| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMBUIGAMMELKERES4-VG01 |
Er is sprake van nieuwe ontwikkelingen op het voormalig agrarisch erf aan de Gammelkeresweg 4 in Deurningen. Op het betreffende erf is de agrarische bedrijfsmatige functie beëindigd. Er zijn diverse cultuurhistorisch waardevolle gebouwen op het erf aanwezig. De wens is om de karakteristieke boerderij en schuren te behouden en daar reguliere woning(en) en bijgebouw van te maken. Daarnaast is het voornemen om de huidige (niet waardevolle) bebouwing en bedrijfswoning te saneren. Hierbij wordt ook de huidige bedrijfswoning op het erf verplaatst, zodat de cultuurhistorische waardevolle boerderij weer het hoofdgebouw en aangezicht van het erf kan vormen.
De genoemde ontwikkelingen zijn in het huidig omgevingsplan van rechtswege niet zonder meer mogelijk of kunnen niet geborgd worden. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader beoogd om de plannen mogelijk te maken. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling en toetst deze aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afgekort: ETFAL).
Ligging planlocatie
Het plangebied ligt aan de Gammelkeresweg 4 in Deurningen, in het zuidwestelijk deel van het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De locatie Gammelkeresweg 4 staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie W met perceelnummers 0077, 1038 en 1039.
Een topografische kaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het erf en de omliggende gronden die worden betrokken in de herontwikkeling.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebieden (in rood) ten opzichte van omliggende plaats Deurningen (bron: Map5 kaarten)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen.
De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn drie zienswijzen ingediend. De reactienota op de zienswijzen is als Bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
In het buitengebied van Dinkelland is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het erf ligt in een grootschalig dekzandgebied op de samenkomst van het essenlandschap, het matenlandschap en de nabijgelegen voormalige heidevelden. Het erf zelf is gelegen aan de rand van een es, ook wel de ‘Heuveler Esch’ genoemd. De essen- en kampenlandschappen behoren tot de oudste van Nederland. Nadat de grotere essen in gebruik waren genomen, volgden de kleinere essen of kampen. Boerderijen bij de grote essen waren relatief groot, met ruimte voor veel vee, hooi en bewoning. Vaak stonden er meerdere bijgebouwen op het erf. De es werd gebruikt voor graan, de beekdalen voor gras en hooi, en de heide leverde plaggen voor de potstal.
De boerderij staat al op kaarten van 1850 en heeft kenmerken uit die tijd, zoals de achtergevel, het gebintenwerk en strodokken onder de pannen. Ondanks latere aanpassingen is de boerderij nog redelijk gaaf. Door langdurig verval is schade ontstaan. Vaak worden zulke boerderijen gesloopt, maar de huidige eigenaar wil dit historische erfgoed en het verhaal van het Twentse landschap juist behouden. Een weergave van de huidige staat van de boerderij is hieronder zichtbaar.
Afbeelding 2.1 t/m 2.3: diverse weergaven van de huidige staat van de boerderij (bron: initiatiefnemer)
Het landschap
Het plangebied ligt ten noordoosten van Deurningen in een grootschalig dekzandgebied met dekzandwelvingen- en ruggen. Deze gebieden werden vaak doorsneden door beekdalen. De beekdalen voeren het water van de hogere delen af. De overgangsgebieden van hoog naar laag bleken geschikt als landbouwgronden en om erven te stichten. De grond was er vruchtbaar en mensen konden hier veilig en droog wonen. Het beekdal was essentieel om als gras- en hooiland te dienen. Het perceel ligt op de overgang van de dekzandruggen naar een lager gelegen beekdal.
Het plangebied ligt op de samenkomst van meerdere landschappen. Er is zowel sprake van het essenlandschap, de voormalige heidevelden als het matenlandschap. Het erf ligt zelf in het oude kampen- en essenlandschap. De heide, ten oosten en westen ervan is rond de jaren ‘30 ontgonnen voor het agrarisch gebruik. De boeren gingen vroeger niet zonder reden op een bepaalde plek bouwen en verbouwen. De samenkomst van de genoemde landschappen kent een zeer sterke functionele verbinding: de plaggen van de heidevelden werden gebruikt in de stallen. Deze werden na vermenging met mest uitgereden op de essen. Op deze wijze werden de hoger gelegen essen vruchtbaarder en waren zij geschikt voor het verbouwen van granen. Het nabijgelegen matenlandschap was zeer geschikt voor gras- of hooilanden. De boer had op deze manier eigenlijk alles voorhanden om te kunnen boeren. Het landschap rondom het plangebied is aanvankelijk erg kleinschalig geweest. De essen waren vanzelfsprekend open, maar rondom was er een aaneenschakeling van houtwallen en houtsingels met daaraan gekoppeld de verspreid liggende erven. Het kenmerkende coulissenlandschap rondom het plangebied is ten dele gesneuveld door de jaren heen, maar desondanks is het gebied nog goed herkenbaar door belangrijke landschappelijke dragers. Vooral de meer robuuste elementen al dan
niet langs wegen of met een functie zijn bewaard gebleven.
Huidige indeling
Het erf is van voor 1850. Er is sprake van een cultuurhistorische opzet: de boerderij staat nog altijd op dezelfde plek. De boerderij is in de jaren ten dele verbouwd, maar belangrijke karakteristieken zijn bewaard gebleven. Onder meer lijkt de achtergevel nog grotendeels origineel. Later is het erf aangevuld met enkele schuren en een woning. De woning en een deel van de schuren hebben geen binding met het verleden, maar vormen wel een compact erfensemble. Doorgaans werden er geen schuren vóór de boerderij gebouwd. Er liggen kansen om het erf grotendeels te herstellen.
Afbeelding 2.4: recente luchtfoto planlocatie en omliggende gronden (bron: PDOK.nl)
Afbeelding 2.5: vogelvlucht aanzicht huidige erfsituatie (bron: Streetsmart)
Huidig erfcluster
Het erfinrichtingsplan is weergegeven in afbeelding 2.8 en wordt onderstaand gemotiveerd. In de nieuwe situatie staat de boerderij (letter A in afbeelding 2.8) nog altijd op dezelfde plek. De karakteristiek van de boerderij wordt hersteld waarmee de mogelijkheid ontstaat invulling te geven aan drie woonrechten. Er wordt een bijbehorend bouwwerk (B) bijgebouwd op aan de 'werkzijde' van de boerderij (westkant) passend in de stijl van de karakteristieke boerderij. Voor de oorspronkelijke voorgevel (oostzijde) worden 2 kleine bijgebouwen gebouwd in de stijl van een bakhuis, aardappelkelder of kippenren, wat van oudsher veelal voor de voorgevel is gelegen. Hiervoor wordt de opslag van berken verwijderd (R). Tot slot worden 2 karakteristieke veldschuren behouden. Het gaat om een voormalige hooischuur en een schapenhok (D) die van vroeger uit een belangrijke functie vervulden voor het agrarisch erf.
In de nieuwe situatie wordt goed aangesloten bij de kenmerken van het essenlandschap. De hiërarchie is hersteld waarbij de (woon)boerderij het hoofdgebouw is en de schuur achter de achtergevel staat. Om tot deze erfsituatie te komen worden diverse opstallen (afbeelding 2.8, rode stippellijnen) gesloopt. In de huidige situatie staat er 429 m2 aan bijgebouwen binnen het bouwvlak. Het gaat om:
Afbeelding 2.6: weergave te slopen gebouwen huidig erf (binnen bouwvlak)
Dit geeft dan recht op 350 + (429 - 350)/2= 390 m2 aan bijgebouwen.
In de nieuwe situatie wordt er 235 m2 (nieuwe schuur) + 35 m2 + 45 m2 (bijgebouwen voor de voorgevel) = 315 m2 teruggebouwd. Er blijft dan nog 75 m2 te bouwen over en deze worden overgeheveld aan de nieuw te bouwen woning, zie onderstaande motivering.
Nieuwe situatie woning
Daarnaast wordt er een nieuw erf gecreëerd ten zuiden van de boerderij met een woonhuis (E) en een bijbehorend bouwwerk (F). De aanrijroute volgt de oorspronkelijke wegenstructuur volgens de kaart van 1905. De plek van de nieuwe woning is zorgvuldig uitgekozen. Het was in het essenlandschap gebruikelijk om aan de rand van de es te bouwen, niet op de es. Daarnaast wordt de woning opgehangen aan de bestaande landschapsstructuur (G). Daarmee ligt het erf verankerd in het landschap. De keuze om niet elders te bouwen is als volgt:
Om die laatste reden zijn in het verleden varkensschuren vóór de voorgevel van de boerderij gebouwd, maar dat is cultuurhistorisch niet gebruikelijk. Het gebied vóór de voorgevel behoort vrij te zijn van
bebouwing op een bakhuis of kippenhok na. Gekozen is daarom om de nieuwe woning aan de rand van de es te positioneren. Belangrijk bij die keuze is de architectuur. Bij de uitwerking moet dus rekening
worden gehouden met een hoogwaardige architectuur. Het nieuwe erf is enerzijds solitair om te voorkomen dat alsnog de karakteristiek van de boerderij verloren gaat, maar is anderzijds toch verbonden met het bestaande erf door de geringe afstand.
Ter plaatse is een open verbinding tussen beide erven aanwezig. Het nieuwe erf bestaat uit een woning met één bijbehorend bouwwerk (F). De functies (zoals parkeren) zijn gelegen op het nieuwe erf aan de westzijde. Aan de zuidzijde vindt zoveel mogelijk de aansluiting met het landschap plaats. Het erf wordt bereikbaar door de nog aan te leggen toegangsweg (I). Dit gedeelte weg bestaat op dit moment nog niet, maar heeft vroeger wel bestaan. Sterker nog, het was een doorgaande route. In feite vindt er herstel plaats. Hoewel er sprake is van een nieuwe woning, ontstaat er geen (extra) recht op oppervlakte bijgebouwen. Er wordt daarom aansluiting gezocht via de schuur voor schuur regeling, aangezien er ook sloop op de planlocatie gaat plaatsvinden. Rondom de Gammelkeresweg 4 worden buiten het bestaande bouwvlak meerdere landschap ontsierende schuren gesloopt. Het gaat om:
Afbeelding 2.7: weergave te slopen gebouwen omliggend aan huidig erf
Totaal is er sprake van 279 m2 aan landschap ontsierende schuren waarvan 217 m2 met asbest en 62 m2 zonder asbest. Hierbij kan de volgende som worden gemaakt op basis van het schuur voor schuur
beleid.
Totaal = 174 m2
In totaal komen er 174 m2 voor bijbehorende bouwwerken beschikbaar. Deze worden ingezet voor bijbehorende bouwwerken bij de te verplaatsen woning. Aangezien er nog 75 m2 binnen het
plangebied beschikbaar is komt het totaal op 249m2 aan bijbehorende bouwwerken.
Beplanting
De bestaande houtopstanden (G) blijven behouden, evenals de openheid van de es. Waar mogelijk zijn of worden houtopstanden versterkt of onderhouden. Er vindt nieuwe aanplant plaats van een laanstructuur (M) evenals herstel van een bestaand populierenbos. Deze bomen zijn kaprijp en maken plaats voor een nieuwe aanplant (H). Ook worden twee solitaire bomen aangeplant (N). Tot slot wordt bosplantsoen aangeplant (Q) aangevuld met 30 eiken en linden.
Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit
De volgende maatregelen worden genomen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit:
Met de voorgenomen ontwikkeling kan voldaan worden aan het gestelde beleid.
Afbeelding 2.8: nieuwe landschappelijke erfsituatie (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Het landschap rondom het plangebied is aanvankelijk erg kleinschalig geweest. De kampen waren vanzelfsprekend open, maar rondom was er een aaneenschakeling van houtwallen en -singels met daaraan gekoppeld de verspreid liggende erven. Het kenmerkende coulissenlandschap rondom het plangebied is ten dele gesneuveld door de jaren heen, maar desondanks is het gebied nog herkenbaar door belangrijke landschappelijke dragers. Vooral de meer robuuste elementen langs wegen of met een functie zijn bewaard gebleven. Met het voorliggend plan en de combinatie met de bossenstrategie wordt herstel van de landschapskenmerken toegepast. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een inpassing die aansluit bij deze karakteristieken.
Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een herontwikkeling van het erf Gammelkeresweg 4. Op de planlocatie is een agrarische bedrijfsfunctie voor grondgebonden veehouderij toegekend. Deze bedrijfsacitviteiten zijn in het verleden al gestaakt en de herontwikeling gaat er enkel nog een woonfunctie worden uitgeoefend. Het omzetten van het erf naar een reguliere woonfunctie is daarom gewenst met de bouw- en gebruiksmogelijkheden die invulling kunnen geven aan het toekomstig gebruik.
Het gebruiken van de huidige karakteristieke (voormalige) boerderij als woning past bijvoorbeeld niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de planlocatie. Bovendien dient de toekomstige bebouwingsoppervlakte aan bijbehorende bouwwerken vastgelegd te worden, zodat de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt en deze bebouwingsoppervlakte niet opnieuw kan worden teruggebouwd.
Deze gezamenlijke ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege met onderdelen 'Buitengebied 2010' en 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland'. Het onderdeel "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" dient enkel als borging van het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland en wordt daarom verder niet behandeld in deze paragraaf. Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie.
Het plandeel Gammelkeresweg 4 heeft de functie 'Agrarisch - 1' met bijbehorende functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en een bouwvlak. Tevens geldt een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt'. Het realiseren van extra (reguliere) woningen, de verplaatste herbouw van de huidige woning en het uitwisselen van de oppervlakte bijbehorende bouwwerken is binnen de functie niet zonder meer toegestaan. Daarnaast moet de woonfunctie vanwege het beëindigen van de agrarische bedrijvigheid worden toegekend.
Afbeelding 3.1: verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. Waar nodig worden in hoofdstuk 5 de relevante bepalingen uit de bruidsschat worden betrokken. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Er zijn geen gemeentelijke verordeningen die van belang zijn voor dit plan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een VAB-locatie, omdat een vrijkomend agrarisch erf wordt omgevormd naar regulier woonerf, waarbij de landschapsontsierende bebouwing wordt gesaneerd en juist gewerkt wordt aan behoud van de (agrarische) karakteristieken en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Geconstateerd is dat de compensatiewoningen op bestaande erflocaties een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling.
Provinciale Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 4.1: uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Doorwerking in onderhavig plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn in het verleden reeds beëindigd en daarom wordt voormalige landschapsontsierende bedrijfsbebouwing nu gesaneerd, karakteristieke bebouwing benut voor de toekomstige erfsituatie en het gebruik omgezet ten behoeve van een woonfunctie. Op basis van de karakteristieke regeling mag de voormalige boerderijschuur omgevormd worden naar woning. Vanwege de inhoudsmaat van de boerderij valt deze op te splitsen in 3 wooneenheden. De huidige bedrijfswoning wordt herbouwd.
Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locatie Gammelkeresweg 4 ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van extra ruimtebeslag als gevolg van de ontwikkeling.
Het plan omvat namelijk herontwikkeling van een bestaand erf, waarbij landschapsontsierende agrarische bebouwing wordt gesaneerd en karakteristieke bebouwing wordt behouden. Deze karakteristieke bebouwing dient het middelpunt en aanzicht van het erf te omvatten. Daarom wordt de huidige bedrijfswoning met gewijzigde situering opnieuw gebouwd. Deze gewijzigde situering komt voort uit het feit dat de huidige situering afbreuk doet aan het aanzicht van de karakteristieke boerderij. Op het bestaande erf is geen ruimte voor het terugbouwen van de woning zonder de cultuurhistorische waarden van de karakteristiek boerderij en het erf aan te tasten. Direct aansluitend aan het huidige erf wordt daarbij de woning herbouwd (op de locatie van huidige kuilvoeropslag), waardoor wel sprake blijft van zo weinig mogelijke ingebruikname van groene omgeving. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.6: Toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Beoordeling van het plan:
De ontwikkeling voorziet in het herstellen van een karakteristieke boerderij en het bouwen van een woning met bijbehorende gebouwen. Het erf wordt landschappelijk ingepast door middel van het aanbrengen van laanbeplanting, bosplantsoen, struweel, groep bomen en solitaire bomen. Wel worden enkele bomen geveld, maar deze zijn 'kaprijp' of zijn van dusdanig kleine omvang dat er geen vergunning benodigd is. De landschappelijke inpassing en het behoud van de karakteristieke gebouwen dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en brengen daarmee niet de mogelijkheden en behoeftes van toekomstige generaties in gevaar.
Met de ontwikkeling worden er meer en meer verschillende bomen aangeplant dan er worden geveld, de biodiversiteit wordt daarmee versterkt. Een hogere biodiversiteit draagt fysiek en mentaal gezien aan de gezondheid van mensen. Een natuurlijke biodiverse omgeving heeft positieve effecten op de hersenen en dragen bij aan het immuunsysteem, de weerstand en mentale balans van mensen. Daarnaast zorgt het voor een versterkt bodem- en watersysteem, het onderliggende landschappelijke systeem wordt daarmee versterkt om zo betere ecosysteemdiensten te kunnen leveren.
De realisatie van de woning en het herstellen van de karakteristieke boerderij ten behoeve van wonen geven invulling aan de woonbehoefte zoals nader is omschreven in paragraaf 4.1.5. Het inspelen op de woonbehoefte en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit hebben op de lange termijn toegevoegde waarde. Gesteld kan worden dat het plan voldoet aan artikel 4.6.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
Natuurlijke laag:
Laag van het agrarisch cultuurlandschap:
Stedelijke laag:
Laag van de beleving:
Beoordeling van het plan:
Voor de plangebieden is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken volgens de 'Catologus Gebiedskenmerken'. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening.
Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
lid 1
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
Beoordeling van het plan:
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Dinkelland. De agrarische bedrijfsmatige functie op het erf is reeds in het verleden beëindigd, enkele gebouwen zijn karakteristiek en andere gebouwen kunnen als landschapsontsierend worden aangemerkt.
Een karakteristieke voormalige boerderij kan een woonfunctie verkrijgen in het kader van de gemeentelijke beleidsnota 'Buitengebied met Kwaliteit', onder de voorwaarde dat er een renovatie van het betreffende gebouw wordt bewerkstelligd. Daarnaast is het de bedoeling om voor de bijbehorende bouwwerken deels te gaan voor behoud en deels voor vervanging. Dit zal leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
De sociaaleconomische of maatschappelijke meerwaarde vertaalt zich daarmee in:
• sloop van landschapsontsierende bebouwing;
• behoud en investeringen in karakteristieke gebouwen;
• het realiseren van een erfensemble met ruimtelijk kwaliteit;
• de verwijdering van overtollige erfverhardingen e.d.;
• Het landschappelijk inpassen van de aangepaste erflocatie.
Voor de ontwikkeling worden enkele bomen geveld, deze worden gecompenseerd door middel van de maatregelen zoals benoemd in Bijlage 1. Er wordt substantieel meer beplanting aangebracht die robuuster zijn en meer diversiteit brengen in het gebied. Bovendien worden daarmee de kenmerken van het essenlandschap (beplanting langs perceelsgrenzen) versterkt en het cultuurhistorische landschap teruggebracht. Er kan dus worden gesteld dat het verlies aan ecologische en landschappelijke waarden in voldoende mate zijn gecompenseerd.
Het plangebied valt niet binnen het ontwikkelingsperspectief 'Ondernemen met Natuur en Water', aan sub c is daarom verder niet getoetst.
Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem
Beoordeling van het plan:
De ontwikkeling is van kleine omvang, waardoor de invloed op de bodem en water zeer beperkt zal zijn. Doordat alle landschapsontsierende opstallen worden gesloopt en een groot oppervlak aan betonplaten wordt verwijderd, is er een grote afname van verharding. Het water heeft daarom nog steeds voldoende ruimte om af te stromen en opgevangen te worden door de bodem. Hoewel er bomen worden geveld, wordt het meervoudig gecompenseerd door kenmerkende structuren te versterken en robuustere soorten te planten. De biodiversiteit neemt toe als gevolg van het plan, dat zorgt ervoor dat de veerkracht van het bodem- en watersysteem lokaal toeneemt en het dus beter bestand is tegen klimaatverandering. Als gevolg van de beplanting kan het water beter worden opgenomen en vastgehouden. Daarmee levert het - op lokaal niveau - een bijdrage aan klimaatadaptatie. Hiermee kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.13.
Daarnaast geeft het plan invulling aan de Watervisie 2050 van het Waterschap Vechtstromen. Dit is nader toegelicht in 5.12.
Artikel 4.14 (woonafspraken)
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 3 extra wooneenheden in de karakteristieke boerderij op basis van de karakteristieke-regeling. De woningen voldoen aan de kwalitatieve behoefte en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Zoals uit paragraaf 4.1.5 blijkt is er in de gemeente Dinkelland ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55: Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
Het plangebied is gelegen in het essenlandschap. Volgens bijlage IX van de omgevingsverordening zijn de volgende structuren aanwezig in dit landschap:
De landschappelijke inpassing en bijbehorende toelichting (Bijlage 1) voorziet in het versterken van het essenlandschap. De randen van de percelen worden aangezet, tegelijkertijd krijgen de 'kamers' de kenmerkende openheid terug doordat de bomen langs de bebouwing worden geveld. Het kleinschalige cultuurlandschap wordt zo teruggebracht en versterkt, dat draagt bij aan een waardevol leefgebied voor enkele vogelsoorten. Daarnaast doet het plan geen afbreuk aan kenmerkende nederzettingsvormen, de situering van het erf is gebaseerd op de kenmerken van het essenlandschap.
De plannen van de eigenaar van Gammelkeresweg 4 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie gezorgd voor een (behoud van) diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij gerespecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen, vergezeld van passende landschappelijke ingrepen. Bovendien wordt invulling gegeven aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het omliggende landschap, mede gelet op de (extra) investeringen in de ruimtelijke kwaliteit, juist fors versterkt.
Ontwikkelingsperspectieven (waar) (vervolg 4.9)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Voor het voorliggende plan is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.
Afbeelding 4.2: ontwikkelingsperspectief, Gammelkeresweg 4 met marker aangeduid (bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities:
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
De ontwikkeling van de woonfunctie binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het omvormen van de agrarische bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie na beeindiging van het agrarisch bedrijf is een passende activiteit in het mixlandschap. Ook het toevoegen van een extra woning binnen dit mixlandschap is passend binnen het ontwikkelingsperspectief.
De percelen rondom het huidig erf zijn grotendeels aangewezen als "Zone ondernemen met Natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN)". Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het realiseren van een robuust en samenhangend netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. Het accent ligt op natuur die, naast biodiversiteit, betekenis heeft voor mensen en bijdraagt aan hun welzijn en welvaart. Om dit mogelijk te maken, wordt er ruimte geboden aan de groeiende groep betrokken ondernemers en bewoners die zelf willen ondernemen met natuur en water. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities, aangezien initiatiefnemer in het kader van de bossenstrategie bereid is om een forse hoeveelheid bos te planten. Daarmee wordt op goede wijze invulling gegeven aan dit ontwikkelingsperspectief.
De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities vanuit de toegekende ontwikkelingsperspectieven. Een motivering waarin wordt afgeweken van het ontwikkelingsperspectief is derhalve niet relevant.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locaties zijn gelegen in gebieden met overgangen van dekzandvlakte en ruggen naar beekdalen en natte laagtes. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat. Soms vlak bij elkaar, soms ver van elkaar verwijderd. Daardoor is er sprake van hoogteverschillen. In de jaren zijn hoogteverschillen geërodeerd door de wind. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. De landschappelijke inpassing doet geen afbreuk aan het aanwezige kenmerk, er wordt bijvoorbeeld niet afgegraven of een andere ingreep gedaan die het natuurlijke landschap wezenlijk verandert.
Afbeelding 4.3: uitsnede natuurlijke laag, locatie in dekzandvlakte en ruggen (bron: provincie Overijssel)
Laag van cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
Afbeelding 4.4: uitsnede laag van cultuurlandschap, locatie in essenlandschap (bron: provincie Overijssel)
De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de grootschalige open heidecomplexen die pas laat zijn ontgonnen door - in eerste instantie - gebrek aan kennis.
De open essen en eenmansesjes kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen met een - langs de randen van de es - kleinschaliger landschap tot gevolg. Afhankelijk van de grootte van de es werden meerdere boerderijen rondom een es gebouwd zoals dit het geval is rondom het plangebied. Bij de essen en kampenlandschap is er vaak sprake van grillige wegenpatronen met een aaneenschakeling van landschapselementen rondom de kampen of essen en verspreid liggende erven.
De akkers werden vruchtbaar gehouden met de plaggen van het heideveld die vervolgens met mest werden vermengd. Het water uit de lager gelegen beekdalen voorzag de akkers en het vee van water. Echter, door de jaren heen heeft het matenlandschap, mede door functionaliteit, de kenmerken gekregen van het ontginningslandschap.
De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven.
Het erfinrichtingsplan voorziet in het versterken van het aanwezige cultuurhistorische landschap. De randen van de essen worden kwalitatief aangezet waarmee het oorspronkelijke landschap zichtbaarder wordt gemaakt. Om de openheid van de zogenoemde 'kamers' in het essenlandschap wordt teruggebracht doordat de bomen langs noordzijde van het erf worden geveld. De karakteristieke gebouwen van het erf worden hersteld, dat draagt bij aan de uitstraling van kenmerkende erven van dit essenlandschap.
Laag van de beleving en stedelijke laag
Het plangebied heeft voor wat betreft de laag van de beleving en de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze lagen buiten beschouwing.
Conclusie
Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd op de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
Speerpunten
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling volgende thema's van belang.
Goede staat van landschap en natuur
De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, wil de gemeente behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor:
Buitengebied in balans
De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. De planlocatie ligt in de zone 'gericht op beperkte ontwikkeling en 'gericht op behouden'.
afbeelding 4.4: uitsnede waardenkaart ter plaatse van planlocatie (bron: gemeente Dinkelland)
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van het erf Gammelkeresweg 4, waarbij karakteristieke bebouwing gerenoveerd wordt, de landschapsontsierende bebouwing gesloopt, en de toekomstige erfsituatie zorgvuldig wordt ingepast.
Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden ontwikkelingen uitgelegd en landschappelijk ingepast. Hiermee wordt het verval en de verkrotting van het karakteristieke erf voorkomen en bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse fors versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie.
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
De volgende passages uit het beleid zijn relevant:
De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs behandeld.
3.6 Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen
Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen die we als gemeenten willen behouden voor het landschap komen onder voorwaarden in aanmerking voor een woonfunctie. Voor de beoordeling of bebouwing valt in de categorie karakteristiek of in de categorie monumentaal, hebben de gemeenten Dinkelland en Tubbergen het ‘Toetsingskader ruimtelijke kwaliteit gebouwen’ uitgewerkt dat is opgenomen als bijlage 2 bij de beleidsnotitie. Deze bijlage wordt gehanteerd bij de toetsing of een gebouw valt in de categorie karakteristiek of valt in de categorie monumentaal of valt in een van de overige categorieën. Dit is van belang omdat alleen gebouwen die vallen onder de categorieën karakteristiek en monumentaal in aanmerkingen kunnen komen voor het opnieuw toekennen van een woonfunctie. Voor de indeling in een categorie kan de gemeente zich laten adviseren door het gemeentelijke kwaliteitsteam.
Niet enkel de voormalige boerderij komt in aanmerking voor het bewonen daarvan, maar ook overige bebouwing, die als karakteristiek of monumentaal wordt aangemerkt, zoals oude schöppes, hooischuren en degelijke, die de minimale inhoud hebben, kunnen worden bewoond. Veldschuren komen niet in aanmerking voor deze regeling.
Voorwaarden deelname wonen in karakteristieke bebouwing
Om te komen tot een woning in karakteristieke gebouwen of monumentale gebouwen gelden de volgende voorwaarden:
1.Door de gemeente wordt bepaald of een gebouw valt in de categorie karakteristiek of de categorie monumentaal, Dit wordt getoetst aan het ‘toetsingskader ruimtelijke kwaliteit gebouwen’ dat is opgenomen als bijlage 2 van de beleidsnotitie;
2.Er wordt een cultuurhistorische waarde stelling aangeleverd die bestaat uit een bouwhistorische verkenning om de aanwezige waarden vast te stellen en van daaruit de technische bepaling wat de mogelijkheden zijn om (delen van) het gebouw te behouden. De delen die niet behouden kunnen blijven kunnen mogelijk met eenzelfde soort materiaal opnieuw worden opgericht. Dit rapport moet door een deskundige zijn opgesteld en wordt getoetst door Het Oversticht namens de gemeente;
3.Er wordt een renovatieplan aangeleverd waarbij de bouwhistorische verkenning en de technische waardebepaling als uitgangspunt dienen voor renovatie van het gebouw tot woning. Dit renovatieplan wordt getoetst door Het Oversticht namens de gemeente en bestaat minimaal uit de volgende onderdelen:
- beschrijving van het karakteristieke object, het erf en de historie (bij voorkeur met foto’s);
- beschrijving van de cultuurhistorisch waardevolle bouwdelen, op tekening aangegeven en onderbouwd en toegelicht aan de hand van foto’s. Onderlegger hiervoor is de verrichtte cultuurhistorische waarde stelling;
- behoud en herstel en het plan van aanpak hoe daartoe te komen. Hiertoe behoren een technische werkomschrijving van toe te passen materialen, veiligstellen van het object waaronder stutten/afdekken, wijze van isoleren en dergelijke;
- randvoorwaarden voor uitvoering door een aannemer met aantoonbare ervaring met soortgelijke projecten en referenties;
4. Indien planologisch een woonfunctie kan worden toegekend om het gebouw te bewonen dient daarnaast aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
- de minimale inhoud bedraagt 450 m³;
- bij een inhoud van minimaal 1.000 m³ zijn maximaal 2 woningen toegestaan. Bij een inhoud van minimaal 1.500 m³ zijn maximaal 3 woningen toegestaan, met dien verstande dat het passend is in de erfopzet;
- per erf worden niet meer dan drie woonheden gerealiseerd.
Deze hiervoor genoemde voorwaarden met betrekking tot inhoud en aantallen woonheden gelden niet voor monumentale gebouwen.
5.Het gebouw dat in aanmerking komt voor de regeling in deze paragraaf mag nadien niet worden gesloopt. Het renovatieplan dient als uitgangspunt voor de planologische aanpassing en dient conform uitgevoerd te worden en behouden te blijven. Mocht zich tijdens of na de renovatie een calamiteit (onverwachte gebeurtenis) voordoen dan is (nieuwe) renovatie het uitgangspunt om de woonfunctie op betreffende gebouw te kunnen blijven behouden.
Dit alles wordt geborgd in de regels van het omgevingsplan.
6. Overig aanwezige karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen worden niet gesloopt en zoveel mogelijk ingepast in de nieuwe erfopzet, waarbij in de nieuwe erfopzet aandacht is voor het historisch erfensemble.
7. Per erf moet worden gekeken of er mogelijk andere maatregelen nodig zijn ten behoeve van het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Het slopen van ontsierende bebouwing die niet wordt hergebruikt en/of het verwijderen van kuilvoerplaten, sleufsilo’s kunnen hier bijvoorbeeld aan bijdragen.
8.De karakteristiek van een gebouw wordt niet enkel bepaald door materiaalgebruik, bouwvolumes en/of uitstraling van het gebouw, maar zeker ook door de oriëntatie en door de plek waar het gebouw is gesitueerd. Verplaatsing van gebouwen doet daarom direct afbreuk aan uitstraling en daarmee de karakteristiek en cultuurhistorie van de plek. Veranderen van de locatie van een gebouw is niet mogelijk.
9. De regeling in deze paragraaf kan niet worden toegepast op een gebouw waarvan op of na 1 juli 2024 de woonfunctie planologisch is verwijderd of middels een omgevingsvergunning het verboden is geworden het betreffende gebouw te gebruiken voor een woonfunctie.
In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied.
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’
Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5 of 3.6.
Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.
Beoordeling van plannen:
3.6 Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen
Het betreffende gebouw op het erf betreft een voormalige boerderij dat in de loop der jaren in gebruik is genomen als schuur. Het gebouw is door de gemeente gecategoriseerd in categorie 4: karakteristieke bebouwing. Daarmee komt het gebouw in de basis in aanmerking voor renovatie met behoud van de karakteristieke waarden. Voor initiatiefnemer is een cultuurhistorische waardestelling en renovatieplan opgesteld dat als Bijlage 2 bij dit omgevingsplan is gevoegd. In het rapport zijn de karakteristieke delen beoordeeld, een voorstel gedaan voor de renovatie en zijn de concrete maatregelen voor deze renovatie uitgewerkt. Het rapport is beoordeeld en akkoord bevonden door het Oversticht. Het advies van Het Oversticht en nadere overleggen met Welstand en het Q-team uiteindelijk hebben geleid tot het renovatieplan wat is goedgekeurd en nu in de bijlage is opgenomen. Onderstaand is ook in kleur weergegeven wat vanuit de transformatie te behouden, te wijzigen of toe te voegen is en in hoeverre dit vanuit karakteristiek te verantwoorden is. Tevens bijgevoegd zijn tekeningen van de bestaande situatie (Bijlage 4) en toekomstige situatie (Bijlage 5).
De inhoud van de boerderij betreft circa 1.900 m3, waardoor voldaan wordt aan de minimale inhoudsmaat voor 3 woningen (1.500 m3). Dit gebouw zal worden behouden en daarmee is dus sprake van renovatie. Het gebouw wordt geintegreerd in een nieuwe erfopzet voor de planlocatie, waarbij andere karakteristieke bebouwing behouden blijft en nieuwe bebouwing op een goede wijze op het erf wordt gepositioneerd. Hiermee geeft het plan invulling aan de gestelde voorwaarden onder 3.6.
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’
In onderhavig geval is sprake van de bouw van extra woningen op basis van de karakteristieke regeling. Daarom is ook een renovatieplan uitgewerkt. Daarnaast wordt het erf en de omliggende gronden landschappelijk ingepast. De milieuvergunningen voor de locatie zijn of worden geheel ingetrokken. Met inachtneming hiervan wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen.
Resumerend
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland.
De gemeente Dinkelland wil dat iedereen prettig kan wonen, nu en in de toekomst. Of u jong bent en op uzelf wilt gaan wonen, een gezin heeft en een volgende stap zoekt, of ouder wordt en een woning nodig heeft die beter bij uw situatie past: wonen moet mogelijk én betaalbaar zijn.
Wat zien we in Dinkelland?
Wat doet de gemeente?
Wij vinden het belangrijk dat er in elke kern perspectief op woningbouw is. We kijken naar lokale behoefte en proberen zo veel als mogelijk maatwerk toe te passen. Daarvoor is het Volkshuisvestingsprogramma opgesteld. Dit programma zorgt ervoor dat er voldoende woningen van goede kwaliteit komen, die betaalbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Maar volkshuisvesting is méér dan huizen bouwen. Het gaat ook om het creëren van een fijne, leefbare omgeving waar u zich thuis voelt – ongeacht uw leeftijd, achtergrond of woonwensen.
Daarom werken we aan een integrale aanpak. Dat betekent dat we verschillende thema’s met elkaar verbinden, zoals:
Feiten en verwachtingen
Voor dit programma is gebruikgemaakt van onderzoeken. De cijfers en prognoses geven richting aan ons beleid.
Inwoners en huishoudens
De huishoudensgroei is groter dan de bevolkingsgroei. Dat komt doordat steeds meer mensen alleen wonen of in kleinere huishoudens. Of later een partner ontmoeten en dus op een latere leeftijd gaan samenwonen.
Wat betekent dit voor woningbouw?
Op basis van deze groei willen we tot 2032:
Daarnaast houden we rekening met extra woningbehoefte voor bijvoorbeeld aandachtsgroepen zoals medisch en sociale urgenten en statushouders.
Daarom programmeren we in totaal 1.133 woningen tot 2032.
De volkshuisvestingsdriehoek
Bij woningbouw draait het om drie kernwaarden:
Woningbouwopgave per gebied Dinkelland
Beoordeling van de plannen:
Er is ruimte voor het toevoegen van woningen in het buitengebied. Tot 2032 is op dit moment een aantal van 92 hiervoor gereserveerd. Het toevoegen van woningen binnen de karakteristieke bebouwing past daarom eveneens binnen deze programmering. De compensatiewoningen passen dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma en geven invulling aan de woningbouwopgave van de gemeente.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het volkhuisvestingsprogramma.
De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen die onderdeel uitmaken van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart).
afbeelding 4.8: fragment van de cascokaart ter plaatse van Gammelkeresweg 4 (bron: geo.overijssel.nl)
Beoordeling van plannen:
De casco elementen die zijn aangegeven zullen behouden blijven met uitzondering van het element aan de oostzijde van het erf. Deze maakt weliswaar onderdeel uit van het casco, maar heeft geen cultuurhistorische of landschappelijke meerwaarde. Het element is slechts ter inpassing ooit ontstaan. Met het verdwijnen van de schuren is het element nutteloos geworden. De ontwikkeling heeft daardoor geen gevolgen voor bestaande casco elementen. Bovendien geldt dat forse nieuwe investeringen worden verricht in het aanbrengen van nieuwe (passende) landschapselementen.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
Beoordeling van de plannen:
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
Afbeelding 4.9: uitsnede kaart omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen
De locatie ligt in het kenmerk 'Buitengebied - Niveau Midden'. De hiervoor gestelde criteria dienen in acht genomen te worden.
In onderhavig geval gaat het deels om functiewijziging van bestaande bebouwing. Voor de karakteristieke bebouwing is een renovatieplan (Bijlage 2) opgesteld waarbij ook een advies is verstrekt door een erfgoeddeskundige van het Oversticht en welke uiteindelijk aan de standsbouwmeester ter goedkeuring is voorgelegd. Voor de overige bouwactiviteiten geldt dat de criteria uit de nota omgevingskwaliteit van toepassing zijn. Hieraan wordt op later moment getoetst in het kader van de daadwerkelijke bouwaanvraag.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak tot medewerking onder voorwaarden heeft afgegeven.
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor is door de gemeente een kennisgevingsformulier gestuurd aan de provincie. De provinciale reactie luidt samengevat als volgt:
Onder meer als gevolg van deze opmerkingen zijn planaanpassingen doorgevoerd. In het kader van de erfgedachte en de spuitzones t.o.v. omliggende gronden van derden is gekozen om het nieuwe woonerf dichter op het huidig erf te situeren. Er is daarbij wel bewust gekozen om niet direct op het huidig erf te realiseren, omdat dit afbreuk zou doen aan de cultuurhistorische waarde van de karakteristieke boerderij (waarvan men juist versterking wil bewerkstelligen). Dit is uitgebreid met de landschapsdeskundige en het kwaliteitsteam van de gemeente Dinkelland afgewogen en heeft geleid tot het erfinrichtingsplan zoals opgenomen in paragraaf 2.2. Voor spuitzones heeft nadere uitwerking plaatsgevonden, zoals ook in de daarvoor aangewezen paragraaf nader is uitgewerkt.
Op 7 augustus 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Op 11 augustus 2025 heeft het waterschap laten weten verder geen bezwaren te hebben tegen dit plan.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
Voor de planlocatie geldt dat initiatiefnemers met omwonenden gesproken hebben. Dit is uitgewerkt in Bijlage 6 Het verslag laat zien dat er vanuit nagenoeg alle omwonenden positief gereageerd wordt. Een concrete aanpassing vanuit de participatie is daarom niet noodzakelijk.
Initiatiefnemers zijn blij met de de gegeven input. De verrichtte participatie geeft op dit moment geen directe aanleidingen om planwijzigingen aan te brengen.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en karakteristieke bebouwing behouden en gerenoveerd worden. Er worden in feite drie woningen aan het erf toegevoegd in een bestaande boerderij. De huidige bedrijfswoning wordt gewijzigd herbouwd. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De voorgenomen activiteit, het saneren van landschapsontsierende bebouwing en de herontwikkeling op het bestaande erf, staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Het voorliggend plan voorziet in de omzetting van een voormalige veehouderij naar een volledige woonfunctie aan de Gammelkeresweg 4 in Deurningen, de verplaatsing en herbouw van een bestaande bedrijfswoning welke wordt omgezet naar een reguliere woning en het renoveren van een karakteristieke woonboerderij waarin drie woningen worden gerealiseerd..
Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf vervallen, vanwege het verwijderen van de mogelijkheid voor de agrarische bedrijvigheid. De bestaande woning wordt daarnaast herbouwd, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet.
Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling, voortkomend vanuit de drie wooneenheden in de karaktersiteike boerderij, een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen met 25 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe.
Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woonfunctie. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval worden in het plangebied op de nieuwe situatie vier woningen toegestaan. Vanwege de royale woonvorm, gebonden aan het landelijk wonen, wordt de omschrijvijng 'koop, huis, vrijstaand' voor alle woningen van toepassing geacht. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld) 2,4 per woning afgerond 10 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien.
Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op minimaal 3,39 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer'. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.1: ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied (bron: AERIUS)
De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de gele kleur aangeduid.
Effectbeoordeling
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar.
AERIUS-berekening
Het voornemen bestaat om een bestaande karakteristieke boerderij te renoveren tot 3 wooneenheden, de bestaande woning te verplaatsen en bijbehorende bouwwerken te realiseren op een erf gelegen aan Gammelkeresweg 4 te Deurningen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur.
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk.
Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000-gebied(en).
In de AERIUS-rapportage opgenomen in Bijlage 12, worden de gehanteerde uitgangspunten voor het berekenen van de emissie/depositie tijdens de ontwikkelfase- en gebruiksfase besproken, evenals de berekende depositie in Natura 2000-gebied.
Resultaten ontwikkelfase
De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 22,8 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,7 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage toegevoegd.
Resultaten gebruiksfase
De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 163,4 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkel- en gebruiksfase.
Conclusie
Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op 89,7 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.2: ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de mintgroene kleur aangeduid.
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en er nestelen ook vogels. Daarnaast kunnen grondgebonden zoogdieren en amfibieën een voortplantings- en/of rustplaats in het plangebied bezetten. Vleermuizen bezetten mogelijk een verblijfplaats in het plangebied.
Door het uitvoeren van sloop-, rooi-, verbouw- en renovatiewerkzaamheden en het verwijderen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de kerkuil na uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Nesten van kerkuil zijn in de provincie Overijssel jaarrond beschermd (categorie 3). Categorie 3-soorten betreffen zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest of afhankelijk zijn van bebouwing. Mogelijk bezet deze soort een nest in het plangebied. Om vast te stellen of kerkuilen een nest bezetten in het plangebied dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wanneer een nestplaats aanwezig is dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van (niet jaarrond beschermde) vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt, op de steenmarter na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode.
Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschadigd of vernield worden. Om vast te stellen of een voortplantings- en rustplaats van de steenmarter aanwezig is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Als gevolg van het slopen van de woning en stallen worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van deze bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform vleermuisprotocol 2021 (geactualiseerd voor meervleermuis).
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk
beschadigd of vernield worden. Voor beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en
rustplaats negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze
weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten samengevat:
Nader onderzoek
In 2025 bebouwing op een erf aan de Gammelkeresweg 4 te Deurningen onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen en steenmarter en rust- en nestplaats van kerkuilen. Het rapport is opgenomen in Bijlage 11.
Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol (versie februari 2025). Het onderzoek naar de verblijfplaats van de steenmarter is uitgevoerd op basis een methode die Natuurbank Overijssel geschikt acht. Het onderzoek naar het gebruik van de kast als rust- en/of nestplaats is uitgevoerd op basis van een methode die Natuurbank Overijssel geschikt acht.
Onderzoek heeft aangetoond dat de gewone dwergvleermuis een zomer- en paarverblijfplaats bezet in de woning op het erf. De steenmarters bezet geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied en kerkuilen
bezetten geen rust- of nestplaats in de kerkuilenkast (of andere plek).
Conclusie nader onderzoek
Bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met een zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Om de woning te mogen slopen dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te zijn.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat met inachtneming van de resultaten van het natuurwaardenonderzoek op voorhand niet de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Er dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de woning te mogen slopen.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogereconcentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen:
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Gammelkeresweg 4 in Deurningen. De bestaande woning wordt verplaatst. Als gevolg hiervan treden geen wijzigingen in luchtkwaliteit op. Voor de karakteristieke boerderij geldt dat 3 wooneenheden worden toegevoegd aan de locatie. Bekeken is daarom wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit de drie woningen bijdragen. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 5.3: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
verzorgingstehuizen,
psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.4: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
De locatie ligt nabij de Gammelkeresweg. Het erf is niet direct aan deze weg gelegen, maar is middels eigen toerit bereikbaar. De betreffende weg is een 60 km/u weg welke wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een forse aangehouden afstand ten opzichte van deze weg voor de nieuwe woningen. De nieuwe woning heeft op basis van de geluidskaart wegverkeer van de Atlas Leefomgeving een geluidsbelasting van 38 (dB) op de dichtstbijzijnde gevel. Dit voldoet ruim aan de standaardwaarde.
Afbeelding 5.5: geluidskaart omgeving plangebied wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving)
Situatie plangebied, industrielawaai
Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
Aan de Wismanweg 7 in Deurningen geldt dat een grondgebonden agrarisch bedrijf is gelegen op 320 meter van het functievlak voor Gammelkeresweg 4, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geluid. De onderlinge afstand is ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie.
Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Aan de Wismanweg 7 in Deurningen geldt dat een grondgebonden agrarisch bedrijf is gelegen op 320 meter van het functievlak voor Gammelkeresweg 4, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Confom de bepalingen in het Bkl geldt voor geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur en een grondgebonden agrarische activiteit (melkvee) een vaste afstand van 50 meter. De onderlinge afstand is derhalve ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met
artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 5.6: uitsnede risicokaart met afstand plangebied Gammelkeresweg 4 tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 520 m van de nieuwe woning de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een buisleiding van DPO. De nieuwe woningen liggen echter ver buiten de aandachtsgebieden of ricocontouren als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Voorliggend project heeft betrekking op extra woningen in een bestaand karakteristiek gebouw en de herbouw van bestaande bedrijfswoning. In totaal gaat het om de realisatie van 4 woningen (1 nieuwbouw, 3 in bestaand).
Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
1. Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom de planlocatie zijn hoofdzakelijk woonerven en agrarische bedrijven gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen behoort tot één van de uitzonderingen. In onderhavig plan is er geen sprake van trillingsveroorzake bedrijvigheid of activiteiten in nabijheid van de nieuwe woningen. Een goed woon- en leefklimaat hiervoor is gegarandeerd.
2. Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Zoals in voorgaande alinea is benoemd is er geen sprake van trillingsveroorzakende bedrijvigheid in de nabijheid van de planlocatie. Er treedt dan ook geen hinder op voor activiteiten of bedrijvigheid in de omgeving.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Beoordeling van de plannen:
Onderstaand is voor de planlocatie een uitsnede van de gemeentelijke verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeelding 5.7: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, planlocatie aangegeven met zwarte omcirkeling (bron: gemeente Dinkelland, bewerkt)
Binnen het plangebied geldt het kenmerk 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' en 'beekdalen en overige laagten', tevens laat de kaart zien dat er een historisch erf aanwezig is. Vanuit deze voorkennis is een bufferzone opgelegd. Vanuit de toegekende kenmerken geldt dat bij bodemingrepen boven de 2.500 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek nodig is. Het voorliggend bouwplan maakt grotendeels gebruik van bestaande bebouwing. Nieuwe ingrepen zijn fors kleiner dan 2.500 m2 en 40 cm diep, waardoor archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk is.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Juist is het voornemen om cultuurhistorische elementen te behouden en te versterken en om met nieuwbouw rekening te houden met een passend erfensemble met de bestaande bebouwing.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen:
nieuwbouwlocatie woning
Op een locatie gelegen ten zuiden van Gammelkeresweg 4 te Deurningen, kadastraal bekend gemeente: Weerselo, Sectie: W, nummer(s): 1038 is op 31 januari 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 7.
De locatie betreft een landbouwperceel en een schuurtje, met bestemming ‘agrarisch’ in het
buitengebied van Deurningen. Initiatiefnemer is voornemens het omgevingsplan te wijzigen naar
‘Wonen’ en één woning met meerdere bijgebouwen te realiseren. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Gehele locatie
In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen.
In het grondwatermonster 01-01-1 zijn geen verhogingen aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte
materialen op het maaiveld aangetroffen.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de
aanwezigheid van asbest.
In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
Eindconclusie bodemonderzoek
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet
noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde
gebruik.
huidig erf en opstallen
Op een locatie gelegen aan Gammelkeresweg 4 te Deurningen, kadastraal bekend gemeente: Weerselo, Sectie: W, nummer(s): 101 is op 20 april en 2 mei 2022 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707/5897 uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 8.
De locatie aan Gammelkeresweg 4 te Deurningen betreft een voormalig agrarisch bedrijf met bedrijfsgebouwen. Op de locatie staat een woonboerderij, twee varkensschuren, een bergloods, een hooischuur, een schapenhok en enkele kleine loodsen. De onderzoekslocatie bestaat uit het gehele erf, een zone om de gebouwen en een gedeelte landbouwgrond (zie bijlage III van het rapport).
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Erfgedeelte
In de bovengrondmengmonsters BM3 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen.
In het bovengrondmengmonster BM1 zijn lichte verhogingen zink en kwik aangetroffen. In het
bovengrondmengmonster BM2 zijn lichte verhogingen kobalt, zink en PAK 10 VROM aangetroffen.
In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen.
In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en zink aangetroffen.
Dieseltank
In het bovengrondmengmonster BM5 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het
grondwatermonster Pb2wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen.
Landbouwgrond
In de bovengrondmengmonsters BM6 en BM7 zijn geen verhogingen aangetroffen.
In de ondergrondmengmonsters OM3 en OM4 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen.
In het grondwatermonster Pb40wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en barium aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" & NEN5897 “asbest in puin”
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Erfgedeelte
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.
In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
Druppelzones
Ter plaatse van de druppelzones zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld.
De mengmonsters van DZ1 en DZ4 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Uit de analyse van DZ4 blijkt ook dat van de zeeffractie <0,5mm asbestverdachte vezels bevat.
Hierop is besloten om het monster middels SEM te analyseren. Uit de SEM-analyse blijkt dat er 7 asbestvezels gemeten zijn met een gehalte van 7 mg/kg ds. De totale concentratie asbest komt uit op 24 mg/kg ds. Hiermee blijft het gehalte onder de norm van 50 mg/kg ds. Er is geen sprake van 'onaanvaardbare risico's buiten'. Er dient opgemerkt te worden dat het mengmonster van DZ2 niet voldoet aan de minimale hoeveelheid monstermateriaal. Echter wordt niet verwacht dat dit invloed heeft gehad op de monstername en de analyse.
Resumerend
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Het waterschap Vechtstromen heeft de Watervisie in 2050 ontwikkeld. Hierin zijn zeven hoofdlijnen opgenomen:
De ontwikkeling voorziet in het slopen van landschapsontsierende bebouwing, renoveren van karakteristieke bebouwing, het realiseren van een woning en het herstellen van het cultuurhistorische landschap door middel van een landschappelijke inpassing. De verschillende beplanting in het gebied draagt bij aan de biodiversiteit, waardoor de bodem beter water op kan nemen en kan vasthouden. Doordat er een significante afname is van verharding, kan het water in de omgeving goed afstromen en opgenomen worden. In de toekomstige situatie is het plangebied niet meer agrarisch in gebruik, dus zal er geen sprake zijn van mogelijke vervuiling van het water van agrarische activiteiten. Het levert dus voordelen op voor de kwaliteit van het water. Daarmee wordt er invulling gegeven aan de watervisie 2050 van Waterschap Vechtstromen.
Waterparagraaf ‘toekomstgericht waterbeheer’
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Watertoetsproces
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 07-08-2025 de digitale watertoets uitgevoerd voor de locatie. Bijgevoegd in Bijlage 9.
De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de korte procedure volstaat voor dit plan en dit is door het waterschap Vechtstromen per mail bevestigd op 11-08-2025. Een korte uitwerking voor de waterhuishouding volgt daarom hieronder.
Voor de planlocatie geldt dat het bestaande afvalwatersysteem ook benut wordt in de toekomstige situatie. Er wordt daarnaast een ruime hoeveelheid bebouwing en verharding verwijderd bij het saneren van het voormalig agrarisch bedrijf. In de nieuwe situatie is sprake van een afname van verharding, waardoor er voor de waterhuishouding geen problemen ontstaan. Hemelwater kan daarbij vertraagd infilteren in de directe omgeving van het erf. Zowel aan de noord- als oostzijde is op hoogtekaarten zichtbaar dat gronden lager liggen ten opzichte van het toekomstig woonerf, waardoor vertraagde afvoer c.q. infiltratie hier goed mogelijk is.
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Met inachtneming van de voorgaande genoemde aandachtspunten hebben de functies en de grootte van het plan een geringe invloed op de waterhuishouding.
Het aspect water vormt met inachtenming van vorenstaande geen belemmering voor het planvoornemen.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
Voor het noordelijke deel van het erf geldt dat binnen een 50 meter zone voor het overgrote deel eigen gronden van initiatiefnemer zijn gelegen. Hierop kan een zone geprojecteerd worden. Waar het niet gaat om eigen gronden is voor het overgrote deel sprake van gronden met de functie bos-natuur. Wat rest is een overhoek dat in de praktijk in gebruik is als tuin. Het opleggen van een spuitvrije zone is niet noodzakelijk geacht.
In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een nieuwe woning gesitueerd en deze ligt op een afstand van 35 meter van de functie agrarisch-1 en deze gronden zijn voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt'. Er wordt een 5 meter brede struweelhaag gerealiseerd als ruimtelijke afscheiding en de aanleg en instandhouding wordt geborgd middels een zogenoemde voorwaardelijke verplichting.
Voorts is het van belang dat op de betreffende agrarische gronden geen boom- en sierteelt is toegelaten en dat de meest dominante windrichting in de maanden april tot en met juni noordwest is en in de maanden juli tot en met oktober westzuidwest is. Gelet op deze locatiespecifieke omstandigheden kan de afstand van 50 meter worden verkleind en is er geen spuitzone benodigd op gronden van derden.
Conclusie
Gelet op locatiespecifieke omstandigheden is aan de zuidzijde van het plangebied de afstand van 35 meter afdoende geacht en is er ter plaatse van nieuwe woning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Gammelkeresweg 4 in Deurningen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIGAMMELKERES4-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functie:
Is overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege zonder bouwmogelijkheden. Daarnaast zijn spuitvrije zones voor gewasbeschermingsmiddelen toegevoegd aan deze functie ter bescherming van de woonlocaties. De betreffende functie valt binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen, de spuitvrije zones of omdat deze liggen op het te verwijderen deel van het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten voor zover nodig.
Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied
Het erf op de planlocatie is voorzien van een woonfunctie. De planregels komen vanuit het omgevingsplan van rechtswege en zijn op enkele punten gespecificeerd op de planvorming.
De nieuwe woningen en het karakteristiek zijn specifiek aangeduid om zo de beoogde erfsituatie vorm te geven.
Op de locatie zijn gronden aangemerkt als 'Waarde - Essen'. Deze gebieden hebben een specifieke landschappelijke betekenis voor Noordoost Twente. Daarnaast zijn de gebieden extra beschermd door middel van een omgevingsvergunning. Vanwege het agrarisch gebruik van de gronden is in de praktijk gebleken dat door het herhaaldelijk oogsten van gewassen, waarbij grond met de producten wordt afgevoerd, er een langzame daling van de hoogte van de essen plaatsheeft.
In de gebiedsaanwijzing functie is nu een verbod opgenomen op grond waarvan die aantasting is verboden. Na de oogst zal de grond derhalve weer tot het oorspronkelijke niveau moeten worden hersteld.
De 'Waarde - Landschap' is toegekend om de waardevolle landschapselementen te behouden door deze als zodanig te aan te duiden. Binnen deze gebiedsaanwijzing zijn regels gesteld voor werkzaamheden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 9 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 10 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.