| Plan: | Buitengebied, Korenmorsweg 2 Denekamp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIWPKORENMORSW2-VG01 |
Op het perceel aan de Korenmorsweg 2 te Denekamp, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, exploiteert initiatiefnemer een agrarisch rundveebedrijf. Op het erf bevinden zich twee bedrijfswoningen en enkele agrarische opstallen.
Initiatiefnemer is voornemens om het rundvee op een andere wijze te gaan voeren om een constantere voersamenstelling te kunnen garanderen. Concreet is het voornemen om de bestaande voerkuilen vervangen door twee grote voerkuilen van 13,5 meter breed bij 80 meter lang en met een zijwandhoogte van 3 meter. Voeren vanuit meerdere kleinere kuilplaten heeft namelijk enkele nadelen. Een schommelende voersamenstelling en het feit dat de dieren steeds opnieuw moeten wennen aan een andere voerkuil zijn hier voorbeelden van. Als gevolg hiervan moeten rantsoenen worden aangepast en fluctueert de melkproductie. Door het voer in één grote voerkuil samen te voegen wordt dit probleem ondervangen. Ten behoeve van de bereikbaarheid van deze kuilvoerplaten is het daarnaast gewenst om een nieuwe weg te realiseren op het agrarisch perceel. De nieuwe voerkuilen en weg zijn deels beoogd buiten het bestaande bouwperceel. Het is daarom gewenst het bouwperceel en bouwvlak te vergroten met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.7 sub a van het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010'.
Voorliggend wijzigingsplan geeft invulling aan voorgenoemde wijzigingsbevoegdheid en toont aan dat aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Zo wordt er onder andere voldaan aan de voorwaarde dat het nieuwe bouwvlak niet groter is dan 2,5 hectare. Daarnaast wordt aangetoond dat de vergroting van het bouwperceel en bouwvlak in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening'.
Het plangebied omvat het agrarisch bedrijfsperceel aan de Korenmorsweg 2 te Denekamp inclusief een klein deel hierbuiten. Kadastraal is het plangebied bekend als Denekamp, sectie N, perceelnummer 1535 (gedeeltelijk). In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving en de kern Denekamp indicatief weergegeven met respectievelijk de rode omlijning en de rode ster. Voor een exacte weergave van het plangebied wordt hier en ook voor het vervolg van deze plantoelichting, verwezen naar de bij dit plan behorende verbeelding.
|
| Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: ArcGIS) |
Het wijzigingsplan "Buitengebied, Korenmorsweg 2 Denekamp" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het wijzigingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan.
Het plangebied ligt binnen het “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” dat door de gemeenteraad van Dinkelland is vastgesteld op 18 februari 2010. Hierna is een uitsnede van de verbeelding van het “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” opgenomen. De begrenzing van het plangebied is met de rode omlijning aangegeven
|
| Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
De gronden binnen het plangebied zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch – 1'. Het plangebied is voorzien van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en een bouwvlak. Gronden met de hiervoor genoemde bestemming zijn hoofdzakelijk bedoeld voor agrarisch gebruik en de uitoefening van verschillende vormen van agrarische bedrijfsvoering.
Binnen het plangebied zijn daarnaast de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning' van toepassing.
Tot slot geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Landschap'.
Zoals in de aanleiding is beschreven is het realiseren van kuilvoerplaten buiten het bouwperceel niet toegestaan. De bouwregels behorend bij de bestemming 'Agrarisch – 1' bepalen namelijk dat (kuilvoer)platen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwperceel. Het bestemmingsplan kent een afwijkingsbevoegdheid om hiervan te kunnen af te wijken, echter wordt in voorliggend geval niet aan de bijbehorende voorwaarden voldaan.
Op grond van artikel 3.7 sub a van het geldende bestemmingsplan zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd het bestemmingsplan onder voorwaarden te wijzigen in die zin dat aan een bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven grenzende gronden worden voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf”. Voorgaande is met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits een aangegeven bouwperceel, bij gelijkblijvende oppervlakte, qua situering wordt gewijzigd.
Dit wijzigingsplan voorziet in een gewijzigde situering van het bouwperceel en het hierbinnen gelegen bouwvlak op basis van de voorgenoemde wijzigingsbevoegdheid. Hiertoe wordt aangetoond dat aan de bij de wijzigingsbevoegdheid behorende voorwaarden wordt voldaan en sprake is van 'een goede ruimtelijke ordening'.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 en 3 de huidige en gewenste situatie in het plangebied beschreven.
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven.
In hoofdstuk 5 passeren alle relevante omgevingsaspecten de revue.
In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid.
Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg, de inspraak en zienswijzen.
Het agrarische rundveebedrijf aan Korenmorsweg 2 ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noorden van de kern Denekamp. De ruimtelijke-functionele structuur van de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit verspreid liggende woonerven en (agrarische) bedrijvigheid.
Het plangebied betreft (grotendeels) een agrarisch bedrijfsperceel. Het erf wordt grotendeels omgeven door agrarische gronden en bestaat naast een tweetal bedrijfswoningen met bijhorend bijgebouw en tuin, uit agrarische bebouwing ten dienste van het agrarische rundveebedrijf. De overige gronden die onderdeel uitmaken van het perceel zijn verhard dan wel ingericht als agrarische cultuurgrond. In afbeelding 2.1 is de huidige situatie op het erf weergegeven. Afbeelding 2.2 geeft het zicht op de huidige kuilvoerplaten weer bezien vanaf de Korenmorsweg.
|
| Afbeelding 2.1 Huidige situatie plangebied (Bron: Provincie Overijssel) |
|
| Afbeelding 2.2 Ligging bestaande kuilvoerplaten aan de Korenmorsweg (Bron: Google streetview) |
Initiatiefnemer exploiteert een rundveebedrijf en wil zijn koeien op een andere manier gaan voeren om zodoende een constantere voersamenstelling te kunnen garanderen. Hiervoor is een wijziging van de wijze van voeropslag (kuilen) noodzakelijk.
In het kader van het kunnen garanderen van een constante voersamenstelling is het niet langer wenselijk om meerdere kleinere kuilplaten op het bedrijf aanwezig te hebben. Dit heeft namelijk enkele nadelen. Een schommelende voersamenstelling en het feit dat de dieren steeds opnieuw moeten wennen aan een andere voerkuil zijn hier voorbeelden van. Als gevolg hiervan moeten rantsoenen worden aangepast en fluctueert de melkproductie. Door het voer in één grote voerkuil samen te voegen wordt dit probleem ondervangen. De bestaande kuilen worden hierbij vervangen door twee grote kuilvoerplaten. Terwijl één van de kuilen wordt gebruikt voor het voeren wordt de andere kuil gevuld met nieuw kuilvoer.
Door een constante voersamenstelling ontstaat een betere kwaliteit ruwvoer wat logischerwijs ten gunste komt van de dieren. De melkkoeien geven op efficiëntere wijze melk af waardoor ook het jongvee goed en gezond kan opgroeien tot melkkoe. Goed en voldoende ruwvoer op het bedrijf heeft daarnaast tot gevolg dat minder andere voedermiddelen van buiten het bedrijf hoeven te worden aangevoerd.
Initiatiefnemer is van plan om de bestaande kuilvoerplaten te vervangen voor twee nieuwe grotere kuilvoerplaten van elk 13,5 meter, 80 meter lang en met een zijwandhoogte van 3 meter. Het kuilvoer komt hierbij niet boven de zijwanden uit. Er komt een afdeksysteem over het kuilvoer om het voer makkelijk luchtdicht af te kunnen dekken.
De twee nieuwe kuilvoerplaten zijn geprojecteerd (grotendeels) buiten het bestaande bouwperceel en bouwvlak aangezien het huidige bouwperceel en bouwvlak onvoldoende ruimte bieden voor deze ontwikkeling. Het wijzigen van de situering van het bouwperceel en het hierbinnen gelegen bouwvlak is mogelijk op basis van artikel 3.7 sub a van het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010'.
Opgemerkt wordt nog dat bij deze wijziging geen toename van de dieraantallen tot gevolg heeft.
Een van de voorwaarden die is gekoppeld aan de wijzigingsbevoegdheid is dat er ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijke inpassing een erfinrichtingsplan is opgesteld.
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het perceel heet De Erfontwikkelaar een ruimtelijk kwaliteitsplan gemaakt. In afbeelding 3.1 is het bijbehorende erfinrichtingsplan weergegeven. Het erfinrichtingsplan laat zien waar de nieuwe kuilvoerplaten worden gerealiseerd en welke landschapsmaatregelen er worden genomen ten behoeve van deze ontwikkeling. Voor het volledige ruimtelijk kwaliteitsplan, waaronder begrepen de verantwoording van de gemaakte keuzes, wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze plantoelichting. Hieronder worden de gemaakte keuzes kort samengevat.
|
| Afbeelding 3.1 Weergave erfinrichtingsplan Korenmorsweg 2 (Bron: De Erfontwikkelaar) |
Situering bebouwing:
Aan de Korenmorsweg 2 is een actief agrarisch bedrijf met melkvee gevestigd. Kenmerken als verspreide bebouwing, een duidelijk hoofdgebouw, een centraal erf en een zachte overgang naar de omgeving zijn belangrijk bij de inpassing van de nieuwe situatie. Hierbij zullen er twee sleufsilo's t.b.v. de opslag van het kuilvoer aangelegd worden op nagenoeg dezelfde plek waar nu ook de kuilvoer-opslagen liggen. De sleufsilo's bestaan uit betonnen wanden met daaroverheen een afsluitend doek.
Een voordeel van dit systeem is de verschijning in het landschap. Het is niet meer nodig om de kuil af te dekken met zand. Het geheel zal daarom veel netter ogen. Daarnaast zal het oppervlakte zo beperkt mogelijk blijven aangezien binnen twee wanden gestapeld kan worden.
Er is gekozen om de kuilvoeropslagen gelijk aan de bestaande kleine kuilvoeropslag te situeren omdat er zo voldoende lengte gemaakt kan worden. Bestaat de opslag van kuilvoer nu uit verschillende bulten, in de nieuwe situatie zal jaarrond één sleufsilo gevuld worden, en vanuit één kuilplaat gevoerd worden. Dit is de reden dat er twee kuilvoer-opslagen van deze lengte nodig zijn. Er moet jaarrond voldoende voer op te slaan zijn.
Groenstructuur en inrichting erf:
Als basis voor de groenstructuur is de historische kaart van 1900 genomen. Hier valt op dat er op de kavelgrenzen veelal beplanting voor kwam. Veel van deze singels en bosjes zijn nog aanwezig. Deels is ook beplanting verdwenen met de groei van het bedrijf. Langs de Korenmorsweg staan bomen met deels onderbeplanting. Na realisatie van de nieuwe sleufsilo's ontstaat er weer ruimte om het zicht middels een houtsingel te ontnemen.
Ten noorden van de kuilvoeropslagen is gekozen om een minder courante hoek in te planten met bosplantsoen. Hierdoor wordt een bestaand bosje versterkt en zal het zicht op de sleufsilo's nihil zijn. Langs de silo's is een pad voorzien dat nodig is om 'rond' te rijden met het kuilen. Ook wordt hiermee het zuidelijk gelegen weiland ontsloten.
De keuze voor de verharding moeten passen in het buitengebied. Verharding moet in een gedekte kleurstelling sober toegepast worden. Dit in afstemming met de kleurstelling van de gevels en overige materialisering van het woonhuis en de overige gebouwen.
Schuttingen en hoge opgaande exoten moeten in het buitengebied voorkomen worden.
Het overige erf blijft hetzelfde. Bestaande beplanting kan behouden blijven.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover relevant, de rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleidsnota's. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor het plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame ontwikkeling' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (3.1.6 Bro).
In voorliggend geval gaat het om de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Deze functie is, gelet op de definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel.
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worde.
De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.
Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
In afbeelding 4.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
|
| Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.
De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.
Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.
De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
In het kader van voorliggende ontwikkeling zijn bij het toetsen aan de 'generieke beleidskeuzes' voornamelijk artikel 2.1.3 lid 2 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 lid 1 (Ruimtelijke kwaliteit) en artikel 2.1.7 lid 4 (Kwaliteitsimpuls agro en food) van de provinciale verordening van belang. De hiervoor genoemde artikelen worden hierna nader toegelicht.
Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2)
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt:
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 lid 2 van de Omgevingsverordening Overijssel
In dit geval biedt het huidige erf onvoldoende ruimte om de nieuwe grotere kuilvoerplaten te realiseren. Door het vergroten van het bouwperceel en het bijbehorende bouwvlak is het mogelijk om deze kuilvoerplaten te realiseren en het erf zodanig landschappelijk in te passen dat het erf 'netter' oogt.
Het gebruik van verspreid liggende kuilvoerplaten is zowel vanuit het oogpunt van de agrariër als vanuit het oogpunt van dierwelzijn niet gewenst. Voor de agrariër is het vanuit het oogpunt van een (kosten)efficiënte en doelmatige bedrijfsvoering niet gewenst op verschillende locaties verspreid liggende kuilvoerplaten te hebben. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is eerder al aangegeven welke nadelen dit heeft.
Daarnaast is wijziging/ vergroting direct grenzend aan de bestaande locatie vanuit ruimtelijk, functioneel en landschappelijk oogpunt het meest verantwoord gebleken. Gezien het vorenstaande wordt dan ook geconcludeerd dat dit wijzigingsplan in overeenstemming is met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1)
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5, lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel
In verband met de voorgenomen vergroting van het agrarisch bedrijfsperceel is een erfinrichtingsplan opgesteld. In hoofdstuk 3 is dit plan reeds toegelicht. Kortheidshalve wordt hier naar verwezen. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken, één en ander blijkt onder meer uit het vervolg van dit hoofdstuk. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.5, lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food (lid 4)
In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel in beperkte mate worden aangepast en/of uitgebreid als:
a. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.7, lid 4 van de Omgevingsverordening Overijssel
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het vergroten van het agrarisch bouwperceel en bijbehorende bouwvlak ten behoeve van de realisatie van twee grote kuilvoerplaten als vervanging van de bestaande meerdere kleine kuilvoerplaten. Waarom vervanging op deze wijze gewenst is kwam al eerder aan bod. Het huidige bouwvlak is momenteel volledig benut. In het kader van duurzame en efficiënte bedrijfsvoering is het ongewenst kuilvoerplaten elders in gebruik te nemen ten behoeve van het agrarisch bedrijf.
In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:
Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen waarbij het plangebied indicatief is weergegeven middels de rode omlijning.
|
| Afbeelding 4.2 Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
“Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”
In dit ontwikkelingsperspectief is sprake van verweving van functies. Het betreffen gebieden voor gespecialiseerde landbouw en mengvormen van landbouw met andere functies (recreatie-zorg, natuur, water) en bijzondere woon-, werk- en recreatiemilieus die de karakteristieke gevarieerde opbouw van de cultuurlandschappen in deze gebieden versterken.
Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven”
De agrarische bedrijfsfunctie, en de daarmee gemoeide agrarische bedrijfsactiviteiten, past binnen het 'mixlandschap'. De karakteristieke gevarieerde opbouw van het cultuurlandschap wordt versterkt door de landschapsmaatregelen die worden getroffen in het plangebied. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De stedelijke laag wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat er geen kenmerken vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn.
1. De 'Natuurlijke laag'
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 4.3 is dit weergegeven.
|
| Afbeelding 4.3 Uitsnede Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel' |
“Dekzandvlakte en ruggen”
De dekzandgronden worden gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandgebieden zijn voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heide-ontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Als ontwikkelingen plaatsvinden dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar maken en beleefbaar maken van hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij inrichting. De strekkingsrichting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, dient uitgangspunt te zijn. Hiermee dient bij de planuitwerking rekening te worden gehouden.
Toetsing van het initiatief aan de "Natuurlijke laag"
De gronden in het plangebied zijn in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw en het ter plaatse aanwezige agrarisch erf. De van oorsprong voorkomende 'natuurlijke laag' is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. Opgemerkt wordt dat in de huidige situatie het zicht op het achtererf wordt belemmerd door de ligging van kuilvoerplaten op het voorerf. Doordat in het inrichtingsplan rekening wordt gehouden met zichtlijnen zijn bestaande hoogteverschillen in het landschap in de nieuwe situatie beter zichtbaar. In de volgende subparagraaf wordt nader ingegaan op het agrarisch cultuurlandschap. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Natuurlijke laag”.
2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap'. In afbeelding 4.4 is dit weergegeven.
|
| Afbeelding 4.4 Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) |
'Jonge heide- en broekontginningslandschap'
Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”
In dit geval wordt de situering van het agrarische bouwperceel en het daarbinnen gelegen bouwvlak gewijzigd ten behoeve van de aanleg van enkele vervangende kuilvoerplaten. Deze functie past binnen de functionele structuur van de omgeving. Het plan tast het omliggende landschap niet aan, temeer omdat de nieuwbouw landschappelijk wordt ingepast op basis van een erfinrichtingsplan. Het voornemen is in overeenstemming met het gebiedskenmerk behorend bij de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.
3. De 'Laag van de beleving'
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het plangebied is op basis van dit gebiedskenmerk aangeduid als 'Donkerte' gebied. Dit is weergegeven in afbeelding 4.5
|
| Afbeelding 4.4 Uitsnede Laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel) |
'Donkerte'
Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.
Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving”
Het plangebied bevindt zich in een gebied dat is aangemerkt als een 'donkerte' gebied. De gewijzigde situering van het bouwperceel en het daarbinnen gelegen bouwvlak, en de nieuw te realiseren kuilvoerplaten leiden niet tot een toename van (kunst)licht binnen dit gebied. Van een (onevenredige) toename van lichthinder zal geen sprake zijn. De conclusie is dan ook dat het plan geen negatieve gevolgen heeft op het gebiedskenmerk 'donkerte' en op de 'Laag van de beleving'.
Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Op 10 september 2013 is de Structuurvisie Gemeente Dinkelland vastgesteld. De structuurvisie bevat een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2020. Het bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland.
In de structuurvisie spreekt de gemeente Dinkelland de volgende ambitie uit: Dinkelland wil zich profileren als een toeristisch agrarische gemeente. Kenmerken zijn: Kleinschaligheid, Twentslandschap, Ruimte voor de boer, Versterken toeristische sector en Wonen en (be)leven. In de toekomstplannen wordt aangesloten bij de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin spelen duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol.
Dinkelland wil haar kernen, haar burgers en haar bedrijven ruimte en verantwoordelijkheid geven om te werken aan een samenleving die zich kenmerkt door duurzaamheid en kwaliteit. Het waarmaken van deze uitdaging betekent keuzes maken en daar helder over zijn: op bepaalde terreinen zal de gemeente haar bemoeienissen afbouwen, op andere terreinen zal sprake zijn van intensivering. De hoofdambitie voor Dinkelland luidt:
“Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie."
Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren is een vijftal hoofdkeuzes opgesteld die een grote bijdrage leveren om de hoofdambitie voor Dinkelland te realiseren. De voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan hebben betrekking op het realiseren van bijgebouwen in het buitengebied van Saasveld. In het kader van voorliggend initiatief is 'Hoofdkeuze 3: ruimtelijke kwaliteit buitengebied waarborgen' van belang.
Hoofdkeuze 3: ruimtelijke kwaliteit buitengebied waarborgen
De ruimtelijke druk op het buitengebied wordt steeds groter. Verrommeling van het platteland is een actuele dreiging. De trend van de afnemende betekenis van de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied zal zich de komende jaren doorzetten. De verwachting is dat het huidige aantal van actieve agrarische bedrijven flink zal afnemen in Dinkelland. Het gemiddelde agrarische bedrijf zal in de toekomst groter in omvang zijn dan naar de huidige maatstaven. Vele agrarische percelen en agrarische bebouwing komen hierdoor vrij en zullen een andere functie in de toekomst vervullen. Andere economische activiteiten gaan plaatsvinden in het buitengebied. Activiteiten die veelal geen natuurlijke binding hebben met het platteland. De mogelijkheden om bestaande kwaliteit te borgen en nieuwe kwaliteit te creëren zullen volop worden benut. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de Catalogus Gebiedskenmerken behorend bij de Omgevingsvisie Overijssel en het Handboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
In de structuurvisie is neergelegd dat landbouw een belangrijke pijler is in Dinkelland. De inzet is gericht op een economisch gezonde landbouw met voldoende ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het behouden van goede landbouwgronden, vormen van landschapsonderhoud, structuurversterking van agrarische bedrijven en alternatieve inkomstenbronnen speerpunt zijn. De gemeente Dinkelland profileert zich als een agrarische en toeristische gemeente. Deze twee componenten zijn dan ook grote dragers van het landschap en de economie.
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het wijzigen van de situering van het bouwperceel en bouwvlak van een agrarisch bedrijf in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Deze wijziging is noodzakelijk in verband met het kunnen garanderen van een constante voersamenstelling ten behoeve van het eigen vee. Hiermee wordt bijgedragen aan een duurzame bedrijfsvoering van het bedrijf en daarmee aan de structuurversterking van agrarische bedrijven. Het voornemen wordt mogelijk gemaakt op basis van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan. Het voornemen is in overeenstemming met de gebiedskenmerken behorend bij de Omgevingsvisie Overijssel en daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast door het nemen van landschapsmaatregelen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de 'Structuurvisie Dinkelland'.
Het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat de bestaande situatie is vastgelegd. Tegelijkertijd wil de gemeente op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor (nieuwe) ontwikkelingen in het buitengebied. Het is de ambitie van de gemeente om deze ontwikkelingen in het buitengebied te laten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente zet daarbij in op het leggen van verbindingen tussen bestaande kwaliteiten en de nieuwe ontwikkelingen. Via afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden kent het bestemmingsplan (onder voorwaarden) een zekere mate van flexibiliteit. Op basis van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.7 sub a zijn burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd om aan een bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven grenzende gronden te voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf”, met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak. Hierna wordt nader ingegaan op de voorwaarden waaraan bij gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid dient te worden voldaan.
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat:
a. aan een bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven grenzende gronden worden voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel sierteelt- en/of boomkwekerijbedrijf”, met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits:
1. de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2,50 hectare, tenzij:
- de gronden zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel sierteelt- en/of boomkwekerijbedrijf”, in welk geval de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 1,50 hectare;
- de vergroting plaats heeft op gronden die zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie';
2. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering/verbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;
3. er binnen het bestaande bouwperceel geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;
4. er ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijke inpassing een erfbeplantingsplan, afgestemd op de landschaps- en beheersvisie uit het Landschapsontwikkelingsplan, zoals opgenomen in bijlage 5 van de toelichting, is opgesteld;
5. er bij een oppervlakte groter dan 1,50 hectare geïnvesteerd wordt in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving;
6. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
7. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm;
Hierna wordt puntsgewijs aan het afwegingskader getoetst:
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend wijzigingsplan in overeenstemming is met de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.7 sub a van het “Bestemmingsplan Buitengebied 2010”.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, water, verkeer & parkeren en het Besluit milieueffectrapportage.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
In dit geval is er sprake van een planologische wijziging ten behoeve van de realisatie van twee (vervangende) kuilvoerplaten. Deze functie wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidsgevoelig object of als een nieuwe geluidsbron.
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
De vergroting van het bouwperceel en bijbehorende bouwvlak vindt plaats ter plaatse van onbebouwde agrarische gronden. Gelet op het huidige en historische gebruik (altijd agrarisch) hebben ter plaatse nooit bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Het realiseren van vervangende kuilvoerplaten betreft tevens een niet voor menselijk verblijf bestemde functie. Een bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
In dit geval is sprake van een bestemmingsplanwijziging waarbij de situering van een bestaand agrarisch bouwperceel en het bijbehorende bouwvlak wordt aangepast ten behoeve van de realisatie van twee kuilvoerplaten. Deze kuilvoerplaten vervangen de bestaande kuilvoerplaten. Een dergelijke wijziging is, gezien aard en omvang, aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat er met deze wijziging geen sprake is van een toename van het toegestane aantal dieren. Van een toename van de emissie van fijnstof is dan ook geen sprake.
Tot slot wordt geconcludeerd dat dit wijzigingsplan niet voorziet in een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit wijzigingsplan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In voorliggend geval is geen sprake van een ontwikkeling waarbij een nieuwe risicovolle inrichting/functie of (beperkt) kwetsbaar object wordt gerealiseerd.
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied aan de Korenmorsweg is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”.
|
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied een grondgebonden rundveehouderij gevestigd.
Voor veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven. Daarom is het aspect geur buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.6 wordt hier nader op ingegaan. De overige van toepassing zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de ten noorden gelegen reguliere woning aan de Korenmorsweg 6. In dit geval wordt de situering van het agrarische bouwperceel en bouwvlak gewijzigd ten behoeve van de realisatie van vervangende kuilvoerplaten.
In de huidige situatie is de realisatie van kuilvoerplaten binnen het huidige bouwperceel en bouwvlak al mogelijk. In de nieuwe situatie komen de grenzen van het bouwperceel ter plaatse van de uitbreiding niet dichter op de woonbestemming Korenmorsweg 6 te liggen dan de kortste afstand in de bestaande situatie. Voor het bouwvlak geldt echter dat deze wel dichter op de woonlocatie komt te liggen. De afstand tussen de woonbestemming en het nieuwe bouwvlak bedraagt circa 45 meter.
Een grondgebonden agrarisch rundveebedrijf kent op basis van de genoemde VNG-uitgave een maximale milieucategorie 3.2 met een bijbehorende grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten 'geluid' en 'stof'. Deze richtafstand wordt ruimschoots gehaald waarmee geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd door de nieuwe functie. In de omgeving van het plangebied zijn diverse agrarische bedrijven aanwezig.
De nieuwe functie binnen het plangebied (kuilvoerplaten op een andere locatie) kan niet worden aangemerkt als een milieugevoelige functie. Deze functie ondervindt dan ook geen hinder van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd worden omliggende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden.
Door de uitbreiding van het bouwvlak ontstaat planologisch gezien de mogelijkheid om ter plaatse een bedrijfswoning (m.u.v. een tweede bedrijfswoning) te realiseren. Hoewel feitelijk geen sprake is van een verplaatsing van de bestaande bedrijfswoning wordt hieromtrent opgemerkt dat het dichtsbijzijnste agrarische bedrijf de grondgebonden veehouderij aan de Korenmorsweg 8 betreft. Aangezien de kortste afstand tussen beide agrarische bouwvlakken circa 150 meter bedraagt wordt geconcludeerd dat ook in dit kader geen sprake is van hinder van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd van belemmering van omliggende functies in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Dit temeer omdat op kortere afstand gelegen woonlocatie aan de Korenmorsweg 6 reeds maatgevend is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf aan de Korenmorsweg 8.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
Op 13 mei 2016 is in de gemeente Dinkelland de ‘Verordening geurhinder’ inwerking getreden. In deze verordening wordt nader invulling gegeven aan het aspect geurhinder van veehouderijen als bedoeld in de Wgv. De verordening gaat vergezeld met een kaart waarop de gronden van de gemeente Dinkelland in drie categorieën zijn onderverdeeld, namelijk:
Zoals aangegeven geldt per gebied een artikel in de verordening, Het plangebied valt binnen gebieden aangewezen als bedoeld in art. 4 geurverordening. Dit houdt het volgende in:
Binnen de daartoe aangewezen gebieden, die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende overzichtskaart, geldt een afstand van tenminste 25 meter uitsluitend voor die veehouderijen die niet voldoen aan de wettelijke afstand als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4 van de Wet dan wel aan de afstand als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid onder b, en artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit en na 19 april 2016 niet hebben uitgebreid in het aantal vaste afstandsdieren binnen de contour van 50 meter.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de ten noorden gelegen reguliere woning aan de Korenmorsweg 6. In dit geval wordt de situering van het agrarische bouwperceel en bouwvlak gewijzigd ten behoeve van de realisatie van vervangende kuilvoerplaten. De onderlinge afstand bedraagt circa 45 meter waarmee in beginsel niet wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter ingevolge de Wgv.
Op grond van de gemeentelijke geurverordening geldt echter een minimale afstand van 25 meter welke ruimschoots wordt gehaald.
Gelet op het vorenstaande wordt ter plaatse van de woning aan de Korenmorsweg 6 een goed woon- en leefklimaat verwacht. Temeer omdat ter plaatse van de uitbreiding geen dierenverblijven worden toegestaan.
Opgemerkt wordt nog dat de afstand tot het dichtsbijzijnste agrarische bedrijf ruimschoots 50 meter is (circa 150 meter) waardoor in ale gevallen aan de Wgv wordt voldaan.
De Wgv vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
Het plangebied aan de Korenmorsweg 2 is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft 'Bergvennen & Brecklenkampse' en ligt op een afstand van circa 1,9 kilometer. In voorliggend geval wordt het bouwperceel en bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf uitgebreid ten behoeve van de realisatie van kuilvoerplaten op een andere locatie. Hoewel feitelijk geen sprake is van een vergroting ten behoeve van de realisatie van extra stalruimte is de bouw hiervan in beginsel toegestaan binnen het agrarisch bouwvlak. Een verplaatsing van stallen en/of vergroting van de dieraantallen kan in het kader van de stikstofdepositie mogelijk negatieve effecten hebben op nabij gelegen natuurgebieden (Natura-2000). Om mogelijke negatieve effecten uit te sluiten worden dierenverblijven ter plaatse van de uitbreiding niet toegestaan. Gelet op de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en de genomen voorzorgsmaatregelen wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN zijn gelegen op circa 1 kilometer afstand. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en de aard en omvang van dit wijzigingsplan wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
Dit wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de situering van het bouwperceel en bouwvlak ten behoeve van de realisatie van twee kuilvoerplaten ter vervanging van de bestaande kuilvoerplaten op het bedrijfsperceel. Met deze wijziging zijn geen ingrepen als sloop of het verwijderen van groenstructuren gemoeid. Ter plaatse van de nieuwe kuilvoerplaten is sprake van gronden die ten dienste staan van de agrarische bestemming en onderhouden danwel verhard zijn. Deze gronden zijn ongeschikt voor beschermde flora en-of fauna. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en/of fauna als gevolg van vaststelling van dit wijzigingsplan is dan ook geen sprake. Gelet op vorenstaande is het uitvoeren van onderzoek niet noodzakelijk.
Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Vaststelling van dit wijzigingsplan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN.
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 5.1. Het plangebied is weergegeven middels de witte omlijning.
|
| Afbeelding 5.1 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) |
Op basis van de gemeentelijke ´Archeologische verwachtings- en advieskaart´ vindt de in dit kader van belang zijnde ontwikkeling, namelijk de realisatie van een tweetal kuilvoerplaatsen, plaats op gronden die als 'dekzandwelvingen en vlaktes' zijn aangemerkt. Deze gronden kennen een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5.000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
In voorliggend geval is sprake van een uitbreiding van het agrarische bouwperceel en bouwvlak met een oppervlak van circa 2.700 m². Op basis van het bovenstaande is archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Gezien de aard en omvang van het initiatief kan worden gesteld dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit wijzigingsplan.
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.
In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de zogenoemde 'Korte procedure'. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.
In het plan vindt een agrarische activiteit plaats. Bijna alle agrarische bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Bij de inrichting van het plan moet rekening worden gehouden met de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Hiervoor geldt een meldingsplicht, die via de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) kan worden ingediend.
De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Er vinden als gevolg van dit wijzigingsplan geen fysieke ontwikkelingen plaats die nadelige gevolgen hebben voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie ter plaatse van het plangebied. De ontsluiting van het erf wijzigt niet en blijft via de bestaande in- en uitrit plaatsvinden. Het parkeren zal op eigen erf blijven plaatsvinden. Hier biedt het erf voldoende ruimte voor.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkeling.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen dan voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
In voorliggend geval wordt de begrenzing van het bouwperceel en bouwvlak van een agrarisch bedrijf gewijzigd. Hierbij is sprake van een relatief geringe vergroting van het oppervlak van het agrarisch bouwperceel en bouwvlak. Er is echter geen sprake van een theoretische toename van het aantal toegestane dieren en de bijbehorende stikstofdepositie. Gezien de beperkte omvang van de nieuwe ontwikkeling en de ruime afstand tot aan Natura 2000-gebieden (zie ook 5.7.1.1) wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Dit wijzigingsplan voorziet in de planologische kaders voor de vergroting van een bestaand bouwperceel en bouwvlak ten behoeve van de realisatie van twee kuilvoerplaten en voldoet daarmee aan de definitie van 'kaderstellend voor' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk:
De voorliggende ontwikkeling leidt in beginsel niet tot een toename of wijziging van de veestapel en blijft daarmee onder de in de D-lijst opgenomen drempelwaarden behorend bij de bovengenoemde activiteit.
Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder de drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
In dit geval betreft het een ontwikkeling waarbij geen sprake is van een theoretische toename van het aantal toegestane dieren. Hoewel wel sprake is van een beperkte vergroting van het agrarische bouwperceel en bouwvlak wordt opgemerkt dat deze vergroting enkel ten doel heeft twee kuilvoerplaten te kunnen realiseren ter vervanging van de bestaande kuilvoerplaten. Dierenverblijven worden ter plaatse niet toegestaan waarmee een toename van de stikstofdepositie van het agrarisch bedrijf vanwege voorliggende ontwikkeling wordt voorkomen. Gesteld wordt dan ook dat voorliggend bestemmingsplan, gezien aard en omvang van de ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt bij het maken van de keuzes voor het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels door aan te geven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
In artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (artikel 2) normaal gesproken uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan. In dit geval zijn de regels met betrekking tot de wijze van meten behorende bij het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' onverkort van toepassing verklaard.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. Ten aanzien van deze bestemming wordt hier verwezen naar de desbetreffende regels uit het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' aangezien deze onverkort van toepassing blijven. Aan deze regels zijn enkel regels toegevoegd ter waarborging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het bij dit plan behorende erfinrichtingsplan.
In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor het plangebied voor deze bestemmingen is gekozen.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Agrarisch - 1 (artikel 3)
In dit geval heeft de planologische ontwikkeling enkel betrekking op het vergroten van het bouwperceel en bouwvlak behorend bij de bestaande Agrarisch - 1 bestemming. Omdat er enkel sprake is van een aantal toevoegingen aan de planregels wordt voor de overige planregels verwezen naar de bestemming Agrarisch - 1 uit het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' aangezien deze onverkort van toepassing blijven. Toegevoegd is enkel een regel ter waarborging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het bij dit plan behorende erfinrichtingsplan, een afwijking hierop en een regel die dierenverblijven ter plaatse van de uitbreiding uitsluit.
Deze gronden zijn en blijven hoofdzakelijk bedoeld voor het agrarisch gebruik en de uitoefening van een agrarische bedrijfsvoering. Ook de geldende specifieke functieaanduidingen zijn overgenomen en gekoppeld aan de nieuwe begrenzing van het bouwperceel en bouwvlak in lijn met de bestaande planologische situatie.
Waarde - Landschap (artikel 4)
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen. Deze bestemmingsregels zijn overgenomen conform het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' aangezien deze onverkort van toepassing blijven.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is er een planschade-overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 van de Bro heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een zogenoemde 'Uitzonderingslijst Vooroverleg Ruimtelijke Plannen' opgesteld.
Voor plannen in de groene omgeving/buitengebied is in deze lijst B, lid 3 (Agrarische bebouwing) opgenomen:
Plannen/projectbesluiten voor kleinschalige agrarische bebouwing zoals schuilgelegenheid en mestopslag buiten het bouwperceel, mits passend binnen de gebiedskenmerken en er een versterking plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.
Zoals blijkt uit het vorenstaande is de bestemmingswijziging waar dit wijzigingsplan in voorziet gelijk te stellen aan hetgeen hierboven is beschreven. Daarom wordt het plan in het kader van vooroverleg niet voorgelegd aan de provincie Overijssel.
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een ‘korte procedure’. Vooroverleg met het waterschap is dan ook niet noodzakelijk.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er, gezien de aard van dit wijzigingsplan, geen inspraak verleend.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 20 augustus 2019 voor een periode van 6 weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze perioden zijn er geen zienswijzen ingediend. De inspraak is daarmee positief afgerond.