direct naar inhoud van Regels
Plan: Historische kern Maasland
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1842.bp21histKMLGec-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan 'Historische kern Maasland' met NL.IMRO.1842.bp21histKMLGec- van de gemeente Midden-Delfland, vastgesteld 7 april 2009 met besluitnummer 2009-03-09 g.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw

1.5 aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.6 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt..

1.7 archeologisch waardevol gebied

terrein waarvoor een redelijk tot zeer grote kans op het aantreffen van archeologische sporen bestaat.

1.8 autobox/bergplaats

stallingruimte voor motorvoertuigen, aanhangwagentjes, (brom)fietsen e.d., een en ander voor zover in particulier gebruik, alsmede een berg- en/of bewaarplaats voor niet bedrijfsmatige en niet op handelsdoeleinden gerichte opslag van particuliere goederen.

1.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.10 bebouwingsgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.

1.11 (beschermd) dorpsgezicht

het gebied dat door de Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening bij beschikking van 15-6-1970 afdeling en nummer 0./MA 154.361 is aangewezen tot dorpsgezicht in de zin van artikel 20 van de Monumentenwet 1961 en op 7-9-1970 als zodanig is ingeschreven in het register van beschermde stads- en dorpsgezichten.

1.12 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.13 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.16 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.17 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de gronden verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.18 commissie

de Monumentencommissie / Commissie Beschermd Dorpsgezicht Midden-Delfland, in te stellen bij besluit van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1.19 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit..

1.20 dienstverlening

het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.

1.21 dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is

1.22 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.23 gevelwandtekening

een bij het plan behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening, waarop de toelaatbare architectonische verschijningsvorm van voorgevels is weergegeven.

1.24 hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.25 kantoor

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard en daarmee gelijk te stellen instellingen.

1.26 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

1.27 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.28 parcellering

de op de verbeelding vastgelegde, in de straatwand zichtbare, indeling in zijdelings begrensde bouwpercelen.

1.29 peil

peil:

  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil.
1.30 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.31 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografisch aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.32 uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.33 voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de naar de openbare weg gekeerde gevel(s) van hoofdgebouwen voor zover op dat deel van de openbare weg voorgevels zijn gericht.

1.34 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

  • 1. Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

  • a. de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, cq . de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructieonderdeel;

  • b. de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

  • c. de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

  • d. de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

  • e. afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

Artikel 3 Verhouding tot de Monumentenwet

Deze regels laten onverlet hetgeen met betrekking tot monumenten in de zin van de Monumentenwet bij of krachtens die wet is bepaald.

Artikel 4 Raadpleging commissie

Binnen het bestemmingsplangebied worden omgevingsvergunningen voor bouwen en een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, niet verleend, dan nadat de commissie is gehoord.

Artikel 5 Afwijking van kleine bouwwerken en geringe afwijkingen

  • 1. Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, in afwijking van het plan omgingsvergunning verlenen:
  • a. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van openbare nutsbedrijven of andere daarmede vergelijkbare gebouwen, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, en gemaalgebouwtjes, mits de inhoud daarvan niet groter is dan 60 m3 en zij naar plaats, afmetingen en verschijningsvorm passen in, of althans gee afbreuk doen aan, de karakteristieken van het beschermd dorpsgezicht;
  • b. voor straatmeubilair mits dit naar plaats, afmetingen en verschijningsvorm past in, of althans geen afbreuk doet aan de karakteristieken van het beschermd dorpsgezicht;
  • c. voor het bouwen van kleine bouwwerken, niet zijnde gebouwen, die om waterstaatkundige of verkeersredenen noodzakelijk zijn, zoals duikers en keermuren;
  • d. voor geringe veranderingen in de tracé's van wegen een de aanpassing van de ligging en de vorm van bestemmingsgrenzen aan die tracé's, indien bij definitieve uitmeting blijkt, dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden uitgevoerd als op de ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken;
  • e. voor afwijkingen van het bestemmingsplan, inbegrepen bebouwingsgrenzen en oppervlakten, teneinde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken, indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling en/of situering blijkt, dat aanpassing van het bestemmingsplan redelijk, gewenst of noodzakelijk is en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft, dat de structuur en karakteristiek van het bestemmingsplan niet worden geschaad.

  • 2. Op de voorbereiding van een besluit tot afwijking als bedoeld in lid 1 onder a en b, voor zover het een gebouw betreft, en onder e is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 6 Overschrijding van bebouwingsgrenzen

  • 1. De bebouwingsgrenzen mogen uitsluitend worden overschreden door:
  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen;
  • b. bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding niet meer dan 12 cm bedraagt;
  • c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, waarbij de overschrijding niet meer dan 50 cm bedraagt;
  • d. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen;
  • e. hijsinrichtingen welke de bebouwingsgrens met niet meer dan 1.00 m kunnen overschrijden.

  • 1. Voor zover de grens met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied wordt overschreden:
    • a. is het aanbrengen van de in lid 1 onder a genoemde bouwwerken of delen van bouwwerken niet toegestaan;
    • b. mogen de in lid 1 onder c genoemde bouwdelen niet lager worden aangebracht dan 4.20 m boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1.50 m langs een rijweg en dan 2.20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de hierboven bedoelde strook;
    • c. mogen de in lid 1 onder e genoemde constructies niet lager worden aangebracht dan 4.20 m boven de gronden met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied.

  • 2. Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de leden 1 en 2 voor:
    • a. toegangen van bouwwerken, die de grens met de bestemming verkeersen verblijfsdoeleinden niet overschrijden, tenzij het betreft een voetpad en overigens met dien verstande dat de overschrijding niet meer dan 1.50 m mag bedragen;
    • b. stoepen, stoeptreden en funderingen, die de grens met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied met niet meer dan 1.50 m overschrijden;
    • c. plinten, pilasters, kozijnen, goten, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, die de bebouwingsgrens met meer dan 12 cm doch niet meer dan 50 cm overschrijden
    • d. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, welke de bebouwingsgrens met meer dan 50 cm overschrijden, mits zij niet lager zijn aangebracht dan:
      • 4.20 m boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1.50 m langs een rijweg;
      • 2.20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder 1 genoemde strook;
    • e. luifels, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, mits zij de bebouwingsgrens met niet meer dan 0,80 m overschrijden en mits zij bij overschrijding van de grens met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied, wat de hoogte boven deze gronden betreft, voldoen aan het bepaalde onder d sub 1 en 2 van dit lid;
    • f. kelderingangen en kelderkoekoeken;
    • g. bouwwerken, waarvan dë bovenzijde niet hoger is gelegen dan:
      • de hoogte van de weg, voor zover de werken in de weg zijn gelegen;
      • de terreinhoogte bij voltooiing van de bouw, voor zover de werken niet in de weg zijn gelegen.

Artikel 7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde, uit te voeren of te doen uitvoeren:
    • a. het rooien en planten van bomen en andere opgaande beplanting voor zover deze voorkomen op de tot het plan behorende bijlage 5 genaamd 'bomeninventarisatie Maasland' van januari 2006 (door bureau Jos van de Lindeloof) waarop bomen, boomgroepen of beplantingen zijn aangegeven;
    • b. het bestraten, herstellen, verharden of anderszins inrichten, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen of stoepranden daaronder begrepen binnen het beschermd dorpsgezicht;
    • c. het veranderen van kaden en het aanbrengen van beschoeiingen of keringen met uitzondering van houten beschoeiingen, die ten hoogste 20 cm boven de hoogste waterstand uitkomen;
    • d. op de gronden die grenzen aan de gronden met de bestemming verkeersen verblijfsdoeleinden: het slopen van gebouwen of delen van gebouwen anders dan ter uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend of ter vernieuwing van onderdelen welke uit het oogpunt van onderhoud noodzakelijk is, alsmede anders dan ter verwezenlijking van het bestemmingsplan.

  • 2. De werken en werkzaamheden, als bedoeld in lid 1, zijn slechts toelaatbaar:
    • a. voor zover het betreft de in lid 1 onder a bedoelde werken en werkzaamheden, indien geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieken van het dorpsgezicht dan wel herstel of verbetering hiervan zeker is gesteld;
    • b. voor zover het betreft de in lid 1 onder b bedoelde werken en werkzaamheden, indien zij naar afmetingen, materiaal en kleur passen in de karakteristieken van het dorpsgezicht;
    • c. voor zover het betreft de in lid 1 onder c bedoelde werken en werkzaamheden indien:
      • kaden, gelegen op of grenzend aan gronden met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied uitsluitend in baksteen worden uitgevoerd en niet hoger zijn dan het niveau van het wegdek;
      • beschoeiingen of keringen, gelegen op of grenzend aan gronden met de bestemming Groen of Tuin niet hoger worden uitgevoerd dan 0,50 m boven het direct aangrenzende niveau van deze gronden en de beschoeiingen uitsluitend in hout of metselwerk worden uitgevoerd; en overigens geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieken van het dorpsgezicht;
    • d. voor zover het betreft de in lid 1 onder d bedoelde werken en werkzaamheden indien en voor zover aan de karakteristieken van het dorpsgezicht geen aanmerkelijke afbreuk wordt gedaan.

  • 3. Het in lid 1 bedoelde verbod geldt niet indien en voor zover voor de desbetreffende werken en werkzaamheden krachtens enige wettelijke regeling een vergunning (afwijking) is verleend, waarbij de in lid 2 bedoelde karakteristieken (mede) onderwerp van overweging moesten zijn.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 8 Autoboxen en bergplaatsen

8.1 Bestemmingsomschrijving
8.1.1

De voor Autoboxen en bergplaatsen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. autoboxen en bergplaatsen;
  • b. erven;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Maatschappelijk' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als autoboxen en bergplaatsen.

8.2 Bouwregels
8.2.1

Bij de bouw van de in lid 8.1.1 genoemde gebouwen worden de navolgende bijzondere bepalingen in acht genomen:

  • a. de gebouwen moeten worden aaneen gebouwd;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m)" is aangegeven;
  • c. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

8.2.2

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel cq. het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen; met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwende zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

Artikel 9 Bedrijf

9.1 Bestemmingsomschrijving
9.1.1

De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven, die genoemd zijn in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 4);
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. erven;
  • d. parkeerplaatsen;
  • e. opslagterreinen, werkterrein;
  • f. Tuinen.

9.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Tuin' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als tuin.

9.2 Bouwregels
9.2.1

Bij de bouw van de in lid 9.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de volgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. gebouwen, ieder behorend tot verschillende bedrijven moeten vrijstaand ten opzichte van elkaar worden gebouwd;
  • c. de goothoogte mag niet meer dan de op de plankaart A aangeduide hoogte bedragen, de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte;
  • d. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

9.2.2

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

9.3 Nadere eisen
9.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, met het oog op de bereikbaarheid van de gebouwen bij calamiteiten, nadere eisen stellen ten aanzien van de plaatsing van de gebouwen.

9.3.2

Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 5 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wel bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 10 Begraafplaats

10.1 Bestemmingsomschrijving
10.1.1

De voor Begraafplaats aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een begraafplaats;

met de daar bijbehorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. paden;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
10.2 Bouwregels
10.2.1

Op en boven deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd in verband met de bestemming, met uitzondering van een gebouwtje ten dienste van de bestemming. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

Artikel 11 Gemengd - 1

11.1 Bestemmingomschrijving
11.1.1

De voor Gemengd - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. eengezinswoning;
  • b. detailhandel;
  • c. dienstverlening;
  • d. autoboxen en bergplaatsen;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • f. tuinen;
  • g. erven;
  • h. verhardingen;
  • i. groenvoorzieningen.

11.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Gemengd - 1' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als woondoeleinden en detailhandel en dienstverlening.

11.2 Bouwregels
11.2.1

Bij de bouw van de in lid 11.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de volgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen niet aan elkaar gebouwde gebouwen moet tenminste 1.20 m bedragen;
  • c. de voorgevelbreedte van de woningen moet tenminste 3.90 m bedragen;
  • d. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 1250 m³ bedragen;
  • e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte, indien geen maximale goothoogte is aangeduid, wordt de goot- en bouwhoogte bepaald door de tot het plan behorende gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7), in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4, met dien verstande dat indien het gebouw, niet voorkomt op de gevelwandtekening de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bestaande hoogte (zie bijlage 6);
  • f. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

11.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • d. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

11.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

11.3 Nadere eisen
11.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 11.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 12 Gemengd - 2

12.1 Bestemmingsomschrijving
12.1.1

De voor Gemengd - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. eengezinswoning;
  • b. kantoren met de daarbij behorende magazijnruimten;
  • c. maatschappelijke voorzieningen;
  • d. autoboxen en bergplaatsen;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • f. tuinen;
  • g. erven;
  • h. verhardingen;
  • i. groenvoorzieningen.

12.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Gemengd - 2' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als woondoeleinden en kantoren en maatschappelijke doeleinden.

12.2 Bouwregels

12.2.1

Bij de bouw van de in lid 12.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de volgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen niet aan elkaar gebouwde gebouwen moet tenminste 1.20 m bedragen;
  • c. de voorgevelbreedte van de woningen moet tenminste 3.90 m bedragen;
  • d. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 750 m³ bedragen;
  • e. de goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7) aangegeven hoogte bedragen, in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4;
  • f. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

12.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • e. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 50% worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden niet meer dan 60 m² bedraagt;
  • f. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 30 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 60 m² doch niet meer dan 75 m² bedraagt;
  • g. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 40%, doch niet meer dan 40 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 75 m² bedraagt;
  • h. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

12.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

12.3 Nadere eisen
12.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 12.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
12.4 Afwijken van de bouwregels
12.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend voor bebouwing van gronden als bedoeld in lid 12.2.2 met een oppervlak van:
    • 1. minder dan 40 m² tot een bebouwd oppervlak van ten hoogste 20 m²;
    • 2. bebouwing van gronden als bedoeld in lid 12.2.2 tot een oppervlak van 60% van die gronden;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 12.4.1 onder a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 13 Gemengd - 3

13.1 Bestemmingomschrijving
13.1.1

De voor Gemengd - 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. eengezinswoning;
  • b. gebouwen ten dienste van bedrijven, die genoemd zijn in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 4);
  • c. autoboxen en bergplaatsen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • e. tuinen;
  • f. erven;
  • g. opslagterreinen;
  • h. werkterreinen;
  • i. verhardingen;
  • j. groenvoorzieningen.

13.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Gemengd - 3' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als woondoeleinden en bedrijven.

13.2 Bouwregels
13.2.1

Bij de bouw van de in lid 13.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de volgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen niet aan elkaar gebouwde gebouwen moet tenminste 1.20 m bedragen;
  • c. de voorgevelbreedte van de woningen moet tenminste 3.90 m bedragen;
  • d. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 1250 m³ bedragen;
  • e. de goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7) aangegeven hoogte bedragen, in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4;
  • f. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

13.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • d. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

13.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

13.3 Nadere eisen
13.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad.

13.3.2

Burgemeester en wethouders kunnen, met het oog op de bereikbaarheid van de gebouwen bij calamiteiten, nadere eisen stellen ten aanzien van de plaatsing van de gebouwen.

13.3.3

Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 13.3.1 en lid 13.3.2 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 14 Groen

14.1 Bestemmingsomschrijving
14.1.1

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. plantsoenen;
  • b. bermbeplantingen;

met de daar bijbehorende:

  • c. wandelpaden;
  • d. inritten;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

14.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Groen' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als groenvoorzieningen.

14.2 Bouwregels
14.2.1

Op en boven deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd in verband met de bestemming. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwende zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

 

Artikel 15 Horeca

15.1 Bestemmingsomschrijving
15.1.1

De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horecavestiging zoals vermeld onder 1a, 1 b en 2 in de bij deze regels behorende bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten met daarbij behorende magazijn- en werkruimten;
  • b. per vestiging ten hoogste één inpandig in de onder a bedoelde gebouwen gebouwde dienstwoning met daarbij behorende autoboxen en bergplaatsen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • d. erven;
  • e. parkeerplaatsen;
  • f. tuinen.

15.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Horeca' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als horecadoeleinden.

15.2 Bouwregels
15.2.1

Bij de bouw van de in lid 15.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de volgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen niet aan elkaar gebouwde gebouwen moet tenminste 1.20 m bedragen;
  • c. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 1250 m³ bedragen;
  • d. de goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7) aangegeven hoogte bedragen, in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4;
  • e. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

15.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • d. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 50% worden bebouwd;
  • e. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

15.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

15.3 Nadere eisen
15.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen.en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 15.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
15.4 Afwijken van de bouwregels
15.4.1

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend voor: bebouwing van gronden als bedoeld in lid 15.2.2 tot een oppervlak van 60% van die gronden;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 15.4.1 onder a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 16 Maatschappelijk

16.1 Bestemmingsomschrijving
16.1.1

De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. per instelling één dienstwoning met de daarbij behorende autobox en/of bergplaats;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • d. verhardingen, zoals speel- en parkeerplaatsen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. tuinen.

16.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Maatschappelijk' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als maatschappelijke doeleinden.

16.2 Bouwregels
16.2.1

Bij de bouw van de in lid 16.1.1 genoemde hoofdgebouwen worden de navolgende bijzondere regels in acht genomen:

  • a. de gebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen niet aan elkaar gebouwde gebouwen moet tenminste 1.20 m bedragen;
  • c. de voorgevelbreedte van de dienstwoningen moet tenminste 6.00 m bedragen;
  • d. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 750 m³ bedragen;
  • e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte, indien geen maximale goothoogte is aangeduid, wordt de goot- en bouwhoogte bepaald door de tot het plan behorende gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7), in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4, met dien verstande dat indien het gebouw niet voorkomt op de gevelwandtekening de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bestaande hoogte (zie 6);
  • f. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

16.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • d. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 50% worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden niet meer dan 60 m² bedraagt;
  • e. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 30 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 60 m² doch niet meer dan 75 m² bedraagt;
  • f. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 40%, doch niet meer dan 40 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 75 m² bedraagt;
  • g. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

16.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

16.3 Nadere eisen
16.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 16.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
16.4 Afwijken van de bouwregels
16.4.1

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend voor:
    • 1. bebouwing van gronden als bedoeld in lid 16.2.2 met een oppervlak van minder dan 40 m² tot een bebouwd oppervlak van ten hoogste 20 m²;
    • 2. bebouwing van gronden als bedoeld in lid 16.2.2 tot een oppervlak van 60% van die gronden;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 16.4.1 onder a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 17 Nutsvoorziening

17.1 Bestemmingsomschrijving
17.1.1

De voor Nutsvoorziening aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebouwen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van de gasvoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. ontsluitingswegen;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • c. terreinen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
17.2 Bouwregels
17.2.1

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m)" is aangegeven;
  • c. de bouwwerken moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangegeven gebied.

17.2.2

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

Artikel 18 Tuin

18.1 Bestemmingsomschrijving
18.1.1

De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen;

waaronder mede begrepen:

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

18.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Tuin' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als tuin.

18.2 Bouwregels
18.2.1

Op en boven deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwende zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

18.3 Afwijken van de bouwregels
18.3.1

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2.1 voor de bouw van hobbykassen, volières en koven met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 6 m² en een hoogte van ten hoogste 2.20 m;

18.3.2

Op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 18.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

 

Artikel 19 Verkeer - Verblijfsgebied

19.1 Bestemmingsomschrijving
19.1.1

De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verkeerswegen;
  • b. parkeerplaatsen;
  • c. rijwiel- en voetpaden;
  • d. speelplaatsjes;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • e. bermstroken;
  • f. taluds;
  • g. beplantingen;
  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

19.1.2

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - brug autoverkeer" is een brug voor autoverkeer toegestaan.

19.1.3

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - brug langzaam verkeer" is een brug voor langzaam verkeer toegestaan.

19.1.4

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als verkeer- en verblijfsdoeleinden.

19.2 Bouwregels
19.2.1

Op en boven deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, zoals viaducten, duikers, bruggen en kaden. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c q . het verlengde daarvan niet meer dan 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

Artikel 20 Waarde - Archeologie 1

20.1 Bestemmingsomschrijving
20.1.1

De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Binnen de gebieden met deze bestemming zijn alle andere bestemmingen ondergeschikt, met uitzondering van de bestemmingen Waterstaat - Primaire waterkering en Waterstaat - Waterstaatdoeleinden, die bovengeschikt zijn aan deze bestemming.

20.2 Bouwregels
20.2.1

Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 20.1.1 bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologische onderzoek noodzakelijk zijn.

20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1

Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien daarvoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels is verleend.

Omgevingsvergunning wordt verleend, indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

20.3.2

Afwijken van de bouwregels, zoals in lid 20.3.1 bedoeld, is niet vereist, indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.

20.3.3

Op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 20.3.1 onder a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven of verruimen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;.
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en de niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

20.4.2

De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 20.4.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

20.4.3

Het verbod, zoals in lid 20.4.1 bedoeld, is niet van toepassing, indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. de werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgvingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;
  • c. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht.
20.5 Wijzigingsbevoegdheid
20.5.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft;
  • c. alvorens een wijziging op het bestemmingsplan toe te passen, vragen burgemeester en wethouders de gemeentelijk archeoloog om advies. Bij een negatief advies van de gemeentelijk archeoloog wordt de vrijstelling niet verleend, dan nadat van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.

Artikel 21 Water

21.1 Bestemmingsomschrijving
21.1.1

De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterlopen ten dienste van de waterhuishouding;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde

21.1.2

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug autoverkeer' is een brug voor autoverkeer toegestaan.

21.1.3

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug langzaam verkeer' is een brug voor langzaam verkeer toegestaan.

21.2 Bouwregels
21.2.1

Op en boven deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, ten behoeve van de waterhuishouding of de verbinding der oevers. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

 

Artikel 22 Waterstaat - Primaire waterkering

22.1 Bestemmingsomschrijving
22.1.1

De voor Waterstaat - Primaire waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een waterkering met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, alsmede secundair voor Wonen (artikel 24), Gemengd - 1 (artikel 11), Gemengd - 2 (artikel 12), Gemengd - 3 (artikel 13), Tuin (artikel 18), Horeca (artikel 15), Maatschappelijk (artikel 16), Autoboxen en bergplaatsen (artikel 8), Verkeer - Verblijfsgebied (artikel 19), Groen (artikel 14) en Waarde - Archeologie 1 (artikel 20), voor zover deze met de bestemming waterkering samenvallen.

22.1.2

Gebruik en bebouwing van de gronden als bedoeld in lid 22.1.1, overeenkomstig de andere daaraan gegeven bestemmingen en overige daarvoor geldende regels, zijn uitsluitend toegestaan, voor zover de belangen van de waterkering daardoor niet wezenlijk worden geschaad.

22.2 Bouwregels
22.2.1

Op de tot Waterstaat - Primaire waterkering bestemde gronden mogen slechts bouwwerken ten dienste van de bestemmingen Wonen, Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3, Tuin, Horeca, Maatschappelijk, Autoboxen en bergplaatsen, Verkeer - Verblijfsgebied, Groen, Waarde - Archeologie 1 worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd, waarvan de hoogte niet meer dan 5.00 m mag bedragen;
  • b. op de in lid 1 bedoelde gronden mogen tevens, voor zover de belangen van de waterkering zulks gedogen, bouwwerken ten dienste van de onderscheiden secundaire bestemmingen worden gebouwd, waarbij het bepaalde in de bouwregels van de onderscheiden bestemmingen van overeenkomstige toepassing is;
  • c. het bevoegd gezag wint, alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vooraf schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering.

Artikel 23 Waterstaat - Waterstaatdoeleinden

23.1 Bestemmingsomschrijving
23.1.1

De voor Waterstaat - Waterstaatdoeleinden aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterstaatdoeleinden (beschermingszone bij de waterkering) met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, alsmede secundair voor Wonen (artikel 24), Gemengd - 1 (artikel 11), Gemengd - 2 (artikel 12), Gemengd - 3 (artikel 13), Tuin (artikel 18), Horeca (artikel 15), Maatschappelijk (artikel 16), Autoboxen en bergplaatsen (artikel 8), Verkeer - Verblijfsgebied (artikel 19) en Waarde - Archeologie 1 (artikel 20), voor zover deze met de bestemming waterkering samenvallen.

23.1.2

Gebruik en bebouwing van de gronden als bedoeld in lid 23.1.1, overeenkomstig de andere daaraan gegeven bestemmingen en overige daarvoor geldende regels, zijn uitsluitend toegestaan, voor zover de belangen van de waterstaatsdoeleinden daardoor niet wezenlijk worden geschaad.

23.2 Bouwregels
23.2.1

Op de tot waterstaatsdoeleinden bestemde gronden mogen slechts bouwwerken ten dienste van de bestemmingen Wonen, Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3, Tuin, Horeca, Maatschappelijk, Autoboxen en bergplaatsen, Verkeer - Verblijfsgebied en Waarde - Archeologie 1 worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. op de in lid 1 bedoelde gronden mogen tevens, voor zover de belangen van de waterstaatsdoeleinden zulks gedogen, bouwwerken ten dienste van de onderscheiden secundaire bestemmingen worden gebouwd, waarbij het bepaalde in de bouwregels van de onderscheiden bestemmingen van overeenkomstige toepassing is;
  • b. het bevoegd gezag wint, alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vooraf schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering.

Artikel 24 Wonen

24.1 Bestemmingsomschrijving
24.1.1

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woonhuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huisverbonden beroep;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

alsmede voor de daar bijbehorende:

  • c. autoboxen en bergplaatsen;
  • d. tuinen en erven;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

24.1.2

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering', 'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden' en 'Waarde - Archeologie 1' zijn deze gronden primair bestemd voor primair waterkering, waterstaatsdoeleinden en archeologisch waardevol gebied en is het bepaalde in artikel 22 (Waterstaat - Primaire waterkering), artikel 23 (Waterstaat - Waterstaatdoeleinden) en artikel 20 (Waarde - Archeologie 1) van toepassing. Waar de bestemmingen 'Waterstaat - Primaire waterkering'/'Waterstaat - Waterstaatdoeleinden', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Wonen' samenvallen, hebben deze gronden primair de functie als waterkering/waterstaatsdoeleinden, secundair als archeologisch waardevol gebied en tertiair als woondoeleinden.

24.2 Bouwregels
24.2.1

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • c. de voorgevelbreedte van een eengezinswoning moet tenminste 3.90 m bedragen;
  • d. de inhoud van een woning, exclusief autobox en/of bergplaats, mag niet minder dan 100 m³ en niet meer dan 1250 m³ bedragen;
  • e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte, indien geen maximale goothoogte is aangeduid, wordt de goot- en bouwhoogte bepaald door de tot het plan behorende gevelwandtekening (kaart B van bijlage 7), in combinatie met de daarbij behorende regels van hoofdstuk 4, met dien verstande dat indien het gebouw, niet voorkomt op de gevelwandtekening de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bestaande hoogte (zie bijlage 6);
  • f. de gebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

24.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen vrijstaand of aaneen worden gebouwd;
  • b. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd;
  • c. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de erfscheiding worden gebouwd;
  • d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 2.75 m bedragen;
  • e. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 50% worden bebouwd, indien de oppervlakte yan deze gronden niet meer dan 60 m² bedraagt;
  • f. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 30 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 60 m² doch niet meer dan 75 m² bedraagt;
  • g. van de buiten het bouwvlak gelegen gronden mag ten hoogste 40%, doch niet meer dan 40 m² worden bebouwd, indien de oppervlakte van deze gronden meer dan 75 m² bedraagt;
  • h. de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten overigens voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels, voor zover zij zijn gelegen binnen het als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied.

24.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte, van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwwerken, geen gebouwende zijnde, gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht, dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 gestelde bijzondere regels.

24.3 Nadere eisen
24.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. nadere eisen kunnen worden gesteld omtrent situering en hoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien deze gebouwen over een lengte van meer dan 3.00 m, hetzij in de erfscheiding, hetzij binnen een afstand van 1.00 m hiervan zullen worden gebouwd, ten einde te waarborgen dat op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en overigens met dien verstande dat daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in lid 24.3.1 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
24.4 Afwijken van de bouwregels
24.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 24.2.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend voor het bouwen van bouwwerken op een perceel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' als bedoeld in lid 24.2.2 met een oppervlak van minder dan 40 m² tot een bebouwd oppervlak van ten hoogste 20 m²;
  • b. op de voorbereiding van een besluit tot afwijken als bedoeld in lid 24.4.1 onder a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Hoofdstuk 3 Gebruik

Artikel 25 Gebruiksregels

25.1

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.

25.2

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van de gronden voor de opslag van bagger en grondspecie;
  • b. het gebruik van de gronden voor de opslag van vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, zand, grind en brandstoffen;
  • c. het gebruik van de gronden voor de opslag van al dan niet voor gebruik geschikte vervoermiddelen of onderdelen daarvan;
  • d. het gebruik van de gronden voor de plaatsing van toer- en stacaravans, woonwagens, tenthuisjes en soortgelijke verblijfsmiddelen;
  • e. het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;
  • f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • g. het gebruik van bouwwerken ten behoeve van umts-masten.

tenzij deze wijzen van gebruik verenigbaar zijn met de doeleinden waarvoor de desbetreffende grond ingevolge het plan mag worden gebruikt, of het de stalling betreft van ten hoogste één toercaravan op het erf bij een woning.

25.3

Burgemeester en wethouders verlenen gehoord de commissie met een omgevingsvergunning afwijking van het bepaalde in lid 25.1 indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet doof dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

25.4

Een dringende reden die een beperking van het meest doelmatige gebruik rechtvaardigt is in ieder geval aanwezig indien door het voorgenomen andere gebruik - gelet op de ligging van de grond of het bouwwerk - het gebruik van gronden en bouwwerken in de omgeving alsmede de door het plan gediende bescherming van het dorpsgezicht in ernstige mate zal worden gestoord, zonder dat door het stellen van voorwaarden, of op andere wijze zodanige stoornis zal zijn te voorkomen.

25.5

Betreft een voorgenomen afwijkend gebruik de uitoefening van detailhandel dan wordt geen omgevingsvergunning voor het afwijken verleend dan nadat van Gedeputeerde Staten, kennis genomen hebbend van de uitkomsten van een distributieplanologisch onderzoek, een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.

Hoofdstuk 4 Beschermd dorpsgezicht

Artikel 26 Algemeen

De ingevolge hoofdstuk 2 toelaatbare gebouwen en andere bouwwerken welke zijn aangeduid als 'overige zone - beschermd dorpsgezicht' moeten voldoen aan de bijzondere regels van dit

hoofdstuk.

Artikel 27 Voorgevels van hoofdgbouwen

27.1 Plaats

De voorgevels van hoofdgebouwen welke in de gevelwandtekeningen zijn opgenomen moeten over hun volle breedte alsmede over de volle breedte van de op de verbeelding aangegeven parcellering in de bebouwingsgrens worden geplaatst dan wel geplaatst gehouden met dien verstande dat per parcellering een doorgang met een breedte van ten hoogste 1.80 m toelaatbaar is.

27.2 Aanzicht klasse I

De voorgevel, welke op de gevelwandtekening in klasse I is ondergebracht moet voor wat betreft de vorm, de afmetingen en de onderlinge verhoudingen van de gevelonderdelen in overeenstemming zijn met de terzake op die gevelwandtekening gegeven aanwijzingen.

27.3 Afwijken

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, ten behoeve van veranderingen in de voorgevels met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 27.2 met dien verstande dat:

  • a. de hoogte met ten hoogste 15% mag worden vermeerderd of verminderd;
  • b. de hoogte en de onderlinge verhoudingen van de gevelonderdelen in overeenstemming moeten blijven met de voor het dorpsgezicht karakteristieke verschillen in hoogte en geleding van de straatwand;
  • c. de aangegeven parcellering niet mag worden veranderd;
  • d. de vorm, de plaats en de onderlinge verhoudingen van de gevelonderdelen gewijzigd mogen worden, indien zulks gebeurt in het kader van een door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg goedgekeurd restauratieplan.
27.4 Aanzicht klasse II

De voorgevel, welke op de gevelwandtekening in klasse II is ondergebracht moet voor wat betreft de vormen en de afmetingen in overeenstemming zijn met de ter zake op die gevelwandtekening gegeven aanwijzingen.

27.5 Afwijken

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 27.4 met dien verstande dat:

  • a. de hoogte met ten hoogste 15% mag worden vermeerderd of verminderd;
  • b. vorm en afmetingen in overeenstemming moeten blijven met de voor het dorpsgezicht karakteristieke verschillen in hoogte en geleding van de straatwand.
27.6 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie ten aanzien van een bouwplan, dat voorziet in veranderingen in een gevel als bedoeld in lid 27.4 nadere eisen stellen met betrekking tot de onderlinge verhoudingen van de gevelonderdelen, teneinde de voorgevel meer in overeenstemming te brengen met de voor het dorpsgezicht karakteristieke verschillen in hoogte en geleding van de straatwand.

27.7 Aanzicht klasse III

De voorgevel, welke op de gevelwandtekening in klasse III is ondergebracht moet voor wat betreft de afmetingen voldoen aan de op die gevelwandtekeningen gegeven aanwijzing met dien verstande dat:

  • a. de hoogte met ten hoogste 15 % mag worden vermeerderd of verminderd;
  • b. de breedte van de gevel niet minder dan 4.00 m en niet meer dan 8.00 m mag bedragen;
  • c. de vorm en de onderlinge verhoudingen van de gevelonderdelen moeten passen in het voor het dorpsgezicht karakteristieke aanzicht van de straatwand.
27.8 Afwijken

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 27.7 onder b voor het vergroten van de voorgevelbreedte tot ten hoogste 12.00 m met dien verstande dat daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het voor het dorpsgezicht karakteristieke aanzicht van de straatwand.

27.9 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, ter verzekering van het vereiste in lid 27.7 onder c, nadere eisen stellen ten aanzien van de vorm en de onderlinge verhoudingen van gevel en gevelonderdelen.

Artikel 28 Daken van hoofdgebouwen

28.1 Hellingshoeken

De hellingshoeken van de dakvlakken van hoofdgebouwen ten opzichte van het horizontale vlak moeten, voor zover de constructie dit toelaat, ten minste 45° en mogen ten hoogste 60° bedragen. De hellingshoeken van aankappingen, die zich bevinden binnen de voor hoofdgebouwen bestemde bebouwingsgrenzen, moeten ten minste 15° bedragen.

28.2 Hoofdgebouwen klasse I

Daken van hoofdgebouwen, die op de gevelwandtekening zijn ondergebracht in klasse I dienen, voor wat betreft de dakvorm en de nokrichting, in overeenstemming te zijn met de uit die tekening terzake blijkende of af te leiden aanwijzingen.

28.3 Hoofdgebouwen klasse II

Daken van hoofdgebouwen, die op de gevelwandtekening zijn ondergebracht in klasse II dienen, voor wat betreft de nokrichting, in overeenstemming te zijn met de uit die tekening terzake blijkende of af te leiden aanwijzingen.

28.4 Afwijken

Het bevoegd gezag kan, gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van lid 28.1 t/m 28.3 voor andere dakvormen, andere hellingshoeken of een andere nokrichting, mits deze passen in de karakteristiek van het dorpsgezicht.

28.5 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen ten aanzien van de nokrichting van daken van hoofdgebouwen, die op de gevelwandtekening in categorie III zijn ondergebracht, in die zin, dat deze evenwijdig aan de weg mag lopen indien de gevelbreedte meer dan 5.00 m bedraagt en dat deze loodrecht op de weg mag staan indien de gevelbreedte minder dan 7.00 m bedraagt.

Artikel 29 Uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen

29.1 Verschijningsvorm

De verschijningsvorm van de uit- en aanbouwen en bijgebouwen moet passen in het voor het dorpsgezicht karakteristieke aanzicht van de achtergevels als geheel.

29.2 Daken

De aan- en uitbouwen en de bijgebouwen moeten worden afgedekt met een kap, waarvan de hellingshoek ten opzichte van het horizontale vlak mogen bedragen:

  • a. niet minder dan 15° in geval van aankapping aan een hoofdgebouw;
  • b. niet minder dan 45° en niet meer dan 60° in andere gevallen.
29.3 Afwijken

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 29.2 voor het afdekken met een plat dak, indien het betreft gebouwen met een oppervlakte van niet meer dan 10 m².

29.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie ter verzekering van het behoud of de verbetering van het voor het dorpsgezicht karakteristieke aanzicht van achtergevels nadere eisen stellen omtrent plaats, afmetingen en verschijningsvorm.

Artikel 30 Erfafscheidingen

30.1

Gebouwde erfafscheidingen, die gelegen zijn aan of zichtbaar zijn vanaf de openbare weg dienen te voldoen aan de navolgende vereisten:

  • a. indien zij op de gevelwandtekening in klasse I zijn ondergebracht, moeten zij voor wat betreft de vorm, de afmetingen en de onderlinge verhoudingen van de onderdelen van de erfafscheiding in overeenstemming zijn met de ter zake op die gevelwandtekening gegeven aanwijzingen;
  • b. indien zij op de gevelwandtekening in klasse II zijn ondergebracht, moeten zij voor wat betreft de vorm en de afmetingen in overeenstemming zijn met de ter zake op die gevelwandtekening gegeven aanwijzingen;
  • c. zij mogen uitsluitend bestaan uit metselsteen, hout, hekwerken van hout of van giet-of smeedijzer, of uit combinaties van metselsteen met genoemde hekwerken;
  • d. de hoogte van hekwerken moet ten minste 0.75 m en mag ten hoogste 2.00 m bedragen;
  • e. de hoogte van gesloten stenen of houten erfafscheidingen moet ten minste 0.60 m en mag ten hoogste 0.80 m bedragen, met dien verstande dat deze hoogte op gronden met de aanduiding 'bijgebouwen' ten hoogste 2.00 m mag bedragen;
  • f. binnen een afstand van 2.00 m uit de waterkant mogen geen gesloten erfafscheidingen worden gebouwd.
30.2

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie:

  • a. nadere eisen stellen met betrekking tot de punten, genoemd in lid 30.1 onder c t/m e, alsmede met betrekking tot kleuren, zulks ter verzekering van het behoud of de verbetering van de karakteristieken van het dorpsgezicht;
  • b. met een omgevingsvergunning afwijken van een of meer der bepalingen van lid 30.1, mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieken van het dorpsgezicht.

Artikel 31 Kaden en beschoeiingen

31.1

Gebouwde kaden, die gelegen zijn op of grenzen aan gronden met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied mogen uitsluitend worden uitgevoerd in baksteen en mogen niet hoger gebouwd dan het niveau van het wegdek.

31.2

Gebouwde beschoeiingen, die gelegen zijn op of grenzen aan gronden met de bestemming erf, Groen of Tuin mogen uitsluitend in hout worden uitgevoerd en mogen niet hoger worden dan 0.50 m boven het direct aangrenzende niveau van deze gronden.

31.3

Het bevoegd gezag kan gehoord de commissie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 31.1 en 31.2 mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieken van het dorpsgezicht.

Artikel 32 Materiaalgebruik en kleuren van zichtbare gevels en geveldelen alsmede van daken

32.1 Gevels

Van de gronden met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied van ooghoogte zichtbare gevels of gedeelten van gevels mogen niet anders dan in baksteen, natuursteen of pleisterwerk worden uitgevoerd, een en ander met inachtneming van hetgeen terzake uit bijlage 1 van de regels blijkt.

32.2 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, nadere eisen stellen omtrent de kleuren van schilderwerk, teneinde gevels of geveldelen meer in overeenstemming te brengen of te houden met de karakteristiek van de desbetreffende straatwand of althans beter te doen passen in de karakteristiek van straatwanden als geheel, een en ander met dien verstande dat:

  • a. stenen gevels of geveldelen uitsluitend in baksteen, natuursteen of pleisterwerk mogen worden uitgevoerd;
  • b. de kleur van houten delen van gevels ondergebracht in de klassen I en II zoveel mogelijk ontleend moet worden aan de kleurschakering, die toepassing vond in de historische periode waaruit de gevel of het geveldeel afkomstig is.
32.3 Daken

De daken der gebouwen mogen uitsluitend worden afgedekt met gegolfde, gebakken pannen, met leisteen of met materiaal dat werd toegepast in de historische periode van herkomst van het dak.

32.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de commissie, voor wat betreft de toepassing van gegolfde gebakken pannen of leisteen nadere eisen stellen, zowel met betrekking tot de keuze van het materiaal als met betrekking tot de kleur, doch zulks uitsluitend ten einde het aanzicht der daken zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen of te houden met de karakteristiek van het dorpsgezicht.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotregels

Artikel 33 Overgangsrecht

33.1 Overgangsrecht bouwwerken
33.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet worden vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

33.1.2 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

33.1.3 Uitzondering

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

33.2 Overgangsrecht gebruik
33.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

33.2.2

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

33.2.3 Veranderen strijdig gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

33.2.4 Uitzondering

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende (bestemmings)plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 34 Strafregel

Overtreding van het bepaalde in artikel 7 lid 1, artikel 20 lid 6 en artikel 25 lid 1 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2° van de Wet op de economische delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet.

Artikel 35 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Historische kern Maasland'.