten minste 30% van het vloeroppervlakte van de gebruiksruimten, waaronder één slaapkamer, aan zijde van de geluidluwe gevel ligt;
    • 7. mag in afwijking van het bepaalde onder lid 3.2.3 lid a. sub 4 worden afgezien van het bouwen van een dove gevel, als de betreffende gevel gebouwd wordt met toepassing van een afscherming of andere maatregel waardoor de geluidsbelasting vanwege het spoor op de betreffende gevel ten hoogste 68 Lden bedraagt.
  • b. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een gebouw met een bouwhoogte van minimaal 30 m binnen het bouwvlak als bedoeld in 3.2.1 onder a, kan uitsluitend worden verleend als met een windhinderonderzoek is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar windhinderklimaat.
  • c. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning binnen het bouwvlak als bedoeld in 3.2.1 onder a, kan uitsluitend worden verleend indien er een onderzoek naar trillingen is uitgevoerd dat aantoont dat er geen sprake is van onaanvaardbare overlast van trillingen.
  • d. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een gebouw met een bouwhoogte van minimaal 30 m binnen het bouwvlak als bedoeld in 3.2.1 onder a, kan uitsluitend worden verleend indien een bezonningsonderzoek aantoont dat er geen sprake is van onaanvaardbare overlast van schaduwwerking op de omgeving.
  • e. Voor aanvang van de bouw van een politiekantoor ter plaatse van de aanduiding 'politiekantoor' moeten de aanwezige functies tankstation en/of bijbehorende autovakgarage beëindigd en gesaneerd zijn.
  • f. Voor aanvang van de bouw van woningen ter plaatse van de aanduiding 'politiekantoor' moeten de aanwezige functies tankstation en/of bijbehorende autovakgarage beëindigd en gesaneerd zijn.
3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  • 1. het bepaalde in 3.2.1 lid a, ten behoeve van de realisatie van een loopbrug tussen gebouwen aan weerszijde van de Bisonspoor op ten minste 4,5 m hoogte, gemeten vanaf het maaiveld, met een maximale breedte van 6 m;
  • 2. het bepaalde in 3.2.1 lid c, over de vormgeving van het gebouw met betrekking tot het aantal bouwvolumes, bouwhoogten en dergelijke, indien:
    • a. het bouwplan voldoet aan de 45% voorwaarde opgenomen in artikel 3.2.1 lid d. sub 2;
    • b. het bouwplan maximaal één hoogteaccent van 70 m en één hoogteaccent van 60 m bevat en in totaal niet meer dan 3 hoogteaccenten bevat die ten opzichte van elkaar een minimale hoogteverspringing hebben van 10 m en;
    • c. het gebouw passend is in het stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels.
3.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige eenheid van de gebouwde omgeving nadere eisen stellen aan:

  • 1. de plaats, positie, vormgeving, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de visuele en functionele kwaliteit van de aangrenzende openbare ruimte;
  • 2. de plaats, positie, vormgeving, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de gebruikswaarde van belendende panden en percelen met betrekking tot milieuhygiëne, bereikbaarheid, zichtbaarheid, uitzicht, belichting, bezonning en privacy;
  • 3. de plaats, positie, vormgeving, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden;

waarbij telkens het stedenbouwkundig kader en het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels, het toetsingskader vormen.

3.5 Specifieke gebruiksregels
  • a. Voor het totaal aantal te realiseren woningbouwmeters voor het metrage boven de vrijgestelde 12.000 m² gebruiksoppervlakte geldt dat tenminste 30% hiervan voor sociale woningbouw gerealiseerd dient te worden.
  • b. Met in achtneming van artikel 7 onder c dient het parkeren op het 'Eigen terrein voor parkeren' plaats te vinden.

Artikel 4 Waterstaat - Waterkering

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone.

4.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
4.2.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op de in lid 4.1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen;
  • d. verlagen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • g. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen;
  • h. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • i. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • j. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.
4.2.2 Toelaatbaarheid

Het bepaalde in lid 4.2.1 is slechts toelaatbaar indien wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a. de verticale bouwdiepte van ondergrondse parkeergarages bedraagt maximaal 10 m;
  • b. de verticale bouwdiepte wordt niet meegerekend bij het bepalen van de maximale bouwhoogte als bedoeld onder 3.2.1 lid c.;
4.2.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 4.2.1 is niet van toepassing:

  • a. op normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering;
  • b. op andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.
4.2.4 Voorwaarden

Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend een vergunning zoals bedoeld in lid 4.2.1 na schriftelijk goedkeuring van de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Algemene regels

Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht als daarvoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.

6.2 Bestaande afwijkende maatvoering (vervangende bouwregel)
  • a. In die gevallen dat de bestaande, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan;
  • b. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan;
  • c. Ingeval van herbouw is lid a. uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  • d. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.
6.3 Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwonderdelen

De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door:

  • a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen;
  • b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorgevellijn niet meer dan 20 cm bedraagt;
  • c. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame met niet meer dan 50 cm;
  • d. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 50 cm overschrijden;
  • e. balkons, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 2,5 m overschrijden;
  • f. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken (met uitzondering van hellingbanen), voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;
  • g. hellingbanen, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 5 m overschrijden;
  • h. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevellijn met meer dan 1 m overschrijden;
  • i. vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 5 m wordt overschreden;
  • j. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst.
6.4 Ondergrondse bouwregels
6.4.1 Bouwvoorschriften

De bouwregels voor bovengrondse bouwwerken zijn van overeenkomstige toepassing op ondergrondse bouwwerken, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen zijn toegestaan.

6.4.2 Afwijken van de bouwregels voor bouwen buiten bovengronds gelegen gebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.4.1 ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil;
  • b. een kelder mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet minder dan 0,1 m onder het aansluitende afgewerkte terrein zijn gelegen;
  • c. de afstand tot de perceelgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m;
  • d. kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel zijn toegestaan;
  • e. ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen;
  • f. bergbezinkbassins zijn toegestaan op alle gronden binnen het plangebied.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

  • a. Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:
    • 1. seksinrichting, prostitutie of erotisch getinte horecabedrijven;
    • 2. opslag en verkoop van vuurwerk;
    • 3. het gebruik van een (bedrijfs)woning voor meer dan één huishouden;
    • 4. commerciële kamerbewoning/-verhuur;
    • 5. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval en/of bouwmaterialen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
    • 6. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
    • 7. het plaatsen van zeecontainers voor de opslag van goederen.
  • b. Onder een gebruik, strijdig met een bestemming, wordt niet verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen;
  • c. Projecten die binnen dit plangebied worden gerealiseerd moeten voorzien in de noodzakelijke parkeervoorzieningen, waarbij ten minste het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd conform de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage '2' van deze regels. In de gevallen waarin de tabel niet voorziet, stelt het college van burgemeester en wethouders de parkeernorm vast. Met dien verstande dat bij herziening van het gemeentelijk parkeerbeleid van de alsdan geldende parkeernormen bij de toepassing van dit artikellid moet worden uitgegaan.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

8.1 Afwijkingen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor:

  • a. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van maximaal 75 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m;
  • b. afwijkingen van maten, niet zijnde percentages en niet zijnde bouwhoogtes voor hoogteaccenten, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – hoogteaccenten', met maximaal 15%;
  • c. overschrijdingen van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover dat van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover dat noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen niet meer bedragen dan 3 m en het bouwvlak mag niet meer dan 15% worden overschreden;
  • d. de bouw van reclameobjecten met inbegrip van aankondigingborden, gevel- en lichtreclames en gebouwenaanduidingen met dien verstande dat de reclameobjecten geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke situatie en de beeldkwaliteit ter plaatse;
  • e. het oprichten van masten en installaties ten behoeve van (tele)communicatiedoeleinden tot een bouwhoogte van maximaal 40 m waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, met bestaande of nieuw op te richten bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied, met uitzondering van masten en installaties op een gebouw, waarvoor een bouwhoogte van maximaal 3 m geldt;
  • f. het gebruik van gebouwen voor kamerbewoning/-verhuur, mits:
    • 1. er sprake is van langdurige leegstand (langer dan 3 maanden);
    • 2. het gebruik voor kamerbewoning/-verhuur geen ontwrichting van de ruimtelijke omgeving en daardoor overlast tot gevolg heeft;
    • 3. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren;
    • 4. de tijdelijkheid van de kamerbewoning/-verhuur moet aantoonbaar zijn;
  • g. afwijking als bedoeld onder a. t/m f. wordt niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de als gevolg van de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • h. de afwijkingsbevoegdheden mogen niet cumulatief worden gebruikt samen met afwijkingsmogelijkheden uit de afzonderlijke bestemmingen uit hoofdstuk 2 of ten opzichte van een eerder verleende afwijking.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

9.1 Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders zijn, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.6, onder a Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

  • a. het oprichten van niet voor bewoning bestemde bebouwing ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van maximaal 150 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m voor zover niet mogelijk op basis van artikel 8.1 onder a.;
  • b. het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken, met uitzondering van de bouwhoogte, zoals opgenomen in deze regels, met niet meer dan 30%, indien in verband met ingekomen aanvragen omgevingsvergunning waarvan de realisering wenselijk of noodzakelijk is, deze wijzigingen nodig zijn, mits hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit;
  • c. het wijzigen van de ligging van bestemmingsgrenzen, bouwvlakken en aanduidingen, mits hieraan behoefte bestaat en dat het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied niet schaadt en zodanig, dat:
    • 1. de geldende oppervlakte van de bij de wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 15% wordt verkleind of vergroot, en;
    • 2. geen van de grenzen met meer dan 15 m wordt verschoven.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag,
    • 1. mits deze afwijking:
      • naar aard en omvang niet wordt vergroot;
      • gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
      • na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10 %;
  • c. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
10.3 Slotbepaling

Deze regels worden aangehaald als:

"Regels van het bestemmingsplan Bisonspoor P2 en P3".