direct naar inhoud van Artikel 38 Wonen - Landhuis
Plan: Buitengebied 2010
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPBUITENGEBIED-0402

Artikel 38 Wonen - Landhuis

 

38. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen - Landhuis’ aangewezen gron­den zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsma­tige activiteit, bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in bijlage 3, of mantelzorg;

 

met de daarbijbehorende:

b.    tuinen, erven en terreinen;

c.    bouwwerken geen gebouwen zijnde.

38. 2.    Bouwregels

38. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, aan- en uitbou­wen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.    als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden ge­bouwd, waarbij deze bouwregels eveneens van toepassing zijn voor functies die na ontheffing van de gebruiksregels aan de agrarische bedrijven zijn toegevoegd;

b.    per bestemmingsvlak zal ten hoogste één woonhuis worden ge­bouwd;

c.    de inhoud van een hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, zal ten hoogste 2000 m³ be­dragen;

d.    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, het hoofdgebouw op meer dan 50 m van de weg is gesitueerd, dan wel de gebouwen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw zijn gebouwd, in welk geval de bestaande afstand dan wel de bestaande situering ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw geldt;

e.    vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zullen ten hoogste op een afstand van 25,00 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd;

f.     de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de aan­gebouwde bijgebouwen en de aangebouwde overkappin­gen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 75% van de op­per­vlakte van het hoofdgebouw bedragen;

g.    de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 9,00 m bedragen;

h.    de goothoogte van een hoofdgebouw, een aan-, uit- of bijge­bouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen;

i.      de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

j.      de dakhelling van een hoofdgebouw, een aan-, uit- of bijge­bouw of overkapping zal ten minste 30° bedragen;

k.    de dakhelling van een hoofdgebouw, een aan-, uit- of bijge­bouw of overkapping zal ten hoogste 60° bedragen.

38. 2. 2. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebou­wen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdge­bouw ten hoogste 2,00 m zal bedragen;

b.    de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

38. 3.    Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 38.2.1. onder f en toestaan dat de ge­zamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en over­kappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot, mits:

1.    deze ontheffing uitsluitend wordt toegepast in relatie tot het verwijderen van een bestaande veldschuur uit het agra­risch gebied, waarbij de veldschuur wordt verplaatst bin­nen de grenzen van het bestemmingsvlak;

2.    voor de bestaande veldschuur de wijzigingsbevoegdheid van 3.7. onder j of 4.7. onder g is toegepast;

3.    de oppervlakte van het bijgebouw ten hoogste 50 m² zal be­dragen, tenzij de bestaande, te verplaatsen veldschuur groter is dan 50 m², in welk geval het bijgebouw 50 m² zal bedragen vermeerderd met een kwart van het aantal m²’s dat de te verplaatsen veldschuur groter is dan 50 m²;

4.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuur­lijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

 

b.    het bepaalde in lid 38.2.1. onder j en toestaan dat aan- en uit­bouwen tot ten hoogste 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw worden voorzien van een plat dak, mits:

-       geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsitu­atie en het straat- en bebouwingsbeeld.

38. 4.    Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:


a.    het gebruik van gedeelten van het hoofdgebouw, aan- en uit­bouwen en bijgebouwen bij het hoofdgebouw voor de uitoefe­ning van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien:

1.    het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van het woonhuis, waarbij één andere ar­beidskracht ter plekke werkzaam mag zijn;

2.    de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in een hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen, meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw;

3.    de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² be­draagt;

4.    parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;

5.    detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden de­tailhandel;

b.    het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning;

c.    het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;

d.    het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan de in bijlage 3 genoemde verblijfsrecreatieve doeleinden;

e.    het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel;

f.     het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten;

g.    het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijdbak met de daarbijbehorende bouwwerken.

 

38. 5.    Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 38.4. onder c en toestaan dat een woonhuis wordt gebruikt door meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning, mits:

1.    deze ontheffing uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de huisvesting van een tweede of een derde (huishouden van een) persoon;

2.    de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en er geen sprake is van splitsing in meerdere woningen;

3.    er sprake blijft van één hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft;

4.    er sprake blijft van één aansluiting op de verschillende nutsvoorzieningen en er geen toename van het aantal inritten naar het perceel plaatsvindt;

5.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aan­grenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrij­ven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

6.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiks­­­mogelijkheden van de aangrenzende gronden;

 

b.    het bepaalde in lid 38.4. onder d en toestaan dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewo­ning in de vorm van bed and breakfast, mits:

1.    de logiesverstrekking plaatsvindt binnen het bestaande hoofdgebouw. Er wordt uitgegaan van een bestaande en­tree (deur);

2.    er maximaal twee kamers gerealiseerd worden voor maxi­maal 5 personen;

3.    er geen keukenblok in de wooneenheden wordt gemaakt;

4.    het parkeren op het eigen erf plaatsvindt;

5.    er geen extra inrit wordt aangelegd in verband met de vesti­ging;

6.    de vestiging alleen is toegestaan aan een verkeersontslui­ting van vol­doende omvang;

7.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aan­grenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrij­ven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

8.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeers­veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

 

c.    het bepaalde in lid 38.4. onder g en toestaan dat gronden, voorzover gele­gen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijdbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik, met de daarbijbehorende bouwwerken, mits:

1.    de paardrijdbak zoveel mogelijk uit het zicht van de open­bare weg wordt gesitueerd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;

2.    er vanwege de paardrijdbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabij­gelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens);

3.    er geen onevenredige verstoring van het bodemarchief wordt veroorzaakt;

4.    de hoogte van lichtmasten ten behoeve van verlichting bij een paardrijdbak en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, respectievelijk ten hoogste 5,00 m en 3,00 m be­dragen.