| Plan: | Sibrandabuorren - Ontwikkeling school |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1900.018noorBPsibrscho-vast |
Het voornemen bestaat om in Sibrandabuorren ten behoeve van een aanstaande scholenfusie een nieuwe basisschool te ontwikkelen op het volleybalveld in het zuidwesten van het dorp. Drie basisscholen uit de nabije omgeving hebben namelijk gezien de teruglopende leerlingaantallen het voornemen om te gaan fuseren. Dit voornemen is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan.
Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader waarbinnen de realisatie van de fusieschool mogelijk wordt gemaakt.
Het bestemmingsplan Sibrandabuorren - Ontwikkeling school bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding is de bestemming en de dubbelbestemming van de in het plan opgenomen gronden aangegeven. In de regels zijn voorschriften opgenomen die noodzakelijk zijn voor een juiste ontwikkeling en beheer van het plangebied. De toelichting hoort bij het plan. Hierin zijn de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten en onderzoeken gemotiveerd.
Het plangebied ligt ten zuidwesten van het dorp Sibrandabuorren, op het voormalige kaatsveld van het dorp. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Sibrandabuorren en Tersoal, dat is vastgesteld op 26 maart 2015. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Sport'. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen, sport activiteiten en water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Daarnaast geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'. De aangewezen gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Voor ingrepen en ontwikkelingen dieper dan 0,3 meter en met een oppervlakte groter dan 500 m² is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Een uitsnede van de verbeelding van de geldende regeling is opgenomen in figuur 1.2.
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Sibrandabuorren en Tersoal
De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen juridisch deel uit van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:
In de huidige situatie is het plangebied ingericht als sportveld, waar aan volleybal gedaan wordt. Het betreft een grasveld dat onderhouden en regelmatig gemaaid wordt. Het plangebied is bijna volledig omringd door opgaande beplanting. Er is een hoge, brede singel van bomen en planten aan de noord-, west-, oost- en een deel van de zuidzijde aangeplant. Aan de zuidelijke kant, waar geen beplanting is, staat een sporthal.
Het plangebied ligt in het zuidwesten van het dorp Sibrandabuorren. Ten oosten en zuidoosten van het plangebied, aan de andere zijde van de opgaande beplanting, zijn woningen aanwezig aan de doorgaande weg de Aesgewei en aan De Fenne. Ten noorden en westen van het plangebied is sprake van agrarische gronden. In figuur 2.1 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven op een luchtfoto.
Figuur 2.1 Huidige situatie van het plangebied
Momenteel zijn in Sibrandabuorren OBS De Lege Geaën, in Tersoal KNS De Reinbôge en in Gauw CBS De Twatine gevestigd. Deze drie scholen kampen met teruglopende leerlingaantallen en verouderde bebouwing. Om ook in de toekomst ervoor te zorgen dat in deze regio, voor de kinderen uit deze en omringende dorpen basisonderwijs kan worden aangeboden, is het voornemen om in Sibrandabuorren een fusieschool te realiseren, waarin alle drie de scholen worden ondergebracht. Sibrandabuorren betreft het meest centraal gelegen dorp in de omgeving. Om de school voor iedereen bereikbaar te maken is daarom gekozen voor een locatie in dit dorp. In figuur 2.2 is de voorgenomen inrichting van het plangebied weergegeven. In de noordoosthoek van het veld is in de toekomstige situatie geen sprake van bebouwing. Dit deel blijft te gebruiken ten behoeve van sportactiviteiten, waaronder het volleyballen dat in de huidige situatie eveneens in het plangebied gebeurd. Het volleybalveld blijft hiermee behouden. De sporthal ten zuiden van de basisschool valt buiten het plangebied. Deze sporthal blijft ook in de toekomstige situatie bestaan. Deze hal zal tevens gebruikt worden ten behoeve van sportlessen van de nieuwe basisschool.
Figuur 2.2 Voorgenomen inrichting van het plangebied
Om een goede ontsluiting te realiseren wordt de bestaande weg De Fenne in zuidelijke richting aangesloten op de Spearsterdyk. Daarnaast wordt een fietspad aangelegd tussen het plangebied en de Aesgewei.
Het schoolgebouw zal bestaan uit één bouwlaag met een kap. De ontvangst- en gemeenschapsruimte in het midden van het gebouw zal een verhoogde kap krijgen. De vleugels van het gebouw zullen worden voorzien van een plat dak. In figuur 2.3 zijn impressies van het schoolgebouw weergegeven.
Figuur 2.3 Gevelaanzichten van het voorgenomen schoolgebouw
Ruimtelijke inpassing
Het schoolgebouw wordt gerealiseerd op het bestaande volleybalveld aan De Fenne. Dit volleybalveld is grotendeels omringd door een groensingel. Aan de zuidzijde, waar geen sprake is van een groensingel, staat een sporthal. Door de groensingel en de sporthal is het plangebied volledig omringd en afgeschermd van het buitengebied. De groensingel en sporthal blijven beide in de toekomstige situatie bestaan. Daarmee is het plangebied op een goede wijze ruimtelijk ingepast.
Verkeer en parkeren
Voor het goed functioneren van de school is het belangrijk dat er een duidelijke en veilige verkeerssituatie is. Bij de uitwerking van de verkeerssituatie is er een intensief traject gevolgd met omwonenden, leden van dorpsbelang, vertegenwoordigers van de school en de sporthal. Tijdens dit traject zijn verschillende oplossingsrichtingen beoordeeld en afgewogen. De oplossingsrichting die nu voorligt, is een gedragen oplossing. De Fenne, wordt in zuidelijke richting aangesloten op de Spearsterdyk, waar het gemotoriseerde verkeer gebruik van kan maken. Hierdoor kan de huidige ontsluitingsweg dat aansluit op de Aesgewei omgebouwd worden tot een fietspad. Fietsende schoolkinderen en sporters kunnen nu vrij van het gemotoriseerde verkeer de school en de sporthal bereiken. Via de Aesgewei kunnen vervolgens Sibrandabuorren, Tersoal en Gauw worden bereikt. In het plan worden voldoende fietsenstallingen opgenomen en een deel wordt ingericht als fietsopstelplaats voor ouders die hun kinderen brengen en halen.
In het plan zijn 28 parkeerplaatsen opgenomen. Deze parkeerplaatsen zijn zowel voor de school, de kinderopvang en de sporthal bedoeld. Doordat de verschillende functies veelal niet gelijktijdig gebruikt worden is dit aantal toereikend. Langs de toegangsweg worden langs parkeervakken aangelegd, waardoor de parkeerbehoefte van de woningen ook gewaarborgd blijft.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In deze structuurvisie schetst het Rijk haar ambities tot 2040 en haar doelen, belangen en opgaven tot 2028. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid.
Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale ruimtelijke belangen die via wet- en regelgeving opgedragen zijn aan andere overheden door hen goed worden behartigd. De vereisten van de Rijksoverheid met betrekking tot ruimtelijke plannen liggen vast in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het is gericht op doorwerking van de nationale belangen in onder meer gemeentelijke bestemmingsplannen.
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen.
In dit geval betreft de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkeling die betrekking heeft op de 14 nationale belangen zoals genoemd in de SVIR en waarvoor regels zijn gesteld in het Barro. Daarmee is het plan niet in strijd met het beleid zoals uiteen gezet in deze stukken.
Duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking
Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van een basisschool mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van Sibrandabuorren. De ontwikkeling van de basisschool is noodzakelijk om de drie scholen die gaan fuseren, OBS De Lege Geaën, KNS De Reinbôge en CBS De Twatine, een onderkomen te bieden die centraal in het verzorgingsgebied gelegen is en een gebouw die voldoet aan de moderne eisen. Hiermee hebben de scholen ook in de toekomst bestaansrecht. Door de ligging binnen bestaand gebied en de behoefte aan een centraal gelegen fusieschool is het initiatief in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.
Streekplan Fryslân 2007
Op 13 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten het “Streekplan Fryslân 2007”, genaamd 'Om de kwaliteit fan de romte', vastgesteld. Het streekplan geeft de visie van Gedeputeerde Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan gaat vergezeld met een 'strategische milieubeoordeling', een milieurapport dat op grond van een nieuwe Europese richtlijn is opgesteld.
Als centraal uitgangspunt voor het ruimtelijke beleid kiest de provincie voor een ondeelbaar Fryslân met ruimtelijke kwaliteit. Een ondeelbaar Fryslân benadrukt dat stad en platteland elkaar nodig hebben en elkaar ondersteunen. Een Fryslân met ruimtelijke kwaliteit benadrukt het bovenlokale belang bij het instandhouden en verder ontwikkelen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Bij een duurzame ontwikkeling wordt voorzien in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op de instandhouding en het verder ontwikkelen van aanwezige bodem-, water-, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Daarnaast streeft de provincie naar behoud en versterking van de leefbaarheid en de vitaliteit van het platteland, vooral ten behoeve van de inwoners van het platteland zelf. Ook stelt de provincie dat nieuwe functies in het landelijk gebied in of aansluitend aan bestaande kernen moeten worden gebouwd.
Met dit plan wordt een basisschool binnen bestaand stedelijk gebied van Sibrandabuorren gerealiseerd. Hiermee wordt het huidige kaatsveld herontwikkeld tot locatie voor een school. De school biedt onderwijs voor kinderen uit Sibrandabuorren, Tersoal, Gauw en omringende dorpen. Hiermee is het een voorziening die voorziet in een regionale behoefte. De locatie grenst direct aan de woonbebouwing langs de Aesgewei. Door het kaatsveld opnieuw te ontwikkelen wordt ruimtelijke kwaliteit aan het plangebied toegevoegd.
Verordening Romte
In de Verordening Romte zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen. Het streekplanbeleid is in het kader van de verordening voorzien van concrete beleidsregels. In de verordening is onder meer de grens tussen het buitengebied en het stedelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het buitengebied. Volgens de begrenzing tussen het buitengebied en het bestaand bebouwd gebied ligt het plangebied binnen het bestaand bebouwd gebied (zie figuur 3.1). Hier wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies voor zover deze naar aard en omvang passen bij de kern.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied (PVR 2014)
De ontwikkeling van een fusieschool betreft een regionale ontwikkeling die gericht is op het bieden van onderwijs aan kinderen uit Sibrandabuorren, Tersoal, Gauw en omliggende dorpen. Qua aard en omvang is deze ontwikkeling passend in Sibrandabuorren. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen de Verordening Romte.
Wat betreft archeologie, stelt de verordening dat in de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Paragraaf 4.7 gaat hier verder op in.
Ontwikkelvisie gemeente Súdwest-Fryslân
De “Ontwikkelvisie 2011–2021 gemeente Súdwest-Fryslân” is op 22 maart 2012 vastgesteld. In deze visie staan de gemeentelijke ambities betreffende sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen beschreven. De visie vormt een belangrijke basis voor nieuw beleid en ruimtelijke plannen. De visie maakt duidelijk hoe de gemeente zich naar de toekomst toe wil positioneren, wat de belangrijkste speerpunten zijn en op welke aandachtsgebieden wordt ingezet. De ontwikkelvisie beslaat een periode van tien jaar.
In de gemeente worden vijf landelijke clusters en één stedelijk cluster rondom Bolsward en Sneek onderscheiden. De ontwikkelvisie rust op zes pijlers waar een visie op is geformuleerd en waar een koers per landelijk of stedelijke cluster voor is uitgezet. De pijlers met bijbehorende visie betreffen:
Wat betreft voorzieningen is de omvang van de kern doorslaggevend voor het voorzieningenniveau. Ongeveer 50% van de kernen beschikt over een basisschool en/of winkels die voorzien in dagelijkse behoeften. Deze voorzieningen zijn in het algemeen evenwichtig verspreid over de gemeente en voor bijna iedereen bereikbaar binnen 15 minuten reistijd in de auto. Het verdwijnen van bepaalde voorzieningen van het platteland kan niet alleen worden verklaard uit een afname van de bevolking maar wordt ook veroorzaakt door een verandering in gedrag van de mensen. De toenemende mobiliteit, een veranderende leefstijl en een toenemende welvaart verklaren dit. Een krimpende bevolking heeft hier wel een versterkend effect op.
De gemeente houdt binnen landelijke clusters rekening met bevolkingsdaling in relatie tot het gewenste basisvoorzieningenniveau. Verschraling van dit niveau tast volgens de gemeente direct de leefbaarheid aan. Daarom wil de gemeente dat binnen de clusters minimaal een basisvoorzieningenniveau aanwezig is dat goed bereikbaar is voor de kernen binnen het cluster.
Ook met de uitvoering van dit plan wordt rekening gehouden met de bevolkingsdaling in relatie tot het gewenste basisvoorzieningenniveau. De gemeente acht het wenselijk dat voor alle kernen een basisschool binnen op korte reistijd voor een ieder beschikbaar is. Door teruglopende leerlingaantallen kunnen de drie scholen die gaan fuseren in de toekomst niet meer voortbestaan. Om toch basisonderwijs in de regio te kunnen aanbieden wordt daarom ervoor gekozen om centraal in het verzorgingsgebied van de scholen een fusieschool te realiseren. Op deze manier blijft het gewenste basisvoorzieningenniveau behouden, terwijl wel duidelijk wordt ingespeeld op de bevolkingsdaling in het gebied. Dit sluit aan bij de ontwikkelvisie van de gemeente Súdwest-Fryslân.
Visie Ruimtelijke Kwaliteit (2013)
De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde 'Landschapsontwikkelingsvisie' (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd.
Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven.
Het plangebied betreft het huidige volleybalveld in Sibrandabuorren. Het plangebied maakt deel uit van het overige kleigebied in de gemeente Sudwest-Fryslân. In de huidige situatie is het volleybalveld omringd door een dikke houtsingel en wordt het veld aan de zuidzijde afgeschermd door een sporthal. De realisering van de basisschool op dit veld doet daarom geen afbreuk aan de open structuur van het landschap. De school wordt door de houtsingel en sporthal bijna geheel aan het zicht onttrokken. Door het veld te herontwikkelen ten behoeve van de school wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied opgeschroefd. Daarnaast blijft een deel van het veld als sportveld bestaan. Het voornemen is niet in conflict met de Visie Ruimtelijke Kwaliteit.
Voor het project is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de milieuaspecten en om andere sectorale regelgeving.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Onderzoek
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een schoolgebouw. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Op 5 maart 2019 is bij besluit van het college van Burgemeester en Wethouders vastgesteld dat geen MER nodig is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, is beoordeeld dat geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Toetsingskader
Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidzones van toepassing. Als geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Bij het plangebied is geen sprake van geluidgezoneerde spoorwegen en industrie lawaai, dus alleen de aspecten 'wegverkeerslawaai' is aan de orde.
Toetsing wegverkeerslawaai
Een basisschool geldt binnen de Wet geluidhinder als geluidgevoelig object. In dit geval wordt de basisschool ontwikkeld in de geluidzone van de Spearsterdyk. Daarom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 1). Tevens is bij dit akoestisch de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Aesgewei berekend.
De berekende geluidsbelastingen ten gevolge van de Spearsterdyk bedragen ten hoogste 34 dB inclusief aftrek artikel 110 Wgh. De berekende geluidsbelastingen ten gevolge van wegverkeer op de Aesgewei bedragen ten hoogste 13 dB inclusief aftrek artikel 110 Wgh. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB. Daarom is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Toetsingskader
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën.
Toetsing
Binnen het plangebied wordt een basisschool ontwikkeld. Conform de VNG-brochure betreft dit een categorie 2 bedrijf met een richtafstand van 30 meter ten opzichte van geluidgevoelige objecten, op basis van het inrichtingslawaai dat vanuit het schoolgebouw en het schoolplein komt. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Ten oosten van het plangebied is sprake van woningen. De afstand tussen de grens van het schoolplein en de bouwvlakken van de woningen bedraagt tenminste 50 meter. Omdat aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan is er sprake van voldoende ruimtelijke scheiding tussen de geluidsbelastende school en de geluidsgevoelige functies in de omgeving.
Toetsingskader
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd.
Toetsing
Met de ontwikkeling van een basisschool wordt een inrichting gerealiseerd waar voor meer dan 2 uur op een dag mensen aanwezig zullen zijn. Daarmee is het een bodemgevoelig object en dient aangetoond te worden dat de bodem van voldoende kwaliteit is om de voorgenomen functie uit te oefenen. Op het bodemloket is geen informatie met betrekking tot eerder uitgevoerde bodemonderzoeken beschikbaar. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Op basis van het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat zowel in de bovengrond als in de ondergrond geen verontreinigingen zijn geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.
Gelet op het regionale karakter van de lichte metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als 'onverdacht' ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er bestaan daarom geen belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie met betrekking tot het aspect bodem. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.
Toetsingskader
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.
In Fryslân zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Sneek en omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit.
Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Toetsing
Het voorgenomen initiatief betreft de nieuwbouw van een basisschool in Sibrandabuorren, ter vervanging van drie bestaande basisscholen uit Sibrandabuorren, Gauw en Tersoal. Naar verwachting treedt hierdoor in kleine mate een toename van de verkeersgeneratie op. Omdat de school ter vervanging van huidige scholen in de omgeving is, zijn veel verkeersbewegingen al aanwezig in het gebied. Omdat in de voorgenomen situatie de scholen uit Gauw en Tersoal worden vervangen door een school in Sibrandabuorren, is de verwachting dat er meer gemotoriseerde verkeersbewegingen plaatsvinden voor het halen en brengen van kinderen. Redelijkerwijs kan echter gesteld worden dat dit voor niet meer dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). De bescherming van gebieden en soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Sneekermeergebied, op circa 2,8 kilometer afstand. Directe effecten, zoals verstoring, verontreiniging, versnippering etc. zijn op deze afstand uit te sluiten. Indirecte hinder als gevolg van verkeersbewegingen zijn ook niet aan de orde, omdat autoverkeer de natuurgebieden niet hoeft te kruisen om de planlocatie te bereiken. Daarnaast is de toename van het aantal verkeersbewegingen door de realisatie van de school nihil, gezien de school ter vervanging van aanwezige scholen is. De gebieden kennen bovendien geen stikstofgevoelige habitattypen, waarop stikstofemissie van verkeer een effect op kan hebben. De Alde Feanen (22 kilometer afstand) en de Waddenzee (22 kilometer afstand) zijn de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige natuurgebieden. Op dergelijke grote afstanden is geen sprake van een meetbare toename van stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van de school. De conclusie is dat het plan geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden heeft, door de aard en schaal van de plannen en de afstand tot de beschermde gebieden.
Natuurnetwerk Nederland
Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de NNN. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 2,7 kilometer afstand. Ten zuiden van het plangebied liggen nog een aantal kleine gebieden die zijn aangeduid als 'natuur buiten EHS'. Hier worden geen ingrepen voorgesteld. Vanuit de NNN zijn geen belemmeringen voor dit plan aan de orde.
De ontwikkeling vindt plaats op een voormalig kaatsveld, dat is omringd door opgaande beplanting. Om te onderzoeken of de bouw van de school gevolgen heeft voor mogelijk aanwezige beschermde soorten is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3.
Uit het veldonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied geen mogelijkheden bezit voor vleermuizen en vogels om er te verblijven. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na de realisatie van de plannen kunnen deze soorten en blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie Friesland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.
Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen om een basisschool te realiseren te Sibrandabuorren zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Toetsingskader
Met betrekking tot dit aspect is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet van toepassing. De Omgevingswet (nog niet van kracht) vervangt de Monumentenwet voor het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Tot het van kracht worden van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Hier blijven ze ongewijzigd van toepassing, zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Toetsing
Om te onderzoeken of sprake is van archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied is de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. Het FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, voor de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen. Op basis van de steentijd-bronstijd advieskaart ligt het plangebied in het gebied 'geen onderzoek noodzakelijk'. Hier geldt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Op basis van de ijzertijd-middeleeuwen ligt het plangebied binnen het gebied 'karterend onderzoek 1' en is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ontwikkelingen met een oppervlakte van minimaal 500 m2. De ontwikkelingen overschrijden de 500 m2, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het archeologisch onderzoek (bijlage 4) is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder de ligging op een kwelderwal en de bekende archeologische waarden binnen deze landschappelijke eenheid verhoogden de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
De aangetroffen bodemopbouw komt overeen met de verwachtingen. In het opgeboorde materiaal zijn, anders dan de opgebrachte zandlaag en de voormalige bouwvoor, geen archeologische lagen aangetroffen die wijzen op bewoning en/of antropogeen landgebruik. Wel zijn in twee boringen indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op bewoning/landgebruik in de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd.
Om uit te wijzen of inderdaad sprake is van sporen van bewoning of landgebruik uit deze periode is een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een waarderend onderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Dit waarderend onderzoek heeft geen aanvullende aanwijzingen voor een vindplaats opgeleverd. Het aangetroffen houtskool en de baksteenresten zijn niet afwijkend van de aangetroffen resten in de overige delen van het plangebied en zijn te relateren aan het bekende historische agrarische gebruik ( waarbij afval met bemesting op het land werd uitgespreid). Op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats in het huidige onderzoek, wordt aannemelijk geacht dat de aangetroffen bijmenging van houtskoolresten en het fragment verbrande leem eveneens te relateren zijn aan het regulier historisch agrarisch gebruik van de locatie. Archeologische sporen anders dan sporen van agrarische landbewerking worden niet verwacht. Daarom is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Het aspect archeologie is op deze wijze voldoende onderzocht en vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan beschreven moet worden hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
Toetsing
Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Fryslân beschreven zijn.
Volgens de Cultuur Historische kaart is er geen sprake van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Voorheen was sprake van een historisch pad langs de zuidzijde van het plangebied, maar deze is inmiddels niet meer aanwezig. Door de afwezigheid van cultuurhistorische waarden kunnen deze ook niet geschaad worden door de voorgenomen ontwikkeling en vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor dit plan.
Toetsingskader
Deze 'waterparagraaf' bevat de wettelijk verankerde watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. In de Leidraad Watertoets van het Wetterskip staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon.
Toetsing
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt in het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (dossiercode 20181108-2-19200) (bijlage 6). Hieruit is naar voren gekomen dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is.
Waterkwantiteit
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. In de waterparagraaf, regels en of verbeelding dient duidelijk aan te worden gegeven wat voor maatregelen er worden genomen om de versnelde afvoer als gevolg van de toename verharding te compenseren.
Het plan is gelegen in polder gebied. Hiervoor geldt dat 10% van de toename van het verhard oppervlak gecompenseerd moet worden in oppervlaktewater. De wateropgave betreft 225,6 m2. De compensatie vindt plaats door verbreding van de schouwsloot die parallel loopt aan de Fenne. Bij de uitvoering van de watercompensatie zal rekening worden gehouden met de waterkering die in het noorden van deze sloot aanwezig is. Voor deze werkzaamheden is een aanlegvergunning nodig. Een deel van het gebied waarin de watergang ligt heeft de aanduiding 'gaaf gebied'. Omdat de sloot een jonge sloot is en het slechts gaat om een verbreding, is dit een ingreep die landschappelijk weinig impact heeft en cultuurhistorisch geen afbreuk doet aan het landschap
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In voornoemde Besluiten is een verantwoordingsplicht bij een toename van het groepsrisico opgenomen.
Het aspect externe veiligheid wordt beoordeeld met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het GR is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Voor het GR is een oriënterende waarde bepaald. Dit betreft geen harde norm, maar vormt een onderdeel bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico. In algemene zin geldt dat wanneer het GR onder de oriënterende waarde blijft, er sprake is van een acceptabel risiconiveau.
Toetsing
Buisleidingen
Eén van de buisleidingen betreft een aardgasleiding NEN 3650-leiding. Deze buisleiding heeft een diameter van 36 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar Voor dergelijke buisleidingen geldt een richtafstand van 430 meter. De buisleiding loopt op circa 680 meter van het plangebied. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
Een tweede buisleiding betreft eveneens een aardgasleiding NEN 3650-leiding. Deze buisleiding heeft echter een diameter van 42 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar. Voor deze buisleiding geldt een richtafstand van 490 meter. Gezien de buisleiding op circa 710 meter van het plangebied ligt, wordt voldaan aan de richtafstand.
De derde buisleiding betreft ook een aardgasleiding NEN 3650-leiding. Deze buisleiding heeft een diameter van 48 inch en een maximale werkdruk van 80 bar. Hiervoor geldt een richtafstand van 580 meter. De buisleiding ligt op circa 740 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.
Voor alle drie de buisleidingen wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Inrichtingen
In en direct rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. In het plangebied is dan ook geen sprake van risicocontouren van dergelijke inrichtingen. Het aspect externe veiligheid van inrichtingen is daarmee niet aan de orde.
Transportroutes
In en direct rond het plangebied zijn geen risicovolle transportroutes aanwezig. In het plangebied is dan ook geen sprake van risicocontouren van dergelijke routes. Het aspect externe veiligheid van transportroutes is daarmee niet aan de orde.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In en rondom het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan.
Ook de wijze van meten zal in het bestemmingsplan worden beschreven.
Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en –indien nodig- hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid moet een vaste volgorde worden gehanteerd. Voor zover het voor het betrokken bestemmingsplan van toepassing is, geldt dit voor alle soorten bestemmingen, zoals bestemmingen, dubbelbestemmingen, uit te werken bestemmingen en voorlopige bestemmingen.
In de bestemmingsplan van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc. gekoppeld.
Hierin staan de regelingen over de afstemming met andere regelgeving (waaronder een anti-dubbeltelbepaling) en de algemene procedurebepalingen, afwijkingsbevoegdheid en/of wijzigingsbevoegdheid.
Voor de overgangsregels wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij dient de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 in acht te worden genomen.
In deze paragraaf wordt een toelichting op de juridische regels van het plan gegeven. Er is in dit bestemmingsplan sprake van één bestemming en een dubbelbestemming.
Maatschappelijk
In dit bestemmingsplan is qua enkelbestemmingen uitsluitend sprake van de bestemming 'Maatschappelijk'. De basisschool met bijbehorende gronden en parkeergelegenheden betreft een maatschappelijke voorziening en is om die reden van deze bestemming voorzien. De maximaal toegestane bouw- en goothoogte zijn op de verbeelding weergegeven en afgestemd op het initiatief. Omdat het parkeerterrein ten behoeve van de basisschool wordt gebruikt, zijn ook deze gronden onder deze bestemming onder gebracht. De gebouwen moeten binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
Waarde - Archeologie 1
Op de gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (gemeentelijke FAMKE) zijn de gebieden aangegeven met archeologische waarden. Voor het plangebied geldt op basis van het FAMKE dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 500 m² en dieper dan 0,3 meter. Om de archeologische waarden van het gebied een beschermende regeling te bieden, is om die reden het gehele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.
Inspraak en overleg
Het bestemmingsplan is eerst als ontwerp aan overlegpartners en belanghebbenden ter inzage gelegd. Tevens zijn de direct omwonenden nauw betrokken in de totstandkoming van de planvorming. Zo zijn zij tijdens het proces geïnformeerd over de inrichting van het plangebied en de wijze waar op de nieuwe school wordt ontsloten. Tijdens de terinzagelegging zijn geen inspraakreacties ingediend. Er heeft wel overleg plaatsgevonden met de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân.
Zienswijze
Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode werd een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn geen zienswijzen ingediend tijdens deze periode, waardoor overgegaan kan worden tot ongewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
Vaststelling
Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Het initiatief betreft de bouw van een school ter vervanging van drie huidige scholen, in Sibrandabuorren. De initiatiefnemer, bestaande uit het schoolbestuur en de gemeente, heeft aangetoond over voldoende financiële middelen te beschikken voor de uitvoering van dit plan. Het schoolbestuur is opdrachtgever voor de bouw van de school en de aanleg van alle daarvoor noodzakelijke private en openbare voorzieningen. De gemeente draagt 100% van de investeringen.
Grondexploitatie
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
In dit geval is sprake van een bouwplan als bedoeld in de grondexploitatieregeling. Het maken van afspraken over kostenverhaal en technische eisen en regels met een private partij is niet nodig, omdat de gemeente volledig financier is, en het schoolbestuur opdrachtgever voor de bouw van de school en alle daarvoor noodzakelijk private en openbare voorzieningen. Een anterieure overeenkomst hoeft daarom niet gesloten te worden, en de gemeenteraad hoeft geen exploitatieplan vast te stellen.