direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Naaldwijkseweg 197 t/m 203 te 's-Gravenzande
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Naaldwijkseweg in 's-Gravenzande is het loon- en transportbedrijf Klaas Quartel B.V. gevestigd. Samen met de naastgelegen glastuinbouwbedrijven Poley Palm en Novastar Lillies heeft het loonbedrijf het initiatief genomen om een herstructurering van de bedrijfslocatie te bewerkstelligen. Met een grondruil ontstaan kansen om het gebied efficiënter in te richten. De nieuwbouwplannen zijn niet mogelijk volgens het geldende omgevingsplan van rechtswege van gemeente Westland. Daarom wordt deze TAM-IMRO omgevingsplanwijziging opgesteld.

In deze motivering bij de omgevingsplanwijziging wordt zo nu en dan verwezen naar een mogelijk nieuw te realiseren woning. Deze woning wordt middels deze omgevingsplanwijziging niet mogelijk gemaakt, maar wordt wel gezien als passend onderdeel van bovengenoemde herstructurering. Als in de toekomst aan alle voorwaarden voor de bouw van deze woning is voldaan, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend op basis van de reeds geldende regels van het omgevingsplan (artikel 22.31 in samenhang met lid 3.7.3 van het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland).

1.2 Ligging plangebied

Het besluit heeft betrekking op de gebouwen met adres Naaldwijkseweg 203 in 's-Gravenzande. Ook de woningen Naaldwijkseweg 197, 197A, 199 en het terrein achter de woningen behoren tot het plangebied. Het plangebied is indicatief weergegeven in afbeelding 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Huidige regels

1.3.1 Algemeen

De huidige regels staan in het omgevingsplan van de gemeente Westland, zoals dat van rechtswege tot stand is gekomen op 1 januari 2024. Op die datum trad de Omgevingswet in werking. In het omgevingsplan komen alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving bijeen te staan. Alle gemeenten werken toe naar één omgevingsplan. Daarvoor hebben ze de tijd tot 2032. Tot die tijd bestaat het omgevingsplan uit de voormalige bestemmingsplannen, kaarten en regels over bodem en een verzameling voormalige rijksregels. Daarnaast zijn er nog gemeentelijke verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving.

1.3.2 Voormalige bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland, zoals vastgesteld op 18 december 2012;
  • Parapluherziening Parkeernormen, zoals vastgesteld op 20 februari 2018;
  • Paraplubestemmingsplan plattelandswoningen Westland, zoals vastgesteld op 26 juni 2024.

Het vigerende bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0002.png" Afbeelding 1.2: Uitsnede bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland"

Aan de bedrijfsgebouwen achter op het terrein is de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf' toegekend. De andere gronden hebben de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. De parapluherziening Parkeernormen heeft een regeling voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein toegevoegd aan het geldende bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan plattelandswoningen Westland' voegt een wijzigingsbevoegdheid toe aan het geldende bestemmingsplan om onder voorwaarden bewoning door derden toe te staan in een voormalige agrarische bedrijfswoning.

Naast de voormalige bestemmingsplannen zijn er nog de volgende besluiten, die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van het omgevingsplan:

  • de Welstandsnota Westland 2016 (inclusief "Reclame maken in Westland 2016"), 26 januari 2016;
  • de Hemelwaterverordening nieuwbouw Westland, 11 oktober 2023;
  • artikel 23 van de Erfgoedverordening Westland 2017, 12 september 2017.
1.3.3 Voormalige rijksregels

Met het in werking treden van de Omgevingswet zijn veel regels uit onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012 en de Woningwet in het tijdelijke omgevingsplan opgenomen. Deze voormalige rijksregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels) van het omgevingsplan. De regels blijven van kracht, totdat de gemeente besluit deze te laten vervallen of te wijzigen.

1.3.4 Verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving

In de gemeente Westland staan regels over de fysieke leefomgeving in de Algemene Plaatselijke Verordening. Dit gaat bijvoorbeeld over het aanleggen van inritten, geluidvoorschriften en bescherming van het natuurschoon en milieu.

1.4 Aard omgevingsplanwijziging

Deze wijziging van het omgevingsplan heeft tot doel om de vernieuwing en verplaatsing van bedrijfsbebouwing te realiseren. De regels van het voormalige bestemmingsplan staan daaraan in de weg. Door deze wijziging van het omgevingsplan komt het voormalige bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' inclusief herzieningen binnen het plangebied te vervallen. De regels worden vervangen door de regels in het hoofdstuk 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Naaldwijkseweg 203 's-Gravenzande' van het omgevingsplan. Deze wijziging van het omgevingsplan brengt in principe geen wijzigingen aan in de voormalige rijksregels. Ook de regels in de verordeningen blijven van toepassing naast het omgevingsplan.

1.5 Leeswijzer

De opzet en het vervolg van deze motivering is als volgt. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats waarin de huidige en toekomstige situatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader. In hoofdstuk 4 komt de regelmethodiek aan de orde. In hoofdstuk 5 komen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hierbij worden per thema de relevante juridische en beleidskaders beknopt weergegeven, waarna vervolgens de effecten in relatie tot de beoogde toekomstige situatie worden beoordeeld (inclusief alle bijbehorende onderzoeken). De wijze waarop met kostenverhaal en participatie is omgegaan komen in hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 aan de orde.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het besluit heeft betrekking op de locatie die lokaal bekend staat als 'De Stel': een historisch gegroeide bebouwingsconcentratie op enige afstand van de Naaldwijkseweg. Het gaat om de woningen met de nummers 205 tot en met 211a. Deze rij woningen ligt op ongeveer 150 meter afstand van de Naaldwijkseweg en is omgeven door de kassen van glastuinbouwbedrijven. Klaas Quartel B.V. heeft bedrijfspanden achter de woning Naaldwijkseweg 205 en in aansluiting op de gebouwen van Poley Palm. Er is hier beperkte manoeuvreer- en opstelruimte beschikbaar tussen de bedrijfsgebouwen en kassen van de omliggende bedrijven. Het geheel is bereikbaar via een toegangsweg die tussen de woningen op nummer 199 en 213 aansluit op de Naaldwijkseweg. Zie afbeelding 2.1 en 2.2 voor luchtfoto's van het plangebied. Het geheel wordt begrensd door de Heen- en Geestvaart in het zuiden, het bedrijventerrein Woutersweg (Royal Brinkman) in het westen en de Naaldwijkseweg in het noorden. In het oosten sluit het aan op het glastuinbouwgebied ten zuiden van de Naaldwijkseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0003.png"

Afbeelding 2.1: Locatie van het plangebied uitgezoomd (plangebied is aangegeven met rode omlijning)

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.2: Locatie van het plangebied ingezoomd (plangebied is aangegeven met rode omlijning)

Poley Palm heeft bedrijfsbebouwing achter de woningen 195b tot en met 199. Ongeveer de helft van dit terrein is bebouwd. Sommige delen zijn onverhard. De woning Naaldwijkseweg 197a is de bedrijfswoning. Zie afbeelding 2.3 voor een situatietekening van de huidige situatie. Afbeelding 2.4 geeft een impressie van het terrein en de bestaande bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0005.png"

Afbeelding 2.3: Bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0006.png"

Afbeelding 2.4: Impressie bestaande situatie aan de hand van foto's

2.2 Planvoornemen

Het plan behelst een volledige nieuwe inrichting van het terrein achter de woningen Naaldwijkseweg 195b tot en met 199. Alle bedrijfsbebouwing van Poley Palm zal worden gesloopt. In de plaats hiervan komt nieuwe bedrijfsbebouwing van Klaas Quartel B.V. De gronden die nu in eigendom zijn van Klaas Quartel B.V. gaan bij voorkeur over naar Novastar Lillies. Hierdoor krijgt dit glastuinbouwbedrijf de mogelijkheid om aansluitend op de huidige bedrijfsbebouwing meer manoeuvreer- en opstelruimte te krijgen. De bedrijfswoning van Poley Palm wordt behouden en wordt een reguliere woning in het woonlint langs de Naaldwijkseweg. Naast deze woning (197a) komt een perceel vrij waar een nieuwe woning kan worden opgericht. Deze mogelijkheid wordt met deze omgevingsplanwijziging voorlopig niet mogelijk gemaakt. Wel is er in een eerder stadium in de onderzoeken rekening mee gehouden, waardoor dit aspect soms terugkeert bij de milieuonderzoeken.

Zie afbeelding 2.5 voor een situatietekening van de nieuwe situatie. Afbeelding 2.6 geeft de huidige eigendomssituatie aan. De nieuwe eigendomssituatie zoals die nu voorzien is, staat weergegeven op afbeelding 2.7 en 2.8. Bijlage 9 en 10 bevatten beelden van een uitgevoerde bezonningsstudie.

Klaas Quartel B.V. krijgt in de nieuwe situatie twee bedrijfshallen en een centrale rangeerruimte. In aansluiting op de bedrijfshallen wordt een luifel gerealiseerd. Door de combinatie van de bebouwing en overkapping ontstaat een besloten binnenterrein waar de voertuigen kunnen binnenrijden, keren en buitenrijden. Aan de kant van de toegangsweg komt een nieuw parkeerterrein. Het parkeren en de ontsluiting worden nader besproken in paragraaf 5.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0007.png"

Afbeelding 2.5: Inrichtingstekening nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0008.png"

Afbeelding 2.6: Huidige eigendomssituatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0009.png"

Afbeelding 2.7: Nieuwe eigendomssituatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0010.png"

Afbeelding 2.8: Nieuwe eigendomssituatie, ingezoomd ter plaatse van woningen

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet is de grondslag voor het opstellen van de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur:

Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering evenals over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): hierin stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van onder meer omgevingsplannen en verordeningen.

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast bevat het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven.

In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein en welke daarvan een doorvertaling verdienen in de planregels.

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AMvB's en wetten. In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor de volgende activiteiten:

  • 1. Milieubelastende activiteiten;
  • 2. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk;
  • 3. Activiteiten rond rijkswegen, spoorwegen en luchthavens;
  • 4. Activiteiten die de natuur raken;
  • 5. Activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed raken;
  • 6. Landinrichtingsactiviteiten;
  • 7. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden in een badwaterbassin;
  • 8. Wateronttrekking voor industriële toepassingen en voor de drinkwatervoorziening;
  • 9. Ontgrondingsactiviteit op land en regionale wateren;
  • 10. Lozingsactiviteit van schepen.

In het Bal wordt in hoofdstuk 2 voor de bovengenoemde activiteiten het bevoegde gezag aangewezen. In hoofdstuk 3 worden de hoofdcategorieën van de milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang.

Onder voorwaarden is het toegestaan om aanvullend op de regels uit het Bal, regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder voorwaarden af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. In het Bal wordt aangegeven aan welke regels met name de zwaardere milieubelastende activiteiten moet voldoen en bevat regels voor locatiespecifieke en onderwerpspecifieke activiteiten. Onder voorwaarden is het toegestaan aanvullend regels (decentraal) in het omgevingsplan te regelen. Het Bal bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen waar de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan rekening mee moet houden. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De verschillende milieuthema's zijn verder uitgewerkt in Hoofdstuk 5 van deze motivering.

Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl)

De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, maar ook over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen.

Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een technisch en ruimtelijk deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.

De technische bouwactiviteit

Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl, denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.

De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk

Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de beperking van de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl, maar staan ook in de Bruidsschat. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt.

Vergunningvrij bouwen

Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgegaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is op 11 september 2020 één rijksvisie op de leefomgeving vastgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Dit toekomstperspectief voor Nederland is:

  • Een klimaatbestendige delta;
  • Duurzaam, concurrerend en circulair;
  • Kwaliteit van leven in stad en dorp;
  • Nabijheid en betrouwbare verbindingen;
  • Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk.

Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:

  • Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.

Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn:

  • Combineren boven enkelvoudig;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • Afwentelen voorkomen.

De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat.

Binnen de prioriteit om te zorgen voor een duurzaam economisch groeipotentieel formuleert het Rijk acht beleidskeuzes. Er wordt ingezet op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen. De transitie in de land- en tuinbouw wordt met name genoemd. In de tuinbouwproductiegebieden zijn grote, goed ontsloten kavels nodig, evenals verwijdering, verplaatsing of uitbreiding van verspreide tuinbouw, met oog voor de problematiek van solitaire bedrijven.

De herinrichting van de terreinen van Klaas Quartel B.V. draagt bij aan het duurzaam economisch functioneren van het tuinbouwproductiegebied West-Holland.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. De laatste update (herziening 2024) dateert van 11 december 2024. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste herziening van het beleid is op 18 februari 2025 geconsolideerd in werking getreden.

3.2.1 Omgevingsvisie

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.

Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes

Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities:

1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten.

2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor.

3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen.

4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland.

5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving.

6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit.

7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes.

Ruimtelijke hoofdstructuur 

De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0012.png"

Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving

Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving:

  • Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft;
  • Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn.

Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen

De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een 'ja, mits'-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening.

De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.

Passende ruimtelijke ontwikkeling

Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is.

In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.

Doorwerking in het plangebied

De ruimtelijke ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een specifiek gebiedsprofiel. Wel worden richtpunten meegegeven aan de hand van twee van de vier lagen van de kwaliteitskaart. In de laag van de ondergrond ligt de planlocatie in het 'kustcomplex'. Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever). Ook houden ontwikkelingen het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur.

Voor de glastuinbouwgebieden in de laag van de stedelijke occupatie gelden de volgende richtpunten:

  • Nieuwe glastuinbouwgebieden worden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden geconcentreerd.
  • Nieuwe ontwikkelingen in de glastuinbouw sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur.
  • Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Bij de herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 is sprake van inpassing, want het plan sluit aan bij de gebiedsidentiteit van het glastuinbouwgebied en het voegt zich ook in de bestaande structuren (wegen, sloten, verkavelingspatroon). Er wordt gezorgd voor een goede inpassing in de directe omgeving. De ruimtelijke ontwikkeling wordt om die reden als passend gekwalificeerd.

3.2.2 Zuid-Hollandse omgevingsverordening

De regels over de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Het gaat onder meer om instructieregels voor andere overheden. De instructieregels hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen. Voor dit besluit zijn de volgende regels van belang.

Ruimtelijke kwaliteit

Op grond van artikelen 7.41b en 7.43a van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een omgevingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 7.43a, lid 2). Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd (artikel 7.43).

Bij de herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk. Er is geen bijzondere beschermingscategorie of gebiedstype van toepassing. Er is sprake van inpassing, want het plan sluit aan bij de gebiedsidentiteit van het glastuinbouwgebied en het voegt zich ook in de bestaande structuren (wegen, sloten, verkavelingspatroon). Er wordt gezorgd voor een goede inpassing in de directe omgeving.

Stedelijke ontwikkelingen

Volgens artikel 7.45 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de motivering van een omgevingsplanwijziging die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de paragraaf Rijksbeleid wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

Glastuinbouwgebied

Volgens artikel 7.54 laat een omgevingsplan voor gronden in het glastuinbouwgebied in principe alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking. Bij uitzondering kan een bedrijf worden toegelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten. Voorwaarde is wel dat wordt aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

Bij de herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 gaat het om de verplaatsing van een bestaand loon- en transportbedrijf dat zijn diensten levert aan de glastuinbouwbedrijven in de omgeving. Het gaat dus om een bedrijf dat behoort tot de keten van de glastuinbouw. Door de diensten van het loonbedrijf kunnen de glastuinbouwbedrijven optimaal blijven functioneren. Als zodanig wordt een bijdrage geleverd aan het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten. Door de herinrichting wordt het glastuinbouwgebied niet onevenredig verkleind. De terreinen die nu al in gebruik zijn voor de teelt van glastuinbouwproducten en voor het loon- en transportbedrijf kunnen intensiever en efficiënter worden gebruikt. De herinrichting draagt bij aan de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

Risico's van klimaatverandering

De omgevingsverordening bepaalt (artikel 7.41a) dat een omgevingsplan rekening moet houden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en (de effecten hiervan op) bodemdaling.

Waar nodig en mogelijk wordt in het ontwerp van de nieuwe bebouwing en buitenruimte rekening gehouden met een klimaatadaptieve inrichting. De ruimte aan de randen van het perceel wordt voorzien van groen en water, wat kan zorgen voor verkoeling c.q. het tegengaan van hittestress. Het realiseren van extra oppervlaktewater (uitbreiding van de bestaande watergang) en onverharde oppervlakten (waaronder parkeerplaatsen in halfverharding) zorgt voor de opvang en afvoer van (overvloedig) hemelwater. Op de invulling van de benodigde watercompensatie door de toename in verharding gaat paragraaf 5.11 nader in. Op het gebied van duurzaamheid en energie wordt in ieder geval voldaan aan de geldende wettelijke vereisten (zie ook paragraaf 5.14).

3.2.3 Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc.

Voor de ontwikkeling van het "Glastuinbouwgebied" zijn de volgende inhoudelijke doelstellingen van toepassing:

  • versterking van de huidige economische structuur;
  • het omvormen van verouderde glastuinbouwgebieden in milieuverantwoorde, moderne robuuste gebieden ter verbetering van de rentabiliteit van de onderneming en ter behoud van de internationale concurrentiepositie;
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het creëren van een beter woon- en leefmilieu;
  • verbeteren van de fysieke infrastructuur, zowel de hoofdontsluiting als de lokale ontsluiting, en het verbeteren van het openbaar vervoer;
  • herstel van de ecologische infrastructuur, groene buffers en groene aankleding door de realisatie van de groenblauwe dooradering;
  • het verbeteren van de waterhuishouding ter vermindering van kansen op wateroverlast en het verbeteren van de waterkwaliteit.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland

Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities.

De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen).

De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn. Met een people – planet – profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen.

De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen. Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten.

Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft.

Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt.

Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water. Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen.

In afbeelding 3.2 is de toekomstkaart van Westland weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0013.png"

Afbeelding 3.2: Toekomstkaart van Westland (Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland)

3.4.2 Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland

Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen.  

Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040:

  • 1. Logistieke bereikbaarheid;
  • 2. De auto minder dominant;
  • 3. Volwaardige alternatieven voor de auto;
  • 4. Westland verkeersveilig;
  • 5. Duurzaam Bereikbaar Westland.

3.4.3 Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018

In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).

3.4.4 Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

3.4.5 Uitvoeringsprogramma economie 2020-2022

Op 29 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Westland de Economische Opgave 2019 - 2022 vastgesteld. Daarbij is eveneens toegezegd om een Uitvoeringsprogramma Economie te maken hiervoor. De economische opgave 2019-2022 is in het Uitvoeringsprogramma Economie vertaald in 6 inhoudelijke prioriteiten:

  • 1. Versterking van de kennis- en innovatiefunctie via ontwikkeling campus en gebied rondom de World Horti Campus
  • 2. Facilitering aansluiting onderwijs & arbeidsmarkt
  • 3. Modernisering en herstructurering van het glastuinbouwcluster
  • 4. Versterking van de externe betrekkingen en de internationale positie
  • 5. Versterking en toekomstbestendig maken van de dorpscentra en het MKB
  • 6. Facilitering kwaliteitsimpuls vrijetijdseconomie

3.4.6 Woonvisie

“Westland is een unieke, internationaal toonaangevende, goed bereikbare en duurzame Greenportgemeente, waarin het goed wonen, werken, ondernemen en recreëren is”. Dit is de kernambitie van de Structuurvisie Westland 2025 (perspectief 2040), die in 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. De woonvisie is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2003 en richt zich op het deelonderwerp “wonen” van de structuurvisie Westland.

Karakter en functie woonvisie

De woningmarkt is continu in beweging. Dit verdraagt geen strak gedetailleerd programma, maar een kader voor beslissingen. De woonvisie biedt het kader voor besluiten over programma's, inzet van middelen en capaciteit en geeft richting aan het handelen van de gemeente en haar partners. De woonvisie is in overleg met de woningcorporaties tot stand gekomen en via een discussiebijeenkomst met andere partners op volkshuisvestingsgebied besproken.

Prioriteiten en uitgangspunten van de woonvisie

De huidige woonvisie Westland richt zich op de periode tot 2020. De uitgangspunten van deze woonvisie zijn als volgt:

  • Vergroten van kansen en keuzemogelijkheden op de woningmarkt;
  • Blijvende aandacht voor betaalbaarheid (huur én koop);
  • Meer kansen voor jonge huishoudens (waaronder starters);
  • Inspelen op de groeiende behoefte aan wonen met zorg;
  • Bijzondere doelgroepen;
  • Dynamiek op de woningmarkt (doorstroming);
  • Kwaliteit bieden voor gevorderde huishoudens.

3.4.7 Bedrijventerreinenvisie Westland

De Bedrijvenvisie Westland vormt - via het gemeentelijke Actieprogramma Economische Zaken - een uitwerking van de Visie Greenport Westland en is gericht op:

  • het anticiperen op actuele en toekomstige marktontwikkelingen om voldoende ruimte te behouden voor groei van bedrijvigheid (inspelen op de vraag van bedrijven, kantoren en detailhandel);
  • het zijn van een toetsingskader voor de actualisering van bestemmingsplannen en de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke besluiten;
  • het verschaffen van duidelijkheid over parkmanagement op bedrijventerreinen.

3.5 Conclusie

Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling voor Klaas Quartel B.V. op het terrein achter de woningen Naaldwijkseweg 195b tot en met 199 in 's-Gravenzande binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Regelmethodiek

4.1 Inleiding

Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden.

Wat centraal staat bij het omgevingsplan, en een belangrijk verschil met de manier waarop we voorheen naar ruimtelijke plannen keken, is het stellen van regels over activiteiten in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar bijvoorbeeld ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.

4.2 Wijziging van het omgevingsplan

Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) hebben gemeenten een omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de bestaande bestemmingsplannen en de regels van rijkswege. Als er nieuwe initiatieven worden mogelijk gemaakt waarvoor het omgevingsplan moet worden aangepast, wordt er dus niet een nieuw omgevingsplan gemaakt, maar wordt er een deel van het omgevingsplan gewijzigd.

TAM-IMRO

Deze wijziging van het omgevingsplan is voorbereid middels de TAM-IMRO systematiek. Deze Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) biedt de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen.

Dit TAM-omgevingsplan wordt juridisch gezien als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westland. Dit hoofdstuk wordt digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het TAM-omgevingsplan is niet opgesteld met de nieuwe standaarden voor het opstellen en publiceren van omgevingsplannen (STOP-TPOD). Daarom wordt dit hoofdstuk als TAM-omgevingsplan apart raadpleegbaar, net zoals de voormalige bestemmingsplannen.

Doordat het TAM-omgevingsplan is opgesteld met de technische standaarden voor bestemmingsplannen, komt de structuur overeen met dat van een bestemmingsplan. Het TAM-omgevingsplan is ingedeeld in hoofdstukken. Die moeten worden gezien als afdelingen van het aparte hoofdstuk van het omgevingsplan, dat het TAM-omgevingsplan juridisch gezien is. Voor de nummering van de artikelen in dit TAM-omgevingsplan moet daarom altijd het nummer van het juridische hoofdstuk van het omgevingsplan worden gelezen. Bijvoorbeeld: artikel 4 van dit TAM-omgevingsplan is artikel 22c.4 van het omgevingsplan Westland.

4.3 Opbouw wijziging van het omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan is voorbereid als bestemmingsplan. Om die reden is ervoor gekozen de structuur en formulering van de regels zo veel mogelijk te laten aansluiten bij die van een bestemmingsplan. Alleen waar noodzakelijk zijn wijzigingen doorgevoerd. Die wijzigingen hangen samen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zo heeft het toekennen van bestemmingen niet langer automatisch de betekenis die het had onder de Wet ruimtelijke ordening.

Dit TAM-omgevingsplan heeft vier hoofdstukken, zoals bestemmingsplannen die ook hadden. Dit betreffen dus afdelingen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan Westland. In de eerste afdeling staan een artikel met begrippen en een artikel met wijze van meten, net als in bestemmingsplannen. Voor een goede werking van de nieuwe regels is er ten opzichte van een bestemmingsplan een artikel toegevoegd. Dit artikel bevat een aantal toepassingsregels.

Artikel 1 Toepassingsregels

Het eerste onderdeel bepaalt dat de regels van hoofdstuk 22c alleen van toepassing zijn in het plangebied Naaldwijkseweg 203. Aangezien er één omgevingsplan is voor de gehele gemeente Westland, moet duidelijk worden aangegeven waar de regels geldig zijn.


Het tweede onderdeel schakelt het voormalige bestemmingsplan uit. Dit is noodzakelijk omdat het TAM-omgevingsplan met de standaarden voor bestemmingsplannen is opgesteld. Het laten vervallen van het voormalige bestemmingsplan, dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, kan alleen met de nieuwe standaarden voor omgevingsplan (STOP-TPOD) gebeuren. Daarom wordt hier juridisch vastgelegd dat het voormalige bestemmingsplan niet langer van toepassing is.

Naast het voormalige bestemmingsplan zijn er nog andere plannen en besluiten die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het volledige overzicht staat opgesomd in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet. In dit artikel staan in totaal zestien onderdelen met plannen en besluiten. Van ieder onderdeel is nagegaan of het van toepassing is binnen het plangebied en zo ja, of die kunnen komen te vervallen door de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De meeste onderdelen zijn niet van toepassing. De onderdelen d, f, g en n wel. Onderdeel d betreft artikel 23 van de erfgoedverordening Westland. Dit is een vangnetbepaling, die geen meerwaarde heeft ten opzichte van de regels over archeologische monumentzorg in het TAM-omgevingsplan. Onderdeel f is de hemelwaterverordening nieuwbouw Westland, die eind 2023 is geactualiseerd. Onderdeel g is het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland, dat niet langer moeten worden toegepast. Onderdeel n is de Welstandsnota Westland 2016, waarin onder andere bouwwerken zijn aangewezen, die zonder welstandstoets kunnen worden gebouwd. De hemelwaterverordening en de welstandsnota blijven gelden als tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Het derde onderdeel verklaart afdeling 22.5 van de regels van rijkswege van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. In deze afdeling staan diverse regels die zorgen voor een goede toepassing van de voormalige bestemmingsplannen. Omdat dit TAM-omgevingsplan qua structuur en regels in grote mate overeenkomt met een bestemmingsplan, is het wenselijk dat deze regels ook van toepassing zijn op dit TAM-omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om de aanvraagvereisten bij het verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren. Of om de bepaling dat de regels over afwijken van de bouwregels gelden als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 2 Begrippen

Het TAM-omgevingsplan is een verzameling van objecten met een geometrische begrenzing met de daarbij behorende regels. Die objecten zijn opgenomen in een digitaal gml-bestand en kunnen verbeeld worden met daarvoor bedoelde software. Via het Omgevingsloket wordt op deze manier een digitale kaart opgebouwd, waarmee het TAM-omgevingsplan geraadpleegd kan worden. In de regels wordt met 'plan' verwezen naar het TAM-omgevingsplan en dus naar een specifiek hoofdstuk van het omgevingsplan Westland.

De tweede afdeling bevat regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, over het bouwen van bouwwerken en over het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Deze afdeling heeft drie artikelen. Twee die primair het gebruik van de gronden en bouwwerken regelen (artikel 4 en 5) en een dat is opgenomen voor het beschermen van archeologische waarden (artikel 6). Artikel 6 is van toepassing in samenhang met artikel 4 of artikel 5.

Artikel 4 Agrarisch-Glastuinbouw

In het gebied 'Agrarisch-Glastuinbouw' mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een glastuinbouwbedrijf. Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf' is een agrarisch loon- en transportbedrijf mogelijk. Op die plek is een specifieke set bouwregels van toepassing die de nieuwbouw van Klaas Quartel B.V. mogelijk maakt.

Artikel 5 Wonen

De agrarische bedrijfswoning verliest door de nieuwbouw van Klaas Quartel B.V. zijn functie en krijgt een reguliere woonbestemming. De regels komen overeen met die van het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland.

Artikel 6 Waarde - Archeologie

Dit artikel moet samen gelezen worden met artikel 4 en 5. Het zorgt ervoor dat eerst archeologisch onderzoek wordt verricht, voordat toestemming wordt gegeven aan bouwplannen of andere werken. De inhoud is gebaseerd op artikel 28 van het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland.

De derde afdeling bevat een aantal algemene regels. Het gaat zowel om algemene bouwregels en algemene gebruiksregels als overige bepalingen, die in Westland standaard van toepassing zijn. Bovendien staat in deze afdeling een artikel over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden.

De vierde afdeling bevat een artikel met overgangsregels. Die komen overeen met het standaardovergangsrecht van bestemmingsplannen.

Hoofdstuk 5 Aspecten van de fysieke leefomgeving

5.1 Milieueffectrapportage

5.1.1 Kader

Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht, wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-MER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld, voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het plan-MER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voorgenomen ontwikkeling valt als stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie J11.

De wijziging van het omgevingsplan vormt het kader voor een vergunning voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig project. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente. Het plangebied bestaat uit een beperkt deel van het glastuinbouwgebied, waar een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf nieuwbouw kan realiseren. Na de wijziging van het omgevingsplan is een vergelijkbare invulling mogelijk als op grond van het huidige (tijdelijke) omgevingsplan, glastuinbouw en bedrijfsbebouwing voor een agrarisch loon- en transportbedrijf. Dit betreft daarom een kleine wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Hiermee wordt beoordeeld of er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.

5.1.2 Kenmerken van het plan

De ontwikkeling ziet op de realisatie van bedrijfsbebouwing van een bestaand agrarisch loon- en transportbedrijf. De beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuw gebouw van circa 4.400 m2 bruto vloeroppervlak. In de omgeving van het plangebied zijn geen concrete activiteiten gepland of in uitvoering die in samenhang met de realisatie van het nieuwe gebouw moeten worden bekeken.

5.1.3 Plaats van het object

De locatie van de nieuwbouw is gelegen achter het bebouwingslint van de Naaldwijkseweg in het glastuinbouwgebied ten zuiden van 's-Gravenzande. De bestaande bebouwing wordt (gedeeltelijk) gesloopt en er zullen nieuwe bedrijfshallen en een kantoorgebouw gerealiseerd worden. De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom, maar het buitengebied van Westland kent veel bebouwing door de van oudsher aanwezige tuinbouwsector. Op de locatie is momenteel een oude kas aanwezig. In de omgeving zijn meerdere woningen en bedrijfsgebouwen gelegen.

5.1.4 Kenmerken van de effecten

In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt per milieuaspect een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de verwachte effecten van de ontwikkeling van de nieuwe bedrijfsbebouwing van Klaas Quartel B.V. Voor verschillende milieuaspecten is systematisch nagegaan wat de situatie is – ook in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving – en wat voor gevolgen het project kan hebben. Het gaat om de (milieu)aspecten mobiliteit, luchtkwaliteit, geluid, geur, trillingen, bodem, omgevingsveiligheid, water, natuur en ecologie, archeologie en cultuurhistorie, duurzaamheid en klimaat. Hierbij wordt rekening gehouden met de ligging van de planlocatie en de directe omgeving. Indien relevant worden er maatregelen getroffen om de eventuele nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of voorkomen. Uit het geheel kan worden afgeleid of de realisatie van de nieuwe bedrijfsbebouwing belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

5.1.5 Conclusie

Op grond van het bovenstaande komt het gemeentebestuur tot de conclusie dat de wijziging van het omgevingsplan voor de nieuwbouw van het agrarische loon- en transportbedrijf geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Er wordt daarom geen apart milieueffectrapport gemaakt.

5.2 Laddertoets

5.2.1 Kader

Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
  • 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
    • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
    • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
    • a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
    • b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  • 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.2 Onderzoek

De herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De nieuwe gebouwen komen in de plaats van bestaande bebouwing. Het gaat om een verplaatsing en vernieuwing van bestaande bedrijfsterreinen in een bestaand glastuinbouwgebied.

5.2.3 Conclusie

Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet benodigd. De verplaatsing en vernieuwing van de bestaande bedrijfsterreinen in bestaand glastuinbouwgebied voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Mobiliteit

5.3.1 Kader

Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd.

Parkeernormen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen voor auto's en fietsen nodig zijn bij nieuw- en verbouwinitiatieven. Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Westland de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018', vastgesteld op 16 januari 2018. Voor het bepalen van de parkeernormen worden de kencijfers van het CROW gebruikt. Het CROW is het nationaal kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

5.3.2 Onderzoek
5.3.2.1 Verkeersgeneratie

Ten aanzien van verkeer wijzigt er weinig ten opzichte van de huidige situatie. Ook na de herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 blijft het loon- en transportbedrijf op dezelfde manier ontsloten op de openbare weg. Het verkeer van en naar de woningen en bedrijven van De Stel maken gebruik van de toegangsweg tussen de woningen 199 en 213. Het verkeer verbonden aan Klaas Quartel B.V. bestaat uit het verkeer van werknemers en bezoekers (personenauto's, fietsen, brommers) en vrachtwagens en werktuigen die van en naar de tuinbouwbedrijven rijden. De oppervlakte van het agrarisch ondersteunend bedrijf neemt iets toe. Hierdoor verbeteren de stallings- en manoeuvreermogelijkheden en de mogelijkheden voor parkeren, van zowel Klaas Quartel B.V. als Novastar Lillies. Tevens zijn er beperkte groeimogelijkheden. De verkeersbewegingen verbonden aan glastuinbouwbedrijf Poley Palm verdwijnen dan juist weer. Naar verwachting blijft het aantal verkeersbewegingen per saldo ongeveer gelijk. Overkoepelend wordt geoordeeld dat de verkeerssituatie aanvaardbaar is.

Als onderdeel van de herontwikkeling wordt de bedrijfswoning met nummer 197a losgekoppeld van het bedrijfsterrein en wordt een nieuwe woning gebouwd naast nummer 197a. Een toename van directe aansluitingen op de Naaldwijkseweg is te vermijden gelet op de negatieve gevolgen voor verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid. De woning op 197a en de nieuwe woning krijgen een toegang aan de achterzijde en worden ontsloten via de toegangsweg tussen de woningen 199 en 213.

5.3.2.2 Parkeren

Op dit moment zijn acht parkeerplaatsen aanwezig. In de nieuwe situatie zullen er meer parkeerplaatsen komen. Volgens het gemeentelijke parkeerbeleid geldt er een norm van 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlak. Uitgaande van 4275 m2 betekent dit 56 parkeerplaatsen. Dit is een veel groter aantal dan de werkelijke parkeerbehoefte van het loon- en transportbedrijf. Er zijn minder werknemers per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte dan gemiddeld. Op de drukste dag van het jaar zijn er ongeveer 30 mensen aan het werk. De helft hiervan komt uit de buurt en arriveert met de fiets of met de scooter, waardoor er 15 personen overblijven die met de auto komen. Als er op de drukste dagen van het jaar nog 5 mensen tegelijkertijd op bezoek zouden komen en die alle 5 met hun eigen auto komen, zouden 20 parkeerplaatsen voldoen.

Na de herinrichting zijn er 22 ingerichte parkeerplaatsen. Dit is gelet op het bovenstaande voldoende en een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Er wordt een inpandige fietsenstalling gerealiseerd met plek voor vijftien fietsen en zeven bromfietsen. Gelet op bovenstaande is er voldoende kwalitatieve stallingsruimte aanwezig voor het fietsen, elektrische fietsen en bromscooters.

5.3.3 Conclusie

De toekomstige situatie wat betreft verkeersstructuur en ontsluiting verschilt weinig ten opzichte van de huidige situatie. De situatie ten aanzien van verkeer en parkeren is aanvaardbaar.

5.4 Luchtkwaliteit

5.4.1 Kader

Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Westland bevindt zich in het aandachtsgebied Den Haag/Leiden voor luchtkwaliteit.

5.4.2 Onderzoek

In de paragraaf 5.3 is toegelicht dat de verkeersbewegingen naar verwachting gelijk zullen blijven aan de huidige situatie. Doordat er geen sprake is van een toename aan verkeersbewegingen, is er ook geen bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zonder extra verkeer is er ook geen verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de luchtkwaliteit ter plaatse beoordeeld. Met het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit kunnen de concentraties van luchtverontreinigende stoffen worden bepaald. Voor het monitoringsjaar 2023 blijkt dat de maximale jaargemiddelde concentratie NO2 in de directe omgeving van het plangebied 22,0 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt maximaal 16,2 µg/m3, waarbij zes dagen per jaar een overschrijding plaatsvindt van de grenswaarde van 50 µg/m3. De jaargemiddelde concentratie zeer fijnstof is 7,9 µg/m3.

De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0014.png"  

Afbeelding en tabel 5.1: Resultaten Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit

5.4.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.5.1 Kader

Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Deze paragraaf gaat specifiek in op geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op geluid door activiteiten.

Wegverkeerslawaai

De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel.

Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden gemotiveerd. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer).

Tot slot moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten.

Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd.

Industrielawaai

Op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de geluidproductie door industrieterreinen beperkt met geluidproductieplafonds (GeluidProductiePlafonds IndustrieLawaai of GPPIL). Rond het industrieterrein geldt op grond van het Bkl een aandachtsgebied dat zich uitstrekt tot de afstand waarop, rekening houdende met de beperking van de geluidemissie door de geluidproductieplafonds, de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarden. Het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen dit aandachtsgebied is aan voorwaarden verbonden. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond geldt, waardoor deze instructieregel niet van toepassing is.

5.5.2 Onderzoek

Zoals beschreven in de inleiding wordt de nieuwe woning niet met dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt. Wel wordt een doorkijk gegeven op het aspect geluid. Hiervoor is namelijk een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bijgevoegd als bijlage 7.

Industrielawaai

De locatie ligt volledig binnen de zone van het industrieterrein 'Europoort/Maasvlakte'. Uit de documentatie van het RAK blijkt dat de planlocatie ruim buiten de 48 dB(A)-contour ligt. Hiermee kan op voorhand en zonder te rekenen wordt gesteld dat de geluidbelasting door de activiteiten op dit industrieterrein niet hoger zal zijn dan 50 dB(A). Dat betekent dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai uit de Wet geluidhinder.

Wegverkeerslawaai

De nieuwe woning is gelegen binnen de onderzoekszone van de Naaldwijkseweg. Deze weg heeft een zone van 200 m (1x2 rijstroken, binnen stedelijk gebied). Aan de hand van verkeersgegevens voor de prognosejaren 2030 en 2032 is berekend wat de geluidbelasting van de grens van de woonbestemming en van de gevel in geval de nieuwe woning in de rooilijn wordt gebouwd.

De geluidsbelasting door de Naaldwijkseweg bedraagt maximaal 60 dB op de grens van de woonbestemming. In het geval de woning in de rooilijn wordt gebouwd, is de geluidbelasting van de gevel maximaal 58 dB. Op de achterzijde wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. De berekende geluidsbelasting is maximaal 45 dB, wat als geluidsluw kan worden beschouwd.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Dat betekent dat maatregelen onderzocht moeten worden die de geluidbelasting kunnen reduceren. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het is dus mogelijk om een hogere geluidswaarde vast te stellen.

Eventuele geluidbeperkende maatregelen aan de weg of in het overdrachtsgebied stuiten op overwegende bezwaren van financiële aard, omdat het gaat om slechts één woning. Doordat de woning beschikt over een geluidluwe zijde, kan overeenkomstig het gemeentelijk beleid een hogere waarde worden vastgesteld. De procedure van dit hogerewaardebesluit loopt gelijk op met de procedure van het bestemmingsplan.

5.5.3 Conclusie

Voor de nieuwe woning wordt een hogere waarde dan de voorkeurswaarde in acht genomen, omdat geluidbeperkende maatregelen voor één woning op overwegende bezwaren van financiële aard stuiten. Met het toestaan van hogere waarden is het wel mogelijk om te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geur

5.6.1 Kader

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen.

5.6.2 Onderzoek

Het project omvat de realisatie van een geurgevoelig gebouw (de woning). In de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling komen geen geurbronnen voor. Het projectgebied plangebied is niet gelegen in een gebied waar geurhinder bestaat of wordt verwacht. Door de bouw van voorliggende ontwikkeling worden geen nieuwe geurbronnen gerealiseerd.

5.6.3 Conclusie

Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Trillingen

5.7.1 Kader

Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.

5.7.2 Onderzoek

Trillingen door activiteiten

Voorgenomen ontwikkeling maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk.

5.7.3 Conclusie

Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Bodemkwaliteit

5.8.1 Kader

Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.8.2 Onderzoek

Naar aanleiding van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft ABO Milieuconsult in juni 2022 een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de rapportage geüpdatet en zijn de resultaten getoetst aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 1. Op basis van het vooronderzoek kan de locatie als verdacht worden beschouwd. In de bedrijfshal is een bovengrondse tank, twee chemicaliënopslagen en een bestrijdingsmiddelenkast aanwezig. Het maaiveld is gedeeltelijk verhard met stelcon en asfalt.

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal 46 boringen verricht met een diepte van minimaal een meter beneden maaiveld. In onderstaande tabel zijn de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek opgenomen.

Zintuigelijke waarnemingen:   In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal zijn visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.  
Grond:   De grond is (plaatselijk) licht verontreinigd met enkele zware metalen (kwik, zink en lood), enkele OCB's (hexachloorbenzeen, heptachloorepoxide, drins en DDD), PAK en PCB.  
Grondwater:   Het grondwater ter plaatse van peilbuis 03 is sterk verontreinigd met nikkel. In de overig geanalyseerde peilbuizen overschrijden geen van de parameters de signaleringsparameter.  

Tabel 5.2: Resultaten verkennend bodemonderzoek

De hypothese "De onderzoekslocatie is verdacht" dient, op basis van de lichte verontreinigingen in de grond en de plaatselijke sterke verontreiniging van nikkel in het grondwater, aanvaard te worden.

De lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater zijn dermate gering dat ze geen aanleiding geven tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek.

De sterke verontreiniging met nikkel in het grondwater is mogelijk te relateren aan zowel directe als indirecte bemesting van de bodem. Uitspoeling van nitraat door bemesting kan leiden tot pyrietoxicatie, waarbij zware metalen als nikkel vrijkomen. Verder geldt voor zowel landelijk als stedelijk gebied dat nikkel al van nature aanwezig is in de ondergrond.

Naar aanleiding van de sterke verontreinig met nikkel is door ABO-Milieuconsult een aanvullend onderzoek uitgevoerd in augustus 2023. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de rapportage geüpdatet en zijn de resultaten getoetst aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 2.

Ter plaatse van de onderzoekslocatie is één boring geplaatst tot een diepte van 2,0 m-mv. Daarnaast is de bestaande peilbuis 03 bemonsterd. Het grondwater bevindt zich op 1,0 m-mv (opname datum 27 juni 2022).

Zintuigelijke waarnemingen:   In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen.  
Grond:   De grond van 1,0-1,5 m-mv is niet verontreinigd met nikkel.  
Grondwater:   Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel (index >0,5).  

Tabel 5.3: Samenvatting onderzoeksresultaten

De verontreiniging met nikkel in het grondwater is mogelijk te relateren aan zowel directe bemesting als indirecte bemesting van de bodem. Uitspoeling van nitraat door bemesting kan leiden tot pyrietoxidatie, waarbij zware metalen als nikkel vrijkomen. Verder geldt voor zowel landelijk als stedelijk gebied dat nikkel al van nature aanwezig is in de ondergrond.

Derhalve is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk.

De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan en het daaruit voortvloeiende indienen van de omgevingsplanactiviteit van een bouwwerk. Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Indien in het kader van de nieuwbouw grond moet worden afgevoerd moet rekening gehouden worden met het volgende:

In het onderhavige rapport is geen onderzoek naar PFAS en/of GenX gedaan. Voor toepassingen van grond buiten de gemeente Westland gelden mogelijk andere beleidsregels, benodigde bewijsmiddelen en/of milieuhygiënische verklaringen (zoals een partijkeuring met AP04 onderzoek). Opgemerkt dient te worden dat aan de hand van de bevindingen van onderhavig onderzoek geen absolute uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond. Om te bepalen of sprake is van grond (kwaliteitsklasse Landbouw/natuur, Wonen of Industrie) ofwel een bouwstof gelden andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën. Voldaan moet worden aan de geconsolideerde versie Besluit bodemkwaliteit (na inwerkingtreding Omgevingswet).

5.8.3 Conclusie

De vastgestelde omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor het bouwen en daarmee ook niet voor de voorliggende omgevingsplanwijziging. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bij graafwerkzaamheden moet vrijkomende grond zo veel mogelijk op locatie worden verwerkt. Indien in het kader van de nieuwbouw grond afgevoerd moet worden, gelden aparte regels voor de hergebruiksmogelijkheden.

5.9 Omgevingsveiligheid

5.9.1 Kader

Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd.

Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied.

Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.

De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:

  • Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.
  • Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.
  • Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
  • Voorschriftengebieden Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.

5.9.2 Onderzoek

Het loon- en transportbedrijf is zelf geen risicobron voor de omgeving. Wat dat betreft is er geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203. In de directe omgeving is wel een risicobron aanwezig. Op het nabijgelegen bedrijventerrein Woutersweg is een groothandelsbedrijf aanwezig waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Om die reden is een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke risico's voor de omgeving door Peutz. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3.

Aan de hand van gegevens over de ligging en hoeveelheid van de verpakte stoffen, de aard van de opslag en kansen op het ontstaan van toxische verbrandingsproducten is het PR bepaald. In afbeelding 5.2 is het berekende plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar ten gevolge van Brinkman nabij Klaas Quartel BV weergegeven. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar (rood) ligt gedeeltelijk over de inrichting van Klaas Quartel. Dat betekent dat binnen de contour de kans op het overlijden groter is dan 1 op een miljoen per jaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0015.jpg"

Afbeelding 5.2: PR-contour 10-6 en lay-out terrein Klaas Quartel

Binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ligt een gedeelte van de nieuwe bedrijfshal van het loon- en transportbedrijf. Dit betreft een beperkt kwetsbaar gebouw volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Naast het plaatsgebonden risico is ook het groepsrisico berekend. Aan de hand van cijfers over het aantal aanwezigen in de omgeving (bewoners en werknemers, inclusief de werknemers na het realiseren van het nieuwbouwplan van Klaas Quartel BV) is het GR berekend. Het blijkt dat er geen kans is op een ongeval waarbij minstens tien slachtoffers vallen.

5.9.3 Conclusie
  • De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van de opslag van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting van Brinkman is gelegen over de inrichting van Klaas Quartel BV;
  • Binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar is geen kwetsbaar gebouw gelegen;
  • Binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar is uitsluitend een gedeelte van de nieuwe bedrijfsbebouwing gelegen, hetgeen een beperkt kwetsbaar gebouw betreft;
  • Overschrijding van de richtwaarde wordt in dit geval met het oog op een efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik aanvaardbaar geacht;
  • Er wordt geen groepsrisico berekend ten gevolge van het planologisch mogelijk maken van Klaas Quartel BV.

5.10 Geluid door activiteiten

5.10.1 Kader

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door:

  • de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf)
  • het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen)

De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen.

Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.

Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.

Milieuzonering nieuwe stijl

Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan.

5.10.2 Onderzoek

Omdat voor de ontwikkeling al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderzoek is uitgevoerd, is uitgegaan van de richtlijnen van de VNG. Met dit besluit wordt zowel een hinderlijke functie (bedrijvigheid) als een gevoelige functie (wonen) mogelijk gemaakt. In de eerste plaats wordt onderzocht of de nieuwvestiging van deze functies met inachtneming van de richtafstanden plaatsvindt. Hiervoor is het van belang eerst het omgevingstype van de omgeving vast te stellen. Er is geen sprake van een woonwijk. De Naaldwijkseweg vormt de verbinding tussen de bebouwde kernen van 's-Gravenzande en Naaldwijk. Er is sprake van lintbebouwing langs de weg, met een menging van woningen en bedrijvigheid. de procedure voor voorliggende ontwikkeling De omgeving moet daarom beschouwd worden als een gemengd gebied volgens de publicatie van de VNG.

Vervolgens moet de milieucategorie van de bedrijfsgebouwen van het loonbedrijf worden vastgesteld. De VNG-publicatie bevat een lijst met allerlei hinderlijke functies, ingedeeld op basis van de SBI-code. Gezien de aard en omvang van de activiteiten valt de inrichting in de categorie 'Dienstverlening t.b.v. de landbouw: - algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m²' en daarmee in milieucategorie 3.1. Bij deze milieucategorie hoort een richtafstand van 30 m tot gevoelige functies. De afstand wordt gemeten tussen de terreingrens van de hinderlijke functie en de gevel van woningen of andere gevoelige functies.

In de directe omgeving liggen diverse woningen, zowel in het lint langs de Naaldwijkseweg als in het cluster op enige afstand van de Naaldwijkseweg. Meerdere woningen liggen op minder dan 30 meter van de nieuwe locatie van Klaas Quartel B.V. Dit betekent dat niet zonder meer op grond van de richtafstanden gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor wat betreft de nieuwe woning is duidelijk dat alleen de nieuwe bedrijfsgebouwen van het loon- en transportbedrijf op minder dan 30 meter afstand gelegen zijn. Alle andere bestaande bedrijven liggen op grotere afstand, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Voor wat betreft deze bedrijven kan gesteld worden dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft de nieuwe bedrijfsbebouwing geldt dat niet zonder meer op grond van de richtafstanden deze conclusie getrokken kan worden. Voor de nieuwe woning is net als voor de bestaande woningen op minder dan 30 meter een nadere beschouwing noodzakelijk.

Onderzoek geluid

Bij het bepalen van de richtafstand is geluid het doorslaggevende aspect. Dat betekent dat een geluidonderzoek naar dit aspect inzicht kan verschaffen in de specifieke geluidsituatie. Als de geluidbelastingen van de gevels van woningen in de omgeving beneden bepaalde waarden blijven, kan zonder meer gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In een gemengd gebied zijn deze waarden bepaald op:

  • 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde);
  • 70 dB(A) (dag) / 65 dB(A) (avond) / 60 dB(A) (nacht) maximale geluidsniveau LAmax;
  • 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde).

Door KuiperCompagnons B.V. is onderzoek verricht naar de akoestische situatie (Akoestisch onderzoek, Klaas Quartel B.V., 3 oktober 2022), zie bijlage 4. Aan de hand van de representatieve bedrijfssituatie zijn met behulp van een geluidmodel de verwachte geluidbelastingen berekend. Tijdens een plaatsbezoek zijn metingen verricht om de bronvermogenniveaus te bepalen.

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de gehele inrichting ten hoogste 47 dB(A) etmaalwaarde bedraagt en het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de vast opgestelde installaties en toestellen (inclusief het gebruik van de wasplaats en de werkplaats) ten hoogste 34 dB(A) etmaalwaarde bedraagt.

In de dagperiode bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste LAmax = 70 dB(A). In de avondperiode kunnen uitsluitend de gebouwinstallaties in bedrijf zijn en deze veroorzaken geen relevante maximale geluidsniveaus. In de nachtperiode bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste LAmax = 67 dB(A).

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het equivalente geluidsniveaus ten gevolge van het bedrijfsgebonden verkeer ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Deze geluidbelasting treedt op ter plaatse van de woningen Naaldwijkseweg 213 en 199, die op korte afstand van de toegangsweg gelegen zijn.

Een vergelijking van de berekende resultaten en de normen uit de VNG-publicatie maakt duidelijk dat de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde) niet wordt overschreden. Hetzelfde geldt voor het maximale geluidniveau LAmax gedurende de dag en de avond. Deze norm wordt gedurende de nachtperiode wel overschreden. Dit geldt ook voor de norm voor de verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde).

Omdat de normen worden overschreden is een nadere beschouwing nodig om de situatie te kunnen beoordelen. Het kan zijn dat er specifieke omstandigheden zijn, waardoor de situatie aanvaardbaar wordt geacht. Mogelijk kunnen maatregelen worden getroffen om te zorgen dat de berekende geluidbelastingen niet optreden.

Wat betreft de geluidbelasting als gevolg van de verkeersbewegingen naar het loon- en transportbedrijf wordt in overweging genomen dat in de huidige situatie het verkeer van en naar Klaas Quartel B.V. ook al langs deze woningen rijdt. Voor zover sprake is van een toename van dit verkeer, moet rekening gehouden worden met een afname van het verkeer als gevolg van het verdwijnen van Poley Palm. Overkoepelend wordt geoordeeld dat voor deze woningen geen verslechtering optreedt. Voor de woningen Naaldwijkseweg 205 t/m 211a zal de situatie sterk verbeteren, omdat het verkeer eerder het nieuwe terrein van het loonbedrijf op draait en niet meer langs deze woningen rijdt. Dit is in de huidige situatie wel het geval. Daarom wordt geconcludeerd dat voor wat betreft het aspect indirecte hinder sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De grenswaarde voor het maximale geluidsniveau wordt in de nachtperiode overschreden door het dichtslaan van de autoportieren. Deze overschrijding treedt op bij het gebruik van de parkeerplaatsen die gelegen zijn in een straal van circa 35 meter rondom de woningen. Deze overschrijding is eenvoudig te vermijden door in de nachtperiode uitsluitend de parkeerplaatsen dicht bij de inrit te gebruiken, dat wil zeggen de zuidelijkste parkeerplaatsen van parkeerterrein ten noorden van de inrit. Omdat het slechts om twee auto's gaat die voor 06.00 uur arriveren en omdat het om eigen medewerkers gaat die hierover gemakkelijk geïnstrueerd kunnen worden, is deze maatregel redelijkerwijs uitvoerbaar.

5.10.3 Conclusie

De herinrichting van de terreinen rond Naaldwijkseweg 203 is mogelijk met handhaving van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de directe omgeving. Ook de bedrijven kunnen redelijkerwijs blijven functioneren met inachtneming van de voorschriften uit paragraaf 22.3.4 in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van gemeente Westland. Er is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Water

5.11.1 Kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Omgevingswet
  • Nationaal waterprogramma 2022-2027

Provinciaal:

  • Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027;
  • Omgevingsvisie Zuid-Holland;
  • Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

In het NWP stelt het kabinet drie hoofdambities voor 2050 en verder:

  • Een veilige en klimaatbestendige delta.
  • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.
  • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Kaderrichtlijn water

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Provinciaal beleid

Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027

In het regionaal waterprogramma stelt de provincie op hoe het uitvoering geeft aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water, zoals de kaderrichtlijn water, de Grondwaterrichtlijn, drinkwaterrichtlijn, richtlijn overstromingsrisico's en de zwemwaterrichtlijn.

Daarnaast omvat het programma ook niet-verplichte onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.

Waterschapsbeleid

Waterbeheerprogramma 2022 - 2027

Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico's, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank.

Handreiking weging van het waterbelang

De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de procedure voor de weging van het waterbelang in plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van het hoogheemraadschap Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. Als er door een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving meer ruimte voor water moet komen (wateropgave), bijvoorbeeld als compensatie voor de aanleg van een huis, woonwijk of bedrijventerrein (verharding), doet het hoogheemraadschap dit bij voorkeur door extra water te graven in aansluiting op bestaande sloten, vaarten. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, zijn alternatieve maatregelen om het regenwater vast te houden of vertraagd af te voeren ook mogelijk. Een deel van de wateropgave is gebaseerd op de verwachte toename van neerslag in de toekomst, dat deel kan altijd met alternatieve maatregelen worden ingevuld. Delfland is medeondertekenaar van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en stimuleert haar gebiedspartners om de afspraken uit het convenant toe te passen. Daarmee staan we beter gesteld voor het veranderende klimaat.

Waterschapsverordening en legger

Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de waterschapsverordening. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit moeten worden verleend door het hoogheemraadschap.

In de Legger Delfland geeft het hoogheemraadschap voor elk waterstaatswerk aan waar het ligt en waaraan het moet voldoen. Maar ook wie welk soort onderhoud doet en wat dit onderhoud inhoudt. De legger bestaat uit een leggerkaart en een leggertekst. De leggerkaart en de leggertekst zijn met elkaar verbonden en moeten samen worden bekeken. De legger heeft ook een toelichting. De toelichting staat in hetzelfde tekstdocument als de leggertekst.

Gemeentelijk beleid

Gemeente Westland heeft een waterklimaatplan. In dat plan staat hoe de gemeente samen met het Hoogheemraadschap van Delfland wil zorgen voor het water in de gemeente. Dat is nodig omdat er de afgelopen jaren door klimaatverandering meer overlast van water kan zijn na hevige buien. Ook is er een grotere kans op droogte en hitte in de zomer waar de gemeente rekening mee moet houden. Daarom wil de gemeente ervoor zorgen dat er in 2050 een watersysteem is dat geschikt is om de gevolgen van klimaatverandering aan te kunnen. In het plan staat ook hoe de gemeente met bewoners en bedrijven wil samenwerken om het doel te bereiken.

In het plan zijn drie lange termijn doelen opgenomen: 'Bewust waterbestendig handelen', 'Waardevol water: Schoon, voldoende en bruikbaar' en 'Naar een robuust watersysteem en een watercyclus'. Hiervoor zijn op verschillende deelthema's ambities opgenomen, waarbij vooral ambitieus wordt ingezet op schoon en gezond water en toegenomen biodiversiteit, en op klimaatadaptief inrichten als norm.

5.11.2 Onderzoek

Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende 'waterthema's'. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op.

Huidige situatie

Waterkwantiteit

Aan de randen van het projectgebied zijn enkele watergangen aanwezig (zie afbeelding 5.4). Tussen de Naaldwijkseweg en de woonpercelen ligt een sloot. Haaks daarop ligt een watergang tussen het bedrijventerrein Woutersweg en de woning 195a enerzijds en de woning 195b en de achterliggende terreinen anderzijds. Ook langs de toegangsweg ligt een smalle watergang, die middels een duiker verbonden is met de sloot langs de Naaldwijkseweg. Volgens de leggerkaart zou deze smalle watergang via een duiker, een korte greppel en een tweede duiker verbonden zijn met de Heen- en Geestvaart. Op basis van historische informatie en een terreininspectie is gebleken dat dit niet juist is. Er ligt geen duiker onder het rijtje woningen (aangegeven met het rode kruis in op afbeelding 5.4). Verder is er geen oppervlaktewater aanwezig in of direct grenzend aan het projectgebied.

Het gebied is voor ongeveer 65 procent verhard. Dit betreft 5169 m2 aan bebouwing en 2484 m2 bestrating. Ruim dertig procent is onverhard, waarbij oppervlaktewater 136 m2 in beslag neemt (zie ook afbeelding 2.3 en bijlage 5). De huidige tereinen en percelen wateren af op de sloot tussen het bedrijventerrein Woutersweg en de woning 195a enerzijds en de woning 195b en de achterliggende terreinen anderzijds. Vanaf de westkant van deze watergang, vanaf het bedrijventerrein Woutersweg, is de watergang bereikbaar voor onderhoud.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0017.png"

Afbeelding 5.3: Watersleutel Hoogheemraadschap Delfland. De watersleutel is ook bijgevoegd als bijlage 5.

Peilgebied / Grondwater

Het projectgebied ligt in een peilgebied met code GPG2007BPM I-d H&G van het Hoogheemraadschap van Delfland, met een vastgesteld waterpeil van 0,15 m NAP.

Waterkwaliteit

In en om het projectgebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig.

Veiligheid en waterkeringen

In en om het projectgebied is geen waterkering of beschermingszone van een waterkering gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0018.png"

Afbeelding 5.4: Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen' (eigen bewerking)

Toekomstige situatie

Waterkwantiteit

In de toekomstige situatie neemt het percentage verharding toe. Daarom geldt een compensatieverplichting in de vorm van extra oppervlaktewater. Door de toename van 1.457 m2 aan verharding moet 502 m2 extra oppervlaktewater worden gerealiseerd. Het volume van de extra waterberging moet minimaal 237,1 m3 zijn.

In overleg met het hoogheemraadschap wordt besloten tot het realiseren van een alternatieve voorziening, waarmee aanvullend 250 m3 water kan worden vastgehouden. Uitgangspunt hierbij is het plaatsen van twee cilindervormige silo's, met een straal van 3 m en een hoogte van 4 m. Het opgeslagen hemelwater wordt in de eerste plaats nuttig gebruikt. Het overtollige water wordt afgevoerd in de te verbreden sloot aan de westzijde die tussen bedrijventerrein Woutersweg en de te ontwikkelen percelen in ligt. Dit is dezelfde watergang als waar de huidige afwatering op afvoert. De silo's worden uitgerust met een systeem dat zorgt voor een vertraagde afvoer van het hemelwater in de sloot. De geknepen afvoerconstructie verzekert dat binnen maximaal zeven dagen de silo's zijn geleegd en daarmee weer beschikbaar zijn voor een nieuwe hevige regenbui. Daarnaast is er de intentie om de afvoer van de silo's geschikt te maken om mee te doen met het systeem 'Rainlevelr'. In overleg met het hoogheemraadschap wordt besloten wat de mogelijkheden hiertoe zijn. Met dit systeem wordt geanticipeerd op zware regenbuien. Bij verwachte zware neerslag worden de silo's van te voren geleegd, zodat er zo veel mogelijk bergingscapaciteit in de silo's beschikbaar is.

Zowel de greppel ter grootte van 34 m2 aan de oostzijde als de korte greppel halverweg aan de westzijde van 33 m2 wordt gedempt. Ter compensatie hiervan wordt de watergang aan de westzijde verbreed. De sloot wordt met 1,1 meter verbreed op het terrein van het loon- en transportbedrijf waarmee de breedte van de watergang 2,9 meter wordt. Over een lengte van 73 m betekent deze verbreding 80 m2 extra oppervlaktewater binnen het plangebied. Het watervoerend oppervlak uit de legger is leidend voor de compensatieopgave. Hierdoor is er geen afname van het aantal vierkante meters oppervlaktewater. Zie afbeelding 5.5 en bijlage 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.GRANLDWKSWG197pbp-VA01_0019.png"

Afbeelding 5.5: inrichtingstekening nieuwe situatie

Voor het dempen van de greppel is een omgevingsvergunning nodig op grond van de waterschapsverordening. De effecten van het dempen worden in detail beoordeeld naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning. Globaal gezien is de situatie als volgt. In de greppel komt de hemelwaterafvoer van de woningen (via een verzamelleiding) en de naast gelegen kas uit (aangegeven met lichtblauw/grijs op afbeelding 5.4). Die afvoerende functie moet gewaarborgd blijven. In de plaats van de greppel komt daarom een leiding voor hemelwaterafvoer met een voldoende grote diameter om het hemelwater van de afwaterende percelen te kunnen afvoeren naar de sloot langs de Naaldwijkseweg. De bestaande duiker en leiding worden afgewaardeerd tot hemelwaterafvoer. Er wordt gestreefd naar een verbetering van de algehele situatie, bijvoorbeeld door ook de korte greppel 33 van m2 ter hoogte van de huidige bedrijfslocatie te dempen. In deze korte greppel watert de overstort van het bassin die het hemelwater van de naastgelegen kas opvangt en de huidige bebouwing van het loonbedrijf op het naastgelegen perceel af. In afbeelding 5.4 is dit grafisch weergegeven door het oranje gearceerde gebied. De indirecte afwatering van de kas via het bassin is aangegeven met de twee oranje pijlen. Het hemelwater van de groen gearceerde percelen wordt opgevangen in interne silo’s. De overstort van deze silo’s watert af in de watergang tussen het bedrijventerrein en de kas in, in de tekening aangegeven met de groen pijl.

De functie van de korte greppel zal net als de andere greppel overgenomen worden door een buis geschikt voor hemelwaterafvoer met voldoende diameter. Ook deze duiker en leiding worden afgewaardeerd tot hemelwaterafvoer, waarbij geen kortsluiting naar de zuidelijk gelegen boezem mag optreden. De mogelijkheden hiertoe moeten te zijner tijd in overleg met de verschillende eigenaars en het hoogheemraadschap worden bepaald.

In de zuidwestelijke hoek van de te ontwikkelen percelen is een vebreding gegraven in de watergang die in de nieuwe situatie deels komt te vervallen. De exact te compenseren oppervlakte is niet bekend maar ligt ergens rond de 8 m2. Hierin wordt voorzien door de overcompensatie voor de greppels in de te verbreden sloot.

Waterkwaliteit

De omgevingsplanwijziging heeft geen potentiële negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit in de omgeving, omdat die alleen de verplaatsing van het loon- en transportbedrijf mogelijk maakt. Er kunnen hierdoor alleen zeer lokaal verschillen optreden in de waterkwaliteit. Vervuiling kan optreden door afstroming van de gebouwen en verhardingen. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Ook worden hierdoor de risico's van watergerelateerde ziekten en plagen geminimaliseerd.

Waterveiligheid en waterkering

Er zijn geen waterkeringen of beschermingszones van een waterkering in het geding. Dit thema is om die reden niet van belang.

Afvalwater en riolering

Afstroming hemelwater gebeurt via verharde oppervlakken naar de hemelwaterafvoer. Door het hemelwater dat op verharde oppervlakken valt, gescheiden op te vangen en af te voeren, wordt de riolering niet onnodig belast. Afvalwater wordt via de riolering afgevoerd naar een zuiveringsinstallatie. Het betreft het sanitaire water en afvalwater na afspoeling van voertuigen.

Peilgebied / Grondwater

Er is geen sprake van het aanpassen van het grondwaterpeil ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. In het betreffende peilgebied is de gemiddelde drooglegging 0,75 m. Dit is relatief weinig, waardoor het wenselijk is het vloerpeil van de gebouwen hoger aan te leggen dan het maaiveld. Het vloerpeil komt op 1,35 +NAP, wat betekent dat de vloer gemiddeld 45 cm hoger ligt dan het gemiddelde maaiveld. Hiermee wordt de kans op wateroverlast in de gebouwen verkleind. Er komen geen ondergrondse gebouwdelen waar rekening mee gehouden moet worden in verband met grondwater en wateroverlast.

Onderhoud en bagger

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Dit betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Legger Delfland. Het onderhoud van het primaire watersysteem is in handen van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het onderhoud van het secundaire watersysteem is in handen van aangelanden. Het onderhoud aan de watergang wordt zoals tot op heden gebruikelijk uitgevoerd vanaf de zijde van het bedrijventerrein Woutersweg. Mocht dat onverhoopt om welke reden dan ook niet meer mogelijk zijn, is als alternatief de oever goed bereikbaar langs het nieuwe gebouw via de doorgang langs de woning Naaldwijkseweg nummer 197. Indien nodig kan de mogelijkheid tot onderhoud van de watergang worden beschreven in een onderhoudsplan van een aannemer.

5.11.3 Conclusie

Er worden voldoende maatregelen genomen om het duurzaam functioneren van het watersysteem te waarborgen. Wat betreft het aspect 'Water' is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Natuur en ecologie

5.12.1 Kader

Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is logischerwijs de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen.

5.12.2 Onderzoek
5.12.2.1 Ecologie

Naar aanleiding van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is aan de hand van een ecologische quickscan nagegaan of overtreding van de bepalingen van de Wnb aan de orde kan zijn. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze quickscan geüpdatet en is er getoetst aan de eisen vanuit de Omgevingswet. Deze versie van de quickscan (2024) is bijgevoegd als bijlage 8. Uit een bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat de uitvoering van de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de beschermde diersoorten. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit ten tijde van de besluitvorming anders is. De zorgplicht blijft van toepassing. Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden, kan die worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. In verband met het ontbreken van broedgelegenheid voor vogels hoeft met het broedseizoen geen rekening te worden gehouden.

5.12.2.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000

Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Solleveld & Kapittelduinen (circa 1,2 km afstand). De gemeente mag een wijziging van het omgevingsplan met mogelijke negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden alleen vaststellen als uit ecologisch onderzoek (een passende beoordeling) blijkt dat de instandhouding van het natuurgebied niet in gevaar komt.

Negatieve effecten van verzuring en vermesting als gevolg van het neerslaan van stikstofverbindingen kunnen optreden door de uitstoot van stikstof op grote afstand van het natuurgebied. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de bijdrage van dit TAM-omgevingsplan aan de totale stikstofdepositie in Solleveld & Kapittelduinen (KuiperCompagnons, Stikstofdepositie-onderzoek TAM-omgevingsplan “Naaldwijkseweg 203”, 18 september 2025). Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Andere effecten, zoals verstoring, versnippering of verdroging, kunnen gezien de afstand uitgesloten worden.

Met behulp van het verspreidingsmodel 'AERIUS' is bepaald hoeveel kilogram stikstofdioxiden en ammoniak wordt uitgestoten en is berekend hoeveel mol stikstof per hectare per jaar neerslaat op beschermd natuurgebied.

Uit de berekeningen blijkt dat er als gevolg van de uitvoering van dit TAM-omgevingsplan sprake is van een toename aan stikstofdepositie van 0,01 mol per hectare per jaar. Bij het bepalen van de omvang van de stikstofuitstoot zijn volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • In de aanlegfase wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van elektrisch aangedreven materieel.
  • In de gebruiksfase is er geen sprake van een toename, omdat het loon- en transportbedrijf Klaas Quartel B.V. in nagenoeg dezelfde omvang nu ook aanwezig is op nagenoeg dezelfde locatie.

De berekende toename is miniem; in de ordegrootte van 0,001% van de achtergronddepositie. Het gaat bovendien om een tijdelijke toename, die zich alleen voordoet tijdens de aanlegfase. Dit leidt niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen. Daarom kunnen ook wat betreft stikstofdepositie mogelijke negatieve effecten op voorhand uitgesloten worden. Om de potentiële negatieve effecten van de uitvoering van het plan zo veel mogelijk te beperken, is in het plan het gebruik van elektrisch materieel tijdens de aanlegfase verplicht.

Natuurnetwerk Nederland

De terreinen bij Naaldwijkseweg 203 maken geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op ruim een kilometer afstand liggen de dichtstbijzijnde gebieden van het Natuurnetwerk Nederland. Dit gaat om Solleveld en Kapittelduinen (tevens gedeeltelijk Natura 2000) en een ecologische verbindingszone langs de Poelwetering en het Nieuwe Water. De instandhouding en ontwikkeling van de natuurgebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland komen niet in het geding.

5.12.3 Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan leidt niet tot negatieve effecten voor beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde plant- en diersoorten zijn niet in het geding. De natuurbepalingen van de Omgevingswet staan de uitvoering van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg. Bij voorliggende ontwikkeling is vanuit het aspect natuur en ecologie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Landschap, cultuurhistorie en archeologie

5.13.1 Kader

Landschap

Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.

Rijksbeleid

De Erfgoedwet bevat het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet is voor een deel opgenomen in de Omgevingswet, namelijk de regels die met de fysieke leefomgeving zijn geïntegreerd. Hieronder vallen onderdelen uit de Monumentenwet van 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus op grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

Provinciaal beleid

De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld.

5.13.2 Onderzoek
5.13.2.1 Archeologie

Naar aanleiding van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is er een archeologisch bureauonderzoek verricht (Vestigia, Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van Naaldwijkseweg 203 te 's Gravenzande, 24 januari 2023). Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. De wettelijke kaders zijn overgegaan uit de Monumentenwet 1988 overgegaan naar de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar zijn inhoudelijk niet gewijzigd. Het bureauonderzoek kan daarom gebruikt worden ter onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan.

Op basis van de landschappelijke en historische ligging zijn er potentieel twee archeologische niveaus van belang binnen het plangebied. Direct onder maaiveld kunnen resten aanwezig zijn van landgebruik vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het plangebied is grotendeels gelegen op de weilanden en boomgaard behorend bij de buitenplaats Stellendijk. In de zuidoostelijke hoek van het noordelijke deel van het plangebied kunnen mogelijk nog resten van bebouwing verwacht worden behorend bij de buitenplaats, zoals blijkt uit het kadastrale minuutplan. Hieronder worden de afzettingen van het Laagpakket van Poeldijk verwacht. Hierop kunnen resten uit de middeleeuwen voorkomen.

Indien werkzaamheden plaatsvinden op een oppervlakte van 1000 m2 en dieper dan 50 cm wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren. In de zuidoostelijke hoek wordt geadviseerd werkzaamheden vooraf te onderzoeken middels een proefsleuvenonderzoek of archeologisch te begeleiden. Dit wordt geadviseerd voor alle graafwerkzaamheden die een groter oppervlak dan 50 m2 beslaan en dieper gaan dan 30 cm. De resten van de historische bebouwing kunnen direct onder maaiveld aanwezig zijn.

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning zal eventueel extra onderzoek nodig zijn, als de werkzaamheden de hierboven genoemde grenzen te boven gaan. Als blijkt dat er daadwerkelijk archeologisch waardevolle resten in de bodem aanwezig, kan worden afgewogen of de bouwplannen aangepast moeten worden om de resten in de bodem te kunnen behouden of dat een archeologische opgraving de voorkeur heeft.

5.13.2.2 Cultuurhistorie

De Naaldwijkseweg is op de CHS-kaart aangeduid als landschappelijk lijnkenmerk binnen de categorie 'landverkeer'. De weg behoort tot het historische wegenpatroon. De herinrichting van de terreinen bij Naaldwijkseweg 203 doet geen afbreuk aan de Naaldwijkseweg als landschappelijk element. Er zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding.

5.13.3 Conclusie

Er zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. Het omgevingsplan waarborgt dat eventuele waardevolle archeologische resten in de bodem beschermd worden. Er is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Duurzaamheid en klimaat

5.14.1 Kader en onderzoek

Er zijn nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee duurzaamheid en klimaat worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de uitvoering van de voorliggende ontwikkelingen wordt in ieder geval voldaan aan de wettelijk geldende eisen.

Nationaal klimaatbeleid

De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.

Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.

Wet Voortgang Energie Transitie

Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.

Energiezuinig bouwen

De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Besluit bouwwerken leefomgeving stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm.

5.14.2 Conclusie

Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders. Vanuit het aspect duurzaamheid is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.15 Overige aspecten

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, hoogspanningsverbindingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.

Het plangebied bevindt zich verder niet in de aanwezigheid van straalpaden of andere beschermingszones. Binnen het plangebied lopen daarnaast geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen.

Hoofdstuk 6 Kostenverhaal

Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:

  • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
  • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
  • de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd:

  • a. anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld:
    • 1. een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of
    • 2. via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft;
  • b. via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen:
    • 1. een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn;
    • 2. of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's.

Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over:

  • fasering van en koppelingen tussen werkzaamheden en/of activiteiten;
  • locatie-eisen;
  • woningbouwcategorieën (artikel 5.161c Bkl).

In het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden (in de motivering). Het kostenverhaal dient te worden verzekerd voor elke wijziging van het omgevingsplan.

In dit geval is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een anterieure overeenkomst te sluiten tussen de gemeente Westland en de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Participatie

Bij de totstandkoming van het plan is overleg gevoerd met het hoogheemraadschap van Delfland en met de direct betrokken bedrijven. Een ieder krijgt de mogelijkheid een zienswijze op het ontwerpbesluit kenbaar te maken.