Inhoudsopgave
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
Artikel 8 Algemene wijzigingsregels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
|
|
plan: |
|
|
het Bestemmingsplan Easthimmerwei 23 in Folsgare met identificatienummer NL.IMRO.1900.2015oostBPeasthw23-vast van de gemeente Súdwest-Fryslân; |
|
|
|
|
|
bestemmingsplan: |
|
|
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; |
|
|
|
|
|
aanduiding: |
|
|
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; |
|
|
|
|
|
aanduidingsgrens: |
|
|
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; |
|
|
|
|
|
aan-huis-verbonden beroep: |
|
|
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; |
|
|
|
|
|
aan- of uitbouw: |
|
|
een onderdeel van een hoofdgebouw dat door de vorm daarvan onderscheiden kan worden en dat door zijn ligging en/of in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm; |
|
|
|
|
|
aanleggen: |
|
|
het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig; |
|
|
|
|
|
aantal dieren: |
|
|
|
|
|
|
|
|
agrarisch bedrijf: |
|
|
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; |
|
|
|
|
|
bebouwing: |
|
|
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; |
|
|
|
|
|
bedrijfswoning: |
|
|
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; |
|
|
|
|
|
bestaand: |
|
|
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010)/omgevingsvergunning voor het bouwen (ná 1 oktober 2010); |
|
|
|
|
|
bestemmingsgrens: |
|
|
de grens van een bestemmingsvlak; |
|
|
|
|
|
bestemmingsvlak: |
|
|
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; |
|
|
|
|
|
bijgebouw: |
|
|
een op zichzelf staand gebouw dat gelet op de bestemming en door zijn ligging en/of architectonische verschijningsvorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; |
|
|
|
|
|
bouwen: |
|
|
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; |
|
|
|
|
|
bouwgrens: |
|
|
de grens van een bouwvlak; |
|
|
|
|
|
bouwlaag: |
|
|
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping; |
|
|
|
|
|
bouwperceel: |
|
|
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; |
|
|
|
|
|
bouwperceelgrens: |
|
|
een grens van een bouwperceel; |
|
|
|
|
|
bouwvlak: |
|
|
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; |
|
|
|
|
|
bouwwerk: |
|
|
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; |
|
|
|
|
|
cultuurhistorische waarden: |
|
|
gronden of bouwwerken met een toegekende waarden ontstaan door het gebruik in de loop van de geschiedenis door de mens; |
|
|
|
|
|
gebouw: |
|
|
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; |
|
|
|
|
|
gebruiksgerichte paardenhouderij: |
|
|
paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden en het geven van instructie aan derden, waarbij geen sprake is van een manegebedrijf en/of horeca-activiteiten; |
|
|
|
|
|
geluidzoneringsplichtige inrichting: |
|
|
een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; |
|
|
|
|
|
goede landschappelijke inpassing: |
|
|
van een goede landschappelijke inpassing is sprake als:
|
|
|
|
|
|
grondgebonden agrarisch bedrijf: |
|
|
een agrarische bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het agrarisch bedrijf, op de wijze van een melkrundveehouderijbedrijf, een schapenhouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuinbouwbedrijf en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven en waarbij het agrarisch bedrijf in overwegende mate kan voorzien in eigen mestafzet en ruwvoer; |
|
|
|
|
|
hoofdgebouw: |
|
|
een of meer gebouwen, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is; |
|
|
|
|
|
kampeermiddel: |
|
|
een mobiel en/of demontabel kampeermiddel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; |
|
|
|
|
|
kap: |
|
|
een dak met een zekere helling; |
|
|
|
|
|
kwetsbaar object: |
|
|
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, die in acht moet worden genomen; |
|
|
|
|
|
ligplaats innemen: |
|
|
het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dat doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen; |
|
|
|
|
|
maatschappelijke voorzieningen: |
|
|
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; |
|
|
|
|
|
manegebedrijf: |
|
|
paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden (inclusief instructie) aan derden, al dan niet in combinatie met stallingsruimte voor paarden van derden en al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het manegebedrijf; |
|
|
|
|
|
mobiel- en/of demontabel kampeermiddel: |
|
|
|
|
|
|
|
|
natuurtoets: |
|
|
een toets waarbij is onderzocht of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet en / of een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, indien vereist, kan worden verleend; |
|
|
|
|
|
niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: |
|
|
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel; |
|
|
|
|
|
niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteit: |
|
|
een agrarische bedrijfsvoering ondergeschikt aan het grondgebonden agrarisch bedrijf die voornamelijk in gebouwen plaatsvindt; |
|
|
|
|
|
overkapping: |
|
|
een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet, óf met ten hoogste twee wanden is omsloten; |
|
|
|
|
|
peil: |
|
|
de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
risicovolle inrichting: |
|
|
een inrichting, bij welke het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; |
|
|
|
|
|
seksinrichting: |
|
|
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; |
|
|
|
|
|
silo: |
|
|
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van het agrarisch bedrijf; |
|
|
|
|
|
Staat van bedrijven: |
|
|
Staat van bedrijven zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; |
|
|
|
|
|
straatpeil: |
|
|
de hoogte van de straat of weg op de plaats waar de hoofdtoegang van een bouwwerk aan die straat of weg grenst; |
|
|
|
|
|
vaartuig: |
|
|
naast het begrip vaartuig in gebruikelijke zin van het woord, een vaartuig zonder waterverplaatsing, een casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren, dan wel overblijfselen daarvan; |
|
|
|
|
|
Visie Ruimtelijke Kwaliteit: |
|
|
Visie Ruimtelijke Kwaliteit Súdwest-Fryslân, vastgesteld in 2013, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels; |
|
|
|
|
|
vast kampeermiddel: |
|
|
een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken; |
|
|
|
|
|
voorkeursgrenswaarde: |
|
|
de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder; |
|
|
|
|
|
watersituatie: |
|
|
de waarde van een gebied in waterhuishoudkundige zin die wordt bepaald door de waterkwaliteit en waterkwantiteit in een gebied; |
|
|
|
|
|
woning: |
|
|
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. |
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
|
|
de bouwhoogte van een bouwwerk: |
|
|
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; |
|
|
|
|
|
de bebouwde oppervlakte: |
|
|
van een bouwperceel, bebouwingsstrook, bebouwingsvlak of ander terrein wordt gemeten buitenwerks en 1 m boven peil, met dien verstande dat de grondoppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken worden opgeteld; |
|
|
|
|
|
de breedte van een gebouw: |
|
|
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels; |
|
|
|
|
|
de dakhelling: |
|
|
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; |
|
|
|
|
|
de goothoogte van een bouwwerk: |
|
|
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; |
|
|
|
|
|
de inhoud van een bouwwerk: |
|
|
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; |
|
|
|
|
|
de oppervlakte van een bouwwerk: |
|
|
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. |
Bij de toepassing van het bepaalde in het plan ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden afwijkingen ten gevolge van meetverschillen buiten beschouwing gelaten, mits dat meetverschil, mede gelet op de aard en omvang van hierdoor toegelaten of toe te laten (bouw)werken of werkzaamheden, als van zeer beperkte betekenis moet worden aangemerkt.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
agrarische cultuurgronden;
-
grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten, waarvan de oppervlakte niet meer dan 500 m² bedraagt, met dien verstande dat:
-
het houden van vee ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van vee” niet is toegestaan;
-
tot de 500 m2 niet wordt gerekend de gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in lid 3.1 onder c;
-
een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij", al dan niet in combinatie met een paardenbak;
-
een paardenbak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - gebouwen”;
-
landbouwontsluitingswegen;
-
voorzieningen ten behoeve van een waterkering,
met daaraan ondergeschikt:
-
groenvoorzieningen, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding “groen” voor ten minste 75% dienen te worden beplant met opgaande beplanting;
-
voet-, fiets- en ruiterpaden;
-
water;
-
dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer- en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen;
-
openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
In de bestemming zijn tevens de volgende nevenactiviteiten begrepen:
-
aan-huis-verbonden beroepen;
-
bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 4 slaapplaatsen;
-
stalling en/of opslag van vaartuigen of kampeermiddelen;
-
boerderijwinkel ten behoeve van verkoop van voornamelijk productiegebonden streekproducten met een netto verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 100 m²;
-
theeschenkerij,
met dien verstande dat:
-
voornoemde activiteiten uitsluitend zijn toegestaan als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf;
-
de nevenactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
-
ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² voor de voornoemde nevenactiviteiten mogen worden gebruikt.
3.2 Bouwregels
-
Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak, met dien verstande dat:
-
gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding buiten een bouwvlak mogen worden gebouwd;
-
op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - gebouwen" geen gebouwen mogen worden gebouwd
-
er uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van één agrarisch bedrijf, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.1.
-
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van paardenbakken gelden de volgende regels:
-
de oppervlakte van een paardenbak mag niet meer dan 1.250 m² bedragen;
-
de hoogte van omheiningen ten behoeve van een paardenbak mag niet meer dan 2 m bedragen
-
het aantal lichtmasten mag niet meer dan 4 bedragen tot een maximale bouwhoogte van 5 m.
-
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen ten behoeve van agrarische bedrijven gelden de volgende regels:
-
binnen bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "relatie" mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf worden gebouwd;
-
de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan respectievelijk 5 m en 14 m bedragen;
-
de dakhelling van bedrijfsgebouwen mag niet minder dan 15° bedragen, met uitzondering van een gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen van maximaal 100 m²;
-
het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan 1 per agrarisch bedrijf bedragen;
-
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
-
de goot- en bouwhoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen mag niet meer dan respectievelijk 4 m en 10 m bedragen;
-
de dakhelling van niet-inpandige bedrijfswoningen mag niet minder dan 15° bedragen;
-
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen dienen op ten minste 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
-
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geldt de volgende regel:
-
de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.
-
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
-
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van agrarische bedrijven en de in lid 3.1 genoemde nevenactiviteiten binnen een bouwvlak mag niet meer dan 14 m bedragen;
-
de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer dan 3 m bedragen;
-
het bouwen van mestvergistingsinstallaties is niet toegestaan;
-
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor agrarische bedrijven en de in lid 3.1 genoemde nevenactiviteiten, mag niet meer dan 10 m bedragen, met dien verstande dat van deze bouwhoogte mag worden afgeweken ten behoeve van de beveiliging, geleiding en regeling van het verkeer;
-
er mogen geen windturbines worden gebouwd.
3.3 Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
-
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
de milieusituatie;
-
het straat- en bebouwingsbeeld;
-
de verkeersveiligheid;
-
de watersituatie;
-
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
-
het landschappelijk beeld, zoals beschreven in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit,
nadere eisen stellen aan:
-
de plaats van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
-
de plaats van de in lid 3.2, sub e, onder 4 genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 5 m bedraagt.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
-
lid 3.2, sub c, onder 2 tot een goothoogte van niet meer dan 6,5 m, mits:
-
het geen gestapelde stal betreft;
-
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
-
lid 3.2, sub c, onder 3 tot een platte afdekking van ten hoogste 30% van de totale bebouwde oppervlakte per bedrijf.
-
lid 3.2, sub c, onder 2 en 3 voor een afwijkende goothoogte en dakhelling ten behoeve van het bouwen van serrestallen, mits:
-
wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
-
lid 3.2, sub e, onder 3 voor het bouwen van mestvergistingsinstallaties, met dien verstande dat:
-
de installatie wordt gevuld met mest die afkomstig is van het eigen bedrijf;
-
de installatie binnen het bouwvlak wordt gebouwd;
-
de PR 10-6 contour binnen het bouwvlak moet vallen, dan wel binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare dan wel beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen;
-
de bebouwing ondergeschikt is aan de bedrijfsgebouwen;
-
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
3.4.2 Toetsingscriteria
-
De in lid 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan:
-
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
de milieusituatie;
-
het straat- en bebouwingsbeeld;
-
de verkeersveiligheid;
-
de watersituatie;
-
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
-
het landschappelijk beeld, zoals beschreven in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit;
-
de aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden.
-
De in lid 3.4.1, sub b, bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven wordt uitsluitend verleend indien de noodzaak uit oogpunt van een adequate agrarische bedrijfsvoering is aangetoond.
3.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
-
het gebruik van gronden voor voer- en mestopslag buiten een bouwvlak;
-
het gebruik van de gronden ten behoeve van houtproductie, boomgaarden en boomkwekerijen;
-
het gebruik van gebouwen voor het houden van dieren op meer dan één bouwlaag;
-
het gebruik van gronden en bouwwerken voor nevenactiviteiten anders dan de in lid 3.1 aangegeven nevenactiviteiten met de bijbehorende voorwaarden;
-
het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond- en bodemspecie en puin;
-
het gebruik van gronden voor beplantingsstroken, met uitzondering van bestaande beplantingsstroken en beplantingsstroken welke op grond van dit plan dienen te worden gerealiseerd ten behoeve van afscherming;
-
het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;
-
het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van meer dieren dan de in artikel 1
lid 8 genoemde aantallen per diersoort; -
het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van vee, zodanig dat er sprake is van een ammoniakemissie groter dan 658,6 kg ammoniak per jaar;
-
het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor het in artikel 3.1 omschreven gebruik zonder dat binnen de termijn van 1 jaar na het gereed zijn van de bouwwerkzaamheden krachtens een omgevingsvergunning de inrichtingsschets en het landschappelijke inpassingsplan en het inrichtings- en landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in paragraaf 4.3 van de toelichting van dit bestemmingsplan, zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. Het voorgaande is niet van toepassing op bestaand gebruik.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
-
lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond- en bodemspecie en puin, ten behoeve van de waterbeheersing en verkeersvoorzieningen;
-
lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid:
-
mits de bedrijven zijn opgenomen in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven;
-
mits de bedrijven geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;
-
mits de bedrijvigheid niet gepaard gaat met opslag en/of stalling buiten bedrijfsgebouwen;
-
met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor niet-agrarische bedrijvigheid als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
-
met dien verstande dat de niet-agrarische bedrijvigheid uitsluitend is toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
-
met dien verstande dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
-
lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor maximaal 2 recreatieappartementen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² vloeroppervlakte per appartement, met dien verstande dat:
-
de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor recreatieappartementen als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
-
de recreatieappartementen uitsluitend zijn toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
-
lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een groepsaccommodatie, met dien verstande dat:
-
de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor een groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
-
de groepsaccommodatie uitsluitend is toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
-
de omgevingsvergunning wordt verleend voor ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 400 m²;
-
lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een nieuw kampeerterrein met dien verstande dat:
-
het kampeerterrein op of in aansluiting bij het erf wordt gerealiseerd;
-
het kampeerterrein op ten minste 500 m van een bestaand kampeerterrein dient te worden gesitueerd;
-
de omgevingsvergunning niet wordt verleend voor zover de gronden grenzen aan de bebouwde kom of gelegen zijn binnen een afstand van 50 m tot een woon- of een bedrijfsperceel van derden;
-
de omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing waarbij de landschappelijke kenmerken zoals die zijn verwoord in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit in acht worden genomen;
-
rond (de uitbreiding van) het kampeerterrein wordt voorzien in een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
-
het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen ten hoogste 25 mag bedragen;
-
er geen stacaravans mogen worden gebouwd/ geplaatst;
-
in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;
-
de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen ten hoogste 200 m² per kampeerterrein mag bedragen;
-
voor het bouwen van gebouwen de regels uit lid 3.2 overeenkomstig van toepassing zijn.
3.6.2 Toetsingscriteria
De in lid 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan:
-
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
de milieusituatie;
-
het straat- en bebouwingsbeeld;
-
de verkeersveiligheid;
-
de watersituatie;
-
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
-
het landschappelijk beeld, zoals beschreven in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit;
-
de aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Wijzigingen
Burgemeester en Wethouders kunnen, het plan wijzigen in die zin dat de bestemming wordt gewijzigd ten beghoeve van de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in combinatie met 1 bedrijfswoning (uitsluitend voor zover bestaand), met dien verstande dat:
-
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de oorspronkelijke voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaand bouwvlak ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf;
-
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
-
de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast ten behoeve van bedrijven genoemd in de categorieën 1, 2 en 3.1 van de Staat van Bedrijven dan wel bedrijven welke niet zijn genoemd, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd;
-
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing waarbij de landschappelijke kenmerken zoals die zijn verwoord in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit in acht worden genomen;
-
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
-
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
-
buitenopslag niet is toegestaan;
-
de bedrijvigheid geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben.
3.7.2 Toetsingscriteria
De in lid 3.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan:
-
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
de milieusituatie;
-
het straat- en bebouwingsbeeld;
-
de verkeersveiligheid;
-
de watersituatie;
-
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
-
het landschappelijk beeld, zoals beschreven in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit;
-
de aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 5 Algemene bouwregels
Wanneer een bestaand gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde:
|
|
een grotere goothoogte; |
|
|
een grotere bouwhoogte; |
|
|
een grotere oppervlakte; |
|
|
een grotere dakhelling; |
|
|
een kleinere dakhelling, |
heeft dan in de bouwregels in de van toepassing zijnde bestemming is toegestaan, dan mag:
|
|
de goot- en/of bouwhoogte en/of oppervlakte en/of dakhelling ten hoogste de bestaande goot- en/of bouwhoogte en/of oppervlakte en of dakhelling bedragen; |
|
|
de dakhelling ten minste de bestaande dakhelling bedragen. |
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
Tot een gebruik in strijd met de bestemmingen wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
|
|
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen; |
|
|
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; |
|
|
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen; |
|
|
het gebruik van gronden ten behoeve van standplaatsen voor kampeermiddelen. |
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
|
|
Het bevoegd gezag kan, mits geen een onevenredige aantasting plaatsvindt van: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
met dien verstande dat er geen windturbines mogen worden gebouwd. |
|
|
|
|
|
De in sub a bedoelde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing waarbij de landschappelijke kenmerken zoals die zijn verwoord in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit in acht worden genomen. |
Artikel 8 Algemene wijzigingsregels
|
|
Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het plan wijzigen: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De onder a bedoelde wijzigingen worden slechts toegepast indien: |
|
|
|
|
|
|
Artikel 9 Overige regels
|
|
Algemene Plaatselijke Verordening: |
|
|
Ten aanzien van het kappen van bomen c.q. beplanting kent de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening een kapverbod voor nader aangegeven geboomte c.q. beplanting, dit met als doel om de bomen c.q. beplanting te behouden. Houtopstanden met monumentale, landschappelijke, cultuurhistorische en beeldbepalende waarde vallen daaronder. Onder strikte voorwaarden wordt vrijstelling van dat kapverbod verleend. |
|
|
|
|
|
Ten aanzien van het houden van evenementen verzet het bestemmingsplan zich niet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken voor dat doel, mits daarvoor op basis van de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening een evenementenvergunning kan worden verleend danwel kan worden volstaan met een kennisgeving. |
|
|
|
|
|
Verordeningen ten aanzien van aanleggen en ligplaats innemen van vaartuigen: |
|
|
De aanwezigheid van aanlegplaatsen en ligplaatsen is in algemene zin in de daarvoor in aanmerking komende bestemmingen begrepen; de regeling ten aanzien van plaats, tijdsduur en dergelijke wordt nader bepaald in gemeentelijke verordeningen. |
|
|
|
|
|
Waterschap: |
|
|
Bij activiteiten waarbij ook belangen van het waterschap een rol spelen, vindt overleg plaats met het waterschap. De keur van het waterschap is onverminderd van toepassing. |
|
|
|
|
|
Wegenverordening Friesland en afstanden tot de kant van de weg: |
|
|
Ingevolgde de wegenverordening Friesland dienen de volgende bouwafstanden tot de in de onderstaande genoemde wegen in acht te worden genomen: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Welstand: |
|
|
De toetsing van bouwplannen, in het kader van het bouwvergunningenbeleid, dient plaats te vinden op basis van voor dit gebied geldende welstandscriteria zoals die door de raad zijn vastgesteld. |
|
|
|
|
|
Antennebeleid: |
|
|
Antennemasten kunnen in z'n algemeenheid worden toegestaan, mits een voorkeursvolgorde wordt gehanteerd: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Antennemasten zijn uitgesloten in het open gebied, natuurgebieden en cultuurhistorisch waardevolle gebieden of objecten/gebouwen. |
|
|
|
|
|
Parkeren: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Overgangsrecht
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
|
|
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. |
|
|
|
|
|
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. |
10.2 Overgangsrecht gebruik
|
|
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. |
|
|
|
|
|
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. |
|
|
|
|
|
Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. |
|
|
|
|
|
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. |
Artikel 11 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als:
“Regels van het "Bestemmingsplan Easthimmerwei 23 in Folsgare".