| Plan: | Weerselo, Vicarieweg 5 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.WEEBPVICARIEWEG5-VG01 |
Aan de Vicarieweg 5, in het historische buurtschap 'Het Stift' bevindt zich een bedrijfsperceel van een smederij. Ter plaatse staat het karakteristieke pand van de smederij, dat een rijksmonument betreft.
De smederij is echter niet meer in gebruik. Initiatiefnemer is voornemens het pand in gebruik te nemen als een multifunctionele ruimte, waarbij het gaat om onder andere een psychologiepraktijk, vergaderruimte, expositieruimte met verkoopmogelijkheid en ondergeschikte horeca-activiteiten. Het geheel wordt aangekleed middels een landschappelijke inpassing van het perceel, een terras en de benodigde parkeerplaatsen.
Dit gebruik is echter in strijd met het geldende bestemmingsplan "Het Stift", aangezien er ter plaatse van de smederij een bedrijfsbestemming geldt. Tevens is het parkeren niet mogelijk binnen de huidige agrarische bestemming, die geldend is ter plaatse van de beoogde parkeerplaatsen.
Om die reden is een herziening van het bestemmingsplan vereist. In voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat de wijziging van de bestemming ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied ligt aan de Vicarieweg 5, in het buurtschap Het Stift, ten noordwesten van de kern Weerselo. De ligging van het plangebied ten opzichte van de directe en ruimere omgeving wordt in afbeelding 1.1 weergegeven. De rode ster en de rode omlijning geven respectievelijk de locatie en indicatieve begrenzing van het plangebied weer.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel) |
Het bestemmingsplan 'Weerselo, Vicarieweg 5' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Het Stift". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 12 oktober 2010. Daarnaast geldt het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 29 mei 2018.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan "Het Stift" opgenomen. Het plangebied is indicatief met rode omlijning weergegeven.
|
| Afbeelding 1.2: Ligging van het plangebied in bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke Plannen/Gemeente Dinkelland) |
Op basis van het geldende bestemmingsplan gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Tevens geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'. Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen maatvoeringseisen voor de bestaande smederij opgenomen zijn.
Gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn specifiek bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van een smederij, met de daarbij behorende erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Gronden met de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' zijn met name bestemd voor cultuurgrond, waarbij gestreefd wordt naar het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarde van de gronden. Ondergeschikt zijn tevens extensief dagrecreatief medegebruik, paden, water, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
De dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' is opgenomen ten behoeve van het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.
Het in gebruik nemen van de smederij als multifunctionele ruimte is in strijd met het geldende bestemmingsplan, aangezien hiervoor de gebruiksmogelijkheden ontbreken binnen de bestemming 'Bedrijf', welke specifiek voor een smederij bedoeld is. Daarnaast is het op gronden met de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' niet mogelijk om parkeerplaatsen en een terras aan te leggen.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het benodigde juridisch planologische kader waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het plangebied.
In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven.
In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.
Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten waaronder de watertoets.
In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.
Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en het vooroverleg.
Het Stift is een buurtschap ten noordwesten van Weerselo. Het buurtschap is vanwege de historie en de natuurlijke uitstraling een toeristische trekpleister. Het buurtschap kent een rijke historie. In de twaalfde eeuw was het een Benedictijnenklooster en vanaf de veertiende eeuw een Stift voor ongehuwde dames van adel. Om het historische karakter van het dorp te behouden, is Het Stift een beschermd dorpsgezicht. Dit is een gebied in een dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. De bescherming is bedoeld om de cultuurhistorische identiteit van een gebied te behouden en deze in te zetten bij ontwikkelingen. Het beschermde gebied van Het Stift heeft een oppervlakte van 14,9 hectare.
Het buurtschap is omgeven door groen en heeft veel gebouwen die vanaf ca. 1400 het aanzicht hebben bepaald, zoals de Stiftskerk, de Stiftsschuur, de Stiftsschool, het Storkenhuis én de smederij. De Stifts huizen worden tegenwoordig bewoond door particulieren.
In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.
|
| Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: Provincie Overijssel) |
Het plangebied zelf vormt het perceel van een smederij met omliggend perceel, dat in agrarisch gebruik is (grasland).
De monumentale smederij is rond 1890 gebouwd en gesitueerd op ’t Stift in Weerselo. De smederij heeft een oppervlakte van circa 90 m2 en bestaat uit vier ruimtes: een keuken, een opslagruimte, een smederij en een zolder. De smederij bestaat uit een bouwlaag op een zandstenen plint met opgetrokken rode machinale baksteen. Het zadeldak met makelaars en hangstijlen boven de eindgevels is met grijze mulden pannen gedekt. Het exterieur is medio 2019 gerestaureerd. Zo is het gebouw volledig van een nieuwe kap voorzien met oude mulden pannen, passend bij de kenmerken van 't Stift.
In de noordgevel is een deur met bovenlicht en een dubbele deur met bovenlicht. In deze gevel zijn ook drie zes ruit ramen. Deze muuropeningen in de gevel bevinden zich onder een segment boog met sluitsteen.
De westzijde van dit pand heeft twee achtruiten rondboog ramen waarvan het bovenste gedeelte een radiale roeden verdeling heeft. Op de vierdieping is een vier ruit venster. Aan de zuidzijde zijn twee rondboog vensters gesitueerd. Deze vensters zijn identiek aan die van de zuidzijde. Tussen de vensters is een deur met bovenlicht. Aan de rechterkant is ook een kleine deur gesitueerd die even hoog is als de andere deur. In de oostzijde zijn twee kleinere ramen, deze vensters zijn identiek aan elkaar met op de verdieping een rondboog venster.
In afbeelding 2.2 zijn verschillende impressies van het interieur en het exterieur van de smederij weergegeven.
|
| Afbeelding 2.2: Impressies smederij (Bron: Saxion/Google Streetview) |
Zoals in de inleiding reeds aangegeven bestaat het voornemen om de smederij om te vormen tot een multifunctionele ruimte voor diverse doeleinden. Het gaat hierbij om onder andere een psychologiepraktijk, een vergaderruimte, een expositieruimte met verkoopmogelijkheid en ondergeschikte horeca-activiteiten. Hierbij kan er sprake zijn van dubbelgebruik, aangezien de functies niet gelijktijdig uitgeoefend worden. Het geheel wordt aangekleed middels een landschappelijke inpassing van het perceel, een terras en de benodigde parkeerplaatsen.
Ten aanzien van de psychologiepraktijk gaat het om het bieden van een breed scala aan psychologische zorg. Er wordt waardegedreven zorg verleend. Dit houdt in dat er zorg van de hoogst mogelijke kwaliteit wordt geboden tegen acceptabele kosten waaronder bijvoorbeeld traumabehandelingen, behandelingen voor mensen met een niet aangeboren hersenletsel of herstellende kankerpatiënten. Het gaat om een kleinschalige praktijk, waar maximaal vijf patiënten en één begeleider gelijktijdig aanwezig zijn.
Zoals aangegeven is het voornemen om het gebouw multifunctioneel te gebruiken, door het ook te verhuren als vergaderruimte, workshopruimte of expositieruimte en het bieden van ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel ten behoeve van voorgenoemde functies. Hiervoor wordt onder andere een keuken in het pand gerealiseerd en een terras aangelegd. De horecafunctie is ondergeschikt aan de maatschappelijke functie. Het plan is om patiënten te laten oefenen in deze kleinschalige horeca, als onderdeel van de therapie die geboden wordt. Zo worden vaardigheden aangeleerd om in de maatschappij weer een rol te kunnen vervullen. Belangrijk is om daarbij een stressvolle omgeving te realiseren.
Ten behoeve van het plan dienen er parkeerplaatsen te worden aangelegd. Deze worden gesitueerd op naast de smederij gelegen agrarische gronden. Vanwege de beperkte grootte van de smederij, zijn er maar drie parkeerplaatsen benodigd.
De nieuwe functie van de smederij wordt een multifunctionele ruimte. In het gebouw moet ruimte komen voor een spreekkamer, wachtruimte, toilet, keuken en bergruimte. De wachtruimte en de spreekkamer kunnen worden samengevoegd tot een grotere ruimte die geschikt is voor de andere genoemde functies, zoals expositieruimte of vergaderruimte inclusief ondergeschikte horeca en detailhandel. Daarnaast komt er ook op de zolder een ruimte die gebruikt kan worden voor onder andere een spreekruimte of een ruimte voor fysiotherapie.
Vanwege de leeftijd van het gebouw voldoet het niet meer aan de hedendaagse normen en de normen behorend bij een psychologiepraktijk. Er moet daarom aandacht besteed worden aan duurzaamheid en comfort. Daarnaast moet tijdens het ontwerpen rekening worden gehouden dat de smederij binnen een beschermd dorpsgezicht ligt en een rijksmonument betreft.
Het interieur is zo ingericht dat het geschikt is als multifunctionele ruimte. Ook is er goed gekeken naar hoe de ruimtes overkomen. Dit om een rustgevende, comfortabele en gebruiksvriendelijke plek te creëren. Voorbeelden hiervan zijn het behoud van uitzicht, kleurkeuze gericht op een rustgevend gevoel en de mogelijkheid om op de begane grond één grote ruimte te kunnen maken door opvouwen van een glazen wand. In afbeelding 3.1 is de gewenste indeling weergegeven. In afbeelding 3.2 zijn enkele impressies weergegeven.
|
| Afbeelding 3.1: Impressie gewenste indeling gebouw (Bron: Saxion) |
|
| Afbeelding 3.2: Impressie gewenste ontwikkeling (Bron: Saxion) |
Ten behoeve van het plan is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, waarin de landschappelijke inpassing is geregeld. Hierna zijn twee uitsneden van dit plan opgenomen. Vervolgens wordt samengevat op de belangrijkste maatregelen ingegaan. Het complete plan is tevens als Bijlage 1 opgenomen.
|
| Afbeelding 3.3: Landschappelijke inpassing (Bron: Saxion) |
Parkeerplaats
Het belangrijkste aspect van het ontwerp is de parkeerplaats. De parkeerplaats grenst aan de bestaande smederij, de toekomstige praktijk dus. Dit was een wens vanuit de opdrachtgever. Tevens zorgt dit ervoor dat de bestaande waterput ook echt “ de parkeerplaats is verwerkt. Dit geeft gelijk de historische waarde van het pand en het kavel aan en was tevens belangrijk met het oog op het transport van hemelwater van de parkeerplek naar de put. De afstand word op deze manier zoveel mogelijk beperkt, waardoor de complexiteit van het ondergrondse ontwerp (zie hoofdstuk 7 ruimtelijk kwaliteitsplan) zoveel mogelijk beperkt wordt. Daarnaast was het ook goed mogelijk de parkeerplaats op deze locatie in te tekenen, omdat met de gemeente afgesproken is, dat er in totaal niet meer dan vier parkeerplekken gerealiseerd mogen worden. Deze afspraak heeft de opdrachtgever met de gemeente gemaakt, om het effect van de parkeerplaats op de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Zou hier geen rekening mee zijn gehouden, zou dit in strijd zijn geweest met de regelgeving rondom het beschermde dorpsgezicht.
Vanwege de beperkt e grootte van de praktijk, zijn er maar drie parkeerplekken benodigd. Hierdoor zou één invalidenparkeerplek voldoende moeten zijn. Deze invalidenplek is de meest zuidelijk gelegen parkeerplek, omdat de zuidelijke entree geschikt is voor rolstoelers en de noordelijke entree juist niet in verband met de Bentheimerstenen. De noorddeur wordt in het ontwerp vormgegeven als vluchtroute/nooddeur. Dit is dan ook een van de redenen dat er twee entrees zijn ontworpen. Tot slot zorgt de situering van de drie parkeerplekken ervoor dat beide ingangen goed bereikbaar zijn, zonder dat hier lange wandelpaden voor aangelegd moeten worden.
Tot slot is de parkeerplaats zo vormgegeven dat er voldoende ruimte is om te draaien. Op deze manier kunnen alle auto’s het terrein zowel voorwaarts oprijden als verlaten. Dit is belangrijk met het oog op de vele fietsers die (vooral zomers) gebruik maken van de fietsroutes rondom de smederij. Op deze manier is dus een stukje veiligheid ingebouwd.
Fietsenstalling
De fietsenstalling is ingetekend aan de noordkant van de smederij, tegen de Vicarieweg aan. De stalling biedt plek aan zes fietsen.
Terras
Een andere wens van de opdrachtgever was een klein terras te realiseren aan de zuidkant van de smederij. De locatie van het terras was eigenlijk geen discussiepunt, omdat dit de enige serieuze mogelijkheid was. Wel is er in de schetsfase gesproken over of het terras direct aan de smederij moest grenzen of niet. Uiteindelijk is ervoor gekozen dit wel te doen. Door het terras dichtbij de smederij te realiseren, kan een enkele rij hoge bomen voor het terras langs schaduw creëren op zowel het terras als de smederij. Dit wordt passieve ontwerpmethodologie genoemd en is in samenspraak met het bouwkundige ontwerp zo afgesproken.
Materiaalgebruik
Naast de keuzes omtrent de inrichting van het kavel, zijn ook de toegepaste materialen op doordachte wijze gekozen. Hierdoor bestaat het ontwerp uit redelijk veel verschillende (half) In het ruimtelijk kwaliteitsplan is per verhardingssoort uitgelegd waarom dat type verharding is toegepast.
Zo wordt de parkeervoorziening voor het grootste gedeelte uitgevoerd in grind. Dit is gedaan om het aanzicht van het terrein zo min mogelijk aan te tasten, wat in strijd zou zijn geweest met de regels omtrent het beschermde dorpsgezicht. Door grind toe te passen komt de parkeerplaats in lijn met de op het stift gebruikelijke verharding. Daarnaast is het bij hevige buien zo dat het hemelwater niet direct infiltreert, waardoor het ondergronds opgevangen kan worden voor hergebruik.
De invalidenparkeerplek is uitgevoerd in straatbakstenen, om de simpele reden dat grind niet rolstoelvriendelijk zijn vanwege het oneffen oppervlak.
Aan de noordkant en oostkant van de smederij is gras toegepast. Hier is voor gekozen om een goede afweging tussen functionaliteit en historische uitstraling te maken en dus te voldoen aan de regelgeving omtrent het beschermde dorpsgezicht. Daarnaast draagt gras bij aan het beperken van wateroverlast bij hevige buien en hittestress bij extreme hitte. Eigenlijk zou er gesteld kunnen worden dat het overige oppervlak is verhard door middel van gras. In de huidige situatie is alles rondom de smederij gras. De keuze om dit zoveel mogelijk zo te laten is genomen omdat hittestress op deze manier zoveel mogelijk wordt beperkt en wateroverlast wordt voorkomen doordat het kan infiltreren.
Naast grind liggen er ook Bentheimerstenen aan de noordzijde van de smederij. Deze Bentheimerstenen liggen in de huidige situatie al op deze locatie en vanuit de opdrachtgever is er de wens deze te hergebruiken. Net als bij grind, geven de oude Bentheimerstenen een historische uitstraling aan de smederij, zeker in combinatie met het grind.
Daarnaast zitten vergelijkbare stukken natuursteen verwerkt in het pad met waaltjes langs de oostzijde van de smederij. Een straat welke verhard is door verschillende soorten bestrating geeft automatische een cultuurhistorische uitstraling aan het geheel. Dit is ook een veelvoorkomend verschijnsel bij traditionele boerderijen.
Zoals gezegd zitten er naast stukken natuursteen ook oude waaltjes verwerkt in het looppad. Uitgangspunt hierbij was het vinden van een goede balans tussen historische uitstraling en functionaliteit. Oude waaltjes zijn de perfecte verharding om dit te bereiken. Het geeft een nagenoeg effen pad, welke ook een ouderwetse uitstraling heeft. Daarnaast is bestrating van oude waaltjes niet volledig waterdicht. Bij zware piekbuien kan hemelwater enigszins infiltreren tussen de voegen van de waaltjes.
Beplanting
Ook de beplanting in het ontwerp is zorgvuldig gekozen. Achter ieder stukje groen zit een gedachtegang waar in het ontwerpproces over nagedacht is. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn. Historische waarde en klimaatadaptatie waren vaak belangrijke beweegredenen bij de gemaakte keuzes. Alle beplanting die gekozen is, is inheems voor de Twentse regio. Daarnaast was het noodzakelijk veel bomen en overig groen toe te passen om schaduw te creëren en zo hittestress te beperken. Dit draagt bij aan het maken van klimaatadaptatief ontwerp. In het ruimtelijk kwaliteitsplan is dit uitgebreid onderbouwd.
In het ontwerp komen de volgende soorten voor:
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. In dit geval is de parkeerberekening gebaseerd op de gemeentelijke beleidsnotitie 'Bouwen en Parkeren 2018'. Aangezien deze parkeernota geen cijfers biedt voor de berekening van de verkeersgeneratie, is voor de berekening van de verkeersgeneratie aangesloten bij de CROW-publicatie.
In de volgende subparagraaf wordt nader op de uitgangspunten ingegaan.
De gemeente Dinkelland valt binnen de categorie 'niet stedelijk'. Het plangebied bevindt zich binnen het buurtschap 'Stift'. Dit gebied wordt geschaard onder het gebiedstype 'rest bebouwde kom'.
Qua functie wordt in zowel de parkeernota als de CROW-publicatie de gewenste functie niet specifiek benoemd. Als naar de verschillende functies wordt gekeken, dan kan het best aansluiting worden gezocht bij de functie 'huisartsenpraktijk'.
Bij het berekenen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van de beleidsnotitie “Bouwen en parkeren 2018” van de gemeente Dinkelland. Hieronder zijn de uitgangspunten weergegeven.
| Functie | Parkeernorm | Aantal | Parkeerbehoefte |
| Huisartsenpraktijk | 3,35 pp per behandelkamer | 1 behandelkamer | 3,5 parkeerplaatsen |
| Totaal | 3,5 pp | ||
Op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten bedraagt de totale parkeerbehoefte van de gewenste ontwikkeling afgerond 4 parkeerplaatsen. In het pand komt namelijk één behandelkamer. In dit geval worden er 3 parkeerplaatsen aangelegd. Hiervoor is gekozen om de impact op de omgeving zo klein mogelijk te houden. De realisatie van 3 parkeerplaatsen wordt echter als voldoende geacht. Hieronder wordt dit nader toegelicht,
Allereerst wordt gesteld dat het gaat om een zeer kleinschalige praktijk, waar maximaal twee patiënten en één begeleider gelijktijdig aanwezig zijn. Daarnaast is de verwachting dat een deel van de patiënten met de fiets zal komen.
Zoals eerder aangegeven is het ook wenselijk om ter plaatse workshops en vergaderingen te organiseren. Deze functie sluit beter aan bij de functie 'kantoor zonder baliefunctie', waarvoor een parkeerbehoefte geldt van 2,55 parkeerplaatsen (per 100 m2). Het gaat immers om gebruik van ruimten voor vergaderen en workshops door groepen mensen. Dit is vergelijkbaar met activiteiten die op een kantoor plaatsvinden. Wel is er meer sprake van het komen en gaan van mensen, echter zal dit geen gevolgen hebben voor de parkeerbehoefte, aangezien het aantal mensen dat gelijktijdig aanwezig is over de dag verspreid gelijk is. De groepen wisselen elkaar af. Het gaat om een gebouw met een oppervlakte van 90 m2. Dit betekent voor deze functie een parkeerbehoefte van 2,55*0,9 = afgerond 3 parkeerplaatsen.
Ook bij dit gebruik is er daarmee sprake van voldoende parkeerruimte (3 parkeerplaatsen). Zeker aangezien de functies 'huisartsenpraktijk' en 'kantoor zonder baliefunctie' nooit gelijktijdig uitgeoefend worden. De ruimte wordt verhuurd voor andere functies wanneer deze niet in gebruik is ten behoeve van de zorgverlening.
Tot slot wordt gesteld dat de horeca ondergeschikt is aan de zorgfunctie. De ondergeschikte component betreft echter dat de horeca wordt uitgeoefend door patiënten ter plaatse. De gasten ten behoeve van de horeca brengen wel een parkeerbehoefte met zich mee. Allereerst wordt gesteld dat de meeste gasten toeristen betreffen die de locatie per fiets aandoen. Er zal nagenoeg geen sprake zijn van autogebruik. Verwacht wordt dat de fietsparkeerplaatsen voldoende ruimte bieden om het parkeren op te vangen. Daarnaast is de horeca dusdanig kleinschalig (een terras met maximaal 12 zitplaatsen) dat niet kan worden verwacht dat dit een onevenredige grote parkeerbehoefte met zich meebrengt.
Ten aanzien van het berekenen van de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de gemiddelde verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie. In dit geval worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: bevolkingsdichtheid: niet stedelijk (gemeente Dinkelland, bron: CBS) en ligging in de rest van de bebouwde kom.
Dit geeft het volgende beeld:
| Functie | Verkeersgeneratie per behandelkamer | Aantal | Verkeersgeneratie |
| Huisartsenpraktijk | 28,3 verkeersbewegingen | 1 | 28,3 |
| Totaal | 28,3 | ||
Zoals uit voorgaande tabel blijkt, gaat het om een verkeersgeneratie van 28,3 bewegingen per behandelkamer. Hier kan echter een nuancering in aan worden gebracht. Het gaat in dit geval niet om een reguliere huisartsenpraktijk, maar een kleinschalige praktijk waar slechts een beperkt aantal patiënten gelijktijdig behandeling krijgen. Bovendien betreft het geen praktijk waar patiënten gedurende de dag doorlopend aankomen en vertrekken, zoals bij een reguliere huisartsenpraktijk het geval kan zijn. Het gaat om maximaal 6 maal een uursessie per dag, waarbij de groep bestaat uit maximaal 4-5 patiënten. Het betreffen vaak individuele sesies, in 80% van de gevallen gaat het om één patiënt die gelijktijdig aanwezig is.
Overigens wordt gesteld dat ook het gebruik als vergaderlocatie/workshopruimte een zekere verkeersgeneratie op zal leveren. Het zal dan gaan om een functie die te vergelijken is met de functie 'kantoor zonder baliefunctie'. Voor deze functie geldt een verkeersgeneratie van 8,7 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Aangegeven dient te worden dat deze functie en de zorgfunctie niet gelijktijdig uitgeoefend worden. De ruimte wordt verhuurd voor andere functies wanneer deze niet in gebruik is ten behoeve van de zorgverlening. De verkeersgeneratie zal dan ook verspreid over de dag plaatsvinden.
Tot slot geldt dat voor de horecafunctie op basis van de CROW geen cijfers ten aanzien van de verkeersgeneratie opgenomen zijn. Gesteld wordt echter dat het gaat om een ondergeschikte, zeer kleinschalige functie. De horeca zal met name gebruikt worden door recreanten ter voet of ter fiets, die het buurtschap Stift bezoeken.
Het plangebied wordt in dit geval aan de noordzijde ontsloten op de Vicarieweg. Het verkeer zal zich via deze weg met name richting de Bornsestraat (via de Rudolph Wilminklaan) in noordelijke richting afwikkelen. Beide genoemde wegen zijn van voldoende capaciteit om de relatief beperkte verkeersgeneratie op een veilige wijze af te kunnen wikkelen. Voor het fietsverkeer is er tevens een ontsluiting mogelijk in oostelijke richting naar de Bisschopstraat. Het plangebied zal op een veilige en overzichtelijke wijze worden ontsloten.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
De Nationale Omgevingsvisie laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de omgevingsvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro).
Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren zich als zodanig en zijn ‘Ladderplichtig’. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag (bijv. bij functiewijziging), dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, g. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (ABRVS 201310814/1/R1).
Echter in een recentere uitspraak (ABRVS 201311211/1/R1) van de Raad van State d.d. 18 februari 2015 is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units in een bedrijfsverzamelgebouw. De Afdeling overweegt: “Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat in de Staat van bedrijfsactiviteiten deels bedrijfsactiviteiten staan genoemd waarvoor de units in de bedrijfsverzamelgebouwen niet eerder mochten worden verhuurd, oordeelt de Afdeling dat het plan hiermee niet voorziet in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2014 in zaak nr. 201310814/1/R1) is daarbij van belang dat met een verruiming van de gebruiksmogelijkheden geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt.”
Het onderstreepte “zodanige functiewijziging” suggereert dat er functiewijzigingen – zonder enige toename van bebouwing – kunnen zijn die wel “zodanig” zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een functiewijziging “sec” die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, door die invloed kan kwalificeren als “zodanige functiewijziging”, zodat sprake is van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat:
wordt gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.
Het plan voldoet aan de Novi de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan is daarmee in overeenstemming met het van belang zijnde rijksbeleid.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel.
De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hierna nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.
Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.2 (principe van concentratie) 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.4 (toekomstbestendigheid), artikel 2.1.5 (ruimtelijke kwaliteit) en artikel 2.1.6 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.
Artikel 2.1.2: Principe van concentratie
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.1 van de Omgevingsverordening Overijssel
De functiewijziging gaat over een bestaand pand. Enkel het parkeren is een nieuwe stedelijke functie. Het parkeren is echter inherent aan elke nieuwe functie. Binnen het Stift is parkeren op de weg niet wenselijk, vandaar dat gekozen is voor een nieuwe parkeerplaats op agrarische gronden. Deze parkeerplaatsen sluiten aan bij het bestaande gebouw en voldoen daarmee aan het principe van concentratie.
Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel
Door de aanleg van parkeerplaatsen is er sprake van extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Zoals hiervoor aangegeven zijn parkeerplaatsen noodzakelijk voor de gewenste functie. Door de parkeerplaatsen logisch en direct te laten aansluiten bij het pand is er sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 2.1.4: Toekomstbestendigheid
In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus:
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening Overijssel
Het plan voorziet in een nieuwe functie van een monumentaal pand. Met deze functie krijgt het gebouw een passende functie zodat het behouden blijft voor de volgende generaties. De nieuwe ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande functies in het Stift en draagt ertoe bij dat het Stift meer toekomstbestendig is.
Artikel 2.1.5 lid 1: Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel
De ontwikkeling voorziet in een toename van de ruimtelijke kwaliteit, doordat aan een monumentaal pand een passende functie wordt gegeven, zodat het behoud van het pand veilig wordt gesteld. Tevens wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief, voldoet aan het uitvoeringsmodel en aan de provinciale vier-lagen benadering. In komende subparagraven wordt daar nader op ingegaan. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.5.
Artikel 2.1.6 lid 1: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 lid 1 en 2.1.6 lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het provinciale beleid gaat er vanuit dat er ter compensatie van ontwikkelingen in het buitengebied geïnvesteerd wordt in de groene omgeving. De parkeerplaatsen worden op agrarische gronden gerealiseerd, vandaar dat de KGO van toepassing is. In dit geval is in een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. Het perceel wordt geheel landschappelijk ingepast, waarbij er fors geïnvesteerd wordt in het groen. Bovendien is de impact van de parkeerplaatsen door een adequate inpassing minimaal. Daarmee wordt geconcludeerd dat de geboden ontwikkelingsruimte in overeenstemming is met de investeringen in het landschap. Het plan is daarmee in overeenstemming met de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus - Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin het plangebied met de rode cirkel is weergegeven.
|
| Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'
Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan het ontwikkelingsperspectief
Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap' is ruimte voor het in harmonie met elkaar ontwikkelen van diverse functies. Het initiatief is een vorm van een dergelijke ontwikkeling, die bijdraagt aan de versterking van buurtschap het Stift. Ook draagt het geven van een nieuwe functie aan een monumentaal pand bij aan de doelstelling op cultuurhistorische elementen te versterken. Tot slot draagt het initiatief door de verschillende landschappelijke maatregelen bij aan de doelstelling om de landschapselementen te versterken. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierna wordt op de verschillende lagen ingegaan.
De 'Natuurlijke laag'
Op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' is het plangebied aangewezen als 'Dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart voor de 'Natuurlijke laag' opgenomen, het plangebied is met de rode cirkel weergegeven.
|
| Afbeelding 4.3: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart 'Stedelijke laag' (Bron: Provincie Overijssel) |
“Dekzandvlakte en ruggen”
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
Bij het opstellen van de plannen is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap. Zo worden natuurlijke en historische landschapselementen behouden en teruggebracht. Voorzover en nog reliëf aanwezig is, wordt dat met deze ontwikkeling niet aangetast. Gezien het vorenstaande wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor de 'natuurlijke laag'.
De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het Agrarisch cultuurlandschap”, aangeduid met de gebiedstypen 'Essenlandschap'. Afbeelding 4.4 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het Agrarische cultuurlandschap”. Het plangebied is aangegeven met de rode cirkel.
|
| Afbeelding 4.4: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' (Bron: Provincie Overijssel) |
“Essenlandschap”
Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd.
Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
Bij het opstellen van de plannen is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap. Door het geven van de functie aan het monumentale pand wordt het pand toekomstbestendig behouden, wat bijdraagt aan de aanwezige bebouwingskenmerken. Ook de nieuwe beplanting sluit aan bij de daar voorkomende bebouwingskenmerken en landschappelijke structuren. Gezien het vorenstaande wordt voldaan aan de kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap'.
De 'Stedelijke laag'
Op basis van de stedelijke laag kent het plangebied geen specifieke kenmerken. Wel wordt gesteld dat het plangebied nabij het een gebied ligt dat is aangeduid als 'historische centra, binnensteden en landstadjes'. Dit geldt ter plaatse van het Stift. Feitelijk maakt het plangebied onderdeel uit van het Stift. Daarom wordt toch op deze laag ingegaan.
“Historische centra, binnensteden en landstadjes”
De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra, binnensteden en landstadjes herbergen bijzondere condities zoals een waterfront of stationsgebied en staan symbool voor de identiteit en eigenheid van de steden en stadjes. Functioneel worden deze gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt.
Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.
Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag'
Door deze ontwikkeling wordt fors bijgedragen aan het versterken van het historisch buurtschap het Stift. Door het geven van een nieuwe functie voor dit monumentale pand wordt enerzijds de toekomst van het pand veiliggesteld, anderzijds wordt bijgedragen aan het realiseren van een mix van voorzieningen in het Stift en het in stand houden van de gezondheidsfaciliteiten in Noordoost-Twente, ten behoeve van het leefbaar houden van het gebied rond Weerselo. Daarom is het initiatief in overeenstemming met de stedelijke laag.
De 'Laag van beleving'
Op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' is het plangebied aangewezen als 'Donkerte'. In afbeelding 4.5 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart voor de 'Laag van de beleving' opgenomen, het plangebied is met de rode cirkel weergegeven.
|
| Afbeelding 4.5: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart 'Laag van de beleving' (Bron: Provincie Overijssel) |
'Donkerte'
Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek; zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een
lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken.
De sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Het vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht en het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen. De kansen hiervoor doen zich met name voor bij ontwikkelingen die een grote invloed hebben op het aspect donkerte, zoals grotere woon- en werklocaties en wegen. Ook de projectering van passages van auto(snel)wegen en regionale wegen speelt daarbij een grote rol vanwege het feit dat op- en afritten veelal leiden tot stedelijke ontwikkelingen.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving'
Ten aanzien van deze laag kan allereerst een nuancering aangebracht worden. De gehele kern Weerselo en de gehele buurtschap het Stift is namelijk voorzien van deze laag. Het gebruik van licht is echter inherent aan stedelijke functies. Er is reeds sprake van een zekere lichtuitstraling. De gewenste ontwikkeling brengt geen onevenredige toename van lichthinder met zich mee, die leidt tot een onaanvaardbare situatie. Het aspect 'donkerte' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name de thema's 'Voldoende voorzieningen' en 'Ruimte voor ondernemen' van belang. Hierna wordt daar op ingegaan.
Voldoende voorzieningen
In de kernen dragen de voorzieningen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en positieve gezondheid. Denk hierbij aan een ontmoetingsplek, winkels, sportvelden maar ook culturele activiteiten.
Elke kern heeft zijn eigen specifieke kenmerken. In het proces van MijnDinkelland2030 denken en werken de kernen al een aantal jaren aan wat zij belangrijk vinden voor de leefbaarheid van hun kern. Hierbij geldt dat er sprake moet zijn van een maatschappelijke meerwaarde voor het dorp zelf. Niet de stenen, maar de ontmoeting en activiteiten die daar uit voortkomen zijn bepalend. Zowel voor inwoners als voor bezoekers. Een punt van aandacht daarbij is dat iedere kern het liefst zijn eigen voorzieningen heeft, maar het moet ook haalbaar en betaalbaar zijn. Daarom kijkt de gemeente samen wat er mogelijk is en hoe de kernen daarin ook zelf een bijdrage kunnen leveren. Zowel bij de realisatie als ook bij de exploitatie van een voorziening.
Ruimte voor ondernemen
Als gemeente zorgt Dinkelland voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zo draagt de gemeente bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. Dinkelland streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven levert de gemeente maatwerk. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat Dinkelland voor:
Dinkelland geeft ondernemers de ruimte door in te zetten op maatwerk en door flexibiliteit te bieden. De gemeente vindt het belangrijk dat de juiste functies op de juiste plek terecht komen. Het slim combineren van functies vanuit een duidelijke visie biedt kansen. De ondernemers, de bedrijfsconsulent en het OndernemerServiceTeam (OST) zijn hierbij de spil. Zij verbinden partijen aan elkaar en helpen met de juiste routes.
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een multifunctionele ruimte voor verschillende functies. Het initiatief past uitstekend in het streven naar voldoende voorzieningen en draagt bij aan de leefbaarheid van het buurtschap. Ten aanzien van ruimte voor ondernemen past het initiatief binnen het streven van de gemeente om ruimte te bieden aan ondernemers. Het initiatief sluit hiermee naadloos aan op de omgevingsvisie.
De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan.
Hoofdambitie van Structuurvisie is:
“Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie”.
Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt:
Hierna wordt allereerst ingegaan op de visie op hoofdlijnen voor de kern Weerselo. Vervolgens wordt ingegaan op de visie ten aanzien van 'recreatie en toerisme', aangezien daar specifiek in het Stift ingegaan wordt.
In de visie zijn voor de kernen visies op hoofdlijnen weergegeven. Hieronder is de visie op hoofdlijnen voor de kern Weerselo weergegeven. De voor dit plan van belang zijnde punten zijn weergegeven:
Recreatie en toerisme zijn speerpunten van gemeentelijk beleid. Zij bieden namelijk economische kansen voor de gemeente. Dit is des te meer van belang nu de oorspronkelijke functie van de landbouw voor werkgelegenheid en grondgebruik van het landelijk gebied meer en meer gaat verdwijnen. Ontwikkelingen op het gebied van recreatie en toerisme worden steeds minder ondergeschikt aan de agrarische belangen. Om de leefbaarheid van het platteland te behouden heeft het gebied dringend nieuwe functies nodig. Dit kan zijn op het gebied van nieuwe vormen van wonen en werken en natuurontwikkeling en vooral ook recreatie en toerisme. Dinkelland wordt verder ontwikkeld naar een gebied waar kunst en cultuur, ontspanning, wellness en natuur de belangrijkste thema’s zijn. Hierbij is oog voor de zo kenmerkend kleinschaligheid van het gebied waardoor de basiskwaliteiten voor recreatie en toerisme in het gebied: rust, ruimte, authenticiteit, kleine en karakteristieke kernen, hoogwaardige (verblijfs)accommodaties en een goed routestructuur, gewaarborgd zijn. Behoud en ontwikkeling van het landschap blijft daarbij een speerpunt.
Om de recreatie- en toeristische sector te stimuleren is het versterken van het historische karakter en de toeristische functie van het Stift als een van de speerpunten genoemd.
Het initiatief sluit aan bij de algemene ambitie van de gemeente om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied te waarborgen. Aan een monumentaal pand wordt immers een passende vervolgfunctie gegeven, waarbij het karakter van zowel het pand als omgeving versterkt wordt. Door de nieuwe functie in de gezondheidszorg wordt een impuls gegeven aan de gezondheidszorg en daarmee aan de leefbaarheid van het platteland. Ook wordt een impuls gegeven aan de ambities op het gebied van kunst en cultuur. Binnen het gebouw komt er namelijk tevens mogelijkheid voor exposities op het gebied van kunst. Dit past ook bij het leefbaar houden van het 't Stift als cultuurhistorische buurtschap.
Ook wordt aangesloten bij het bevorderen van de recreatie en toerisme, aangezien er een ondergeschikte horecafunctie gerealiseerd wordt. Voorgenoemde sluit tevens specifiek aan bij de ambitie ten aanzien van recreatie en toerisme om het historisch karakter en de toeristische functie van het Stift en de omgeving Weerselo en Saasveld te versterken. De gemengde functie met kleinschalige horeca is een aanvulling op de bestaande horeca en een verbetering van de toeristische structuur. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de structuurvisie.
De gemeente Dinkelland heeft op basis van het provinciale beleid een eigen KGO-beleid opgesteld. Op basis van dit beleid kan er ruimte worden geboden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De volgende basisprincipes gelden voor elke ontwikkeling:
Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. In dit onderhavige gemeentelijke beleid wordt vastgesteld dat afwijking van bestaande regels mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal- en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Is er sprake van een bestaande locatie dan wordt deze als passend aangemerkt. Dit betekent dat de geldende bestemming ter plekke als qua aard passend wordt beschouwd.
Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen. Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn drie variabelen te hanteren:
Als er sprake is van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 100% van de waardevermeerdering (van de gronden als gevolg van aanpassing van de bestemming) te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). Van het voorgenoemde percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen, dan kan het college hiertoe een besluit nemen. Alsdan gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5 (met een maximum van 25%).
Als er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling zal er naast de basisinspanning 25% moeten worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Indien er geen mogelijkheid is om het gehele bedrag te investeren, zal het bedrag gestort worden in het KGO-fonds. De percentages zijn ingegeven door het feit dat bij een niet aan het buitengebied gebonden activiteit de impact groot is, omdat deze functies feitelijk in de kernen thuishoren. Gelet hierop dient er een volledige tegenprestatie geleverd te worden. Het zogenoemde weegschaalmodel komt in evenwicht door de waardevermeerdering volledig te compenseren in ruimtelijke kwaliteit.
Kernrandzone
Is er sprake van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 100% maar 50% van de waardevermeerdering geïnvesteerd te worden. Gaat het om een aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 25% maar 12,5% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd. De kernrandzone is niet een vast afgebakend gebied (in bijvoorbeeld het bestemmingsplan), maar zal van geval tot geval gemotiveerd moeten worden. Een kernrandzone is een gebied aansluitend aan de kern waar sprake is van een menging van functies; waar “de kern het buitengebied treft”.
Vindt een ontwikkeling plaats in de kernrandzone, dan kan dus het percentage van de waardevermeerdering die geïnvesteerd moet worden, worden gehalveerd.
Waardevermeerdering
Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Er wordt uitgegaan van basisbedragen. Dit zijn in overleg met erkende taxateurs bepaalde waarden. Het gemeentelijk KGO-beleid bevat een tabel waarin deze bedragen zijn opgenomen. Daar waar dat lastiger is vanwege de invloed van de mogelijkheden binnen een specifieke bestemming (bijvoorbeeld indien veel meer bouwmogelijkheden worden geboden binnen een bestemming), zal een taxatie nodig zijn. Opgemerkt wordt hier dat bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, geen verrekening plaats vindt.
Waardevermindering
Waardevermindering als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld van agrarische grond naar bos en natuur of landschap dan wel van bedrijfsterreingrond naar bos en natuur of landschap, mogen worden meegenomen in de berekening, voor zover het gaat om het veranderen van de bestemming ten behoeve van de basisinspanning. Ten aanzien van de investering van de berekende KGO bijdrage, mogen reële, werkelijke kosten voor het opstellen van het KGO-landschapsplan tot een percentage van 10% van het berekende KGO bedrag met een absoluut maximum van €15.000,-, worden meegenomen, in die zin, dat deze mogen worden toegerekend aan de investering in ruimtelijke kwaliteit (voorwaarde is hierbij wel dat niet op een andere wijze een bijdrage mag zijn ontvangen voor het opstellen van het landschapsplan). Ook de kosten voor de inzet van de kwaliteitsgroep landelijk gebied kunnen hierbij worden betrokken.
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het provinciale beleid gaat er vanuit dat er ter compensatie van ontwikkelingen in het buitengebied geïnvesteerd wordt in de groene omgeving. De parkeerplaatsen worden op agrarische gronden gerealiseerd, vandaar dat de KGO van toepassing is. In dit geval is in een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. Het perceel wordt geheel landschappelijk ingepast, waarbij er fors geïnvesteerd wordt in het groen. Bovendien is de impact van de parkeerplaatsen door een adequate inpassing minimaal. Daarmee wordt geconcludeerd dat de geboden ontwikkelingsruimte in overeenstemming is met de investeringen in het landschap. Gezien de kleinschaligheid is een nadere uitwerking op basis van het gemeentelijk KGO-beleid niet noodzakelijk. Dit is reeds met de gemeente afgestemd. Het plan is daarmee in overeenstemming met de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
In de volgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de ligging van het plangebied ten opzichte van casco-elementen.
|
| Afbeelding 4.6: Uitsnede cascokaart (Bron: Gemeente Dinkelland) |
Zoals uit afbeelding 4.6 blijkt, is de bomenrij langs de noordzijde van het plangebied onderdeel van het casco. Zoals ook in paragraaf 3.1.3 aangegeven wordt deze bomenrij versterkt met nieuwe inheemse bomen, zodat de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied versterkt worden. De casco-elementen worden daarmee versterkt. Het plan is dan ook in overeenstemming met het casco-beleid.
De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben op 22 december 2015 de gezamenlijke welstandsnota 'Nota Omgevingskwaliteit' vastgesteld. De gemeenten hebben de keus gemaakt om de bemoeienis zoveel mogelijk te beperken en daarom alleen te sturen op omgevingskwaliteit waar dit nodig en voor iedereen uitlegbaar is. Ruimtelijke kwaliteit en deregulering hebben in het proces bij het opstellen van de nota centraal gestaan. Behalve deregulering staat ook maatwerk centraal in het welstandsbeleid. De beeldkwaliteit van karakteristieke en kenmerkende plekken dient te worden geborgd. Het grondgebied van de gemeenten is opgedeeld in deelgebieden, om per deelgebied tot een passend welstandsbeleid te komen is gewerkt via de thema's waardering, ambitie en beleid.
Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit:
Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, die allen een andere impact hebben op de omgeving. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
In afbeelding 4.4. staat de toetsingsmethodiek weergegeven.
|
| Afbeelding 4.4: Werkwijze welstandsbeoordeling (Bron: gemeenten Dinkelland en Tubbergen) |
Het plangebied ligt in de kern Het Stift, in een gebied dat in het welstandsbeleid is aangemerkt als 'bijzondere omgeving'. Het gaat om een bijzonder bouwwerk.
In dit geval zijn de plannen besproken met het Q-team en met de monumentencommissie van de gemeente Dinkelland. In de planvorming is hiermee uitvoerig rekening gehouden. De kwaliteiten van het monument worden behouden en waar mogelijk nadrukkelijker in beeld gebracht. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief daarmee in overeenstemming is met de nota omgevingskwaliteit.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Beluit milieueffectrapportage.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
In dit geval gaat het om het realiseren van een multifunctionele psychologiepraktijk inclusief kantoor/verhuur vergaderruimten en workshops en ondergeschikte horeca. Deze functies betreffen geen van allen geluidsgevoelige functies. Een onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van de omliggende geluidsbronnen is dan ook niet nodig. Overigens liggen er in de nabijheid uitsluitend zeer rustige wegen die door het bestemmingsverkeer gebruikt worden. Ook liggen er geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen in de omgeving van het plangebied.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.
Ter plaatse van het plangebied is er geen sprake van het bouwen van bodemgevoelige functies, aangezien de praktijk volledig in het bestaande pand zal worden uitgeoefend. Er is ter plaatse echter wel lange tijd een bedrijfsfunctie in de vorm van een smederij gevestigd geweest. Om de kwaliteit van de grond in beeld te brengen, is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende subparagraaf wordt nader op de onderzoeksresultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.
Bovengrond - BG I en BG II - Zware metalen en PAK
Er zijn enkele verontreinigingen aangetroffen. Deze verontreinigingen in de grond met metalen en PAK zijn niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing. Oorzaak voor de verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (kolengruis) en de voormalige bedrijfsactiviteiten (smederij). Het mengmonster van de bovengrond BG I is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met koper, nikkel en lood en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, PCB en PAK. Aangezien de tussenwaarden worden overschreden, zijn de monsters uit het mengmonster BG I separaat geanalyseerd op zware metalen.
Grondwater - Peilbuis 1 - Barium, cadmium en zink
Het licht verhoogde gehalten aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. De verhoogde gehalten aan cadmium en zink houden mogelijk (deels) verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten en de aangetoonde verontreinigingen in de bovengrond. De tussenwaarden voor barium en cadmium worden niet overschreden en het uitvoeren van nader onderzoek is hiervoor niet noodzakelijk. Het sterk verhoogde zinkgehalte houdt mogelijk (deels) verband met het aangetoonde zinkgehalte in de bovengrond (BG I). Formeel gezien dient verder aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de omvang van de sterke verontreiniging met zink in het grondwater te bepalen.
Er zijn naar een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek:
De sterke zinkverontreiniging in het grondwater levert bij huidig en toekomstig gebruik geen risico’s op. Het is dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek.
Separate analyses
Uit de separate analyses blijkt dat in de bovengrond rondom de voormalige smederij verhoogde gehalten voorkomen aan zware metalen. Het betreft met name koper, nikkel, lood en zink. Ter plekke van boring 2 is de bovengrond sterk verontreinigd met zink.
De licht tot sterke verontreinigingen met metalen in de bovengrond zijn heterogeen aanwezigen en houden waarschijnlijk verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten (smederij) en de aangetroffen bodemvreemde materialen (kolengruis). Een nader bodemonderzoek is uitgevoerd om de omvang van de sterke verontreiniging in kaart te brengen.
Nader bodemonderzoek
Uit de resultaten van de chemische analyses blijkt dat de sterke verontreiniging in voldoende mate is afgeperkt.
De interventiewaardecontour is weergegeven op het boorplan in bijlage I. Er kan geen achtergrondwaardecontour worden vastgesteld, omdat in de overige boringen nog licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetoond.
Het sterk verhoogde gehalte aan zink en de matig verhoogde gehalten aan koper, nikkel en lood ter plekke van boring 2 houden verband met de aangetroffen bodemvreemde materialen (kolengruis). De omvang van de sterke verontreiniging met zink ter plekke van boring 2 wordt geschat op circa 25 m3 x 0.50 = circa 13 m3.
De locatie is een zeer lange tijd in gebruik geweest als smederij en aangenomen wordt dat het een historische bodemverontreiniging betreft (ontstaan voor 1987). Omdat er minder dan 25 m3 grond sterk verontreinigd is, is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging en is er derhalve ook geen saneringsnoodzaak.
De sterk met zink verontreinigde grond bevindt zich ter plekke van boring 2, aan de noordzijde van het pand. In de toekomstige situatie zal de voormalige smederij verbouwd worden tot een praktijkruimte. Ter plekke van de sterke verontreiniging blijft de situatie ongewijzigd en is er geen saneringsnoodzaak.
De sterk met zink verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Indien de sterk verontreinigde grond alsnog gesaneerd wordt, dient een saneringsplan ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Een eventuele sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode marker geeft het plangebied weer.
|
| Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl) |
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie:
LPG-tankstation
Op afbeelding 5.1 is weergegeven dat er een LPG-tankstation in de nabijheid van het plangebied ligt. Het betreft het autobedrijf aan de Abdijweg 62, op circa 170 meter afstand van het plangebied.
Ter plaatse is een LPG-reservoir aanwezig, waarvoor een plaatsgebonden risicoafstand geldt van 25 meter en een afstand van 150 meter waarbinnen een verantwoording voor het groepsrisico benodigd is. Het plangebied ligt niet binnen deze zone. Het aspect 'externe veiligheid' vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan.
Eén en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is.
Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Het plangebied is gelegen in het Stift, dit betreft een historische buurtschap. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich met name woonfuncties. De omgeving kan dan ook worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Hierna zijn bijbehorende richtafstanden weergegeven.
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een multifunctionele psychologiepraktijk, inclusief ondergeschikte horeca en kantoorfuncties/workshopruimtes. Als deze functies worden vergeleken met de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering', dan kunnen deze functies het best worden vergeleken met de volgende functies:
Voor bovengenoemde functies geldt op basis van ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de woning direct ten westen van het plangebied. Deze woning ligt op een afstand van 6 meter. Aan de richtafstanden wordt formeel niet voldaan.
Het gaat echter om een zeer kleinschalige functie. Er wordt ter plaatse immers zorg geboden aan maximaal 4-5 patiënten gelijktijdig. Ook de vergaderfunctie en de horecafunctie zijn zeer kleinschalig. Het gebouw heeft immers een oppervlakte van slechts 90 m2. Tot slot komt er in dit geval een bedrijfsbestemming te vervallen, wat een verbetering van het woon- en leefklimaat betekent. Geconcludeerd wordt dat omliggende functies niet worden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Een kleinere afstand dan 10 meter is daarmee gerechtvaardigd.
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Er is in dit geval geen sprake van het toevoegen van een milieugevoelige functie. Overigens liggen er in de directe omgeving geen milieubelastende functies.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Lemselermaten op een afstand van circa 1,9 kilometer van het plangebied.
Het gaat in dit geval echter om een zeer kleinschalig project. Er is nagenoeg geen sprake van bouw- en sloopwerkzaamheden. De ontwikkeling vindt plaats in het bestaande pand, dat hiervoor zal worden gerenoveerd. Ook in de gebruiksfase is er nagenoeg geen sprake van een extra verkeersgeneratie, gezien de kleinschaligheid van het geheel (zie ook paragraaf 3.2). Hierdoor kan verwacht worden dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening kan daarom achterwege gelaten worden.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt niet binnen het NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 500 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
In dit geval gaat het om de realisatie van een psychologiepraktijk in een bestaand gebouw. Er is in het geheel geen sprake van sloopwerkzaamheden of het rooien van groen. Daarom kan redelijkerwijs niet verwacht worden dat er sprake is van aantasting van beschermde soorten. Een quickscan ecologie is daarom achterwege gelaten.
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Dinkelland weergegeven. Het plangebied is daarin met rode belijning aangeduid.
|
| Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Dinkelland (Bron: gemeente Dinkelland) |
Het plangebied ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Een archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt niet gehaald. Het gaat in voorliggend geval immers enkel om graafwerkzaamheden ten aanzien van een kleinschalige parkeerplaats en de aanleg van groenelementen. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
In dit geval gaat het om een nieuwe functie in een rijksmonument. Hiermee is in het plan uitvoerig rekening gehouden. Om de monumentale waarde te behouden van de smederij (anno 1890) worden verschillende onderdelen opgenomen in het nieuwe ontwerp.
In het ontwerpproces is een vooronderzoek uitgevoerd. Zo is er een waardekaart opgesteld, om een indicatie te geven aan de waarde van de verschillende elementen van de smederij. Deze waardekaart met bijbehorende onderbouwing is als Bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt er samengevat op ingegaan.
De eyecatchers zijn het smidsvuur die bewaard blijft en wordt beschermd door glas, de bestaande klinkervloer die te zien is door de stuken glazen vloer die worden geplaatst in de nieuwe vloer en de werkbank in de toekomstige spreekkamer die kan worden gebruikt als opbergruimte of werkplaats. Op de verdieping is er ook nog ruimte om onderdelen van de smederij zoals gereedschap, hoefijzers of werkkasten tentoon te stellen en daar is een stuk van de oude vloer en dak te zien. De selectie van welke onderdelen bewaard moeten blijven is vastgesteld in de waardekaart, hierin wordt tevens gekeken naar welke onderdelen eventueel naar heemkunde moeten of algeheel moeten worden verwijderd.
Omdat de smederij niet voldoet aan de eisen van een multifunctionele psychologiepraktijk moet er gerenoveerd worden. Hierbij wordt goed gekeken naar behoud van de monumentale waarde van de smederij, comfort, gebruiksvriendelijkheid en duurzaamheid.
De plannen zijn besproken en afgestemd met de monumentencommissie. Door het plan wordt aan een monument een toekomstbestendige functie gegeven, die bijdraagt aan het behoud van het monument. Gesteld wordt daarmee dat het plan bijdraagt aan de cultuurhistorie.
Geconcludeerd wordt er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht.
In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.
Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
De in het voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de transformatie van een smederij naar een kleinschalige multifunctionele psychologiepraktijk. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.
In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Via de Digitale Watertoets is Waterschap Vechtstromen van de ontwikkeling op de hoogte gebracht. Uit de Watertoets kwam naar voren dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Het resultaat is opgenomen in Bijlage 4. In de volgende paragaaf wordt nader ingegaan op de relevante wateraspecten.
De smederij is momenteel nog niet aangesloten op het bestaande rioolstelsel. In verband met de klimaatveranderingen en de bijbehorende zware piekbuien, is het streven een ontwerp te maken waarbij het hemelwater niet opgevangen hoeft te worden door het riool. De voorkeur gaat dan ook uit naar een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater afkomstig uit de multifunctionele ruimte wordt dan geloosd op het huidige vrijverval riool, terwijl het hemelwater wordt opgevangen en wordt hergebruikt voor het besproeien van de beplanting in periodes van extreme hitte. Het hemelwater dient opgevangen te worden zodat het kan worden hergebruikt, hiervoor wordt de bestaande waterput aangewend. Het hemelwater dient naar deze put te worden getransformeerd, zodat het daar kan worden opgeslagen.
Met het oog op de klimaatverandering zijn er veel bomen en overig groen verwerkt, zijn er weinig verharde oppervlakten en is er een systeem geplaatst waarmee hemelwater kan worden hergebruikt als grijswater in en rondom de praktijk. Deze maatregelen dienen de effecten van hittestress, wateroverlast en droogte te beperken. Het vele groen draagt daarnaast bij aan een verhoogde biodiversiteit.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
In dit artikel worden middels wijzigingsbevoegdheden mogelijkheden geboden om het plan te wijzigen onder voorwaarden.
In dit artikel zijn de eisen ten aanzien van parkeren opgenomen.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Deze bestemming is, conform geldend bestemmingsplan, opgenomen ter plaatse van de agrarische gronden rondom het gebouw. Deze gronden zijn enerzijds meegenomen omdat er ter plaatse landschapsmaatregelen plaatsvinden, die binnen het plangebied dienen te vallen. Belangrijkste reden om deze gronden mee te nemen is dat er binnen deze bestemming parkeerplaatsen zijn beoogd.
Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor cultuurgrond en het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden. Tevens zijn specifiek parkeervoorzieningen toegestaan. Voor de parkeervoorzieningen is op de verbeelding een specifieke aanduiding opgenomen om de beoogde locatie planologisch te borgen.
In de bouwregels is bepaald dat uitsluitend erf- en terreinafscheidingen toegestaan zijn. Wel kan hier van af worden geweken middels een omgevingsvergunning. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Hier zijn tevens uitzonderingen voor opgenomen. Hier is specifiek bepaald dat werkzaamheden in het kader van het ruimtelijk kwaliteitsplan niet vergunningsplichtig zijn.
Tevens is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing opgenomen. Er is ervoor gekozen om deze verplichting binnen de agrarische bestemming op te nemen, omdat de landschapsmaatregelen benodigd zijn als gevolg van het aanleggen van de parkeerplaatsen binnen deze bestemming.
Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande bedrijfsbestemming (de smederij). De gronden zijn specifiek bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder verstaand wordt:
sociaal-medische, museale, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
Hiermee is specifiek de psychologiepraktijk (sociaal-medisch) alsmede de dienstverlening (workshops/vergaderruimten) alsmede ondergeschikte horeca mogelijk. Ook ondergeschikte horeca is specifiek gedefinieerd:
'horeca-activiteiten in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig verstrekken van (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse uitgeoefend, die zijn toegestaan zolang en voor zover het gebouw de maatschappelijke en/of culturele functie als de hoofdfunctie heeft'
Tot slot is tevens ondergeschikte detailhandel gedefinieerd, om zo verkoopfuncties, gerelateerd aan onder andere de exposities, mogelijk te maken:
'detailhandelsactiviteiten, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen, die zijn toegestaan zolang en voor zover het gebouw de maatschappelijke en/of culturele functie als de hoofdfunctie heeft'
In de bouwregels zijn grotendeels overgenomen uit de bestemming 'Bedrijf'. Het bestaande beschermingsregime voor het monument, dat zich vertaalt in de vastgelegde goothoogte, bouwhoogte en dakhelling, zijn overgenomen. Bouwwerken zijn niet toegestaan. Van de bouwregels kan onder voorwaarden afgeweken worden.
Deze bestemming is conform het nu geldende bestemmingsplan voor het gehele plangebied opgenomen. Gronden met deze bestemming zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. Deze bestemming is opgenomen in het gehele beschermde dorpsgezicht van het buurtschap het Stift.
Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen om de bijzonder waarden te beschermen. Specifiek is een uitzondering opgenomen voor maatregelen die uitgevoerd worden in het kader van het door het bevoegd gezag vastgestelde ruimtelijk kwaliteitsplan. Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat alle maatregelen van het ruimtelijk kwaliteitsplan vergunningsplichtig zijn. Dit is niet wenselijk, zeker aangezien de maatregelen juist voorzien in een versterking van het beschermd dorpsgezicht.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Het plan zal in het kader van vooroverleg aan de provincie worden voorgelegd.
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een normale procedure. Het plan is dan ook aan het waterschap voorgelegd in het kader van vooroverleg. De resultaten hiervan zijn in Hoofdstuk 6 verwerkt.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
Initiatiefnemer heeft de buurt over de plannen ingelicht. De reacties waren overwegend positief.
Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het wettelijk vooroverleg is daarmee positief afgerond.