direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Denekamp, Ootmarsumsestraat 6-8
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie Ootmarsumsestraat 6-8 te Denekamp is door Mijande Wonen, Denekamp een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer wil op deze locatie de bestaande bebouwing, waarvan twee woningen, vervangen door 5 nieuwe woningen. Deze ontwikkeling past niet binnen de geldende bestemming, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit de gronden aan de Ootmarsumsestraat 6-8 te Denekamp. Denekamp ligt in het oosten van de gemeente Dinkelland, nabij de Duitse grens ter hoogte van de kern Nordhorn. Denekamp is het bestuurlijk centrum van de gemeente en heeft een centrum- en verzorgingsfunctie voor de omliggende kleine kernen Lattrop, Tilligte en Noord-Deurningen. Er wonen circa 8.800 mensen.

Het plangebied ligt op in het centrum van Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp sectie O nummers 2106 en 2107. Een klein deel van het perceel kadastraal bekend gemeente Denekamp sectie O nummer 3626 zal gebruik worden voor de ontsluiting van het plangebied. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied met een rode cirkel weergegeven. Binnen figuur 1 zijn ook het plangebied (groen omlijnd) en de ontsluiting (blauw omlijnd) op een kadastrale ondergrond aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor de betreffende gronden geldt het bestemmingsplan 'Denekamp kern', vastgesteld op 9 oktober 2012. Aan het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van een molenbiotoop. Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de geldende verbeelding. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. De bouw- en goothoogte bedragen respectievelijk 8 m en 4 m. Het huidige bouwvlak is te klein om de bouw van vijf woningen mogelijk te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Denekamp kern' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse twee woningen mogelijk met de daarbij bijbehorende bouwwerken.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Denekamp, Ootmarsumsestraat 6-8' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:1000 (tek. nr. NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-)
  • Bijlagen bij de toelichting
  • Regels

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Denekamp is één van de oudste kernen in Twente. Het dorp is ontstaan op een relatief hooggelegen plek, waar men buiten bereik was van het overstromingswater van de rivier de Dinkel. In de tijden voor Christus was Denekamp een Keltische nederzetting, totdat Germaanse stammen de streek gingen bevolken, vlak voor en na het begin van de jaartelling. De bewoners van het dorp waren van oudsher landbouwer. Rond 600 na Christus wordt het essenlandbouwsysteem geïntroduceerd waarbij van nature hogere gronden worden benut als akkerbouw en het grasland in de beekdalen als weidegrond voor het vee.

Met het organische materiaal uit de potstallen werden de akkers opgehoogd, waardoor in de loop der tijd een dik esdek ontstond. Rond de 8e eeuw wordt Denekamp genoemd als deel van het zogenoemde kerspel Ootmarsum. In een register van de kerkelijke tienden uit het jaar 1276 komt Denekamp (Demnichem) voor het eerst voor als een zelfstandige parochie.

Rond de 15e eeuw is Denekamp een betrekkelijk klein dorp met amper 100 huizen, verspreid langs een enkele dorpsstraat in de nabijheid van een kerk. Deze kerk, gewijd aan de heilige Nicolaas, is in de 13e eeuw gebouwd en vormt nu nog steeds het centrum van het dorp.

Vooral in de laatste anderhalve eeuw hebben veel boerderijen in het dorp plaatsgemaakt voor woningbouw en andere stedelijke functies.

2.2 Huidige ruimtelijke en functionele structuur

In de huidige ruimtelijke structuur van Denekamp is de ontstaansgeschiedenis als historisch esdorp nog enigszins herkenbaar in de historisch gegroeide radiale wegenstructuur, waarbij wegen uit de verschillende richtingen bijeenkomen in het centrum. Daarnaast is een aantal oudere gebouwen in het dorp zodanig waardevol dat ze zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument.

Het overgrote deel van de bebouwing in Denekamp heeft een woonfunctie. Na 1950 vindt een forse toename van de woonbebouwing in Denekamp plaats. De eerste uitbreidingen liggen rondom het huidige centrumgebied, latere uitbreidingen zijn vooral in noordoostelijke richting gesitueerd. De naoorlogse uitbreidingen bestaan voornamelijk uit rijwoningen, twee-onder-één-kap-woningen en vrijstaande woningen. Aan de noordoostzijde van het dorp zijn in de jaren 90 van de vorige eeuw ook twee bedrijventerreinen gerealiseerd (Kloppendijk en Sombeekweg).

Vooral als gevolg van de voormalige verkeersfunctie van de wegen in het centrumgebied, komt in het centrum van Denekamp relatief weinig groen voor. Aan de randen van het centrumgebied komt wel veel groen voor, vooral in de vorm van grotere groenstroken. Het groen heeft zowel een recreatieve als een ecologische functie.

Vanuit het oogpunt van voorzieningen is Denekamp zeer compleet. Het aanbod aan voorzieningen is groot. Zo zijn er in het dorp talrijke winkels, waaronder een aantal supermarkten, horecavoorzieningen, scholen, sportvoorzieningen, huisartsen, het gemeentehuis en voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer. Het centrumgebied vervult daarbij de meeste maatschappelijke, culturele en sociaal-economische functies. Zowel de bevolking van Denekamp zelf als de omliggende dorpen maken gebruik van deze voorzieningen.

Na de aanleg van de randweg in 2004 ontstond de mogelijkheid het centrumgebied van Denekamp autoluw te maken. Het centrum heeft sindsdien een grondige herstructurering ondergaan. In het centrumgebied en in het overige deel van het dorp is ook een aantal bedrijven gevestigd. De betreffende bedrijven zijn over het algemeen kleinschalig van omvang. Op een aantal plaatsen wordt de woonfunctie gecombineerd met een aan-huis-gebonden-beroep, met detailhandel of met een bedrijfsfunctie.

2.3 Huidige situatie plangebied

In de huidige situatie is er aan de Ootmarsumsestraat 6-8 sprake van leegstaande bebouwing/woningen. Op het perceel Ootmarsumsestraat 8 heeft in het verleden een elektricien gezeten. Sinds enige jaren staat de (woon)bebouwing op het perceel leeg. In figuur 2.1 is via streetview de bestaande bebouwing in beeld gebracht. Zoals is te zien vindt de bestaande ontsluiting plaats op de Ootmarsumsestraat.

Deze bebouwing wordt inclusief de achter op het perceel Ootmarsumsestraat 4a aanwezige garageboxen gesloopt, waardoor het perceel geheel heringericht kan worden voor de nieuwe bebouwing en waarbij een goede ontsluiting op het Julianaplein mogelijk gemaakt kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: Bestaande bebouwing Ootmarsumsestraat 6-8 Denekamp via streetview (bron: Google earth)

2.4 Toekomstige situatie

Door Mijande Wonen is een plan ontwikkeld dat toeziet op de bouw van vijf zogenaamde 'nultreden'-woningen (grondgebonden). Op de begane grond bevinden zich de woonkamer, keuken, slaapruimte en badkamer.Twee woningen betreffen de vervanging van de twee bestaande woningen, nummers 6 en 8. De nieuwe woningen worden aaneen gebouwd en zijn zeer geschikt voor zorgbehoevenden en/of alleenstaande of twee-persoonshuishoudens. De wooneenheden hebben een oppervlakte van circa 75 m² - 80 m². De bouw- en goothoogte sluit aan op de ter plaatse toegestane bouw- en goothoogte van respectievelijk 8 m en 4 m. De woningen bestaan uit één bouwlaag met kap. Onder de kap is is ruimte aanwezig voor onder andere berging en een extra slaapkamer. Over deze woningen hebben gesprekken plaatsgevonden met Avelijn. In deze woningen zullen mensen gehuisvest worden die zelfstandig kunnen wonen, maar begeleiding op afstand hebben.

Achter op het terrein wordt voldoende parkeerruimte (zes parkeerplaatsen) gerealiseerd. Dit aantal is voor de vijf woningen en de bewoners voldoende voldoende geacht. De ontsluiting vindt plaats via het Julianaplein. In figuur 2.2 is de nieuwe situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: nieuwe situatie vijf geschakelde woningen (bron: Leferink Architecten)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruime is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

De procesvereiste ziet er als volgt uit:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Toetsing trede 1: actuele regionale behoefte

De woningbehoefte moet volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening passen binnen de actuele regionale behoefte.
In dat verband is van belang dat in december 2014 door de gemeenteraden van de Twentse gemeenten is ingestemd met de Regionale Woonvisie Twente 2015-2025 'Natuurlijk Wonen in Twente'. Onderdeel van de regionale woonvisie is het programmeren van de woningbehoefte van de Twentse gemeenten. Uitgangspunt in de Regionale Woonvisie Twente is dat gemeenten mogen bouwen voor de lokale behoefte, hetgeen getoetst wordt aan de Primosprognoses voor elke gemeente afzonderlijk. De Primosprognose 2013 is daarbij als uitgangspunt gekozen.

Medio 2015 hebben er onder begeleiding van de STEC-groep inventarisaties plaatsgevonden van harde en zachte plannen, sloopopgaves etc. Dit plan aan de Ootmarsumsestraat te Denekamp maakt deel uit van die inventarisatie wat betreft de nog zachte plannen.
Afgezet tegen de optelsom van de harde en zachte plannen is er in verhouding tot de huishoudensontwikkeling volgens de hiervoor genoemde Primosprognose 2013 voor Dinkelland nog een marge voor niet voorziene plannen van ruim 20%.

Uit de Primosprognose 2014 en de recente Primosprognose 2015 blijkt dat Dinkelland nog meer huishoudensontwikkeling kent en daarmee meer woningen zou kunnen realiseren dan waarin de opgave aan harde en zachte plannen voorziet..

Overigens blijkt uit meerdere uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat kleinschalige woningbouw geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (o.a. ABRS 18 december 2013, 201302867/1/R4 waarbij het ging om 6 woningen en ABRS 24 december 2014, 201405237/1/R4, waarbij het ging om 8 woningen en ABRS 8 april 2015, 201401119/1/R1, m.b.t. de bouw van 9 woningen).

De woningen in het voorliggende plan kunnen worden toegerekend aan de lokale behoefte.

Toetsing trede 2: bestaand stedelijk gebied

In deze tweede trede moet worden beoordeeld of, indien er een regionale behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Het plangebied bevindt zich in het centrum van Denekamp en ligt derhalve volledig binnen bestaande stedelijk gebied. Er is geen sprake van een uitleglocatie buiten het stedelijk gebied.

Toetsing trede 3: ontsluiting/bereikbaarheid

In de derde trede moet worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling mogelijk is op locaties die al ontsloten zijn of ontsloten worden door verschillende modaliteiten (zogenaamd multimodaal ontsloten) op een schaal die passend is bij de beoogde ontwikkeling.

Nu geen sprake is van een ontwikkeling buiten het stedelijk gebied, is een onderzoek naar de verschillende ontsluitingsmogelijkheden niet nodig. Binnen het stedelijk gebied ligt een goede infrastructuur, waarbij het openbaar vervoer op korte afstand bereikbaar is.

3.1.3 Conclusie Rijksbeleid

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Het project kan niet aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder van duurzame verstedelijking van toepassing is. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2009 betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en vervoerplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omgevingsvisie is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden.

In 2013 is de Omgevingsvisie op een aantal onderwerpen aangepast. Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld. Reden voor deze actualisatie is de evaluatie van de Omgevingsvisie en het Hoofdlijnenakkoord uit 2011. De actualisatie richt zich alleen op de volgende onderwerpen: de ecologische hoofdstructuur (EHS), het streefbeeld Wegencategorisering, windenergie (rol provincie), nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's), kantorenbeleid, definitie van lokaal gewortelde bedrijvigheid, ruimtelijke reservering gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. en tot slot de aanpassing van de verordening op basis van eerder uitgevoerde evaluatie. Wanneer hieronder wordt gesproken over de Omgevingsvisie, dan is dat de geactualiseerde versie.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik bij bebouwing door hantering van de zogenaamde 'SER-ladder'; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; hierbij is afstemming tussen gemeenten over woningbouwprogramma's en bedrijfslocaties noodzakelijk;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. generieke beleidskeuzes;
  • 2. ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. gebiedskenmerken.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht en getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0005.png"

Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Toets

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' is artikel 2.2.2 van de Omgevingverordening Overijssel van belang. Hierin is aangegeven dat bestemmingsplannen voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel. Bij voorliggend plan is hier sprake van, zie ook paragraaf 3.3.3.

Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; en tot slot het groene karakter. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Denekamp, waar de bovengenoemde kernkwaliteiten niet aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente.

Voor het overige zijn er in het kader van de 'generieke beleidskeuzes' geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Toets

Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus'. Veelzijdige mix van woon- en werkmilieus elk met een eigen karakteristiek. De identiteit en eigenheid van de kernen is leidend bij opgaven als herstructurering, inbreiding en uitbreiding. Het onderhavige bouwplan zorgt niet voor aantasting van de identiteit en eigenheid van het plangebied.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het plangebied ligt binnen het bestaande stedelijke gebied van Denekamp, waardoor alleen de stedelijk laag van toepassing is. De andere lagen kunnen voor dit plan buiten beschouwing blijven.

De 'stedelijke laag'

Binnen deze laag ligt de locatie Ootmarsumsestraat 6-8 te Denekamp in een gebied met de aanduiding 'bebouwingsschil 1900 – 1955'. Als herstructurering, inbreiding en toevoeging van bebouwing plaats vinden in de individueel ontwikkelde stadswijken van de bebouwingsschil 1900-1955, dan dragen deze bij aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ontwikkelingen voegen zich in maat, schaal en ritme naar de omliggende bebouwing.

Onderhavig bouwplan zorgt niet voor aantasting van de bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied. Het bouwplan past qua maatvoering in het stedelijk gebied van Denekamp.

3.2.4 Conclusie provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.

Op de structuurvisiekaart ligt het plangebied binnen de verzorgingskern Denekamp. De visie op hoofdlijnen voor de kern Denekamp is als volgt:

  • Woningbouw uitbreiding vindt plaats binnen de schil van de nieuwe randweg. De gebieden binnen de schil zijn aangewezen als zoekgebied voor uitbreiding woonbebouwing;
  • Extensieve woningbouw is voorzien in het gebied rondom de voormalige vuilstort bij 't Diepengoor. De vuilstort zelf is in beeld als groenvoorziening;
  • Afronding van de wijk Pierik;
  • Zandkuil locatie voor twee landschappelijk ingepaste woningen;
  • Afronding herinrichting centrum;
  • Uitbreiding bedrijventerrein Sombeek IV. Essentieel voor inpassing van de uitbreiding van het bedrijventerrein is een goede presentatie aan de noordelijke entree van Denekamp;
  • Herstructurering bedrijventerrein Kloppendijk / Sombeek. De inrichting en presentatie van het bedrijventerrein vormt een groot aandachtspunt;
  • Mogelijke herbestemming sportterrein voormalige sportclub Denekamp tot woonlocatie.

Voor het aspect 'Wonen' is het belangrijk dat de kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo als verzorgingskern zijn aangewezen. In deze kernen wordt gestreefd naar het concentreren van onder meer de grotere gemeenschapsvoorzieningen en woningen voor ouderen. De gemeente streeft verder naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Bij nieuwe woningbouw gaat de voorkeur in eerste instantie uit naar inbreiding en herstructurering voordat
er uitbreiding plaats vindt. Voor kleinschalige grondgebonden woningbouw in de bebouwde kom, zonder functiemenging, heeft de gemeente Dinkelland een toetsingskader vastgesteld in de beleidsnota Inbreidingslocaties (29 maart 2011).

Met voorliggend plan worden op een inbreidingslocatie in de verzorgingskern Denekamp vijf nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hiervan dienen er twee ter vervangen van de bestaande woningen Ootmarsumsestraat 6 en 8. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan in lijn is met het beleid uit de structuurvisie.

3.3.2 Beleidsnota Inbreidingslocaties

Op 29 maart 2011 is de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties' door het gemeentebestuur van Dinkelland vastgesteld. De belangrijkste aanleiding voor het opstellen van beleid op inbreidingslocaties was het ontbreken van beleid op basis waarvan beoordelingen konden worden gebaseerd om al dan niet mee te werken aan de bouw van woningen. Het woningbouwprogramma, waarin is vastgelegd hoeveel woningen in de gemeente mogen worden gebouwd gedurende een bepaalde periode vormt daarbij een belangrijk onderdeel.

Van het maximaal aantal te bouwen woningen dient 40% binnenstedelijk gerealiseerd te worden. De gemeente probeert dit aantal zo efficiënt mogelijk te plannen, daarom is het van belang dat aanvragen voor bouwen op inbreidingslocaties goed beoordeeld en beargumenteerd kunnen worden. Het bouwen van een enkele woning gaat namelijk altijd ten koste van het totaal aantal woningen zoals vastgelegd in het woningbouwprogramma. De doelstelling van de nota is als volgt geformuleerd: 'het komen tot een beleidsinstrument om aanvragen voor bouwen op inbreidingslocaties ruimtelijk te verantwoorden en gemaakte keuzes te kunnen beargumenteren, zodat een eenduidige beoordeling wordt gegeven ter vergroting van de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.'

Of een ontwikkeling past binnen de beleidsnota wordt beoordeeld aan de hand van de volgende stappen:

  • 1. Planologische toetsing
  • 2. Toetsing aan beleid
  • 3. Stedenbouwkundige toetsing
  • 4. Toetsing aan milieuhygiënische aspecten
  • 5. Toetsing aan waarden
  • 6. Toetsing aan programmatische mobiliteitsaspecten

De stappen 1,2,4,5 en 6 zijn in het kader van deze toelichting beoordeeld.

De gemeente Dinkelland heeft echter een actualisatie van de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties' in voorbereiding. Omdat het ontwerp al ter inzage is gelegd, wordt de geactualiseerd nota hierna beschreven.

3.3.3 Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2016

De gemeente Dinkelland is bezig om de Beleidsnota Inbreidingslocatie te actualiseren. Daarvoor is met ingang van 12 oktober 2015 het ontwerp van de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2016' gedurende vier weken ter inzage gelegd.

Aanleiding van de herziening van de nu nog geldende beleidsnota vormen wijziging van de ruimtelijke regelgeving (Besluit ruimtelijke ordening), een toenemende leegstand en de demografische ontwikkeling. De herziening schetst daarvoor het actuele beleidskader en biedt een handreiking voor de toetsing van dergelijke aanvragen. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de lokale regelgeving te harmoniseren.

Harmonisatie

Zowel Dinkelland als Tubbergen staan voor de opgave een nieuwe woonvisie en daarmee samenhangend woningbouwprogramma vast te stellen. Daarbij is ook het verdelingsvraagstuk van het woningbouwcontingent tussen uitleglocaties en inbreidingslocaties aan de orde. Eenduidigheid van beleid draagt bij aan duidelijkheid voor onze inwoners en verbetering van de dienstverlening.

Leegstand

Niet alleen de economische teruggang van de afgelopen jaren maar ook de demografische ontwikkeling (snelle vergrijzing) en de groei van het internetshoppen leiden tot een toenemende leegstand van commercieel en maatschappelijk vastgoed zoals winkels en scholen.

In het coalitieprogramma gemeente Dinkelland 2014-2018 wordt aangegeven de ontwikkeling van de woonvisie en de detailhandel te willen combineren. Daarbij als doel te komen tot een compact centrum met in de periferie kleine woonunits die met name geschikt zijn voor de 'nieuwe' ouderen en voor startende jongeren.

Wetswijziging (aanpassing Besluit ruimtelijke ordening)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het rijk is de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd (daarvoor ook genaamd de SER-ladder). Deze ladder is er op gericht om bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten een zorgvuldige afweging te maken waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 2 wordt nadere uitleg gegeven over de werking van de ladder.

Overeenkomst met initiatiefnemer

In een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer dient geregeld te worden wat er gebouwd gaat worden, voor welke doelgroep, hoe de verkoop plaats zal vinden en in welke prijsklassen gebouwd gaat worden. Met het opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit zijn kosten gemoeid. Voor een deel wordt daarin voorzien door legesheffing. Overige kostentoerekening zoals onderzoekskosten, het verhaal van eventuele planschade en nadere eisen voor de planontwikkeling zoals een beplantingsplan, nutsvoorzieningen, infrastructuur e.d. worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer.

Aan de hand van diverse aandachtspunten wordt beoordeeld of een initiatief past binnen de uitgangspunten en doelstelling van de beleidsnotitie. Daarbij wordt onder andere gekeken naar:

  • 1. Planologie

Hierbij wordt onder andere gekeken naar relevante beleids- en omgevingsaspecten, zodat woningbouw op de bewuste locatie als een aanvaardbare vervolgfunctie kan gelden.

  • 2. Beleid

Het bestaande beleid waar ontwikkelingen aan getoetst worden, betreft onder meer

  • a. Rijksstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte: toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6, lid 2 Bro);
  • b. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel: woonafspraken
  • c. Gemeente:
    • 1. Structuurvisie Dinkelland (ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen per keren en locaties)
    • 2. Woonvisie 2015+: woningbouwprogramma totaal en per kern en doelgroepen
    • 3. Beleidsnota Inbreidingslocaties concept (29 september 2015).
  • 3. Stedenbouwkundige aspecten

De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is. Daarbij kan de gemeentelijke kwaliteitsgroep in te schakelen voor de stedenbouwkundige toets.

  • 4. Aansluiting op de omgeving

Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving.

De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving. In verband met dit aspect wordt het plan voorgelegd aan de kwaliteitsgroep, een deskundige en objectieve groep die beoordeelt of het plan stedenbouwkundig verantwoord is op de betreffende locatie.

  • 5. Herstructurering of transformatie

Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 Bro) vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop van een bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v. door sloop en nieuwbouw waardoor met een ander type woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen. Het bebouwen van lege plekken valt niet onder transformatie en herstructurering.

  • 6. Behandeling en prioritering locaties

Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld.

Primair komen in aanmerking plannen die betrekking hebben op een van de volgende situaties:

  • de sanering van een (milieuhinderlijk) bedrijf uit de woonomgeving;
  • het vervangen van een reeds langer leegstaande gebouw zoals een horecapand, winkelpand of schoolgebouw;
  • Het oplossen van een stedenbouwkundig ongewenste situatie;
  • Het bijdragen aan het realiseren van gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in een structuurvisie, woonvisie of bestemmingsplan.

Toets

de woningen worden aaneengebouwd en hebben een breedte van 6,20 m. Het gaat om grondgebonden woningen welke aansluiten op de bebouwing in de omgeving. Bij aaneengesloten bebouwing van twee of meer woningen hebben de buitenste woningen (hoofdbouw) 3 meter zijdelingse perceelsgrenzen of aansluitend op de omgeving. In het onderhavige bestemmingsplan is er ruimte tot de zijdelingse perceelsgrens en wordt aangesloten op de naastgelegen bebouwing. De voorgevelrooilijn (voortuin) sluit aan op de omgeving. De Woningen hebben een diepte van 12 m en het daarachter gelegen terrein (achtertuin) heeft een diepte van ongeveer 20 m. Op dat gedeelte zal ook de parkeergelegenheid gerealiseerd worden. De nieuwe woningen zijn aan de Ootmarsumsestraat gesitueerd. De goot- en nokhoogte sluiten aan op de hoogtes van de goot en nok in de omgeving.

Met het voorliggende plan wordt aan de uitgangspunten van zowel de geldende als de toekomstige beleidsnotitie voldaan. Aanvullend wordt opgemerkt dat de nieuwe bebouwing iets verder van de Ootmarsumsestraat wordt gerealiseerd en dat in overleg met het kwaliteitsteam van de gemeente is een ontwerp tot stand gekomen die op instemming van de gemeente heeft gekregen. Mede gelet op de sloop van de bestaande leegstaande gebouwing is er sprake van een verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit.

3.3.4 Woonvisie 2011+

Op 20 maart 2012 is door de raad van Dinkelland de 'Woonvisie 2011+' vastgesteld. In deze beleidsnotitie staat op hoofdlijnen het beleid voor wonen beschreven. Om in 2020 een aantrekkelijke agrarisch-toeristische gemeente te kunnen zijn, wordt gezamenlijk met de meest bij het wonen betrokken partijen, de volgende doelen nagestreefd:

  • In Dinkelland wordt een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu geboden.
  • Een Dinkellander kan in de gemeente altijd een woning vinden die past bij zijn
  • woonwensen.
  • Voor het huisvesten van starters en zorgbehoevende senioren is extra aandacht.
  • Verzorgd wonen kan in Dinkelland in drie verzorgingskernen.
  • Duurzaamheid en energiezuinig bouwen is een belangrijke opgave.
  • Er is veel aandacht voor de inrichting van de openbare ruimte.
  • De leefbaarheid van de kernen wordt bewaakt.
  • Samen met de belanghouders worden deze doelen vormgegeven.

In de beleidsnota wordt vervolgens per kern een uitwerking met doelstellingen beschreven. De aandachts- actiepunten voor Denekamp zijn:

  • De lokale woonbehoefte voor Denekamp wordt geraamd op ongeveer 110 woningen voor de periode 2010-2014. Vanuit het aantal van 110 woning is 10% bestemd voor huurwoningen. In die periode zijn in de kern Denekamp geen huurwoningen gerealiseerd.
  • Het is wenselijk om in Denekamp een locatie binnen de woonservicezone te zoeken die bestemd kan worden voor het realiseren van ca 40 woningen voor verzorgd wonen.
  • Er bestaan plannen om het woon- en zorgcentrum St Jozef uit te breiden met 24 plaatsen voor psychogeriatrische patiënten.

Toets

Bij voorliggend plan is sprake van een inbreidingslocatie waarbij feitelijk drie extra woningen worden gerealiseerd en wel als huurwoningen door de plaatselijke woningcorporatie. Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2011+.

3.3.5 Welstandsnota

De gemeente Dinkelland heeft voor de beeldkwaliteit in de gemeente een welstandsnota vastgesteld. Deze bevat de basisvoorwaarden voor beeldkwaliteit, waaraan omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Het plangebied valt binnen het gebiedstype H2.3 'Uitlopers esdorp'. Voor de uitlopers van het esdorp Denekamp geldt het PLUS niveau van welstand. De dynamiek in deze uitlopers met gemengde bebouwing is relatief hoog. Functieveranderingen en ruimtelijke ingrepen zijn hier aan de orde van de dag. Omdat in de gemengde gebieden nog veel traditionele historische bebouwing staat met een relatief hoge cultuurhistorische waarde is extra aandacht voor welstand in deze gebieden gewenst. Voor het plangebied (rood omlijnd) geldt daarmee een 'PLUS' niveau van welstand (zie figuur 3.3).

Toetsing aan welstand vindt plaats ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0006.png"

Figuur 3.3: Fragment typologiekaart Welstandsnota gemeente Dinkelland

Hoofdstuk 4 Onderzoek

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, flora & fauna, archeologie & cultuurhistorie en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst is niet toereikend. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen:

  • belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of;
  • belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

Toets

Het plan betreft de realisatie van vijf woningen (waarvan twee bestaande woningen vervangen worden) op een inbreidinsglocatie in Denekamp. Deze activiteit wordt niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit, omdat deze plicht pas geldt bij een stedelijke ontwikkeling met een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 woningen of meer en bij een ontwikkeling met een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer. Het milieubelang is in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen in de plantoelichting. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Bedrijven en Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan:

  • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;
  • horecaconcentratiegebieden;
  • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;
  • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

Richtafstanden die bij deze twee gebieden horen zijn in figuur 4.1 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0007.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden Bedrijven en milieuzonering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Toets

Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is, gelet op de aanwezigheid van verschillende functies, aan te merken als 'gemengd gebied'.

In het plangebied gaat het om de realisatie van vijf woningen. Woningen zijn een milieugevoelige functie. In de directe omgeving van het plangebied staan woningen en zijn ook andere functies aanwezig (kantoor, detailhandel, bedrijf). Aansluitend op de woonbestemming is de bestemming 'Kantoor' geprojecteerd. Voor de toegestane vormen van kantoren geldt een richtafstand van 0 meter.

Aan de achterzijde van het plangebied, Julianaplan 2, was een school gevestigd. Het gebouw staat leeg. Vanwege de maatschappelijke bestemming dient rekening te worden gehouden met een invulling voor maatschappelijke voorzieningen. Onder maatschappelijke voorzieningen wordt volgens het geldende bestemmmingsplan verstaan: educatieve, 'sociaal-medische, museale en sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen'.

Deze voorzieningen zijn binnen een woonomgeving toegestaan. De afstand tussen het bouwvlak met de maatschappelijke bestemming en het beoogde bouwvlak bedraagt ongeveer 25 . Er worden derhalve geen knelpunten verwacht met de beoogde invulling van het hier bedoelde bestemmingsvlak met de bestemming 'Maatschappelijk'.

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect 'bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Omgekeerd leveren de nieuwe woningen geen extra belemmeringen op voor bedrijven in de omgeving.

4.3 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (Kruse Milieu, 17 december 2015, projectcode: 15047110) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie Bijlage 1).

Toets

In totaal zijn er 23 boringen verricht, waarvan er 1 is doorgezet in de ondergrond tot circa 2.8 m-mv en afgewerkt tot peilbuis. 15 boringen zijn in het kader van het nader onderzoek verricht. Gebleken is dat de bodem op de onderzoekslocatie tot circa 1.3 m-mv bestaat uit matig fijn zand dat tot circa 1.0 m-mv tevens zwak siltig en zwak humeus is. Vanaf circa 1.3 m-mv wordt uiterst zandige leem aangetroffen. Van 2.0 tot 2.2 m-mv is matig grof, sterk roesthoudend zand opgeboord, waaronder zich tot einde boordiepte, 2.80 m-mv, matig fijn zand bevindt. In de boringen zijn oer- en/roesthoudende lagen opgeboord. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn in tabellen 2 en 8 weergegeven. Door de veldwerker zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.30 meter min maaiveld.

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

Verkennend bodenonderzoek:

  • de bovengrond is licht verontreinigd met kwik, koper, zink en PAK;
  • de ondergrond, OG I is licht verontreinigd met kwik, lood en zink en matig verontreinigd metPAK;
  • Boring 8 (0.5-0.95) is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood en PAK en sterk verontreinigd met zink;
  • de ondergrond OG II is niet verontreinigd;
  • het grondwater is licht verontreinigd met barium, zink en minerale olie.

Aanvullend bodemonderzoek separate PAK analyses uit ondergrond OG II:

  • Boring 1A (0.2-0.7) is licht verontreinigd met PAK;
  • Boring 1A (0.7-0.9) is niet verontreinigd met PAK;
  • Boring 2 (0.5-0.85) is sterk verontreinigd met PAK.

Nader onderzoek:

  • Boring 15 (0.4-0.8) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK;
  • Boring 17 (0.2-0.7) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK;
  • Boring 20 (0.3-0.8) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK;
  • Boring 23 (0.3-0.8) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK.

De vooraf gestelde hypothese van 'onverdachte locatie' dient te worden verworpen, gezien de aangetoonde verontreinigingen in de vaste bodem en in het grondwater.

In de bovengrond, ondergrond OG I, Boring 8 (0.5-0.95) het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aangetoond. De matig tot sterk verhoogde gehalten in de ondergrond OG en Boring 8 (0.5-0.95) gaven aanleiding voor aanvullend en nader bodemonderzoek.

De ondergrond OG II is niet verontreinigd.

Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem.

De omvang van de sterke grondverontreiniging is in voldoende mate in kaart gebracht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de verontreiniging vermoedelijk diffuus aanwezig is in de ondergrond, zonder dat er sprake is van een duidelijke bron. De onder vermelde omvang dient derhalve als indicatief te worden beschouwd. De omvang van de sterke zinkverontreiniging ter plekke van boring 8, binnen de onderzoeklocatie, wordt geschat op: 60 m2 x 0.5 meter = 30 m³. De omvang van de sterke PAK-verontreiniging ter plekke van boring 2 wordt geschat op: 50 m² x 0.4 meter = 20 m³.

Er is op basis van de geschatte omvang van de sterke bodemverontreiniging sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, aangezien meer dan 25 m3 sterk verontreinigd is. Niet bekend is of de (sterke) bodemverontreiniging bij boorpunt 8 perceelsgrens verschrijdend is.

Sanering in de huidige situatie is op korte termijn niet noodzakelijk omdat de sterke verontreinigingen zich in de ondergrond bevinden en er momenteel geen contactrisico's zijn. Indien in de sterk verontreinigde lagen wordt gegraven, dan moet dit onder saneringscondities plaatsvinden (door erkende bedrijven). Voorafgaande aan een (deel)sanering dient een saneringsplan te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag (provincie Overijssel) dient te worden goedgekeurd.

Uit de gemeentelijke reactie op de onderzoeksresultaten blijkt dat bij de sanering kan worden volstaan met een zogenaamde melding op grond van het Besluit uniforme saneringen (BUS-melding). In deze situatie gaat het om een immobiele verontreiniging. Bij een BUS-melding wordt gecontroleerd of een melding voldoet aan de eisen van BUS. De sanering wordt afgesloten met een evaluatieverslag.

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe woningen, voor zover deze woningen zijn gelegen binnen het onderzoeksgebied van een weg. Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
    • 1. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
    • 2. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
    • 1. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
    • 2. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
    • 3. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau
    vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Dinkelland' vastgesteld. Daarin is voor verschillende gebiedstypen voor de thema's verkeer en bedrijven een passende geuidskwaliteit opgenomen.

Toets

De te bouwen woningen liggen in het gemeentelijke gebiedsgerichte geluidbeleid binnen het gebiedtype 'dorpscentrum'. Het gebiedstype centrum herbergt diverse functies zoals winkels, uitgaansgelegenheden, kantoren en woningen. De relatief hoge dichtheid en diversiteit aan functies zorgt ervoor dat dit gebiedstype een hoger geluidsniveau kent dan bijvoorbeeld het gebiedstype 'woonwijk'. Binnen het centrum geldt de geluidsambitie 'redelijk rustig' (max. 48 dB) en als bovengrens 'onrustig' (max. 53 dB). De Ootmarsumsestraat is gekwalificeerd als een 30-km/h weg.

In figuur 4.2 is de geluidscontour Lden van 48-53 dB weergegeven. Wanneer de nieuwe woningen in de lijn van het perceel 4a worden gezet, zijn er geen knelpunten. Er wordt dan voldaan aan de grenswaarde van 48 dB.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0008.png"

Figuur 4.2: Geluidscontour Ootmarsumsestraat Denenkamp (bron: gemeente Dinkelland)

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Met voorliggend plan zullen extra verkeersbewegingen ontstaan. Deze toename aan verkeersbewegingen is niet groot. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 40 per dag gesteld worden. Er zal geen of nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 is gezet. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 10 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0009.png"

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Risicokaart Overijssel

Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 500 meter van het plangebied dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Op 29 oktober 2015 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets toegepast moet worden. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet, Barro) en provinciale regelgeving (EHS in provinciale verordening).

Toets

Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan flora en fauna (Natuurbank Overijssel, 16 november 2015, Projectnummer 718, versie 1.0), zie ook Bijlage 3. De resultaten zijn in de volgende paragrafen opgenomen.

4.8.1 Ecologische Hoofdstructuur

Het plangebied ligt niet in de Ecologische hoofdstructuur (bron: Provincie Overijssel, 2014). Bij voorliggend plan is sprake van een stedelijke inbreidingslocatie, waarbij bestaande bebouwing vervangen wordt door nieuwbouw. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijk gesteld aan het plangebied. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op soorten en/of habitats buiten het plangebied. Mede gelet op de ligging in Denekamp wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS die volledig buiten Denekamp ligt.

4.8.2 Beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet in- of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek', ligt 3,5 km ten westen van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is zeer lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebieden buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.

4.8.3 Beschermde soorten

Het onderzoeksgebied bestaat uit bebouwing en onbebouwd erf. Een deel van het erf is onverhard en is ingericht als siertuin.

De grondgebonden zoogdieren en amfibieën benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied, ze bezetten er geen vaste rust- of voortplantingslocaties. De in het gebied voorkomende soorten staan vermeld in tabel 1 van de Ff-wet. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en verstoren’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Deze soorten worden door de voorgenomen activiteit niet verstoord, verwond of gedood waardoor de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequentie heeft voor deze soorten.

Het is aannemelijk dat er ieder voortplantingsseizoen vogels nestelen in de tuinbeplanting in het plangebied. Daarbij gaat het om soorten waarvan uitsluitend de bezette nesten beschermd zijn, niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd ‘belang’ wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari.

De aanwezigheid van een verblijfplaats van één of meerdere vleermuizen in de bebouwing in het plangebied kan op basis van een visuele inspectie niet uitgesloten worden. De bebouwing lijkt geschikt als zomer- en paarverblijfplaats en mogelijks zelfs als kraamverblijf. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn volgens de Ff-wet strikt beschermd. Een ontheffing art. 75C van de Ff-wet is vereist om een vaste verblijfplaats te mogen verstoren/vernielen. Om de wettelijke consequentie van de voorgenomen activiteit in beeld te kunnen brengen is vervolgonderzoek nodig gedurende de periode juni-september.

Deze bevindingen staan het proces van het bestemmingsplan evenwel niet in de weg. Voordat de opstallen gesloopt worden, dient duidelijkheid te bestaan over de eventuele aanwezigheid van vleermuizen.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden. Deze wijziging van de wet heeft ervoor gezorgd dat gemeenten een archeologische zorgplicht krijgen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Het plangebied is volgens de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland gelegen in de gebieden aangemerkt als 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Daarnaast ligt het plangebied gedeeltelijk binnen een bufferzone rond een erf. In figuur 4.4 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTMARSUMSESTR68-VG01_0010.png"

Figuur 4.4: Archeologische verwachtings- en advieskaart

Voor gebieden met deze aanduiding geldt een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle periodes. De archeologische resten zijn afgedekt door een plaggendek > 50 cm en daardoor minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn hierdoor goed geconserveerd. Het beleidsadvies bij dergelijkge gebieden luidt 'archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek".

Binnen een bufferzone rond een erf, adellijk huis of watermolen geldt een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het beleidsadvies voor dergelijke zones is "archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek".

Toets

De bodemingrepen bij voorliggend plan bestaan uit de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van vijf nieuwe woningen en de daarbij behorende erfinrichting. De oppervlakte aan bodemingrepen ligt ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.500 m² waarvoor archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Bovendien wordt de nieuwbouw gerealiseerd op hetzelfde perceel waar gesloopt wordt waardoor de grond al geroerd is.

Derhalve geldt conform het beleid voor het aspect 'archeologie' een vrijstelling van verder archeologisch onderzoek.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen monumenten gelegen zijn. Uit de toets aan de waardenkaart blijkt verder niets van andere bijzondere cultuurhistorische waarden waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling vereist is. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

Op circa 170 meter ten westen van het plangebied ligt de Sint Nicolaasmolen aan de Ootmarsumsestraat. Om een verdere verslechtering van de windvang van de molen te voorkomen is in het voorliggende bestemmingsplan de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Deze vrijwaringszone bevat nadere regels omtrent de hoogte van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde in de omgeving van de molen. Ook in voorliggend plan is deze aanduiding overgenomen. Voor de realisatie van de nieuwe woningen vormt dit overigens geen belemmering. Volgens het geldende bestemmingsplan geldt een maximum bouwhoogte van 8 m. Omdat er voldoende afstand is tot de molen kan de maximum bouwhoogte (8 meter) worden gerealiseerd.

Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10 Parkeren / verkeer

Bezoekers van de bewoners kunnen op het achterterrein parkeren. Deze zes parkeerplaatsen worden ontsloten via het perceel Ootmarsumsestraat 4a (eigendom van initiatiefnemer) op het Julianaplein. Het aspect 'parkeren' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

De verkeersbewegingen vinden plaats via het Julianaplein/Julianastraat/Potmaten. Deze wegen zijn berekend op autoverkeer en zijn van voldoende kwaliteit, waardoor het aspect verkeer geen belemmeringen oplevert.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De hiervoor beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels 

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels 

  • Anti-dubbeltelbepaling:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels: 

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels 

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel:

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen

Het plan kent de bestemming 'Wonen'.

Wonen (artikel 3)

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. Ondergeschikt aan deze bestemming zijn toegestaan: wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. Daarnaast is het mogelijk de gronden te gebruiken voor bijbehorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Een woning (hoofdgebouw) mag alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ook de toegestane goot- (4 m) en bouwhoogte (8 m) van de woningen zijn op de verbeelding vastgelegd.

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden bebouwingsbepalingen die betrekking hebben op de oppervlakte (maximaal 85 m²), de situering en de hoogte. Voor wat betreft de situering zijn de bebouwingsbepalingen erop gericht - ter bescherming van het straat- en bebouwingsbeeld - bebouwing aan de voorzijde van de woning te voorkomen. In verband met de bescherming van belangen van buren (privacy, lichttoetreding) gelden ook bij het oprichten van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen achter de (voorgevel van) woningen eisen ten aanzien van oppervlakte, hoogte en situering.

Binnen de woonbestemming wordt ruimte geboden voor een aan-huisverbonden-beroep, dan wel (middels een afwijking) een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Het gaat om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden. Hierbij kan gedacht worden aan klassieke ‘vrije’ beroepen (arts, advocaat, notaris) maar ook aan beroepen als makelaar of accountant of bedrijfsmatige activiteiten als een kapper of een schoonheidsspecialist. Om de ruimtelijke en functionele ondergeschiktheid aan de woonfunctie te waarborgen gelden criteria ten aanzien van de aard en omvang van de activiteiten.

De woonbestemming biedt ook ruimte voor mantelzorg bij woningen. Ten eerste in de vorm van inwoning, daarnaast ook, via afwijking, in de vorm van (tijdelijke) bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Bestaande bijgebouwen kunnen ook worden vergroot ten behoeve van mantelzorg. Voorwaarde is wel dat de noodzaak van de mantelzorg (op medische gronden) hierbij wordt aangetoond.

Vrijwaringszone - molenbiotoop (Artikel 7)

Middels de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' is bepaald dat in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) op of in deze gronden niet hoger mag worden gebouwd dan:

  • binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  • buiten een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.

Daarnaast is het artikel beschreven welke uitzonderingen en afwijkingsbevoegdheden op deze regels van toepassing zijn.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.

Rijkswaterstaat
Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat zij tijdig betrokken wenst te worden bij plannen die betrekking hebben op de drie netwerken die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn: het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.

Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke uitgevoerd door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.

Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft een lijst (april 2015) opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Woningbouwplannen binnen bestaand stedelijk gebied worden niet in die lijst genoemd, waardoor vooroverleg nodig is.

Bij e-mailbericht van 19 februari 2016 geeft de provincie Ovijerssel te kennen dat het plan voor geen aanleiding geeft om GS te adviseren een zienswijze in te dienen.

Waterschap Vechtstromen
Op 29 oktober 2015 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap Vechstromen een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 februari 2016 tot en met 31 maart 2016 voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.