direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Weerselo, Spikkert 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 28 juni 2016 is het bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. Dat bestemmingsplan biedt het ruimtelijk-planologisch kader voor de realisatie van 75 woningen.

De gemeente Dinkelland heeft begin 2020 met de dorpsraad van Weerselo gesproken over een concept verkavelingskaart voor fase drie van Het Spikkert. Dit heeft ertoe geleid dat er een herverkaveling heeft plaatsgevonden waarop 33 woningbouwkavels zijn ingetekend.

Aangezien het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied van de herverkaveling voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van 26 woningen, is het voorgenomen plan voor de realisatie van 33 woningen niet mogelijk. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied is gesitueerd aan de noordoostzijde van Weerselo. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie Q, nummer 1100 en heeft een oppervlakte van circa 81927 m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische grond, aan de oostzijde door de Siemertsteeg, aan de zuidzijde door de Eertmansweg en aan de westzijde door de in ontwikkeling zijnde woningen aan Erve Spikkert. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase', vastgesteld op 28 juni 2016. Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Wonen', 'Verkeer' en 'Groen'. Ten aanzien van het aantal woningen is in de bestemming 'Wonen' de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de bestemming Wonen kon de tweede fase van de nieuwe woonwijk worden gerealiseerd. Naast het wonen is in deze bestemming het uitoefenen van aan huis verbonden beroepen toegestaan. Een belangrijke rol is toegekend aan de vrije beroepen. Door de Kamer van Koophandel wordt onder een ‘vrije beroepsbeoefenaar’ verstaan: ‘iemand die wordt gevraagd om zijn individuele, persoonlijke kwaliteiten, die in het algemeen op artistiek-, academisch-, dan wel HBO-niveau liggen’.

De bestemming 'Verkeer' maakt het mogelijk de wegenstructuur van Het Spikkert, met alle benodigde voorzieningen, te realiseren. Te denken valt aan parkeervoorzieningen, wegen, paden, bermen en dergelijke.

Binnen de bestemming 'Groen' zijn groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, alsmede openbare nutsvoorzieningen toegestaan.

Ten aanzien van het aantal woningen is in de bestemming 'Wonen' een maatvoering opgenomen. Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan (Spikkert, derde fase) is het op grond van de aanduidingen mogelijk om 26 woningen te realiseren. Aangezien het plan betrekking heeft op een herverkaveling en tevens op de toevoeging van 7 extra woningen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Weerselo, Spikkert 3' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Ontstaansgeschiedenis Weerselo

De naam Weerselo wordt al in het jaar 1150 genoemd. Het klooster met die naam had destijds duchtig te lijden onder de terreur van de heren van Saterslo (het huidige Saasveld). De kern Weerselo is in de eerste aanleg ontstaan ter hoogte van het buurtschap Het Stift, in de nabijheid van het klooster in het noordelijke deel van de marke. Deze marke was een schoolvoorbeeld van een essenzwermdorp. Nadat in het begin van de 19e eeuw op een kilometer ten zuidoosten van Het Stift een kleine rooms-katholieke kerk werd gebouwd, kwam daar een nieuwe nederzetting tot ontwikkeling: Nijstad genaamd. Dit vormt het centrum van het huidige dorp Weerselo.

Doordat de groei van de oude nederzetting vervolgens stagneerde, heeft Het Stift tot op heden zijn oorspronkelijke karakter behouden. Langs de verbindingsweg tussen de samenstellende delen van het dorp Weerselo ontstond lintbebouwing. Deze vorm van bebouwing was aanvankelijk ook kenmerkend in Nijstad, waar de eerste bewoning zich aan een viertal wegen rond de rooms-katholieke kerk concentreerde.

Duidelijke kernvorming trad in Weerselo pas op na de Tweede Wereldoorlog. Vlakbij de roomskatholieke kerk werd in 1955 het nieuwe gemeentehuis van Weerselo in gebruik genomen. De eerste bebouwing ligt dus hoofdzakelijk rondom de kerk en langs de weglinten. De eerste uitbreidingen van de kern hebben plaatsgevonden aan de westzijde van de Legtenbergerstraat en ten noorden van de Gunnerstraat. Deze woongebieden bestaan hoofdzakelijk uit stroken- en blokverkaveling. Deze uitbreiding van de kern vond plaats in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Rond de jaren ’70 en ’80 is de kern verder uitgebreid in oostelijke richting. Dit woongebied is gebouwd vanuit de forumgedachte en bestaat uit vele woonerven met zijn kenmerkende kronkelige wegenstructuur. Van begin jaren ’90 vindt uitbreiding plaats in noordelijke richting in het nieuwe woongebied “Reestman”. Het woongebied Reestman bestaat uit individuele bouw in de vorm van vrijstaande woningen.

2.2 Stedenbouwkundige structuur

Vanuit het centrum van Weerselo strekken radiale wegen zich uit naar het omringende landschap. Hierbij kan worden gedacht aan de Haarstraat, de Legtenbergerstraat, de Bisschopstraat, de Gunnerstraat en de Wenshofsteeg. Vooral ten noorden van het centrum zijn in latere jaren nieuwe woonwijken ontwikkeld. Binnen en tussen deze woonwijken bevinden zich groene aders die vanuit het omringende landschap het woongebied binnentrekken. Het plangebied, dat aan de noordoostzijde van de kern is gesitueerd, heeft op het ogenblik grotendeels een groen karakter.

Als gevolg van het vigerende bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' is de tweede fase van woningbouwplan Het Spikkert in ontwikkeling gebracht. Binnen de verschillende woonbuurtjes kunnen in totaal circa 75 woningen worden gerealiseerd, bestaande uit rijtjes-, tweenaaneengebouwde en vrijstaande woningen. De woonbuurtjes worden van elkaar gescheiden door groene scheggen die samenkomen in het centrale groengebied. In dit centrale groengebied wordt een speelvoorziening gerealiseerd. Tot het nieuwe woongebied behoren tevens de twee oude boerenerven Eertmansweg 1 en 3, alsmede het erf Legtenbergerstraat 26.

De ontwikkeling van Het Spikkert, tweede fase vindt gefaseerd plaats waardoor goed kan worden aangesloten op de woningbehoefte. De ontwikkeling van Het Spikkert, tweede fase, is gestart aansluitend aan het kruispunt Legtenbergerstraat/Eertmansweg (A). Vervolgens wordt het plan gefaseerd ontwikkeling in oostelijke richting (B en C, zie figuur 2.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0004.png"

Figuur 2.1: Gefaseerde ontwikkeling woningbouw Het Spikkert, tweede fase

Dit bestemmingsplan maakt de derde fase van woningbouwplan Het Spikkert mogelijk. De derde fase sluit aan op de bestaande (aangelegde) weg Erve Spikkert en wordt voorzien van groene randen, waarbij aan de noord- en zuidzijde een wadi wordt aangelegd. De bebouwing bestaat uit twee-onder-een kapwoningen, vrijstaande woningen en enkele aaneengebouwde woningen (rijtjeswoningen) waarbij de parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden aangelegd. In paragraaf 2.3 wordt concreet ingegaan op de toekomstige situatie.

2.3 Toekomstige situatie

Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt deel uit van van ontwikkelingsgebied 'B' uit figuur 2.1. Op basis van de gefaseerde ontwikkeling zijn in ontwikkelingsgebied 'B' 26 woningen gepland. Op basis van de gesprekken met de Dorpsraad van Weerselo is een (her)verkavelingsschets opgesteld voor de realisatie van 33 woningbouwkavels. Derhalve worden er 7 extra woningen aan het ontwikkelingsgebied toegevoegd. In figuur 2.2 is de toekomstige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0005.png"

Figuur 2.2: Toekomstige situatie (bron: gemeente Dinkelland)

Voor de nieuwe verkaveling wordt aangesloten op de bestaande (aangelegde) weg Erve Spikkert. Ten zuiden van de aan te leggen weg worden vier aaneengebouwde woningen en acht twee-onder-een kapwoningen ontwikkeld. Aan de noordzijde van Erve Spikkert wordt voorzien in de ontwikkeling van tien twee-onder-een kapwoningen, vijf vrijstaande woningen en zes rijtjeswoningen. De reeds in het ontwerp van het bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' opgenomen groenstrook tussen de nieuwe bebouwing en de Eertmansweg blijft behouden. Zowel aan de noord- als aan de westzijde van het plangebied worden wadi's aangelegd c.q. uitgebreid.

Daarnaast wordt in het plan rekening gehouden met de ontsluiting voor deelgebied C (zie figuur 2.1). Langs de nieuw aan te leggen wadi aan de noordzijde (Erve Mulderboer) wordt aangesloten bij de weg Erve Marijnenboer.

Om de groene uitstraling van het plan te borgen is een groen inrichtingsplan opgesteld. Op een aantal locaties worden op de erfafscheiding hagen aangeplant. Deze hagen zijn eigendom van de toekomstige bewoners van het perceel. De haag bestaat uit een enkele rij haagplanten. De plantlijn bevindt zich zoveel mogelijk op of tegen de erfafscheiding. De eigenaar van het perceel is verantwoordelijk voor het beheer van de gehele haag. Snoeien dient bij voorkeur vroeg in het seizoen plaats te vinden als er nog geen vogels in de haag genesteld zijn. De gewenste snoeihoogte is circa 1,60 meter en aan de zijkanten 65 cm. De soorten haagbeplanting bestaan uit Fagus sylvatica en Carpinus betulus. In de regels van dit plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om het onderhoud van de hagen te borgen.

Aan de rand van het park (openbare groene ruimte) worden twee rijen haagplantsoen geplant. Deze hagen bestaat uit het hiervoor genoemde mengsel (Fagus sylvatica en Carpinus betulus) en worden aangevuld met Crataegus monogyna en Ilex aquifolium. Tevens worden er verspreid in de openbare ruimte bomen aangeplant. Het groene inrichtingsplan is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit plan opgenomen.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.

Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herverkaveling van woningbouwplan Spikkert. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de paragraven 3.2.3 en 3.3.2 wordt de herverkaveling getoetst aan het provinciale beleid en aan de woonvisie van de gemeente Dinkelland. Daarin wordt aangetoond dat het past binnen het provinciale en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de herverkaveling van woningbouwplan Het Spikkert, tweede fase en de toevoeging van zeven extra woningen. Het plangebied van Het Spikkert wijzigt niet. Er wordt geen nieuw planologisch beslag ruimtelbeslag mogelijk gemaakt. Op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn reeds 26 woningen toegestaan en worden 7 extra woningen aan het plangebied toegevoegd.

Op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden reeds voorzien van de bestemming 'Wonen', 'Verkeer' en 'Groen' en zijn 26 woningen toegestaan. Deze woningen zijn niet gerealiseerd waardoor er sprake is van onbenutte planologische mogelijkheden. Op grond van de uitspraak van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2062) geldt dat onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro genoemde eisen.

Ten aanzien van de 7 extra woningen die aan het plangebied worden toegevoegd geldt op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 dat de realisatie van 11 woningen niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit ruimtelijke ordening.

Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is dan ook niet van toepassing (ECLI:NL:RVS:2015:2921). De toevoeging van 7 extra woningen wordt derhalve niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor artikel 3.1.6, tweede lid Bro niet van toepassing is.

Echter, in bovengenoemde uitspraak heeft de Raad van State bepaald dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte (uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd (uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471 (Weststellingwerf)). Uit de volgende paragrafen volgt dat er sprake is van een behoefte aan deze zeven woningen en is de uitvoerbaarheid van het plan onderbouwd.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0006.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde artikelen uit de omgevingsverordening.

Artikel 2.1.2 Principe van concentratie (lid 1)

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Onderhavig plan maakt de herverkaveling van een bestaand woningbouwplan voor de realisatie van 26 woningen mogelijk. Daarnaast worden als gevolg van dit bestemmingsplan zeven nieuwe woningen aan het bouwplan toegevoegd. Aangezien er op grond van de Woonvisie 2016+ van de gemeente Dinkelland nog behoefte is aan het toevoegen van extra woningen kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beschikbare plancapaciteit voor Weerselo (zie ook paragraaf 3.3.2). Geconcludeerd kan worden dat het plan voorziet in de bouw van woningen voor de lokale behoefte. Het plan is in overeenstemming met artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt onder bestaand bebouwd gebied verstaan: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro.

Onder stedelijke functies wordt verstaan: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen.

Onderhavig plan maakt de herverkaveling van een bestaand woningbouwplan en de toevoeging van zeven nieuwe woningen aan het bouwplan mogelijk. Daarnaast worden groenvoorzieningen (stedelijk groen), nieuwe wegen (infrastructuur) en wadi's (stedelijk water) ten behoeve van de waterhuishouding aangelegd.

Aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op de realisatie van nieuwe stedelijke functies binnen bestaand bebouwd gebied kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen extra ruimtebeslag legt op de Groene Omgeving door bouwen en verharden. Het plan is in overeenstemming met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen (lid 1)

Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Als gevolg van dit plan worden 33 woningen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. In het vigerende bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen voor de realisatie van 26 woningen. Planologisch gezien is daarmee sprake van een toevoeging van zeven extra woningen. Het voornemen past daarmee binnen het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma en is tevens in overeenstemming met het RWP Twente (april 2017) (zie ook paragraaf 3.3.2 in deze toelichting). Het plan is in overeenstemming met artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval geldt het ontwikkelingsperspectief voor de landelijke omgeving. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0007.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

Het plangebied maakt onderdeel uit van woningbouwplan Het Spikkert in Weerselo. Aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op de herverkaveling van een bestaand woningbouwplan en voorziet in de toevoeging van zeven nieuwe woningen, kan geconcludeerd worden dat het voornemen geen afbreuk doet aan het eigen karakter van het gebied en ook geen extra belemmeringen oplevert voor de aanwezige functies in de omgeving (zie hoofdstuk 4).

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0008.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Dekzandvlakten zijn na de ijstijd door de wind gevormde zandlandschappen. Ze beslaan een groot deel van de provincie. De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen met bijbehorende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dienen ze bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen. Beide zijn uitgangspunt bij (her)inrichting, net als (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen. Aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op de herverkaveling van bestaande planologische mogelijkheden, waarbij op grond van het vigerende bestemmingsplan reeds woningbouw mogelijk is, geldt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de kenmerken van de 'dekzandvlakte en ruggen'.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'jong heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0009.png"

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht.

Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten mt erven en de kenmerkende ruimtematen.

Woningbouwplan Het Spikkert brengt voldoende groene ruimten aan in het plangebied. Als gevolg van dit bestemmingsplan vindt enkel een herverkaveling plaats van het bestaande woningbouwplan voor dit deelgebied. Het Spikkert brengt in de feitelijke situatie geen wezenlijke veranderingen in de kenmerken van het gebied.

Stedelijke laag

Het plangebied heeft op grond van de gebiedskenmerkenkaart voor de 'Stedelijke laag' geen bijzondere eigenschappen. Deze gebiedskenmerken kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

Laag van de beleving

Op grond van de 'Laag van de beleving' geldt voor het plangebied het kenmerk 'donkerte'. Met dit kenmerk wordt het contrast tussen lichte en donkere en drukke en stille gebieden weergegeven. De ‘donkere’ gebieden hebben een rustig en onthaast karakter en vormen hiermee een eigen kwaliteit voor mens en dier. Donkere gebieden vragen om een minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. De nieuwe woningen leveren, gelet op de aansluiting bij de bestaande kern van Weerselo, geen onevenredige effecten ten aanzien van dit kenmerk

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.

De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • 1. We doen het samen;
  • 2. We geven het goed voorbeeld;
  • 3. We wentelen niet af op volgende generaties;
  • 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.

De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken.

Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDinkelland al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente Dinkelland voortzetten aan de hand van vier speerpunten:

  • 1. voldoende voorzieningen;
  • 2. aantrekkelijk wonen;
  • 3. ruimte voor ondernemen;
  • 4. leefbare openbare ruimte

Toets

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de herverkaveling van woningbouwplan Het Spikkert, tweede fase en de toevoeging van zeven extra woningen. De gemeente Dinkelland wil dat het aantal en de soort woningen in de kern past bij de vraag. Daarbij is het tevens van belang dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.

In eerste instantie wordt voor het bouwen van nieuwe woningen gezocht naar locaties binnen de grenzen van de kernen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen wordt gekeken naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op de herverkaveling van een bestaand woningbouwplan kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan het speerpunt aantrekkelijk wonen. Daarbij dient tevens de verwijzing gemaakt te worden naar paragraaf 3.3.2. In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het gemeentelijk woonbeleid, waarin een doorkijk gemaakt wordt naar de behoefte en de mogelijkheden op het gebied van wonen. Zoals in paragraaf 3.3.2 wordt aangetoond voldoet het plan aan het woonbeleid van de gemeente. Daarmee houdt de gemeente grip op het principe van 'de juiste woning op de juiste plek'.

Tot slot is het vierde speerpunt 'leefbare openbare ruimte' van toepassing op dit plan. De gemeente Dinkelland werkt aan een openbare ruimte die bijdraagt aan de leefbaarheid in de kernen. De openbare ruimte heeft veel verschillende functies zoals bereikbaarheid, toegankelijkheid, spelen, ontmoe.ting, openbaar groen, schaduw, wateropvang. Een goed ingerichte openbare ruimte zorgt ervoor dat de dorpen in de toekomst aantrekkelijk blijven.

Om de groene uitstraling van het plan te borgen is een groen inrichtingsplan opgesteld. Daarin is zowel de aanplant van groen in de openbare ruimte als op het bouwperceel van de toekomstige woningen opgenomen. Tevens is in het ontwerp van het woningbouwplan rekening gehouden met de wateropgave door de aanleg van wadi's in het plangebied. De aanleg van deze groenelementen en wadi's heeft veel voordelen ten aanzien van de leefbaarheid van de wijk. De toevoeging van groen zorgt voor een verbeterd milieu, vermindert luchtvervuiling, ruimte voor waterberging en heeft een verkoelende werking in warme periodes. Daarnaast is aangetoond dat de toevoeging van groen een positief effect heeft op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen die in een groene omgeving wonen.

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.

3.3.2 Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland

Op 11 juli 2016 is de Woonvisie 2016+ vastgesteld. De centrale ambitie van de woonvisie is dat het voor alle doelgroepen, jong en oud, het aantrekkelijk wonen blijft in Dinkelland. Hiervoor dient het woningaanbod gevarieerd en comfortabel en toekomstbestendig te zijn, zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Hierbij hoort een passend voorzieningenniveau en betrokkenheid van inwoners tot elkaar, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen wordt versterkt.

De visie is vertaald in drie ambities:

  • kwaliteitsslag maken: in stand houden kwaliteit centrumgebied/kernwinkelgebieden, verduurzamen en toekomstbestendig maken van de woningvoorraad, gerichte aanpak in buurten door renovatie van woningen en woonomgeving
  • beschikbaarheid: voor iedere doelgroep een woning. Het nieuwbouwprogramma wordt afgestemd met regiogemeenten, nieuwe plancapaciteit wordt getoetst aan afwegingskader, flexibele woningdifferentiatie in bestemmingsplannen en nieuwbouwaccenten op sociale huur en voor middeninkomens.
  • betaalbaarheid: passende prijs met bijbehorende kwaliteit. Beperkte vermindering van de kernvoorraad sociale huurwoningen is mogelijk, voortzetten starterslening, onderzoek naar blijverslening, in huurprijsbeleid corporatie wordt huurprijs beter afgestemd op inkomen.

Dinkelland krijgt de komende jaren te maken met enige bevolkingskrimp. Tot 2035 blijft het aantal huishoudens nog wel toenemen, waarvoor nog aanvullende nieuwbouw nodig is. De gemeente vindt het belangrijk dat er in alle kernen woningen worden gebouwd om te kunnen voorzien in de lokale woonbehoefte. Consumenten en ontwikkelaars vragen om meer ‘ontwikkel-vrijheid’, meer maatwerk en mogelijkheden om eigen ideeën te kunnen vormgeven. Een nieuwbouwprogramma moet flexibel zijn naar type woning, prijsklassen, eigendomsvormen en woonconcepten. De gemeente volstaat in de Woonvisie met een prioritering voor welke doelgroepen het bestemmingsplan geschikt is.

Voor de kleine kernen wordt de woningdifferentiatie op andere wijze bepaald, omdat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de woonwensen van verschillende doelgroepen. Daarom worden er bestemmingsplannen gerealiseerd met een flexibele woningdifferentiatie. Verder wordt aan marktpartijen en corporatie gevraagd om concrete bouwplannen te ontwikkelen. Bij het niet voldoende op gang komen van de bouwproductie in een bepaalde kern worden de verschillende doelgroepen die actief zijn op de woningmarkt betrokken en worden concrete woonwensen geïnventariseerd.

Uitvoeringsnota woningbouw 2018

Op 2 oktober 2018 is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland de Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 vastgesteld. Dit kwaliteitskader wordt gebruikt om te beoordelen of plannen van ontwikkelaars goed aansluiten op de marktvraag. Het kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen.

Volgens de Regionale woningbouwprogrammering heeft Dinkelland nog een netto-ruimte van afgerond 600 woningen om in de periode tot en met 2028 toe te voegen. Dit is exclusief vervanging van woningen door sloop (15 à 20 per jaar). Samen met Denekamp en Ootmarsum behoort Weerselo tot één van de verzorgingskernen van Dinkelland waar in de periode tot en met 2028 300 woningen gebouwd mogen worden.

Hiervoor is reeds aangegeven dat dat de in de Woonvisie 2016+ opgenomen programmering in een tweejaarlijkse uitvoeringsnota Woningbouw wordt verantwoord en geactualiseerd inclusief een actueel kwaliteitskader. Feitelijk gaat het om een kwaliteitshandvest op basis waarvan de gemeente per kern:

  • 1. de toegevoegde kwalitatieve waarde van woningbouwinitiatieven die vanuit de private en

particuliere sector op de gemeente afkomen kan toetsen;

  • 2. uitspraken kan doen over welke woonvormen de gemeente Dinkelland aan de markt kan toevoegen waarbij zij kan motiveren dat die toevoegingen op de (middel)lange termijn bijdragen aan een gedifferentieerd woonaanbod in de betreffende kern, aansluitend op de behoefte.

Door de Stec-groep is het rapport 'Naar betere kwalitatieve afwegingen voor de woningmarkt in Dinkelland' opgesteld. Het rapport is opgebouwd uit een woningmarktanalyse gevolgd door aanbevelingen en de werkwijze voor de kwalitatieve programmering en vormt daarmee een kwaliteitshandvest. Volgens het Stec-rapport groeit het aantal huishoudens in Dinkelland de komende jaren met zo'n 7% maar op kernniveau varieert de groei meer. Op korte termijn is er nog een opgave van reguliere grondgebonden eengezinswoningen en nultreden woningen, zowel grondgebonden als gestapeld. Relevante conclusies uit de bevindingen van Stec zijn:

  • de komende jaren neemt het aantal 55-75 plus huishoudens sterk toe;
  • starters in Dinkelland komen soms moeilijk aan een woning, omdat de bestaande voorraad relatief duur is;
  • het toevoegen van kleinere en betaalbare starterswoningen is kwalitatief een betere optie dan het bouwen van ruime eengezinswoningen op zelfbouwkavels. Initiatieven zouden daar op moeten aansluiten;
  • starters, doorstromers en gezinnen in de gemeente Dinkelland hebben een voorkeur voor grondgebonden woningen;
  • senioren hebben meer voorkeur voor een gelijkvloerse nultredenwoning of appartement; starters en senioren willen vooral een betaalbare woning, de oppervlakte kan kleiner zijn dan een eengezinswoning en er is voorkeur om centraal gelegen in een kern dicht bij voorzieningen te wonen.

In de Stec-rapportage wordt tevens aangegeven dat het aanbod betaalbare woningen voor starters beperkt is in de gemeente Dinkelland. Starters komen moeilijk aan een woning, omdat de bestaande voorraad relatief duur is. Zij geven mede daarom regelmatig de voorkeur aan een zelfbouwkavel. Het gevolg hiervan is dat er meer ruime gezinswoningen gebouwd worden, terwijl in de toekomst de vraag naar dit woningtype afneemt en er (mogelijk) overschotten aan gezinswoningen ontstaan. Het toevoegen van kleinere en betaalbare (starters)woningen (koop en huur) is kwalitatief gezien dan een betere optie om deze doelgroep te bedienen. Daarnaast biedt het toevoegen van doorstroomproducten mogelijkheden, bijvoorbeeld door de realisatie van seniorenwoningen of woningen geschikt voor senioren en starters. Enerzijds ontstaat er zo een passend aanbod voor de groeiende groep ouderen in de gemeente en anderzijds komen er gezinswoningen vrij voor starters en doorstromers.

Toets

Voor de periode 2015-2024 is de woningbehoefte voor Weerselo 74 tot 112 woningen woningen. De beschikbare bestemmingsplancapaciteit bedraagt 121 woningen, met daarbij nog een nader te bepalen aantal die zullen voortkomen uit woningbouwinitiatieven die de komende periode worden ontwikkeld en ingediend. De gemeente geeft onder meer mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe/extra plancapaciteit indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het invulling geven aan beleidsdoelen uit de Woonvisie en het benutten van inbreidingslocaties (transformatie en herstructurering).

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de herverkaveling van bestaande harde plancapaciteit op woningbouwplan Het Spikkert. Daarnaast worden er zeven nieuwe woningen aan het woningbouwprogramma toegevoegd. Aangezien er op grond van de Woonvisie 2016+ van de gemeente Dinkelland nog behoefte is aan het toevoegen van extra woningen kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beschikbare plancapaciteit voor Weerselo en invulling geeft aan de Woonvisie 2016+. Als gevolg van de herverkaveling worden meer aaneen gebouwde woningen gerealiseerd dan in het oorspronkelijke woningbouwplan. Het plan voorziet derhalve in meer kleinere en betaalbaardere woningen dan het reguliere aanbod aan eengezinswoningen in Weerselo. Ook omdat de beoogde woningen zowel voor senioren als voor starters geschikt zijn, bevordert het plan de woningdifferentiatie in Weerselo. Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland.

3.3.3 Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit:

  • 1. Basis omgeving
  • 2. Midden omgeving
  • 3. Bijzondere omgeving

Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort
bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:

  • ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij.
  • 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst.
  • ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper.

Toets

Voor het plangebied is ten tijde van het bestemmingsplan Het Spikkert, tweede fase een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is afgeleid van het stedenbouwkundige plan dat aansluiting heeft gezocht bij de landschappelijke structuren van Weerselo. Hierdoor ontstaat een optimale verweving met de ruimtelijke kwaliteiten en wordt de woonwijk gehecht aan de belangrijkste identiteitsdrager in het gebied “het landschap“. De volgende elementen zijn van belang voor de aanhechting met het landschap en versterken het gevoel van “riant wonen in het groen”.

  • De centrale weide en de groene wiggen tussen de woonclusters verstevigen de relatie tussen de woonwijk en het bestaande landschap. De uitstraling in de centrale weide is ontspannen en natuurlijk.
  • De verbinding voor langzaam verkeer door de centrale weide heen wordt geregeld met een halfverhard pad.
  • De centrale weide is een plek voor ontmoeten, ontspannen en spelen. De inrichting sluit aan op het natuurlijke karakter van de plek.
  • De maat en schaal van de centrale weide leent zich goed voor het houden van diverse evenementen in een natuurlijke setting.

Het beeldkwaliteitsplan vormt het toetsingsdocument voor de welstandscommissie/stadsbouwmeester met als doel het vastleggen van een zekere basiskwaliteit voor de inrichting van de openbare ruimte en de vormgeving en materialisatie van de woningen. In het beeldkwaliteitsplan is een lijst met welstandscriteria opgenomen. De Welstandscommissie/stadsbouwmeester van de gemeente Dinkelland toets bij de aanvraag omgevingsvergunning of de ontwerpen aan de minimale welstandscriteria voldoen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn 26 woningen toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 33 woningen, waarbij ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan 7 woningen worden toegevoegd. De beoogde activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Het milieubelang is in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen in de plantoelichting.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan.

Hoewel de gemeente Dinkelland (het bevoegd gezag) zelf initiatiefnemer is, is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

Derhalve heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland op 20 november 2020 besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor de herverkaveling van het woningbouwplan Spikkert te Weerselo, derde fase en de toevoeging van 7 extra woningen, vanwege het ontrbeken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0010.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Weerselo. Het plangebied maakt onderdeel uit van woningbouwplan Het Spikkert. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Derhalve geldt dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking).

Externe werking

Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De dichtsbijzijnde milieubelastende functie is gelegen aan de Siemertsteeg 1 en betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf. Dit betreft een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, biologische bedrijven, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de bestaande Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven. De afstand van het bouwvlak van het agrarische bedrijf tot de dichtsbijzijnde gevel van de nieuwe woning bedraagt ten minste 150 meter.

Voor melkrundvee geldt op grond van de Wet geurhinder een veehouderij een afstand van 100 meter van het geurbelastende object tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Voor een productiegerichte paardenhouderij (paardenfokkerijen) geldt op grond van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 50 meter. Aan deze afstanden wordt voldaan waardoor het grondgebonden agrarische bedrijf aan de Siemertsteeg 1 geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Voor het overige geldt dat de dichtsbijzijnde milieubelastende functie is gelegen op een afstand van 260 meter. Op een afstand van 260 meter zijn de tennisvelden en overdekte sporthal gelegen. Tennisbanen (met verlichting) behoren op grond van de vng-brochure tot milieucategorie 3.1 waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter in verband met het aspect 'geluid'. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan.

Daarnaast ligt op een afstand van 330 meter de ijsbaan. Op grond van de VNG-brochure kan deze worden aangemerkt als 'veldsportcomplex met verlichting' waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter in verband met het aspect geluid. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat de ijsbaan een incidenteel karakter heeft en derhalve akoestisch niet relevant kan worden beschouwd.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase', vastgesteld op 28 juni 2016 is een onderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting van de dichtsbijzijnde geurbelastende objecten in de omgeving van het plangebied. Door Avenue adviseurs is een onderzoek uitgevoerd naar het geuraspect, zie Bijlage 3. Met het geuronderzoek is de uitbreidingslocatie beoordeeld op de aanvaardbaarheid van woningen in verband met de geuremissie van de (maatgevende) veehouderij aan de Siemertsteeg 5. Het onderzoek heeft antwoord gegeven op twee vragen:

  • Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
  • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de betrokken veehouderij?

Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van de uitbreidingslocatie Weerselo, gelegen in het concentratiegebied Oost zoals is aangegeven in bijlage 1 bij de Meststoffenwet. De bebouwde kom kan worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Voor het uitbreidingsplan is daarom uitgegaan van een normstelling van 3,0 odour units per kubieke meter lucht.

Met behulp van invoergegevens (zoals onder meer geuremissie per bron, hoogte uitstroomopening en meteorologische gegevens) zijn stankcontouren berekend die de invloedssfeer van de

veehouderijen aangeven. De geurcontouren van de veehouderij aan de Siemertsteeg 5, zijn nader onderzocht omdat dit bedrijf het dichtst bij de uitbreidingslocatie is gesitueerd. Binnen de 3 ouE/m3 contour mag in beginsel geen nieuwbouw plaatsvinden. Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 maatgevend is in de hoogte van de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij die de meeste geur veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij de uitbreidingslocatie is gelegen. In onderstaande figuur 4.2 is de 3 ouE/m3 contour van de Siemertsteeg 5 ten opzichte van de oorspronkelijke uitbreidingslocatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0011.png"

Figuur 4.2: 3 ouE/m3 contour Siemertsteeg 5

Geconstateerd kan worden dat de geurcontour niet over het plangebied van dit bestemmingsplan valt. De geprojecteerde woningen liggen buiten de 3 ouE/m3 contour. Dat betekent dat het aspect geur geen belemmeringen oplegt aan de toegestane woningen.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Ten behoeve van het woningbouwplan Spikkert, tweede fase is in 2010 een gecombineerd verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Gelet op het feit dat de onderzoeksresultaten ten tijde van de opstelling van het bestemmingsplan ‘Het Spikkert, tweede fase’ gedateerd waren, is het onderzoek in december 2015 geactualiseerd voor Het Spikkert, fase 2. De geldigheidsduur van een bodemonderzoek wordt gesteld op vijf jaar. Omdat mag worden aangenomen dat de milieuhygiënische toestand van de bodem sinds het vorige onderzoek (2010) niet is gewijzigd heeft het verrichte onderzoek in 2015 enkel betrekking gehad op de bovengrond (dus niet op de diepere ondergrond en het grondwater).

Aangezien de reeds verrichte bodemonderzoeken reeds verouderd is door Kruse Milieu een verkennend bodemonderzoek (projectcode 20050516, d.d. 21 september 2020) uitgevoerd op een terreindeel ter grootte van circa 1,2 hectare ter plekke van het Spikkert, derde fase. De onderzoekslocatie is onbebouwd en en grotendeels onverhard. Het terrein bestaat uit weiland met een puinweg. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. De bovengrond van de locatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Het overige deel van de locatie is onverdacht voor chemische componenten. De bovengrond, de ondergrond en het grondwater worden op verzoek van de gemeente Dinkelland aanvullend op PFAS onderzocht. De rapportage is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven.

Resultaten veldwerk

In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven. De boringen 1 en 2 zijn doorgezet tot 3.50 en 3.60 meter diepte en afgewerkt tot peilbuizen. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zand in de bovengrond en matig fijn tot matig zand in de ondergrond met tussen 0.6 en 1.7 meter diepte een sterk zandige leemlaag. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of op en in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 2.26 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met lood;
  • de ondergrond (OG I en OG II) zijn niet verontreinigd;
  • het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en nikkel;
  • het grondwater (PB 2) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink.


Resultaten PFAS-analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • in de bovengrond (BG I, BG II en BG III) is geen PFAS verhoogd aangetoond.
  • in de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS verhoogd aangetoond.
  • in het grondwater (PB 1) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan);
  • in het grondwater (PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan).


Resultaten asbestanalyses

  • MM FF - 01 bevat geen asbest;
  • MM FF - 02 bevat geen asbest.
  • MM FF - 03 bevat geen asbest.
  • MM FF - 04 bevat geen asbest.

Conclusies en aanbevelingen

In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 uit Bijlage 4. In de bovengrond (BG I en BG II) en in de ondergrond (OG I en OF II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - 02, MM FF - 03 en MM FF - 04 is geen asbest aangetoond.

In de grondmengmonsters van de bovengrond (BG I, BG II en BG III) en de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS aangetoond. In het grondwater (PB 1 en PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan).

Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen geplande nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek (projectnummer 20.108, d.d. 13 oktober 2020) uitgevoerd naar de geluidbelasting, afkomstig van het wegverkeer op de Legtenbergstraat en de Eertmansweg ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plan Spikkert, derde fase. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012( SRMII-2012). Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen:

  • Het blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Legtenbergerstraat ter plaatse van de toekomstige woningen niet wordt overschreden.
  • Er dient geen hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Legtenbergerstraat.
  • Het blijkt dat de maximale cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de gevels van de toekomstige woningen maximaal 46 dB bedraagt. Derhalve dienen er geen geluidwerende voorzieningen bepaald te worden om aan het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen.

Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Daarnaast vormen de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai', vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Dit bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van bestaande bouwrechten (woningen). Daarnaast worden er als gevolg van dit bestemmingsplan zeven nieuwe woningen toegevoegd. Om aan te tonen dat de verkeersbewegingen in het plan niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden wordt gebruik gemaakt van de NIBM-rekentool. Met deze rekentool kan worden aangetoond dat het plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

In paragraaf 4.11 is beschreven dat de totale verkeersgeneratie van het plan 256 verkeersbewegingen bedraagt. In onderstaande berekening is het aantal verkeersbewegingen dan ook op 256 verkeersbewegingen per dag gesteld. Er is geen sprake van vrachtverkeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0012.png"

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan in overeenstemming is met de wet- en regelgeving met betrekking tot de luchtkwaliteit.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0013.png"

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 875 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Zoals eerder is aangegeven maakt het plangebied deel uit van de uitbreidingslocatie 'Het Spikkert' te Weerselo. Het juridische-planologisch kader voor dit uitbreidingsplan is reeds op 28 juni 2016 vastgesteld (bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase'. Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van deelgebied 'B'.

Ten behoeve van de uitbreidingslocatie 'Het Spikkert' is door Roelofs een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd en is een waterstructuur opgesteld en verwerkt in het rapport 'Waterstructuur 't Spikkert' (documentnummer R01-D05-31042133-mwg, d.d. 18 januari 2016). Het rapport is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Ten opzichte van het plan van 2016 zijn er in fase 3 diverse wijzigingen in het stedenbouwkundig plan aangebracht. Derhalve is door Roelofs een actualisatie van het waterhuishoudingsplan opgesteld (documentnummer N01-D03-41128203-rek, d.d. 2 november 2021). De notitie ten behoeve van de actualisatie van het waterhuishoudingsplan is als Bijlage 7 bij de toelichting opgenomen. Hieronder wordt kort ingegaan op de notitie.

Het waterschap Vechtstromen hanteert het uitgangspunt dat eenmaal vastgelegde en goedgekeurde plannen niet hoeven te worden aangepast. In het oude beleid werd bij uitbreidingen een retentie gevraagd waarin een bui van 40 mm in 75 minuten met een maximale peilstijging van 0,30 m geborgen kon worden. In het nieuwe beleid wordt een retentie van 55 mm gevraagd. Met de opdrachtgever Noaberkracht Dinkelland-Tubbergen is overeengekomen om de berging te dimensioneren op 55 mm. Hiermee wordt er binnen het plan meer water geborgen dan strikt noodzakelijk.

Ten opzichte van het waterstructuurplan uit 2016 zijn in het stedenbouwkundig ontwerp voor dit bestemmingsplan (fase 3) de volgende zaken gewijzigd:

  • Openbare verharding 0,51 ha (was 0,26 ha);
  • Daken en particuliere verharding 0,44 ha (was 0,41 ha), waarvan:
    • 1. Vrijstaande woning 0,09 ha (was 0,29 ha);
    • 2. 2-onder-1-kapwoning 0,25 ha (was 0,08 ha);
    • 3. Rijwoning 0,10 ha (was 0,04 ha)

Met name het wegoppervlak is toegenomen door parkeervakken in het plan en de andere wegenstructuur. Het totale verhard oppervlak bedraagt 0,95 ha (was 0,67 ha). Dat betekent dat het verhard oppervlak met 0,28 ha is toegenomen ten opzichte van het waterstructuurplan uit 2016. Het bruto planoppervlak is ongewijzigd en bedraagt ca. 2,0 ha. In figuur 4.5 is het stedenbouwkundig plan inclusief de situering van de (te realiseren) wadi's weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0014.png"

Figuur 4.5: Stedenbouwkundig plan incl. situering (te realiseren) wadi's (bron: Roelofs Groep)

Waterberging

Het watersysteem moet voldoen aan de normen van waterschap Vechtstromen. Het waterschap geeft aan dat het systeem berekend moet zijn op een neerslaghoeveelheid van 55 mm. Hierop mag 3 mm in mindering worden gebracht als gevolg van verdamping en plasvorming. De bergingseis voor het plan is derhalve 52 mm.

In het reeds aangelegde deel van de wijk (westkant uitbreiding) is 0,38 ha verhard oppervlak aangesloten op de aangelegde wadi's. Aan de noordkant van de uitbreiding zal, overeenkomstig met het waterstructuurplan uit 2016, 0,43 ha aangesloten worden op de wadi's. Dat maakt 0,81 ha verhard oppervlak dat afvoert op de wadi's. Hier komt dan 0,95 ha bij van fase 3. Bij een bergingseis van 55-3=52 mm en een totaal verhard oppervlak van 1,76 ha bedraagt de totale bergingsopgave 915 m3.

De wadistructuur is in figuur 4.6 weergegeven. Aan de westkant zijn de reeds aangelegde wadi's gearceerd weergegeven. De wadi's (2 en 3 in figuur 4.5) kunnen verbreed worden (diepte 0,50 m, waterdiepte 0,30 m en talud 1:5). Daarnaast worden er aan de noord- en zuidkant van fase 3 extra wadi's aangelegd (1 en 5 in figuur 4.5). De bodem van de nieuwe wadi aan de noordzijde (1) ligt op NAP + 17,40 m met een roosterdeksel op NAP + 17,50 m. Deze wadi stroomt over naar wadi 2 via een duiker met roosterdeksels op NAP + 17,50 m. Tussen wadi 2 en 3 is het maaiveld verlaagd. Deze beide wadi's kunnen dus als communicerend vat overlopen naar wadi 3. Wadi 3 is met een duiker met roosterdeksel verbonden met wadi 4. Wadi 5 is door middel van een duiker met roosterdeksels op NAP+ 17,40 m verbonden met wadi 4. De bodem van wadi 5 ligt op NAP + 17,30. Wadi 4 stroomt via een duiker met roosterdeksel over naar de sloot langs de Eertmansweg.

De wegen en daken van woningen die grenzen aan een wadi voeren via het maaiveld af naar de dichtstbijzijnde wadi. Zo wordt de weg aan de noordkant op één oor gelegd richting wadi, en voeren de dakgoten van deze woningen via goten in de tuin af naar de weg. Voor de overige woningen en wegen worden goten in de weg aangebracht die afvoeren naar de wadi's.

In figuur 4.6 is tevens de berging per wadi weergegeven. Dit betreft in totaal 915 m³. Daarmee wordt voldaan aan de bergingseis van 55-3=52 mm over het verhard oppervlak van 1,76 ha.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0015.png"

Figuur 4.6: Wadistructuur (bron: Roelofs Groep)

Ontwerp vuilwaterafvoer

In figuur 4.7 is het vuilwaterriool schetsmatig weergegeven inclusief de dimensionering van de strengen. Er wordt conform het waterstructuurplan 2016 gebruik gemaakt van een minimale diameter van ø 250 mm en een afschot van 1:250 voor de eerste 150 m, vervolgens 1:330 (150 – 300 m) en daarna 1:500.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0016.png"

Figuur 4.7: Revisie en nieuw te leggen VWA-riolen (bron: Roelofs Groep)

Een deel van het vuilwaterriool is reeds aangelegd op basis van het vorig stedenbouwkundig plan. In bijlage I van Bijlage 7 is de revisie hiervan weergegeven. Een deel van het riool ligt straks onder de kavels (tuinen en woningen). Geadviseerd wordt om een deel opnieuw aan te leggen, vanaf put VWA011. Dat betekent dat de strengen en putten tussen putnummers VWA033, VWA034 en VWA011 verwijderd dienen te worden.

In figuur 4.7 is in roze het te handhaven riool weergegeven, en in zwart het nieuw ontworpen riool. Een eventuele extra fase ten noorden van dit plan kan hier wellicht nog (deels) onder vrijverval op worden aangesloten.

In het reeds aangelegde VWA-riool zullen enkele tussenputten aangebracht moeten worden om de zijtak aan te sluiten en zal put VWA011 enkele meters naar het oosten verplaatst moeten worden (of toepassen van een extra put).

Op 22 juli 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 8. Op grond van de beantwoording van de watertoets geldt de normale procedure.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Ten behoeve van het bestemmingsplan voor woningbouwplan Het Spikkert, tweede fase, (vastgesteld op 28 juni 2016) is in 2012 een flora en faunaonderzoek uitgevoerd door Eelerwoude. Daarnaast is te behoeve van het vigerende bestemmingsplan is 2015 een nieuw flora en fauna onderzoek verricht (projectnummer P7476, d.d. 16 november 2015).

Aangezien de reeds uitgevoerde onderzoeken verouderd zijn is door Natuurbank Overijssel onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het plangebied is op 28 juli 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn verwerkt in de quickscan natuurwaarden (projectnummer 2686, versie 1.0, d.d. 7 september 2020). Hieronder worden de resultaten weergegeven. Het rapport is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op minimaal 890 meter afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande figuur 4.8 wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0017.png"

Figuur 4.8: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel)

Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren zijn in figuur 4.8 met de donkergroene en gele kleur aangeduid. Met de gele kleur wordt het uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 aangeduid.

De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied.

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Natura 2000-gebied

Het plangebied ligt op minimaal 1,12 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lemselermaten. In figuur 4.9 is de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0018.png"

Figuur 4.9: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel)

Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Lemselermaten bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen.

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Lemselermaten is een negatief effect uitgesloten.

Beoordeling stikstof

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal emissie van NOx plaats vinden, als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de sloop- en bouwfase en een tijdelijke toename van verkeer tijdens de ontwikkelfase als gevolg van transport van sloop- en bouwmateriaal, materieel en personeel.

Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 980 meter afstand van een Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, kan een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Door middel van een stikstofberekening kan het effect van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden.

Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te onderzoeken is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (kenmerk: R001-1276615JWO-V05-los-NL). De rapportage is opgenomen als Bijlage 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat de stikstofdemissie die gepaard gaat met de voorgenomen ontwikkeling bezien moet worden in relatie tot de referentiesituatie. Als referentiesituatie geldt bij de vaststelling van een nieuw bestemmingspan ter vervanging van het vigerende bestemmingsplan: de huidige - legale - feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan.

Aangezien er in de huidige situatie op grond van het vigerende bestemmingsplan 26 woningen zijn toegestaan. Als gevolg van de herverkaveling voorziet dit bestemmingsplan in de realisatie van 33 woningen. Er worden derhalve (planologisch) 7 nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd. Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan te berekenen is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar de realisatie van 7 nieuwe woningen.

De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2020. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2021. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlagen bij de rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase. Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 4 en 5 van de rapportage. Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase en gebruiksfase weergegeven.

Resultaten aanlegfase

Met het rekenmodel AERIUS wordt een depositie berekend op twee Natura 2000-gebieden:

  • Max 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar op Lemselermaten
  • Max 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar op Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

De berekende stikstofdepositie is op basis van de gestelde uitgangspunten in Hoofdstuk 4 uit Bijlage 10:

  • Bij gebruik STAGE IV klasse werktuigen en gestelde bedrijfsuren en vermogen
  • Verkeersgeneratie van voertuigen die van en naar de projectlocatie rijden.

Resultaten gebruiksfase

Voor de gebruiksfase berekend AERIUS geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt ook wanneer gerekend wordt met de emissies ten gevolge van eventuele sfeerhaarden.

Conclusie

Tijdens de aanlegfase wordt een zeer geringe toename van stikstofdepositie berekend op habitats en leefgebieden van soorten, waarvan de kritische depositiewaarde reeds is overschreden. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van deze habitats en leefgebieden van soorten niet worden aangetast.

De uitgangspunten van de aanlegfase kunnen worden herzien door de uitvoerende aannemer(s), waardoor de stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase van 0,01 op 0,00 mol/ha/jaar zou kunnen uitkomen. Wellicht zijn er bepaalde keuzes te maken waardoor de stikstofemissie kan worden teruggebracht, zoals het naar beneden bijstellen van het aantal bedrijfsuren van werktuigen of het gebruik van elektrische werktuigen.

Echter, een stikstofdepositiebijdrage tijdens de aanlegfase van 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar zal het vaststellen van het bestemmingsplan in principe niet in de weg staan. Een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) zijn in beginsel niet vergunningplichtig voor het aspect stikstofdepositie.

Een bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld indien er afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten geen sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Plannen kunnen alleen worden vastgesteld indien er geen gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de uitgevoerde stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) is door Tauw een ecologische voortoets uitgevoerd (kenmerk R002-1281664-V01, d.d. 6 juni 2021) om na te gaan of de beoogde ontwikkeling gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen. Indien (significante) gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dient op basis van artikel 2.8, eerste lid Wnb, een passende beoordeling te worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen voor dat gebied. Een plan mag dan uitsluitend worden vastgesteld indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen sprake is van (significante) gevolgen. De ecologische voortoets heeft als doel te bepalen of een passende beoordeling noodzakelijk is.

Ecologische voortoets

De ecologisch voortoets (kenmerk R002-1281664-V01, d.d. 6 juni 2021) is als Bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Op basis van de stikstofberekening (Bijlage 10), zijn de locaties waar sprake is van een toename van stikstofdepositie in beeld gebracht. Hierbij worden de relevante instandhoudingsdoelen beschouwd. Onder relevante instandhoudingsdoelen worden de instandhoudingsdoelen verstaan die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar ook sprake is van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het beoogd voornemen. Habitattypen en leefgebieden van soorten die niet stikstofgevoelig zijn of waar geen toename is berekend worden als niet relevant beschouwd en niet verder in de beoordeling betrokken.

Uit de AERIUS berekening blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de aanlegfase sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie in twee Natura 2000-gebieden. Dit betreft Natura 2000-gebied Lemselermaten en Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. In beide Natura 2000-gebieden zijn uitsluitend aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De resultaten van de AERIUS berekening zijn weergegeven in onderstaande tabel 4.1.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1774.WEEBPSPIKKERT3-VG01_0019.png"

Tabel 4.1: Projectbijdrage als gevolg van beoogde ontwikkeling op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase (bron: Tauw)

Op basis van het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek en de ecologische voortoets kan geceoncludeerd worden dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op twee Natura 2000-gebieden, Lemselermaten en Achter de Voort, Agelerbroek &Voltherbroek. De maximale projectbijdrage op een overbelast leefgebied betreft 0,01 mol/ha/jaar. Waarbij de aanlegfase 20 maanden zal duren. Uit de effectbeoordeling blijkt dat als gevolg van beperkte en tijdelijke depositie significante effecten op deze habitattypen als gevolg van de aanlegfase op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Soortenbescherming

Op 28 juli 2020 is het plangebied onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Voor de vollede rapportage van de soortenbescherming wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van Bijlage 9 van de toelichting van dit bestemmingsplan.

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk 'verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten. Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en amfibieën benutten het plangebied als foerageergebied, grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en amfibieën bezetten er een (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren, niet aangetast. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.10.1 Archeologie

In opdracht van de gemeente Dinkelland is in 2010 een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Archeodienst Rapport 29, d.d. 4 februari 2010). Dit archeologisch onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek.

De doelstelling van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Op basis van de resultaten is een archeologische verwachting opgesteld. Als gevolg van het archeologisch onderzoek zijn proefsleuven gegraven en enkele opgravingen gedaan. De eindconclusie van het archeologisch onderzoek is dat het onderzoek een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontstaansgeschiedenis van Weerselo. Met name de aanwezigheid van bewoning in de Prehistorie in een laaggelegen, vochtig landschap is een belangrijke constatering. Het blootgelegde erf is waarschijnlijk slechts een klein deel van een zeer uitgebreid nederzettingsterrein, zoals dat bijvoorbeeld ook in Borne is blootgelegd. Bovendien is wederom vastgesteld dat lager gelegen delen van het landschap in het verleden in bepaalde perioden eveneens deel uitmaakten van grootschalige nederzettingsterreinen.

Op basis van de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken is bepaald dat er geen dubbelbestemming voor de archeologische waarden in het gebied hoeft worden opgenomen. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10.2 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer

Het plangebied wordt via Erve Spikkert en de Eertmansweg ontsloten op de Legtenbergstraat. De Legtenbergstraat is op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan voor Dinkelland 2019' (hierna: GVVP) aangemerkt als een "erftoegangsweg type A" waarvoor een wegintensiteit geldt van 4.000 tot 6.000 motorvoertuigbewegingen per dag met een rijbaanbreedte van 5 tot 7 meter. De maximumsnelheid bedraagt 50 km per uur.

De Eertmansweg is in het GVVP gecategoriseerd als "erftoegangsweg type B". Voor deze erftoegangsweg geldt een verkeersintensiteit van 3.000 tot 4.000 motorvoertuigen per etmaal.

Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' is in 2014 een memo opgesteld (DIN004, d.d. 3 oktober 2014) waarin antwoord werd gegeven op de vragen hoeveel verkeer de Eertmansweg en de Legtenbergstraat in de toekomst te verwerken krijgen als gevolg van de woningbouwlocatie Het Spikkert en of deze wegen daarop berekend zijn. Hieronder wordt de conclusie van de Memo voor de weginrichting voor zowel de Legtenbergstraat als de Eertmansweg weergegeven.

Weginrichting Legtenbergstraat

De huidige inrichting van de Legtenbergerstraat ten noorden van Eertmansweg (richting buitengebied / Reutum) bestaat uit asfaltverharding met breedte van circa 5,30 meter. Aan één zijde trottoirband, aan andere zijde berm en sloot. Fietssuggestiestroken met breedte 1 meter aan weerszijden binnen dit profiel. Deze wegbreedte past bij de toekomstige verkeersintensiteit (zowel met als zonder rondweg) en daarom is sprake van een acceptabele situatie.

De huidige maximumsnelheid bedraagt 50 km/h. Na de (eventuele) aanleg van de rondweg zal de maximumsnelheid naar 30 km/h worden gebracht binnen de huidige vormgeving. Het profiel van de Legtenbergerstraat past binnen de richtlijnen van Duurzaam Veilig. De gemeente gaat uit van de aanleg van de rondweg. Wanneer deze rondweg niet gerealiseerd zou worden, verdient het aanbeveling de maximum snelheid naar 30 km/h aan te passen. De Legtenbergerstraat is dan volledig ingericht conform de categorisering in het GVVP. De intensiteiten zijn geen aanleiding de snelheid op 50 km/h te houden.

Weginrichting Eertmansweg

De Eertmansweg zal als gevolg van het totale uitbreidingsplan, opnieuw worden ingericht. De huidige weg van 3,5 meter breed met aan weerszijden een berm en sloot zal worden verbreed naar 5,00 meter met aan de noordzijde langsparkeervakken.

De kencijfers van CROW geven aan dat voor een erftoegangsweg met een rijbaan voor gemengd verkeer en parkeren in havens bij tweerichtingsverkeer een minimale wegbreedte van 4,80 meter gehanteerd wordt. Daarnaast wordt voor de parkeerhavens een breedte van 2,00 meter gehanteerd en voor een voetpad 1,80 meter.

De nieuwe inrichting met een beoogde wegbreedte van 5,00 meter voor het gemengd verkeer voldoet aan de kencijfers van CROW. Onder gemengd verkeer valt ook het gebruik door middel van vracht- en landbouwverkeer. Het past bij de functie van de weg dat grotere voertuigen mogelijk op elkaar moeten wachten of uitwijken wanneer deze elkaar willen passeren. De toekomstige wegbreedte van de Eertmansweg past bij de toekomstige verkeersintensiteit van de Eertmansweg (zowel met als zonder rondweg) en daarom is sprake van een acceptabele situatie.

Toets herverkaveling en toevoeging nieuwe woningen

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de herverkaveling van woningbouwplan Het Spikkert. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan worden zeven nieuwe woningen toegevoegd. Het vigerende bestemmingsplan biedt voor onderhavig plangebied de mogelijkheid om 16 vrijstaande woningen, vier aaneengebouwde woningen en 6 twee-onder-een kapwoningen te realiseren. Op grond van de herverkaveling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is het mogelijk om 10 aaneengebouwde woningen, 5 vrijstaande woningen en 18 twee-onder-een kapwoningen te realiseren.

Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland geldt dat het plangebied wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Op basis van de adresdichtheid geldt dat de kern Weerselo wordt aangemerkt als 'niet-stedelijk'. Op basis hiervan kan op grond van de CROW-uitgave 381 de verkeersgeneratie voor de woningen bepaald worden.

Voor vrijstaande woningen geldt voor gebiedstype 'rest bebouwde kom' en 'niet - stedelijk' een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per dag. Voor twee-kappers geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen en voor aaneengebouwde woningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per dag. De totale verkeersgeneratie van de huidige planologische situatie bedraagt totaal (16 * 8,2 + 6 * 7,8 + 4 * 7,4 = 207,6 ) afgerond 208 verkeersbewegingen per dag.

De verkeersgeneratie als gevolg van de herverkaveling en de toevoeging van 7 woningen bedraagt (5 * 8,2 + 18 * 7,8 + 10 * 7,4 = 255,4) afgerond 256 verkeersbewegingen per dag. In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen derhalve toe met 48 verkeersbewegingen per dag. Gelet op de kenmerken van de Legtenbergstraat en de Eertmansweg kan deze toename aan verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur afgewikkeld worden.

4.11.2 Parkeren

Om het parkeren ook na 1 juli 2018 te kunnen reguleren is het bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan Parkeren Dinkelland" vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland op 29 mei 2018. Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen erf moet worden gerealiseerd.

Ten behoeve van het parkeren heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' vastgesteld. Voor Dinkelland en Tubbergen wordt eenduidig beleid en duidelijke parkeernormen vastgesteld met deze beleidsnotitie. De nieuwe parkeernormen voor beide gemeenten zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie. Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit publicatie 317, op grond van de uitgangspunten in deze beleidsnotitie.

De parkeerbehoefte van een bouwplan en/of een gebruikswijziging wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Dat kan op grond van de afzonderlijke ruimtes in een bouwwerk of op grond van het totale bouwwerk (b.v. een kantoorgebouw, indien van zeer homogene functie sprake is). Daarbij wordt de rekensystematiek uit bijlage IV in acht genomen.

Het berekende aantal parkeerplaatsen is de “nieuwe” parkeerbehoefte van het bouwplan of de gebruikswijziging. Bij verbouw of wijziging van een bestaand bouwwerk, mag de parkeerbehoefte van de bestaande (oude) situatie in mindering worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat een nieuw bouwplan bezwaard wordt met tekortkomingen uit het verleden (b.v. te weinig parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw of functie). In het kader van een bouwplan hoeft alleen de toename van de parkeerdruk, die dus het gevolg is van het bouwplan zelf, te worden gecompenseerd door de aanvrager. Het omgekeerde is ook het geval. Als er gedurende langere tijd sprake is van leegstand, dan is de bestaande parkeervraag nul (0). Bij een leegstandsperiode van = 5 jaar is de oude parkeerbehoefte gelijk aan 0.

Zoals is aangegeven maakt dit bestemmingsplan de herverkaveling van bestaande bouwmogelijkheden en de toevoeging van zeven nieuwe woningen mogelijk. Als gevolg van het plan worden 10 aaneengebouwde woningen, 5 vrijstaande woningen en 18 twee-onder-een kapwoningen gerealiseerd.

Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' geldt voor aaneengebouwde woningen een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning en voor twee-onder-een kapwoningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning.

Voor vrijstaande woningen en twee-onder-een kapwoningen wordt uitgegaan van twee parkeerplaatsen op eigen erf. Aaneengesloten woningen (rijen) krijgen parkeerplaatsen in het openbaar gebied.

Op grond van de parkeernormen geldt een totale parkeerbehoefte van (2 * 10 + 5 * 2,3 + 2,2 * 18 = 51,1 ) 52 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte worden 27 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de tien aaneengebouwde woningen. De vrijstaande woningen en twee-onder-een kapwoningen voorzien in twee parkeerplaatsen op eigen erf. Daarmee wordt voorzien 46 parkeerplaatsen. Als gevolg van het plan worden in totaal 73 parkeerplaatsen/parkeermogelijkheden gerealiseerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd waarin geregeld wordt dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen gerealiseerd wordt.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

De bestemmingsregelsn bevatten de volgende bestemmingen:

  • Groen (artikel 3);
  • Verkeer (artikel 4);
  • Wonen (artikel 5).


Groen (artikel 3)

Binnen de bestemming zijn groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, alsmede openbare nutsvoorzieningen toegestaan.

Bovendien zijn speelvoorzieningen toegestaan.

Binnen de bestemming is het houden van evenementen als medegebruik toegestaan met dien verstande dat:

  • er sprake dient te zijn van een evenement in de vorm van voor publiek bestemde uitvoering;
  • verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak;
  • het evenement maximaal 7 (aaneengesloten) dagen duurt, inclusief opbouw en afbraak van bijbehorende voorzieningen.

Verkeer (artikel 4)

Deze bestemming maakt het mogelijk de wegenstructuur van Het Spikkert, derde fase met alle benodigde voorzieningen, te realiseren. Te denken valt aan parkeervoorzieningen, wegen, paden, bermen en dergelijke.

Wonen (artikel 5)

Bij het vormgeven van de regels is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de bepalingen van vigerende bestemmingsplannen van de gemeente. De belangrijkste bepalingen worden hieronder kort toegelicht.

De voor het gebied opgestelde verkaveling is vertaald in dit bestemmingsplan. Binnen de bestemming Wonen (artikel 5) kan de herverkaveling en de zeven nieuwe woningen worden gerealiseerd. Naast het wonen is in deze bestemming het uitoefenen van aan huis verbonden beroepen toegestaan. Een belangrijke rol is toegekend aan de vrije beroepen. Door de Kamer van Koophandel wordt onder een ‘vrije beroepsbeoefenaar’ verstaan: ‘iemand die wordt gevraagd om zijn individuele, persoonlijke kwaliteiten, die in het algemeen op artistiek-, academisch-, dan wel HBO-niveau liggen’.

In de praktijk is het onderscheid moeilijk aan te geven. Voor de uitvoeringspraktijk van de Kamers van Koophandel is de volgende lijst samengesteld van personen die als vrije beroepsbeoefenaar gelden. Dit zijn: advocaat, accountant, administratieconsulent, alternatieve genezer,

belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huidtherapeut, huisarts, interieurarchitect, juridisch adviseur, kunstenaar, logopedist, medisch specialist, notaris, oefentherapeut Cesar/Mensendieck, organisatieadviseur, orthopedagoog, psycholoog, raadgevend adviseur, redacteur, registeraccountant, stedenbouwkundige, tandarts, tandarts-specialist, (al dan niet beëdigd) tolkvertaler, tuin- en landschapsarchitect en verloskundige.

Een beroep dat niet in deze opsomming voorkomt, geldt in beginsel niet als ‘vrij beroep’, tenzij de onderneming/beroepsbeoefenaar anders aan kan tonen.

In de jurisprudentie is uitgemaakt, dat de uitoefening van vrije beroepen in overeenstemming is met de functie "woondoeleinden". Deze vrije beroepen worden daarom rechtstreeks toegestaan. Voor bovengenoemde activiteiten is dus geen procedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk, zolang deze activiteiten plaatsvinden in de woning (dus niet in de bijbehorende bouwwerken) en voldoen aan het criterium dat het betrokken pand in overwegende mate zijn woonfunctie blijft behouden.

De randvoorwaarden waaraan aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten dienen te voldoen, zijn aangegeven onder de specifieke gebruiksbepalingen (5.4.1). Deze activiteiten vormen in de regel geen belemmering voor een goede woonomgeving en zijn daarom bij recht toegestaan.

Om de groene uitstraling van het plan te behouden is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het beheer en onderhoud van de hagen op een bouwperceel.

Inspelend op de maatschappelijke behoefte aan mantelzorg, dit is het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband, is in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.4.3 onder a in die zin dat vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg, daarbij dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeente Dinkelland is eigenaar van de grond waarop het bouwplan van toepassing is. Het verhalen van kosten op anderen is niet nodig, waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeenteraad kan derhalve besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

Het bestemmingsplan maakt de herverkaveling van bestaande bouwrechten mogelijk en maakt daarnaast de toevoeging van zeven nieuwe woning mogelijk.

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen
Op 22 juli 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 6 augustus 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn twee zienswijzen binnengekomen.

De reactienota voor de zienswijzen is als Bijlage 12 bij de toelichting opgenomen. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel zijn er enkele ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Doordat per abuis de ontsluiting naar Spikkert 4 is weggelaten in het ontwerpbestemmingsplan vinden er wijzigingen plaats in de verbeelding en het stedenbouwkundig ontwerp (o.a. waterhuishouding). Ook is het bouwvlak van de rijtjeswoningen aangepast om geschikt te zijn voor nultredenwoningen.