| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMBUIRAMMLBKWEG21-VG01 |
Er is sprake van nieuwe ontwikkelingen op het agrarisch erf aan de Rammelbeekweg 21 en 23 in Lattrop-Breklenkamp. Middels de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV) is er gestopt met de melkveehouderij en wordt er voortgezet op de akkerbouwfunctie. De veehouderij wordt op de locatie uitgesloten. De initiatiefnemers nemen deel aan de gemeentelijke rood-voor-rood regeling.
Het voornemen is om de huidige landschapsontsierende opstallen te slopen en de kuilvoerplaten en voersilo's te verwijderen. Dit resulteert in 1.421 m2 aan sloopmeters die ingebracht worden in het kader van rood voor rood. Het plan omvat de sloop van de bestaande genoemde opstallen en het terugbouwen van een compensatiewoning inclusief bijgebouw. Daarnaast worden de restmeters ingezet voor het vergroten van het bijgebouw van de compensatiewoning. Twee schuren en de voormalige boerderij blijven behouden en dienen als werktuigenberging voor het akkerbouwbedrijf.
De genoemde ontwikkelingen zijn in het huidig omgevingsplan van rechtswege niet zonder meer mogelijk of kunnen niet geborgd worden. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader beoogd om de plannen mogelijk te maken. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.
Ligging planlocatie
Het plangebied ligt aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De locatie Rammelbeekweg 21 staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie N met perceelnummer 1220.
Een topografische kaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het erf en de omliggende gronden die worden betrokken in de herontwikkeling.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van omliggende plaatsen Denekamp en Lattrop (bron: arcgis.com)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen.
De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
De planlocatie van de initiatiefnemers ligt aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp. Op het plangebied is een agrarisch bouwblok aanwezig. De opstallen zijn in het verleden in gebruik geweest voor een ter plaatse gevestigde veehouderij. Momenteel zijn ze niet meer in gebruik. In het verleden is een vervangende bedrijfswoning gerealiseerd aan noordwestzijde van de historische woonboerderij. Later is ook nog een tweede bedrijfswoning gebouwd. De locatie bevindt zich in een overgangsgebied van dekzandvlaktes en -ruggen op de rand van een beekdal met natte laagtes. De hogere dekzandruggen zijn relatief vroeg in gebruik genomen. Het erf op de planlocatie bevindt zich in het kleinschalige kampenlandschap, met de overgang naar het ontginningslandschap (heide/veen) en het matenlandschap. Het landschap leende zich goed voor het vestigen van een agrarisch erf. Het erf aan de Rammelbeekweg is oud en al terug te vinden op historische kaarten van rond 1900.
Het landschap
De planlocatie ligt in een gebied met dekzandvlakten en -ruggen. Deze gebieden werden vaak doorsneden door beekdalen. De beekdalen voeren het water van de hogere delen af. De overgangsgebieden van hoog naar laag bleken geschikt als landbouwgronden en om erven te stichten. De grond was er vruchtbaar en mensen konden hier veilig en droog wonen. Beekdalen waren essentieel om als gras- en hooiland te dienen. Het perceel ligt op de overgang van de dekzandvlakte naar lagergelegen gronden.
De planlocatie ligt in het kampenlandschap, aan de rand van een beekdal met natte laagtes. Ten noorden zijn de Bergvennen te vinden. De Bergvennen liggen op een dekzandrug, dus ze liggen relatief hoog in het landschap. Dit maakt dat de vennen vooral werden gevoed door regenwater. Naast deze vennen is de overgang naar de heide te zien.
De combinatie van beekdal, kampen en heideontginning was uiterst functioneel. Het beekdal werd ingezet als hooi- en graslanden. De heideplaggen afkomstig uit het heidegebied werden vroeger gebruikt in het potstalsysteem. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kampen gebracht. Vanaf de jaren '30 van de vorige eeuw werden de heidevelden en ten dele ook de veengebieden interessant als landbouwgebied. De reden daarvoor waren de verbeterde afwateringstechnieken en de uitvinding van kunstmest. Het van oorsprong relatief kleinschalige grillige landschap rondom de kampen en de maten is door de jaren heen verschaald naar een halfopen landschap. Vooral enkele landschappelijke dragers zorgen nog voor de herkenning van het landschap. De van oorsprong zeer open heide- en veengebieden zijn door de jaren heen omgezet naar een halfopen landschap met boscomplexen.
Huidige indeling
Het erf is met de voorzijde naar het zuidoosten, richting de kamp gericht. Deze kant is open van karakter en heeft vrij zicht over de kamp. De achterzijde is naar de weg gericht. Van oudsher waren de schuren op het achtererf gesitueerd, maar vanwege ruimtegebrek is er later ook bebouwing toegevoegd richting de kamp. Het achtererf is dicht aangezet met erfbeplanting in de vorm van een erfbos. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een karakteristiek groenelement in de vorm van een houtsingel haaks op de Rammelbeek. Dit is kenmerkend voor een beekdal.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie (bron: PDOK.nl)
Afbeelding 2.2: vogelvlucht aanzicht huidige erfsituatie (bron: Streetsmart)
Huidig erfcluster
De planlocatie ligt in een gebied met dekzandvlakten en -ruggen, in een kleinschalig kampenlandschap, aan de rand van een beekdal met natte laagtes. Ten noorden liggen de Bergvennen en is de overgang naar de heide te zien. Het van oorsprong agrarische erf heeft een orthogonale opstelling met een grote openheid richting het zuidoosten, de kamp. De achterzijde is naar de weg gericht, waarvan oudsher ook de schuren waren gesitueerd. De erfbeplanting aan de achterkant van het erf heeft de vorm van een erfbos, wat past bij het oorspronkelijke landschap.
Gewenste situatie akkerbouwbedrijf
Het huidige melkveebedrijf wordt getransformeerd naar een akkerbouwbedrijf. De landschapontsierende schuren worden gesloopt (G) en kuilvoerplaten (H) en voersilo's (I) worden verwijderd. Er blijven twee schuren (B) staan en krijgen een functie voor het akkerbouwbedrijf. De kapschuur nabij de weg wordt verfraaid door vervanging van het dak (asbest) en van de wanden (damwand) naar passende en streekeigen materialen.
Gewenste situatie woning
Voor de ontstane sloopmeters bouwt initiatiefnemer een extra woning (D). De overgebleven sloopmeters worden ingezet voor de realisatie van een inpandig berging van 70 m2 in de nieuwe woning (D) en een vrijstaand bijgebouw van 190 m2 (E).
Het plangebied is gelegen in een kampenlandschap in een gebied met dekzandwelvingen en het beekdal. In het kampenlandschap is sprake van beplanting langs wegen en percelen, en een openheid van het erf richting de kamp. Deze structuren worden met de ontwikkeling versterkt, waarmee de plannen zijn ingepast in de omgeving en hebben een versterkte ruimtelijke uitstraling.
Voor de landschappelijke inpassing worden de aanwezige erfbossen (J) uitgebreid en aangevuld met inheemse soorten (K), dit versterkt de beslotenheid van het achtererf. Centraal op het erf wordt een markante erfboom (L) geplant, het voorerf richting de kamp blijft open. Het veldschuurtje (C) in het bos blijft bestaan en de oprit aan deze zijde blijft ondergeschikt aan de hoofdoprit. De nieuwe situatie draagt bij aan de bestaande orthogonale opstelling van het erf en aan de één-erf-gedachte. Samen met het open karakter van het erf richting de kamp past de nieuwe situatie goed bij het oorspronkelijke cultuurlandschap.
Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Rammelbeekweg 21 (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit
Er worden enkele maatregelen uitgevoerd ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.
Met de voorgestelde maatregelen wordt voldaan aan het gestelde beleid.
Het gemeentelijk kwaliteitsteam is akkoord met de landschappelijke inpassing. Het advies is opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1).
Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een herontwikkeling van het erf Rammelbeekweg 21. Op de planlocatie is een agrarische bedrijfsfunctie met een bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf toegekend. De veehouderij wordt gestaakt en bij de herontwikkeling wordt er voortgezet op de akkerbouw en een extra woonfunctie. Een deel van het erf wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie vanwege de rood-voor-rood regeling en voor de overige delen wordt veehouderij uitgesloten.
Het bouwen van de compensatiewoning pas daarnaast niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie aan de Rammelbeekweg 21. De woonfunctie ter plaatste dient hierop te worden aangepast. Bovendien moet de sloop op de locatie vastgelegd worden, zodat deze bebouwingsoppervlakte niet opnieuw kan worden teruggebouwd. Deze ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege met onderdelen 'Buitengebied 2010'. Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie.
Het plandeel Rammelbeekweg 21 heeft de functie 'Agrarisch - 1' met bijbehorende functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf', 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning' en een bouwvlak. Het realiseren van een extra (reguliere) woning is binnen de functie niet zonder meer toegestaan. Daarnaast dient de veehouderij te worden uitgesloten en de sloop te worden vastgelegd in verband met de rood voor rood regeling..
Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Afbeelding 3.1: verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant aangezien sprake is van milieubelastende activiteiten.
De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Er zijn geen gemeentelijke verordeningen die van belang zijn voor dit plan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een LBV-locatie, omdat een agrarisch erf deels wordt omgevormd naar een regulier woonerf, waarbij enkele landschapontsierende gebouwen gesloopt worden, een karakteristieke veldschuur behouden blijft en er wordt gewerkt aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Geconstateerd is dat de compensatiewoning op een bestaande erflocatie een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling.
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Doorwerking in onderhavig plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. De veehouderij wordt gestaakt en daarom worden meerdere opstallen, kuilvoerplaten en voersilo's verwijderd en gesloopt. Een tweetal agrarische bedrijfsgebouwen en de huidige woningen blijven behouden voor de voortzetting van de akkerbouw. De te behouden schuren worden opgewaardeerd. Op basis van de rood-voor-rood regeling mag één compensatiewoning met bijgebouw worden gerealiseerd. Het gebruik dient deels omgezet te worden naar een woonfunctie.
Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locatie Rammelbeekweg 21 ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van herontwikkeling, waarbij landschapontsierende agrarische bebouwing wordt gesaneerd, een veldschuur en de huidige woningen behouden blijven, kuilvoerplaten en voersilo's verwijderd worden en een nieuwe woning met bijgebouw wordt gebouwd. Een tweetal schuren blijft behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouwtak. Op het erf worden enkele groenelementen toegevoegd waarmee het landschap wordt versterkt. Het bestaande erf wordt dus optimaal benut. Bovendien neemt het verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling aanzienlijk af.
Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting bij omgevingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).
Beoordeling van het plan:
Voor de plangebieden is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening.
Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem
Beoordeling van het plan:
De landschappelijke inpassing is voorzien van een vergroting van het erfbos met verschillende inheemse soorten. Daarmee wordt de biodiversiteit en de capaciteit voor het opvangen van water lokaal vergroot. Een hogere biodiversiteit draagt bij aan de veerkrachtigheid van het gebied. Daarnaast neemt de totale verharde oppervlakte in het plangebied af, waardoor er meer water kan worden opgenomen in de omgeving. De ontwikkeling draagt zo bij aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Artikel 4.14: Woonafspraken
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 1 extra wooneenheid met bijbehorend bouwwerk op basis van de rood voor rood regeling. Door de sloop van landschapontsierende bebouwing wordt het recht voor één compensatiewoning verkregen. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte. Zoals uit paragraaf 4.1.5 blijkt, is er in de gemeente Dinkelland ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55: Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen van de eigenaar van Rammelbeekweg 21 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie gezorgd voor een (behoud van) diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij gerespecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen, vergezeld van passende landschappelijke ingrepen. Bovendien wordt invulling gegeven aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het omliggende landschap, mede gelet op de (extra) investeringen in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Voor het voorliggende plan is voor beide planlocaties het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.
Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, Rammelbeekweg in rood aangeduid (bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities:
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
Beoordeling van de plannen:
De ontwikkelingen omvatten het omzetten van het agrarisch gebruik van veehouderij naar akkerbouw en de realisatie van een woning via de rood voor rood regeling. Daarmee is er sprake van zowel een agrarisch gebruik als de ontwikkeling van een nieuwe woonfunctie, dit is een passende activiteit in het mixlandschap.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie ligt in een dekzandgebied dat door beekdalen wordt doorsneden. Onder koude omstandigheden in de laatste ijstijd heeft de wind ervoor gezorgd dat (geërodeerd) zand werd afgezet en zich verplaatste, hierdoor zijn dekzandruggen en -kopjes ontstaan. Er is dus sprake van reliëf. In de lager gelegen delen zijn beeklopen te vinden, zoals op de planlocatie de Rammelbeek ten zuiden van de planlocatie. Hoogteverschillen in de omgeving van de planlocatie zijn nog goed zichtbaar.
Afbeelding 4.2: uitsnede natuurlijke laag, Rammelbeekweg in 'Dekzandruggen en -vlakte en 'beekdalen en natte laagtes' (bron: provincie Overijssel)
Laag van cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
Afbeelding 4.3: uitsnede laag van cultuurlandschap, Rammelbeekweg in oude hoevenlandschap (bron: provincie Overijssel)
Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Dit gebeurde onder meer in de kleinschalige kampenlandschappen. De open essen en kampen kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. In de lagere (beekdal) gebieden waren de gronden onder meer geschikt voor hooilanden. Het kampenlandschap, maar ook het matenlandschap was van oorsprong zeer kleinschalig. Door de schaalvergroting is dat sterk afgenomen, maar nog altijd zorgen belangrijke landschappelijke dragers in het gebied voor de herkenning van het gebied. Het plangebied is gelegen op de overgang van het kampenlandschap naar het ontginningslandschap. Kenmerkend zijn daarom hier de rechte wegen, open tot halfopen landschap en robuuste beplantingsstructuren. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. In dit geval houdt dat vooral behoud van het bestaande in, maar er liggen ook kansen voor versterking.
De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven.
Laag van de beleving
Het plangebied is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden, attractieparken en bedrijventerreinen zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd.
Afbeelding 4.3: uitsnede laag van de beleving, donkerte (bron: provincie Overijssel)
Stedelijke laag
Het plangebied heeft voor wat betreft de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze laag buiten beschouwing.
Conclusie
Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
Speerpunten
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema's 'Aantrekkelijk wonen' en 'Toekomstgerichte agrarische sector' van belang.
Goede staat van landschap en natuur
De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, willen we behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor:
Buitengebied in balans
De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bijbehorende waardenkaart weergegeven. Locatie Rammelbeekweg ligt in de zone 'gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'.
afbeelding 4.4: Uitsnede waardenkaart, planlocatie met paars aangegeven (bron: Gemeente Dinkelland)
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van het erf Rammelbeekweg 21, waarbij de agrarische functie van veehouderij naar akkerbouw gaat vanwege de LBV-regeling. Er worden twee landschapontsierende opstallen gesloopt wat resulteert in 1.421 m2 aan sloopmeters. Deze worden ingezet middels de rood-voor-rood regeling. Er wordt een compensatiewoning met bijbehorend bijgebouw gerealiseerd. De kuilvoerplaten en voersilo's worden verwijderd en een veldschuur blijft behouden. De gehele ontwikkeling wordt zorgvuldig ingepast. Een deel van de agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie.
Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden ontwikkelingen uitgelegd en landschappelijk ingepast. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse fors versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied. De ontwikkeling draagt bij aan het speerpunt 'toekomstgerichte agrarische sector' van de omgevingsvisie van Dinkelland. Dit speerpunt geeft aan dat duurzame landbouw wordt gestimuleerd.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie.
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en de verwerking van kaders voor verblijfsrecreatie in de notitie.
De volgende passages uit het beleid zijn relevant:
De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs gehandeld.
3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen', gelden de volgende voorwaarden:
3.5 Extra woningen (Rood voor Rood)
Voor het toestaan van extra woningen binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden:
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’
Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5.
Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.
Beoordeling van plannen:
3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, mag een gedeelte worden teruggebouwd dan wel behouden blijven voor het realiseren van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. De sloopoppervlakte boven de sloopnorm is 221m2. Deze extra sloopmeters worden gebruikt om het bijgebouw bij de compensatiewoning te vergroten. De sloopmeters komen van de asbesthoudende varkensschuur. De eerste 100m2 kan 1:1 teruggebouwd worden. De overige sloopmeters via de verhouding 1:2. In totaal kan er 160,5m2 extra aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Samen met het basisrecht van 100 m2 komt dat uit op een totaal van 260,5 m2 aan bijgebouwen. Het recht op 260,5 m2 wordt vastgelegd op het deel van de woonfunctie van de compensatiewoning.
3.5 Extra woningen (Rood voor Rood)
Ter compensatie van de sloop van tenminste 1.200 m² aan landschap ontsierende gebouwen en een investering in ruimtelijke kwaliteit, mag een woning met bijbehorende bouwwerk(en) worden gerealiseerd met een inhoud/oppervlakte conform het omgevingsplan van rechtswege. Uitgangspunt is dat de compensatiewoning teruggebouwd wordt op de slooplocatie, dat is met het voornemen het geval.
Uit onderzoek naar de legale situatie is een totale sloopoppervlakte van 1421 m2 voortgekomen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de sloopnorm van één compensatiewoning. Vanwege de LBV-regeling worden er twee landschapontsierende opstallen gesloopt en blijven twee schuren behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouwtak. De te behouden schuren worden echter wel opgewaardeerd naar een streekeigen kleurstelling en materialisering.
Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze moet worden teruggebouwd op een de slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalige) agrarisch bedrijf, dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Hier wordt aan voldaan. De huidige agrarische bedrijfsfunctie wordt deels omgezet naar een reguliere woonfunctie vanwege de compensatiewoning. Het overige deel blijft de agrarische functie behouden, maar de veehouderij wordt uitgesloten. Uit onderzoek is gebleken dat de compensatiewoning 22 meter van de gevel van de agrarisch schuur af gebouwd moet worden. Dit is doorgezet in de ontwikkeling.
In de toekomstige situatie is de bebouwing dusdanig gepositioneerd dat het bijdraagt aan de 'één-erf gedachte'. Het plan is goedgekeurd door de gemeente.
De sloopoppervlakte boven de sloopnorm (221 m2) voor rood voor rood wordt ingezet voor het vergroten van het nieuwe bijgebouw bij de compensatiewoning. Deze sloopmeters komen van de asbesthoudende varkensschuur. De eerste 100m2 kan 1:1 teruggebouwd worden. De overige sloopmeters via de verhouding 1:2. In totaal kan er 160,5m2 extra aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.
Afwijkingsbevoegdheid
In dit geval is geen sprake van het volledig staken van bedrijfsmatige agrarische activiteiten, de initiatiefnemer wil namelijk door als akkerbouwer. Op basis van de voorwaarden voor deelname aan de LBV-regeling dient het houden van dieren binnen deze functie wel uitgesloten te worden. De compensatiewoning zal wel een woonfunctie moeten krijgen. Het beleid biedt een zelfstandige afwijkingsmogelijkheid voor ontwikkelingen die niet aan de voorwaarden voldoen, maar die wel voldoen aan de doelstelling van het beleid. In paragraaf 1.2 van het beleid is beschreven dat het doel van het beleid meervoudig is. Enerzijds is het beleid bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Voorliggende ontwikkeling past binnen deze doelstelling. De agrarische activiteiten bestaande uit het houden van dieren wordt beëindigd. Dit is een voorwaarde vanuit de deelname aan de LBV-regeling. Door deelname aan deze regeling draagt het bedrijf bij aan de landelijke stikstofaanpak. Het Rijk wil met deze stoppersregelingen de stikstofneerslag op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebieden naar beneden brengen. Initiatiefnemer heeft echter nog agrarische gronden in eigendom en wil op locatie verder als akkerbouwbedrijf. De te behouden schuur ten behoeve van akkerbouw is aangemerkt als landschapontsierend, deze wordt niet-landschapsontsierend gemaakt ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Gelet op voorgaande kan gebruik gemaakt worden van de zelfstandige afwijkingsbevoegdheid. De maatwerkoplossing ziet op het toestaan van bedrijfsmatige agrarische activiteiten in de vorm van akkerbouw.
Voor de beoordeling van de erfopzetis het plan voor de Rammelbeekweg 21 voorgelegd aan het Kwaliteitsteam. Het Ruimtelijke kwaliteitsplan Bijlage 1 voorziet in een juiste ruimtelijke kwaliteit van het erf.
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’'
In onderhavig geval is sprake van de bouw van een extra woning op basis van de rood-voor-rood regeling. Daarom wordt voldaan aan de sloopcompensatie voor één compensatiewoning. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast. Het erf wijzigt voor een gedeelte naar de functie 'Wonen' vanwege de compensatiewoning. Het overige deel blijft agrarisch waarbij de veehouderij en wordt omgezet naar akkerbouw via de LBV-regeling. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen. Zoals is benoemd onder de toetsing aan '3.5 extra woningen' wordt er afgeweken van de voorwaarde dat agrarische bedrijfsactiviteiten worden gestaakt. Bovenstaand is toegelicht dat het naar akkerbouw wordt omgezet en de veehouderij wordt beperkt. Ook worden landschapsontsierende gebouwen gesloopt, één wordt omgezet naar niet-landschapsontsierend. Daarmee is er voldaan aan deze regeling.
Resumerend
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland.
De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In deze paragraaf is de toets aan dit programma opgenomen.
Op 1 december 2024 heeft de gemeenteraad van Dinkelland het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 vastgesteld. Het Volkshuisvestingsprogramma richt zich op het waarborgen van voldoende woningen van goede kwaliteit die betaalbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Dit kan alleen worden bereikt met een integrale aanpak, waarin verschillende beleidsterreinen van de gemeente worden samengebracht. Het raakt onder meer thema’s als sociale samenhang, leefbaarheid, specifieke doelgroepen, gezondheid, betaalbaarheid, grondbeleid, ruimtelijke ordening en duurzaamheid.
Kwantitatieve woningbehoefte
Rekening houdend met de verwachte algemene lokale bevolkings- en huishoudensgroei, migratie (statushouders en arbeidsmigratie) en urgentiegroepen zijn er in totaal 871 extra woningen benodigd tot 2032 (zie tabel 1). Gezien de langdurige aard en complexiteit van woningbouwprojecten, zal in de praktijk een deel (30%) van de geplande woningbouwplannen vertraging oplopen of zelfs geheel komen te vervallen.
Gelet hierop en gezien de looptijd van besluitvorming over woningbouw is een overmaat aan plancapaciteit ten opzichte van het aantal te bouwen woningen van belang voor het realiseren van de woningbouwproductie. Daarmee kan bij vertraging of wegvallen van een project gekeken worden naar alternatieve locaties. Om die reden zijn er vanaf 2020 afspraken tussen het Rijk en provincies om te zorgen voor 130% plancapaciteit, zoals beschreven in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.11 Rekening houdend met 130% plancapaciteit voor de gemeente Dinkelland komt het aantal nieuw te bouwen woningen om te voldoen aan de lokale en bovenlokale behoefte uit op 1.133 woningen tot 2032.
Kwalitatieve woningbehoefte
Gemeente Dinkelland streeft naar een divers woningaanbod voor de huidige en toekomstige inwoners, waarbij er specifiek aandacht is in de woningbouwopgave voor verschillende aandachtsgroepen zoals starters, mensen met een woon- en zorgbehoefte (incl. ouderen), arbeidsmigranten, statushouders en andere urgentiegroepen.
Doorwerking in buitengebied met kwaliteit
Er is onderzoek gedaan naar mogelijkheden om nieuwe woonvormen in het buitengebied te ontwikkelen. Dit is verwerkt in en aangescherpt in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. In 4.1.4 is dit beleid nader toegelicht en is hieraan getoetst.
Beoordeling van de plannen:
Het toevoegen van één compensatiewoning past binnen deze programmering. In de brief als reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Dinkelland aangegeven dat in het woningbouwprogramma de woning is gereserveerd. De compensatiewoning past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief is in overeenstemming is met het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029.
De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart).
Afbeelding 4.5: fragment van de cascokaart ter plaatse van Rammelbeekweg 21 (bron: geo.overijssel.nl)
Beoordeling van plannen:
De casco elementen die zijn aangegeven zullen behouden blijven en worden juist versterkt door middel van aanplant van houtopstanden. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een houtopstand die volgens de cascokaart geen onderdeel van de casco is. Landschappelijk gezien is deze houtsingel kenmerkend voor de uitstraling van een beekdal die ten zuiden van het plangebied aanwezig is. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bestaande casco elementen en vice versa. Bovendien geldt dat nieuwe investeringen worden verricht in het aanbrengen van nieuwe (passende) landschapselementen.
De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval van toepassing, omdat een specifiek beeldkwaliteitsplan voor rood voor rood op 26 maart 2024 door de raad is vastgesteld en onderdeel is geworden van de Nota omgevingskwaliteit. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning, waarvoor het genoemde beeldkwaliteitskader de randvoorwaarden vormt.
Voor de volledigheid is het vastgestelde en geldende beelkwaliteitsplan opgenomen als Bijlage 2. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor is het plan in het kader van vooroverleg aan de provincie voorgelegd.
De provincie is akkoord met het voorstel voor herinrichting van het erf met akkerbouwbedrijf en een rood voor rood-woning. Vanzelfsprekend moet het agrarisch bouwperceel, behalve veehouderij uitsluiten, beperkt worden tot de nu voorgestelde opstallen en geen toekomstige bouwmogelijkheden verkrijgen.
Op 15 september 2025 is de digitale watertoets voor de planlocatie uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen.
Voor het plan geldt dat initiatiefnemer met omwonenden gesproken heeft. Dit is uitgewerkt in Bijlage 3 in een verslag. Vanuit de besprekingen zijn geen bezwaren naar voren gekomen, waardoor er ook geen aanleiding is tot aanpassing van de plannen.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel deels omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt. Twee schuren blijven behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouw, voor de rest worden de bouwmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen beperkt tot op dat moment bestaand. Er wordt in feite één woning met bijhehorende bouwwerken aan het erf toegevoegd middels de rood voor rood regeling. De huidige woningen blijven daarbij eveneens behouden.
De ontwikkeling voorziet daarmee in een afname van bebouwingsoppervlakte en blijft ruim onder de drempel voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling van 12 woningen.
Conclusie
Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op het realiseren van een nieuwe woning op basis van het rood voor rood beleid en het omzetten van een veehouderij naar een akkerbouw bedrijf door middel van de LBV regeling. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Het voorliggend plan voorziet in de omzetting van een voormalige veehouderij naar akkerbouw aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp, het slopen van landschapontsierende bebouwing en het toevoegen van één extra woning middels de rood-voor-rood regeling met bijbehorend bijgebouw.
Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf flink afneemt vanwege de afbouw van agrarische activiteiten. De bestaande woningen blijven behouden, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet. Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (8,2 verkeersgeneratie) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt in verhouding zodoende als gevolg van de plannen af.
De afwikkeling van het verkeer ten behoeve van het akkerbouwbedrijf verloopt via een andere inrit dan de inrit van de rood voor rood woning.
Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woonfunctie.
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. De huidige woningen zijn al voorzien van parkeergelegenheid en worden dus niet meegenomen in de berekening. In voorliggend geval worden in het plangebied op de nieuwe situatie één woning toegestaan. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4 per woning) afgerond 3 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien.
Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Door Natuurbank Overijssel zijn in een quickscan natuurwaarden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In het rapport Bijlage
4 worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke
consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordelingnoodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het voorgenomen besluit voorziet in het toestaan van een nieuwe activiteit op locatie Rammelbeekweg 21 Lattrop-Breklenkamp die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitat(ten) binnen Natura 2000 gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. De toelichting en berekening zijn opgenomen in Bijlage 5. Het nieuwe project wordt aangevraagd in directe samenhang met beëindiging van de bestaande veehouderij-activiteiten op dezelfde locatie in het kader van de Lbv. Het doel van de regelingen is om daarmee de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie slechts een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. Om de stikstofemissie van het aangevraagde nieuwe project te mitigeren wordt de emissie van het reeds toegestane project als referentiesituatie gehanteerd. Daarmee is sprake van een situatie die wordt aangemerkt als intern salderen. Hieronder wordt onderbouwd op welke wijze daarbij wordt voldaan aan de wetgeving en jurisprudentie inzake intern salderen en (indien van toepassing) aan de vereisten die volgen uit provinciale beleidsregels.
Stikstofdepositie aangevraagd project
De aangevraagde activiteit leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. Tabel 1 geeft een overzicht van de habitattypen waarop het project depositie veroorzaakt en de omvang van de depositie.
Tabel 1. Resultaten AERIUS-berekening aangevraagde situatie
Voor dit gebied blijkt uit de natuurdoelanalyses dat eindoordeel ‘nee, tenzij’ wordt gegeven. Dit houdt in dat het vastgestelde pakket aan maatregelen niet volstaat om verslechtering tegen te gaan en realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken. De natuurdoelanalyse maakt in dat geval duidelijk wat de knelpunten zijn. In dit habitattype is stikstofbelasting een knelpunt. In de natuurdoelanalyses is geconcludeerd dat aanvullende stikstofreducerende maatregelen noodzakelijk zijn voor het behalen van de relevante instandhoudingsdoelstellingen. Zodoende is het noodzakelijk dat aanvullende maatregelen worden getroffen om tot het doelbereik te komen.
Verderop in dit besluit lichten wij verder toe waarom wij van mening zijn dat de mitigerende maatregel, die een in emissie en depositie minimale toekomstige activiteit mogelijk maakt, niet noodzakelijk is om ingezet te worden als aanvullende maatregel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Wij geven namelijk met de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv), waar dit besluit mee samenhangt, en andere passende maatregelen, waaronder, invulling aan HR 6.2.
Referentiesituatie van het project
Om bovenstaande depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen met de toegestane activiteit op de locatie. Dit betreft de volgende toestemming:
Tabel 2. Overzicht bestaande toestemming
Mitigerende maatregel (intern salderen)
Op grond van de Lbv geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie. Om de nieuw aangevraagde activiteit voldoende te mitigeren dient onderstaand deel van de bestaande toestemming als referentie te worden gehanteerd voor de nieuw aangevraagde activiteit.
Tabel 3. Overzicht benodigde restruimte/referentiesituatie
Wanneer de emissies van NH3 en NOx van de bestaande toestemming worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat minder dan 1% van de bestaande toestemming nodig is om het nieuwe project te mitigeren. Aangezien dit gelijk of minder is dan 15% én een representatieve emissie is behorend bij de nieuw aangevraagde activiteit voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de Lbv. Met deze mitigerende maatregel zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het beoogde project uitgesloten.
Het additionaliteitsvereiste
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste bij het inzetten van mitigerende maatregelen. Uit de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 passende maatregel ingezet zou kunnen worden, alleen als mitigerende maatregel bij vergunningverlening ingezet mag worden als het behoud van natuurwaarden is geborgd. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en
huidige staat van instandhouding, op basis van bijvoorbeeld natuurdoelanalyses. Of, in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd.
Hieronder lichten wij toe waarom wij reden zien om een mitigerende maatregel te mogen betrekken bij de beoordeling dat het beoogde nieuwe project geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden.
Intern salderen als mitigerende maatregel
Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’ blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel in beginsel als een passende of instandhoudingsmaatregel kunnen worden gezien. Echter, de aanvraag dient te worden beschouwd in de context van beëindiging van de veehouderij op de locatie van de aanvrager, waarmee in totaal 99% van de toegestane emissie op de locatie wordt ingetrokken. Weliswaar zou het inzetten van het percentage aan overgebleven stikstofruimte op onderhavige projectlocatie ten goede kunnen komen aan de natuur, maar volgens ons is het geen passende maatregel. Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het scenario van deelname aan de Lbv inclusief het beoogde toekomstige project binnen de 1% stikstofruimte en anderzijds het scenario van geen deelname en voortzetting van de volledige bedrijvigheid op onderhavige projectlocatie. Dit overwegende zijn wij van mening dat de mitigerende maatregel die ingezet wordt voor het aangevraagde project in geen verhouding staat tot de passende maatregel die hier uit voortvloeit, zijnde de vrijwillige deelname aan Lbv. De totale
stikstofdepositiereductie als gevolg van beëindiging van de veehouderijactiviteiten en de ontwikkeling van een akkerbouwbedrijf met een woonfunctie op locatie Rammelbeekweg 21 betreft mmers 99% op de omliggende Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. Daarnaast draagt deze ontwikkeling ook bij aan reductie van de landelijke stikstofdeken.
Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de Lbv aan te merken als een passende en instandhoudingsmaatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot het nieuw aangevraagde project maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader HR 6.2.
Belang van nieuwe activiteit in het kader van een vrijwillige regeling
De beëindigings- en verplaatsingsregelingen zijn subsidieregelingen voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of met een locatie van hun bedrijf. Essentieel is dat sprake is van een vrijwillige regeling, waarbij de definitieve en 3 volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of onherroepelijke beëindiging van een veehouderijbedrijf of locatie van een veehouderijbedrijf wordt gesubsidieerd. Ondernemers komen in aanmerking voor één van de regelingen indien zij voldoen aan vastgestelde drempelwaarden voor depositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer van deze aanvraag neemt deel aan een van de regeling.
Deze subsidieregeling maakt het financieel mogelijk voor de aanvrager om het bedrijf op verantwoorde wijze te beëindigen, maar vormt geen dekkende inkomstenbron voor de toekomst. Daarbij is het idee altijd geweest dat er een beperkte hoeveelheid ruimte moet overblijven voor deelnemers om op de betreffende locatie een andere activiteit te verrichten. De aard van de regeling is immers dat de deelnemers op dezelfde locatie blijven zitten en het eigendom over de grond behouden. Dat werkt alleen maar als je de deelnemers ook in staat stelt op die locatie een andere activiteit te ontplooien. Het volledig intrekken voldoet niet aan de doelstelling van die regeling en heeft bovendien sociaaleconomisch ongewenste effecten. Het is dus van belang dat de initiatiefnemers een goed toekomstperspectief geboden krijgen, zodat deelname aantrekkelijk is doordat er financiële zekerheid is. Ter ondersteuning van dit doel is bepaald dat een deelnemer maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie mag behouden voor de ontwikkeling van een toekomstige activiteit. Op deze manier vindt minimaal 85% vermindering van de stikstofemissie vanaf de deelnemende locatie plaats, wat ten goede komt aan de natuur en de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen bevordert. Niet onbelangrijk om hierbij te vermelden is dat deelnemers aan de regeling eraan zijn gehouden om slechts de stikstofruimte die benodigd is voor de toekomstige activiteiten te behouden. De 15% betreft dus een maximum waarbij niet meer ruimte behouden mag worden dan nodig voor de beoogde activiteiten. In dit geval is slechts 1% van de toegestane emissie benodigd voor het nieuw beoogde project. Daarnaast is de vergunninghouder vanuit de regeling ook verplicht om de natuurvergunning in te laten trekken wanneer niet langer gebruik wordt gemaakt van de uit deze vergunning voorvloeiende stikstofruimte. Dit voorschrift volgt uit de bedoelde regelingen. Door een dergelijke intrekking wordt bewerkstelligd dat de stikstofruimte niet meer voor externe saldering beschikbaar is.
Als het voorliggende nieuwe project niet wordt toegestaan kan dit dus betekenen dat voor de aanvrager onvoldoende toekomstperspectief ontstaat om deelname aan de subsidieregeling voort te kunnen zetten. Er bestaat daarmee een reëel risico dat de beëindiging van deze veehouderijlocatie geen doorgang zou vinden en de emissiereductie van 99% niet gerealiseerd zou worden. De regeling zou in zoverre dan dus niet het beoogde effect van een passende en instandhoudingsmaatregel zijn.
Een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie behoort in dit kader ook tot de bevoegdheden van het bevoegd gezag, maar heeft over het algemeen een veel langere doorlooptijd met daarnaast hoge maatschappelijke en economische kosten. Deze kosten en langere doorlooptijd, in combinatie met juridische onzekerheid over het te behalen doel, wegen niet op tegen de zeer beperkte extra depositiedaling die een met een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie kan worden gerealiseerd.
Conclusie
Op basis van bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging
buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Conclusie
Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor
beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied, maar er nestelen ook vogels. Daarnaast kunnen grondgebonden zoogdieren en amfibieën een voortplantings- en rustplaats in het plangebied bezetten. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied.
Door het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en het verwijderen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de huiszwaluw, huismus, steenuil en kerkuil na, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd.
Nesten van huismus, huiszwaluw, steenuil en kerkuil zijn in de provincie Overijssel jaarrond beschermd. Om vast te stellen hoeveel nesten van huismus aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden. Als nesten van huismus aanwezig zijn dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om deze nesten te mogen beschadigen/vernielen. Van de huiszwaluw is bekend dat drie nesten aanwezig zijn. Om deze nesten te mogen beschadigen/vernielen dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Om uitsluitsel te geven of een nest van steenuil of kerkuil aanwezig is in het plangebied dient nader onderzoek naar deze soorten plaats te vinden. Wanneer een nestplaats aanwezig is dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten
uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd teworden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat
beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een
vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te
voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de
voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit vereist.
Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van vleermuizen.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Initiatiefnemer zal tijdens de vervolgprocedure moeten zorgdragen voor het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunningen of dat voor de locatie nader onderzoek naar de genoemde soorten wordt uitgevoerd.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Beoordeling van de plannen:
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Rammelbeekweg 21.
Gekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit één vrijstaande woning bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen.
Afbeelding 5.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
verzorgingstehuizen,
psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.3: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt volgens de aanpassing van het geluidbeleid onder de Omgevingswet de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (53 dB) en de bovengrens 'onrustig' (58 dB) voor verkeerslawaai . Voor industrielawaai geldt een ambitiewaarde van 45 dB en een grenswaarde van 50 dB.
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende het bepalen
van het geluid op de gevel ter plaatse van toekomstige woning aan de Rammelbeekweg 21 te
Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland als gevolg van wegverkeerslawaai. Het onderzoek is noodzakelijk inzake de ruimtelijke procedure. Het rapport is opgenomen in Bijlage 7.
Initiatiefnemer heeft het voornemen ter plaatse van de Rammelbeekweg 21 te Lattrop-Breklenkamp
enkele opstallen te slopen en een woning met bijgebouw te realiseren. Het onderzoek richt zich op
het bepalen van het geluid op de gevel ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Rammelbeekweg.
Het geluid op de gevel is vastgesteld door middel van het meet-en rekenvoorschrift, zoals
beschreven in de Aanvullingsregeling geluid.
Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
Situatie plangebied, industrielawaai
Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
Een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd waarmee aangetoond moet worden dat ter plaatse van de toekomstige woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 6. Anderzijds zal het akkerbouwbedrijf ook haar bedrijfsactiviteiten moeten kunnen blijven uitvoeren. In het kader van de planologische procedure zal er dus akoestisch onderzoek moeten plaatsvinden naar het geluid afkomstig van het akkerbouwbedrijf.
De maatschap betreft nu een melkveehouderij die gaat omschakelen naar akkerbouw. Tevens komt er een extra compensatiewoning ten oosten van het bedrijf. Er blijven enkele agrarische akkerbouwmatige activiteiten. Op het erf zal gereden worden met een trekker. Tevens zal er zaai-, en of pootgoed worden aangeleverd met een vrachtwagen.
In bijlage 3 en 3.1 van het geluidsrapport zijn de rekenresultaten opgenomen van de representatieve bedrijfssituatie. In tabel 4 zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten samengevat.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de toekomstige woning het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 44 en 31 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode bedraagt. Er is hiermee voldaan aan de ambitiewaarden uit het geluidbeleid en aan de standaardwaarden uit het
(tijdelijk) Omgevingsplan en de Bkl.
Er wordt voldaan aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Aan de Delengoorweg 10 t/m 12 in Lattrop-Breklenkamp geldt dat een grondgebonden agrarisch bedrijf is gelegen op 240 meter van het functievlak voor Rammelbeekweg 21, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Conform artikel 5.112 van het Bkl geldt voor geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur en een grondgebonden agrarische activiteit een afstand van 50 meter. De onderlinge afstand is ruim voldoende en in de tussenliggende ruimte is ook reeds een woning aanwezig.
Voor het akkerbouwbedrijf zijn in het Bkl geen specifieke afstanden en normen voor het aspect geur opgenomen, maar geldt de algemene regel dat rekening gehouden moet worden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals woningen. Aangezien het houden van dieren wordt uitgesloten en er een schaalverkleining van het agrarisch bedrijf plaatsvindt neemt de geurhinder aanzienlijk af. Het akkerbouwbedrijf zal geen voer meer opslaan in de vorm van kuilvoer aangezien de platen verwijderd worden. Waar het met name om gaat op het erf zijn de vervoersbewegingen van voertuigen en materieel. De geurhinder die hier vanaf komt vormt geen belemmering voor de Rood voor Rood woning. Gelet op de afstand van het akkerbouwbedrijf tot aan de compensatiekavel zal het aspect geur geen invloed hebben.
Het akkerbouwbedrijf op de planlocatie kent een onderlinge afstand van 22 meter tot de nieuwe woonfunctie. Op basis van de tabel bedrijven en milieuzonering uit 2009 (de meest bruikbare referentie) is een afstand van 10 meter voor 'akkerbouw en fuitteelt (bedrijfsgebouwen)' voldoende geacht. De 22 meter voldoet hier ruimschoots aan, waardoor een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd wordt.
Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie.
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 5.6: uitsnede risicokaart met afstand plangebied Rammelbeekweg 21 tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 1,23 km van de nieuwe woning de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een gebied waarbij activiteiten zijn met gevaarlijke stoffen. Het betreft een mestvergister van een agrarisch bedrijf. De nieuwe woning ligt echter ver buiten de aandachtsgebieden of ricocontouren als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Voorliggend project heeft betrekking op een rood voor rood voornemen, waarbij één compensatiewoning met bijgebouw wordt gerealiseerd.
Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
1. Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom de planlocatie zijn hoofdzakelijk woonerven en agrarische bedrijven gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen behoort tot één van de uitzonderingen. In onderhavig plan is er geen sprake van trillingsveroorzake bedrijvigheid of acitviiteiten in nabijheid van de nieuwe woning. Een goed woon- en leefklimaat hiervoor is gegarandeerd.
2. Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Zoals in voorgaande alinea is benoemd is er geen sprake van trillingsveroorzakende bedrijvigheid in de nabijheid van de planlocatie. Er treedt dan ook geen hinder op voor activiteiten of bedrijvigheid in de omgeving.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Beoordeling van de plannen:
Onderstaand is voor de planlocatie een uitsnede van de gemeentelijke verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeelding 5.7: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, planlocatie aangegeven met zwarte omcirkeling
Binnen het plangebied gelden de kenmerken "Beekdalen en overige laagten" en "Dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek". Vanuit de toegekende kenmerken geldt dat bij bodemingrepen boven de 2.500 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek nodig is. De plannen in het kader van rood voor rood overschrijden deze diepte en oppervlakte niet. De bodemingrepen blijven beneden de 2.500, waardoor archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk is.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Het plangebied en omgeving bevindt zich in het historische cultuurlandschap onder de groep "Ruilverkaveling". Het voornemen is om het landschap juist te versterken door toepassing van nieuwe groenstructuren, de rechtlijnigheid te behouden en het slopen van landschapontsierende bebouwing. Er wordt met nieuwbouw rekening gehouden met een passend ensemble met de bestaande bebouwing.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Beoordeling van de plannen:
Op een locatie gelegen aan de Rammelbeekweg 21 te Lattrop-Breklenkamp, kadastraal bekend gemeente: Denekamp, Sectie: N nummer(s): 1220 is op 7 augustus 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 8.
De locatie betreft een agrarisch bedrijf in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. Op het perceel zijn een historische woonboerderij, twee bedrijfswoningen en meerdere schuren aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens het omgevingsplan te wijzigen, een deel van de agrarische bebouwing te slopen en hier één compensatiewoning met bijgebouw te realiseren.
Eindconclusie bodemonderzoek
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieu hygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Resumerend
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Waterparagraaf ‘toekomstgericht waterbeheer’
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Watertoetsproces
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 15-09-2025 de digitale watertoets uitgevoerd voor de locatie. Bijgevoegd in Bijlage 9.
De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de korte procedure volstaat voor dit plan en dit is door het waterschap Vechtstromen per mail bevestigd op
16-09-2025. Een korte uitwerking voor de waterhuishouding volgt daarom hieronder.
Voor de planlocatie geldt dat het bestaande afvalwatersysteem ook benut wordt in de toekomstige situatie. In de nieuwe situatie is geen sprake van een toename van verharding, waardoor er voor de waterhuishouding geen problemen ontstaan. Hemelwater kan daarbij vertraagd infilteren in de directe omgeving van het erf. Aan de zuidzijde is op hoogtekaarten zichtbaar dat gronden lager liggen ten opzichte van het toekomstig woonerf, waardoor vertraagde afvoer c.q. infiltratie hier goed mogelijk is.
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Met inachtneming van de voorgaande genoemde aandachtspunten hebben de functies en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.
Het aspect water vormt met inachtenming van vorenstaande geen belemmering voor het planvoornemen.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ‘niet onredelijk wordt geacht’. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
De spuitvrije zone is opgelegd rondom de nieuwe woonfunctie aan de Rammelbeekweg. Voor de huidige woningen geldt dat sprake is van een bestaande ongewijzigde situatie.
Conclusie
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegelaten binnen een zone van 50 meter bij gevoelige functies. Met het aanbrengen van deze beperking is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de nieuwe woonfunctie. Voor de bestaande agrarische bedrijfswoningen geldt dat er geen spuitvrijezone op wordt genomen omdat de bedrijfswoningen onderdeel zijn van het agrarisch bedrijf, en de omliggende gronden in eigendom van initiatiefnemer. Initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Rammelbeekweg 21 in LAttrop-Breklenkamp waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIRAMMLBKWEG21-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocaties opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functie:
Is overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege met resterende bouwmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf. De betreffende functie valt verder binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het te verwijderen deel van het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden aldaar bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten voor zover nodig.
Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied
De locaties van de compensatiewoning is voorzien van een woonfunctie. De planregels komen vanuit het omgevingsplan van rechtswege en zijn op enkele punten gespecificeerd op de planvorming.
De nieuwe woning en het inpandig bijbehorende bouwwerk waar nodig zijn specifiek aangeduid om zo de beoogde erfsituatie vorm te geven.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 7 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 8 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik, gewasbeschermingsmiddelen en overige activiteiten.