| Plan: | Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPMULDERSW1SAAS-VG01 |
Het voornemen is om op het perceel Muldersweg 1 te Saasveld (gemeente Dinkelland) de huidige bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' te wijzigen naar 'Agrarisch - 1' en het bouwvlak uit te breiden met 1.823 m2. Ten behoeve van het agrarisch bedrijf is initiatiefnemer voornemens om een werktuigenberging te bouwen van circa 1.500 m2. De uitbreiding van het bouwvlak en de werktuigenberging vindt plaats op gronden die in de huidige situatie bestemd zijn als 'Agrarisch - 1'. Voor een volledige weergave van de huidige planologische situatie wordt verwezen naar paragraaf 1.4.2.
Een bestemmingsplanherziening is noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij wordt aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied ligt aan de Muldersweg 1 ten westen van de kern Saasveld in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De gronden zijn kadastraal bekend als sectie T, nummer 1461 en een deel van perceelnummer 1462.
In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Saasveld en de directe omgeving aangeven met respectievelijk een rode ster en rode contour. Voor de exacte ligging en begrenzing van de deelgebieden wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Saasveld en de directe omgeving (Bron: OpenStreetMap) |
Het bestemmingsplan "Buitengebied, Muldersweg 1 Saasveld" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" en "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" van de gemeente Dinkelland, die op respectievelijk 18 februari 2010 en 29 mei 2018 zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast ligt het plangebied deels binnen de begrenzing van het wijzigingsplan "Buitengebied 2010 wijzigingsplan, Muldersweg 1, Saasveld", vastgesteld op 7 januari 2014". Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie.
Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" de bestemming 'Agrarisch - 1' en binnen het wijzigingsplan "Buitengebied 2010 wijzigingsplan, Muldersweg 1, Saasveld" de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende plannen weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met rode omlijning. Hierna wordt nader op de geldende bestemmingen ingegaan.
|
| Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) |
Agrarisch - 1
De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
Binnen deze bestemming worden alleen bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van agrarische bedrijven gebouwd. Daarnaast mogen gebouwen alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd.
Bedrijf - Voormalig agrarisch
De voor ‘Bedrijf - Voormalig agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van bedrijven, bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen en ambachtelijke bedrijvigheid in de vorm van een metaalbewerkingsbedrijf.
Vrijwaringszone - molenbiotoop
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden aanvullend bouwregels ter bescherming van de molenbiotoop van molens.
Het wijzigen van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' naar 'Agrarisch - 1' en het uitbreiden van het bouwvlak zijn niet mogelijk binnen de regels van de vigerende plannen. Om het voornemen mogelijk te maken dient het bestemmingsplan herzien te worden.
Met voorliggend bestemmingsplan wordt een passend juridisch-planologisch kader vastgelegd en wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland en wordt omringd door agrarische cultuurgronden. In het plangebied zelf zijn een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen ten behoeve van agrarische activiteiten en een metaalverwerkingsbedrijf aanwezig.
In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied opgenomen. Hierop zijn tevens de functies van de verschillende gebouwen aangegeven.
|
| Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK) |
Ter plaatse van het plangebied exploiteert initiatiefnemer al jarenlang een akkerbouwbedrijf in de vorm van maïsteelt en kleinschalige tuinbouw. In het verleden had het perceel een woonbestemming, echter werden er toen ook agrarische bedrijfsactiviteiten uitgevoerd.
Naast het akkerbouwbedrijf is er ook een metaalbewerkingsbedrijf op het perceel aanwezig waar machines voor agrarische sector worden ontworpen en ontwikkeld. Op 7 januari 2014 is het wijzigingsplan “Buitengebied 2010 wijzigingsplan, Muldersweg 1, Saasveld” vastgesteld, met dit wijzigingsplan is de voormalige woonbestemming gewijzigd naar de bestemming ‘Bedrijf – Voormalig agrarisch’. Het doel van dit wijzigingsplan was het (planologisch) toestaan dat ter plaatse van de Muldersweg een metaalbewerkingsbedrijf mag worden geëxploiteerd.
Met het wijzigen van de bestemming naar ‘Bedrijf – Voormalig agrarisch’, zijn agrarische bedrijfsactiviteiten niet meer toegestaan. In de huidige situatie exploiteert initiatiefnemer echter nog steeds agrarische bedrijfsactiviteiten. Om deze agrarische bedrijfsvoering voort te kunnen zetten is initiatiefnemer voornemens het perceel te voorzien van een agrarische bedrijfsbestemming, waarbij de activiteiten met betrekking tot de metaalbewerking tevens (ondergeschikt) zijn toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan ziet hierop toe, waarbij een veehouderij nadrukkelijk niet is toegestaan en de metaalbewerking uitsluitend ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding is toegestaan. Hiervoor wordt verwezen naar de verbeelding van voorliggend plan.
Ten behoeve van een duurzame voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering, is initiatiefnemer tevens voornemens een werktuigenberging als vervanging van een asbesthoudende kapschuur te realiseren. De te realiseren berging is deels buiten de bestaande bestemmingsgrenzen geprojecteerd, naast de functiewijziging is het daarom gewenst om het bouwvlak en de bestemmingsgrenzen te verruimen. Om ook de landschappelijke inpassing (zie volgende paragraaf) te kunnen realiseren worden de bestemmingsgrenzen verruimt met 3.971 m2. Om de werktuigenberging te kunnen realiseren wordt het bouwvlak verruimt met 1.823 m2.
De concrete werkzaamheden betreffen het slopen van de kapschuur (zie afbeelding 2.1) en het bouwen van een werktuigenberging van circa 1.500 m2.
In afbeelding 3.1 is de ligging van de te bouwen werktuigenberging inzichtelijk gemaakt (geel gearceerd). Het plangebied is rood omlijnd. Afbeelding 3.2 geeft een schets weer van de zijgevel.
|
| Afbeelding 3.1: Gewenste situatie plangebied (Bron: PDOK, bewerkt) |
|
| Afbeelding 3.2: Schets zijgevel werktuigenberging (Bron: Initiatiefnemer) |
Per principebesluit heeft de gemeente Dinkelland besloten in principe medewerking te verlenen. Een van de gestelde voorwaarden is het opstellen van een inpassingsplan. Door N+L Landschapsontwerpers is een Ruimtelijk Kwaliteitsplan opgesteld. Het Ruimtelijk Kwaliteitsplan is als Bijlage 1 bijgevoegd. In deze paragraaf wordt volstaan met een beknopte beschrijving van de landschappelijke inpassing.
Afbeelding 3.3 toont een uitsnede van het ruimtelijk kwaliteitsplan voor de locatie aan de Muldersweg.
|
| Afbeelding 3.3: Landschappelijke inpassing (Bron: N+L Landschapsontwerpers) |
Aan de Muldersweg 1 te Saasveld is sprake van een bestaand kleinschalig akkerbouwbedrijf met de nevenactiviteit. Het erf bestaat uit een woning (A) met een drietal schuren (B en C). De opzet van het erf is compact, maar wel logisch. Het erf ligt aan een voormalige kamp en ligt door een aantal oude houtopstanden verankert in het landschap. Het erf is vanuit één centrale oprit te bereiken wat de compactheid ten goede komt.
Te midden van het erf wordt één opstal (C) gesloopt. Een deel van de fundatie wordt gebruikt om de werktuigenberging (D) te bouwen. Hetgeen de reden is dat de schuur relatief dicht op de bestaande bebouwing komt te staan. Toch is dit niet merkwaardig te benoemen: alleen op deze manier ligt de ingang van de werktuigenberging uit weer en wind, welke meestal uit zuidwest komt. Er blijft sprake van een compact erf, al moet door de ingang op noord wel een redelijke oppervlakte verharding (E) aan worden gelegd. Deze verharding wordt echter onderbroken en daarmee ingepast door een nieuw aan te planten houtsingel (K) met inheemse soorten.
Om een extra bijdrage te leveren aan de inpassing in het landschap worden rondom het erf extra bomen aangeplant (J) en wordt een houtwal hersteld (L). In totaal worden er 21 bomen aangeplant waarbij de bomen in de houtwallen gecombineerd worden met de aanplant van onderbeplanting in de vorm van meidoorn, sleedoorn, hazelaar, lijsterbes en vuilboom. De bomen op het erf bestaan uit zomereik of zomerlinde, op de houtwallen wordt er aangeplant met eiken.
Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
Naast een goede landschappelijke inpassing heeft de gemeente Dinkelland het opstellen van een KGO-plan (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) als voorwaarde gesteld. Hierbij is het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke nota 'Buitengebied met kwaliteit' van belang (zie ook paragraaf 4.3.2). In een KGO-plan wordt de financiële compensatie in de ruimtelijke kwaliteit berekend aan de hand van een vergelijking van de meerwaarde van het nieuwe planologisch regime ten opzichte van het oude planologische regime. Door N+L Landschapsontwerpers is in het Ruimtelijk kwaliteitsplan een KGO-berekening opgenomen. In onderstaande afbeelding is een overzicht opgenomen van deze berekening.
|
| Afbeelding 3.4: KGO-berekening (Bron: N+L Landschapsontwerpers) |
Het perceel wordt uitgebreid met 1.823 m2. Dit levert een waardevermeerdering op van €18.230,-. Een deel van de cultuurgronden in het plangebied worden herbestemd naar 'Bos - Natuur', wat een waardevermindering betekent van deze gronden. Daarnaast is de functie functioneel gebonden aan het buitengebied. Functioneel aan het buitengebied gebonden functies zijn functies die feitelijk thuishoren in het buitengebied. Omdat deze functies als gebiedseigen beschouwd worden, kan de kwaliteitsprestatie ook minder zijn dan de volledige waardevermeerdering. Voor deze functies geldt dat, naast de basisinspanning, een kwaliteitsprestatie van 25% van de waardevermeerdering voldoende is om de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. In totaal is er sprake van een waardevermindering van €16.684,50. Dit levert een bruto waardevermeerdering op van €1.545,50.
Van deze waardevermeerdering moeten kosten van het landschapsontwerp worden afgetrokken: €154,55. In totaal moet er, na aftrek van kosten, €1.390,95 worden geïnvesteerd. Dit bedrag wordt ruim gehaald: zo moeten er minimaal 14 bomen worden aangeplant à €2.100, onderbeplanting, boompalen, water geven en overige beplanting niet meegerekend. In het landschapsplan is bepaald wat er moet komen en dit is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit plan. Het te investeren bedrag wordt dus ook daadwerkelijk geïnvesteerd.
Het in de vorige subparagraaf berekende bedrag dient, naast de verplichte basisinspanning, geïnvesteerd te worden in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Deze investering of kwaliteitsimpuls kan op verschillende manieren worden ingezet. In de nota Buitengebied met kwaliteit staan verschillende mogelijkheden genoemd. Hieronder wordt beknopt op deze mogelijkheden ingegaan.
Natuur, landschap, water, recreatief medegebruik en cultuurhistorie
Bij het inzetten van (een deel van) de vereiste kwaliteitsimpuls ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap, gaat het om investeringen in landschap, natuur en/of water door aanleg, verbetering of langjarig beheer van bijvoorbeeld landschapselementen zoals houtwallen, bomenrijen, poelen of beken.
Sloop
Indien als kwaliteitsimpuls gekozen wordt voor de sloop van landschapsontsierende gebouwen gelden de volgende uitgangspunten:
Klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen
Maximaal 10% van de te investeren kwaliteitsimpuls mag worden ingezet in maatregelen in de vorm van klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen. Het gaat hierbij om maatregelen die een positieve bijdrage leveren aan de groene leefomgeving en/of de biodiversiteit en direct of indirect de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied verbeteren. De kwaliteitsimpuls mag niet worden ingezet voor maatregelen die het gevolg zijn van een wettelijke plicht (het moet gaan om een ‘plus’ ten opzichte van de wettelijke verplichting).
KGO-fonds
In die gevallen waar op het moment van de planontwikkeling geen concrete, fysieke investeringsmogelijkheden of projecten voor handen zijn, kan de keus gemaakt worden de verplichte investering in het KGO fonds, ofwel Landschapsfonds, te storten.
Als onderdeel van het initiatief worden de volgende investeringsmogelijkheden benut: investeren in landschap en natuur en slopen van bestaande kapschuur. Ten aanzien van de investeringen in het landschap en natuur wordt verwezen naar paragraaf 3.2.1. Ten aanzien van de sloop van de kapschuur wordt opgemerkt dat deze landschapsontsierend is en dat reeds bekend is dat deze asbest bevat. Zodoende wordt gehandeld in lijn met de uitgangspunten uit de nota Buitengebied met kwaliteit van de gemeente Dinkelland.
Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een balans tussen de economische ontwikkeling en het te investeren bedrag in de groene omgeving.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de voorloper van de NOVI, is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In het Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
Voorliggend plan voorziet in de wijziging van de huidige bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' naar 'Agrarisch' en in de uitbreiding van het bouwvlak met 1.823 m2. Daarnaast wordt een kapschuur gesloopt en een nieuwe werktuigenberging gebouwd van circa 1.500 m2 ten behoeve van de duurzame voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering. Ook wordt het erf landschappelijk ingepast. Voorliggend bestemmingsplan ziet met name toe op het overeen laten komen van de planologische en feitelijk aanwezige situatie. Als agrarische activiteiten is geen veehouderij toegestaan en de aanwezige metaalbewerking is louter als nevenactiviteit toegestaan ter plaatse van de hiertoe opgenomen aanduiding (zie de verbeelding bij voorliggend plan).
Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). In dit geval vinden de ontwikkelingen plaats in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Gelet op vorenstaande is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel vastgesteld.
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.
De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.
Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
In afbeelding 4.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
|
| Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.
De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.
Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.
De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen van belang:
Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.
Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5)
5. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Artikel 2.1.6: Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (KGO) (lid 1)
Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Toetsing van het initiatief aan artikelen 2.1.5 en 2.1.6 lid 1
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Dinkelland. Deze meerwaarde vertaalt zich in:
Hiermee wordt voldaan aan het beleid van de Provincie Overijssel met betrekking tot de impuls in de groene omgeving. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar paragraaf 3.2 waar uitgebreid op dit aspect is ingegaan. In paragraaf 4.2.3.4.2 wordt beschreven dat het voornemen past binnen de ontwikkelingsperspectieven.
Artikel 2.1.7: Kwaliteitsimpuls agro en food (lid 1 en 4)
1. Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen.
4. In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel in beperkte mate worden aangepast en/of uitgebreid als:
a. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.7 lid 1 en 4
Het perceel was in het verleden een agrarisch bouwperceel binnen het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied van Weerselo". Tevens past de beoogde bouw van de werktuigenloods binnen het perceel opgenomen in het plan "Buitengebied van Weerselo". Zoals eerder vermeld bestaat er binnen het huidige bouwvlak geen mogelijkheid om de beoogde werktuigenberging te realiseren. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.1.7.
Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Het plangebied is gelegen binnen het gebied met de aanduiding ‘Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente'. Zodoende zijn de artikelen 2.6.3 lid 2 en 2.6.4 van belang.
Artikel 2.6.3: Kernkwaliteiten (lid 2)
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Artikel 2.6.4: Nieuwe ontwikkelingen
Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening.
Toetsing van het initiatief aan artikelen 2.6.3 lid 2 en 2.6.4
Voorliggend voornemen voorziet in het bouwen van een werktuigenberging. Deze berging wordt landschappelijk ingepast (Bijlage 1). Op deze manier wordt geborgd dat het initiatief geen negatieve invloed heeft op het Nationaal Landschap Noordoost-Twente.
In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen, waarbij het plangebied met een rode ster indicatief is aangeduid. Het plangebied is gelegen in de zone 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. Hierna wordt nader ingegaan op het ontwikkelingsperspectief.
|
| Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'
Voorliggend voornemen voorziet in het herbestemmen van het plangebied naar een agrarische bestemming om recht te doen aan de feitelijke situatie, waarin reeds agrarische activiteiten bestaan. Daarbij wordt de bestaande verouderde kapschuur gesloopt en een nieuwe werktuigenberging gebouwd. Het perceel wordt landschappelijk ingepast. Naast de agrarische activiteiten is er een ondergeschikte metaalbewerkingsbedrijf en bedrijfswoning aanwezig. Zodoende is er in het plangebied sprake van een mix aan functies.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in of aangrenzend aan het plangebied geen relevante specifieke eigenschappen voor deze laag geldt.
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 4.3 is het plangebied (rode ster) is dit weergegeven.
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' gelegen in het gebiedstype ‘Dekzandvlakte en ruggen’. Het plangebied is in afbeelding 4.3 met rode ster indicatief weergegeven.
|
| Afbeelding 4.3: Natuurlijke laag (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
'Dekzandvlakte en ruggen'
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
De gronden in het plangebied zijn grotendeels ingericht als agrarisch bedrijfsperceel. De van oorsprong voorkomende 'Natuurlijke laag' is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. Middels een landschappelijk inrichtingsplan wordt ter plaatse van het plangebied ingespeeld op de daar voorkomende gebiedskenmerken. Gesteld wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gestelde uit de 'Natuurlijke laag'.
In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is gelegen in het landschapstype 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In afbeelding 4.4 is het plangebied met rode ster aangegeven.
|
| Afbeelding 4.4: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
'Jonge heide- en broekontginningslandschap'
De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
Door de landschappelijke inpassing worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap versterkt. Dit gebeurt door het erf in te richten met nieuwe, gebiedseigen beplanting. Voor het overige heeft het initiatief geen invloed op de dragende lineaire structuren en kenmerkende ruimtematen: de werktuigenberging wordt aansluitend aan het bestaande agrarisch erf gerealiseerd. De ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.
3. De 'Laag van de beleving'
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis.
Aangrenzend aan het plangebied is de Bornsestraat aanwezig. Deze straat is aangewezen als 'Historische infrastructuur'. Dit is op onderstaande afbeelding zichtbaar, waarin het plangebied indicatief met rode ster is aangegeven.
|
| Afbeelding 4.5: Laag van de beleving (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
'Cultureel erfgoed'
De omgevingsvisie richt zich vooral op de ruimtelijke kant van het cultureel erfgoed; op de sporen uit het verleden die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn in de leefomgeving en dan specifiek op het zogenaamde ‘onroerende erfgoed’. Denk hierbij aan monumenten, karakteristieke gebouwen (bijvoorbeeld agrarisch, industrieel en religieus erfgoed), maar ook aan landgoederen, historische occupatiepatronen en infrastructuur, verdedigingslinies en schansen, begraafplaatsen, plaatsen van herdenking en grens- en markepalen.
De ambitie van de provincie is om te richten op het behouden en versterken van het cultureel erfgoed als drager van identiteit.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving'
Het voornemen heeft geen invloed op de Bornsestraat. Alle ontwikkelingen bevinden zich binnen het plangebied. Gesteld wordt dat het voornemen voldoet aan het gestelde in de 'Laag van de beleving'.
Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. In voorliggend geval is het beleid van de gemeente Dinkelland van belang, aangezien deze ontwikkeling mogelijk is op basis van het beleid van deze gemeente en de realisatie van de compensatiewoning op een locatie binnen deze gemeente plaatsvindt.
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name de thema's 'Goede staat van landschap en natuur' en 'Toekomstgerichte agrarische sector' van belang.
Goede staat van landschap en natuur
De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, willen we behouden en ontwikkelen. Ons landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor:
Toekomstgerichte agrarische sector
Het is belangrijk dat in ons buitengebied gezonde en toekomstbestendige agrarische bedrijven blijven. We zien dat de huidige landbouw tegen grenzen aanloopt. Zo is de kwaliteit van het landschap en de natuur afgenomen.
De gemeente zet de komende jaren in op gebiedsprocessen waarbij een economisch gezonde bedrijfsvoering uitgangspunt is. Dit kan door de landbouw te verbinden met andere functies en opgaven. We bekijken de veranderingen in de landbouw, de energietransitie, klimaatopgaven, en de stikstof- en natuuropgaven in samenhang. De gemeente geeft ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. We willen slim combineren met oog voor balans tussen economische voordelen, de leefbaarheid, voorkomen van leegstand en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
In afbeelding 4.6 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met een rode ster. Het plangebied ligt in een gebied dat is gericht op behouden door hoge waarde en beperkte dynamiek.
|
| Afbeelding 4.6: Uitsnede Waardenkaart (Bron: Gemeente Dinkelland) |
Buitengebied in balans
De gemeente Dinkelland wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen.
Het Twentse landschap is een uniek coulissenlandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. We zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het herbestemmen van het plangebied naar een agrarische bestemming, vergroten van het bouwvlak en slopen van de verouderde kapschuur. Tevens wordt een werktuigenberging gerealiseerd.
Door middel van een Ruimtelijk kwaliteitsplan wordt het plangebied landschappelijk goed ingepast in het landschap. Hiermee wordt bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt en wordt er op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid in het buitengebied. Verder wordt opgemerkt dat het herbestemmen gaat om het planologisch vastleggen van een (sinds jaren) feitelijk bestaande situatie.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld.
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Voorliggend initiatief voorziet in het planologisch toestaan van agrarische bedrijfsvoering, uitbreiding van het bouwvlak en de realisatie van een werktuigenberging aan de Muldersweg 1 te Saasveld. Gelet op het initiatief zijn met name de paragrafen 4.4, 5.6.2 en 8.1.3 van toepassing.
Gelet op het voornemen (bestemming van niet-agrarisch naar agrarisch bedrijfsperceel) is gekozen het beleid in aangepaste volgorde weer te geven.
5.6.2 Functiewijziging ‘Bedrijf (niet-agrarisch)’ naar ‘Agrarisch bedrijf’
Het wijzigen van de functie ‘Bedrijf (niet-agrarisch)’ in de functie ‘Agrarisch bedrijf’ is in principe niet mogelijk, hiervoor kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een functiewijziging die voldoet aan het bepaalde in artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food van de Omgevingsverordening Overijssel dan wel de op dat moment geldende Omgevingsverordening.
4.4 Uitbreiden bedrijfsperceel
Voor het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel met de functie ‘Agrarisch bedrijf’ is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1.
8.1.3 Functioneel en niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies
Functioneel aan het buitengebied gebonden functies zijn functies die feitelijk thuishoren in het buitengebied. Omdat deze functies als gebiedseigen beschouwd worden, kan de kwaliteitsprestatie ook minder zijn dan de volledige waardevermeerdering. Voor deze functies geldt dat, naast de basisinspanning, een kwaliteitsprestatie van 25% (of 12,5% indien sprake is van een ‘kernrandzone’) van de waardevermeerdering voldoende is om de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Onder functioneel aan het buitengebied gebonden functies worden onder andere de volgende functies verstaan:
Functies die hiervoor niet genoemd zijn, worden in principe gezien als niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies. Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies horen in principe thuis op een bedrijventerrein/ in de kernen. De impact van deze functies op het buitengebied is veelal groter dan de functioneel aan het buitengebied gebonden functies. Om deze reden wordt voor deze functies, naast de basisinspanning, een kwaliteitsprestatie van 100% (of 50% indien sprake is van een ‘kernrandzone’) verlangd om zo de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.
Voorliggend voornemen voorziet in het herbestemmen van een bedrijfsbestemming naar een agrarische bestemming. Daarnaast wordt het bouwvlak vergroot, de bestaande kapschuur gesloopt en een werktuigenberging gerealiseerd.
Zoals blijkt uit paragraaf 4.2.3.4 wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.1.7 van de Omgevingsverordening Overijssel. Om het voornemen mogelijk te maken is een Ruimtelijk Kwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 1). Hiermee wordt concreet uitvoering gegeven aan het leveren van een kwaliteitsimpuls, waarbij wordt opgemerkt dat het gaat om een functioneel aan het buitengebied gebonden functie. Voor een verdere uitwerking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2.
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Cascokaart Noordoost-Twente. Het plangebied is met zwarte contour weergegeven.
|
| Afbeelding 4.7: Uitsnede Cascokaart Noordoost-Twente (Bron: Gemeente Dinkelland) |
Het plangebied bevat een onderdeel van het Casco. Elementen die tot het casco behoren mogen in principe niet verplaatst worden.
Binnen het plangebied worden geen groenstructuren verwijderd die onderdeel uitmaken van het Casco. Het plan is hiermee in overeenstemming met de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'.
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging waarbij de bestaande situatie planologisch wordt ingepast. De functiewijziging zorgt niet voor een toename van verkeersbewegingen danwel een toename van de parkeerbehoefte. Daarbij wordt opgemerkt dat het plangebied van voldoende omvang is om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Tevens dient de te realiseren werktuigenberging voor het stallen van bestaande werktuigen onder een dak. Ook dit onderdeel resulteert niet in een verandering van de verkeersgeneratie of parkeerbehoefte.
Gesteld wordt dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
Voorliggend voornemen behelst onder meer het bouwen van een werktuigenberging. Dit kan niet worden aangemerkt als een geluidgevoelig object. Hiermee is de Wgh niet van toepassing en is nader onderzoek niet nodig.
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
Het initiatief voorziet in de sloop van de verouderde asbesthoudende kapschuur en het bouwen van een werktuigenberging. Met de gemeente Dinkelland is in overleg gegaan over de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Gesteld wordt dat er geen sprake is van een wijziging naar een gevoelige bestemming, het voornemen geen directe invloed heeft op de bestaande bedrijfswoning en dat de werktuigenberging niet bedoeld is voor langdurig menselijk verblijf. Geconcludeerd wordt dat bodemonderzoek niet nodig is. Wel wordt geadviseerd om naast het afvoeren van de asbesthoudende dakplaten van de kapschuur ook de grond tot 1 meter uit de muur tot 30 centimeter diep te ontgraven en af te voeren als asbesthoudend.
De sanering van de asbesthoudende kapschuur staat verdere uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Verder wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Voorliggend voornemen voorziet in het bouwen van een werktuigenberging ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Een werktuigenberging kan niet gerekend worden tot een gevoelige bestemming aangezien deze niet is bedoeld voor langdurig menselijk verblijf. Daarnaast is een werktuigenberging niet aan te merken als een risicovolle inrichting, waardoor nadere toetsing aan externe veiligheid achterwege kan blijven.
Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied ligt in een gebied waar nauwelijks sprake is van functiemenging. Het plangebied wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'.
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.
In voorliggend geval wordt het bouwvlak vergroot en een werktuigenberging gerealiseerd ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten. Hierbij is sprake van een milieubelastende functie. Tussen deze milieubelastende functie en de gevel van milieugevoelige functies dienen voor diverse aspecten bepaalde afstanden in acht te worden genomen. Concreet gaat het hierbij om de volgende functie:
| Functie | Minimale afstand (categorie) |
| Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) | 30 meter (geluid) |
Gemeten wordt vanaf de grens van (het bouwvlak van) het plangebied tot de bestemmingsgrens van milieugevoelige bestemmingen. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (woning aan de Muldersweg 2) bedraagt circa 55 meter. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Verder zorgt de aan te leggen houtwal (Bijlage 1) voor verdere demping van geluid. Van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
In voorliggend geval wordt er geen milieugevoelige functie gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving van het plangebied.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.
Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt:
Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
Voorgenomen ontwikkeling gaat niet uit van het toevoegen van een geurgevoelige functie. De te realiseren werktuigenberging dient ten behoeve van het agrarisch bedrijf, echter is dit bedrijf geen veehouderij. In de regels van voorliggend plan is het houden van dieren daarom ook uitgesloten. De Wgv is hierdoor niet van toepassing.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 5,5 kilometer afstand.
Door Natuurbank Overijssel is een stikstofberekening uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 2. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.
Resultaten stikstofberekening
De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 12,9 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,1 kg/jaar. De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 40,5 g/jaar en een NH3-emissie van 1,9 g/jaar.
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase en gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied ligt op circa 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied.
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteit in relatie tot de afstand tot het NNN wordt gesteld dat het voornemen geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 3.
Onderzoeksresultaten natuurwaardenonderzoek
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien bebouwing wordt gesloopt en de klimopstruik wordt verwijderd tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Afbeelding 5.1 toont de ligging van het plangebied (blauwe contour) binnen deze kaart.
|
| Afbeelding 5.1: Het plangebied op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Dinkelland) |
Het plangebied ligt op basis van de Archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland, deels in het gebied 'dekzandhoogten en -ruggen' en deels in het gebied 'dekzandhoogten en - ruggen met een plaggendek'.
Ter plaatse van het gebied 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' vinden de beoogde bodemingrepen plaats (de locatie staat weergegeven in paragraaf 3.1). In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De te realiseren werkschuur heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2 en valt daarmee onder de vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan.
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd.
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 5,5 kilometer afstand.
Voorliggend bestemmingsplan behelst het bestemmen van het plangebied met de bestemmingen 'Agrarisch' (à 8.417 m2) en 'Bos - Natuur' (à 754 m2) en het uitbreiden van het bouwvlak met 1.823 m2. Initiatiefnemer is voornemens de kapschuur te slopen en een werktuigenberging te bouwen. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van de sloop van de bestaande kapschuur wordt bovendien opgemerkt dat het gaat om zeer tijdelijke en zeer kleinschalige (aanleg)werkzaamheden.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Voor dit bestemmingsplan is hiermee dan ook geen sprake van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, geen sprake van een nieuwe functie die leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. Het resultaat is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Naar aanleiding van het resultaat is contact opgenomen met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt.
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is meer dan 1500 m2. De voormalige mestkelders worden gebruikt voor de opvang van regenwater vanaf het dak van de te bouwen werktuigenberging. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan is er geen toename van vervuilingseenheden en heeft dus geen invloed op de afvoer van afvalwater. Het hemelwater wordt opgevangen in de twee voormalige mestkelders, met een capaciteit van 30 m3. Dit water kan in droge periodes worden gebruikt ten behoeve van irrigatie en dergelijke. Door middel van een overloopsysteem wordt, wanneer de opslag van regenwater vol zit, overtollig water afgevoerd op de sloot (zuidzijde) of geïnfiltreerd in de hoger gelegen zandgronden (noordzijde). Het waterschap komt met nadere adviezen ten aanzien van de toename in verharding.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen.
In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen.
Hier staat de procedure die van toepassing is op het stellen van nadere eisen ex artikel 3.6. lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening.
In dit artikel worden de overige regels beschreven. Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
De gronden in het plangebied worden voor het grootste deel bestemd met 'Agrarisch - 1'. Het bestaande bouwvlak wordt hierbij uitgebreid ten behoeve van de bouw van de werktuigenberging.
Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden. De gronden zijn ook bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een akkerbouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel akkerbouwbedrijf'. De sloop van de kapschuur en landschappelijke inpassingen zijn gewaarborgd door bij de specifieke gebruiksregels specifieke voorwaardelijke verplichtingen op te nemen.
Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie en het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen overeenkomstig het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk Kwaliteitsplan.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemer ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkelingen geen nationale belangen schaden. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Het plan is in het kader van vooroverleg naar de provincie Overijssel toegezonden. De provincie heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt.
In het kader van de watertoets is de digitale watertoets ingevuld. Er is contact gezocht met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren kenbaar gemaakt.
Initiatiefnemer heeft de bewoners van de Muldersweg 2 en Bornsestraat 51a gesproken over het voornemen. De bewoners hebben aangegeven positief te staan tegenover het voornemen. Er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt tegen (onderdelen van) het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend tegen het plan.