| Plan: | Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSDWEG22-VG01 |
Initiatiefnemers zijn eigenaren van de sterrenwacht en Erfgoed Bossem te Lattrop. Samen hebben deze partijen een plan ontwikkeld ter vernieuwing en verbetering voor de omgeving Sterrenwacht in Lattrop.
De beide ondernemingen liggen in het buitengebied van Lattrop. Deze recreatieve voorzieningen hebben allebei een aantrekkende functie op (verblijfs)recreanten in de omgeving van Lattrop en zien samenwerkingsmogelijkheden om de aantrekkelijkheid en het recreatieve klimaat in dit gebied verder te bevorderen.
Op de thuislocatie van Erfgoed Bossem, aan de Dorpsstraat 7 in Lattrop, wordt onder meer verblijfsrecreatie aangeboden in de vorm van verblijf in sterrenkubussen. De recreant kan 's nachts in deze 'tiny houses' verblijven en daarbij naar de sterren kijken door een groot venster in het dak. Veel van deze gasten brengen tevens een bezoek aan het nabij gelegen Cosmos sterrenwacht. Om deze activiteit voor de gasten echt aantrekkelijk te maken is het noodzakelijk te investeren in Cosmos op verschillende vlakken, vooral qua programmering en uitstraling van de locatie.
Het nu voorliggende plan bestaat daarom uit het realiseren van 28 sterrenkubussen, een zonnetempel (informatiecentrum en theeschenkerij), brug over de Dinkel en bijbehorende voorzieningen nabij de Sterrenwacht. Door middel van deze ontwikkeling wordt een impuls gegeven aan de Cosmos sterrenwacht en directe omgeving, worden landschapsmaatregelen uitgevoerd en vindt een verbetering van ruimtelijke kwaliteit plaats.
Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
Het plangebied bestaat uit de omgeving van de Cosmos Sterrenwacht in Lattrop-Breklenkamp. Het plangebied ligt in het buitengebied van Dinkelland tussen de kernen Tilligte en Lattrop. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M, perceelsnummers 29, 620, 1025 en 1224. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (rood) tussen Tilligte en Lattrop (bron: opentopo, Esri Nederland)
De begrenzing van het plangebied is bepaald aan de hand van kadastrale grenzen en de gronden waarop concrete ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en het facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland. In figuur 1.2 is een fragment uit de huidige verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen.
Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding huidig bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aan het plangebied zijn in de huidige situatie de bestemmingen 'Bos en Natuur', 'Water -2' en 'Waarde - Ecologie' toegekend. Daarnaast geldt over een deel van het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie (Bos en Natuur), beken, sloten, en daarmee gelijk te stellen waterlopen ten behoeve van het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en de waterberging (Water - 2) en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van gronden ten behoeve van Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur).
Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de recreatieve ontwikkeling mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is aan de Frensdorferweg 22 in Lattrop de sterrenwacht gevestigd. Al meer dan twintig jaar is Sterrenwacht Cosmos gehuisvest op deze locatie in het (zeer geschikte) donkere buitengebied van Noordoost Twente tussen de woonkernen Tilligte en Lattrop. Cosmos heeft een erkende plaats verworven op de Twentse onderwijsmarkt, de regionale toeristische markt en bij bewoners en bezoekers van de regio. Het is de plek in Twente om het heelal en haar mysteries te beleven.
Cosmos richt zich op scholieren, bewoners en bezoekers van Twente met als doel om hun nieuwsgierigheid en verbazing op te wekken over het heelal dat zich (hier nog zichtbaar) boven hen uitstrekt. Met interactieve presentaties en zelfwerkzaamheid in observatorium, planetarium, filmzaal, doe-zalen en buiteninstallaties wordt de belangstelling gewekt voor wetenschap en techniek.
Het gebied kenmerkt zich in de huidige situatie als het terrein van Cosmos Sterrenwacht met omliggend natuurterrein en de Dinkel die door het plangebied stroomt. Onderstaand zijn diverse weergaven van het plangebied zichtbaar.
Figuur 2.1: huidige situatie luchtfoto plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2.2: straataanzicht Cosmos sterrenwacht uit 2019 (bron: Google Maps)
Figuur 2.3: straataanzicht plangebied westzijde Dinkel uit 2019 (bron: Google Maps)
Initiatiefnemers willen gezamenlijk het project 'Sterrenkubussen aan de Dinkel' ontwikkelen. Daarmee wil men bezoekers verwondering, begrip en kennis over sterrenkunde meegeven en de positie van Cosmos sterrenwacht - en de toeristische aantrekkingskracht van de omgeving in zijn algemeenheid - versterken. Het plan bestaat uit diverse elementen die onderstaand in figuur 2.4 zijn weergegeven. Het totaalplan is ook opgenomen in Bijlage 1.
Figuur 2.4: Toekomstige situatie omgeving sterrenwacht (bron: Bijkerk c.s)
De meest in het oog springende elementen zijn de plaatsing van enkele groeperingen aan sterrenkubussen, de realisatie van een voetgangersbrug over de Dinkel voor een directe verbinding met de sterrenwacht en de realisatie van de zonnetempel nabij de vijver. Het plan omvat echter veel meer dan dat; het betreft namelijk een volwaardige kwaliteitslag voor het gebied, ook als het gaat om natuurwaarden.
Dit wordt onder meer gedaan door het opschonen van het huidig perceel, waarop diverse uitheemse plantsoorten aanwezig zijn, het saneren van een gebouwtje centraal in het gebied en het verwijderen van overbodige paden. Daarnaast wordt aanplant van beplanting en bebossing met de juiste inheemse soorten gerealiseerd en wordt het huidig viswater gereconstrueerd zodat een geschikter waterhabitat ontstaat voor flora en fauna. De bestaande (agrarisch beheerde) weide wordt omgevormd tot kruidenrijk grasland. Het plan moet daarmee ook qua natuurwaarden een impuls betekenen. Deze ingrepen zorgen tevens voor een betere recreatieve beleving van het gebied en zorgt daarmee voor een win-win situatie. Onderstaand wordt puntsgewijs op de verschillende zones en ontwikkelingen ingegaan.
De zonnetempel
De zonnetempel wordt het centrale gebouw aan de westzijde van het plangebied. In dit duurzaam gebouwde object wordt een informatiecentrum voorzien, is ruimte voor een terras aan het water, kunnen groepsessies en/of vergaderingen gehouden worden en wordt de centrale techniek en facilitaire ruimte ondergebracht. Het is daarmee een kleinschalig maar multifunctioneel object met een toegevoegde waarde voor de sterrenwacht. De huidige sterrenwacht wordt hiermee versterkt door ook de dagcomponent toe te voegen en hiermee dag-/nachtnatuur beter tot uiting te laten komen in de collectie en activiteiten van de sterrenwacht. Het gebouw heeft een maximale oppervlakte van 250 m2 waarvan de volgende onderverdeling gemaakt kan worden:
Figuur 2.5: impressie Zonnetempel (bron:Architom architecten)
Kubussen
De bosrand en kubussen
Dit gebied bestaat uit opslag van berk, lijsterbes en (ratel?-)populier. Er bevindt zich een ondergroei van adelaarsvaren. Het betreft ca. 2.000 m2. De aanwezige beplanting bestaat uit berg en ratelwilg. Dit is in elk geval geen duurzaam bos met enige toekomstverwachting. Het is een pioniersvegetatie. Er vinden een zestal kubussen een plek. Het rooien van de pioniersvegetatie kan als grondwerk worden gezien. De aanleg van het pad zal bestaan uit het aanleggen van een eenvoudig zandcunet met daarop een lichte halfverharding.
De zonneweide
Dit gebied is vrijwel onbegroeid en bestaat vnl. uit weide. Er wordt gespit tot een diepte van ca. 40 cm. De kubussen worden geplaatst en het pad kan worden aangelegd. De kubussen worden zonder fundering geplaatst. In het gehele gebied kan passend bosplantsoen worden geplant. De kubussen zijn in het groen ingebed. De weide wordt beheerd conform het beheersadvies zoals beschreven in het provinciaal beleid conform N12.02 Bloem en kruidenrijke graslanden.
Houtwalkubussen
Dit gebied bestaat uit een langgerekte laagte die op gezette momenten zelfs onder water staat. Het uitgangspunt is dat de kubussen benaderd worden vanaf een extensief pad zo dicht mogelijk bij de entrees. Er worden struwelen aangeplant tussen dit pad en de oevers van de Dinkel. Het oplichten van de aanwezige laagte is gewenst t.b.v. nieuwe beplanting. De kubussen worden met een verstrooing in de houtwal geplaatst.
Overige gebieden
Het moeras en vijver
De waterkwaliteit van de huidige vijver is slecht als gevolg van de aanwezigheid van te veel vis. De bergen grond ten oosten van de vijver worden uitgevlakt in samenhang met het flauwer maken
van de oevers en het minder diep maken van de situatie. Een deel van de vijver wordt daarnaast als ondieper moerasgebied ontwikkeld. In dit moeras, aan de zuidzijde, krijgen enkele sterrenkubussen een bijzondere plek. Deze kubussen worden op palen in het vijvergebied gebouwd. De vloerhoogte wordt bepaald aan de hand van de maximale waterstand van de Dinkel. De diepte van de vijver is op deze plek en op de laagste stand ca. 50 cm. De waterdiepte wordt in de zone van de kubussen verminderd naar ca. 30 cm, zodat er een moerassituatie kan ontstaan. Aan de noordzijde wordt in de oever een watertheater ontwikkeld. De waterpartij wordt hiermee gereconstrueerd om een betere ecologische waarde te bewerkstelligen.
Oeverzone Dinkel
Deze zone is beoogd voor natuurontwikkeling. Dit gebied bestaat voornamelijk uit eiken. Er is een grote verscheidenheid aan diktes en kwaliteiten. Om onduidelijke redenen zijn er bergen grond gestort in dit gebied, daar waar de oever van de vijver begint. Langs de beek loopt een zandpad dat als ontsluitingspad heeft gediend. Het bos wordt gedund op toekomstbomen zodat er meer licht en lucht t.b.v. een gevarieerde bosvegetatie kan ontstaan. De bergen grond worden uitgevlakt (zie vorige alinea) en er wordt inheems bos- en oeverplantsoen in het gehele gebied aangeplant. Het zandpad wordt geminimaliseerd.
Het maanbos
Het betreft een gemengd bos met voornamelijk eik, es, grove den, els, berk, hazelaar, meidoorn, lijsterbes, vuilboom. Het bos wordt enigszins geschoond, met behoud van de kroonlaag. Er wordt op toekomstbomen geselecteerd. Alle bestaande soorten verdienen het te worden gehandhaafd. In de kroonlaag zijn de gewenste hoofdsoorten eik, grove den, berk en els. Els kan waar nodig worden afgezet en kan weer uitstoelen. Na de werkzaamheden kan er natuurlijke verjonging plaats vinden. Het beheer bestaat, indien nodig, uit het bestrijden van amerikaanse vogelkers.
Brug
Over de Dinkel wordt een voetgangersbrug aangelegd om een veilige en duidelijke verbinding te creëren met de sterrenwacht.
Parkeren
Het parkeren voor de ontwikkeling gaat plaatsvinden op een open terrein aan de noordzijde van het plangebied. Er is van oudsher een open ruimte daar waar de inrit het terrein ontsluit. Hier kan op eenvoudige wijze een extensief opgezette parkeersituatie worden aangelegd voor in totaal 43 parkeerplekken. Dit onderdeel wordt ook nader toegelicht in paragraaf 4.10.2. Het parkeerterrein is toegankelijk voor bezoekers van de zonnetempel en de sterrenkubussen waarbij middels online tecknieken, online check-in en toegang middels een code of nummerbordherkenning wordt verschaft tot het terrein. Op afstand kan de slagboom bediend worden in geval de teckniek niet werkt. Daarnaast kan er altijd geparkeerd worden op het parkeerterrein bij de sterrenwacht.
Wandelpad Erfgoed Bossem
Zoals er een directe relatie bestaat tussen het recreatieve terrein van de zonnetempel en de sterrenkubussen met de Cosmos, is de relatie tussen het recreatieve terrein en Erfgoed Bossem niet als zodanig geïnitieerd. De bezoekers van het recreatieterrein kunnen gebruik maken van de faciliteiten van omliggende horeca voorzieningen, zo ook van de ondergeschikte horeca gelegenheid van Erfgoed Bossum. Bezoekers van het recreatieterrein zijn niet afhankelijk van erfgoed Bossem, maar zijn uiteraard vrij in het bezoeken van het boerenerf. Het wandelpad zorgt voor een goede verbinding tussen erfgoed Bossem, de Cosmos met naastgelegen recreatieterrein. Naastgelegen wegen (voor groot verkeer) zullen worden ontlast van voetgangers.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling in het landelijk gebied. De bestaande recreatieve functie van de sterrenwacht in het buitengebied van Lattrop wordt met het plan versterkt. Het plan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan
Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw ruimtegebruik voor de aanleg van een brug over de Dinkel, de plaatsing van 28 sterrenkubussen voor nachtrecreatief verblijf en de realisatie van een zonnetempel nabij Cosmos sterrenwacht in Lattrop. Daarbij worden bijbehorende voorzieningen zoals voldoende parkeergelegenheid en voetpaden aangelegd. Het gaat hierbij om een hoogwaardige invulling van het totaalconcept voor (verblijfs)recreatie. In de huidige situatie kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Bos en Natuur' en 'Water'. Dat wordt voor het terrein waarop de recreatieve functie wordt uitgeoefend omgezet naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' met bouwmogelijkheden voor 28 sterrenkubussen en de zonnetempel. De totale maximale oppervlakte aan gebouwen wordt daarmee in de toekomst 1.090 m2 in het plangebied. Derhalve is er sprake van een nieuwe stedelijke functie.
Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is daarnaast een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Ruimtelijk verzorgingsgebied
Het ruimtelijk verzorgingsgebied van een dergelijke (verblijfs)recreatieve ontwikkeling is niet concreet vast te leggen. Er bestaat immers geen standaardmethodiek om het verzorgingsgebied van verblijfsrecreatie te bepalen, waar dit voor andere sectoren goed te bepalen is middels bijvoorbeeld verhuisbewegingen of uniciteit. Het verzorgingsgebied lijkt zich voornamelijk toe te splitsen op Nederland, maar het is echter niet ondenkbaar dat ook buitenlandse toeristen (uit bijvoorbeeld Duitsland en/of België) de sterrenkubussen en/of de Sterrenwacht komen bezoeken. Het totaalconcept van de Cosmos gekoppeld aan bijpassende voorzieningen maakt de ontwikkeling uniek en het concept zal naar verwachting een ruime reikwijdte hebben.
De regio waarbinnen de uitbreiding van bedden en de zonnetempel merkbaar is, is kleiner dan de regio waar de gasten vandaan zullen komen. Omdat potentiële gasten bij het zoeken van een verblijfsrecreatieve functie meestal zoeken naar een voorziening in een bepaalde regio en de verblijfsrecreatieve voorzieningen in die regio in die zin tot op zekere hoogte met elkaar concurreren, wordt de behoefte en het aanbod aan dergelijke functies in Noordoost Twente hierna nader beschouwd.
Binnen het hiervoor afgebakende verzorgingsgebied liggen de gemeenten Dinkelland, Tubbergen, Oldenzaal en Losser. De betreffende gemeenten hebben afspraken gemaakt over de ontwikkeling van verschillende vormen van verblijfsrecreatie. Deze afspraken zijn opgenomen in de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente.
Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente
Vanuit de beleidsnota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente uit 2018 (zie ook paragraaf 3.3.3) is gekeken naar de verblijfsrecreatieve sector in het gebied Noordoost Twente, waarbinnen het plangebied ook valt. Om adequaat te kunnen inspelen op trends en ontwikkelingen in de sector is het van belang geacht om te beschikken over actuele beleidskaders.
Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen en behoefte ligt om de vitaliteit van de sector te versterken. De vier Noordoost Twentse gemeenten (Dinkelland, Tubbergen, Losser en Oldenzaal) hebben samen met de sector (Koninklijke Horeca Nederland en de Recron) een verdiepingsslag gemaakt met het onderzoek 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente. Onderzoek naar de vitaliteit van de sector' (juni 2015), dat is opgenomen als bijlage bij Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente. Inmiddels is een meer recente versie beschikbaar, omdat de provincie Overijssel in 2020 een onderzoek heeft laten uitvoeren door het Bureau voor Ruimte & Vrije Tijd: 'Vitaliteitsonderzoek Verblijfsrecreatie Overijssel'. Dit onderzoek wordt vanwege de leefstijlvinder gebruikt voor de kwalitatieve onderbouwing van de behoefte. Voor de kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing wordt gebruikt maakt van het door het Bureau voor Ruimte & Vrije Tijd opgestelde onderzoeksrapport 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente, 2023'.
Kwantitatieve behoefte
Het rapport 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente, 2023' is tot stand gekomen door een analyse met ontvangen cijfers van gemeenten en MartketingOost, aangevuld met landelijke data. Daarnaast is online een vragenlijst uitgezet (online leefstijlscan) onder de verblijfsrecreatieve ondernemers, aangevuld met bedrijfsbezoeken.
Ondanks impactvolle coronajaren en verschillende tegenslagen waar de sector mee te maken heeft – waaronder de hoge brandstof- en energieprijzen, dalende koopkracht en krapte op de arbeidsmarkt – wordt naar de toekomst toe een verdere groei van toerisme in Twente verwacht. De prognoses voor Twente geven een flinke, verwachtte groei weer tot 2030, namelijk een groei van 27% tot 44% van het aantal overnachtingen (2019-2030, zie toelichting verderop in dit hoofdstuk). Noordoost Twente ligt hiermee dus op een gunstige plek.
In het onderzoek zijn verschillende sectoren van de verblijfsrecreatie afgebakend. Voorliggende ontwikkeling van 28 sterrenkubussen valt vanwege de beperkte capaciteit per recreatiewoning (maximaal 2 personen) niet 1:1 in de sector bungalowparken (georganiseerde vakantiewoningen op één terrein) in te passen. Hierbij wordt eerder verwezen naar de grootschalige bungalowparken met een aanbod recreatiewoningen die in type en omvang verschillen. Als een vergelijking wordt gemaakt van het andere recreatief verblijfsconcept van initiatiefnemers waar ook sterrenkubussen geëxploiteerd worden, Erfgoed Bossem, dan is deze gecategoriseerd binnen de sector camping (:26 of meer staanplaatsen) (Bijlage 1 bij het hiervoor genoemd onderzoeksrapport).
In genoemd onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat er voor campings een positieve marktruimte is voor aanvullend kampeeraanbod. Bij de Trends is aangegeven het traditionele kamperen in Nederland in een tent of (sta)caravan jarenlang terugliep in Nederland. In dat opzicht heeft de coronapandemie voor een trendbreuk gezorgd. Er is nu een sterk toenemende vraag van kamperen in eigen land te zien, met name in de bijzondere kampeerconcepten en verhuurobjecten. Uitgaande van de verder groei voor kampeerovernachtingen en rekening houden met de (meer) concrete planvoorraad, wordt er een positieve marktruimte voorzien voor meerdere kleine campings of een grote camping, mist er sprake is van een aanvullende, of vernieuwende initiatieven, die een verrijking zijn voor het bestaande aanbod.
Voorliggend plan voor de realisatie van 28 kleinschalige sterrenkubussen betreft een aanvullend en vernieuwend verblijfsconcept en het plan voorziet daarmee in een kwantitatieve behoefte.
Kwalitatieve behoefte
Zoals bij de onderbouwing van de kwantitatieve behoefte reeds is aangegeven is er in Noordoost Twente behoefte aan diversificatie van aanbod. Er dient sprake te zijn van een aanvulling op huidig aanbod en niet teveel van hetzelfde ontstaan.
Het voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling nabij Cosmos Sterrenwacht. De sterrenwacht is al jaren een dagrecreatieve bestemming voor bezoekers en inwoners van de regio. De wens bestaat om het bestaande concept van de sterrenwacht te versterken en daarmee toekomstperspectief te behouden. Inkomsten zijn namelijk in afgelopen jaren gedaald als gevolg van vermindering van bijdragen door bijvoorbeeld de overheid.
In de nabijheid van de sterrenwacht is Erfgoed Bossem gevestigd. Aldaar wordt sinds een aantal jaar op kleine schaal het verblijf in sterrenkubussen aangeboden. Dit relatief nieuwe en unieke concept werpt zijn vruchten af voor Erfgoed Bossem en gemerkt wordt dat daardoor ook de sterrenwacht meer bezoekers kan verwachten, omdat nu al veel gasten bij Erfgoed Bossem tevens een bezoek brengen aan de Sterrenwacht. Er worden daarom kansen gezien voor verdere samenwerking tussen de twee partijen.
De sterrenkubussen voorzien namelijk in een aangenaam, maar kleinschalige verblijfsmogelijkheid. Zo is een complete keuken, douche en wc, zithoek en tweepersoonsbed in de kubus aanwezig. Bovendien zijn de sterrenkubussen voorzien van een transparante koepel boven de slaapruimte om te kunnen genieten van de nachtelijke sterrenhemel. Lattrop is één van de donkerste plekken in Nederland en dit biedt een unieke meerwaarde voor de sterrenkubus en draagt bij aan de beleving van het verblijf. Het concept sluit dan ook perfect aan bij de activiteiten van Cosmos Sterrenwacht. Zo kan de gast - bij het genieten van het verblijf in de sterrenkubus - ook een nadere kennismaking en verdieping maken door een bezoek aan het museum en bijvoorbeeld het planetarium. Het levert daarmee een welkome aanvulling aan het plattelandstoerisme in het gebied en versterkt een bestaande recreatieve voorziening.
In het vitaliteitsonderzoek wordt gebruikt gemaakt van de zgn. leefstijlvinder. De leefstijlen geven inzicht in het gedrag, waarden en behoeften van recreanten en toeristen op basis van psychologische en sociologische kenmerken. De leefstijlsegmentatie onderscheidt zeven doelgroepen, ook wel leefstijlen genoemd, met allemaal een eigen vrijetijdsprofiel. Dit zijn de volgende zeven leefstijlen: Avontuur-, Plezier- Harmonie-, Verbindings-, Rust-, Inzicht en Stijlzoekers.
In dit geval wordt er met het plan met name ingespeeld op de inzichtzoeker en de avontuurzoeker. Dit zijn de stijlen waar nog ruimte voor ontwikkeling is in Noordoost Twente.
De inzichtzoeker wordt verwelkomd op een kleinschalige voorziening waar alle rust en ruimte is voor zelfontplooiing en ontwikkeling. En waar in de omgeving voldoende te doen is qua cultuur en natuur.
De avontuurzoeker wordt de mogelijkheid geboden om te overnachten op een bijzondere en kleinschalige locatie waar sportieve en culturele mogelijkheden zijn.
Met het initiatief wordt er een specifieke vorm van verblijfsrecreatie toegevoegd. Het gaat immers om recreatie gericht op rust, meditatie en natuur in een unieke setting met zicht op de sterren. Hiermee sluit men aan bij de doelstelling om productvernieuwing en differentiatie na te streven. Daarnaast wordt ingespeeld op de groepen waar nog marktruimte voor is, namelijk de inzichtzoeker en avontuurzoeker. Hiermee voorziet het plan in een kwalitatieve behoefte.
Daarnaast voorziet de voorliggende ontwikkeling in de realisatie van een zonnetempel op het terrein. De bedoeling hierbij is dat rondom Cosmos sterrenwacht ook meer wordt ingestoken op beleving van
dag-/nachtnatuur, waarmee de collectie up-to-date gehouden wordt en er ook overdag meer activiteiten te beleven zijn bij Cosmos. Daarnaast wil het museum uitbreiden met een expositie over Mars en een weerstation om metingen te verrichten. De uitbreiding van de collectie geeft een boost aan de toeristische sector en kan tevens ingezet worden voor educatieve doeleinden voor leerlingen in Noordoost Twente.
De verbinding over de Dinkel zorgt voor een verbeterde en veilige verbinding voor langzaam verkeer en beleving rondom de Dinkel. Het plan gaat vergezeld van ecologische en landschappelijke ingrepen in en rondom het plangebied. Hiermee wordt een kwaliteitsslag gemaakt voor het landschap en de ecologische meerwaarde van het bosperceel met waterpartij. De kwalitatieve behoefte aan de plannen is daarmee aanwezig.
Bestaand stedelijk gebied
Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De locatie ligt tussen de kernen Tilligte en Lattrop. De gronden zijn momenteel grotendeels onbebouwd. De gronden liggen in de nabijheid van de locatie van Cosmos Sterrenwacht.
Het initiatief voorziet in het oprichten van een zonnetempel, 28 sterrenkubussen en een brug ter verbinding van de gebieden rondom de Dinkel. Het plan voorziet juist in een versterking van plattelandtoersime in Dinkelland. Onderhavig plan behelst namelijk recreëren op het platteland van Twente, waarbij zowel qua ruimtelijke inrichting als thematiek aansluiting wordt gezocht bij de al bestaande recreatievoorzieningen van de sterrenwacht en de groene omgeving rondom de Dinkel. Daarom wordt met deze inrichting invulling gegeven aan de verhoging van beleving en authenciteit. De gast kan verblijven onder de donkere sterrenhemel in Lattrop, in een kleinschalige en karakteristieke Twentse omgeving. Door de aansluiting bij de sterrenwacht is er sprake
van een zorgvuldig ruimtegebruik nabij bestaand stedelijk gebied. Het onderhavig plan kan niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden.
Resumerend
Met het initiatief wordt er een specifieke vorm van verblijfsrecreatie toegevoegd, waardoor er conform de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente sprake is van een aantoonbare meerwaarde. Het gaat immers om recreatie gericht op rust, meditatie en natuur in een unieke setting met zicht op de sterren. Hiermee sluit men aan bij de doelstelling om productvernieuwing en differentiatie na te streven. Daarnaast wordt ingespeeld op de groepen waar nog marktruimte voor is, namelijk de inzichtzoeker en avontuurzoeker.
Voor zover het voorliggend plan niet zou voorzien in een kwantitatieve behoefte voorziet het plan een in een kwalitatieve behoefte. Gelet op voorliggend kleinschalige (28 verblijfsobjecten, bedoeld voor maximaal 2 personen per object) en bijzondere concept (sterrenkubussen met een duidelijke koppeling met Cosmos Sterrenwacht) is er momenteel geen vergelijkbaar onbebouwd vastgoed beschikbaar.
Hiermee wordt voldaan aan de verantwoordingsplicht van artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro.
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.4: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw ruimtegebruik voor de aanleg van een loopbrug over de Dinkel, de plaatsing van 28 sterrenkubussen voor nachtrecreatief verblijf en de realisatie van een zonnetempel nabij Cosmos sterrenwacht in Lattrop. Daarbij worden bijbehorende voorzieningen zoals voldoende parkeergelegenheid en paden aangelegd. In de huidige situatie kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Bos en Natuur' en 'Water'. Dat wordt voor het terrein waarop de recreatieve functie wordt uitgeoefend omgezet naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' met bouwmogelijkheden voor 28 sterrenkubussen en de zonnetempel. De totale maximale oppervlakte aan gebouwen wordt daarmee in de toekomst 1.200 m2 in het plangebied.
In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Het onderhavig plan betreft een vorm van plattelandstoersime met een insteek op beleving van 'donkerte'. Daarom is het onderhavig plangebied geschikt bevonden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld realisatie in bestaand bebouwd gebied (waar lichtvervuiling mogelijk een rol speelt). De ontwikkeling kan eveneens niet worden gerealiseerd op de bestaande locatie van de sterrenwacht, omdat het voorliggend plan juist een aanvulling op de bestaande (en te behouden) faciliteiten en activiteiten van de sterrenwacht is.
Op het perceel Frensdorerweg 22 zijn reeds dagrecreatieve mogelijkheden aanwezig. De planlocatie biedt goede en uitdagende mogelijkheden om een aanvulling op de verblijfsrecreatieve mogelijkheden te realiseren. Door optimaal gebruik te maken van de kwalitatieve waarden van het landschap, natuur en daarmee de bestemmingsvlakken van de sterrenkubussen te centreren op specifieke locaties in het gebied ontstaat een beeld waarbij sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Natuurgronden worden zo min mogelijk aangetast en er wordt tevens areaal Natuurnetwerk Nederland toegevoegd. De investering in de ruimtelijke kwaliteit brengt met zich mee dat dat de aanwezige waarden worden benadrukt en versterkt. Hiermee wordt voldaan aan een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
artikel 4.9 onderbouwing ruimtelijke kwaliteit en 4.11 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In artikel 4.9 is bepaald dat Omgevingsplannen een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: het uitvoeringsmodel uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast, wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief dat van toepassing is voor het gebied en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Daarnaast is in artikel 4.11 bepaald dat omgevingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 4.5 en artikel 4.6 en het bepaalde in artikel 4.9 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het plan voldoet aan de Kwaliteitsimpuls groene omgeving. Het kwaliteitsplan laat zien dat op veel plekken de natuurlijke en landschappelijke kwaliteit verbeterd zal worden. Door op de juiste plaatsen onderbegroeiing toe te voegen en de sterrenkubussen bescheiden vorm te geven, is de ruimtelijke impact gering. Het is positief dat het gebied beter beleefd kan worden door recreanten en bezoekers van de sterrenwacht.
Het plan voor de ontwikkeling van 28 sterrenkubussen, de zonnetempel en bijbehorende voorzieningen draagt bij aan de verbetering van de sociaal-economische structuur van Lattrop en de gemeente Dinkelland. De (verblijfs)recreatieve mogelijkheden in de gemeente en in de omgeving Lattrop worden vergroot. Daarbij zal het plan zorgen voor een positieve invloed op de voorzieningen in de omgeving en hierin samenhang creëren. In paragraaf 3.1.2 is specifiek ingegaan op de (sociaal-economische) meerwaarde van het plan.
Door Bijkerk c.s. is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, waarin de verschillende maatregelen ten aanzien van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit zijn opgenomen. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is als Bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
artikel 4.58 instructieregels beschermingsregime Natuurnetwerk Nederland, lid 1
Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot:
artikel 4.62 (afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen), lid 1
In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Door Natuurbank Overijssel is een effectbeoordeling Natuurnetwerk Nederland opgesteld. Deze notitie is bijgevoegd in Bijlage 9. De bevindingen worden hier gepresenteerd.
Er is als gevolg van onderhavig plan is sprake van een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling in het NNN waarbij kernkwaliteiten aangetast worden. Dergelijke ontwikkeling binnen het NNN, met gevolgen voor de kernkwaliteiten, zijn slechts onder voorwaarden mogelijk (zoals onder 4.62 van de omgevingsverordening weergegeven).
In de rapportage van Natuurbank Overijssel is het voornemen getoetst aan de gestelde voorwaarden. Mits nieuw areaal wordt toegevoegd aan het NNN, en dit gebied bestemd en beheerd wordt als natuur, wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast wordt geadviseerd de ecologische betekenis van de vijver in het plangebied te versterken, door deze fors te verontdiepen. Bij vaststelling van het bestemmingsplan, dient een uitgewerkt plan te zitten m.b.t. inrichting en beheer van de uitbreiding NNN. Het voorstel voor wat betreft NNN is in figuur 3.5 zichtbaar.
Figuur 3.5: bestaand NNN, afname en voorstel voor nieuw NNN in kaart (bron: Ad Fontem )
Uit bovenstaande afbeelding volgt dat er als gevolg van de plannen sprake is van een gebied van 3.745 m2 dat aan NNN onttrokken dient te worden, waarbij overigens wel de opmerking gemaakt wordt dat er sprake blijkt van een natuurlijke en groene setting binnen deze zone. Het betreffen gronden waarop de recreatieverblijven of bijbehorende voorzieningen ingepast kunnen worden conform de uitgangspunten van het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1.
Een oppervlakte van 4.530 m2 wordt aan het NNN toegevoegd, waardoor per saldo sprake is van een vergroting van het areaal NNN van meer dan circa 800 m2. Er wordt met het plan voldaan aan deze voorwaarde. In het KGO-plan in Bijlage 2 is dit eveneens toegelicht.
Voor wat betreft de alternatievenafweging wordt geconstateerd dat de gehele omgeving van Cosmos Sterrenwacht onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het onderhavig plangebied bevat delen die niet onder het Natuurnetwerk vallen en delen die wel in het Natuurnetwerk liggen. Het is daarmee wel de locatie direct nabij de Sterrenwacht die het minste inbreuk maakt op het Natuurnetwerk Nederland. Bovendien is de vijver in het gebied voorheen benut als visvijver door een hengelsportvereniging, waardoor de vijver (en oever) - hoewel gelegen binnen het Natuurnetwerk - momenteel een matige ecologische betekenis heeft. De bedoeling is om de natuurwaarde te verbeteren.
Het plan is ook om de Cosmos sterrenwacht en de (verblijfs)recreatieve positie van deze omgeving te versterken. Het is daarmee noodzakelijk om dit in directe aansluiting te doen bij de Cosmos Sterrenwacht. Omliggende (in de openheid liggende) agrarische percelen zijn daarmee niet geschikt voor de ontwikkeling, vanwege de grotere afstand, waardoor de samenhang met Cosmos verdwijnt en er ook afbreuk is aan de beleving van het verblijf. Hierover is ook reeds in de ladderonderbouwing (paragraaf 3.1.2) aandacht besteed.
Er is bewust gekozen voor een strooiing c.q. verspreiding van de sterrenkubussen in de bosrand, de weide, de oever van de Dinkel en de vijver. De sterrenkubus is een eenvoudig en compact verblijf waarbij juist de nadruk wordt gelegd op de beleving van de omgeving (natuurrijk en groen) en van de sterrenhemel (door de koepel in het dak van de kubus). Het verblijf dient dan ook op een rustige en donkere plek gesitueerd te zijn. Het plangebied leent zich daar uitstekend voor en de intensiteiten van gebruik worden daardoor beter verdeeld in bepaalde zones binnen het gebied. Daarnaast biedt het onderhavig plan de mogelijkheid om de mooie Dinkelomgeving meer beleefbaar te maken door onder andere de brug, dit voor bezoekers van zowel de sterrenkubussen, de Sterrenwacht en voor passanten.
De afweging van alternatieven leidt niet tot een ander inzicht. Het onderhavig plangebied wordt het meest geschikt geacht voor de beoogde ontwikkeling nabij Cosmos Sterrenwacht. Mits voldaan wordt aan voorgenoemde voorwaarden, is het realiseren van voorgenomen activiteit, niet strijdig met beleidsregels voor bescherming van het NNN.
artikel 4.30 (nieuwe recreatiewoningen), lid 1
Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe recreatiewoningen worden gerealiseerd als:
In afwijking van het eerste lid geldt de eis van complexgewijs realiseren van recreatiewoningen niet als de recreatiewoningen worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de nieuwe recreatiewoningen voldoen aan de eisen van bedrijfsmatige exploitatie en verhuur.
In artikel 4.33 is bepaald dat de regels van omgevingsplannen permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uitsluiten.
Doorwerking voor onderhavig plan:
Het onderhavig plan heeft betrekking op verhuurgerichte bedrijfsmatige exploitatie die middels de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving wordt mogeljk gemaakt. Er zal een zodanige exploitatie worden gevoerd dat er permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden geboden worden. Het bestaande recreatieterrein van Cosmos Sterrenwacht krijgt hiermee een aanvulling en krijgt een kwalitatieve impuls. Dit is ook reeds uitgebreid aan bod gekomen in paragraaf 3.1.2 voor wat betreft de bijdrage aan het bestaande aanbod verblijfsrecreatie. Dit wordt onderstaand nogmaals weergegeven:
Het voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling nabij Cosmos Sterrenwacht. De sterrenwacht is al jaren een dagrecreatieve bestemming voor bezoekers en inwoners van de regio. De wens bestaat om het bestaande concept van de sterrenwacht te versterken en daarmee toekomstperspectief te behouden. Inkomsten zijn namelijk in afgelopen jaren gedaald als gevolg van vermindering van bijdragen door bijvoorbeeld de overheid.
In de nabijheid van de sterrenwacht is Erfgoed Bossem gevestigd. Aldaar wordt sinds een aantal jaar op kleine schaal het verblijf in sterrenkubussen aangeboden. Dit relatief nieuwe en unieke concept werpt zijn vruchten af voor Erfgoed Bossem en gemerkt wordt dat daardoor ook de sterrenwacht meer bezoekers kan verwachten, omdat nu al veel gasten bij Erfgoed Bossem tevens een bezoek brengen aan de Sterrenwacht. Er worden daarom kansen gezien voor verdere samenwerking tussen de twee partijen.
De sterrenkubussen voorzien namelijk in een aangenaam, maar kleinschalige verblijfsmogelijkheid. Zo is een complete keuken, douche en wc, zithoek en tweepersoonsbed in de kubus aanwezig. Bovendien zijn de sterrenkubussen voorzien van een transparante koepel boven de slaapruimte om te kunnen genieten van de nachtelijke sterrenhemel. Lattrop is één van de donkerste plekken in Nederland en dit biedt een unieke meerwaarde voor de sterrenkubus en draagt bij aan de beleving van het verblijf. Het concept sluit dan ook perfect aan bij de activiteiten van Cosmos Sterrenwacht. Zo kan de gast - bij het genieten van het verblijf in de sterrenkubus - ook een nadere kennismaking en verdieping maken door een bezoek aan het museum en bijvoorbeeld het planetarium. Het levert daarmee een welkome aanvulling aan het plattelandstoerisme in het gebied en versterkt een bestaande recreatieve voorziening.
In de regels van onderhavig bestemmingsplan is permanente bewoning specifiek uitgesloten, evenals andere vormen van niet-recreatief verblijf. Hiermee wordt voldaan aan de in de verordening gestelde voorschrfiten.
Nationaal landschap Noodoost-Twente
De Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. In deze gebieden gaat het om het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten. Ook de recreatieve toegankelijkheid moet worden vergroot. Voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de doelstellingen van de kernkwaliteiten is geen plaats.
Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente geldt dat de bijzondere kwaliteiten juist in combinatie met ontwikkeling versterkt kunnen worden. Landbouw blijft de drager van dit landschap: grootschalig boeren in een kleinschalig landschap met kenmerkende beken. Gemeenten maken met elkaar keuzes voor de ontwikkeling van woon- en werklocaties, waarbij de karakteristiek van het landschap, de toeristische routenetwerken en de veerkracht van het watersysteem worden versterkt en wordt gewerkt aan de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland.
De ontwikkelingsmogelijkheden in dit gebied worden verregaand bepaald door het zoeken naar en oplossingen ten aanzien van natuur, water en toerisme en vrije tijd. Het glooiende landschap van Noordoost-Twente is zeer gevarieerd door een fijnmazig samenstel van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Houtwallen, singels en bossen zorgen voor een kleinschalig en groen karakter. De specifieke landschappelijke (kern)kwaliteiten zijn:
Doorwerking voor onderhavig plan:
Het voorliggende bestemmingsplan brengt met de beoogde ontwikkeling geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noord-Oost Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie gezorgd voor een diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. Bovendien wordt een versterking van het toeristisch perspectief beoogd door de sterrenwacht en haar activiteiten te versterken. Bovendien wordt voldaan aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het landschap, mede gelet op de investering in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.6 zijn fragmenten van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.6: Fragmenten ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangekruisd (bron: provincie Overijssel)
Met betrekking tot de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving is het plangebied deels gelegen in het gebied dat behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dat betekent dat diverse functies verweven kunnen worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, 'voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambitie.
Tevens ligt de locatie binnen 'Natuurnetwerk Nederland (NNN)'. Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte. Er zijn afwijkingsmogelijkheden waarbij de provincie de zogenaamde NNN-spelregels hanteert. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.
Voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland is in de generieke beleidskeuzes reeds een verantwoording gegeven. Het plan wordt in samenhang met natuur gerealiseerd en er worden tegenpresaties geleverd om de kwaliteit van natuur te verbeteren. Het plan van initiatiefnemer doet geen afbreuk aan het karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor (agrarische) bedrijven in de omgeving.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Beekdalen en natte laagtes' (zie figuur 3.7).
Figuur 3.7: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De kenmerken van deze aanduiding zijn de afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen en de daarbij horende hoogteverschillen. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen. Tussen de dekzandvlakte en ruggen liggen laagveengebieden. Dit zijn grote gebieden waar onder invloed van grondwater en kwel veenmoeras is ontstaan met afwisselend open water, rietmoeras, veenmoeras en opgaand bos.
Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend.
Uitgangpunten hiervoor zijn: Ontwikkelingen dragen bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.
In combinatie met de uitbreiding van recreatie is ook aan een deel van de gronden de natuurbestemming behouden en toegekend. Deze 'groene' inpassing komt overeen met de uitgangspunten van de provincie ten aanzien van uitbreiding van bedrijven in het buitengebied. Bij de inpassing van de beoogde plannen wordt rekening gehouden met landschapskenmerken en wordt beoogd om een verbetering te creëren als het gaat om landschap en natuur. Bovendien wordt in dit geval een bijdrage geleverd aan een verbetering van het watersysteem rondom het plangebied. Dit door een bestaande visvijver om te vormen naar een geschikter habitat voor waterflora en fauna. Daarnaast wordt hier een bijdrage aan geleverd om de Dinkel beter beleefbaar te maken voor bezoekers, o.a. door het aanleggen van een voetgangersbrug. Door Bijkerk landschapsarchitecten is daarvoor een inpassingsplan opgesteld. Het initiatief doet geen onaanvaardbare afbreuk aan de hier beschreven kenmerken, aangezien het plan zorgvuldig in de omgeving ingepast wordt.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'maten en flierenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.8 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.8: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen. Hierdoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan.
Het plangebied ligt in het matenlandschap met de overgang naar het jonge heideontginningslandschap. Het is een kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw. Het was een coulisselandschap door de aanwezigheid van het vele hakhout in singels of houtwallen. Er was sprake van open kamers met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Het matenlandschap stond in functionele verbinding met het essenlandschap. De essen waren droog en onder meer geschikt voor granen. De maten waren juist ideaal voor graslanden. Aanvankelijk was het landschap zeer fijnmazig. Tijdens het ontstaan heeft men nooit nagedacht over de schoonheid van het landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds plaats hebben gevonden. Het landschap was ooit een bolwerk van houtsingels en houtwallen. Nu zijn slechts relicten over.
Zij vormen de belangrijke dragers van het gebied en daarmee ook de herkenning ervan. Het opzetten van een kleinschalig landschap is niet realistisch. Een nieuw plan moet waar mogelijk voorzien in het versterken of behouden van de dragers van het gebied.
De ambitie is dit landschapstype weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. De nog gave delen verdienen een intensief op cultuurhistorische waarden gerichte inrichting en beheer. Voor de andere delen is het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter, de continuïteit van het landschap het uitgangspunt. Nieuwe dragers als biomassateelt, (es)dorpsontwikkeling in de nabijheid, water(voorraad)berging, particulier natuurbeheer zijn voor dit landschap aan de orde.
De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk indien rekening wordt gehouden met het bestaande landschap, specifiek de aanwezige dragers (relicten). Met behulp van voorliggend plan wordt dit landschap juist benadrukt. Op het relatief beperkte oppervlak van het plangebied wordt een diversiteit in landschapstypen terug gebracht door zowel te Dinkel en haar oevers, een waterpartij, een boszone en een grasland te verbinden in het initiatief. Het plan draagt juist bij aan het naar voren brengen van de karakteristieken uit de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Waar mogelijk wordt dit nader versterkt.
Stedelijke laag
De stedelijke laag kent geen kenmerken toe aan het plangebied en wordt daarom buiten verdere beschouwing gelaten.
Laag van de beleving
In de laag van de beleving is het kenmerk 'Donkerte' toegekend. Tevens ligt de planlocatie nabij historische infrastructuur (Frensdorferweg).
Figuur 3.9: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Het kenmerk donkerte is uiteraard ook zeer relevant voor de positie van de Cosmos sterrenwacht in het gebied. De nu beoogde ontwikkeling houdt rekening met het zo min mogelijk zorgen voor lichtvervuiling. De donkerte is juist een element c.q. kwaliteit dat benadrukt en versterkt wordt met het voorliggend plan.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
Toets
Op de waardenkaart van de omgevingsvisie is de locatie als volgt aangeduid:
Figuur 3.10: waardenkaart Omgevingsvisie, plangebied in rood aangegeven
De waarden van dit gebied 'gericht op behouden door hoge waarde en beperkte dynamiek' zijn als volgt gedefineerd:
Bij ontwikkeling kan ingespeeld worden op:
Toets
Met het hiervoor beschreven initiatief wordt een impuls gegeven aan het recreatief nachtverblijf en dagrecreatieve mogelijkheden binnen de gemeente Dinkelland en wordt een bestaande toeristentrekker versterkt, waarbij gebruik gemaakt wordt van een innovatief concept. De ontwikkeling wordt op passende wijze ingepast. De ontwikkelingen zullen opgaan in het te herontwikkelen bos en oeverlandschap rond de Dinkel. Het landschap ter plaatse wordt hiermee versterkt en hersteld. Omdat de ontwikkeling in balans is met de investering in de ruimtelijke kwaliteit, is de ontwikkeling in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.
Door de ontwikkelingen nabij Frensdorferweg 22 in Lattrop wordt een versterking gedaan in het herstellen van het oorspronkelijke landschap en haar waarden. Daarmee worden vrijwel alle perspectieven bij ontwikkeling vanuit de omgevingsvisie aangetikt. De toelichting hierop is als volgt.
Het betreft een ontwikkeling die juist terug verwijst naar de schaal en het afwisselende karakter van het landschap, die verder versterkt in natuurwaarden door meer diversiteit van groenelementen en landgebruik aan te brengen. Tevens draagt het plan ook bij aan een verbeterde waterhuishouding en -kwaliteit en zal de variatie ook een bijdrage leveren aan biodiversiteit in het gebied. De recreatiewoningen worden gebouwd conform duurzaamheidseisen en leveren een forse impuls op voor de belevingswaarde vna de omgeving.
De plannen leveren een positieve bijdragen en passen binnen de omgevingsvisie Dinkelland.
Het buitengebied van Dinkelland kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten.
Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie Dinkelland.
Doelstelling
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Toets
In hoofdstuk 7 van de beleidsnota wordt ingegaan op ontwikkelingen van 'overige functies'. Hierin wordt ook het volgende aangegeven:
7.4 Uitbreiden perceel
Voor het uitbreiden van een bestaand perceel met een ‘Overige functie’, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1.
7.5 (Gedeeltelijk) omschakelen naar een andere ‘Overige functie’
Voor het (gedeeltelijk) toestaan van een andere ‘Overige functie’ passend binnen een perceel met een ‘Overige functie’ is sprake van maatwerk. Niet elk functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de functie op de omgeving een rol speelt. Indien het (gedeeltelijk) toestaan van een andere ‘Overige functie’ aanvaardbaar is, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1. Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:
Uitsluitend indien het bestaande (bedrijfs)perceel of de bestaande bebouwing niet toereikend is voor de nieuwe functie, kan onder voorwaarden een uitbreiding van het (bedrijfs)perceel en/of een uitbreiding van bebouwing binnen het bestaande (bedrijfs)perceel worden toegestaan. Hiervoor gelden de regels uit respectievelijk paragraaf 7.3 of 7.4.
In onderhavig geval is sprake van uitbreiding bij een bestaande overige functie (Cosmors Sterrenwacht). De betreffende gronden hebben op dit moment de bestemming 'Bos en Natuur'. Conform de tabel in paragraaf 8.1.1 van het beleid dient voor een dergelijke ontwikkeling een taxatie uitgevoerd te worden.
Door Aarnink makelaardij is daarom een taxatie verricht. Hieruit komt naar voren dat er als gevolg van de ontwikkelingen binnen het plangebied een waardevermeerding van de ondergrond ontstaat van: € 95.000,00
Een recreatieve functie betreft een functioneel aan het buitengebied gebonden functie, waardoor 25 % van de waardevermeerding geinvesteerd dient te worden in een extra investering ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor is een netto KGO-investering van €20.875,00 van toepassing.
Vanuit het KGO-plan in Bijlage 2 blijkt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit fors hoger zijn dan de benodigde KGO-investering. Het plan geeft invulling aan de doelstellingen van het beleid Buitengebied met kwaliteit. Er is sprake van een goede invulling van beleid.
Doel van de nota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente is om kaders weer te geven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. In de analyse van deze nota kunnen aantal conclusies worden getrokken die van belang zijn voor het formuleren van de visie:
De visie voor verblijfsrecreatie luidt dan ook als volgt:
"Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod"
Bungalows/recreatiewoningen op recreatieterreinen
Voor recreatiewoningen op recreatieterreinen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Toets
Onderliggend plan maakt de ontwikkeling van 28 verblijfsrecreatie objecten (sterrenkubussen) en bijbehorende (parkeer)voorzieningen mogelijk. De recreatieverblijven worden gerealiseerd in aansluiting op de bestaande sterrenwacht, waardoor het aanbod uitgebreid kan worden. Dit wordt gedaan in samenwerking met Erfgoed Bossem, dat reeds het concept van sterrenkubussen exploiteert nabij Lattrop. De sterrenkubussen nabij de sterrenwacht zorgen voor een aanvulling op het aanbod aan verblijfsrecreatieve mogelijkheden en betreft een uniek concept, waaraan ook behoefte is (zie ook de uitleg onder hoofdstuk 2 en paragraaf 3.1.2), en waardoor een samenwerking tussen twee recreatieve organisaties (Cosmos Sterrenwacht en Erfgoed Bossem) versterkt wordt. De betreffende kubussen zijn tiny houses (max. 2 personen) en blijven ruimschoots beneden maximale maten.
De recreatiewoningen zullen centraal worden geexploiteerd en alleen voor de recreatieve verhuur beschikbaar zijn. Permanente bewoning is in de regels van het bestemmingsplan ook specifiek uitgesloten, evenals het gebruik voor de huisvesting van elders werkzaam (tijdelijke) werknemers en het gebruik anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Het plan voldoet aan de uitgangspunten uit de beleidsnota.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.11) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Figuur 3.11: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart)
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets
Op basis van figuur 3.5 in samenhang met figuur 3.11 kan geconstateerd worden dat de aanwezige casco-elementen betrokken worden bij de nieuwe ruimtelijke kwaliteit. In het KGO-plan (Bijlage 2) zijn de casco-elementen (zowel het onderdeel als de niet onderdelen) verwerkt in de landschappelijke inpassing en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Het plan past binnen het casco-beleid van de gemeente Dinkelland.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets
In het plangebied is sprake van nieuwvestiging van recreatieve verblijfsmogelijkheden in het plangebied.
In lijst D van het Besluit millieueffectrapportage is onder nummer 10.1 (uitbreiding recreatieve of toeristische voorzieningen) aangegeven dat bij een bezoekersaantal van 250.000 bezoekers of meer per jaar of een oppervlakte van 25 ha of meer, dan wel 10 ha of meer in een gevoelig gebied een onderzoek verricht dient te worden naar de gevolgen voor het milieu. Van een dergelijk grootschalige ontwikkeling is geen sprake.
De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project onder blijft. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Wel is een aanmeldnotitie m.e.r. vereist. Dit document is opgesteld en bijgevoegd in Bijlage 3.
Conclusie
De conclusie vanuit de Omgevingsdienst Twente (ODT) is dat gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt), de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Het besluit hiertoe is opgenomen in Bijlage 4. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering
Toets
De toekomstige recreatieve functies in het plangebied vinden qua activiteit het meeste aansluiting bij de functie 'kampeerterrein, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' uit de VNG-lijst. Volgens de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' zijn de recreatieve functies bepalend. Deze activiteiten kunnen gerangschikt worden onder categorie 3.1. Er is sprake van een rustig gebied, waardoor rekening moet worden gehouden met de indicatieve afstand van 50 meter. Het aspect geluid brengt deze grootste richtafstand van 50 m met zich mee.
Externe werking
In de bestaande situatie bedraagt de afstand tot de dichtstbijgelegen woning (Frensdorferweg 15) minimaal 120 m, dit betreft de afstand van grens woonperceel tot grens onderhavig plangebied. De uitbreiding, de bouw van de recreatiewoningen, komt nog verder van deze woning af te liggen, waardoor deze onderlinge afstand tussen recreatiewoning en woning Frensdorferweg 15 nog groter is. Andere woningen c.q. milieugevoelige objecten liggen op ruimere afstand van de ontwikkeling in onderhavig plan. Er wordt voldaan aan een goede miliezonering.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving.
De recreatieverblijven zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. Wel worden de objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij aangemerkt als geurgevoelige objecten. Bij de omliggende veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijfsperceel ligt op minstens 250 m van het plangebied. Dit betreft een grondgebonden veehouderij, waardoor een vaste afstand van 50 m geldt tussen het bedrijfsperceel en geurgevoelige objecten. Deze afstand wordt ruim gehaald, waardoor geen sprake is van onderlinge belemmeringen.
Geconcludeerd wordt derhalve dat voldaan wordt aan de richtafstanden die gehanteerd zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering en de vaste afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets
Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van twee verkennende bodemonderzoek van Kruse Milieu om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De onderzoeken zijn bijgevoegd in Bijlage 5 en Bijlage 6.
Locatie West
In opdracht heeft Kruse Milieu in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 6900 m² aan de Frensdorferweg 22 in Lattrop-Breklenkamp. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie is grotendeels begroeid met gras, groenstroken en bomen. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van 20 sterrenkubussen (appartementen) en een theater.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd.
Resultaten veldwerk
In totaal zijn er 16 boringen verricht, waarvan er 4 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.65 m-mv.
Resultaten analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Conclusies en aanbevelingen
In het grondwater (PB 11) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II, OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.
Locatie Oost
In opdracht heeft Kruse Milieu in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 920 m² aan de Frensdorferweg 22 in Lattrop-Breklenkamp. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie is grotendeels begroeid met gras, groenstroken en bomen. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van 8 sterrenkubussen (appartementen).
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd.
Resultaten veldwerk
In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.15 m-mv.
Resultaten analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Conclusies en aanbevelingen
In de bovengrond (BG) is een lichte verontreiniging aangetoond. In de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.
Slotconclusie
Met inachtneming van de bevindingen vanuit de verkennend bodemonderzoeken vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor het plangebied.
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Wegverkeerslawaai
Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
Deze zonering geldt niet:
Toets
De te realiseren sterrenkubussen en zonnetempel worden op grond van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. Als gevolg van voorliggend plan worden dan ook geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van de plannen niet in de weg.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets
De verkeersaantrekkende onderdelen binnen dit bestemmingsplan zijn de sterrenkubussen en de zonnetempel. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 120 per dag gesteld worden. Voor motivering hiervan wordt verwezen naar de paragraaf voor verkeer in 4.10.1. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 120 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Risicokaart
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets
Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).
Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van ruim 2,8 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Waterhuishouding plan
De ontwikkeling van de sterrenkubussen en de zonnetempel zorgt voor een toename aan verhard oppervlak in het gebied. Het voornemen gaat uit van een gescheiden waterstelsel, waarbij hemelwater en afvalwater wordt gescheiden. Vanuit het waterschap geldt een bergingseis van 55 mm. Het verhard oppervlak neemt ten gevolge van de beoogde ontwikkeling toe met circa 1.200 m². Voor het afkoppelen van het verhard oppervlak wordt uitgegaan van afvloeiing naar onverhard terrein (bijv. gras/groen) waar het hemelwater kan infiltreren. Een deel van de sterrenkubussen zijn gesitueerd nabij of boven het water. Voor deze verharding geldt dat het hemelwater in de vijver opgevangen wordt waarbij het kan infiltreren. Overige verharding, de wegen, paden en parkeerplaatsen, wordt zodanig ingericht dat infiltratie mogelijk is, danwel afvloeit naar de zijkanten waar het ter plaatse kan infiltreren. Afwenteling naar benedenstrooms gelegen gebieden wordt voorkomen. Er vindt geen afstroming naar de Dinkel plaats.
Watertoetsproces
Op 2 augustus 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 7. Op basis van de watertoets is de normale procedure van toepassing verklaard. Op 9 juni 2021 en 28 januari 2022 heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap Vechtstromen, gemeente Dinkelland en initiatiefnemers.
Het plangebied ligt in de nabijheid van de Dinkel. Het waterschap Vechtstromen heeft belangen in dit gebied en is op moment van schrijven bezig met plannen voor herinrichting voor een verbeterde waterhuishouding en vismigratie in het Dinkelgebied.
In de overleggen is afgesproken dat initiatiefnemers rekening houden met nieuwe maximale waterhoogtes van de Dinkel. Uit de beoogde peilhoogten blijkt dat op voorhand geen belemmeringen te verwachten zijn. Tevens is de intentie uitgesproken om bij te dragen aan doelen van het waterschap, bijvoorbeeld het geschikt maken van de vijver in het plangebied voor waterberging en/of paaigronden voor vissoorten. De concrete invulling is vanwege het lopende gebiedsproces vanuit het waterschap Vechtstromen voor de plannen met de Dinkelland echter nog niet inzichtelijk te maken.
Op 28 maart 2022 heeft het waterschap tevens gereageerd op het concept bestemmingsplan. De onderstaande randvoorwaarden worden meegenomen in de planvorming:
Met inachtneming van de toetsresultaten en de uitgangspunten vanuit de gevoerde contactmomenten met het waterschap wordt invulling gegeven aan het vooroverleg en is het waterschap positief over de ontwikkelingen.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden, zie ook Bijlage 8. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.
Er zijn concrete plannen om een terrein ten westen van Cosmos Sterrenwacht aan de Frensdorferweg te Lattrop (ongenummerd) geschikt te maken voor verblijfsrecreatie en een multifunctioneel informatiecentrum te bouwen. Verspreid in het plangebied worden een soort trekkershutten (kubussen genoemd) geplaatst en wordt het terrein toegankelijk gemaakt door middel van paden. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
Het plangebied is op 21 april 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming:
Het plangebied behoort gedeeltelijk tot gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Het initiatief dient getoetst worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland, zoals opgenomen in de omgevingsverordening Overijssel. Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Gelet op de toename van verkeer in de gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Om hier zekerheid over te krijgen dient een stikstofberekening uit te voeren. Tevens dient een effectbeoordeling NNN en effectbeoordeling bos opgesteld te worden. Op basis van deze effectbeoordelingen kunnen (wettelijk) consequenties vastgesteld worden.
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming:
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt om beplanting en de bebouwing te verwijderen buiten de voortplantingsperiode.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en/of vernield. Voor amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Met uitzondering van de grote bosmuis geldt deze vrijstelling ook voor alle beschermde grondgebonden zoogdieren die er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats bezetten. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën en het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats van de grote bosmuis. Vanwege de beschermde status van de grote bosmuis wordt geadviseerd te werken conform een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Als gevolg van het gedeeltelijk bebouwen en verharden van het plangebied, neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
het plangebied komen geen beschermde vissoorten voor. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt er geen beschermde vissoort gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vissoorten niet af.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties die aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.
Voor een locatie aan de Frensdorferweg (nabij) 22 in Lattrop-Breklenkamp is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemers zijn voornemens om nabij de Sterrenwacht in Lattrop 28 sterrenkubussen, een zonnetempel, een brug over de Dinkel en bijbehorende voorzieningen te realiseren.
Ondanks de relatie met de Sterrenwacht, in het opzicht dat bezoekers kunnen overnachten in de sterrenkubussen om de sterren aan de hemel te bewonderen via een groot venster in het dak, staan de voorgenomen ontwikkelingen qua exploitatie los van de Sterrenwacht. De Sterrenwacht is derhalve niet opgenomen bij het plangebied. De zonnetempel betreft een informatiecentrum en theeschenkerij voor bezoekers.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bestaat een reële kans dat er stikstof en ammoniak wordt uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur.
Initiatiefnemers hebben Ad Fontem ruimtelijk advies gevraagd om de effecten van deze emissies op kwetsbare Natuur 2000- gebieden te onderzoeken. In dit kader is een AERIUS berekening uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 10.
Toets
Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt in de gebruiksfase als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is door de uitvoering van de AERIUS berekening aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
De AERIUS Calculator biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Het plan heeft geen significante gevolgen als het gaat om stikstofdepositie. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
Een deel van de wenselijke ontwikkeling vindt plaats op gronden die aangewezen zijn als Natuurnetwerk Nederland. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het ‘Nee, tenzij-regime’ vastgesteld. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Indien sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, verbindt de provincie regels aan zowel grootschalige alsmede aan kleinschalige ontwikkelingen in het NNN.
In voorliggend rapport wordt het voornemen getoetst aan het ‘Nee, tenzij-regime’ , zoals dat is vastgelegd door de provincie Overijssel in de Ontwerp Omgevingsverordening Overijsel 2021. Indien sprake is van een grootschalige, danwel kleinschalige ontwikkeling met negatief effecten voor de kernkwaliteiten, zal het voorgesteld plan voor landschappelijke inpassing getoetst worden aan de gestelde eisen voor ontwikkelingen in het NNN.
Toets
De provincie heeft in de Omgevingsverordening spelregels opgenomen, op welke wijze kleinschalige initiatieven mogelijk zijn in het NNN. In deze alinea worden de drie voorwaarden getoetst.
Ad 1. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast
Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Er vinden kleinschalige ontwikkelingen plaats in een houtsingel en open water. Deze vinden deels plaats, aansluitend aan een bestaand gebouw (sterrenwacht) en deels in rustig cultuurland (westelijke deel). De wezenlijke kenmerken: ‘grasland met houtsingel langs de rand’.
Ad 2. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN
Het voornemen voorziet niet in versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden maar wel in een vergroting van de oppervlakte van het NNN.
Het grasland, in de zuidoosthoek van het plangebied wordt toegevoegd aan het NNN. Dit deel, dat op de inrichtingskaart ingetekend is als extensief kruidenrijk grasland, kan een bijdrage leveren aan het versterken van NNN ter plaatse. Daarnaast wordt een bosperceel en houtwal aan de Horstweg (ten noordoosten van de sterrenwacht) toegevoegd aan NNN. Er is sprake daarmee in totaliteit sprake van toename van de oppervlakte van het NNN. Dit is weergeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: bestaand NNN, afname en voorstel voor nieuw NNN in kaart (bron: Ad Fontem )
Het beheer van de betreffende weidegronden dient afgestemd te worden op extensief agrarisch gebruik. Geen bemesting, maar verschralingsbeheer middels maaien en afvoeren. Het bosperceel aan de Horstweg wordt extensief beheerd en indien nodig verjongd door aanplant van nieuwe eiken.
Een ander versterking van de ecologische kwaliteit kan plaats vinden door de vijver te verontdiepen en in te richten als voortplantingsplaats voor amfibieën, met flauwe taluds en zonder vis.
Ad 3. Plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.
Deze afweging is reeds toegelicht in de generieke beleidskeuzes. Daarom wordt volledigheidshalve verwezen naar paragraaf 3.2.3.
Conclusie
Er is sprake van een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling in het NNN waarbij kernkwaliteiten aangetast worden. Dergelijke ontwikkeling binnen het NNN, met gevolgen voor de kernkwaliteiten, zijn onder voorwaarden mogelijk.
In voorliggend document is het voornemen getoetst aan de gestelde voorwaarden. Mits nieuw areaal wordt toegevoegd aan het NNN, en dit gebied beheerd wordt als natuur, wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast wordt geadviseerd de ecologische betekenis van de vijver te versterken, door deze fors te verontdiepen. Bij vaststelling van het bestemmingsplan, is een uitgewerkt plan bijgevoegd m.b.t. inrichting en beheer van de uitbreiding NNN.
Hiermee wordt voldaan aan voorgenoemde voorwaarden, is het realiseren van voorgenomen activiteit, niet strijdig met beleidsregels voor bescherming van het NNN.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
Het bureau RAAP heeft in 2008 een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld voor de gemeente Dinkelland. Binnen het plangebied vinden er alleen ter plaatse van de bodemingrepen plaats ten behoeve van de bouw van de zonnetempel, aanleg brug en mogelijk ter plaatse van de sterrenkubussen. Daarom is hiervoor specifiek bekeken wat de archeologische verwachting is ter plaatse van het plangebied.
Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart Dinkelland
Toets
De locatie is geomorfologisch voornamelijk aangewezen als "dekzandwelvingen- en vlakten", zie onderstaande afbeelding. Daarnaast geldt ook deels het kenmerk 'dekzandhoogten en -ruggen' en 'beekdalen en overige laagten'. op de locatie. Het plangebied is op de afbeelding zwart omcirkeld weergegeven. Het te bebouwen oppervlak bedraagt circa 800 m². Archeologisch onderzoek in dergelijke gebieden, die een middelmatige archeologische verwachtingswaarde scoren voor archeologische resten uit alle perioden, is noodzakelijk voor plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Door het gedeeltelijke kenmerk 'dekzandhoogten en -ruggen' geldt een onderzoeksplicht vanaf 2.500 m² en dieper dan 40. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m², zoals onderhavig plangebied, geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van Overijssel kan worden afgeleid dat in of direct omliggend aan het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elmenten worden aangegeven. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Het plangebied wordt ontsloten via de Frensdorferweg. Dit betreft de gebiedsontsluitingsweg tussen Tilligte en Lattrop. Ter plaatse van het plangebied geldt een 60 km/u regime. Als gevolg van de plannen zijn met name de plaatsing van de sterrenkubussen en de zonnetempel relevant als het gaat om verkeersaantrekkende werking. De overige functies zijn ondergeschikt aan de reeds aanwezige sterrenwacht en de toekomstige verblijfsrecreatie als het gaat om verkeer.
Met het plan worden 28 sterrenkubussen en een zonnetempel geplaatst binnen het plangebied. Afgaande op de meest recente CROW-uitgave 'toekomstbestendig parkeren' (uitgave 381) geldt voor de sterrenkubussen een theoretische gemiddelde verkeersgeneratie van 2,7 verkeersbewegingen per bungalow/huisje.
Uitgaande van 28 sterrenkubussen komt dit neer op een verkeersgeneratie van 75,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de zonnetempel (informatiecentrum en theeschenkerij) geldt, ondanks dat dit ook een ondergeschikte functie van het museum betreft, dat het denkbaar is dat men hier kan komen voor een kopje koffie of thee. Of dat in de praktijk leidt tot extra voertuigbewegingen kan op voorhand niet worden uitgesloten. Daarom is besloten om dit toch mee te nemen in de berekening, de CROW-uitgave biedt echter geen handvat aangezien voor een theeschenkerij of museum geen vergelijkbare kengetallen voor verkeersgeneratie bekend zijn.
Er is derhalve een worst-case berekening gemaakt en aangesloten bij de kengetallen van 'commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie). De theoretische maximale verkeersgeneratie van een zonnetempel bedraagt dan 17,7 verkeersbewegingen per 100 m². De zonnetempel mag maximaal 250 m² groot worden. Uitgegaan wordt dat de bouwmogelijkheden maximaal worden benut. Dit komt neer op in totaal afgerond 44,25 verkeersbewegingen. In totaal betreffen dit afgerond 120 verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van de ontwikkelingen binnen het plangebied.
Zoals gezegd zal een deel van deze verkeersbewegingen overlap hebben met de bestaande sterrenwacht.
De zelfstandigheid van de verblijfsrecreatie neemt met zich mee dat er geen forse toename is aan verkeersbewegingen tussen Erfgoed Bossem en de ontwikkeling van de sterrenkubussen bij de sterrenwacht. Technologie en de facilitaire ruimte zorgen voor een minimale verkeersbeweging tussen genoemde locaties. Zo zullen er hooguit 4 bewegingen per dag zijn voor het aanvullen van facilitaire ruimte en dienstverlening. Bezoekers van de sterrenkubussen die gebruik maken van een voorziening van erfgoed Bossum kunnen dus gebruik maken van het wandelpad of met een voertuig over de openbare weg. Verkeersstromen naar Erfgoed Bossem worden middels wegbewijzering en andere aanduidingen via de entree aan de Dorpsstraat gestuurd.
Deze (beperkte) toename van verkeersbewegingen gekoppeld aan het initiatief kan eenvoudig via de huidige gebiedsontsluitingsweg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Voor wat betreft de ontwikkeling geldt dat conform het kenmerk 'bungalowpark (huisjescomplex' een parkeernorm geldt van 2,1 pp per bungalow/huisje. Deze norm is echter met zekerheid te hoog voor onderhavige plannen. Dit vanwege het feit dat de sterrenkubussen c.q. de betreffende recreatieverblijven tweepersoons verblijven betreffen. Het is dan onreëel om te verwachten dat elke bezoeker met een eigen auto zal komen. Een parkeernorm van 1.2 pp per verblijf is daarom passender geacht (één voertuig per verblijf + eventueel incidenteel bezoek). Als gevolg van de recreatieverblijven zijn in dat geval 33,6 parkeerplaatsen noodzakelijk.
De zonnetempel heeft in de basis een ondergeschikte functie ten behoeve van zowel de sterrenwacht als de recreatieverblijven. In de regel zullen bezoekers van de zonnetempel ook de Cosmos bezoeken en gebruik maken van de parkeerplaatsen bij de Cosmos. Het bebouwingsoppervlak is als volgt onder te verdelen:
Respectievelijk gelden hiervoor de volgende parkeernormen:
Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen zonnetempel: 8,625 pp
De berekening leidt tot een totaal benodigd aantal parkeerplaatsen van 42,25 stuks, afgerond 43.
Aan de noordzijde van het plangebied is in de huidige situatie reeds een open ruimte in het beboste gebied aanwezig. Hier komt een informeel ingerichte parkeerplaats met een parkeercapaciteit van 43 parkeerplaatsen. Zie figuur 4.6.
Figuur 4.6: inrichtingstekening parkeerplaats noordzijde plangebied (bron: Bijkerk c.s.)
Zoals gesteld zullen bezoekers van de zonnetempel reeds op het terrein zijn vanwege een overnachting of een bezoek brengen aan de sterrenwacht. De sterrenwacht heeft een oppervlakte van 470 m2 met gedeeltelijk een tweede verdieping. In een worst case scenario, uitgaande van twee verdiepingen, betreft de oppervlakte van de educatieve ruimte 940 m2 met een bijbehorende parkeernorm van 10.3 pp. Aan de zijde van de huidige sterrenwacht (Frensdorferweg 22) is in de bestaande situatie ruimte voor ca. 30 parkeerplaatsen en in de toekomstige situatie zijn er in totaal 62 parkeervakken gesitueerd. De huidige parkeerplaats wordt hiervoor omgevormd. Aan deze zijde parkeren voornamelijk de bezoekers van de sterrenwacht, die tevens de mogelijkheid hebben om de zonnetempel te bezoeken. Tevens is het mogelijk voor de bezoekers van sterrenkubussen aan de oostzijde van de Dinkel om te hier parkeren.
De terreinen voorzien hiermee in voldoende ruimte om de parkeerplaatsen op eigen terrein onder te kunnen brengen. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Bestemmingen
De bestemming ‘Bos en natuur’ betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, namelijk de bestaande natuurgebieden (zoals aangegeven in de omgevingsvisie) en de gebieden die reeds in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties en aangewezen als nieuwe natuur. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staan voorop.
De bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' is bestemd voor de 28 sterrenkubussen en de zonnetempel al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen, wegen, paden, groen en parkeerplaatsen.
De bestemming 'Agrarisch - 1' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt' is bestemd voor het agrarisch gebruik waarbij in het kader van spuitvrije zones een aanduiding is aangebracht waarop geen boom- en sierteelt is toegestaan.
Deze bestemming is gelegd op de kleine watergangen met een ecologische waarde. Deze watergangen zijn door het Waterschap aangeduid.
In de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’ staat de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) opgenomen voor de bestaande natuurgebieden en de nieuwe natuurgebieden. Voor dit gebied geldt het nee-tenzij beleid van de NNN zoals
aangegeven in de uitgangspunten.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. In navolging hiervan heeft overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemers, provincie Overijssel en gemeente Dinkelland. De provincie heeft op 1 juli 2022 in haar reactie aangegeven dat op basis van de inrichtingskaart en toelichting, de provincie in kan stemmen met de planvorming. De provincie is van mening dat het plan passend te maken is binnen de afwijkingsmogelijkheid voor kleinschalige ontwikkelingen in het NNN (artikel 2.7.4 lid 5).
Hiermee wordt voldaan aan het verplichte vooroverleg en kunnen de plannen op provinciale imstemming rekenen.
Waterschap Vechtstromen
Op 2 augustus 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap de normale pocedure van toepassing verklaard. In navolging hiervan heeft overleg plaatsgevonden en is op 28 maart 2022 onder voorwaarden een positief advies afgegeven. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 31 maart 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn meerdere zienswijzen binnengekomen. In Bijlage 11 is de reactienota zienswijzen opgenomen waarin de zienswijzen van een reactie zijn voorzien en kenbaar is gemaakt of deze zienswijzen tot planwijzigingen hebben geleid. Mede naar aanleiding van de zienswijzen zijn wijzigingen in de toelichting op het bestemmingsplan doorgevoerd.