| Plan: | Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMBUIKORENMWEG18-VG01 |
Aan de Oude Broekweg te Rossum (hierna ‘bouwlocatie’ genoemd) heeft de initiatiefnemer de wens om een bijbehorend bouwwerk te realiseren voor opslag ten behoeve van zijn bedrijf. De initiatiefnemer detacheert werknemers in de agrarische dienstverlening. Om het bijbehorende bouwwerk te realiseren zal de initiatiefnemer gebruik maken van de schuur-voor-schuur regeling. De benodigde sloopmeters (260 m2) worden verkregen aan de Korenmorsweg 16-18 te Lattrop (hierna ‘slooplocatie’ genoemd). Op de bouwlocatie is de initiatiefnemer voornemens om het erf te spiegelen en de woning te verplaatsen. Met het verplaatsen van de woning wordt er 70 m2 in de woning geïntegreerd. Het nieuw te realiseren bijbehorende bouwwerk krijgt een oppervlakte van 180 m2. Om het erf op de slooplocatie in balans te houden zal de kapschuur verplaatst worden naar de locatie van de te slopen schuur.
Het voorliggende plan is strijdig met het Omgevingsplan van de gemeente Dinkelland door het maximaal toegestane vierkante meters voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Daarnaast is in het omgevingsplan onder de functie 'Wonen' de regel opgenomen dat een beroeps/ bedrijfsoppervlakte van 50 m2 of meer in strijd is met de geldende regels.
Om het voorgenomen plan mogelijk te maken dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-IMRO Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
De slooplocatie ligt aan de Korenmorsweg 18 in het buitengebied van gemeente Dinkelland. De slooplocatie ligt op circa 1,77 km ten zuidoosten van de kern Lattrop en op circa 2,39 km ten noordoost van de kern Noord Deurningen. De omgeving van de slooplocatie bestaat voornamelijk uit agrarische gronden van agrarische bedrijven. De slooplocatie staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie N, nummers 1431 en 1421. Figuur 1.1 geeft globaal de ligging van de slooplocatie weer.
Figuur 1.1 Luchtfoto slooplocatie, plangebied in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
De bouwlocatie is gelegen aan de Oude Broekweg 4 in het buitengebied van gemeente Dinkelland. De bouwlocatie ligt op circa 1,87 km ten noorden van de kern Rossum. De omgeving van de bouwlocatie bestaat voornamelijk uit agrarische gronden van agrarische bedrijven. De bouwlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie U, nummers 292 en 320. Figuur 1.2 geeft globaal de ligging van de bouwlocatie weer.
Figuur 1.2 Luchtfoto bouwlocatie, plangebied in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het Omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het Omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het Omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het Omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het Omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het Omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het Omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het Omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het Omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het Omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Voorliggende ontwikkeling maakt gebruik van de beleidsregeling Buitengebied met kwaliteit waarin de schuur-voor-schuur regeling is opgenomen. Voorliggend plan voorziet in een slooplocatie en een bouwlocatie.
Situatie Korenmorsweg 18 (slooplocatie)
De locatie aan de Korenmorsweg 18 betreft de slooplocatie waar één schuur van 260 m² wordt gesloopt. De agrarische functie blijft hierbij bestaan. De slooplocatie ligt in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. De oorspronkelijke boerderij is niet meer bewoond en door de bouw van extra woningen en schuren is het niet langer herkenbaar als hoofdgebouw. Er is min of meer een rij aan gebouwen ontstaan waardoor er geen sterk erfensemble is. Het kunnen even goed twee erven naast elkaar zijn. In figuur 2.1 is een luchtfoto van het projectgebied aan de Korenmorsweg 18 weergegeven.
Figuur 2.1 Luchtfoto planlocatie Korenmorsweg 18 (Bron: PDOK viewer)
Situatie Oude Broekweg 4
De locatie aan de Oude Broekweg 4 betreft de bouwlocatie waar één nieuw bijbehorend bouwwerk gerealiseerd wordt. De bouwlocatie ligt in het buitengebied van Rossum. De kenmerkende houtopstanden langs de wegzijde zijn deels nog aanwezig. Vermoedelijk heeft de oude boerderij haaks op de weg gestaan met de kopgevel richting het landschap en de achterzijde richting de weg. Daar stonden ook de schuren c.q. staat nog steeds een oude schuur en zware eiken. Naar alle waarschijnlijkheid is de boerderij later afgebroken en maakte plaats voor een woonhuis. Deze is parallel aan de weg gelegen, maar nog steeds is er sprake van een passende erfopzet met een duidelijke hiërarchie. De woning ligt min of meer voor op de daarachter gelegen bijbehorende bouwwerken. In figuur 2.2 is een luchtfoto van het projectgebied weergegeven.
Figuur 2.2 Luchtfoto planlocatie Oude Broekweg 4, globaal in rood omkaderd (Bron: PDOK viewer)
Aan de Oude Broekweg (hierna ‘bouwlocatie’ genoemd) heeft de initiatiefnemer de wens om een bijbehorend bouwwerk te realiseren voor opslag ten behoeve van zijn bedrijf. Met de realisatie van de schuur wordt ook het bedrijf toegestaan onder de woonfunctie. De initiatiefnemer detacheert werknemers in de agrarische dienstverlening. Om het bijbehorende bouwwerk te realiseren zal de initiatiefnemer gebruik maken van de schuur-voor-schuur regeling en wordt er planologisch een bedrijf toegestaan. In de huidige situatie zijn er 3 schuren aanwezig. In de nieuwe situatie is er ook sprake van 3 schuren. Één van deze schuren zal worden ingezet voor een bedrijf ten behoeve van stalling van agrarische werktuigen en het koebad. De totale oppervlakte van het bedrijf zal 175 m2 zijn. De overige ruimte wordt ingezet voor persoonlijke opslag. De benodigde sloopmeters (260 m2) worden verkregen aan de Korenmorsweg 16-18 te Lattrop (hierna ‘slooplocatie’ genoemd). Op de bouwlocatie is de initiatiefnemer voornemens om het erf te spiegelen en de woning te verplaatsen. na het doorlopen van de schuur-voor-schuur-regeling zal het erf in de toekomst in totaal 545 m² aan bijbehorende bouwwerken hebben.
Op de slooplocatie wordt een bijbehorend bouwwerk verplaatst naar de zijkant van de woning. De initiatiefnemer is voornemens om één bijbehorend bouwwerk te slopen. Het gaat om een oude varkensschuur die al enkele jaren buiten gebruik is. Deze schuur beslaat een oppervlakte van 260 m2. De nieuwe situaties zijn te zien in figuur 2.3 en 2.4.
Oude Broekweg 4
Het erf is gelegen in een dekzandvlakte met dekzandwelvingen. Het gaat om een heideontginning, waarbij het erf een herkenbare orthogonale opzet kent. De huidige woning is parallel aan de weg gelegen, maar mogelijk heeft de oorspronkelijke boerderij er haaks op gelegen. De woning vormt wel de voorzijde van het erf met de rest van de gebouwen erachter, achter de achtergevel. De beplanting op het erf en in de directe omgeving zorgen nog altijd voor een goede herkenning van het omliggende landschap.
In de nieuwe situatie (figuur 2.3) zal de nieuwe woning (A) met de voorgevel naar de noordzijde gericht zijn. Ondanks het verplaatsen van de woning zijn er geen consequenties voor de hiërachie op het erf: de woning blijft de voorzijde van het erf en achter de woning zijn de bijbehorende bouwwerken gelegen die samen het erf vormen. Er is opnieuw sprake van een compact erfensemble, maar in tegenstelling tot de huidige situatie is de binding tussen de gebouwen sterker geworden. Dat geldt met name voor het bijbehorende bouwwerk aan de oostzijde.
Het bestaande karakteristieke bijgebouw aan de weg (B) blijft behouden en vormt ook in de nieuwe situatie de entree van het erf. De bestaande haag (E) en de robuuste houtopstand (H) worden behouden en met het toevoegen van een vijftal solitaire bomen op het erf is het nieuwe erfensemble goed ingepast in het omliggende landschap.
Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken worden de volgende maatregelen getroffen:
Figuur 2.3 Nieuwe situatie Oude Broekweg 4 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Korenmorsweg 18
Om het erf in balans te houden zal de kapschuur verplaatst worden naar de locatie van de te slopen schuur. Dit zorgt ervoor dat er geen ‘doorkijk’ op het erf ontstaat en voorkomt dus ook dat de woning afgezonderd zou raken. Het verplaatsen zorgt ervoor dat er sprake blijft van een compact erfensemble.
Het omliggende landschap is in de loop der jaren drastisch verloren gegaan. Een kleinschalig en gesloten landschap is ingeruild voor een grootschalig en open landschap. Herstel van het kleinschalige is niet mogelijk. De houtopstanden (D) langs de Korenmorsweg blijven behouden. De aanwezige laurierbeplanting wordt vervangen door een haag met een inheemse soort (H) als beuk, liguster of Spaanse aak. De bestemming is en blijft “Agrarisch – 1”, zie figuur 2.4.
Figuur 2.4 Nieuwe situatie Korenmorsweg 18 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Concreet worden de volgende activiteiten veranderd in de voorliggende aanpassing van het Omgevingsplan:
Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. Elke gemeente heeft met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, welke bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit:
Het nieuwe deel van het omgevingsplan is eerst nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht. De regels in het nieuwe deel komen deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijk deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Het wijzigingen/vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan kan ook thematisch gebeuren. Deze overgangsfase duurt tot eind 2031.
De projectlocaties zijn gelegen binnen het plangebied van omgevingsplan 'Gemeente Dinkelland' met als onderdelen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland'. Het perceel aan de Oude Broekweg 4 kent enkel de functie 'Wonen', zie figuur 3.1. Het perceel aan de Korenmorsweg 18 heeft de functie 'Agrarisch -1' met de functie aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning' en 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf', zoals te zien is in figuur 3.2.
Figuur 3.1 Uitsnede omgevingsplan, planlocatie aan de Oude Broekweg 4 in rood gemarkeerd (Bron: regels op de kaart)
Figuur 3.2 Uitsnede omgevingsplan, planlocatie aan de Korenmorsweg 18 in rood gemarkeerd (Bron: regels op de kaart)
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor de functie wonen met daaraan ondergeschikt tuinen, erven en terreinen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Voor wat betreft de bouwregels geldt dat er maximaal 100 m² aan bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan.
De voor 'Agrarisch -1' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor het agrarisch gebruik.
Het voorliggend initiatief is strijdig met het omgevingsplan, omdat het maximale aantal vierkante meters voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken is bereikt op het perceel aan de Oude Broekweg 4. Daarnaast is een bedrijfsfunctie met meer dan 50 m2 (bedrijfs- en beroep aan huis) niet toegestaan. Om het woonhuis te vergroten en een nieuw bijbehorend bouwwerk te realiseren moet er worden afgeweken van het omgevingsplan. Wijzigingsbevoegdheden zijn vervallen onder de Omgevingswet. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er af geweken te worden van het omgevingsplan. In deze TAM-Omgevingsplan wordt aangetoont dat het plan voldoet aan de vereisten van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt een aantal regels op rijksniveau. Deze regels verhuizen naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'.
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen geen milieubelastende activiteiten. Zodoende zijn de regels niet van toepassing.
De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in hoofdstuk 4 van dit TAM-omgevingsplan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven van de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
Volgens de NOVI moet landgebruik in balans worden gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijke gebied. Nieuw te ontwikkelen gebieden mogen niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een landelijk gebied waar het prettig wonen en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor vitale landbouw.
Met voorliggend plan wordt een oude landschapsontsierende schuur gesloopt aan de Korenmorsweg 18 en wordt een nieuw bijbehorend bouwwerk ten behoeve van het bedrijf aan huis gerealiseerd aan de Oude Broekweg 4. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse. Door het slopen van de schuur aan de Korenmorsweg 18 zal per saldo een verbetering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvinden. Tevens draagt het te bouwen bijbehorende bouwwerk bij aan een prettige woon en leefomgeving op het erf aan de Oude Broekweg 4, nu en in de toekomst. Er wordt voldaan aan de uitgangspunten zoals omschreven in de NOVI.
Provinciale Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toets
Onderhavig plan betreft het mogelijk maken van een nieuw groter bijbehorend bouwwerk van 180 m2 aan de Oude Broekweg. Met een erfinrichtingsplan wordt geborgd dat er sprake blijft van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, zoveel mogelijk in aansluiting op het huidige erf.
Ter compensatie van het voornemen wordt binnen de gemeente Dinkelland landschapontsierende bebouwing gesloopt (in totaal 260 m²). Per saldo neemt de bebouwing dan ook af in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, doordat deze bouwmogelijkheden planologisch worden wegbestemd. Derhalve kan gesteld worden dat het voornemen voldoet aan de uitgangspunten van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 4.6 Toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Toets
Met voorliggend plan wordt aan de Korenmorsweg 18 een bijbehorend bouwwerk gesloopt, om op de Oude Broekweg 4 een (kleiner) bijbehorend bouwwerk voor het voeren van bedrijfsmatige activiteiten aan huis terug te bouwen. Met de afname van verharde oppervlakte en het bieden van ruimte om bedrijfsmatige activiteiten uit te voeren wordt er bijgedragen aan het welzijn van mensen en economische welvaart. Dit levert een bijdrage aan het welzijn van mensen en heeft ook voor de langere termijn een positieve impact op o.a. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Er wordt voldaan aan het principe van toekomstbestendigheid.
Artikel 4.8 Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Toets
Onderhavig plan betreft het slopen van landschapontsierende bebouwing aan de Korenmorsweg 18 in Lattrop. Ter compensatie wordt aan de Oude Broekweg 4 in Rossum een nieuw bijbehorend bouwwerk teruggebouwd. Voor de betrokken locaties is een landschapsplan opgesteld. Het landschapsplan voor de Korenmorsweg 18 is opgenomen in Bijlage 3 en het landschapsplan voor de Oude Broekweg 4 in Bijlage 4. Met de beoogde ontwikkeling neemt de ruimtelijke kwaliteit op de betrokken locaties toe. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voornemen een postieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied van de gemeente Dinkelland.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. In voorpliggend project zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van toepassing. In figuur 4.2 en 4.3 zijn fragmenten van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, locatie Korenmorsweg 18 aangegeven met rode kruis (Bron: provincie Overijssel)
Figuur 4.3 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, locatie Oude Broekweg 4 aangegeven met rode kruis (Bron: provincie Overijssel)
Zowel het erf aan de Korenmorsweg 18 als het erf aan de Oude Broekweg 4 bevinden zich in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Ambitie binnen dit perspectief is om voort te bouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities van een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel en een continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Op het erf aan de Korenmorsweg 18 bevindt zich een landschapsontsierende schuur welke gesloopt zal worden. In plaats hiervoor wordt aan de Oude Broekweg 4 een nieuw bijbehorend bouwwerk opgericht voor het bedrijf aan huis. Dit bedrijf is ter behoeve van de stalling van agrarische werkvoertuigen en het koebad. Het bedrijf zal een totaal oppervlak van 175 m2 in beslag nemen in de bijgebouwen. Met de sloop en verplaatsen van de schuur aan de Korenmorsweg 18 blijft de ruimtelijke kwaliteit behouden op het erf. Met het plaatsen van een nieuw bijbebehorend bouwwerk aan de Oude Broekweg wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke identiteit van het buitengebied. Voorliggend plan is in lijn met ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het plangebied (beide erven) het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' zie figuur 4.4 en 4.5.
Figuur 4.4 Uitsnede gebiedskenmerk, planlocatie Korenmorsweg 18 onder rode kruisje (Bron: provincie Overijssel)
Figuur 4.5 Uitsnede gebiedskenmerk, planlocatie Oude Broekweg 4 (Bron: provincie Overijssel)
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie van de provincie Overijssel is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
Toets
Op beide locaties is reeds bebouwing aanwezig. Er zijn hierdoor geen kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen (meer) aanwezig. De ontwikkeling heeft beperkte invloed op de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Korenmorsweg 18
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kernmerk 'Maten en flierenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 4.6 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 4.6 Uitsnede gebiedskenmerk, planlocatie Korenmorsweg 18 (Bron: provincie Overijssel)
Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden.
Oude Broekweg 4
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kernmerk 'Jong heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 4.7 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 4.7 Uitsnede gebiedskenmerk, planlocatie Oude Broekweg 4 (Bron: provincie Overijssel)
De grote oppervlakte aan voormalige natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels ongezoomd door boscomplex.
De ambitie van de provincie Overijssel is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijke raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken.
Toets
Op de planlocatie aan de Korenmorsweg 18 word één schuur gesloopt en één schuur verplaatst. Hierdoor wordt er meer ruimte geboden aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap. De ontwikkeling heeft een positieve invloed op de natuurlijke laag.
Bij voorliggend plan is sprake van het herpositioneren van een bestaand erf aan de Oude Broekweg 4. Bij het opstellen van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap zodat de maatregelen een versterking van het landschap tot gevolg hebben. Er is geen sprake van afbreuk aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Laag van beleving
Korenmorsweg 18
De laag van beleving kent het kernmerk 'Donkerte' aan het gebied toe. In figuur 4.8 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 4.8 Uitsnede gebiedskenmerk 'Donkerte', plangebied onder rode kruisje (Bron: provincie Overijssel)
Oude Broekweg 4
De laag van beleving kent het kernmerk 'Donkerte' aan het gebied toe. In figuur 4.9 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 4.9 Uitsnede gebiedskenmerk 'Donkerte' (Bron: provincie Overijssel)
In gebieden met het kenmerk 'Donkerte' wordt het 's nachts nog echt donker en kan men de sterrenhemel waarnemen. Het zijn relatief dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is om de huidige 'donkere ‘gebieden, tenminste even donker te houden, of bij nieuwe ontwikkelingen nog liever wat donkerder te maken.
Toets
Op zowel de sloop als ook de bouwlocatie geldt het gebiedskenmerk donkerte. Door een schuur te slopen, één nieuwe schuur te realiseren, de woning aan de Oude Broekweg verplaatsen binnen het bouwvlak en het toestaan van een bedrijf binnen de woonfunctie wordt er geen afbreuk gedaan aan het donkerte in de omgeving.
De 'Stedelijke laag' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-Omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manier van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben.
Speerpunten
Situatie plangebieden
Korenmorsweg 18
Om te zien wat in de omgeving belangrijk is heeft de gemeente Dinkelland een waardenkaart opgesteld. Het plangebied aan de Korenmorsweg 18 ligt volgens de waardenkaart in het lichtgroen gekleurde landschap. Dit is de waarde gericht op ontwikkeling, zoals te zien is in figuur 4.8.
Oude Broekweg 4
Het plangebied ligt volgens de waardenkaart in de donkergroene zone. Deze zone is gericht op behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek. Zoals te zien is in figuur 4.9.
Toets
Figuur 4.8 Uitsnede waardenkaart omgevingsvisie gemeente Dinkelland, locatie Korenmorsweg 18 gelegen in de waarde 'Gericht op ontwikkeling' (Bron: gemeente Dinkelland)
Figuur 4.9 Uitsnede waardenkaart omgevingsvisie gemeente Dinkelland, locatie Oude Broekweg 4 gelegen in de waarde 'Gericht op behouden' (Bron: gemeente Dinkelland)
Voorliggend plan heeft betrekking op de sloop van een agrarisch bedrijfsgebouw aan de Korenmorsweg 18 en de nieuwbouw van een bijbehorend bouwwerk aan de Oude Broekweg 4. Om een nieuw bijgebouw te realiseren aan de Oude Broekweg 4 zijn zogenaamde sloopmeters benodigd. Aan de Korenmorsweg 18 wordt landschapsontsierende bebouwing verwijderd waardoor vervolgens, middels de uitruil van sloopmeters naar bouwmeters, een vergroot bijbehorend bouwwerk kan worden gerealiseerd.
Ter plaatse van het plandeel Korenmorsweg 18 vinden kleinschalige sloop- en bouwwerkzaamheden plaats waarbij, gezien de reeds aanwezige bebouwing, weinig impact plaatsvindt op de omgeving. Tevens wordt het plangebied aan de Oude Broekweg 4 landschappelijk ingepast, zoals te zien is in Bijlage 4. Door de sloop van de landschapontsierende bebouwing elders, sloop en vervolgens de bouw van een bijbehorend bouwwerk wordt het betreffende perceel toekomstbestendig ingericht naast een verbetering plaatsvindt in het buitengebied.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Dinkelland en geen negatieve invloed uitoefent op de omgeving.
De gemeenteraad van Dinkelland heeft in 2022 het beleidskader 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld. De gemeente streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Hiervoor beschikte zij over verscheidene beleidsregelingen zoals Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Door de jaren heen zijn deze regelingen ingewikkelder geworden, in het beleidskader zijn de verscheidene beleidsregelingen op onderdelen geactualiseerd en aangevuld.
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregel bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderszijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische)ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen' gelden de volgende voorwaarden:
| Extra oppervlakte | Sloopverhouding met asbesthoudende golfplaten | Sloopverhouding zonder asbesthoudende golfplaten |
| Tot en met 100 m2 | 1 m2 extra is 1 m2 sloop | 1 m2 extra is 2 m2 sloop |
| 101 m2 tot en met 500 m2 | 1 m2 extra is 2 m2 sloop | 1 m2 extra is 4 m2 sloop |
| 501 m2 en meer | 1 m2 extra is 3 m2 sloop | 1 m2 extra is 5 m2 sloop |
Bedrijfsmatige activiteiten
Het is mogelijk om binnen de functie ‘Wonen’ bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Niet elk nieuwe functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de nieuwe functie op de omgeving een rol speelt.
Voor het toestaan van bedrijfsmatige activiteiten binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden:
Toets
Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken wordt het beleidskader 'Buitengebied met Kwaliteit' toegepast. Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt het realiseren van een nieuw bijgebouw mogelijk aan de Oude Broekweg 4. Aan de Korenmorsweg 18 wordt er in totaal 260 m2 aan landontsierende bebouwing met asbesthoudende golfplaten gesloopt. Hiervoor wordt er aan de Oude Broekweg 4 een extra bijgebouw gerealiseerd van 180 m2, daarnaast wordt er 70 m2 aan de woning toegevoegd bij het herbouwen van de woning. Voor het overige wordt op voorhand voldaan aan de voorwaarden die binnen de schuur voor schuur regeling gesteld worden. De sloopschuren hebben geen betekenisvolle cultuurhistorische waarde en er is in dit geval sprake van een gedeeltelijke sloop van de opstallen op de betrokken locaties. Het resterende erf wordt door middel van een landschapsplan landschappelijk ingepast. De functie aan de Korenmorsweg blijft ongewijzigd ('Agrarisch-1'). De functie aan de Oude Broekweg blijft 'Wonen'.
Aan de Oude Broekweg wordt een bedrijf toegestaan die een groter oppervlak heeft als 50 m2. Dit bedrijf staat in het teken van detachering en het stallen van een koebad er vind geen buitenopslag plaats. Er is met de voorgenomen activiteiten geen sprake van productiegebonden detailhandel. Het totale oppervlak van het bedrijf is 175 m2. Hiermee wordt er voldaan aan de gestelde voorwaarden van bedrijfsmatige activiteiten.
Geconcludeerd wordt dat onderhavig plan voldoet aan alle voorwaarden van het Buitengebied met kwaliteit beleid.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets
Korenmorsweg 18
Op de slooplocatie is aan de noordzijde een casco element te vinden. Echter, de ontwikkeling van het erf zal geen gevolgen hebben voor dit bestaande casco element. Deze zal behouden blijven, zoals te zien is in figuur 4.10.
Figuur 4.10 Uitsnede casco kaart, locatie Korenmorsweg 18 (Bron: provincie Overijssel)
Oude Broekweg 4
Op de planlocatie is geen sprake van een casco element rondom het erf. De voorgenomen ontwikkeling zal geen gevolgen hebben met betrekking tot de cascobenadering.
Figuur 4.11 Uitsnede casco kaart, locatie Oude Broekweg 4 (Bron: provincie Overijssel)
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente'.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.
Zowel de bouwlocatie als ook de slooplocatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'Buitengebied - Niveau Midden', zie figuur 4.12 en figuur 4.13. Voor beide locaties staat het behoud en respect van de omgeving hoog in het vaandel. Voor het voorliggende plan is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld om rekening te houden met de omgevingswaarden. Dit kwaliteitsplan is te zien in Bijlage 5. Er word rekening gehouden met de erfensamble en het uiterlijk van de schuren en woningen. Hiermee kan worden gesteld dat er wordt voldaan aan de Nota Omgevingskwaliteit van de gemeente Dinkelland.
Figuur 4.12 Uitsnede kaart omgevingskwaliteit, plangebied van de bouwlocatie globaal in rood omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Figuur 4.13 Uitsnede kaart omgevingskwaliteit, plangebied van de slooplocatie globaal in rood omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Hier in gaan op de wijze waarop hogere overheden of andere stakeholders (veiligheidsregio, waterschap) zijn meegenomen in het vooroverleg. Uit dit overleg moet blijken of er hogere belangen zijn gediend en/of er specifieke aandachtspunten zijn ten aanzien van het voornemen.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld van ruimtelijke initiatieven waarvoor geen vooroverleg (voorkantsamenwerking) noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie woningbouw in het buitengebied (de Groene omgeving). Vooroverleg is niet noodzakelijk bij geheel of gedeeltelijke vernieuwing, vervanging of verandering van een bestaande en bestemde (bedrijfs)woning en/of van een bijbehorend bijgebouw als dit plaatsvindt binnen een straal van 10 meter van de bestaande woning.
Op 19 februari 2025 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
Beoordeling plannen:
Zowel de bewoners van het perceel aan de Korenmorsweg 18 als de Oude Broekweg 4 hebben de omgeving geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. De bevindingen zijn uitgewerkt in een beknopt participatieverslag. De verslagen zijn opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 2.
Omwonenden vinden de plannen van de initiatiefnemer begrijpelijk en hebben geen bezwaar tegen de plannen. Tevens zijn er geen suggesties voor planaanpassingen. Daarmee heeft participatie met de direct betrokkenen voldoende plaatsgevonden.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen.
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Voorliggend plan heeft betrekking op het slopen en nieuw realiseren van een schuur en het toestaan van een bedrijf aan huis onder de woonfunctie aan de Oude Broekweg 4. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. Er is sprake van een planologische functie wijziging waardoor op basis van jurisprudentie (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075) geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Behoefte
In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht.
De aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling zijn bepalend voor de reikwijdte van het onderzoek naar de behoefte, de beschrijving van en het overleg over de behoefte. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio.
Bestaand stedelijk gebied
Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
De vraag dient beantwoord te worden of er met het slopen en herplaatsen van één schuur sprake is van een “stedelijke ontwikkeling” zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Lid 1 van artikel 5.129g Bkl geldt alleen voor ontwikkelingen die als voldoende substantieel is aangemerkt
Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL: RVS: 2017:1724) geldt er in beginsel bij het toevoegen van een terrein met een (nieuw) ruimtebeslag van meer dan 500 vierkante meter Bruto vloeroppervlak in beginsel aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling mits voldoende substantieel van aard. Wanneer deze onder grens niet wordt gehaald wordt de ontwikkeling niet als voldoende substantieel aangemerkt.
Met voorliggend plan word er in totaal 260 m2 aan schuur gesloopt aan de Korenmorsweg 18. Daarvoor wordt er aan de Oude Broekweg 4 een extra bijbehorend bouwwerk van maximaal 180 m2 gerealiseerd.
Gelet op het vorenstaande is onderhavig project derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet als substantieel aan te merken zoals bedoeld in artikel 5.129 Bkl.
Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.
De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Toets
Beoordelen of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Dit project heeft betrekking op het slopen en realiseren van een bijbehorend bouwwerk. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
In kolom 1 van bijlage V van het Ob, wordt het slopen en herbouwen van één schuur en het toevoegen van oppervlakte van één woning niet expliciet genoemd. De meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt er in beginsel bij het toevoegen van een terrein met een (nieuw) ruimtebeslag van meer dan 500 vierkante meter Bruto vloeroppervlak in beginsel aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling mits voldoende substantieel van aard. Wanneer deze onder grens niet wordt gehaald wordt de ontwikkeling niet als voldoende substantieel aangemerkt.
Met voorliggend plan word er in totaal 260 m2 aan bijbehorende bouwwerken gesloopt aan de Korenmorsweg 18. Daarvoor wordt er aan de Oude Broekweg 4 een extra bijbehorend bouwwerk van maximaal 180 m2 gerealiseerd. Het bijbehorende bouwwerk zal o.a. gebruikt worden als opslag voor het bedrijf van de initiatiefnemer (detachering van personeel in de agrarische sector). In totaal zal het bedrijf 175 m2 van de nieuwe schuur in beslag nemen. De overige m2 wordt in gebruik genomen als privé opslag. Om het bedrijf toe te staan wordt er een functiewijziging doorgevoerd.
Gelet op het vorenstaande is onderhavig project derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet als substantieel aan te merken zoals bedoeld in artikel 5.129 Bkl.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
De twee erven worden ontsloten via de Korenmorsweg en Oude Broekweg. Beide wegen hebben een regime van 60 km/u. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen niet of in beperkte mate toe. Gezien geen toename of in beperkte mate toename van verkeersgeneratie wordt verwacht kan geconcludeerd worden dat het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Aan de Oude Broekweg 4 wordt er een nieuwe schuur ter behoeve aan een bedrijf aan huis toegestaan. De schuur heeft een oppervlakte van 180 m2, waarvan 175 m2 ten behoeve van het bedrijf worden ingezet. Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland moet er voor een loods 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO gerealiseerd worden. Voor de volgende ontwikkeling zouden er 1,8 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op het erf is voldoende ruimte om deze parkeervraag op te vangen, zoals ook te zien is in Bijlage 4. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor het voorliggend plan.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Korenmorsweg 18
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' en ligt op een afstand van circa 1,56 km van de planlocatie aan de Korenmorsweg 18. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.1.
Voorliggend project voorziet in het slopen en realiseren van één bijbehorend bouwwerk. Aan de Korenmorsweg 18 wordt er een bijbehorend bouwwerk gesloopt van 260 m2. Bij de sloop van een stal van 20 x 40 meter komt nauwelijks stikstof vrij. Gelet op de grootte van het project en de afstand tot het Natura 2000-gebied kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden voor het gebied 'Bergvennen & Brecklenkampse veld'.
Figuur 5.1 Uitsnede Natura 2000-kaart, plangebied onder de blauwe icoon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Oude Broekweg 4
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek' en ligt op een afstand van circa 200 m van de planlocatie aan de Oude Broekweg 4. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.2. Voorliggend project voorziet in het vervangen van de woning en de realisatie van een nieuw bijbehorend bouwwerk. De nieuwe situatie verbeterd ten opzichte van de huidige situatie door gasloze bebouwing. Gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieronder staan de belangrijkste conlusies:
Voor de ontwikkel fase onstaat er een uitstoot van 0,01 kg/j Nh3 en 1,9 kg/j NOx.
Voor de gebruiksfase ontstaat er een uitstoot van 0,0 kg/j Nh3 en <0,1 kg/j NOx.
Er wordt geen significante toename aan stikstof uitstoot gemeten. De gehele berekening is te lezen in Bijlage 8 en Bijlage 9.
Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden voor het gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek'.
Figuur 5.2 Uitsnede Natura 2000-kaart, plangebied onder de blauwe icoon (Bron: Atlas leefomgeving)
Conclusie
Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
De plangebieden behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeven voorgenomen initiatieven niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Conclusie
De plangebieden liggen op minimaal 20 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
In het kader van de ontwikkeling is natuuronderzoek uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, de bijbehorende rapportages zijn bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 6 Quickscan natuurwaarden. Onderstaand zijn de conclusies opgenomen van de quickscan.
Korenmorsweg 18
Aan de in Korenmorsweg 18 in Lattrop zijn geen beschermde flora- of fauna aangetroffen.
Oude Broekweg 4
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde dieren hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied en wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.
Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogelsoorten benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk huismussen in de woning en bijbehorende bouwwerken op het terrein. Aangezien nesten van huismussen jaarrond beschermd zijn met er nader onderzoek uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of deze nesten aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van de woning en de bijbehorende bouwwerken.
Daarnaast nestelen er mogelijk vogels in de beplanting rondom de schuur. Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Aanvullend onderzoek huismus
Om te bepalen of er huismussen aanwezig zijn in de te slopen schuur is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd door de Natuurbank Overijssel (projectnummer: 7095). De belangrijkste conclusies zijn hieronder te lezen, het gehele rapport is in Bijlage 7 te lezen.
In mei en juni 2025 is bebouwing aan de Oude Broekweg 4 in Rossum onderzocht op nestplaatsen van huismussen.
Er zijn geen bezette nesten van de huismus vastgesteld binnen het plangebied. Door het slopen van de schuur zal geen overtreding van een verbodsbepaling plaatsvinden.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘Rustig’ (38 dB) en de bovengrens ‘zeer onrustig’ (53 dB).
Aan beide locaties wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegestaan. Echter wordt aan de Oude Broekweg 4 de woning op het perceel verplaatst. Daarbij wordt het bestaande bedrijf uitgebreid en toegestaan. Een uitzendbureau en het verhuren van een koeienbad heeft geen expliciet SBI nummer. Hierdoor wordt er aansluiting gezocht bij Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren, SBI-nummer 941, 942). Deze hebben een milieucategorie van 1. Gelet op de richtafstanden voor een bedrijf in de categorie 1 vormt het bedrijf geen belemmering voor de te verplaatsen woning.
Het perceel aan de Oude Broekweg 4 ligt in de geluidscontour van de Ootmarsumsestraat. De geluidsbelasting op de gevel is 47 dB volgens de wegverkeerkaart op atlas leefomgeving, zie figuur 5.3. Hiermee wordt de standaardwaarde van 50 dB zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Bkl niet overschreden. Aan de Korenmorsweg 18 word een schuur gesloopt en verplaatst. Op deze locatie wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegestaan of verplaatst. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 5.3 Uitsnede wegverkeer, locatie Oude Broekweg 4 onder blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving)
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat.
Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld:
Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Voor Dinkelland is er lokaal beleid ten aanzien van geur afkomstig van veehouderijen opgesteld in de Geurgebiedsvisie en de Geurverordening.
Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering. Bij deze toets kan de Geurverordening van Dinkelland van belang zijn.
Toets
Met voorliggend plan wordt geen nieuwe geur gevoelige functie toegestaan of gerealiseerd. Aan de Oude Broekweg wordt met voorliggend plan een bijbehorend bouwwerk geplaatst en een woning verplaatst. Deze woning ligt op een afstand van circa 280 meter van het dichtsbijzijnde agrarische perceel, aan de Weustmorsweg 2. Dit perceel heeft momenteel echter geen bedrijfsmatige agrarische functie meer. Daarbijt geldt dat voor zowel de huidige situatie als ook in de nieuwe situatie de afstand niet kleiner wordt. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstanden die gesteld zijn in artikel 5.110 tot artikel 5.112 van het Bkl. Verdere toetsing aan het aspect 'Geur' wordt niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geur geen belemmering voor het voorliggende plan.
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Situatie plangebied
Risicokaart
Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 5.4 Uitsnede risicokaart, planlocatie Korenmorsweg 18 in rood omcirkeld (Bron: Atlas Leefomgeving)
Op basis van de risicokaart Nederland (figuur 5.4) zijn er in de directe omgeving van de Korenmorsweg 18 geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 715 meter en betreft een mestvergisting.
Figuur 5.5 Uitsnede risicokaart, planlocatie Oude Broekweg 4 onder blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Op basis van de risicokaart Nederland (figuur 5.5) zijn er in de directe omgeving van de Oude Broekweg 4 geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 666 meter en betreft een brandaandachtsgebied van een buisleiding.
Gezien de onderlinge afstanden en het feit dat de projectgebieden buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobronnen, vormt deze risicobronnen geen belemmering voor dit initiatief.
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen verwacht voor het voorliggende plan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Toets
Met voorliggend project wordt een schuur gesloopt aan de Korenmorsweg 18 en wordt een bijbehorend bouwwerk gebouwd en de woning verplaatst aan de Oude Broekweg 4. Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom de projectgebieden zijn hoofdzakelijk agrarische gronden of woningen gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen behoort tot één van de uitzonderingen.
Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. In de bestaande situatie is er reeds sprake van een trillingevoelig functie er wordt dus geen nieuw trillinggevoelig gebouw toegelaten.
Conclusie
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Archeologie
Korenmorsweg 18
Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat er een lage en hoge archeologische verwachting op het plangebied aan de Korenmorsweg 18 ligt. Zoals te zien is in figuur 5.6.
Figuur 5.6 Uitsnede archeologische waardenkaart, planlocatie in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Het plangebied bevindt zich in twee verschillende zones. De eerste zone is de 'beekdalen en overige laagten'. Voor deze zone geldt een lage kans op archeologische resten uit alle perioden. Er geldt een uitzondering voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en geldt een uitzondering hiervoor binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones.
De tweede zone is de 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Deze laag is afgedekt door een plaggendek groter dan 50 cm. Hierdoor zijn deze locaties minder gevoelig voor bodemingrepen, maar zijn archeologische resten goed geconserveerd. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en bij een plangebied groter dan 2500 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht.
Oude Broekweg 4
Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat er een middelmatige en hoge archeologische verwachting op het projectgebied aan de Oude Broekweg 4 ligt. Zoals te zien is in figuur 5.7.
Figuur 5.7 Uitsnede archeologische waardenkaart, planlocatie in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Het plangebied bevindt zich in twee verschillende zones. De eerste zone is de 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Voor deze zone geldt een middelmatige kans op archeologische resten uit alle perioden. Er geldt een verplichting tot onderzoek bij plangebieden groter dan 5000 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm.
De tweede zone is de 'dekzandhoogten en -ruggen'. Voor deze zone geldt een hoge kans op archeologische resten uit alle perioden. Ze verwachten archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor zijn deze gebieden kwetsbaar voor bodemingrepen. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen bij plangebieden groter dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm er een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
Voor zowel de locatie aan de Korenmorsweg en de Oude Broekweg geldt dat het plangebied kleiner is dan 2500 m2. Hiermee is een archeologisch onderzoek uitgesloten. Daarnaast vinden de werkzaamheden op reeds verstoorde grond plaats van eerdere bebouwing. Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.
Cultuurhistorie
Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Situatie plangebied
In opdracht van initiatiefnemer heeft Dumea verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd aan de Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 10 en Bijlage 11. Met voorliggend plan word een schuur gesloopt, verplaatst en één bijbehorend bouwwerk nieuw gebouwd. Daarnaast word één woning nieuwgebouwd. De resultaten van de verkennende bodemonderzoeken zijn als volgt:
Korenmorsweg 16
Op een locatie gelegen aan de Korenmorsweg 16 te Lattrop, kadastraal bekend gemeente: Denekamp, Sectie: N, nummer(s): 1421 op 7 november 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd.
De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Initiatiefnemer is voornemens twee schuren te slopen en één van deze te verplaatsen. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Gehele locatie
In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en barium aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In het mengmonster is analytisch geen asbest aangetoond.
Druppelzone
Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster DZ1 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Doordat in de SEM-analyse meer dan 10 mg/kg ds asbest in aangetoond dient de verontreiniging met spoed (binnen 4 jaar) gesaneerd te worden.
Mogelijk dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de omvang van de verontreiniging vast te stellen. Dit zal in overleg met bevoegd gezag bepaald moeten worden.
Oude Broekweg 4
Op een locatie gelegen aan de Oude Broekweg 4 te Rossum, kadastraal bekend gemeente:Weerselo, Sectie: U, nummer(s): 320, 292 is op 7 november 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd.
De onderzoekslocatie betreft een landelijk erf met bestemming “wonen” en “agrarisch” in het buitengebied van Rossum. Op de locatie staat een woning met meerdere schuren.
Initiatiefnemer is voornemens een schuur en woning te slopen en een woning en schuur terug te bouwen. Tevens wordt een gedeelte met bestemming agrarisch gewijzigd naar wonen. De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740.
Gehele locatie
In het bovengrondmengmonster en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn geen verhogingen aangetroffen.
Conclusie
De locatie aan de Korenmorsweg 18 wordt, na sanering van de druppelzone, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De locatie aan de Oude Broekweg 4 wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.
In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.
Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Weging van het waterbelang in voorliggend plan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Toets
Op 19 februari 2025 is er een digitale watertoets gedaan. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure toepassing is. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen voorliggen plan. Voor de digitale watertoets wordt verwezen naar Bijlage 12 Digitale watertoets.
Waterhuishouding
Het voornemen loopt geen verhoogd risico op mogelijke wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom de plandelen geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Hierbij is in voorliggende situatie, gelet op het verwijderen van bebouwing, de realisatie van bebouwing en/of planologische wijzigingen sprake van kleinschalige ontwikkelingen die nauwelijks invloed uitoefenen op de waterkwaliteit. Tevens bevinden de plandelen zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd in de grond waarvoor ruimvoldoende infiltratiemogelijkheden binnen de plandelen aanwezig zijn en het afvalwater is aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal vuileenheden niet toe.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Met het ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4’ wordt het slopen van één schuur, het verplaatsen van één schuur, het realiseren van een nieuw bijbehorend bouwwerk en het nieuw bouwen van een woning. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie aan de Korenmorsweg 18 in Lattrop en de Oude Broekweg 4 te Rossum, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIKORENMWEG18-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
Functieomschrijving 'agrarisch-1'
De gronden binnen de functie ‘Agrarisch - 1’ hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. De keuze voor het toekennen van de functie 'Agrarisch - 1' komt mede voort uit het feit dat in het onderhavige plan maatregelen voor landschappelijke inpassing opgenomen zijn. Deze dienen geborgd te worden en dit is vormgegeven door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels.
Functieomschrijving 'wonen'
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'wonen - wonen in het buitengebied' heeft de volgende functie: 'wonen - wonen in het buitengebied', met daaraan ondergeschikt de functies tuinen, erven en terreinen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.