| Plan: | Ivige Leane 24 te Loënga |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1900.2020oostBPivigel24-vast |
Aan de Ivige Leane 24, nabij het dorp Loënga, staat een oude boerderij die voorheen dienst deed als melkveebedrijf. Het planvoornemen bestaat om deze boerderij, genaamd 'De Sibbe' (dit betekent heel toepasselijk 'een gemeenschap' of 'een groep') om te vormen tot een stadsboerderij waarbij het thema duurzaamheid centraal zal staan. Zo zal stadsboerderij 'De Sibbe' een proeftuin gaan vormen voor duurzame oplossingen met onder andere een voedselbos, een moestuin, een boomgaard, een windboom, zonnebomen en zonnepanelen. Daarnaast biedt het ruimte aan een vergaderzaal, een informatiecentrum, een kaasmakerij en kleinschalige daghoreca met streekproducten. Het zal ook mogelijk zijn om te overnachten op de stadsboerderij waarbij de focus ligt op groepen. Hierbij zal gekozen kunnen worden tussen het kleinschalige kampeerterrein aan de achterzijde van het plangebied of de groepsaccommodatie. Tevens zal er een 'Bêd en Brochje' met twee kamers worden gerealiseerd. De aanleg en het gebruik van het planvoornemen zijn op basis van het geldende bestemmingsplan 'Harinxmaland' niet (volledig) mogelijk. Ook is er binnen het geldende bestemmingsplan geen afwijkings- of wijzigingsmogelijkheid opgenomen om het planvoornemen in zijn geheel mogelijk te maken. Voorliggend nieuw bestemmingsplan maakt het planvoornemen planologisch mogelijk. Hierbij is rekening gehouden met de principes van een goede ruimtelijke ordening.
Het 'Ivige Leane 24 te Loënga' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan opgenomen gronden aangegeven. De regels bepalen een juiste ontwikkeling en beheer van het plangebied. De toelichting hoort bij het plan. Hierin zijn de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten en onderzoeken weergegeven.
Het plangebied ligt ten noorden van Sneek aan de Ivige Leane 24. Het hoort bij Loënga, al ligt dit dorp een eindje verderop aan de andere kant van de provinciale weg (zie figuur 1). De gronden waar de aanleg van het planvoornemen plaatsvindt, zijn kadastraal bekend als gemeente Sneek, sectie H, perceelnummer 568 en 567 (hierna: het plangebied). Perceelnummer 568 is eigendom van de initiatiefnemer en perceelnummer 567 wordt gepacht van de gemeente Súdwest-Fryslân. Een globale weergave van het plangebied is weergegeven in figuur 2.
Figuur 1. Ligging van het plangebied (Bron: Google Earth Pro)
Figuur 2. Globale weergave van het plangebied (Bron: Google Earth Pro)
In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Harinxmaland' (vastgesteld op 11-08-2006). Het plangebied is middels de bestemming 'uit te werken woondoeleinden' planologisch gereserveerd voor de nieuwbouwwijk Harinxmaland. Het plangebied heeft daarbij de aanduiding 'te handhaven woonboerderij' met tevens de aanwijzing 'Beeldbepalende bebouwing'. Het overgrote deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Archeologische waardevolle gebieden'. Op een drietal plaatsen binnen het plangebied is de aanduiding 'Gebieden met archeologische verwachtingswaarde' van kracht. Een uitsnede van de plankaart is weergegeven in figuur 3.
Figuur 3. Uitsnede plankaart van het bestemmingsplan 'Harinxmaland' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar is geen juridisch onderdeel van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 Inleiding
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving
Hoofdstuk 3 Beleidskader
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
Gelegen tussen de weilanden, aan de Ivige Leane 24 ten westen van Loënga, ligt een voormalig agrarisch bedrijf (melkveehouderij) waarvan de bedrijfsactiviteiten zijn gestopt. Toegang tot het perceel vindt plaats door een lange, door bomen omzoomde oprit. Dit is op dit moment de hoofdontsluiting tot het terrein. Rechts van deze oprit ligt een paardenbak (20x40 m, zie nr. 1 in figuur 4) en links een door bomen omringd weiland (2). Aan het eind van de oprit is een woonboerderij (3) gelegen die wordt bewoond door de initiatiefnemers. De nog aanwezige voormalige ligboxenstal (4) op het terrein ligt parallel aan de woonboerderij en is reeds ontdaan van de stalinrichting. Achter de woonboerderij ligt een schuur (5) die op dit moment dienst doet als opslagruimte. Aan de voorzijde van het terrein staat een mestsilo (6) . Langs de achterzijde van het terrein loopt een boezemwater. De gehele westzijde van het plangebied is omringd door bomen. Aan de zuidwestzijde en de zuidoostzijde liggen een tweetal, uit betonplaten bestaande paden die naar de omringende weilanden leiden. Zowel de oost- als de zuidzijde van het plangebied bestaat uit weiland (7).
Figuur 4. Luchtfoto van de situatie op 1-6-2017 (Bron: Google Earth Pro)
Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een stadsboerderij waarbij voedsel, natuur en duurzaamheid een belangrijke rol zullen gaan spelen. Het betreft hier de transformatie van een locatie waarbij gebruikt wordt gemaakt van de reeds bestaande bebouwing. Er worden geen nieuwe gebouwen gebouwd.
Voor het plan is een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt waarin een toekomstbeeld is geschetst. Het is goed mogelijk dat de uiteindelijke invulling anders is, de landschappelijke inpassing geeft de potentie van het gebied weer. De schets is ook te vinden in Bijlage 1.
Het produceren van duurzaam voedsel zal een belangrijke rol gaan spelen op 'De Sibbe'. Dit is terug te zien in de verschillende functies op het terrein. Zo zullen een hoogstamfruitboomgaard en besdragende struiken gepland. Ook komt er een moestuin en een klein voedselbos.
In de voormalige ligboxenstal zijn meerdere functies gedacht. De ene helft van de stal kan opnieuw ingericht worden als verblijfplaats voor de aanwezige dieren en gebruikt worden voor de opslag van werktuigen/materiaal. De stadsboerderij kan kleinschalig dieren houden (paarden, koeien, kippen en schapen). In het midden wordt een doorgang gecreëerd zodat men zicht heeft op het naastgelegen voedselbos. In de andere helft van de ligboxenstal zullen andere ontwikkelingen komen, zoals een digitaal laboratorium voor vertical farming. Een klein deel van de ligboxenstal zal worden benut voor daghoreca. Door het vervangen van de westelijke hoek van de stal door een glazen wand zal er voldoende licht binnen komen. Ook is er een winkeltje met streekproducten in de stal gedacht. De oude melkput zal worden verbouwd, hier kan bijvoorbeeld vergaderzaal komen. De ruimte ernaast, waar vroeger de melktank stond, zal ruimte bieden aan een kaasmakerij. Hier zullen ook de sanitaire voorzieningen komen.
Duurzaamheid gaat een belangrijke functie vervullen op de stadsboerderij. Zo zal het dak van de voormalige ligboxenstal worden belegd met zonnepanelen. In de moestuin wordt een windboom geplaatst. Dit is een kunstmatige boom bestaande uit vele microturbines, die ook bij lichte wind functioneel zijn. In het naastgelegen voedselbos komen een aantal zonnebomen te staan. Net zoals de windboom zijn dit kunstmatige bomen maar dan gericht op zonne-energie. Een impressie van deze 'bomen' is te zien in figuur 5.
Overnachten op de stadsboerderij zal ook mogelijk zijn. De focus ligt hier vooral op groepen. Er zal een groepsaccommodatie worden gerealiseerd die ruimte kan bieden aan groepen tot maximaal 20 personen. Het kleinschalige kampeerterrein dat zal worden aangelegd in de zuidhoek van het plangebied biedt de mogelijkheid tot overnachten in een trekkershut of tent. Een 'Bêd en Brochje' zal daarnaast nog ruimte bieden aan maximaal vijf personen.
Een tweede ontsluiting naar de Ivige Leane zal worden aangelegd ter hoogte van de ligboxenstal, rechts van de paardenbak. Hier wordt ook een parkeerterrein met 27 parkeerplaatsen aangelegd, aan weerskanten van de ontsluiting. Aan de achterzijde van de paardenbak zullen nog eens 11 met graskeien aangelegde parkeerplaatsen komen die als overloop zullen dienen in geval dit nodig zal zijn.
De ronde mestsilo zal voorlopig blijven staan. Het is mogelijk dat deze in de toekomst wordt omgebouwd tot kleinschalig informatiecentrum waarbij het publiek geïnformeerd wordt over het gedachtegoed van 'De Sibbe'. De voornaamste doelgroep zal bestaan uit schoolklasjes die op excursie gaan.
In de toekomst zullen er mogelijk op twee plaatsen nieuwe waterpartijen worden gerealiseerd, maar dit is alleen mogelijk wanneer archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er niks aan de hand is op het gebied van archeologie op die plaatsen.
Figuur 5: Impressie van een windboom en zonneboom (Bron: NewWind R&D en wUrck)
Met deze nieuwe ontwikkeling blijft het karakter van het boerenerf behouden. De voormalige agrarische bebouwing zal niet worden gesloopt maar intern worden verbouwd voor de beoogde functies. Het is de nadrukkelijke wens om de sfeer en inrichting van het boerenerf te behouden.
De huidige beplantingssingels blijven behouden en de karakteristieke glooiing in het oosten van het plangebied zal niet aangetast worden.
Plaatsing
Qua plaatsing van de gebouwen blijft het plangebied grotendeels ongewijzigd.
Hoofdvorm
De hoofdvorm bestaat uit de bestaande boerderij, met daarin de dienstwoning. Deze bouwmassa blijft in stand. Bijgebouwen worden gevormd door de ligboxstal en de kapschuur. Het onderscheid tussen de bestaande hoofdvorm en de ondergeschikte bijgebouwen wordt ook in de nieuwe situatie in stand gehouden.
Aanzichten en opmaak
Het aanzicht van het plangebied zal wijzigen. Er zal meer beplanting worden aangebracht in de vorm van fruitbomen. De bijgebouwen zullen verbouwd worden waardoor het aanzicht in sommige gevallen zal wijzigen (bijvoorbeeld door het plaatsen van ramen en zonnepanelen). Er zal een tweede oprit worden gerealiseerd ten zuidoosten van de bestaande oprit. Hiermee zal de inrichting van het erf, gezien vanaf de weg (de Ivige Leane) veranderen. De oprit zal landschappelijk worden ingepast in het bestaande erf.
Figuur 6. Schets landschappelijke inpassing
De bebouwing in het plangebied zal grotendeels ongewijzigd blijven. De functie en het aangezicht zal wel wijzigen, met de plaatsing van extra ramen en deuren. De verouderde en leegstaande bebouwing zal een opwaardering krijgen en weer in gebruik worden genomen.
Qua beplanting en water zal wel het nodige wijzigen. Op een aantal plaatsen zullen fruitbomen en struiken worden gepland. Het open karakter van het erf zal hierdoor veranderen. Bij de plaatsing van de fruitbomen en het voedselbos is rekening gehouden met de bestaande ruimtelijke structuur van het agrarische erf. Bestaande landschappelijke structuren van het erf worden niet doorsneden.
Aan de zuidzijde van het plangebied zal een nieuwe beplantingssingel worden aangelegd. Dit geeft beschutting aan het kampeerterrein en creëert een natuurlijke afscherming van het erf. In deze hoek van het plangebied zijn ook een nieuwe waterpartij en waterpoel gepland.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:
Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 14 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. De rijksbelangen die van toepassing zijn, zijn beschreven in paragraaf 3.1.3.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Per 1 oktober 2012 is de Ladder als motiveringseis in artikel 3.16, tweede en derde lid van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De Ladder is een instrument waarmee vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar afgestemd worden om zo de ruimte in stedelijke gebieden optimaal te benutten. Per 1 juli 2017 is de Ladder aangepast. De Ladder moet worden doorlopen als sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die in het plan mogelijk wordt gemaakt. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Beoordeling
Het planvoornemen betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Motivering van het planvoornemen aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking is daardoor niet aan de orde.
Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en inpassingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:
Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan het in acht nemen van nationaal belang 13, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. In paragraaf 3.1.2 is ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking, die dient als instrument voor dit nationale belang.
Europees en Rijksbeleid
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Súdwest-Fryslân in het stroomgebied van de Rijn Noord valt.
In het stroomgebiedbeheerplan van de Rijndelta staan de doelen en bijbehorende maatregelen om een goede toestand van oppervlakte- en grondwater te bereiken.
Waterwet
De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening.
Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.
Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening).
Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder (zie paragraaf 4.10).
Nationaal Waterplan 2016-2021
Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (2009) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Ook maken de (vier) stroomgebiedsbeheerplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Zo ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (o.a. de Kader Richtlijn Water) en Rijksbeleid.
Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben hierin specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater.
Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.
Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de Kader Richtlijn Water. De belangrijkste doelen en taken zijn:
Op 13 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten het “Streekplan Fryslân 2007”, genaamd 'Om de kwaliteit fan de romte', vastgesteld. Het streekplan geeft de visie van Gedeputeerde Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan gaat vergezeld met een 'strategische milieubeoordeling', een milieurapport dat op grond van een nieuwe Europese richtlijn is opgesteld.
Als centraal uitgangspunt voor het ruimtelijke beleid kiest de provincie voor een ondeelbaar Fryslân met ruimtelijke kwaliteit. Een ondeelbaar Fryslân benadrukt dat stad en platteland elkaar nodig hebben en elkaar ondersteunen. Een Fryslân met ruimtelijke kwaliteit benadrukt het bovenlokale belang bij het in stand houden en verder ontwikkelen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Bij een duurzame ontwikkeling wordt voorzien in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op de instandhouding en het verder ontwikkelen van aanwezige bodem-, water-, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Wat betreft het platteland moet de vitaliteit en leefbaarheid bewaard blijven, met werk en voorzieningen die passen bij de aard en schaal van het gebied. Het streekplan spreekt zich niet specifiek uit over het plangebied en vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen.
Vooruitlopend op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt, is de provincie Fryslân momenteel bezig met het opstellen van een Omgevingsvisie. Deze zal het Streekplan op den duur vervangen.
Het streekplan bevat een beschrijving van de kernkwaliteiten van cultuurhistorisch erfgoed en landschap. Daarin wordt ook een nadere uitwerking en waardering van deze kernkwaliteiten aangekondigd. Deze zijn verder uitgewerkt in de thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte (2014).
In deze visie worden verschillende deelgebieden onderscheiden, met ieder een eigen cultuurhistorische en landschappelijk karakter. Het plangebied ligt aan de rand van het deelgebied 'Kleigebied Westergo'. Dat blijkt onder meer uit het relatief grote niveauverschil van de bodem in het plangebied. Dit is een oude kwelderoeverwal, die nog zichtbaar is.
De structuurvisie pleit ervoor deze structuren te behouden, het is een karakteristiek kenmerk van het oude landschap. Het streekplan zegt, voor zover het betrekking heeft op het voorliggende plangebied, het volgende:
Daarnaast is het plangebied, als onderdeel van ontwikkelingsgebied Harinxmaland, aangeduid als zijnde 'nederzettingsstructuur - bebouwing (grote kernen en steden)'. Hier sorteerde het streekplan al voor op de ontwikkeling van dit woongebied. Dit krijgt anno 2019 langzaam vorm.
Met het uitvoeren van het planvoornemen wordt de structuur van het landschap niet aangetast. Het planvoornemen is dan ook niet in strijd met de structuurvisie Grutsk op 'e Romte (2014).
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. De verordening is in werking getreden op 1 augustus 2014. De verordening uit 2011 is hiermee integraal herzien. Op 18 februari 2015 is de 1e partiële herziening van de verordening (Romte foar Sinne) en op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is op 28 maart 2018 inwerking getreden.
In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen. Het streekplanbeleid is in het kader van de verordening voorzien van concrete beleidsregels. In de verordening is onder meer de grens tussen het buitengebied en het stedelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het buitengebied. Vanuit de verordening zijn de volgende onderwerpen voor het plangebied van belang:
Artikel 1
Artikel 1.2 Hergebruik vrijkomende (niet-) agrarische bebouwing
Artikel 5
Artikel 5.2 Kampeerterreinen
Artikel 5.4 Dagrecreatieve inrichtingen
Artikel 5.5 Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie
Artikel 5.6 Bijzondere bepalingen recreatieve voorzieningen
Artikel 9
Artikel 9.3 Kleine windturbines
Artikel 1: In artikel 1.2 is bepaald dat stedelijke functies in het landelijk gebied kunnen worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Daarbij kunnen functies als wonen&zorg, dagrecreatie, detailhandel of dienstverlening worden gerealiseerd. Het plan voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld onder 4:
Artikel 5: Het planvoornemen is niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014 en staat de vestiging van nieuwe recreatieve voorzieningen buiten een recreatiekern toe, zolang deze gekoppeld is aan bestaande bebouwing van agrarische bedrijven, bedrijven of woningen, op of bij het erf (kleinschalig kamperen, logies, recreatiewoningen binnen bestaande bebouwing, trekkershutten op het erf en groepsaccommodatie). Dit is beschreven in paragraaf 5.10 van de verordening.
Daarnaast vraagt de Verordening bij nieuwe recreatieve ontwikkelingen om een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing Hiervoor dient een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld te worden volgens de methodiek ‘Nije Pleats’, waarvan de uitvoering zo nodig als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen. Tevens dient in de plantoelichting onderbouwd te worden dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan verbreding of kwaliteitsverbetering van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.3.6. Voor het plan is een keukentafelsessie gehouden, volgens de Nije Pleats methode, met initiatiefnemer, gemeente en stedenbouwkundig bureau, om een landschappelijke inpassing op te stellen. In een tweede sessie is tevens gesproken over de kaders die in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden, waarbinnen de beoogde ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden.
Artikel 9: De Verordening Romte (artikel 9.1.1) staat geen nieuwe windturbines toe, tenzij het (artikel 9.3.1, lid 1) gaat om een ‘kleine windturbine’, niet gelegen in het landelijk gebied. Omdat in dit geval sprake is van ‘bestaand stedelijk gebied’ is een turbine volgens de definitie van ‘kleine windturbine’ mogelijk:
De plaatsing van windbomen past binnen dit innovatieve karakter en is daarmee niet in strijd met de provinciale verordening. Dit bestemmingsplan kan mede gezien worden als de rapportage op bovenstaand
aspect.
Naast het plan om een windboom te plaatsen, is de initiatiefnemer ook van plan om enkele zonnebomen op het terrein te plaatsen. Het gaat hier om een kleinschalig innovatief project wat in ieder geval zal voorzien in de eigen energiebehoefte op het terrein. Restwarmte wordt teruggeleverd.
Met het vaststellen van de 'Erfgoedvisie Silhouet' (juni 2012) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente stelt zich hierbij ten doel om het culturele erfgoed op een evenwichtige, en duurzame manier in stand te houden en draagvlak hiervoor te ontwikkelen.
Op basis van deze visie is de Erfgoednota gemeente SWF 2013-2016 opgesteld, getiteld 'De basis op orde'. Een belangrijk speerpunt van de nota is dat de basis op orde is. Dit betekent dat de gemeentelijke organisatie haar kerntaken op het gebied van erfgoed zorgvuldig uitvoert. Voor een gemeente is het een wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming wat betreft cultuurhistorie.
In het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Dit was al verplicht voor archeologie. Met de Erfgoednota is het gemeentelijk erfgoedbeleid hierop aangepast. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK). De kaart is daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaart aangegeven waarden kaart kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas.
In de Erfgoednota is verder uiteengezet hoe in het kader van bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met het erfgoed. Zo zijn er kaders aangegeven voor de uitvoering van werken, maar ook voor de opzet van de bestemmingsplanregeling. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is daarmee rekening gehouden. Een nadere toelichting hierop staat in paragraaf 4.3.
Het toekomstbeeld is een gemeentelijke samenleving die letterlijk en figuurlijk energie oplevert. Er wordt uitsluitend hernieuwbare energie gebruikt. In de gemeente wordt uitgegaan van de eigen kracht van de mienskip en op basis daarvan worden door samenwerking met diverse partijen en initiatieven uit de samenleving ontwikkelingen tot stand gebracht die positieve energie leveren. In een duurzame samenleving zijn kringlopen gesloten en zo klein mogelijk. Afval is een woord uit het verleden, omdat alle producten als grondstof worden gebruikt. Ruimtelijk beleid en ontwikkelingen hebben als eerste prioriteit behoud en herstel van natuurlijke systemen en biodiversiteit. Hiermee blijven langetermijnfuncties, zoals schone lucht, schoon water en klimaatregulering, gewaarborgd. Duurzaamheid is onlosmakelijk verbonden met de economie en daarom combineren we dit in een ambitie voor een biobased economy. Samen met burgers en bedrijven willen we werken aan een duurzame samenleving.
De gemeentelijke missie voor duurzame ontwikkeling is duurzaamheid voor iedereen in Súdwest-Fryslân praktisch en toepasbaar maken. Samen gaan we op stap naar een duurzame toekomstbestendige gemeente en passen hierbij de volgende spelregels toe:
De strategische doelen die daarbij gesteld worden zijn:
Voor dit bestemmingsplan geeft het beleid een aantal uitgangspunten. Het sluit aan bij bovenstaande punten a, c, d, f, g, h en i. Bij de verdere ontwikkeling van de plannen en aanpassingen van gebouwen of de openbare ruimte in het plangebied wordt het duurzaamheidsbeleid in ogenschouw genomen.
De Welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân 2018 is een harmonisatie van de welstandsnota's van de voormalige gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel, Wymbritseradiel en de betreffende delen van de voormalige en opgesplitste gemeenten Boarnsterhim en Littenseradiel. Deze welstandsnota wordt gebruikt als toetsingskader voor nieuwe vergunningsaanvragen. Naast algemene welstandscriteria bevat de nota ook specifieke criteria voor de tien welstandsgebieden die zijn opgenomen alsmede objectgerichte criteria. De bijbehorende welstandskaarten tonen dat het plangebied onderdeel uit maakt van het welstandsgebied 'Buitengebied'. De bijbehorende criteria voor dit welstandsgebied zijn terug te vinden onder paragraaf 7.1.7 van de Welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân 2018.
Het planvoornemen is niet in strijd met de in de Welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân 2018. Eventuele latere bouwaanvragen worden getoetst aan de geldende welstandsnota.
De horeca is een belangrijk onderwerp binnen de gemeente Súdwest-Fryslân, op het gebied van recreatie en toerisme en op het gebied van veiligheid. Dit beleid schept randvoorwaarden voor een veilig en gevarieerd aanbod van horeca dat tegemoet komt aan de vraag vanuit de verschillende marktsegmenten: jongeren, ouderen, toeristen en winkelend publiek. Met het nieuwe beleid wordt invulling gegeven aan de wettelijke bevoegdheden en worden randvoorwaarden gecreëerd voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving. Daarom zijn in dit beleid beleidsregels en nadere regels opgenomen.
De bestemmingsplannen zijn sturend in de vestigingsverzoeken voor de horeca. Er wordt op verzoek bekeken of hiervan afgeweken kan worden. Er zijn een aantal beleidsnota's die richtlijnen geven en daarmee een toetsingskader zijn met betrekking tot vestiging van horeca, bijvoorbeeld Visie Toerisme en Recreatie.
In eerste instantie zijn er bedrijven waarbij horeca ondergeschikt aanwezig is. Hier wordt per geval bekeken hoe dit geregeld wordt. Daarnaast is sprake van afhaalbedrijven. Dergelijke bedrijven kunnen zich vestigen op locaties met de bestemming detailhandel. In deze zaken wordt immers niet ter plekke genuttigd, maar haalt de klant slechts producten op. Zodra in een afhaalbedrijf echter ook tafels en stoelen worden neergezet onder de noemer van ondergeschikte horeca ontstaat een zaak die zich nagenoeg niet van de reguliere horeca onderscheid. Dit geldt ook voor een verstrekker van snacks. Wanneer sprake is van een reguliere vorm van horeca, dan wordt dit als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen.
De beoogde daghoreca binnen het planvoornemen is van ondergeschikte aard. Het horecabeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân (1 november 2014) staat ondergeschikte horeca onder de volgende voorwaarden toe:
Conclusie
De horecavoorziening voldoet aan alle eisen die hierboven zijn benoemd. Daarmee is het planvoornemen niet in strijd met het horecabeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân.
Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente of de kencijfers van CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Tot voor kort waren de parkeernormen geregeld in de bouwverordening. Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 (op 29 november 2014) is de Woningwet gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op de intrekking van de grondslag voor de stedenbouwkundige voorschriften in een bouwverordening. De stedenbouwkundige voorschriften, zoals het parkeren, moeten nu in het bestemmingsplan zelf geregeld worden.
Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was.
Zowel gemeentelijk parkeerbeleid als de CROW-normen kunnen van toepassing worden verklaard op basis van het bestemmingsplan. Als van een van toepassing zijnde norm wordt afgeweken moet dat goed worden gemotiveerd.
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een Parkeernormennota opgesteld waarin de inhoud van het begrip 'voldoende parkeergelegenheid' is uitgewerkt. Op basis van de Parkeernormennota is te bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft haar eigen parkeernormennota getiteld ‘Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018’. De parkeernormennota is onder andere gebaseerd op CROW publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ en ervaringscijfers (onderzoek naar parkeren in de gemeente). Uitgangspunt vanuit de nota is dat het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen. De parkeerplaatsen moeten voldoen aan de gestelde richtlijnen van het CROW hiervoor. Alle parkeerplaatsen tellen als één mee, uitgezonderd garages bij woningen deze tellen voor een 0,5 parkeerplaats mee. Mocht het niet mogelijk zijn om al het parkeren op eigen terrein op te lossen, dan kan er in redelijkheid gekeken worden of er parkeerplaatsen in het openbaar gebied toegevoegd kunnen worden. Gevolg is wel dat deze op kosten van de aanvrager aangelegd moeten worden en dat deze parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn.
Het plan moet voldoen aan de in de parkeernormennota gestelde voorwaarden. Het parkeeraspect wordt in paragraaf 4.9 nader toegelicht.
Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur.
De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn:
Het planvoornemen draagt bij aan een verbreding van het toeristisch-recreatieve aanbod in de gemeente doordat kleinschalig kamperen mogelijk wordt. Rondom de beleving op de Sibbe staat het verhaal van het boerenerf centraal waarbij er een focus gelegd wordt op een specifieke doelgroep met een interesse voor onder andere duurzaamheid, beleving van de natuur, educatie en het Friese landschap. De nabijheid van de stad maakt De Sibbe als dagrecreatieve functie en kleinschalige horeca/detailhandel zeer geschikt voor de bewoners van Sneek en omliggende dorpen.
De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) was de basis voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven.
Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten:
Het planvoornemen is niet in strijd met de Visie Ruimtelijke Kwaliteit (zie ook paragraaf 2.3).
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden.
Bij dit bestemmingsplan hoort een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd. Elk bedrijfstype heeft een eigen code.
Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een woning, aangehouden moet worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie.
| Milieucategorie | Aan te houden afstand tot woonwijken (zone) |
| 1 | 0 tot 10 meter |
| 2 | 30 meter |
| 3.1 | 50 meter |
| 3.2 | 100 meter |
| 4.1 | 200 meter |
| 4.2 | 300 meter |
| 5.1 | 500 meter |
| 5.2 | 700 meter |
| 5.3 | 1000 meter |
| 6 | 1500 meter |
Toetsing
De dichtstbijzijnde gelegen hindergevoelige functie is het woonhuis van de buren aan de Ivige Leane 26, ten zuidoosten van het plangebied. Het kleinschalige kampeerterrein in het zuiden van het plangebied ligt het dichtst bij dit woonhuis en volgens de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan een camping geclassificeerd worden als een hindergevoelige functie met milieucategorie 3.1 ('Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'). Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 50 meter met betrekking tot geluid. Met een afstand van circa 65 meter tussen de camping en de gevel van het woonhuis wordt er voldaan aan de gestelde richtafstand uit de VNG publicatie. Daarbij kan tevens gesteld worden dat het hier een kleinschalig kampeerterrein betreft. De overige bedrijfsactiviteiten vinden vooral plaats aan de noord- en westkant van het plangebied en vinden op ruime afstand van het woonhuis aan de Ivige Leane 26 plaats, waarbij er geen sprake is van bedrijfshinder.
Conclusie
Met betrekking tot het aspect milieuzonering kan het plan uitvoerbaar worden geacht.
Deze paragraaf gaat over de kwaliteit van de bodem in het plangebied. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bodem zodanig is dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie voor het verblijf van mensen.
Bodemkwaliteitskaart
Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Zuidwest Fryslân vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de kwaliteit van de bodem is aangegeven per deelgebied. De Nota bodembeheer beschrijft het beleid voor hergebruik of toepassen van grond als bodem. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierin leidend. In de nota is ook een vrijstellingenbeleid opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een omgevingsvergunning met de activiteiten bouw. Op basis hiervan kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Er zijn een aantal uitzonderingen waarbij géén vrijstelling kan worden verleend:
Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de locatie geen bijzondere waarde qua bodemkwaliteit toegekend heeft gekregen. er zijn geen redenen voor zorgen omtrent een slechte bodemwaliteit.
Wet bodembescherming
Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit ten minste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.
Toetsing
Op de bodeminformatiekaart beheerd door Rijkswaterstaat is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Dit zogeheten bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die in het verleden zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.
Ook de beschikbare gegevens van het Bodemloket laten zien dat de bodem ter plaatse van het plangebied akkoord worden bevonden. Een bodemonderzoek is vooralsnog niet nodig.
Echter, indien er graafwerkzaamheden plaats vinden in de toekomst en grond wordt van het terrein afgevoerd, dan dient wel een schonegrondverklaring te worden afgegeven. Een bodemonderzoek is dan wél nodig.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van de milieu hygiënische bodemkwaliteit bestaan er momenteel met de beschikbare gegevens geen belemmeringen om het planvoornemen uit te voeren. Er zal echter rekening moeten worden gehouden met een mogelijke verplichting tot nader onderzoek wanneer er een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd waarbij bouwactiviteiten plaatsvinden waarbij grond afgegraven wordt.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt – deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten.
In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan.
Algemeen
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en Ijzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie volgende figuren). Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' terreinen (paars en rood op volgende figuren). Dit betreft voor de periode steentijd-bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode ijzertijd-middeleeuwen vooral terpen. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waarbij voor een deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer) geldt. Vooral voor de periode steentijd-bronstijd geldt er voor een groot gedeelte van het plangebied geen archeologische verwachting (meer).
De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies 'karterend onderzoek' en 'quickscan' hebben gekregen. Dit zijn gebieden met een lagere archeologische verwachtingswaarde.
Steentijd- bronstijd
Figuur 8. Uitsnede FAMKE-kaart, periode steentijd-bronstijd (Bron: FAMKE-kaart)
Voor de periode steentijd-bronstijd geeft de provincie Fryslân het advies karterend onderzoek 3 (steentijd). In deze gebieden komen op enige diepte archeologische lagen voor uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Bij ingrepen groter dan 5.000 m2 wordt aanbevolen een karterend onderzoek uit te voeren (zie figuur 8).
IJzertijd- middeleeuwen
Figuur 9. Uitsnede FAMKE-kaart, periode ijzertijd-middeleeuwen (Bron: FAMKE-kaart)
Vanuit de periode ijzertijd-middeleeuwen wordt het advies gegeven voor het streven naar behoud en naar waarderend onderzoek (terpen) voor het overgrote deel van het plangebied. Ingrepen onder de 50 m2 zijn vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. In dit plangebied bestaat een hoge archeologische verwachtingswaarde en wordt er zoveel mogelijk naar behoud gestreefd. In de noordelijke hoek van het plangebied geldt het advies karterend onderzoek 1 (middeleeuwen). In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een archeologisch onderzoek uit te laten voeren (zie figuur 9).
Uitgevoerd onderzoek
Uit oud onderzoek is gebleken dat hier sprake is van een deels afgegraven terp. Het grootste deel van de terp is vermoedelijk nog wel aanwezig. De voorlopige datering is vanaf midden-ijzertijd. Een gevonden onverbrand bot wijst erop dat de conserveringsomstandigheden voor alle vondstcategorieën, inclusief onverbrand dierlijk en plantaardig materiaal, gunstig zijn. Dit is ook de verwachting op grond van de kleilagen, waarin de vondsten zich bevinden. In deze boringen zijn duidelijke terplagen aangetroffen, waarin onder andere kogelpotaardewerk, (baksteen)puin en fragmenten mortel zijn gevonden.
Toetsing
In het plangebied zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Voor het gebied waar 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek (terpen)' is geadviseerd (zie figuur 9) is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Voor het gebied dat is aangegeven als 'karterend onderzoek 1' is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' opgenomen. Voor deze gebieden geldt een maximale ontgravingsdiepte van respectievelijk 0,3 en 0,4 meter. Diepere graafwerkzaamheden moeten voorafgegaan worden door een archeologisch onderzoek. Ook geldt een maximale oppervlakte van respectievelijk 50 m2 of 500 m2.
Het planvoornemen voorziet nu nog niet in concrete ingrepen waarbij graafwerkzaamheden groter dan 50 m2 of 500 m2 en dieper dan 30 dan wel 40 cm uitgevoerd. Het is dan ook vooralsnog niet nodig om archeologisch waarderend onderzoek uit te voeren voor het beoogde plan. Mochten de gestelde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dan zal een archeologisch onderzoek alsnog plaats moeten vinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de eventuele waterloop en waterpoel in het zuidoosten van het plangebied, of indien de aanleg van parkeerplaatsen graafwerkzaamheden met zich meebrengen. Hieruit moet blijken dat er geen archeologische waarden in het plangebied worden geschaad; anders zullen er eisen worden verbonden aan de omgevingsvergunning.
Conclusie
Wat betreft het aspect archeologie kan het planvoornemen, met inachtneming van bovenstaande, uitvoerbaar geacht worden.
De woonboerderij binnen het plangebied is binnen het geldende bestemmingsplan opgenomen als karakteristiek met een aanduiding 'te handhaven woonboerderij'. Het uitgangspunt van voorliggend nieuw bestemmingsplan is dusdanig dat deze waarden in stand worden gehouden. De bebouwing wordt niet gesloopt en de woonfunctie in de woonboerderij wordt voortgezet.
De Cultuurhistorische Kaart Fryslân heeft veel informatie beschikbaar over de historie van onze leefomgeving. De boerderij aan de Ivige Leane staat geregistreerd als boerderijplaats. Dit geldt ook voor de naastgelegen (voormalige) boerderijen. De locatie is tevens vastgelegd als 'Stinze' of buitenplaats. Ook liggen er enkele verdwenen dijken bij en in het plangebied.
Boerderijplaatsen
Een boerderijplaats geeft cultuurhistorisch gezien veel informatie over het leven van vroeger, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving. We kunnen zo veel leren over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau.
Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie. De kenmerkende onderdelen van de boerderijplaats zijn:
Stins of buitenplaats
De locatie staat geregistreerd als oude stins. De stins is 1538 al gebouwd, maar er is weinig zichtbaar gebleven van de bebouwing uit die tijd. Wel is bekend dat er een relatie was tussen de stins en het klooster Groendijk.
Het Friese woord stins betekent steenhuis. Stinzen zijn verstevigde huizen. In Fryslân ontbraken tot 1500 een centraal bestuur en een landsheer. Belangentegenstellingen en conflicten konden dan ook vaak slechts door eigenrichting en geweld worden opgelost. Dit uitte zich in de aard en spreiding van verdedigbare huizen. Hun grote aantal viel tijdgenoten al op. De categorie stinzen is voor Fryslân belangrijk als uiting van de uitzonderingspositie die Fryslân bestuurlijk had in West-Europa en het historisch belang dat zij daarmee in de ontwikkeling van de provincie vertegenwoordigt.
Landschapstype Middelzeepolder
De stadsboerderij ligt aan de rand van het landschapstype Middelzeepolder Nijland. Deze polder is ontstaan door aanslibbing. De zee zet zeeklei af. Wanneer zo'n buitendijks stuk land groot en hoog genoeg was, legde men er een dijk omheen. Een ander woord voor zeepolder is: bedijking. ‘Oud’: Vanwege hun ontstaan voor of rond de Middeleeuwen. De dijk is verdwenen, maar er zijn bij de stadsboerderij nog sporen van te vinden in het landschap.
Verkaveling: Polderverkaveling
Het gebied in de omgeving van de stadsboerderij heeft van oudsher een polderverkaveling, kenmerkend voor de zeepolders. Deze rechthoekige verkaveling werd gebruikt in nieuw aangewassen en bedijkte gronden, zoals de Middelzee.
Wet- en regelgeving
Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000-gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007.
Soortenbescherming
De bescherming van soorten is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving. Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort.
In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:
De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.
Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij er extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend.
Gebiedsbescherming
De volgende beschermde gebieden liggen in de omgeving van het plangebied:
Effecten
Het plangebied is van geringe omvang en ligt op ruime afstand van natuurgebieden; op circa 4,5 km van het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied (Sneekermeergebied) en op circa 10 km afstand van de meest dichtbij gelegen verzuringsgevoelige beschermde Habitattype (het Natura 2000-gebied Oudegaasterbekken, Fluessen en omgeving). Het is daarom niet aannemelijk dat emissie van het plangebied zal leiden tot een meetbare toename van depositie van NOx op Natura 2000-gebieden.
De afstand ten opzichte van andere beschermde gebieden is ook dermate groot dat effecten op de NNN-gebieden en op natuurgebieden buiten EHS uit te sluiten zijn.
Het aspect stikstof is daarmee voldoende onderbouwd en hoeft niet nader onderzocht te worden.
Soortenbescherming
In het plangebied kunnen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden.
Effecten
Met het vaststellen van het planvoornemen zullen er in het plangebied geen gebouwen worden gesloopt of worden gebouwd. Ook verandert er niks aan de beplanting/bebossing in het plangebied. Daarom kan er voorlopig met voldoende zekerheid gesteld worden dat er geen nadelige effecten op natuurwaarden zullen optreden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Wel kan het zo zijn dat er alvorens een bouwvergunning verleend wordt er verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.
Conclusie
Het planvoornemen kan op het gebied Ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) uitvoerbaar geacht worden.
Wet- en regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Vaak zijn de volgende besluiten relevant:
Toetsing
Uit het kaartfragment van de risicokaart in figuur 10, kan worden opgemaakt dat in de nabijheid van het plangebied, geen risicovolle bronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicovolle bron is buisleiding van de Gasunie op 850 meter afstand. Hiermee valt het plangebied ruim buiten de letaliteitsafstanden van het de buisleiding. Er is dan ook geen sprake van een toename van het risico op de omgeving.
Figuur 10. Uitsnede van de risicokaart met het plangebied ten opzichte van de buisleiding (Bron: Risicokaart.nl)
Conclusie
Wat betreft het aspect externe veiligheid mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht.
In 1979 is de Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. De Wgh is erop gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm. In veel gevallen is deze norm 48 dB, die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Spoorweglawaai (de afstand ten opzichte van de spoorweg is ruim 600 meter) is voor dit planvoornemen niet aan de orde.
Wegverkeerslawaai
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh maakt onderscheid tussen geluidsgevoelige gebouwen/functies en niet-geluidsgevoelige gebouwen. Onder meer (bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone van een zoneplichtige weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, moet met een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegen. Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn:
Toetsing
De woning in het plangebied ligt weliswaar binnen de geluidszone van de Ivige Leane, echter worden er met het uitvoeren van het planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht. De woonboerderij zal ook in de nieuwe situatie bewoond blijven en is daarmee de voortzetting van een functie. De overige functies in het plangebied zijn volgens de Wgh geen geluidsgevoelige objecten. Daarnaast is de Ivige Leane geen drukke doorlopende weg. Het uitvoeren van geluidsberekeningen ten aanzien van wegverkeerslawaai wordt dus niet nodig geacht.
Industrielawaai
Rond bedrijven kan ook sprake zijn van lawaai. Hiervoor is de Wgh óf het Activiteitenbesluit van toepassing. Dit is afhankelijk van of sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein / bedrijventerrein, een regulier bedrijventerrein of individuele bedrijven.
In directe nabijheid van de stadsboerderij zijn geen bedrijven of industrieterreinen aanwezig die voor hinder kunnen zorgen. De stadsboerderij is zelf geen bedrijf waar sprake is van een geluidzone. het is goed verenigbaar met de omgeving en nabijgelegen (toekomstige) woningen ondervinden geen geluidhinder van de activiteiten die zijn toegestaan.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat aanvullend onderzoek naar de geluidsbelasting van wegverkeer op het plangebied niet noodzakelijk is.
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden.
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken door te hoge niveaus van luchtverontreiniging. De wet heeft ook tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als:
Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de hiervoor gestelde grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) wordt als 'niet in betekenende mate' beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.655 voertuigbewegingen van personenwagens of meer dan 141 voertuigbewegingen van vrachtwagens per weekdagetmaal leidt.
Het planvoornemen leidt naar verwachting tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van autoverkeer. Het aantal verkeersbewegingen is echter niet dusdanig groot dat de luchtkwaliteit in het geding zou zijn. Het plan mag dan ook worden beschouwd als een nibm-plan.
Conclusie
Het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
Normstelling
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden beoordeeld. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). De gemeente Súdwest-Fryslân hanteert hiervoor haar eigen parkeernormenbeleid zoals reeds is besproken in paragraaf 3.3.5. De ‘Parkeernormennota SúdwestFryslân 2018’ spreekt zich uit over de meest voorkomende functies. In het geval dat het functies betreft die niet in deze nota worden gemeld wordt er verwezen naar de meest recente CROW publicatie omtrent parkeercijfers waarbij er wordt uitgegaan van een matige stedelijkheid en het cijfer tussen het gemiddelde en maximale parkeerkencijfer wordt gebruikt. Ook wordt er in de ‘Parkeernormennota SúdwestFryslân 2018’ geen rekening gehouden met dubbelgebruik.
Onderzoek
Bij de beoordeling of er voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het plan. Dat betekent dat een eventueel bestaand tekort buiten beschouwing kan worden gelaten. Uitgangspunt van de gemeentelijke parkeernota is dat parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden. Aan dit uitgangspunt zal worden voldaan door 38 parkeerplaatsen te creëren. De ‘Parkeernormennota SúdwestFryslân 2018’ geeft geen parkeerkencijfers voor kampeerterreinen en daarom zijn voor deze functie de gegevens uit CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gebruikt. Uit deze gegevens volgt dat er voor het beoogde kampeerterrein met een maximum van 15 kampeerplaatsen afgerond 19 parkeerplaatsen benodigd zijn. De groepsaccommodatie en B&B kunnen in totaal door maximaal 25 personen gebruikt worden. Voor deze, en de overige ondergeschikte functies op het perceel (bijvoorbeeld het winkeltje of de horeca) zijn nog eens 19 parkeerplaatsen beschikbaar. Gezien de nabijheid van Sneek en de beoogde doelgroep wordt er verwacht dat het overgrote deel van de bezoekers, met name die aan de ondergeschikte functies, per fiets naar de stadsboerderij zal komen. Er kan dan ook worden gesteld dat er met totaal 38 parkeerplaatsen ruim wordt voorzien in de parkeerbehoefte van het planvoornemen.
Verwacht wordt dat er per saldo een toename zal plaatsvinden voor zowel de parkeerdruk als de verkeersgeneratie. Dit aantal is dusdanig laag dat er verwacht wordt dat dit geen nadelig effect op de verkeersveiligheid heeft of verkeershinder veroorzaakt.
In de nieuwe situatie wordt er naast de bestaande ontsluiting een tweede ontsluiting aangelegd. Hiermee zijn het plangebied en de functies beter bereikbaar en kan de logistiek op het terrein goed ingericht worden.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat betreft het aspect verkeer en parkeren uitvoerbaar geacht worden.
Waterwet
Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.
Legger Wetterskip Fryslân
Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones.
Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets
Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte 'Watertoets'. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt.
Watertoets
Ten behoeve van het planvoornemen is op 24 juni 2019 een Watertoets aangevraagd bij Wetterskip Fryslân, waaruit blijkt dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Het resultaat alsmede het bijbehorende advies is in Bijlage 2 opgenomen. De standaard maatregelen zijn hier van kracht.
Uitgangspunten voor het plan wat betreft water zijn:
Conclusie
Het plan zal in het kader van overleg toegestuurd worden aan het Wetterskip. Vooralsnog kan het planvoornemen wat betreft het aspect water uitvoerbaar geacht worden.
De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.
Het planvoornemen bevat geen concreet benoemde activiteit die in kolom D van het Besluit m.e.r. is opgenomen. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht maar een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is wel aan de orde. De in deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen verantwoording ten aanzien van omgevingsaspecten voorziet voldoende in een beoordeling van alle milieuaspecten. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat een MER niet noodzakelijk is.
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.
In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan.
Ook de wijze van meten zal in het bestemmingsplan worden beschreven.
Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – wanneer nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid wordt een vaste volgorde worden gehanteerd.
In het bestemmingsplan van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen gekoppeld, zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc. De volgende indelingen worden bij de gemeente Súdwest-Fryslân gebruikt voor het opstellen van bestemmingsregels.
Artikel (nummer) Bestemmingsnaam
Bestemmingsomschrijving
In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De bestemmingsomschrijving is voornamelijk functioneel, maar bevat ook enkele inrichtingsaspecten.
Bouwregels
In de bouwregels worden de bebouwingsbepalingen voor alle bouwwerken geregeld. Het gaat daarbij onder meer om oppervlakten, hoogten en afstanden ten opzichte van naburige functie(s).
Nadere eisen
Wanneer nodig worden nadere eisen gesteld voor bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen bieden de mogelijk om sturend op te treden wanneer dit nodig is in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. De nadere eisen worden meestal gesteld aan de plaats en de afmeting van bebouwing. Om deze reden en omdat het gaat om een aanvulling op een basiseis, volgt dit onderdeel op de bouwregels.
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen worden genoemd, maar vooral die, waarvan het niet meteen duidelijk is of deze in strijd is met de bestemming.
Afwijken van de gebruiksregels
Hier is aangegeven of en in hoeverre kan worden afgeweken van de gebruiksregels. De voorwaarden moeten objectief begrensd zijn.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Voor het uitvoeren van bepaalde werken en/of werkzaamheden, zoals graven of planten, vereist de gemeente hierin dat een vergunning wordt verleend, voordat hiermee wordt gestart. Ook kunnen deze werken/werkzaamheden worden verboden. Dit is bedoeld om aanwezige waarden (cultuurhistorie, landschap, etc.) te beschermen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan zijn gesteld.
Omgevingsvergunning voor slopen
Volgens artikel 3.3 Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan kunnen worden gesteld. Het gaat meestal over gebouwen die niet zijn aangewezen als rijksmonumenten, provinciale of gemeentelijke monumenten. Op de verbeelding zijn deze panden voorzien van een aanduiding.
Wijzigingsbevoegdheid
Wijzigingsbevoegdheden kunnen gaan over het wijzigen van een functie of van bebouwing. Bij een wijziging van de functie wordt opgenomen naar welke bestemming de wijziging kan plaatsvinden. Het is niet noodzakelijk om in de wijziging aan te geven welke regels van toepassing zijn. De regels zijn automatisch gekoppeld aan de bestemming waarin wordt gewijzigd, behalve in het geval van wijziging in een bestemming die nog niet in het plan zit of als een wijziging in meerdere bestemmingen mogelijk is. In het eerste geval kunnen de randvoorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid zelf worden opgesomd. Hieraan moet bij wijziging worden voldaan. De wijziging die over meerdere bestemmingen plaatsvindt is vaak aangeduid op de verbeelding en geregeld in de algemene wijzigingsregels.
Hierin staan de regelingen over de afstemming met andere regelgeving (waaronder een anti-dubbeltelbepaling) en de algemene procedurebepalingen, afwijkingsregels en/of wijzigingsbevoegdheden. De stedenbouwkundige bepalingen (bijvoorbeeld parkeerbepaling) die vroeger waren opgenomen in de Bouwverordening worden in dit hoofdstuk als algemene bouwregels opgenomen. De algemene regels gelden voor alle bestemmingen, tenzij ze gekoppeld zijn aan een specifieke aanduiding, bijvoorbeeld bij een geluidzone rond een industrieterrein.
Voor de overgangsregels wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij wordt per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in acht te genomen. De formulering van de overgangs- en slotregels is vastgelegd in de landelijke Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de regels voor de bestemmingsplanprocedure. De procedure bestaat uit de volgende onderdelen:
Voorbereiding
Ontwerp
Vaststelling
De gemeenteraad stelt de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan, met of zonder wijzigingen, vast. Dit moet binnen een periode van ten hoogste 12 weken na de termijn van inzage van het ontwerp gebeuren.
Beroep
Terinzagelegging
Bij de onderdelen Ontwerp en Beroep moet het plan ter inzage worden gelegd. Voor een voorontwerpbestemmingsplan is dit niet verplicht en kan het dus voorkomen dat deze niet ter inzage wordt gelegd.
Voor de bekendmaking van een plan plaatsen B&W een publicatie. Dit gebeurt in het Gemeenteblad en/of de Staatscourant. Hierin staat onder andere vermeld óf en binnen welke periode er gereageerd kan worden en waar deze reactie naartoe gestuurd moet worden.
De publicaties staan de op de website www.officielebekendmakingen.nl. Op de gemeentelijke website www.gemeentesudwestfryslan.nl staat ook een link naar deze website.
Voor het bestemmingsplan is de bestemming 'Agrarisch - Stadsboerderij' gebruikt. Dit betreft een 'maatwerk-bestemming' die specifieke regels bevat voor de beoogde ontwikkeling. De bestemming schept de kaders waarbinnen de plannen voor de ontwikkeling van de plannen mogelijk zijn.
De bestemming maakt geen volwaardig agrarisch bedrijf mogelijk.
Het hoofdgebouw is opgenomen in een bouwvlak. Het hoofdgebouw heeft bovendien de aanduiding "karakteristiek" en dient qua vorm behouden te blijven. De overige bebouwing ligt niet in een bouwvlak. Middels een maximale oppervlakte (2.000 m2) is de bestaande bebouwing bij recht toegestaan op het perceel. In deze oppervlakte is de bestaande silo niet begrepen.
In de bestemmingsomschrijving zijn diverse functies opgenomen, zoals het kleinschalig houden van vee, andere grondgebonden agrarische activiteiten en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en ondergeschikte horeca en verkoop van eigen en streekgebonden productie.
Bij het kleinschalig houden van vee moet worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit (houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven). Voor dieren zonder geuremissiefactor (zoals runderen en paarden) geldt dat een vaste afstand moet worden aangehouden tot woningen. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom zodat een afstand van 50 m moet worden aangehouden. Binnen deze afstand liggen nu geen woningen, maar om mogelijke toekomstige woningbouwontwikkelingen op kadastraal perceel 567 niet te belemmeren is in de bouwregels een bepaling opgenomen dat er binnen een afstand van 50 m vanaf dit perceel geen dierenverblijven mogen worden opgericht. Voor dieren met een geuremissiefactor (zoals kippen, schapen, varkens, etc.) geldt dat de geurbelasting op woningen buiten de bebouwde kom niet meer mag bedragen dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht. Ook voor het houden van deze dieren moet rekening worden gehouden met de toekomstige woningbouwontwikkelingen. Daarom is in de specifieke gebruiksregels bepaald dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde grens met kadastraal perceel 567 de geurcontour van 8,0 odour units niet mag worden overschreden.
De ondergeschikte horeca moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
Daarnaast is in het deel van het plangebied waar het hoofdgebouw staat de ontwikkeling mogelijk van een aantal (recreatief) verblijfsfuncties, te weten de groepsaccommodatie, bed & breakfast en de bedrijfswoning. Hieraan zijn in de regels voorwaarden gekoppeld; de groepsaccommodatie is voor maximaal 20 personen, de bed & breakfast is bedoeld voor maximaal 5 personen. Dit deel van het plangebied is aangeduid als "verblijfsrecreatie".
Verblijfsrecreatie in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein is ten slotte mogelijk ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein".
Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardrijbak" is een paardrijbak toegestaan.
Op de gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (gemeentelijke FAMKE) zijn de gebieden aangegeven met een hoge archeologische waarde (advies op de FAMKE: “streven naar behoud” en “waarderend onderzoek”) en archeologische verwachtingsgebieden (advies op de FAMKE: karterend onderzoek en quickscan) aangegeven. Voor de archeologische verwachtingsgebieden gelden verschillende beleidsadviezen die zijn terug te vinden op de FAMKE.
De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies 'karterend onderzoek' en 'quickscan' hebben gekregen en daarom de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Beide dubbelbestemmingen gelden onvoorwaardelijk voor alle onderliggende gronden.
Voor bouwen en andere ingrepen (graven, ontgronden e.d. ) geldt een onderzoeksverplichting, tenzij er een vrijstelling geldt. Voor de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" geldt een horizontale oppervlaktevrijstelling van 50 m2 en een verticale vrijstelling van 0,30 m. Voor de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" geldt een horizontale oppervlaktevrijstelling van 500 m2 en een verticale vrijstelling van 0,40 m.
Overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet over een bestemmingsplanprocedure overleg plaatsvinden met verschillende adviespartners en overheden. Het voorontwerpbestemmingsplan is opgestuurd naar een aantal vaste overleg- en adviesinstanties. De reacties zijn voorzien van een gemeentelijk antwoord. De Reactienota Vooroverleg is opgenomen als Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan.
Inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan is ter informatie toegestuurd aan het bestuur van de Vereniging Doarpsbelang Skearnegoutum-Loaiingea.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende stukken zullen ter inzage worden gelegd. Wijzigingen naar aanleiding van deze zienswijzen zullen hier worden besproken.
De kosten voor de bouw, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken, vanwege voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden door initiatiefnemer gedragen. Hiertoe is budget gereserveerd. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding.
De stadsboerderij verwacht inkomsten uit verschillende onderdelen, namelijk duurzame energie, gasten (camping, vergaderen, groepsaccommodatie) en voedselproductie. De combinatie van deze inkomsten maken het totaal haalbaar omdat de kosten gedeeld kunnen worden over de verschillende onderdelen. De Rabobank heeft dit getoetst en deze heeft inmiddels positief geantwoord. De financiering voor de plannen om aan de Ivige Leane een stadsboerderij te beginnen zijn dus al goedgekeurd.
Door het vaststellen van dit bestemmingsplan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het projectgebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Afspraken over de mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade zijn, in de tussen initiatiefnemer en gemeente overeengekomen anterieure overeenkomst, opgenomen.
Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder grondexploitatie als een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Hieruit blijkt dat het planvoornemen uit dit bestemmingsplan niet als bouwplan wordt aangemerkt.
Een gebouw dat met ten minste 1.000 m2 bruto vloeroppervlakte wordt uitgebreid, wordt wel als bouwplan aangemerkt. Het voorliggende planvoornemen is echter dusdanig beperkt dat derhalve niet van een bouwplan kan worden gesproken. Er hoeft daarom geen exploitatieplan in het kader van de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wro te worden opgesteld.