direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Platschelp nabij 5 te Monster
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie Platschelp nabij 5 te Monster is een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het realiseren van twee appartementblokken bestaande uit 34 appartementen. Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerend bestemmingsplan ''Duingeest''. Om de bouw van beide appartementenblokken te doen starten, moet een ruimtelijke procedure doorlopen worden. De gemeente Westland is voornemens om medewerking te verlenen aan het onderhavig initiatief. Om die reden wordt in dit document een ruimtelijke onderbouwing gegeven op basis waarvan een procedure (ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo) kan worden gevoerd, zodat binnen de wettelijke kaders medewerking aan het bouwinitiatief kan worden verleend.

De ruimtelijke onderbouwing geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de eis van een goede ruimtelijke ordening. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden die gehanteerd zijn bij de planontwikkeling in de onderbouwing verwoord. Ook wordt het bouwplan getoetst aan verschillende milieu-aspecten en afgesloten met een toetsing aan de uitvoerbaarheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0001.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0003.png"

Impressies appartementenblokken Platschelp nabij 5

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt tussen de locaties Platschelp nr. 5 (zuidzijde) en Hartschelp (noordzijde) in Monster. De percelen MSR00F 3138G0000 en MSR00F 3401G0000 maken onderdeel uit van het plangebied. Hieronder wordt het plangebied visueel weergegeven middels een satelliet kaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0004.png"

Ligging plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied zijn de volgende planregimes van kracht:

  • Duingeest, onherroepelijk 19-04-2013;
  • Paraplubestemmingsplan Parkeernormen, vastgesteld 20-02-2018.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0005.png"

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Woongebied 4” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen;

b. een hoofdgebouw als appartementencomplex;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijn die noodzakelijk zijn voor het wonen;

d. het uitoefenen van een aan huis gebonden onderneming in samenhang met het wonen;

e. ter plaatse van de functieaanduiding ‘parkeergarage’ (pg), een parkeergarage;

met daarbij behorende:

f. verkeersverbindingen;

g. groenvoorzieningen;

h. waterlopen en waterpartijen

i. voet- en fietspaden;

j. bouwwerken voor algemeen nut;

k. speelvoorzieningen;

l. keerwanden.

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met bovengenoemd artikel, te meer omdat het te realiseren complex onder meer de in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte en bouwvlakken overschrijdt. Om deze ontwikkeling te doen realiseren, is een ruimtelijke procedure nodig conform 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo.

1.4 Leeswijzer

De omgevingsvergunning "Platschelp nabij 5 te Monster" bestaat uit onder meer uit deze ruimtelijke onderbouwing . De onderhavige onderbouwing is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. Tot slot wordt in Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ruimtelijke onderbouwing.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040

Na een periode van ongekende groei heeft de economische conjunctuur een ongewild moment van bezinning gebracht. Ambities en de realiteit van alledag sluiten niet meer op elkaar aan. Met dit besef stelt de gemeente haar structuurvisie op, in de wetenschap dat de rol van de overheid de komende jaren zal veranderen. De visie geeft een ruimtelijk toekomstperspectief, ons streven voor de langere termijn, zonder daarbij de realiteit uit het oog te verliezen. In het perspectief 2040, dat in dialoog met de samenleving tot stand is gekomen, staan de ambities voor de toekomst van Westland. Hierin staan ook de kernwaarden die we als meetlat gebruiken bij toekomstige afwegingen of ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt of niet. We zetten zo eerst de stip op de horizon om aan te geven waar we naartoe willen. Op basis daarvan gaan we aan de slag met ruimtelijke ontwikkelingen die ons dichter bij het geschetste perspectief brengen. Met deze visie op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) faciliteert Westland de gewenste ontwikkelingen en stelt het tegelijkertijd het ruimtelijk kader tot 2025, met het besef dat de uitwerking aan vele partijen is. Westland wil ontwikkelingen mogelijk maken en niet opleggen onder het adagium ‘alleen ga je sneller, samen kom je verder'. Deze visie gaat uit van participatie planologie, wat betekent dat de gemeente nadrukkelijk andere partijen uitnodigt en haar partners zoekt bij het verwezenlijken van een gedeelde ambitie. De visie is het beleidsbepalend document voor ruimtelijke ontwikkeling in Westland, waarmee duidelijkheid wordt verschaft aan ontwikkelende partijen en over de functionele invulling van gebieden. De structuurvisie biedt een juridische basis voor bovenplanse verevening en vormt de basis voor bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen in anterieure overeenkomsten met marktpartijen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0006.jpg"

Verkeer- en vervoerbeleid

In de structuurvisie Westland uit 2014 is in hoofdlijnen het verbeteren van de bereikbaarheid van Westland opgenomen. Het verbeteren van de bereikbaarheid ondersteunt de ambities om een duurzame Greenport gemeente zijn, waar het goed wonen, werken en recreëren is. Speerpunten voor de bereikbaarheid zijn:

  • Aansluiting op het rijkswegennet verbeteren;
  • Realiseren vlinderstructuur Westland;
  • Mobiliteitsmanagement;
  • Hoogwaardig openbaar vervoer ontwikkelen;
  • Langzaam verkeer stimuleren;
  • Ontsluiting kernen en glastuinbouwgebieden verbeteren.


De kaders voor onder andere duurzaam veilige inrichting van de wegen en de parkeernormen zijn opgenomen in het Westlands Verkeer en Vervoerplan, vastgesteld door de raad van de gemeente op 28 november 2006.

Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018

In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).

Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

Integrale handhaving Wabo taken

Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.

Woonvisie

“Westland is een unieke, internationaal toonaangevende, goed bereikbare en duurzame Greenportgemeente, waarin het goed wonen, werken, ondernemen en recreëren is”. Dit is de kernambitie van de Structuurvisie Westland 2025 (perspectief 2040), die in 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. De Woonvisie is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2009 en richt zich op het deelonderwerp “wonen” van de structuurvisie Westland.

Karakter en functie Woonvisie

De woningmarkt is continu in beweging. Dit verdraagt geen strak gedetailleerd programma, maar een kader voor beslissingen. De Woonvisie biedt het kader voor besluiten over programma's, inzet van middelen en capaciteit en geeft richting aan het handelen van de gemeente en haar partners. De Woonvisie is in overleg met de woningcorporaties tot stand gekomen en via een discussiebijeenkomst met andere partners op volkshuisvestingsgebied besproken.

Prioriteiten en uitgangspunten van de Woonvisie

De "Woonvisie Westland 2030" geeft de prioriteiten, uitgangspunten en visie hoe Westland er in 2030 uit moet zien.

De hoofdthema's van Woonvisie zijn:

Betaalbaarheid

  • doelgroepen die aangewezen zijn op “betaalbare” woningen;
  • grootte en differentiatie sociale woningvoorraad;
  • woonlasten.

Doorstroming en wooncarrière (met name focus op)

  • “scheef woners” (inkomens > € 43.000 in de sociale woningvoorraad);
  • senioren (doorstroming vanuit sociale eengezinswoning).

Ruimtelijke verdeling (in en om de kernen)

  • vitale kernen (bevolkingsopbouw, voorzieningen en (openbare) ruimte);
  • slaagkansen inwoners Westland;
  • uitleglocaties (regiopotentie).

Kwaliteit van de woningvoorraad

  • levensloopgeschiktheid / aanpasbaarheid;
  • duurzaamheid.

Beleid en beleidsregels voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in Westland

In deze Nota wordt aangegeven dat het wenselijk is een goede ruimtelijke spreiding van de verkooppunten van consumentenvuurwerk te bewerkstelligen. Doel bij een ruimtelijke benadering is het bereiken van een gelijkmatige spreiding van (kleine) bedrijven voor verkoop en opslag van consumentenvuurwerk over Westland, om op deze wijze straathandel en vuurwerktoerisme zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet er binnen elk verzorgingsgebied sprake zijn van voldoende (vuurwerk)aanbod om de lokale markt te voorzien en zodoende illegale handel in principe overbodig te maken en te voorkomen.

Het uitgangspunt voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk van de gemeente Westland is:

Ruimte bieden aan ondernemers voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk met inachtneming van veiligheid en milieuregelgeving onder voorwaarde van een goede ruimtelijke spreiding.

Met daarbij de volgende randvoorwaarden:

  • in de gemeente Westland wordt alleen consumentenvuurwerk opgeslagen. Opslag en verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan;
  • iedere vestiging van opslag en verkoop van consumentenvuurwerk zal worden getoetst aan voldoende ruimtelijke spreiding in de gemeente Westland;
  • in de gemeente Westland worden maximaal 18 vestigingen voor opslag- en verkooppunten van consumentenvuurwerk toegestaan;
  • opslag tot en met 1.000 kg is beperkt toegestaan in de dorpskernen;
  • nieuwe vestiging in dorpskernen is niet toegestaan;
  • de vestiging van bedrijven met een opslag tot en met 10.000 kg heeft de voorkeur in gebieden waar een bedrijfsbestemming geldt of in tuincentra;
  • opslag boven de 10.000 kg consumentenvuurwerk is uitgesloten;
  • bestaande bedrijven in strijd met deze uitgangspunten mogen de activiteiten voortzetten.

In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet is toegestaan.

2.1.2 Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc..

 

De ambitie is dat het in heel Haaglanden voor iedereen goed wonen, werken en ontspannen is. De ruimtelijke structuur moet mensen stimuleren maatschappelijk actief te zijn en zich te ontwikkelen. Voldoende (ruimte voor) werkgelegenheid, een goed leefmilieu, een veilige leefomgeving, sociale cohesie en een herkenbare omgeving met identiteit zijn hiervoor van belang. Ook moeten de gewenste voorzieningen voor onderwijs, zorg, cultuur en sport goed bereikbaar zijn. Het RSP 2020 heeft voor deze onderwerpen vooral een faciliterende, stimulerende en attenderende rol.

De vraag naar woningen, bedrijven en kantoren houdt aan, maar de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied gaat al snel ten koste van het groen, de Greenport of de ruimte voor water. Dit betekent dat deze ruimte in het bestaande stedelijke gebied gevonden moet worden en efficiënt moet worden gebruikt. Herstructurering en intensief ruimtegebruik zijn hierbij belangrijke middelen. Als onderdeel van het intensief en meervoudig ruimtegebruik in binnenstedelijke wijken en buurten moet functiemenging mogelijk zijn.

Het beheer en onderhoud van groengebieden heeft aandacht nodig. Onvoldoende en versnipperd beheer van bestaande bossen en recreatiegebieden leidt tot verwaarloosde zones die ongewenste activiteiten aantrekken. In het onderhoud van deze gebieden is het ontwikkelen van de 'tweede generatie' beplanting achterwege gebleven. Bovendien moet de inrichting worden aangepast aan de wensen van de hedendaagse recreanten. Barrières en onaantrekkelijke, niet onderhouden entrees van bestaande groengebieden dragen bij aan slechte bereikbaarheid. Een goed bomenbeleid helpt om landschappelijke eigenheid te waarborgen.

 

2.1.3 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit provincie Zuid-Holland (1 augustus 2014)

Algemeen

De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld maar een perspectief voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Zuid Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt en bevat voldoende flexibiliteit om in ruimtelijke ontwikkelingen te reageren op maatschappelijke initiatieven.

In de visie zijn vier rode draden aangegeven welke richting geven aan de gewenste ontwikkelingen vanuit de provincie namelijk:

  • 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. Vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Ruimtelijke hoofdstructuur

Het beleidsbeeld van de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur combineert de huidige ruimtelijke situatie, de vier rode draden en de strategische doelstellingen. Het beeld toont de essentie en de samenhang van de verschillende kaartbeelden uit de Visie ruimte en mobiliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0007.jpg"

De ruimtelijke hoofdstructuur

Programma ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma mobiliteit en de Verordening ruimte opgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. Beiden worden vastgesteld door Provinciale Staten. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid.

Zuid-Holland heeft een rijke voedingsbodem voor een groot aantal krachtige economische clusters en topsectoren. Een belangrijke sleutel voor een sterke en veerkrachtige economie is het innoverend vermogen van mensen en bedrijven. Wanneer talent, bedrijven en banen dicht bij elkaar verkeren, ontstaan (agglomeratie)voordelen. De Zuidelijke Randstad en de grote economische complexen in Zuid-Holland vormen in potentie één grote agglomeratie, die enorme schaal- en clustervoordelen met zich mee kan brengen. De Mainport en de Greenports zijn schoolvoorbeelden van goed werkende clusters. De provincie streeft naar het creëren en benutten van die schaal- en clustervoordelen.

2.1.4 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0008.jpg" 

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

2.1.5 Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project 'Platschelp nabij 5 ' (de verwezenlijking van twee appartementcomplexen) past binnen het geldend overheidsbeleid.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1 Inventarisatie van waarden

Het plangebied is gelegen in de woonwijk Duingeest, Monster. Het vigerend bestemmingsplan 'Duingeest' kent de enkelbestemming 'woongebied-4' met de functieaanduiding parkeergarage.

2.2.2 Ruimtelijke aspecten

De locatie van het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van het woongebied Duingeest en zuid-westelijke kant van de kern Monster. Het plangebied wordt omringd door de erftoegangswegen Platschelp en Hartschelp. Deze erftoegangswegenstructuur is middels de Zeereep ontsloten met 's-Gravenzandseweg. Het plangebied is verder aan te merken als een rustige woonwijk.

De beoogde 2 appartementengebouwen vormen een stedenbouwkundig ensemble op de top van een landschappelijk reliëf. Dit loopt over in het openbare groen van de naastliggende ecologische zone. De twee gebouwen zijn als het ware in het duinlandschap gestrooid. Er ontstaat hierdoor een informele setting die goed past bij het karakter van de wijk en het aanliggende duinlandschap.

Het plan betreft de bouw van 34 woningen in 2 appartementengebouwen met onder ieder gebouw een plint met daarin o.a. een enigszins verdiepte parkeergarage en de bergingen. De vloer van de parkeerlaag ligt 0,7 m onder de kruin van de weg. De plint valt grotendeels weg achter een groen talud dat langs de weg is voorzien. Er zijn 46 parkeerplaatsen voorzien onder de gebouwen met nog 4 onoverdekt allen op eigen terrein. In de openbare ruimte zijn er 53 voorzien middels langsparkeerplaatsen aan de weg.

Het zuidelijkste blok van de twee gebouwen (Blok 3) bestaat deels uit 4- en deels uit 5 woonlagen bovenop de daar deels onder uit stekende plint. De plint is zo'n 40 tot 47 m breed (gerend) en tot 20 m diep. De bovenliggende woonlagen zijn ca 39m breed en 13 tot 16 m diep. Balkons steken daar nog zo'n 3 m uit. De bovenste verdiepingen zijn voorzien van kappen met een nokhoogte van 21,6 m t.o.v. de vloer van de plint en 20,9 m t.o.v. de kruin van de weg.

Ook het noordelijkste gebouw (Blok 4) bestaat deels uit 4- en deels uit 5 woonlagen boven een uit stekende plint. De plint is zo'n 43 m breed en 22 tot 27m diep. De bovenliggende woonlagen zijn ca 41 m breed en 13 tot 17 m diep met eveneens 3m diepe balkons. De bovenste verdiepingen zijn plat afgedekt met een bouwhoogte van zo'n 20 m t.o.v. de vloer van de plint en 19,3 m t.o.v. de kruin van de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0009.png"

Situering Blok 3 en 4

2.2.3 Wenselijke afwijking van het bestemmingsplan

De bouw en realisatie van blok 3 en 4 met in totaal 34 appartementen is in beginsel mogelijk binnen het huidige bestemmingsplan. Echter vergt het project een wijziging van de bouwvlakken en bouwhoogtes. Door te kiezen voor vier appartementengebouwen ontstaat er een kleinere korrel, die beter aansluit bij de grondgebonden woningen in de omgeving.

Ook zijn er meer doorzichten tussen de gebouwen mogelijk, wat de ruimtelijke beleving vergroot. De bouwhoogte wordt (beperkt) overschreden als gevolg van de architectonische compositie in de dakvorm. De extra hoogte wordt niet gebruikt ten behoeve van een extra woonlaag.

Om die reden is gekozen voor een procedure (ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo) voor bovengenoemde afwijkingen.

2.2.4 Inventarisatie van functies

Op basis van het vigerend bestemmingsplan zorgt de realisatie van de appartementenblokken niet voor een toename van het totaal aantal woningen. Het maximaal aantal te realiseren appartementen binnen het bestemmingsplan bedraagt 103. Dat worden er nu in totaal 86. Dit lagere aantal zal de inpassing in het landschap maar ook de druk vanuit het verkeer op de omliggende wijk ten goede komen.

De huidige bestemming 'woongebied-4' laat maximaal 103 appartementen toe waarbij tevens verkeersverbindingen, groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen, voet- en fietspaden; bouwwerken voor algemeen nut, speelvoorzieningen en keerwanden mogelijk zijn.

Rondom het plangebied zijn met name woon- en groenbestemmingen gevestigd. Hier is de realisatie van het plan rekening mee gehouden.

2.2.5 Verkeer en parkeren

Het project voldoet aan het geldend parkeerbeleid in gemeente Westland. Zo worden er 48 parkeerplaatsen inpandig gerealiseerd. Daarnaast komen er voldoende openbare parkeerplaatsen in het gebied. Ook de maatvoering van parkeerplaatsen in de parkeergarage is conform NEN2443. Hierdoor voldoet het project aan de geldende parkeerbeleid en -regelgeving, te meer aan artikel 3.1 onder b onder 3 van het paraplubestemmingsplan Parkeernormen.

De parkeerbehoefte is een belangrijk onderwerp in het project. Voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen is veel ruimte nodig. Het plan voorziet om die reden in parkeergelegenheden iets verdiept onder de gebouwen te realiseren. De verdeling van de parkeerplaatsen is op die manier beter geregeld. Zo parkeert elke bewoner dicht bij zijn woning onder het eigen complex.

2.3 Gebiedsvisie

Bestaande situatie

De wegenstructuur van de uitbreiding Duingeest is in het verleden al aangelegd en een aantal woningen ten noorden en noordoosten van het voorliggende bouwplan is al gerealiseerd of momenteel in aanbouw. Het stratenpatroon heeft een organische vorm met gebogen wegen, waardoor de voorgevels van de woningen ten opzichte van elkaar verspringen. Het plan bevat verschillende woningtypen. Circa de noordoostelijke helft van Duingeest is inmiddels gerealiseerd of vergund. Het betreffende bouwplan ligt aan de zuidwestelijke zijde van de uitbreiding. Recent is ook planologische procedure doorlopen en vergunning verleend voor 2 appartementenblokken op één gezamenlijke begane grondlaag in aansluiting op- en in het verlengde van dit bouwplan.

Strijdigheden

Binnen de bestemming "Woongebied – 4" van het bestemmingsplan 'Duingeest' zijn bouwvlakken aangegeven waarbinnen een maximale bouwhoogte is toegestaan van 15,5 m gemeten vanaf de kruin van de aangrenzende weg, waarbij over ten hoogste 30% van het te bouwen oppervlak een extra bouwhoogte is toegestaan van maximaal 18.5 meter. Het voorliggende plan is deels buiten de bouwvlakken gepositioneerd en de toegelaten bouwhoogte wordt overschreden. De planregels bevatten wel een mogelijkheid tot afwijken van deze maat met ten hoogste 10%, maar dat voldoet hier niet.

Binnen de bestemming zijn eigenlijk ook alleen hoofdgebouwen en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde' toegestaan. Gezien de begripsomschrijving van hoofdgebouw zijn buiten de hoofdmassa gelegen delen en/of ruimtes met een niet woonfunctie zoals de containeropslagruimte strikt genomen strijdig.

In de bestemming “Woongebied-4” is een parkeergarage toegestaan binnen de functieaanduiding 'parkeergarage (pg)'. Het bouwplan met parkeergarages in de plint valt deels buiten deze aanduiding.

Daarnaast zijn de 2,8m hoge keerwanden van bij de entrees en het talud strijdig. Keerwanden mogen tot maximaal 0,5m boven het direct aangrenzende maaiveld worden gebouwd. Er bestaat een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot ten hoogste 6m.

Stedenbouwkundig advies

Zoals hierboven is aangegeven is niet lang geleden al afgeweken voor 2 appartementenblokken aansluitend aan de zuidzijde van dit bouwplan. Daarmee werd al gekozen voor de bouw van 4 blokken in plaats van de 3 die in het bestemmingsplan waren voorzien. Bij die afwijking zijn 52 woningen vergund. Binnen de geldende bestemming “Woongebied-4” zijn maximaal 103 woningen toegestaan. Met het voorliggende bouwplan blijft dat aantal uiteindelijk beperkt tot slechts 86 woningen, wat onder meer ten goede komt aan de ruimte- en verkeersdruk in Duingeest.

Blok 4 overschrijdt het bouwvlak vooral aan de voor- en achterzijde op het bouwvlak op bepaalde plekken tot ca 3m. Deze overschrijding betreft voornamelijk de begane grondlaag en delen van balkons aan de achterzijde. De overschrijding is meestal beperkt tot ca 1m met een uitzondering van ca 4m voor de containerruimte aan de voorzijde. Blok 3 overschrijdt het bouwvlak vooral in het deel dat voorzien was als de ruimte tussen twee gescheiden blokken. Voor het overige wordt het bouwvlak alleen met kleine hoekjes (max 2m) overschreden door de plint en door balkons aan de achterzijde. De overschrijdingen aan de voorzijde vormen stedenbouwkundig geen probleem omdat de plint nagenoeg geheel achter het talud en daarmee uit beeld liggen vanuit de openbare ruimte. De overschrijdingen door de balkons aan de achterzijde zijn acceptabel, omdat het open constructies betreft. Tevens wordt hiermee ruimtelijke een relatie gelegd vanuit het gebouw met de achtergelegen ecologische verbindingszone. De overschrijding door het middendeel van blok 3 is een logisch gevolg van het bouwen van 4 blokken in plaats van 3.

Het bouwen van de parkeergarage onder de gebouwen draagt bij aan realisatie van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en beoogd meervoudig ruimtegebruik. De gebouwen worden mede hierdoor wel iets hoger. In combinatie met de beperkte overschrijdingen van het bouwvlak aan de voor- ic. noordoostzijde levert de overschrijding van de toegelaten bouwhoogtes echter geen verslechtering op met betrekking tot schaduwhinder ten opzichte van de bouwmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan. Dit komt mede doordat de woonlagen boven de plint verder naar achteren zijn geplaatst ten opzichte van de weg en de beoogde woningen aan de overzijde van de weg.

Bezonningsstudies op basis van de normaliter door de gemeente gehanteerde lichte TNO-norm laten zien dat de bezonning met dit bouwplan enigszins verbetert ten opzichte van de mogelijkheden in het geldende bestemmingsplan. Daarbij zien we dat In februari pas in de middag rond 14:00 uur schaduw op de gevels van de tegenovergelegen woningen valt, in juni pas laat in de avond en in oktober vanaf zo'n 15:00 uur in de middag. Alles voldoet dus ook ruimschoots aan de TNO normen.

Deze studie is als Bezonning Bestemmingsplan en Bezonning Bouwplan bijgevoegd bij de ruimtelijke onderbouwing. De gehele studie geeft een indicatie van de mogelijke schaduwwerking op omliggende gebouwen op verschillende representatieve tijdstippen van het jaar.

De hogere keerwanden zijn weliswaar strijdig, maar aan de straatzijde ligt hier een groen talud tegenaan. De muur is daardoor slechts deels zichtbaar vanaf de openbare ruimte en op deze manier kan de parkeergarage op de begane grond grotendeels aan het oog worden onttrokken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt vanuit stedenbouwkundig oogpunt geadviseerd medewerking te verlenen aan dit bouwplan.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Bedrijven en milieuzonering

3.1.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

In gebieden waar bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies naast elkaar voorkomen en zelfs gewenst zijn, wordt gebruikgemaakt van de SvB 'functiemenging'. Bij deze lijst wordt per bedrijfsactiviteit bekeken in welke mate deze direct naast woningen toelaatbaar is. Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' wordt verwezen naar de brochure.

3.1.2 Onderzoek

Het plangebied moet worden aangemerkt als een rustige woonwijk wat betreft omgevingstype, aangezien het een woonwijk is welke wordt ingericht volgens het principe van functiescheiding. Langs de zuidwest- en noordoost rand van het gebied is weinig verstoring. Het aanliggende gebied is ingericht of bestemd als natuurgebied en woongebied. Het plangebied grenst in het zuiden aan het bedrijventerrein Monster.

Het bedrijventerrein is voorzien van milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een minimale richtafstand van 50 meter. De bedrijfsbestemmingen zijn gelegen op een afstand van meer dan 150 meter. Hiermee vormt het bedrijventerrein geen belemmering voor de realisatie van het project. Het nabijgelegen themapark “De Westlandse Druif” is aan te merken als een museum. Hiervoor geldt een richtafstand van minimaal 10 meter. Het themapark is gelegen op 30 meter van het plangebied. Nader onderzoek is dan ook niet nodig ten behoeve van dit project

3.1.3 Conclusie

Op grond van de ligging van het plangebied en de bestemmingen/inrichtingen ontstaan er geen milieuhygiënische belemmeringen inzake het project.

3.2 Geluid

3.2.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.2.2 Onderzoek

In verband met de voorgenomen realisatie van de appartementenblokken in het plangebied, is door Goudappel Coffeng op 20 november 2018 een akoestisch onderzoek (zie Akoestisch Onderzoek) uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de N211 ’s-Gravenzandseweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt in geen geval overschreden.

De eerder uitgevoerde geluidsrecuderende maatregelen aan de wegdek zijn in dit geval onvoldoende. Om die reden is ontheffing voor een hogere waarde verzocht aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Westland. De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) toetst, namens de gemeente Westland, de bovengenoemde procedure aan de geldende normen. De genoemde ontwerpbeschikking heeft per 21 februari 2019 ter inzage gelegen.

3.2.3 Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Op grond van de bovenstaande resultaten is gebleken dat de voorkeursgrenswaarden binnen het project worden overschreden, echter wordt voor deze minimale overschrijding een ontheffingsbesluit verleend. Dit houdt in dat het project op dit aspect niet wordt belemmerd.

3.3 Luchtkwaliteit

3.3.1 Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 ìg/m³   2010 t/m 2014   
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 ìg/m³      
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³       
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); 
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); 
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); 
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); 
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

 

Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.3.2 Onderzoek

Het woningbouwplan moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). In de bijbehorende Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) wordt een dergelijke locatie aangewezen als een locatie die niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit (voorschrift 3B.2 van Bijlage 3a van die regeling).

De voorwaarde hiervoor is dat een dergelijke woningbouwlocatie in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat.

Gezien de aard en de omvang van het onderhavige bouwplan (maximaal 52 appartementen met één ontsluitingsweg) is het dus uitgesloten, dat het bouwplan leidt tot een in betekenende mate bijdragen aan de concentraties fijn stof en NO2.

3.3.3 Conclusie

Het project wordt bestempeld als een project van niet in betekenende mate. Hierdoor is er geen verdere toetsing nodig en vormen de luchtkwaliteitsvereisten geen belemmering voor het verdere project.

3.4 Externe veiligheid

3.4.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.


Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.4.2 Onderzoek

Inleiding

Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.


In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.


In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.


Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden.

Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend.


Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven.


In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.

In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen in relatie tot kwetsbare objecten. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen is derhalve voor dit plan niet nodig.


Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen.


De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd.


Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.


Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in
werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling).
Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).


Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.


In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water vindt niet plaats in of in de omgeving van het plangebied.


Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.


De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.


Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording:

  • 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of
  • 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen is derhalve voor dit plan niet nodig.

Explosieven

Voor de eventuele aanwezigheid van ondergrondse conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog is op basis van de gemeentelijke explosievenkaart (te raadplegen via de website van de gemeente) bureauonderzoek gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied dergelijke explosieven niet aanwezig zijn.

3.4.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de verdere uitvoering van het project. Nader onderzoek is op grond van bovengenoemde gegevens niet nodig.

3.5 Water

3.5.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.
  • Nationaal waterplan

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Visie Ruimte en Mobiliteit;
  • Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.


Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.

 

Provinciaal beleid
Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.

In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid:

  • de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol;
  • aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem;
  • het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid;
  • tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken  voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021.

Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.

De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.

De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.

De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.

 

Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:

  • de waterveiligheid;
  • het waterbeheer;
  • de waterkwaliteit;
  • het zuiveren van afvalwater.

Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.

De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:

  • 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering;
  • 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen;
  • 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden;
  • 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in juli 2016) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten:

  • beleidskader omtrent water;
  • waterkeringen;
  • waterkwantiteit;
  • waterkwaliteit en ecologie;
  • afvalwater en riolering;

waterprojecten welke onderdeel zijn van ABC-Delfland.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0010.jpg"

3.5.2 Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen.

In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de keur beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten.

De ontwikkelaar heeft in een waterstudie (zie Waterstudie) de benodigde aspecten binnen dit thema beantwoord. Deze studie is vervolgens door het Hoogheemraadschap goed bevonden.

Onlangs heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de waterkering van de bijbehorende legger gewijzigd. Deze is namelijk meer richting de westelijke richting verschoven. Hierdoor valt het project niet in een vereiste beschermingszone (zie hieronder).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0011.png"

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen

Waterkwantiteit

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken bij de plaats waar het valt. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

Er is, ten opzichte van de oude planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan Duingeest uit 2013, geen sprake van een toename van verharding bij de voorgenomen ontwikkeling. In dat kader treden geen wijzigingen op voor de mogelijkheden van de infiltratie van hemelwater.

In het project Duingeest, dat met het oude bestemmingsplan Duingeest (uit 2013) mogelijk is gemaakt, gold een bergingsoverschot (surplus) van 2.676 m², berekend door middel van de oude ABC-normering. Daar is echter de realisatie van het eerste appartementencomplex (blok 1 en 2), niet in dit plan gelegen, met een overschrijding van het bouwvlak, niet bij opgeteld. Het toekomstig berekende wateroppervlak is hierbij berekend op 13.658 m². Het toentertijd benodigde wateroppervlak is vastgesteld op 10.982 m². Dat wil zeggen dat er een overschot van 2.676 m² was ten aanzien van het vorige bestemmingsplan:

Toekomstig wateroppervlak (13.658 m²) – benodigd wateroppervlak (10.982 m²) = overschot (2.676m²) in bestemmingsplan Duingeest.

Voor de realisatie van het zuidelijke appartementengebouw (Blok 1 en 2), middels een andere omgevingsvergunning afwijkend van het bestemmingsplan (vergund 2 juni 2017), is 109 m2 extra waterberging noodzakelijk. De realisatie van het eerste appartementencomplex (blok 1 en 2) heeft derhalve geen negatieve invloed op de bergingscapaciteit van het woningbouwproject Duingeest, aangezien er een ruim overschot was (2.676 m²) aan die capaciteit. De watersleutel voor dit plan komt uit op een wateroppervlak van 109 m² dat van het overschot kan worden afgetrokken.

Na deze ontwikkeling is dus nog een overschot van 2.567 m² aanwezig (2.676 m² - 109 m² = 2.567m²). Voor deze berekening is destijds gebruik gemaakt van de tool “watersleutel” van het Hoogheemraadschap van Delfland.

Voor de realisatie van het noordelijke appartementengebouw (Blok 3 en 4),waar deze watertoets betrekking op heeft, is 32 m2 extra waterberging noodzakelijk. Zie hiervoor de onderstaande berekening. Op dit moment is er (na de realisatie van het appartementenblok 1+2) nog een overschot van 2.567 m² aanwezig.

Na de realisatie van onderhavig plan (appartementenblok 3+4) is er nog een overschot van 2.535m² aanwezig (2.567 m² - 32 m² = 2.535 m²) aanwezig.

Het project Duingeest is na de realisatie van appartementenblok 3 + 4 bijna gereed. De enige bouwmogelijkheden die nog resteren zijn die van de nog te realiseren 78 grondgebonden woningen. Deze woningen zullen gerealiseerd worden op basis van het nu geldende bestemmingsplan Duingeest. Er zijn geen verdere plannen om woningen te realiseren die niet passen binnen het nu geldende bestemmingsplan.

Voorkomen van wateroverlast

Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen.

De kwaliteit van het boezemwater in het beheersgebied van Delfland bepaalt grotendeels de waterkwaliteit in het gebied. De waterkwaliteit is daarnaast ook afhankelijk van de vermindering van verontreiniging in gebieden elders, zoals door glastuinbouw, overstorten van riolering, diffuse bronnen en stedelijk gebied.

Door de gewijzigde functie van het plangebied ten tijde van de realisatie van het project Duingeest, van glastuinbouw naar woningbouw, is de kwaliteit van het oppervlaktewater verbeterd. Dit plan behelst alleen de flexibilisering van de woning typologieën; het zal dan derhalve ook geen invloed hebben op de waterkwaliteit en ecologie in het gebied.

Onderhoud en bagger

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Dit betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland. Het onderhoud van het primaire watersysteem is in handen van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het onderhoud van het secundaire watersysteem is in handen van aangelanden. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.

De realisatie van het appartementenblok heeft geen gevolgen voor de onderhoudswerkzaamheden van de nabijgelegen watergangen. Voor het beheer van de nog aan te leggen watergang en ecozone, ten zuidoosten van het plangebied, gelegen tussen het plangebied en de woningen aan de Platschelp, zal overleg en afstemming plaatsvinden tussen de ontwikkelaar en de gemeente.

Bodem en grondwater

Het plangebied ligt niet in een zogenaamde grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Gedurende de bestemmingsplanprocedure van Duingeest is er onderzoek gedaan naar de gevolgen van de grondwaterstromen in het gebied.

Hieruit is de volgende informatie naar voren gekomen. De stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerend pakket wordt sterk beïnvloed door de grondwateronttrekking van DSM Gist in Delft. Ter plaatse wordt op basis van de Grondwaterkaart van Nederland een stijghoogte van circa NAP 0,0 m tot NAP + 0,5 m gevonden.

De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is oostelijk in de richting van DSM Gist in Delft. DSM Gist is voornemens in de toekomst de grondwateronttrekking te stoppen, waardoor de grondwaterstroming zal veranderen. De gevolgen hiervan op het plangebied zijn niet bekend.


Ten aanzien van het optreden van kwel zijn ter plaatse van het plangebied geen onderzoeken uitgevoerd. Uit het Peilbesluit Boezemland blijkt dat in de regio 's-Gravenzande/Monster een lichte kweldruk aanwezig is (van 0,04 tot 0,16 mm/etmaal). Het gaat hierbij om zoute kwel. Door de grondwateronttrekking van DSM Gist in Delft neemt de kweldruk af. In het gebied zijn verder vanuit het verleden geen gegevens bekend over grondwateroverlast. DSM Gist zal op termijn de onttrekking gaan verminderen of stopzetten, waardoor de kweldruk kan veranderen.


De realisatie van alle woningen is destijds meegenomen in het desbetreffende onderzoek. Het huidige plan betreft enkel de flexibilisering van de woningtypologieën. Deze flexibilisering zal geen negatief effect hebben op de grondwaterstromen in het gebied.

Afvalwater en riolering

De woningen worden aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke.

De riolering voor het woongebied Duingeest, waar het project een deel van uitmaakt, is nader uitgewerkt in een rioleringsplan. Dit plan is gebasseerd op het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Westland. Het rioleringsplan zal voldoen aan de Leidraad Riolering West-Nederland, de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003).

Dit betekent voor Duingeest dat in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland een zogenaamd gescheiden rioleringsstelsel is aangelegd. Er worden geen uitlogende materialen (zink of bitumineuze materialen) gebruikt. Het afstromend regenwater van verhardingen (wegen en parkeerterreinen) wordt via infiltratie of bezinking op het oppervlaktewater geloosd. De afvoer van het huishoudelijk afvalwater en ander vuil water is aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Het afvalwater wordt afgevoerd naar afvalwaterzuiveringsinstallatie Harnaschpolder. De capaciteit van de riolering richting Harnaschpolder is voldoende. Het appartementengebouw zal worden aangesloten op het bestaande afvalwatersysteem van Duingeest.

3.5.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan geen nadelige invloed heeft op het water in en rondom het gebied. Het onderzoek (Waterstudie) voldoet aan de gestelde eisen inzake water.

3.6 Bodem

3.6.1 Wettelijk kader

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

3.6.2 Onderzoek

De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) heeft op 9 oktober 2018 het bodemonderzoek d.d. 19 september 2018 (zie Bodemonderzoek) beoordeeld. De ODH heeft geconcludeerd dat de bodem geschikt is bevonden voor de beoogde bestemming. Wel wordt als voorwaarde in de vergunning het volgende opgenomen:

''Bij eventueel grondverzet dient, afhankelijk van de bestemming/toepassing van de grond, rekening te worden gehouden met de Wet Milieubeheer (Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) en/of de Wet bodembescherming.''

3.6.3 Conclusie

Met inachtneming van de bovenstaande gegevens, wordt de ruimtelijke ordening op basis van dit thema niet belemmerd.

3.7 Ecologie

3.7.1 Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.


Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.


Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.


In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

  • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
    beschermd via de vogelrichtlijn;
  • Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.


Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.obp00000015g02-0001_0012.jpg"

Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten:

  • 5. Achterwege gelaten worden, of
  • 6. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
  • 7. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt


Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.7.2 Onderzoek

Aqua-Terra Nova heeft op 5 december 2017 een onderzoeksrapport uitgebracht naar de ecologische omgeving in het plangebied (Ecologisch onderzoek ). Uit de ecologische onderzoeken is gebleken dat het plangebied Duingeest deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de rugstreeppad. Deze gebruikt het plangebied voor zomer- en winterverblijfplaatsen en migratie.

Het betreffen vaste rust- of verblijfplaatsen van het terrestrische habitat: zomerverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. Hiernaast wordt het gebied gebruikt door migrerende dieren. Dit betreft zowel seizoensgebonden migratie als dispersie.

In totaal zijn circa 20 exemplaren aangetroffen, waarvan circa 5 volwassen en circa 15 juvenielen. De dieren zijn aangetroffen langs de noordelijke rand van het plangebied verscholen achter structuren, stenen en bouwmaterialen. In het noordelijke deel van het plangebied zijn ook de meeste materialen en schuilplekken aanwezig. Ook de scheiding tussen de betonnen rand van de fietstunnel langs de Poelzone en het braakliggende terrein is een geschikte schuilplek waar rugstreeppadden aangetroffen zijn. Een aantal rugstreeppadden zijn migrerend op of langs de paden aangetroffen. Met name op 16 juni 2017 zijn veel migrerende rugstreeppadden aangetroffen.

Om bovenstaande redenen zijn de volgende mitigerende maatregelen opgesteld:

Na de winterslaap, waarin er geen verstoring plaats mag vinden, wordt gestart met het uitrasteren van het gebied fase 1 Duingeest en worden de aanwezige rugstreeppadden weggevangen. Dit zal (afhankelijk van de weersomstandigheden) april 2018 zijn. Een ecoloog met kennis op het gebied van rugstreeppadden bepaald de meest geschikte periode om te starten met uitrasteren en wegvangen.

Onderstaande maatregelen worden genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden:

  • De werkzaamheden vinden plaats buiten de kwetsbare perioden van de rugstreeppad. De periode waarin gewerkt wordt in plangebied Duingeest betreft mei tot omstreeks half oktober;
  • Het gehele werkgebied wordt vanaf april 2018 uitgerasterd door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond;
  • De uitrastering wordt zodanig geplaatst en beheerd dat er geen rugstreeppadden in het werkgebied kunnen komen. De uitrastering wordt dagelijks gecontroleerd op kieren en overhangende vegetatie;
  • Alle aanwezige rugstreeppadden binnen de uitrastering worden weggevangen met ingegraven emmers. De emmers worden twee maal daags geleegd en de gevangen rugstreeppadden worden uitgezet in geschikt habitat aangrenzend aan het oorspronkelijke habitat, maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden;
  • In weekenden of tijdens afwezigheid van meer dan 12 uur zullen alle emmers worden afgedicht met deksel om te voorkomen dat dieren te lang in de emmers gevangen zitten;
  • Vanwege inperken risico op overbrengen van amfibieziektes, waaronder chytridiomycose en ranavirus, moeten schepnetten, opvangemmers en laarzen voor- en achteraf ontsmet worden;
  • De werkzaamheden vinden plaats tussen zonsopkomst en zonsondergang;
  • Er wordt bij de uitvoering van de activiteiten apparatuur gebruikt waarmee de hoeveelheid slachtoffers onder rugstreeppadden zo beperkt mogelijk zal zijn. De werkwijze wordt zodanig aangepast dat de hoeveelheid slachtoffers onder rugstreeppadden zo beperkt mogelijk zal zijn.
  • De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd onder toezicht en begeleiding van een deskundige op het gebied van rugstreeppadden en conform een ecologisch werkprotocol dat is opgesteld voor deze specifieke situatie.

Onderstaande maatregelen worden genomen na afloop van de werkzaamheden:

  • Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand leefgebied als overwinteringshabitat voor rugstreeppadden (bijvoorbeeld in de randen, tuinen en groenzones binnen het plangebied);
  • Realisatie van nieuw leefgebied van vergelijkbare oppervlakte en van een voor de rugstreeppad vergelijkbare of betere kwaliteit als hetgeen verloren gaat door de activiteiten (bijvoorbeeld in de Poelzone).
3.7.3 Conclusie

Door rekening te houden met de bovenstaande maatregelen zullen er geen belemmeringen ontstaan met betrekking tot het ruimtelijk plan.

3.8 Cultuurhistorische aspecten

3.8.1 Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2.

De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan.

Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

3.8.2 Onderzoek

Binnen het plangebied zijn geen archeologische verwachtingen, dus hoeft er geen onderzoek plaats te vinden. De wettelijke Meldingsplicht blijft daarentegen wel in tact.

Het bevoegd gezag wijst erop dat een persoon bij bodem- verstorende activiteiten conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016, anders dan bij het doen van een archeologisch onderzoek iets vindt (vondsten en/of grondsporen) waarvan hij/zij weet of moet vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft dit binnen drie dagen dient te melden bij de Minister van OCW. In de praktijk komt dit erop neer dat archeologische toevalsvondsten worden gemeld bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort of bij de gemeentelijk archeoloog van Westland.

Deze algemene meldingsplicht is altijd van toepassing en dus ook in gebieden die bij voorbaat zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek en gebieden die na archeologisch (voor)onderzoek zijn vrijgegeven voor ontwikkeling. Het is mogelijk dat na melding blijkt dat het om een vondst gaat waarvoor het bevoegd gezag (in dezen de gemeente Westland) nader onderzoek vereist.

3.8.3 Conclusie

Er zijn geen archeologische verwachtingen, derhalve hoeft er geen onderzoek plaats te vinden. Wel blijft de meldingsplicht, zoals hierboven besproken, van kracht.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

4.1 Economische uitvoerbaarheid

De grondexploitatie komt in afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening aan de orde. In artikel 6.12 lid 1 Wro wordt gesteld dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de definitie gegeven van een bouwplan. In artikel 6.12 lid 2 van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening wordt vermeld dat in afwijking van het eerste lid de gemeenteraad, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien:


a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;


b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, niet noodzakelijk is, en;


c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid niet noodzakelijk is".


Het bouwplan 'Platschelp nabij 5 te Monster' is een ontwikkelplan waarbij kostenverhaal en planschade via een samenwerkingsovereenkomst/ anterieure overeenkomst anderszins is verzekerd.

4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1 Zienswijzen

Van 8 maart 2019 tot 19 april 2019 heeft het ontwerp van deze omgevingsvergunning ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn er geen zienswijzen ingediend.