| Plan: | Herprofilering Dusinksweg, fase 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPDUSINKSWEGF2-VG01 |
De afgelopen jaren is sprake van een toename van het verkeer op de Dusinksweg, terwijl de weg daar qua wegbreedte en inrichting niet geschikt voor is. De Dusinksweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom en bij de huidige wegbreedte van ca. 3,50 meter is de weg niet geschikt voor de afwikkeling van ander verkeer dan bestemmingsverkeer.
De toename van de hoeveelheid verkeer is het gevolg van autonome en lokale ontwikkelingen en deze trend zet zich volgens het verkeersmodel Twente nog voort.
In fasen wordt de Dusinksweg geherprofileerd om de weg geschikt te maken voor de afwikkeling van de huidige en toekomstige hoeveelheid verkeer. Fase 1 van de herprofilering is in 2014 afgerond en fase 2, vanaf de Timmusweg tot en met de aansluiting op de Denekamperstraat, maakt onderdeel uit van het coalitieprogramma 2014-2018. De gemeenteraad heeft bij besluit van 3 november 2015 besloten te starten met de realisatie van fase 2 van de Dusinksweg.
Onderhavig bestemmingsplan biedt het juridisch planologisch kader voor fase 2 van de Dusinksweg.
Het plangebied heeft betrekking op de gronden in de nabijheid van de huidige Dusinksweg voor wat betreft het gedeelte tussen de Timmusweg en de Denekamperstraat. De Dusinksweg is ten zuiden van Ootmarsum gelegen en verbindt de Rossumerstraat met de Denekamperstraat.
Afbeelding 1.1:
Luchtfoto omgeving Dusinksweg met nieuwe tracé ingetekend
Het plangebied, zoals op afbeelding 1.1 is aangegeven, maakt deel uit van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 18 februari 2010. De herprofilering van de Dusinksweg kan op grond van het vigerende bestemmingsplan niet worden gerealiseerd, omdat het voornemen niet is toegestaan op grond van de geldende bestemming.
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied 2010" (plangebied rood omlijnd)
Na deze inleiding volgt een hoofdstuk waarin de huidige situatie van het plangebied wordt beschreven, gevolgd door de planbeschrijving. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan relevant nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische en planologische aspecten met betrekking tot de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komt een uitleg van de regels van het bestemminsplan aan bod.
Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de financiële haalbaarheid besproken en is een toelichting op de gevolgde procedure gegeven.
In de huidige situatie is de Dusinksweg een relatief smalle plattelandsweg die gericht is op bestemmingsverkeer. De hoeveelheid verkeer op de weg neemt echter toe en ook het verkeersmodel Twente laat een verkeerstoename zien als gevolg van autonome en lokale ontwikkelingen. In de actualisatie van de verkeerskundige onderbouwing (Goudappel Coffeng, 28 augustus 2014) komt naar voren dat de verkeersintensiteit na 2020 kan stijgen tot 2.500 – 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename van de verkeersintensiteit is mede het gevolg van de ontsluiting van het bestemmingsplan Brookhuis en van de functie die de Dusinksweg heeft in de ontsluiting van bedrijventerrein De Mors.
De toenemende hoeveelheid verkeer kan niet worden afgewikkeld op de huidige smalle rijbaan van de Dusinksweg en levert problemen op voor de verkeersveiligheid en vormt een probleem voor de bereikbaarheid. Het gebruik van de weg is niet meer in overeenstemming met de breedte en de inrichting van de weg.
Navolgende afbeelding geeft via een aantal foto's een beeld van de huidige situatie (bron: Landschapsplan).
Afbeelding 2.1:
Foto's bestaande situatie Dusinksweg (bron: Landschapsplan)
Gelet op de problemen die door met name het toenemende gebruik van de Dusinksweg door auto's en vrachtauto's zijn (en zullen) ontstaan, heeft de gemeente besloten de Dusinksweg te herprofileren. Door Goudappel Coffeng is hiervoor reeds in 2007 een tracéstudie opgesteld. Voor fase 2 is deze studie in 2014 geactualiseerd (zie bijlage 1).
Fase 1, van de Rossumerstraat tot aan de Timmusweg, is reeds afgerond. Voor fase 2 is ervoor gekozen om uit te gaan van een vrijliggend fietspad. Dit vanwege het aantal vrachtwagens over de weg. Vanaf het kruispunt met de Timmusweg zal de bestaande Dusinksweg de functie van fietspad krijgen, waarbij aan de noordzijde ter plaatse van huidige agrarische gronden de nieuwe Dusinksweg aangelegd wordt inclusief sloten en dergelijke.
De nieuwe aansluiting van de Dusinksweg met de Denekamperstraat komt ongeveer 80 meter dichter bij Ootmarsum te liggen. Het tracé van de bestaande weg wordt verlaten en de nieuwe Dusinksweg maakt een bocht. Het fietspad, dat tot nu toe het tracé van de oude Dusinksweg heeft gevolgd, buigt ook af. Dat moet, omdat er ter hoogte van de nieuwe wegaansluiting een nieuwe veilige oversteekplaats voor de fietsers wordt gemaakt.
Navolgende afbeeldingen geven een beeld van delen van het wegontwerp (aansluiting met Denekamperstraat en kruising met de Alleeweg). Het voorlopig wegontwerp is als bijlage 2 bijgevoegd.
Afbeelding 2.2:
Tekeningen wegontwerp voor delen van fase 2 (links: aansluiting met Denekamperstraat, rechts: kruising met
Alleeweg)
Voor de herprofilering van de Dusinksweg is tevens een ontwerp voor de landschappelijke inpassing opgesteld. Het landschapsplan is als bijlage 3 bijgevoegd. Het uitvoeren van de landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting in de planregels vastgelegd (zie paragraaf 10.2).
Het nieuwe wegprofiel is gedeeltelijk gelegen over het agrarisch bouwperceel aan de Dusinksweg 6. In onderhavig bestemmingsplan is het gedeeltelijk verplaatsen, waarbij de oppervlakte gelijk blijft, van het bouwvlak en bouwperceel meegenomen. Aangezien het om een bestaand agrarische bedrijf gaat waarbij enkel het bouwperceel en bouwvlak aangepast wordt, zal hier bij de toetsing aan de verschillende beleidskaders in hoofdstuk 3 niet verder op worden ingegaan.
|
|
Afbeelding 2.3:
huidige (links) en toekomstige (rechts) planologische regeling agrarisch perceel Dusinksweg 6
(rood omkaderd = bouwvlak, blauw gearceerd = bouwperceel)
In dit hoofdstuk wordt het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur en de functionele structuur opgenomen.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040; een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Dit doet het Rijk op basis van de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven zowel bovengronds als ondergronds richting 2040 bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Wel zijn er 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op één van de nationale belangen uit de SVIR.
De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte. Deze Amvb wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb, de op 30 december 2011 in werking is getreden, is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van:
Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft betrekking op het plangebied.
Het provinciaal beleid van Overijssel is vastgelegd in een integraal document namelijk de Omgevingsvisie Overijssel. Om het provinciaal beleid juridisch te borgen heeft de provincie Overijssel de omgevingsverordening Overijssel vastgesteld. In deze paragraaf is het initiatief getoetst aan beide documenten.
In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van onze provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Provinciale Staten heeft op 12 april 2017 de actualisatie van de Omgevingsvisie vastgesteld.
De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De drie niveaus komen hieronder aan de orde.
1. Generieke beleidskeuzes (of)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
In de kaarten behorende bij de generieke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie is het plangebied aangewezen als onderdeel van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Nationale Landschappen zijn gebieden met internationaal unieke landschappelijke kwaliteiten en in samenhang daarmee, bijzondere natuurlijke en recreatieve activiteiten. In Nederland zijn in totaal 20 gebieden aangewezen als Nationaal Landschap. Landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van nationale landschappen moeten behouden blijven duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt. In samenhang hiermee zal de toeristisch-recreatieve betekenis toenemen. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is "behoud door ontwikkeling". Ruimtelijke ontwikkelingen zijn dus mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of worden versterkt ('ja, mits'-regime).
In de AMvB Ruimte is dit "ja, mits'-principe ook juridisch vastgelegd. Daarbij zijn de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente concreet benoemd:
Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geldt dat er enkel sprake is van de verlegging van een bestaande weg. Waar mogelijke worden bestaande groenstructuren behouden. Van een aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente is dan ook geen sprake. Voor het overige zijn er ten aanzien van de generieke beleidskeuzes geen vermeldenswaardige aspecten die bijzondere aandacht verdienen. Van grote belemmeringen is niets gebleken.
2. Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Het ontwikkelingsperspectief voor het gebied rondom de Dusinksweg is 'buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte (mixlandschap)'. Gebieden voor gespecialiseerde landbouw en mengvormen van landbouw met andere functies (recreatiezorg, natuur, water) en bijzondere woon-, werk- en recreatiemilieus die de karakteristieke gevarieerde opbouw van de cultuurlandschappen in deze gebieden versterken. Tevens ligt over de Dusinksweg de nadere aanduiding 'beekdal'. Een beekdal betreft een gebied met veenpakket in de ondergrond en/of laaggelegen gebieden langs waterlopen. Indien het gebied wordt gebruikt als grasland geldt dat ontwatering mag plaatsvinden niet dieper dan nodig is.
3. Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De nieuwe ontwikkeling moet zoveel mogelijk aansluiten bij de gebiedskenmerken. De voor onderhavige locatie geldende lagen met bijbehorende gebiedskenmerken zijn:
Natuurlijke laag
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede bepalend worden. Ook in steden en dorpen zoals nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
De natuurlijke laag van het tracé van de Dusinksweg wordt gekenmerkt als 'dekzandvlakte en ruggen' en 'beekdal en natte laagtes'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Delen van het tracé worden gekenmerkt als 'beekdal en natte laagtes'. Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, 's winters brede stroomdraad met meestromende geulen.
De ambitie bij dekzandvlakte en ruggen is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door (strekkings-)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
De ambitie bij 'beekdalen en natte laagtes' is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier.
In het gebied zijn geen beleefbare dekzandvlakten en ruggen aanwezig die een beschermende bestemmingsregeling behoeven. De herprofilering van de Dusinksweg volgt grotendeels hetzelfde tracé als de huidige Dusinksweg, waardoor het watersysteem in stand gehouden wordt. Voor de herprofilering van de Dusinksweg is wel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld die aansluit bij de kwaliteiten van het gebied (zie bijlage 1).
Afbeelding 3.1: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart 'natuurlijke laag' (bron: Atlas van Overijssel)
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben ideeën over schoonheid geen rol gespeeld. Wel zijn in de loop van de tijd de ruimtelijke kwaliteiten gewaardeerd. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.
De Dusinksweg loopt door een gebied dat wordt gekenmerkt als 'oude hoevenlandschap' en 'jonge heide- en broekontginningslandschap'.
De ambitie van het 'oude hoevenlandschap' is het kleinschalige, afwisselende landschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.
De ambitie voor het 'jonge heide- en broekontginningslandschap' is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken.
Ten aanzien van deze laag is de structuur van de huidige Dusinksweg inclusief de laanbeplanting aan beide zijden van belang. In de toekomstige situatie zal de huidige Dusinksweg behouden blijven als fietspad en de bomenrijen blijven, met uitzondering van enkele te kappen bomen, behouden. Daarnaast is voor de herprofilering van de Dusinksweg een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat aansluit bij de kwaliteiten van het gebied (zie bijlage 1).
Afbeelding 3.2: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' (bron: Atlas van Overijssel)
Stedelijke laag
Ten aanzien van deze laag gelden voor het plangebied geen bijzonderheden.
Laag van de beleving
De laag van de beleving is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De laag van de beleving voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productie- landschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar tot een belevenis.
In het plangebied is een recreatieve route gelegen. Deze route loopt o.a. via de Timmusweg en de Kooiweg en verbindt Ootmarsum met Denekamp. Onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling is onder andere de aanleg van een vrijliggend voetpad langs de Timmusweg (ter hoogte van de kruising met de Dusinksweg). Hierdoor wordt de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer wat gebruikt maakt van deze (recreatieve) route verbeterd.
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling niet in strijd is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde beleid.
In de omgevingsverordening heeft de provincie regels ter bescherming van het provinciaal belang vastgelegd. De genoemde beleidsonderwerpen uit de omgevingsvisie is in de omgevingsverordening vastgelegd in voor gemeenten bindende regels. Uit de behandeling van de provinciale omgevingsvisie is gebleken dat het initiatief niet in strijd is met het provinciaal beleid. Hiermee is het initiatief niet strijdig met de regels uit de omgevingsverordening Overijssel.
De Structuurvisie Dinkelland is op 10 september 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. De structuurvisie bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. Feitelijk betreft de structuurvisie een actualisering en integratie van het bestaande beleid. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan.
Hoofdambitie van de Structuurvisie is:
“Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie".
Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt:
Met de herprofilering van de Dusinksweg wordt invulling gegeven aan punt 5 uit de structuurvisie. Met de verbreding van de weg en de aanleg van een fietspad zorgen we dat de weg de geprognotiseerde verkeersintensiteit veilig en naar behoren kan verwerken en dat er ook voor de fietsers een veilige vrij liggende route is. In paragraaf 3.8 "Mobiliteit" van de Structuurvisie is de herprofilering van de Dusinksweg tevens genoemd als één van de projecten waar de gemeente zich de komende jaren op richt.
De voorgenomen ontwikkeling is hiermee passend binnen het beleid zoals vastgelegd in de Structuurvisie.
Op 3 juli 2007 heeft de Raad het Masterplan Ootmarsum vastgesteld als ruimtelijke ontwikkelingskader voor de kern Ootmarsum tot 2020.
Hierin is opgenomen dat de verkeersveiligheid aandacht verdient en dit gaat veelal samen met infrastructurele maatregelen. Een van deze maatregelen is het opwaarderen van de Dusinksweg. De opwaardering maakt deel uit van één van de ambities van de gemeente Dinkelland met betrekking tot het ruimtelijk vlak.
De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 24 april 2014 de beleidsnota "Externe veiligheidsbeleid, Een Veilig Noaberschap!" vastgesteld. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een transparant toetsingskader te hebben voor het omgaan met huidige maar ook eventuele toekomstige externe veiligheidssituaties. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het transport door buisleidingen van belang. Uit het beleid blijkt dat er in de gemeente Dinkelland verplichte routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgesteld. De Dusinksweg zelf en/of wegen in de omgeving daarvan zijn niet aangewezen als verplichte routering. Wel vindt op deze wegen dergelijk vervoer plaats, echter levert dit geen knelpunten op.
Binnen het plangebied is één hogedruk gasleiding gelegen. Uit het beleid blijkt dat ten aanzien van deze leiding geen risicoknelpunten bestaan.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap.
Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit.
Delen van het plangebied maken onderdeel uit van het casco. In het landschapsplan (zie bijlage 3) is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de te behouden en versterken casco.
In dit hoofdstuk worden de relevante milieu-aspecten aan de orde gesteld. Hierbij dienen aan de orde te komen het wegverkeerslawaai, geluidszones, bedrijvigheid, bodem, vervoer gevaarlijke stoffen, archeologie, de flora en de veiligheid.
In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 4.1 kort ingegaan op de relevante milieuaspecten met betrekking tot de aanpassing van het agrarisch bouwperceel aan de Dusinksweg 6. In paragraaf 4.2 wordt uitvoering ingegaan op de relevante milieuaspecten met betrekking tot de herprofilering van de Dusinksweg.
Aangezien de gronden die in de toekomstige situatie onderdeel uit gaan maken van het agrarische bouwperceel en bouwvlak reeds agrarisch gebruikt worden, kan geconcludeerd wordt dat relevante milieu-aspecten geen belemmering zullen worden voor de bestemmingswijziging. Wel kan agrarische bebouwing dichter op in de omgeving aanwezige geurgevoelige functies gesitueerd worden waardoor dit aspect nader beschouwd dient te worden. Ten aanzien hiervan het volgende:
Nabij de inrichting zijn de sportvelden van Sportpark 'n Tooslag gelegen. Dit gebied is in de geurverordening aangemerkt als zijnde niet gelegen binnen de bebouwde kom. Voor (verlichte) sportvelden geldt op basis van de handreiking bedrijven en milieuzonering een afstand van 50 meter. Deze afstand is bedoeld om bescherming te bieden aan gevoelige objecten (b.v. de agrarische bedrijfswoning). Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Meer van belang is de bescherming van omliggende objecten tegen de effecten van het veehouderijbedrijf. Hierbij is van belang dat ter plaatse van de sportvelden maar geringe bouwmogelijkheden bestaan om geurgevoelige objecten op te richten. De afstand tot deze objecten bedraagt bijna 200 meter. Omdat deze zijn gelegen buiten de bebouwde kom dient bij vergunningverlening rekening te worden gehouden met een afstand van 50 meter op basis van zogenoemde vaste afstanddieren. Gelet op het beperkte aantal vleesvarkens zal de vaste afstand bepalend zijn voor de mate van hinder. Met een uitbreiding van 4 meter aan de achterzijde zal nog steeds worden voldaan aan de geurregelgeving.
Wat dat betreft zijn er geen belemmeringen om het bouwvlak aan de achter zijde uit te breiden.
Bij planologische ontwikkelingen mag je je echter niet beperken tot een toetsing aan de geurgevoelige objecten waarmee in het kader van vergunningverlening rekening wordt gehouden. Duidelijk is dat op de sportvelden regelmatig mensen verblijven. Een te hoge geurbelasting kan het perceel minder geschikt maken voor het gebruik waarvoor het bestemd is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient hiermee rekening te worden gehouden. De afstand tussen het toekomstige agrarisch bouwvlak en de sportvelden bedraagt ten minste 100 meter. Met deze afstand is een acceptabel leefklimaat gegarandeerd.
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden normen voor de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige functies (o.a. woningen) vanwege geluidgezoneerde wegen. Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 53 dB voor het buitenstedelijk gebied.
Indien een bestaande weg aangepast wordt, dient onderzocht te worden of de geluidbelasting op woningen vanwege de wegaanpassing toeneemt (reconstructieonderzoek).
Aangezien binnen de geluidzone van de huidige en toekomstige Dusinksweg woningen gelegen zijn, is er door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch prognose onderzoek Toekomstig Dusinksweg te Ootmarsum, 16.118, d.d. 19 september 2016). Op basis van dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van 1 bestaande en 2 beoogde woningen met 1 dB overschreden wordt in de toekomstige situatie. De maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. Gelijktijdig met de procedure van onderhavig bestemmingsplan zal een hogere waarden procedure gevoerd moeten worden.
Aangezien de Denekamperstraat ter plaatse van de nieuwe aansluiting met de Dusinksweg aangepast wordt, is er door Munsterhuis Geluidadvies tevens een akoestisch onderzoek naar het reconstructie-effect uitgevoerd (16.151, d.d. 20 december 2016). Op basis van dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ter hoogte van bestaande woningen vanwege de wegaanpassing met maximaal 0,4 dB zal toenemen. Derhalve is er geen sprake van reconstructie, dit is het geval bij toenames groter dan 1,5 dB.
Geconcludeerd wordt dat, na verlening van de benodigde hogere waarden, voldaan zal worden aan het gestelde in de Wet geluidhinder. Gelet op de geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarden kan gesteld worden dat er ook in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de verschillende woningen.
De voorgenomen aanpassing van het kruispunt Denekamperstraat-Dusinksweg zorgt niet voor een reconstructie-effect conform de Wet geluidhinder.
Het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van de nieuwe Dusinksweg is als bijlage 4 bijgevoegd. Het akoestisch onderzoek naar de akoestische effecten van de aanpassing van het kruispunt Denekamperstraat-Dusinksweg is als bijlage 5 bijgevoegd.
Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.
Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. De Erfgoedwet heeft per 1 januari 2016 de Monumentenwet vervangen. Het belangrijkste doel van deze wet is het behoud van het archeologisch erfgoed ter plekke. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt ruimte voor de overweging om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Wie dan ondanks de aanwezigheid van archeologische waarden toch de grond in wil, moet archeologisch (voor)onderzoek doen en de kosten daarvan op zich nemen. Ook als het onderzoek uiteindelijk tot een opgraving leidt.
Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure voor fase 1 van de herprofilering van de Dusinksweg is een inventariserend archeologisch onderzoek voor het gehele traject van de Dusinksweg uitgevoerd. Voor onderhavig plangebied (fase 2) zijn op grond van dit onderzoek verschillende zones aangewezen waar nader archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Gelet hierop is ter plaatse door Laagland Archeologie een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.
Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten gebleken:
De proefsleuven die zijn aangelegd over de as van de geplande nieuwe weg, en daarmee ook de nieuwe weg zelf, liggen in de oostelijke randzone van het voormalige erve Dusink. Gesteld kan worden dat het erf als archeologische vindplaats zich vooral aan de westzijde van de nieuw weg bevindt. De vindplaats wordt op grond van vooral de inhoudelijke waarde volgens de KNA-criteria als behoudenswaardig gekwalificeerd. Indien geen archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd wordt zal de aanleg van de weg leiden tot aantasting van een deel van wat nu nog een vrijwel complete vindplaats van een oud erf is. Als bij de aanleg van de weg behoud in situ niet mogelijk blijkt te zijn dient het deel van de vindplaats dat door de aanleg van de weg bedreigd wordt ex situ behouden te worden door het laten uitvoeren van een archeologische opgraving.
Geadviseerd wordt om bij de aanleg van de nieuwe weg een archeologische opgraving te laten plaatsvinden in het tracédeel waarin de proefsleuven 12, 13 en 14 zijn aangelegd om de aanwezige sporen en resten van het erve Dusink veilig te stellen. De archeologische opgraving dient te worden uitgevoerd binnen het gehele ruimtebeslag van dit deel van de weg, inclusief de aan te leggen nieuwe bermsloot en het nieuwe fietspad.
Het volledige onderzoek is als bijlage 6 bijgevoegd.
Bij het opstellen of wijzigen van de planologische situatie dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en/ of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hier inzicht in te verkrijgen dient een milieukundig bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Het is wettelijk geregeld dat bouw/aanleg pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
Gelet op de benodigde bodemingrepen is door Aveco de Bondt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd waarbij tevens asfaltonderzoek heeft plaatsgevonden en onderzoek naar asbest in de bodem.
Uit dit onderzoek is gebleken dat:
Bestaande tracé
In vrijwel alle boorkernen zijn één of meerdere teerhoudende lagen aanwezig waardoor het asfalt tenminste voor een deel als niet herbruikbaar wordt beschouwd.
Uit het onderzoek is gebleken dat alleen ter plaatse van de Timmusboer een funderingslaag
aanwezig is. Van deze laag is indicatief bepaald dat deze herbruikbaar is als nietvormgegeven
bouwstof en dat deze geen asbest bevat.
In de ondergrond is alleen PAK in een licht verhoogd gehalte aangetoond. In het grondwater is alleen barium in een licht verhoogde concentratie gemeten.
Nieuwe tracé
In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn alleen licht verhoogde concentraties aan barium en koper gemeten. Op basis van de veldwaarnemingen is voor enkele terreindelen een GHG van 0,3 m-mv aan te geven. De gegevens van dinoloket bevestigen een ondiepe GHG maar worden niet betrouwbaar genoeg geacht om een uitspraak te doen met betrekking tot onderhavige locatie.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de niet humeuze ondergrond voldoet aan de normen voor zand in aanvulling en ophoging en deels voor de normen aan zand in zandbed.
In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan PAK gemeten.
Asbestonderzoek
In de puin(houdende) lagen van de bermen van de Dusinkweg en van de puinweg op perceel 2193 is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond.
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de milieuhygiënische bodemgesteldheid de uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat.
Het volledige bodemonderzoek is als bijlage 7 bijgevoegd.
Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen.'
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op de realisatie van (beperkt) kwetsbare functies. Daarnaast is de Dusinksweg niet aangewezen als route voor het transport van gevaarlijke stoffen. De enige relevante risicobron betreft de ligging van één hogedrukaardgasleiding die de Dusinksweg kruist. Zoals uit het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid blijkt (zie paragraaf 3.3.3) levert de gasleiding geen belemmering op.
Ten aanzien van dit aspect zijn er geen belemmeringen aanwezig. Wel zal er bij de aanleg rekening gehouden moeten worden met de ligging van de gasleiding en dient het optreden van zettingen voorkomen te worden.
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) in Nederland. Projecten of handelingen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel niet toegestaan. Ten aanzien van Natura 2000 zijn er beperkte wijzigingen in de Wet natuurbescherming ten opzichte van de bepalingen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet vervalt. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer aan de orde.
Onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling is de kap van enkele bomen. Langs de toekomstige weg zal een nieuwe sloot worden gecreëerd. Daarnaast zal vanwege de herprofilering van de Dusinksweg de verkeersintensiteit toenemen waardoor er mogelijk negatieve effecten beschermde natuurgebieden op zullen treden.
Gelet hierop is door ecologisch adviesbureau EcoTierra een quickscan Flora en fauna uitgevoerd (Q2017.010- Quickscan flora en fauna Dusinksweg te Agelo, 14 februari 2017). Daarnaast is ten aanzien van de effecten op beschermde natuurgebieden door Tuitert Natuuronderzoek een Voortoets uitgevoerd naar de effecten van het plan op Natura 2000-gebieden (AT/2017/11.02, d.d. 11 februari 2017).
Uit deze onderzoeken zijn de volgende resultaten naar voren gekomen:
Soortenbescherming
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er in de onderzochte situatie geen procedurele gevolgen zijn. Ten aanzien hiervan geldt dat:
Gebiedsbescherming
Op basis van de uitgevoerde Voortoets kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling niet leidt tot een significante verstoring van omliggende Natura 2000-gebieden. Soorten waarvoor deze Natura 2000-gebieden zijn aangewezen zijn niet gevoelig voor geluidverstoring of het plangebied ligt op een zodanig grote afstand dat verstoring op voorhand voorkomen kan worden.
Verslechtering van de kwaliteit van habitats (van soorten) van omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie kan niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat het enige Natura 2000-gebied waarop sprake is van een toename aan stikstofdepositie boven de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek is. De maximaal berekende toename aan stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied bedraagt 0,06 mol N/ha/jr op het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Omdat sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde van het habitattype, is ontwikkelingsruimte nodig om de reconstructie van de Dusinksweg te kunnen uitvoeren onder het PAS. Uit AERIUS Calculator blijkt dat er nog voldoende ontwikkelingsruimte voor dit Natura 2000-gebied aanwezig is. De benodigde ontwikkelingsruimte is door middel van een melding via AERIUS Calculator reeds aangevraagd. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. In de planvorming wordt onder andere door het behoudt van het merendeel van de aanwezige bomen rekening gehouden met het voorkomen van negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen en steenuil in de omgeving. Daarnaast wordt geadviseerd werkzaamheden zoals de kap van bomen en de werkzaamheden in het weiland buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
De Quickscan Flora en fauna is bijgevoegd als bijlage 8, de Voortoets Natura 2000 als bijlage 9.
De luchtkwaliteitseisen staan gegeven in de Wet luchtkwaliteit (Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2). Als kan worden aangetoond dat aan één of een combinatie van voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid. Deze voorwaarden zijn:
Besluiten en Regelingen welke gekoppeld zijn aan de Wet luchtkwaliteit zijn ondermeer de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Deze algemene maatregel van bestuur, verder te noemen het "Besluit nibm", geeft aan wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dat is het geval als de toename van fijn stof of stikstof niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie (maximaal 1,2 µg/m3 ). Concreet betekent dit dat de toevoeging van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte aan een enkele ontsluitingsweg) als niet relevant wordt bestempeld.
Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Aangezien vanwege de voorgenomen ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van het verkeer over de Dusinksweg, is er door Aveco de Bondt een onderzoek uitgevoerd naar de effecten op de luchtkwaliteit.
Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het berekenen en toetsen van de relevante luchtverontreinigende stoffen (NO2, PM10 en PM2,5) in de huidige en toekomstige situatie. De berekende waarden voor de verschillende stoffen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5. Hierbij zijn het maatgevend jaar 2017 en het toekomstig jaar 2028 beschouwd.
Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat het plan in 2017 niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde ‘een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide’ uit de ‘Wet luchtkwaliteit’. Ter volledigheid zijn de berekende concentraties en aantal overschrijdingsdagen voor het maatgevend jaar 2017 en toekomstig jaar 2028 vergeleken met de geldende grenswaarden. Gebleken is dat aan de grenswaarden en het toegestane aantal overschrijdingsdagen is voldaan.
De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. Het volledige onderzoek is als bijlage 10 bijgevoegd.
Sinds de wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening in november 2003 is het opnemen van een waterparagraaf in een ruimtelijke plan dwingend voorgeschreven. In deze waterparagraaf is het resultaat van de watertoets beschreven. De watertoets fungeert als procesinstrument met als doel het vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en daarmee het betrekken van het waterschap in de planvorming. In de waterparagraaf zijn de beschrijving van het waterhuishoudkundig systeem, het proces van de watertoets en het advies van het waterschap verwerkt.
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie Overijssel en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Hemelwater en afvalwater
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling heeft reeds bij de voorbereidingen van fase 1 afstemming plaatsgevonden met het waterschap (destijds nog waterschap Regge en Dinkel). Hierbij zijn de uitgangspunten die bij de uitwerking van de plannen aangehouden moeten worden vastgelegd. Deze uitgangspunten hebben betrekking op de wijze waarop omgegaan moet worden met het oppervlakte- en hemelwater.
Oppervlaktewater
De Dusinksweg kruist verschillende watergangen die in beheer zijn bij het waterschap. Ter plaatse zullen duikers aangelegd worden in overleg met het waterschap.
Hemelwater
Vanwege de voorgenomen ontwikkeling zal het verharde oppervlak toenemen. Om wateroverlast te voorkomen dient voldoende berging gerealiseerd te worden waarbij het uitgangspunt is dat het water via een bermpassage voorgezuiverd wordt. Het water wordt middels stuwtjes vastgehouden alvorens het afgevoerd wordt op de watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. De benodigde watervergunning is op 11 september 2017 verleend.
Eind 2016 heeft er ten aanzien van de destijds gehanteerde uitgangspunten nog overleg plaatsgevonden met het waterschap Vechtstromen. Hierbij is door het waterschap aangegeven dat de uitgangspunten niet noemenswaardig veranderd zijn. Ten behoeve van de watervergunning heeft er afstemming plaatsgevonden over de uitwerking van de plannen ten aanzien van de stuwen, duikers en dergelijke.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is in voldoende mate rekening gehouden met de waterhuishouding. Ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten heeft het Waterschap Vechtstromen goedkeuring verleend middels het verlenen van een watervergunning. Deze vergunning is als bijlage 11 bijgevoegd.
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Onderdelen bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hieronder opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. De mogelijkheid voor kleine wijzigingen aan het bouwvlak is opgenomen met een wijzigingsbevoegdheid.
In het derde hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel en algemene gebruiksregels.
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Deze zijn vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Digitaal bestemmingsplan
Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Op 1 januari 2010 zijn ook de digitale onderdelen van de Wro van kracht geworden. De consequentie hiervan is dat vanaf 1 januari 2010 alle ruimtelijke besluiten genoemd in de Wro digitaal gemaakt moeten worden en elektronisch beschikbaar gesteld moeten worden.
De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd, op dezelfde manier worden verbeeld en uitwisselbaar zijn. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten worden gemaakt. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden en voldoet hiermee aan alle vormvereisten, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die op 1 oktober 2010 in werking is getreden.
Ter plaatse van het bestaande agrarische perceel aan de Dusinksweg 6 is de bestemming "Agrarisch - 1" opgenomen. Enkel de situering van het bouwvlak en het bouwperceel is gewijzigd.
Aan een zone gelegen tussen de huidige en de toekomstige Dusinksweg is de bestemming "Bos - Natuur" toegekend. Deze zone zal als bosplantsoen worden ingericht.
Aan de bestaande en nieuwe Dusinksweg is de bestemming "Verkeer" toegekend. Bruggen, dammen of duikers, sloten, bermen en beplanting, parkeervoorzieningen en bijbehorende voorzieningen vallen ook onder deze bestemming.
Binnen het plangebied zijn verschillende leidingen gelegen (gas en water). Aan de leiding, inclusief beschermingszone, is de dubbelbestemming "Leiding - Gas" toegekend.
Door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’ worden de waardevolle landschapselementen beschermd. Dit heeft betrekking op een waardevolle laanbeplanting.
Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan.
Voor de realisatie van fase 2 van de Dusinksweg is een investering van € 2.500.000,-- beschikbaar gesteld. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling hiermee economisch uitvoerbaar is.
Inspraak en Vooroverleg
Gelet op de vele belangen die gepaard gaan bij de herprofilering van de Dusinksweg, heeft de gemeente ervoor gekozen de bewoners en grondeigenaren in de omgeving van het plangebied aanvullend op de wettelijke procedure over de voorgenomen plannen te informeren en te betrekken. Vanaf juli 2015 zijn de aanwonenden en aanliggende grondeigenaren middels zogenaamde keukentafelgesprekken over de voorgenomen ontwikkeling geïnformeerd.
Sinds het besluit van de gemeenteraad van 3 november 2015 om met de realisatie van fase 2 van de Dusinksweg te starten, zijn de verschillende belanghebbenden middels verschillende nieuwsbrieven over de stand van zaken van de ontwikkeling geïnformeerd. Tevens is er op 8 maart 2017 een inloopbijeenkomst georganiseerd waarbij een ieder kennis kon nemen van het landschapsplan en voorlopig wegontwerp.
Aangezien de huidige en toekomstige Dusinksweg bestaande leidingen van de NAM en de Gasunie kruist heeft er in het voortraject afstemming met beide partijen plaatsgevonden. Hierbij zijn afspraken over de onderzoeksopzet om het risico op ongewenste zettingen te onderzoeken.
Daarnaast zijn tevens het stadsberaad van Ootmarsum, de buurtschapsraad van Agelo, de ondernemers (BCO) en Stichting Natuur en Milieu (SNMO) geïnformeerd.
In het kader van de herprofilering van de Dusinksweg fase 2 heeft afstemming met het Waterschap plaatsgevonden. Hierbij zijn de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de herprofilering vastgelegd.
Op 22 maart 2017 heeft ambtelijk vooroverleg met de provincie Overijssels als bedoeld in Bro plaatsgevonden. Hierbij is gebleken dat het plan niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 27 oktober tot en met 7 december 2017 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld met een zienswijze te reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.