direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp is een voormalig agrarisch erf met twee bedrijfswoningen aanwezig. De initiatiefnemers zijn voornemens de functie te wijzigen naar gedeeltelijk een woonbestemming en gedeeltelijk een bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming zal worden gebruikt ten behoeve van de opslag van een bouw- en handelsonderneming waar (bouw)materialen worden opgeslagen en lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied bestaat uit de erven aan de Lubberdinksweg 12 en 14 in Denekamp. Het plangebied ligt op ca. 200 meter ten noorden van de bebouwde kom van Denekamp, nabij het Almelo-Nordhorn Kanaal en het klooster te Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M, perceelsnummers 798, 1379, 1380, gedeeltelijk 1383, gedeeltelijk 1385 en gedeeltelijk 1574. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied met rood omcirkeld (bron: atlasvanoverijssel.nl)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto met kadastrale kaart weergegeven waarop het plangebied te zien is. De begrenzing komt overeen met het bouwperceel van het grondgebonden agrarische bedrijf. Het plangebied wordt aan zowel de noord, oost als westzijde begrensd door agrarische weidegronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Lubberdinksweg. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding van het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 vastgesteld. Op 20 april 2012 is het bestemmingsplan onherroeppelijk geworden. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend met een bouwvlak en de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij gebouwd kan worden binnen het bouwvlak.

Alle agrarische bedrijfsgebouwen zijn niet meer in gebruik voor het agrarische bedrijf. Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om andere activiteiten dan een agrarische bedrijf te exploiteren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk om het gewenste gebruik mogelijk te maken.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noorden van de kern Denekamp. In de huidige situatie is er aan de Lubberdinksweg 12-14 in Denekamp sprake van een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel. Op onderstaand figuur is een luchtfoto weergegeven waarop de verscheidene gebouwen te zien zijn. Op het erf zijn twee bedrijfswoningen en meerdere schuren aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0004.png"

Figuur 2.1: huidige situatie plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl)

De ruimtelijke structuur wordt met name bepaald door verspreid liggende woonerven en agrarische bedrijven in agrarische cultuurgebied. De erven in de omgeving liggen onregelmatig verstrooid langs de wegen. De Lubberdinksweg is één van de wegen die leidt naar het Klooster van Denekamp. De bebouwing is georiënteerd op deze weg waarbij de nokrichting in het verlengde of haaks op de weg staat. Het meest westelijk gelegen gebouw betreft een bedrijfswoning welke in figuur 2.2 weergegeven is. Op figuur 2.3 is het merendeel van de voormalige agrarische bebouwing te zien. Het meest oostelijk gelegen gebouw betreft eveneens een bedrijfswoning en is in figuur 2.4 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0005.png"

Figuur 2.2: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0006.png"

Figuur 2.3: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0007.png"

Figuur 2.4: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

Het voormalige agrarisch erf zal een functiewijziging ondergaan. De voorgenomen situatie ziet toe op het in het gebruik nemen van de tweede bedrijfswoning aan Lubberdinksweg 14 als reguliere woning. De bedrijfswoning op nummer 12 zal de bedrijfswoning blijven bij het bedrijf wat zich door de jaren heen op de locatie heeft opgebouwd. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gebruikt als opslag voor een bouw- en handelsonderneming waar met name de opslag van (bouw)materialen plaatsvindt en lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw vindt buitenopslag plaats, waar maximaal 200 m2 aan materiaal mag worden opgeslagen.

Voor het geheel is een erfinrichtingsplan opgesteld, waarbij de uitgangspunten van het landschap zijn opgenomen. Op het perceel wordt een aanzienlijke oppervlakte aan erfverharding verwijderd (314 m2). Er wordt een nieuwe beeldbepalende boom aangeplant (J) en aan de achterzijde van het perceel worden nieuwe hagen aangeplant (K). Het volledige erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. In figuur 2.5 is een uitsnede van het erfinrichtingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0008.png"

Figuur 2.5: Toekomstige situatie (bron: N+L landschapsontwerpers)

Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om in het bijgebouw bij de bedrijfswoning (aangeduid met C in figuur 2.5) een mantelzorgwoning te realiseren om mantelzorg te kunnen verlenen. Daarbij geldt dat het geen permanente woning betreft. Als de noodzaak voor mantelzorg vervalt zal de huisvesting voor mantelzorg worden beëindigd en wordt het bouwwerk teruggebouwd in de oorspronkelijke functie: bijgebouw bij de woning. In de gebruiksregels van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' is derhalve opgenomen dat bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan al dan niet in combinatie met onder andere mantelzorg.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in vestiging van een nieuwe economische functie (handelsbedrijf en lichte houtbewerkingswerkzaamheden) in het buitengebied (landelijk gebied) van Denekamp. Daarmee is de vierde pijler "toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied" relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. In de NOVI wordt voor het landelijk gebied aangegeven dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied moet cultureel erfgoed en unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten behouden en versterkt worden. Waar mogelijk en gewenst dienen nieuwe kwaliteiten toegevoegd te worden. Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied. Vrijkomende agrarische bebouwing kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van nieuwe functies en woonconcepten.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden voormalige agrarische opstallen gebruikt ten behoeve van een nieuwe economische functie (handelsonderneming en lichte houtbewerkingswerkzaamheden ). De bijbehorende bedrijfswoning blijft als zodanig bestaan. De tweede bedrijfswoning zal worden omgezet naar een woonbestemming. De voorgenomen ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het erf verbeterd. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van het gemeentelijke beleid voor het buitengebied (Buitengebied met kwaliteit). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de prioriteiten van de NOVI past. Er wordt een bijdrage geleverd aan de toekomst van het landelijk gebied.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Het plan voorziet in de vestiging van een handelsbedrijf met lichte houtbewerkingswerkzaamheden op een (voormalig) agrarisch bouwperceel in bestaande bebouwing in combinatie met het omzetten van een tweede bedrijfswoning naar een woonbestemming.

Op grond van het geldende bestemmingsplan is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Dit betreft een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf of een akkerbouwbedrijf. Op grond van de bouwregels van de geldende bestemming (Agrarisch - 1) mogen gebouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het huidige agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.000 m2. Het agrarisch bouwperceel waarbinnen het grondgebonden agrarische bedrijf ('specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf') is toegestaan heeft een oppervlakte van 10.800 m2.

Als gevolg van dit plan wordt de agrarische bedrijfsvoering gestaakt. De reeds bestaande bedrijfsgebouwen (circa 715 m2) worden als gevolg van het plan gebruikt voor de handel en opslag van (bouw)materialen met lichte houtbewerkingswerkzaamheden. Daarnaast wordt de buitenopslag van (bouw)materialen mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van maximaal 200 m2. Het grondgebonden agrarisch bouwperceel wordt op de verbeelding verwijderd en voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' met een oppervlakte van 5.074 m2. Daarnaast wordt het perceel Lubberdinksweg 14 voorzien van de bestemming 'Wonen' (oppervlakte 2.733 m2).

In de overzichtsuitspraak met jurisprudentie met betrekking tot de Ladder van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) is bepaald dat de uitbreiding van bedrijfsbebouwing kleiner dan 500 m2 in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Tevens heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat een in het bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Voorts is daarin overwogen dat een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was.

Eveneens is opgenomen dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft. Conform de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) is artikel 3.1.6 lid 2 Bro opgenomen teinende zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en is daarmee beoogd om leegstand te voorkomen.

Hoewel het voorgenomen plan in hoofdzaak voorziet in een planologische functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een handelsbedrijf waarbij lichte houtbewerkingswerkzaamheden worden toegestaan, voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een nieuwe stedelijke ontwikkeling/functie waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Derhalve dient een laddertoets uitgevoerd te worden.

Bestaand stedelijk gebied

Zoals is beschreven voldoet een ontwikkeling aan de Ladder als de behoefte is aangetoond en de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt. In artikel 1.1.1. onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Het plangebied betreft een voormalig agrarisch bouwperceel met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Er is geen sprake van een bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid etc. waardoor het plangebied niet aangemerkt kan worden als bestaand stedelijk gebied. Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro gemotiveerd worden dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in die behoefte kan worden voorzien.

Verzorgingsgebied

In de beschrijving dient inzichtelijk te worden gemaakt dat het plan niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkeling zal leiden (uitspraak van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2095 (Eindhoven)).

Uit de Nota van toelichting blijkt dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van het onderzoek naar, de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de uitkomsten dienen te zijn opgenomen in de plantoelichting.

Daaruit blijkt voorts dat het primair aan de bestuursorganen is om op basis van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling te bepalen hoe uitgebreid het onderzoek moet plaatsvinden, met welke bestuursorganen en diensten het overleg over de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gevoerd en tot welk gebied de onderbouwing van de behoefte zich uitstrekt. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling in relatie tot de context. Van geval tot geval zal moeten worden bezien welk schaalniveau past bij de behoefte, in de leniging waarvan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling voorziet, gelet op de aard en omvang daarvan (uitspraken van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek), van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:798 (Asten) en van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2921 (Geldermalsen)).

De werkzaamheden van het handelsbedrijf met lichte houtwerkbewerkingswerkzaamheden zijn bepalend voor de locatiekeuze. Het betreft een kleinschalige handelsbedrijf dat reeds bij het agrarisch bedrijf aan de Lubberdinksweg 12 is gevestigd. Het klantenbestand van het handelsbedrijf bevindt zich voornamelijk in de regio Denekamp. Logischerwijs is het voor particulieren en bedrijven aantrekkelijker en gemakkelijker om een handelsbedrijf in de nabijheid van de woonplaats, de bouwplaats c.q. vestigingsplaats in te schakelen. Vanwege economisch gronden (korte rijafstanden) is het logisch dat een handelsbedrijf voor bouwmaterialen en waar lichte houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden, zich midden in het werkgebied bevindt. Het bedrijf kent derhalve een grote mate van lokale gebondenheid (regio Denekamp). De huidige locatie aan de Lubberdinksweg 12 is hierdoor een zeer goede uitvalsbasis om in de behoefte te voorzien. Daarom kan de regio Denekamp aangemerkt worden als verzorgingsgebied.

Behoefte

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verplicht het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. Deze verplichting geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied.

Bij deze behoefte gaat het niet alleen om de kwantitatieve behoefte. Het kan ook gaan om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3444 (Rozendaal)).

In deze beschrijving dient tot uitdrukking te komen dat deze behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor van belang kan zijn (uitspraken van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek) en van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345 (Kampen)).

Zoals is beschreven is het handelsbedrijf reeds gevestigd op het voormalige agrarische bedrijfsperceel. Het klantenbestand van het handelsbedrijf bevindt zich voornamelijk in de regio Denekamp. Logischerwijs is het voor particulieren en bedrijven aantrekkelijker en gemakkelijker om een handelsbedrijf in de nabijheid van de woonplaats, de bouwplaats c.q. vestigingsplaats in te schakelen. Vanwege economisch gronden (korte rijafstanden) is het logisch dat een handelsbedrijf voor bouwmaterialen en waar lichte houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden, zich midden in het werkgebied bevindt. Het bedrijf kent derhalve een grote mate van lokale gebondenheid (regio Denekamp).

Gelet op het verzorgingsgebied vallen binnen de kern Denekamp de bedrijventerreinen Kloppendijk en Sombeek. Op bedrijventerrein Kloppendijk en Sombeek zijn momenteel geen nieuwe bedrijfskavels beschikbaar. Ook zijn de bedrijfskavels van de recente uitbreiding (Sombeek IV) reeds allemaal verkocht of in optie. Daarnaast zijn er op het bedrijventerrein geen bedrijfspanden te huur of te koop die voldoen aan de juiste vereisten om een aannemersbedrijf te kunnen beginnen. Op het bedrijventerrein zijn momenteel dan ook geen geschikte panden of locaties beschikbaar. Daarmee zijn er geen geschikte alternatieve locaties in bestaand stedelijk gebied.

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het voorliggende plangebied valt derhalve niet aan de merken als bestaand stedelijk gebied en ligt op basis van het geldende bestemmingsplan in het bestemmingsplan voor het buitengebied. Conform de ladder moet bij locaties buiten bestaand stedelijk gebied, gemotiveerd worden of de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Binnen het verzorgingsgebied van het handelsbedrijf wordt gekeken naar bestaande stedelijke bedrijvenlocaties in de kern Denekamp. Gelet op de binding met Denekamp, is een verplaatsing naar een locatie elders in de regio, geen reële optie.

Voorts is van belang dat middels onderhavig bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (zoals vervat in de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.

Beschikbaarheid en geschiktheid locaties binnen bestaand stedelijk gebied

Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol. Argumenten dat binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling kunnen bijvoorbeeld gaan over:

  • kwalitatieve aspecten van de behoefte (hierbij kan gedacht worden aan bedrijvigheid die niet binnen bestaand stedelijk gebied in voorzien kan worden door bijvoorbeeld de kavelgrootte of milieucategorie)
  • Andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of (volgens ruimtelijk beleid, zoals een structuurvisie) worden beoogd (voorbeelden zijn onder andere maatschappelijke voorzieningen, groenvoorzieningen en bedrijven die aanwezig zijn of later worden beoogd in een gebied/locatie);
  • Aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplekken, bijvoorbeeld vanwege negatieve milieuaspecten als gevolg van de nieuwe functie.

Zoals is aangegeven behoort de regio Denekamp, gelet op het klantenbestand en oorsprong van het bedrijf, tot het verzorgingsgebied van het handelsbedrijf.

Het handelsbedrijf is reeds gevestigd als nevenactiviteit bij het voormalige agrarische bedrijf. Op het bedrijventerrein Sombeek in Denekamp is geen bedrijfsperceel en/of nieuwe bedrijfskavel beschikbaar. Op korte termijn zijn er geen concrete plannen (bestemmingsplannen in voorbereiding) van de gemeente Dinkelland voor de uitbreiding van de bestaande bedrijventerreinen van Denekamp. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied ontbreekt om de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk te maken.

De huidige locatie aan de Lubberdinksweg 12 is hierdoor een zeer goede locatie om in de behoefte te voorzien. Voorliggend plan voorziet daarmee in een actuele behoefte van een lokaal geworteld bedrijf en draagt bij aan de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het plan voorziet in een nieuwe, toekomstbestendige functie in vrijkomende agrarische bebouwing.

Resumerend

Op basis van het vorenstaande wordt daarom gesteld dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het voorliggende plan geeft invulling aan een concrete kwantitatieve en kwalitatieve behoefte die niet ingevuld kan worden binnen het bestaand stedelijk gebied in de regio Denekamp. Echter geldt ten alle tijde dat tevens gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De verdere toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0009.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde artikelen uit de omgevingsverordening van de provincie Overijssel.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Doorwerking in voorliggend plan:

De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag – zowel ondergronds als bovengronds – te voorkomen. De provincie wil het onderscheid tussen het bestaande bebouwde gebied en de onbebouwde groene omgeving scherp houden.

Vanuit het principe 'inbreiding gaat voor uitbreiding' moeten bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling eerst waar mogelijk locaties benut worden binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Het bestaand bebouwd gebied wordt gedefinieerd als de gronden die op basis van geldende omgevingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Het benutten van mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar onbebouwde terreinen die zich lenen voor bebouwing. Er kan ook ruimte gemaakt worden door sloop, herbestemming en transformatie van de fysieke leefomgeving. Het is overigens niet de bedoeling om door toepassing van het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik alle open ruimten en het bestaand stedelijk groen op te vullen. De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik moet zo gelezen worden dat pas een uitleglocatie benut mag worden als het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie te vinden binnen bestaand bebouwd gebied.

Ook voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving gelden de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Bij nieuwvestigingen en uitbreidingswensen waarvoor binnen het bestaand bebouwde gebied in redelijkheid geen ruimte te vinden is, moet zoveel mogelijk eerst de ruimte benut worden binnen bestaande erven, voordat beslag mag worden gelegd op de onbebouwde Groene Omgeving. Dit geldt niet alleen voor agrarische bedrijven, maar voor alle functies in de Groene Omgeving. Ook bij/voor hergebruik en transformatie geldt dat zij moet bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.

Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag begint bij de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Voor de beantwoording van de vraag naar nut en noodzaak, gelden voor sommige functies op grond van het provinciale beleid specifieke motiveringseisen. Dit geldt in ieder geval voor wonen, de ontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel.

In het voorliggend plan worden voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hergebruikt ten behoeve van kleinschalige vormen van bedrijvigheid. Het hergebruiken van economisch goed bruikbare gebouwen voor andere doeleinden dan agrarische doeleinden sluit goed aan bij het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De bestaande bebouwing wordt hergebruikt zonder dat er sprake is van ruimtebeslag op de groene omgeving.

Daarnaast wordt het grondgebonden agrarische bedrijfsperceel gewijzigd van de bestemming 'Agrarisch - 1' met functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' gewijzigd in zowel de bestemming 'Wonen' als de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch'. Het huidige agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.000 m2. Het agrarisch bouwperceel waarbinnen het grondgebonden agrarische bedrijf ('specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf') is toegestaan heeft een oppervlakte van 10.800 m2.

De nieuwe bestemming 'Wonen' heeft een oppervlakte van 2.733 m2. De bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' heeft een oppervlakte van 5.074 m2. De overige gronden worden voorzien van de bestemming 'Agrarisch -1' zonder bouwmogelijkheden. Daarmee neemt het het perceel, waarbinnen de bebouwing mag worden opgericht, aanzienlijk af. Ook de toegelaten hoeveelheid bebouwing neemt af. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken

Doorwerking voor voorliggend plan:

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld om te borgen dat de herontwikkeling van het voormalig agrarisch bedrijfsperceel leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij zijn de kenmerken van het oude hoevenlandschap leidend. Het landschapsplan is in Bijlage 1 opgenomen. Opgemerkt wordt dat in de navolgende subparagrafen de ontwikkeling wordt getoetst aan de ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken.

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Doorwerking voor voorliggend plan:

De gemeente Dinkelland heeft het beleid voor het buitengebied vervat in de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. De beleidsnota vervangt de voorheen geldende Rood voor Rood-regeling, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur-beleid en het VAB+ beleid.

In artikel 4.7.2. van de beleidsnota is de functiewijziging van 'Agrarisch bedrijf' naar de functie 'Bedrijf (niet agrarisch)' opgenomen. Enkele voorwaarden zijn dat de legaal opgerichte gebouwen vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen moeten zijn die minimaal 5 jaar als zodanig in gebruik zijn geweest, daarvan is in voorliggend geval sprake. Daarnaast geldt dat de functiewijziging binnen de bestaande gebouwen moet plaatsvinden. Bedrijfsmatige buitenopslag van goederen is toegestaan waarbij de oppervlakte maximaal 200 m2 mag beslaan. Tevens geldt dat de ontwikkeling landschappelijk moet worden ingepast.

In voorliggend geval wordt voldaan aan de voorwaarden dat de bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande gebouwen moeten plaatsvinden. Conform het erfinrichtingsplan (zie Bijlage 1) bedraagt de buitenopslag van materiaal niet meer dan 200 m2. Om het plan landschappelijk in te passen worden nieuwe hagen aangeplant, een nieuwe beeldbepalende boom en wordt erfverharding verwijderd. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de eisen van artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

Artikel 2.6.4 Nieuwe ontwikkelingen Nationale Landschappen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 (kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

  • het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
  • de grote mate van kleinschaligheid;
  • het groene karakter.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Het plangebied behoort tot het Oude hoevenlandschap. Het hoofdkenmerk voor dit landschap is contrastrijke landschappen met veel variatie op de korte afstand: open es, kleinschalige flank met erf, kleinschalige natte laagtes met veel houtwallen, open heidevelden en -ontginningen. Daartussen kleinere bovenlopen van beken. De nederzettingsvormen bestaan uit verspreide individuele erven, geen dorpen en middelgrote erven, met verschillende volumes en zware beplantingen.

Aan de Lubberdinksweg 12-14 wordt bestaande bebouwing hergebruikt ten behoeve van de functie wonen en kleinschalige bedrijvigheid. Het erf wordt verder landschappelijk ingepast door de aanplant van landschapselementen. De landschappelijke inpassing van het erf is opgenomen in Bijlage 1. Op deze manier wordt het groene karakter van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente verder versterkt. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied blijft behouden en er is geen sprake van aantasting van het landschap.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0010.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen herontwikkeld waarbij een handelsonderneming in oude bouwmaterialen gevestigd wordt waar lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast. Daarmee wordt een nieuwe functie gerealiseerd die een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten en tevens aan het behoud van de mix van functies in het kleinschalige mixlandschap. Het voorgenomen plan doet derhalve geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de aanwezige functies in de omgeving.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0011.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De dekzandgronden worden gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandgebieden zijn voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heide-ontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Als ontwikkelingen plaatsvinden dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar maken en beleefbaar maken van hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij inrichting. De strekkingsrichting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, dient uitgangspunt te zijn. Hiermee dient bij de planuitwerking rekening te worden gehouden.

Het perceel is in de huidige situatie reeds bebouwd. De specifieke kenmerken van de natuurlijke laag zijn niet meer aanwezig in het plangebied. In het voorliggende geval is er sprake van het hergebruik van bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Aangezien de specifieke kenmerken van de dekzandvlakten en ruggen niet meer aanwezig zijn heeft de transformatie van het perceel geen negatieve effecten op de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. Daarnaast is een minimaal gedeelte van het perceel voorzien van de laag 'essenlandschap'. Aangezien het overgrote deel van het perceel, waarbinnen de functiewijziging plaatsvindt, is gelegen in het oude hoevenlandschap, zal het plan getoetst worden aan de kenmerken van het oude hoevenlandschap. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0012.png"

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het oude hoevenlandschap wordt gekenmerkt als landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.

De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.

Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarische bedrijfsgebouwen getransformeerd waarbij een handelsonderneming in oude bouwmaterialen gevestigd wordt. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast en een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Tevens draagt het bij aan het behoud van de mix van functies in het oude hoevenlandschap. Het plan past derhalve binnen de kenmerken van het oude hoevenlandschap.

Laag van de beleving

Op grond van de 'Laag van de beleving' is het plangebied aangemerkt als 'donkerte'. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten.

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkere gebieden. De bedrijfsactiviteiten worden over het algemene gedurende de reguliere werktijden (07.00 tot 18.00) uitgevoerd. Na werktijd geldt het uitgangspunt dat de verlichting in de bedrijfsgebouwen gedimd worden/uit wordt gezet. Er worden geen grote lichtbronnen in het plangebied gerealiseerd die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de 'donkerte'.

Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkerte. Het betreft enkel een planologische functiewijziging, er wordt geen nieuwe woning toegevoegd.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.

De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • 1. We doen het samen;
  • 2. We geven het goed voorbeeld;
  • 3. We wentelen niet af op volgende generaties;
  • 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.

In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

In figuur 3.5 is een uitsnede van de waardenkaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0013.png"

Figuur 3.5: Uitsnede MijnOmgevingsvisie Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland)

Toets

Op grond van MijnOmgevingsvisie Dinkelland valt het plangebied onder de aanduiding 'gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'. Hier wordt aangegeven om in te spelen op onder andere de schaal van het landschap en het afwisselende karakter en de bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. Als waarde geldt onder andere de variatie in beplanting en grondgebruik.

Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarische bedrijfsgebouwen getransformeerd waarbij een handelonderneming in oude bouwmaterialen met incidenteel lichte houtbewerkingswerkzaamheden gevestigd wordt. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast. Daarmee wordt een nieuwe functie gerealiseerd die een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten en tevens aan het behoud van de mix van functies in het landschap. Daarmee past het plan binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.

3.3.2 Buitengebied met kwaliteit

Het buitengebied van Dinkelland kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten.

Om dit te kunnen bereiken beschikte de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie Dinkelland.

De afgelopen jaren is echter ook geconstateerd dat het ruimtelijk beleid voor het buitengebied op onderdelen onnodig ingewikkeld is geworden en is zowel vanuit aanvragers en hun adviseurs als gemeente de wens geuit voor eenvoudiger en overzichtelijker beleid voor het buitengebied. In de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' zijn de eerdergenoemde beleidsregels en de beleidsregels ten aanzien van plattelandswoningen en nieuwe landgoederen vervat in één vereenvoudigde regeling die mede vanwege de opgaven in het buitengebied op onderdelen geactualiseerd en aangevuld is.

Doelstelling

Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.

Reikweidte

De beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen/ het omgevingsplan bij recht of met toepassing van een binnenplanse afwijking/ binnenplanse omgevingsplanactiviteit biedt. Ook is deze beleidsregel niet van toepassing op o.a. de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen of direct grenzend aan de bebouwde kom zijn gelegen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken.

Afhankelijk van de wijze waarop een ontwikkeling juridisch-planologisch geborgd moet worden, moet voor de toepassing van deze beleidsregel een procedure herziening bestemmingsplan/ omgevings-plan of een buitenplanse afwijking/omgevingsplanactiviteit worden doorlopen.

Algemene randvoorwaarden

Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks- en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op ‘een goede ruimtelijke ordening’ of een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ingeval de Omgevingswet inwerking is getreden.

Daarnaast moet bij de toepassing van deze beleidsregel in elk geval voldaan worden aan de algemene randvoorwaarden:

  • 1. Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverband/ onderlinge afstand);
  • 3. De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap;
  • 5. De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer. Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager;
  • 6. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden;
  • 7. De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden;
  • 10. Indien dit nodig wordt geacht, kan een bedrijfsplan worden gevraagd ter onderbouwing van een verzoek;
  • 11. In het bestemmingsplan/ het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging;
  • 12. Een gecombineerde toepassing van de in deze beleidsregel opgenomen onderdelen is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan de daarbij behorende voorwaarden;
  • 13. Vergunningen die niet meer actueel zijn of die nog niet zijn benut, kunnen niet ingezet worden ter compensatie voor (extra) ontwikkelingsruimte en worden onherroepelijk ingetrokken.

In hoofdstuk 4.7 zijn de voorwaarden voor de functiewijziging van een agrarisch bedrijf beschreven. Bij functiewijziging gaat het om het wijzigen van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ in één van de andere functies die genoemd worden in deze beleidsregeling. Niet elk nieuwe functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de nieuwe functie op de omgeving een rol speelt. Bij functiewijziging gaat het om het hergebruik van het bestaande erf en de daarop aanwezige bebouwing. In paragraaf 4.7.1 wordt ingegaan op de functiewijziging van een 'Agrarisch bedrijf' naar de functie 'Wonen'. Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5 van de beleidsnota.

Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.

In paragraaf 4.7.2 wordt concreet ingegaan op de functiewijziging van 'Agrarisch bedrijf' naar de functie 'Bedrijf (niet-agrarisch)'. Voor deze functiewijziging gelden de volgende voorwaarden:

  • 1. De legaal opgerichte gebouwen moeten vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen zijn die minimaal 5 jaar als zodanig in gebruik zijn geweest;
  • 2. Indien de bestaande legaal opgerichte gebouwen niet meer functioneel te gebruiken zijn voor de nieuwe activiteit, is vervangende nieuwbouw mogelijk. Voor de berekening van de terug te bouwen oppervlakte geldt de volgende (relevante) bouw-/sloopverhouding:

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0014.png"

  • 3. Extra m2 bebouwing wordt uitsluitend toegestaan indien elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt. Voor het toestaan van extra m2 bebouwing geldt bovengenoemde bouw-/sloopverhouding.
  • 4. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor vervangende nieuwbouw/sloop, maar worden ingepast in de nieuwe erfopzet;
  • 5. Indien de te behouden gebouwen landschap ontsierend zijn, kunnen eisen gesteld worden aan het verfraaien van de gebouwen zodat deze niet meer landschap ontsierend zijn;
  • 6. Bedrijfsmatige buitenopslag van goederen of andere bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen is uitsluitend in ondergeschikte mate toegestaan en moet aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de aard van de bedrijvigheid. De buitenopslag mag geen substantieel onderdeel vormen van de bedrijfsvoering en mag geen grotere oppervlakte beslaan dan 200 m2. Daarnaast moet de buitenopslag goed landschappelijk ingepast worden;
  • 7. In afwijking van punt 6 zijn activiteiten buiten de gebouwen uitsluitend toegestaan indien het gaat om toeristisch-recreatieve functies, horeca, zorgfuncties of daarmee vergelijkbare functies of indien deze activiteiten noodzakelijk zijn in verband met de buitenopslag als bedoeld in lid 6
  • 8. Uitsluitend indien het bestaande (bedrijfs)perceel niet toereikend is voor de nieuwe functie, kan onder voorwaarden een uitbreiding van het (bedrijfs)perceel worden toegestaan. Hiervoor gelden de regels uit deze beleidsnotitie die op de betreffende functie van toepassing zijn voor de uitbreiding van het (bedrijfs)perceel;
  • 9. Detailhandel in een andere vorm dan productiegebonden detailhandel is niet toegestaan. Maximaal 10% van de totale oppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m2 mag worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel;
  • 10. Uitsluitend indien het bestaande (bedrijfs)perceel niet toereikend is voor de nieuwe functie, kan onder voorwaarden een uitbreiding van het (bedrijfs)perceel worden toegestaan. Hiervoor gelden de regels uit deze beleidsnotitie die op de betreffende functie van toepassing zijn voor de uitbreiding van het (bedrijfs)perceel.

Toets

Als gevolg van dit plan wordt de agrarische bedrijfsvoering gestaakt. Door het plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen(circa 715 m2) gebruikt als opslag ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming waar (bouw)materialen worden opgeslagen en lichte houtbewerkingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Het grondgebonden agrarisch bouwperceel wordt verwijderd en voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' met een oppervlakte van 5.074 m2. Daarnaast wordt het perceel Lubberdinksweg 14 voorzien van de bestemming 'Wonen' (oppervlakte 2.733 m2). Daarmee is er sprake van een substantiële afname van bedrijfsactiviteiten (waarbij de toestemmingen en vergunningen worden ingetrokken) op het perceel en geldt dat het plan binnen het bestaande (bedrijfs)perceel binnen bestaande bebouwing wordt gerealiseerd. Buitenopslag vindt plaats tot een maximum van 200 m2. Op basis hiervan geldt dat het plan voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf 4.7.1. en 4.7.2 van de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'.

Om het plan landschappelijk in te passen en een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit wordt circa 314 m2 aan erfverharding verwijderd. Er worden nieuwe hagen en een nieuwe beeldbepalende boom aangeplant. De bestaande houtopstanden in het plangebied blijven behouden. Tot slot voorziet het plan in een nieuwe economische drager in het buitengebied. Het plan past binnen de uitgangspunten van de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Er zijn enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van belangrijke gevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.

Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.

Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt een voormalig agrarisch erf getransformeerd naar een woonerf en worden voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen(circa 715 m2) gebruikt voor de opslag van (bouw)materialen en voor lichte werkzaamheden ten behoeve van een timmerbedrijf. De bebouwde oppervlakte van het perceel neemt niet toe. Het aantal verkeersbewegingen neemt als gevolg van het plan toe met 52 verkeersbewegingen (inclusief vrachtverkeer). Aangezien er sprake is van een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een bedrijfsfunctie (handelsbedrijf met lichte houtbewerkingswerkzaamheden) geldt dat een aanmeldnotitie noodzakelijk is om aan te tonen dat het plan geen belangrijke gevolgen heeft voor het milieu. De aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen.

Op 11 december heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor de locatie Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling Lubberdinksweg 12-14, Denekamp is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Uit het besluit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden, waardoor het niet noodzakelijk is om een milieueffectrapport op te stellen.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0015.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische functies aanwezig met verspreid enkele stedelijke functies. Derhalve wordt het plangebied aangemerkt als 'rustig buitengebied'.

Bij het realiseren van een nieuwe bestemming danwel nieuwe functie dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Het omzetten van de twee agrarische bedrijfswoningen naar één reguliere woning en een bedrijfswoning wordt niet aangemerkt als een milieubelastende functie. Derhalve geldt dat het omzetten van de woningen niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Daarnaast wordt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing als gevolg van dit plan gebruikt ten behoeve van een handelsonderneming, waar lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden.

Op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' geldt voor de categorie "groothandel in hout en bouwmaterialen met een bedrijfsvloeroppervlakte van minder dan 2000 m2" milieucategorie 2, waarvoor een grootste richtafstand geldt van 30 meter voor het aspect 'geluid'. Voor de aspecten stof en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter.

De lichte houtbewerkingswerkzaamheden sluiten op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' het meeste aan bij een 'Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2'. Voor een dergelijk bedrijf geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid en 30 meter voor het aspect stof.

De grens van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de woning (niet zijnde de berging/garage) bedraagt 7 meter. Voor het aspect geluid wordt niet voldaan aan de richtafstand. Derhalve is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer B03.23.267.RM, d.d. 25 oktober 2023). Door middel van een overdrachtsberekening zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus ter plaatse van de beoordelingspunten bepaald. De overdrachtsberekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig methode II.8 uit de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999'. De invoergegevens die zijn gebruikt bij de geluidoverdrachtsberekening zijn gegeven in bijlage 2 van het akoestisch onderzoek. Bepaling van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus vinden plaats op een beoordelingshoogte van 1,5 meter (dag) en 5 meter (avond en nacht; in dit geval niet van toepassing). De geluidniveaus worden invallend beschouwd. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Bij de berekening van de overdracht van geluid is uitgegaan van een afname van het geluidniveau door geometrische uitbreiding, door luchtabsorptie en door bodemabsorptie. Harde bodemgebieden zijn ingevoerd in het model. De bodemfactor welke is gehanteerd in het model is 1 (zacht). In bijlage 3 van het akoestisch onderzoek zijn de rekenresultaten opgenomen ten gevolge van de het bedrijf. In onderstaande tabel (en tabel 3 van het akoestisch onderzoek) zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en het maximale geluidniveau ter plaatse van de nabijgelegen woning(en) samengevat.

Lubberdinksweg 14

In de tuin moet het geluidsniveau acceptabel zijn. Een goed woon- en leefklimaat houdt in dat mensen ook op een verantwoorde manier gebruik kunnen maken van hun tuin en buiten kunnen zijn.

Voor de bepaling van de maximale geluidniveaus is onderscheid gemaakt in de volgende bronnen:

  • Bron 001-002, mobiele bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 5 dB(A)
  • Bron 01-02, 003 mobiele bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 10 dB(A)
  • Bron 04-07, bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 10 dB(A).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0016.png"

Tabel 1: Rekenresultaten ter plaatse van woningen (bron: Munsterhuis Geluidsadvies)

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen woning maximaal 42 dB(A) in de dagperiode. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de tuin bij de Lubberdinksweg 14 het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 44 dB(A) in de dagperiode bedraagt.

Het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning en in de tuin bedraagt in de dagperiode maximaal 70 dB(A) als gevolg van de bestelwagen.

De ambitiewaarden uit het geluidbeleid en de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het activiteitenbesluit worden ter plaatse van de woning niet overschreden. De ambitiewaarden voor de tuin bij de woning wordt eveneens niet overschreden. Ter plaatse van de toekomstige burgerwoning aan de Lubberdinksweg 14 is sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook in de tuin van deze toekomstige burgerwoning is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Voor het aspect stof geldt een richtafstand van 10 meter voor de grootste hoeveelheid werkzaamheden die op het erf plaatsvinden, een handelsonderneming in oude bouwmaterialen. Voor de houtbewerkingswerkzaamheden geldt een richtafstand van 30 meter voor stof.

Gezien het feit dat de afstand gerekend vanaf de gevel van de woning tot aan de plek waar de werkzaamheden van de handelsonderneming plaatsvinden meer dan 10 meter is, wordt aannemelijk gemaakt dat er geen overlast van stof ter plaatse van de woning zal plaatsvinden. Een groot deel van de werkzaamheden vinden in een gebouw plaats. De buitenopslag vindt plaats op een afstand van 13 meter van de gevel van de woning. Voor de lichte en tevens lichte houtbewerkingswerkzaamheden geldt eveneens dat deze slechts een enkele keer plaatsvinden in een afgesloten ruimte binnen de bestaande bebouwing. De cirkelzaag die gebruikt wordt is voorzien van een eigen krullenafzuiging. Derhalve wordt geacht dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat.

Voor de overige woningen in de omgeving geldt dat de afstand van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van een woonhuis van de bestaande woningen Lubberdinksweg 10 en Lubberdinksweg 11 respectievelijk 67 en 30 meter is. De 30 meter voldoet niet aan de richtafstand. Echter aan de oostzijde van het bedrijfsperceel wordt gewoond. Maatgevend voor het aspect geluid is de woning Lubberdinksweg 14. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat bij de dichtstbijzijnde woning (Lubberdinksweg 14) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geldt. Derhalve wordt geconcludeerd dat voor de woning Lubberdinksweg 11 - die op grotere afstand is gelegen van de bedrijfsactiviteiten dan de woning Lubberdinskweg 14 - eveneens wordt voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Interne werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De bedrijfsfunctie in de voormalige agrarische bebouwing kan niet aangemerkt worden als een milieugevoelige functie. Hoewel de bedrijfswoning en de reguliere woning wel kunnen worden aangemerkt als milieugevoelige functie, zijn deze reeds aanwezig en op grond van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Daarmee wordt er geen nieuwe milieugevoelige functie mogelijk gemaakt ten opzichte van bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving en op het bedrijventerrein (Sombeek).

Voor wat betreft het bedrijf op het perceel Lubberdinksweg 12 geldt dat de naastgelegen reguliere woning (Lubberdinksweg 14) wel aangemerkt moet worden als nieuw milieugevoelig object. Zoals bij de externe werking is beschreven wordt bij de woning voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve geldt dat de naastgelegen woning geen belemmering vormt voor het bedrijf.

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Op grond van artikel 1 van de Wet geurhinder een veehouderij wordt een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.

Door het plan wordt een tweede bedrijfswoning en geurgevoelige objecten omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen (circa 715 m2) gebruikt als opslag ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming. Aangezien het gebouw bedrijfsmatig gebruikt wordt, en lichte houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden, wordt ervan uitgegaan dat in de bebouwing gedurende meerdere dagen per week mensen langdurig verblijven. Derhalve moeten de bedrijfsgebouwen aangemerkt worden als geurgevoelig object. Op grond van de Wet geurhinder een veehouderij geldt voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld een vaste afstand van 50 meter indien het geurgevoelige object is gelegen buiten de bebouwde kom.

Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsperceel is gelegen aan de Zoekeweg 3 te Denekamp en betreft een melkveehouderij. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is voor melkrundvee geen emissiefactor vastgesteld, waardoor een vaste afstand geldt van 50 meter. De afstand van de bedrijfsgebouwen en de (bedrijfs)woningen in het plangebied tot aan het bouwvlak van het agrarische bedrijf, waarbinnen dierenverblijven gerealiseerd mogen worden, bedraagt minimaal 370 meter. De afstand tot het grondgebonden agrarische bouwperceel bedraagt 300 meter. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand die geldt op grond van de Wet geurhinder en veehouderij. Geconcludeerd kan worden dat het agrarisch bedrijf niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de nieuwe functie is door Dumea Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2022-419, d.d. 21 september 2023). Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven.

De onderzoekslocatie betreft een voormalig agrarisch erf. De agrarische activiteiten zijn al geruime tijd gestaakt en wordt op dit moment gebruikt voor houtbewerking en opslag van (bouw)materialen. Als gevolg van dit plan wordt de bestemming gewijzigd.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.

Gehele locatie

In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 is een lichte verhoging PAK aangetroffen.

In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonsters Pb1 en Pb2 zijn lichte verhogingen barium aangetroffen.

Voormalige dieseltank

In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 'asbest in bodem'

Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.

Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.

Druppelzone
Het mengmonster van DZ1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Conclusie

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect 'bodem' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied is gelegen aan de Lubberdinksweg. De Lubberdinksweg betreft een ontsluitingsweg in het buitengebied waarvoor een maximumsnelheid geldt van 60 km per uur. Op grond van de Wet geluidhinder wordt zowel de bedrijfswoning als de reguliere woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Aangezien er sprake is van reeds bestaande woningen kan dit niet worden aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 Wgh geldt namelijk dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden.

De bedrijfsbebouwing kan niet worden aangemerkt als geluidsgevoelig object. Toetsing aan het wegverkeerslawaai kan voor die gebouwen achterwege blijven. Derhalve geldt dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Railverkeerslawaai en industrielawaai

Vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd bedrijventerrein geldt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

In paragraaf 4.11 is de verkeersgeneratie als gevolg van het plan op basis van de kengetallen van het CROW berekend. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen voor de bedrijfsfunctie (opslag en lichte houtbewerkingswerkzaamheden) op 52 verkeersbewegingen per dag worden gesteld (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief, loods, opslag). Aangezien het plan voorziet in de opslag van (bouw)materialen wordt het aandeel vrachtverkeer op 25% gezet. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0017.png"
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit;

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm.
  • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal.
  • Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten.
  • Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0018.png"

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

Toets

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 285 meter van het plangebied geen risico's op basis van externe veiligheid zijn gelegen. Aan de Hanzeweg 52 bevindt zich een opslagtank voor propaan. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de propaantank (zie figuur 4.3).

Daarnaast bevindt zich op een afstand van 320 meter een mestvergistingsinstallatie aan de Zoekeweg 3 te Denekamp. Zoals op figuur 4.3 is weergegeven ligt het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour.

Tot slot bevindt zich op een afstand van 350 meter van het plangebied een tankstation met verkooppunt van LPG. Voor een LPG-tankstation geldt een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied. Op basis hiervan geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.

In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.

Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:

  • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
  • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
  • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Watertoetsproces

Op 21 september 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 6. Het plan heeft betrekking op de functiewijziging van een grondgebonden agrarisch bouwperceel waarbij binnen de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing opslag van (bouw)materialen plaatsvindt en houtbewerkingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Aangezien er sprake is van een functiewijziging binnen bestaande bebouwing en het verharde oppervlak niet toeneemt, geldt op grond van de watertoets dat het plan geen waterschapsbelang raakt.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang.

Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.

De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 1,5 kilometer afstand van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0019.png"

Figuur 4.4: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel)

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000-gebied

De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.

Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming);

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 2,7 kilometer afstand van het plangebied (Natura 2000-gebied 'Dinkelland').

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0020.png"

Figuur 4.5: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel)

Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Het plan voorziet enkel in een planologische functiewijziging op een voormalig agrarisch erf. Er wordt als gevolg van het plan geen nieuwe bebouwing opgericht en/of bebouwing gesloopt. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied

Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000– gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog.

De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw.

Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 5 oktober 2023 is de huidige AERIUS Calculator geactualiseerd. De belangrijkste verandering is de 'afkapgrens' van 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten.

Uitgangspunt van de stikstofdepositieberekening is dat een realistische/ representatieve inschatting wordt gegeven van de werkmethode en materieelinzet die in de aanlegfase benodigd zal zijn. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de inzet van het materieel “voldoende reëel en aannemelijk” moet zijn (vgl. AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 17.1). Er zijn de laatste jaren meerdere situaties doorgerekend waarbij de emissie is bepaald op basis van reële uitgangspunten, zoals ook gehanteerd in onderzoeken voor de bouwvrijstelling van kracht werd. Deze berekeningen zijn ook uitgevoerd voor sloopwerkzaamheden, heien en ontsluiting van een kleine woonwijk.

Het plan is gelegen op minimaal 2,7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Als gevolg van het plan vinden geen bouw- en sloopactiviteiten plaats. Het plan voorziet enkel in een functiewijziging van bestaande bebouwing. Derhalve leidt de aanlegfase niet tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.

Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat het plan voorziet in het beëindigen van een agrarisch bedrijf. Als gevolg van deze wijziging dienen de geldende milieuvergunningen voor het agrarisch bedrijf ingetrokken te worden. Daarmee niet de stikstof- en ammoniakuitstoot aanzienlijk af.

Daarnaast kan - op grond van vergelijkbare projecten die zijn doorgerekend - eveneens worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Op basis van vergelijkbare projecten die zijn doorgerekend blijkt dat voor het bouwen van een bedrijfshal (60 * 30 meter) op een afstand van 2 kilometer van Natura 2000-gebied niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.

Soortenbescherming

De voorgenomen activiteiten kunnen worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Het plan voorziet enkel in een planologische functiewijziging van de agrarische bedrijfswoningen en de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het plan voorziet niet in de sloop of uitbreiding van de bebouwing. Met de ruimtelijke ontwikkeling worden geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna verwacht.

De aanleg van de landschapselementen ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de verwijdering van de verharding ter hoogte van de woning zal naar verwachting niet leiden tot (een beperkt en tijdelijk) verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.

In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk:

  • Tijdens werkzaamheden, in het gebouw dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. Aangezien de bedrijfsfunctie reeds aanwezig is in het gebouw dienen er geen (ver)bouw of sloopwerkzaamheden in het gebouw plaats te vinden.
  • Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

De gemeente Dinkelland heeft gemeentelijk beleid opgesteld met een gemeentelijke verwachtings- en advieskaart. Het betreft een kleinschalige kaart die voor het hele grondgebied van de gemeente inzichtelijk maakt waar zich archeologische resten kunnen bevinden. Op de kaart zijn landschappelijke eenheden met een archeologische betekenins weergegeven. In figuur 4.6 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0021.png"
Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: RAAP)

Toets

Het plangebied is op grond van de archeologische verwachtingskaart voorzien van het gebiedstype 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' en 'beekdalen en overige laagten'. Voor de dekzandhoogten en -ruggen geldt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m2 geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek.

Voor de beekdalen en overige laagten geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten.

Het plangebied voorziet in de transformatie van een voormalig grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij één van de twee agrarische bedrijfswoningen wordt omgezet naar een reguliere woning. Daarnaast wordt het voormalig agrarisch bedrijfsgebouw gebruikt voor de opslag van (bouw)materialen en wordt de agrarische bedrijfswoning omgezet naar een reguliere bedrijfswoning. Als gevolg van het plan vinden geen bodemingrepen plaats over een oppervlakte van 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer / parkeren

Verkeer

Het plangebied wordt via de Lubberdinksweg ontsloten op de Nordhornsestraat (N342) en de Lattropperstraat. Voor de Lubberdinksweg geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. De Lubberdinksweg heeft een wegbreedte van circa 3,5 meter en kan op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan' worden aangemerkt als 'Overige Erf-toegangswegen buiten de kom'. Voor dit wegtype geldt een verkeersintensiteit kleiner dan 4.000 verkeersbewegingen per dag.

De Lubberdinksweg betreft met name een erftoegangsweg die de aangrenzende percelen met de doorgaande wegen Nordhornsestraat en de Lattropperstraat verbindt. Verondersteld wordt dat het aantal verkeersbewegingen op de Lubberdinksweg gering is.

Als gevolg van het plan worden de agrarische bedrijfswoningen omgezet naar een reguliere burgerwoning en bedrijfswoning. Omdat er enkel sprake is van een planologische functiewijziging van die woningen, en geen nieuwe woningen gerealiseerd worden, leidt het plan niet tot toename van het aantal verkeersbewegingen.

Om de toename van het aantal verkeersbewegingen van het bedrijf (opslag ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming en lichte houtbewerkingswerkzaamheden) te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-kengetallen zoals verwoord in de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018). Voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag) geldt een maximale verkeersgeneratie van 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. De oppervlakte van het bedrijfsgebouw waarbinnen de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden bedraagt 715 m2. De buitenopslag bedraagt maximaal 200 m2. Op basis daarvan wordt berekend dat de maximale verkeersbewegingen van het plan (9,15 * 5,7 = 52,155) 52 verkeersbewegingen (inclusief vrachtverkeer) bedraagt.

Gelet op de geringe verkeersintensiteit op de Lubberdinksweg wordt gesteld dat de planologische toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Voorheen was er aan de Lubberdinksweg 12-14 sprake van een agrarische bedrijf waardoor de Lubberdinksweg vooral belast werd met landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading.

Aangezien er als gevolg van het plan vooral sprake is van opslag van (bouw)materialen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk lager uitvallen. Immers, de initiatiefnemer heeft naast bedrijfsactiviteiten die geëxploiteerd worden ook nog een baan elders. Dat betekent dat de bedrijfsactiviteiten in feite als nevenactiviteit geëxploiteerd worden.

Aangezien er voorheen landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading van het agrarisch bedrijf gebruik maakten van de Lubberdinksweg, wordt geconcludeerd dat de verkeersbewegingen als gevolg van het plan via de Lubberdinksweg kunnen worden afgewikkeld. Het plan leidt niet tot een onevenredige toename van hinder en/of gevaar op de Lubberdinksweg.

Parkeren

Ten behoeve van het parkeren heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' vastgesteld. Voor Dinkelland en Tubbergen wordt eenduidig beleid en duidelijke parkeernormen vastgesteld met deze beleidsnotitie. De nieuwe parkeernormen voor beide gemeenten zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie. Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit publicatie 317, op grond van de uitgangspunten in deze beleidsnotitie.

De parkeerbehoefte van een bouwplan en/of een gebruikswijziging wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Dat kan op grond van de afzonderlijke ruimtes in een bouwwerk of op grond van het totale bouwwerk (b.v. een kantoorgebouw, indien van zeer homogene functie sprake is). Daarbij wordt de rekensystematiek uit bijlage IV in acht genomen.

Het berekende aantal parkeerplaatsen is de “nieuwe” parkeerbehoefte van het bouwplan of de gebruikswijziging. Bij verbouw of wijziging van een bestaand bouwwerk, mag de parkeerbehoefte van de bestaande (oude) situatie in mindering worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat een nieuw bouwplan bezwaard wordt met tekortkomingen uit het verleden (b.v. te weinig parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw of functie). In het kader van een bouwplan hoeft alleen de toename van de parkeerdruk, die dus het gevolg is van het bouwplan zelf, te worden gecompenseerd door de aanvrager. Het omgekeerde is ook het geval. Als er gedurende langere tijd sprake is van leegstand, dan is de bestaande parkeervraag nul (0). Bij een leegstandsperiode van = 5 jaar is de oude parkeerbehoefte gelijk aan 0.

Voor de twee bestaande woningen geldt op grond van de parkeernormen een parkeerbehoefte (gemiddeld) 2,4 parkeerplaatsen per woning (vrijstaand, koop, buitengebied). Zoals uit het erfinrichtingsplan in Bijlage 1 blijkt is er bij de woningen voldoende verharding aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. De reguliere burgerwoning Lubberdinksweg 14 is voorzien van een oprit met een breedte van 3 meter en een lengte van 13 meter. Rond de woning Lubberdinksweg 12 is circa 310 m2 aan verharding aanwezig waar auto's geparkeerd kunnen worden. Daarmee is voldoende ruimte aanwezig om het parkeren op eigen terrein op te vangen.

Voor het bedrijfsgebouw (opslag van (bouw)materialen ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming waar lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden) kan aangesloten worden bij de parkeerbehoefte voor een bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief waarvoor in het buitengebied een parkeernorm geldt van 1,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo. De totale bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt voor het bedrijfsgebouw (715 m2) en de buitenopslag (max. 200 m2) 915 m2. De parkeerbehoefte bedraagt derhalve (9,15 * 1,05 = 9,6) afgerond 10 parkeerplaatsen. Rond de bedrijfsbebouwing is voldoende erfverharding aanwezig waar het parkeren op voorzien kan worden.

Voor het bedrijfsgebouw en op het noordwestelijke gedeelte van het erf, (O) in figuur 4.7, is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Een parkeerplaats moet een lengte hebben van 5 meter en een breedte van circa 2,5 meter. Binnen de aanduidingen op de erfinrichtingsschets is het mogelijk om tien parkeerplaatsen te realiseren waardoor op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien kan worden. Daarnaast is op eigen terrein voldoende ruimte om te laden en lossen. Laden en lossen van kleine leveringen zoals een werkbus eventueel met aanhanger zal plaatsvinden op het achtererf (N). Grote leveringen, zoals een vrachtwagen, worden aan voorzijde (O) op eigen terrein gelost.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01_0022.png"

Figuur 4.7: Opzet parkeervoorzieningen (bron: N+L Landschapsvormgeving)

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'verkeer' en 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en het parkeren en stallen van voertuigen.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

  • Agrarisch - 1 (Artikel 3)

De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ zijn voornamelijk bestemd voor agrarisch gebruik. Tevens zijn de gronden ondergeschikt bestemd voor het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. De keuze voor het toekennen van de bestemming 'Agrarisch - 1' komt voort uit het feit dat het agrarische bouwperceel voor grondgebonden bedrijf zal worden verwijderd waardoor de gronden worden teruggebracht naar agrarische gronden zonder bouwvlak of bouwperceel.

  • Bedrijf - Voormalig agrarisch (Artikel 4)

De bestemming ‘Bedrijf - Voormalig agrarisch’ is een bestemming ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid in voormalige agrarische bebouwing, die aansluiting vindt bij de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden gebruikt voor de bedrijfsfunctie, waarbij specifiek de opslag ten behoeve van een bouw- en handelsondenerming is toegestaan. Tevens is buitenopslag toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag' waarbij geldt dat de maximale oppervlakte aan buitenopslag 200 m2 mag bedragen. Daarnaast is een bedrijfswoning toegestaan.

In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ten aanzien van de gebouwen en overkappingen is bepaald dat deze uitsluitend ten behoeve van de toegestane bedrijfsfunctie mogen worden gebouwd. Het aantal bedrijfswoningen is bepaald op één. De initiatiefnemer is tevnes voornemens om een mantelzorgwoning in een bestaand bouwwerk te realiseren om mantelzorg te kunnen verlenen. Daarbij geldt dat het geen permanente woning betreft. Als de noodzaak voor mantelzorg vervalt zal de huisvesting voor mantelzorg worden beëindigd en wordt het bouwwerk teruggebouwd in de oorspronkelijke functie: bijgebouw bij de woning. In de gebruiksregels is derhalve opgenomen dat bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan al dan niet in combinatie met onder andere mantelzorg.

Bedrijfsgebouwen en overkappingen worden ten minste 3 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoning gesitueerd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt in welk geval de bestaande afstand danwel de bestaande situering geldt. Voor alle gebouwen zijn de maatvoeringen in een tabel opgenomen. In het geval dat bestaande maatvoeringen afwijken van de tabel, dan gelden de bestaande maatvoeringen als maximaal toegestaan.

  • Wonen (Artikel 5)

De bestemming 'Wonen' heeft betrekking op de woonhuizen en bijgebouwen in het plangebied. Onder de woonfunctie vallen woonhuizen, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Extra functies waaronder een beroep aan huis ten behoeve van het wonen mogen in de hoofd- en bijgebouwen plaatsvinden. Daarnaast zijn binnen de woonbestemming hobbymatig agrarische activiteiten toegestaan. Per bestemmingsvlak is één woonhuis met één woning toegestaan.

De inhoud van een woning mag niet meer dan 750 m3 bedragen, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval maximaal de bestaande inhoud is toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan 100 m2 bedragen.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft aangegeven dat het plan past in hun ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer het plan in deze vorm in procedure gebracht. Hiermee is voldaan aan het ambtelijk vooroverleg met de provincie (uit het Bro). 

Waterschap Vechtstromen
Op 21 september 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het plan geen waterschapsbelang raakt. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 29 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.