direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Buitengebied Holten, Beusebergerweg 43
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Beusebergerweg 43/43a in Holten bevindt zich het erf van de initiatiefnemer. Dit erf is ontstaan in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Het erf is gelegen in een dekzandgebied dat doorsneden wordt door beekdalen. Het erf ligt in een matenlandschap met ten oosten het essen- en kampenlandschap en ten westen de overgang naar de heideontginning.

Oorspronkelijk bestond het erf uit een woonhuis met meerdere opstallen ten behoeve van de agrarische activiteiten. Het oorspronkelijke woonhuis is behouden gebleven; later zijn er meerdere opstallen bijgebouwd die in gebruik zijn genomen voor het agrarische bedrijf. De initiatiefnemer hield op deze locatie varkens en kippen.

Tegenwoordig heeft het erf de functie 'Wonen' en zijn de voormalige agrarische opstallen in onbruik geraakt. De initiatiefnemer wenst de huidige woning met inwoning te splitsen waardoor er twee wooneenheden ontstaan. Drie voormalige agrarische schuren worden daarnaast gesloopt.

De sloopmeters worden ingezet via de gemeentelijke rood voor rood-regeling. Tenslotte worden er twee nieuwe bijgebouwen gerealiseerd bij de woningen. De andere kant van de woning wordt verhuurd aan derden. Na splitsing kan het deel bewoond worden door familieleden en/of verkocht worden aan derden. Het voorliggend plan voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor deze ontwikkeling.

1.2 Ligging plangebied

De planlocatie is gelegen aan de Beusebergerweg 43 te Holten is gelegen in het buitengebied ten zuiden van de bebouwde kom van Holten. De locatie staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Holten, sectie I met perceelnummer 1199 en 764. Een overzichtskaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar.

De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het huidig agrarisch bedrijfsperceel, de gewenste ontwikkeling van het erf en de landschappelijke investeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0001.png"

Afbeelding 1.1: Luchtfoto met betreffende perceel (in rood) ten opzichte van Holten (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Geldend planologisch kader

Het ‘Chw Veegplan’ is het vigerende beleid. Op basis van dit beleid heeft de planlocatie de volgende aanduidingen (zie Afbeelding 1.2):

  • 'Agrarisch landschap - gemengde functies'
  • 'Woning met inwoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing'
  • 'Landschap Holterbroek, Fliermaten en Lokerbroek (deelgebied 3 in het Landschapsontwikkelingsplan)'.

De agrarische functie zal na het doorlopen van het rood voor rood proces worden aangepast naar de functie ‘Wonen - twee aaneen’.

Daarnaast kent de locatie een aantal zoneringen, namelijk: 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken of werkzaamheden', 'Parkeernormen', 'Zonering aanwijzing gebied buiten bebouwde kom Wet natuurbescherming', 'Zonering geurgehinderden - buitengebied', 'Zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks'. Voor deze zoneringen gelden specifieke regels die in acht worden genomen bij de realisatie van de plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0002.png"

Afbeelding 1.2: uitsnede geldende verbeelding, huidig erf aangeduid (bron: Omgevingsplan Rijssen-Holten)

Er is sprake van een aanduiding 'Woning met inwoning', om hiervan twee zelfstandige wooneenheden te maken dient de functie ter plaatse te wijzigen. In de nieuwe situatie is de wens om de locatie om te zetten ten behoeve van reguliere woningen met daarbij in totaal 2 woningen aaneen met bijbehorende bouwwerken. In deze ontwikkeling blijft het huidige gebouw met twee wooneenheden bestaan, enkel de opstallen worden gesloopt en vervangen door twee bijgebouwen voor de woningen.

Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past het bouwplan niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het plan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Buitengebied Holten, Beusebergerweg 43" bestaat uit de volgende stukken:

  • motivering;
  • bijlagen bij de toelichting;
  • verbeelding (tek.no. NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401)
  • regels;
  • bijlagen bij de regels.


De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een motivering. De motivering heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, en verantwoording van het omgevingsplan.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse functies. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiele uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de voorbereiding van de procedure en participatie beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Aan de Beusebergerweg 43 in Holten is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het gaat om een woonerf in het buitengebied, ten zuiden van de kern Holten.

Op het erf is een woning met inwoning aanwezig. De initiatiefnemers wensen deze woning van twee aparte woonrechten te voorzien, zodat het bewoond kan worden door familieleden en/of verkocht kan worden aan derden. Dit gebeurt door middel van de rood voor rood-regeling. Hiervoor worden de bestaande opstallen gesloopt die voorheen agrarisch in gebruik waren. Daarvoor in de plaats komen twee bijgebouwen behorend bij de twee woningen.

De locatie bevindt zich in het buitengebied van Holten in het, van oorsprong maten- en flierenlandschap, dat nu meer de karakteristiek heeft van een grootschalig ontginningslandschap. Het erf is ontstaan aan het eind van de jaren '30 van de vorige eeuw en heeft een rechtlijnige opzet met beplanting langs de wegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0003.png"

Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie met plangebied in rood (bron: PDOK.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0004.png"

Afbeelding 2.2.: straataanzicht met planlocatie vanaf de zuidoostzijde (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

In de nieuwe situatie wordt de landschap ontsierende bebouwing (B) gesloopt. Door gebruik te maken van de rood voor rood regeling wordt de huidige woning met inwoning gesplitst in twee woningen aaneen. Voor beide woningen worden daarnaast twee bijgebouwen (C) gerealiseerd. Op het achtererf wordt een solitaire boom (F) aangeplant. Verder worden er haagfragmenten toegevoegd om de grens tussen tuin en weiland duidelijk af te bakenen. De karakteristieke voorkant van het erf wordt benadrukt door de aanleg van een fruitgaard (D), die wordt omzoomd met hagen (E). De toegangsweg naar het erf zal daarbij midden door de boomgaard lopen.

Tenslotte wordt het landschap versterkt door herstel van twee groenstructuren: de aanplant van een elzensingel (H) en een houtsingel (J) langs de weg. Hiermee wordt de groene kamer verder ontwikkeld en versterkt.

Bovendien is in de nieuwe situatie het bebouwingspercentage van het erf fors verminderd, wat op zichzelf al een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit oplevert.

Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit zijn de volgende maatregelen genomen:

  • Sloop landschapsontsierende opstallen (B);
  • Nieuw aan te planten fruitboomgaard (D);
  • Nieuw aan te planten hagen (E);
  • Behoud omliggende houtopstanden (I);
  • Nieuw aan te planten elzensingel (H);
  • Nieuw aan te planten solitaire boom (J)

In de nieuwe situatie is er sprake van een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan voldoet aan het gestelde beleid

Een weergave van de beoogde situatie is zichtbaar in afbeelding 2.3 en opgenomen in Bijlage 2 bij de planregels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0005.png"

Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Beusebergerweg 43 te Holten (bron: N+L Landschapsontwerpers)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.

De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.

Beoordeling van het plan:

Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een VAB-locatie, omdat een voormalig agrarische erf wordt behouden als regulier woonerf met behoud van de (voormalig agrarische) karakteristieken en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Geconstateerd is dat een woonfunctie met twee woningen op deze locatie een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorziene ontwikkeling.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd:

Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Beoordeling van de plannen:

Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Artikel 5.129g uit het Bkl geeft weliswaar aan dat er sprake dient te zijn van een ontwikkeling die voldoende substantieel is, maar geeft hierbij geen grens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beoordeeld als zijnde een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' die ladderplichtig is. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven:

  • 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921)
  • 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Belangrijk uitgangspunt van de Ladder is het aspect zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In de Nota van toelichting wordt onder het begrip stedelijke ontwikkeling expliciet vermeld dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen zoals de Ruimte voor ruimteregelingen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.

In voorliggend geval wordt een woning met inwoning omgezet naar twee aparte woningen door middel van de rood voor rood regeling. Daarmee wordt er geen nieuwe woning toegevoegd.

Volgens de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is er pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gebouwd. De ontwikkeling van het planologisch splitsen van de woningen valt niet onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen)
  • 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag)

Doorwerking plan:

In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:

  • artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
  • artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
  • artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls groene omgeving)

Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.


Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Omgevingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaak datt:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwdgebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Lid 2

Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Beoordeling van het plan:

De locatie ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van een herontwikkeling, waarbij bestaande landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en er hiervoor in de plaats de woning met inwoning wordt omgezet naar twee aparte woningen met bijbehorende bouwwerken door middel van de rood voor rood regeling. Hiermee is er sprake van een totale afname van bebouwing. Er is geen sprake van nieuwe bebouwing in de groene omgeving.

De ontwikkeling wordt zorgvuldig ruimtelijk en landschappelijk ingepast. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.


Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting bij plannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).

Beoordeling van het plan:

Voor het plangebied is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Het plan is toegevoegd aan Bijlage 1 en geeft een landschappelijke onderbouwing van het inrichtingsplan. Deze geldende gebiedskenmerken worden later in deze paragraaf ook afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.9.

Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

In dit artikel wordt een generieke mogelijkheid geboden om onder voorwaarden nieuwe ontwikkelingen
toe te staan in de Groene Omgeving. Deze regeling wordt 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' genoemd, omdat van deze nieuwe ontwikkelingen wordt verwacht dat ze een extra impuls opleveren voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Beoordeling van het plan:

Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied). Deze meerwaarde vertaalt zich in:

  • Sloop van 375 m2 aan landschapsontsierende bebouwing;
  • Het landschappelijk inpassen van de nieuwe erfsituatie;
  • Aanplant van nieuwe houtopstanden, fruitgaard en solitaire erfboom met inheemse soorten.

In het onderhavig geval betreft het de sanering van de in onbruik geraakte voormalige bedrijfsgebouwen en de inwoning bij een woning een eigen woonrecht geven. Dit is in Bijlage 1 nader uitgewerkt. Met inachtneming van dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan artikel 4.11.



Ontwikkelingsperspectieven (waar)

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0006.png"

Afbeelding 3.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied in rood aangekruist (bron: overijssel.tercera-ro.nl)

De planlocatie is aangemerkt als “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap". Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.

Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).

De kwaliteitsambities zijn, net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven: 'een zichtbaar en leefbaar mooi landschap', 'sterke ruimtelijke identiteit als merken voor Overijssel' en een 'continu en beleefbaar watersysteem'.

De voorgenoemde ontwikkeling binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Met de landschappelijke inpassing blijft het agrarische karakter behouden, maar verbetert de ruimtelijke kwaliteit aangezien er nieuwe groenstructuren worden aangeplant en landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt.

De ontwikkeling aan de Beusebergerweg 43 is een passende activiteit in het ontwikkelingsperspectief en past goed bij de gestelde ambities.

Gebiedskenmerken (hoe)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.

De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:

  • 1. Natuurlijke laag.
  • 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap.
  • 3. Stedelijke laag.
  • 4. Laag van de beleving.


Natuurlijke laag

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0007.png"

Afbeelding 3.2: uitsnede kaart natuurlijke laag, planlocatie in rood aangekruist (bron: provincie Overijssel)

De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie ligt in een dekzandgebied. Onder koude omstandigheden in de laatste ijstijd heeft de wind ervoor gezorgd dat geërodeerd zand op de hogere delen in het landschap werd afgezet, zoals op de stuwwallen en tegen de flanken van de stuwwallen. Ten oosten van de planlocatie is een stuwwal gelegen die het dekzand tegenhield dat door de overheersende zuidwestenwind werd aangevoerd. Het plangebied is gelegen in een grootschalig dekzandgebied dat wordt doorsneden door lager gelegen beekdalen met waterlopen waardoor het water uit de hoger gelegen delen wordt afgevoerd.

Met de voorgenomen plannen wordt er geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke kenmerken van het landschap, gezien er geen veranderingen worden aangebracht aan het reliëf of andere versterkende elementen van dit landschap.

Laag van cultuurlandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0008.png"

Afbeelding 3.3: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, planlocatie in rood aangekruist (bron: provincie Overijssel)

Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden is op deze locatie een agrarisch cultuurlandschap ontstaan. In het verleden lag de focus hierbij volledig op functionaliteit, zonder veel aandacht voor esthetiek. Tegenwoordig worden deze historische ingrepen juist gewaardeerd vanwege hun unieke bijdrage aan de landschappelijke identiteit. Hoewel het plangebied in de Omgevingsvisie van Overijssel wordt aangeduid als onderdeel van het maten- en flierenlandschap, vertoont het landschap nu vooral kenmerken van een ontginningslandschap. Het maten-en flierenlandschap werd gekenmerkt door een kleinschalige beplantings- en verkavelingsstructuur, vaak haaks op de loop van beken of watergangen. Daarentegen staat het ontginningslandschap bekend om zijn rechtlijnige en functionele inrichting. De planmatige ontginningen resulteerden in grote, open ruimtes. In dit geval is de open ruimte ontstaan door ruilverkavelingen. De erven liggen desondanks net als in de ontginningen in blokken langs rechtlijnige wegen, waarbij beplanting zoals lanen en bosjes een belangrijke rol speelt in het landschap.

Deze karakteristieke elementen, waaronder houtsingels, zijn nog altijd zichtbaar in het plangebied aan de Beusebergerweg 43. Ze benadrukken de historische identiteit van het landschap en dragen bij aan de landschappelijke samenhang.

De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De kenmerken van het landschap, beplanting in lanen en bosjes, de open ruimte en rechtlijnige structuren zijn namelijk terug te vinden in de voorgenomen plannen.

Laag van de beleving

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0009.png"

Afbeelding 3.4: uitsnede kaart laag van de beleving, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)

De laag van de beleving op de planlocatie wordt aangeduid als 'donkerte'. Dit zijn gebieden waar het 's nachts nog echt donker is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage bevolkingsdruk. In dergelijke gebieden moeten we terughoudend zijn met het toevoegen van verlichting, langs bijvoorbeeld wegen, bedrijventerreinen e.d.. De voorgenomen ontwikkeling past in deze ambitie, omdat er geen sprake is van aanvullende verlichte objecten.

De locatie is niet voorzien van een kenmerk in de stedelijke laag, daarom wordt deze laag niet verder voorzien van een toelichting.


Conclusie

Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Rijssen-Holten

Met de omgevingsvisie Rijssen-Holten geeft de gemeente een toekomstbeeld waarmee ze laten zien hoe de gemeente er over tien jaar uit kan zien en waar haar doelen en ambities liggen. Dit toekomstbeeld gaat over de fysieke leefomgeving: alles wat we buiten zien en nodig hebben om te kunnen leven, wonen, werken en ontspannen. Zowel binnen de kernen als in het buitengebied.

Met de omgevingsvisie geeft de gemeente richting, sturing en duidelijkheid over de wijze waarop ze Rijssen-Holten willen ontwikkelen, zowel voor haar inwoners als voor haar partners waarmee ze samen optrekken en investeren in een toekomstbestendig Rijssen-Holten. De gemeente zoekt hierbij een balans tussen het beschermen en benutten van haar leefomgeving en geven richting over de wijze waarop ze ontwikkelingen kunnen en willen bevorderen en faciliteren. De gemeente Rijssen-Holten maakt ruimte voor dat wat ze belangrijk vinden en zetten in op behoud van dat wat de gemeente koestert. Zo werken ze samen aan een toekomstbestendig Rijssen-Holten voor de generaties van nu en in de toekomst.

Beschermen, bevorderen en faciliteren zijn drie perspectieven op een gezonde leefomgeving van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het model van het PBL laat zien dat de drie verschillende perspectieven elkaar raken en overlappen, zo hebben het fysieke en sociale domein elkaar nodig om doelen te bereiken. De gemeente Rijssen-Holten heeft benutten als vierde perspectief toegevoegd, omdat ze dit perspectief vonden ontbreken. Elk perspectief zegt iets over de rol die de gemeente inneemt. Hieronder worden de perspectieven toegelicht:

  • 1. Het beschermen gaat over het zorgen dat de schade aan de leefomgeving zo laag mogelijk is. Dit betreft bijvoorbeeld normeringen of milieuzoneringen die bepalend zijn in de planontwikkeling. Wanneer wij als gemeente ruimtelijk gezien iets willen of moeten beschermen, nemen wij daarvoor regels op in het omgevingsplan. Op basis van deze regels kunnen we als gemeente handhaven als dat nodig is.
  • 2. Het benutten gaat over het gebruiken van de kwaliteiten en kansen die de leefomgeving biedt. Het is daarbij belangrijk dat de activiteiten die plaatsvinden geen significante negatieve effecten hebben op de leefomgeving. Als gemeente stellen we in het omgevingsplan welke activiteiten zijn toegestaan of onder voorwaarden kunnen worden toegestaan.
  • 3. Het bevorderen gaat over het actief stimuleren van verbetering van de leefomgeving. Bijvoorbeeld ervoor zorgen dat gezond gedrag een makkelijke keuze is in de leefomgeving. Hierbij werken we als gemeente actief samen met inwoners en gebruikers.
  • 4. Het faciliteren gaat over het nemen van eigen initiatief en verantwoordelijkheid van inwoners: de zelf- en samenredzaamheid. De gemeente heeft hierbij slechts een ondersteunende rol en kan randvoorwaarden stellen.

De leidende principes in gemeente Rijssen-Holten zijn:

  • 1. Water en bodem is de basis: Het eerste principe is dat water en bodem de basis vormen van waaruit we werken. Door klimaatverandering staat het water- en bodemsysteem onder druk. We merken dit in de vorm van extreme wateroverlast of juist extreme droogte, ook in onze gemeente. Vanwege de klimaatopgave stelt het Rijk en daarmee ook de Provincie Overijssel het water- en bodemsysteem voorop bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat we bij ruimtelijke ontwikkelingen goed moeten afwegen of de ontwikkeling past bij het aanwezige water- en bodemsysteem en wat de effecten van de ontwikkeling zijn op het water- en bodemsysteem. De plek wordt niet meer aangepast aan (nieuwe) functies, maar de functies moeten passend zijn op de plek. Het ruimtelijke ontwerp van een ontwikkeling moet dus rekening houden met het aanwezige bodem- en watersysteem. Dit betekent voor ons als gemeente niet dat we alle mogelijke technische oplossingen achterwege laten. Dit houdt in dat we wel voor een technische oplossing kiezen wanneer er een zwaarwegend maatschappelijk belang aan de ontwikkeling vast zit.
  • 2. Duurzaam omgaan met onze ruimte: Het tweede principe is duurzaam omgaan met onze ruimte. De lokale economie en onze lokale ambities vragen om groei, maar we zijn ons ervan bewust dat de ruimte voor groei beperkt is. Als gemeente willen we bij ruimtelijke ontwikkelingen slim omgaan met de ruimte die er is. Dit betekent dat meervoudig ruimtegebruik, of een combinatie van functies wenselijker is dan enkelvoudig ruimtegebruik. Daarnaast leidt dit principe tot keuzes of bepaalde functies wel of niet wenselijk zijn in bepaalde gebieden. Waar we als gemeente met dit principe ook aandacht op willen vestigen bij ruimtelijke ontwikkelingen is klimaat- en natuurinclusief bouwen. In beginsel gaat inbreiding en vernieuwing voor uitbreiding van de stedelijke bebouwing, mits de ontwikkeling bijdraagt aan een duurzaam aantrekkelijk (en groene) leefomgeving. Dit ondersteunt het eerste principe door met technische en innovatieve oplossingen bij te dragen aan biodiversiteit, het tegengaan van hittestress en wateroverlast met als doel een kwalitatief goede leefomgeving.
  • 3. Inzetten op leefbare kernen en hierop voortbouwen: Het derde principe gaat uit van het inzetten op leefbare kernen. Onze kernen Dijkerhoek, Holten en Rijssen hebben elk hun eigen identiteit en structuur. We zien als gemeente graag dat ontwikkelingen deze identiteit en structuur versterken en verbeteren. Dat gaat onder andere over geschikte en duurzame woningen, (sociale) voorzieningen, onderwijs, werkgelegenheid, bedrijven, detailhandel, horeca, bereikbaarheid en infrastructuur. Het is hierin belangrijk om onze kernen in samenhang met elkaar te bekijken en elkaar te laten versterken met hun eigen identiteit. Zoals eerder benoemd staan we ruimtelijk gezien voor een grote opgave als het gaat om het meewerken aan oplossingen voor alle (maatschappelijke) opgaven. De drie leidende principes hierboven, met in achtneming van de rode draden, zijn de basis voor de te maken ruimtelijke keuzes.

Ambitie en strategie voor het thema wonen

1. Beschermen

De gemeente Rijssen-Holten beschermt haar woningvoorraad door:

  • eisen te stellen aan een goed woon- en leefklimaat;
  • woningen te bouwen voor eigen behoefte;
  • bij het bouwen van nieuwe woningen rekening te houden met de verschillende doelgroepen (sociale huur, sociale koop, reguliere koop).

2. Benutten

De gemeente Rijssen-Holten benut kansen om haar woningvoorraad te verbeteren door:

  • de initiatieven voor het toevoegen van woningen door middel van inbreidingen mogelijk te maken waar dat kan.

3. Bevorderen

De gemeente Rijssen-Holten bevordert haar woningvoorraad door:

  • tot 2030 1800 woningen bij te bouwen op verschillende locaties in de gemeente;
  • de duurzaamheid van de bestaande woningen te vergroten;
  • differentiatie in woningen te stimuleren;
  • specifiek te bouwen voor doelgroepen;
  • het bouwen van flexwoningen, zodat er op korte termijn woningen beschikbaar komen.

4. Faciliteren

De gemeente Rijssen-Holten faciliteert in de zoektocht naar een goede woningvoorraad door:

  • samen te werken met organisaties en partijen die bijdragen aan diversiteit in de woningvoorraad, zoals woningcoöperaties;
  • inwoners te informeren over het verduurzamen van hun woning.

Beoordeling van de plannen:

De gewenste ontwikkeling betekent een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit. De landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt, en de woning met inwoning wordt omgezet in twee aparte woningen. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing (Bijlage 1) is vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Dit past binnen het gestelde streefbeeld voor dit aspect.

Daarnaast is er zorvuldig omgegaan met de ruimte, aangezien er geen sprake is van uitbreiding van bouwoppervlak en bebouwing, juist een afname. Hiermee past de ontwikkeling binnen de principes van de visie.

In voorliggend geval is aantoonbaar dat voorzien wordt in een specifieke woonbehoefte passend binnen gemeente Rijssen-Holten. In het kader van rood voor rood kan een extra woonrecht worden toegevoegd op de planlocatie, waarbij ontwikkelruimte in evenwicht is met investeringen (in de vorm van sloop). Er wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als geformuleerd in 'Rijssen-Holten 2010-2020 en doorkijk naar 2030''.

3.3.2 Beleid Ruimtelijke Ontwikkelingen in het Buitengebied

In de Kadernota Landelijk gebied, die de gemeenteraad op 15 december 2011 heeft vastgesteld, worden ruimtelijke kaders beschreven die worden gebruikt als toetsings- en afwegingskader voor ontwikkelingen in het buitengebied. De Kadernota doet echter geen concrete uitspraken over het toepassen van het rood- voor-rood beleid en het VAB-beleid. Daarom heeft de gemeenteraad op 4 juni 2015 als aanvulling op de Kadernota Landelijk gebied het beleid 'ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied' vastgesteld. De gemeenteraad heeft aangegeven deze aanvulling te willen evalueren en daarna te herzien. Aanleiding hiervoor is een aantal rood-voor-rood principeverzoeken die passend waren in het huidige beleid, maar door de commissie grondgebied niet positief ontvangen zijn. Daarnaast is er sprake van gewenste ontwikkelingen die niet passen in het huidige beleid. De gemeenteraad wil het huidige beleid aanvullen voor die situatie waarbij een compensatiewoning niet op de slooplocatie kan worden gerealiseerd. Hiervoor worden gebieden aangewezen waar compensatiewoningen kunnen worden gerealiseerd. Verder wordt er een alternatieve planologische route geboden om een inwoonsituatie om te zetten naar een reguliere woning. In de volgende hoofdstukken wordt een actueel beleidskader gegeven voor VAB-locaties en rood-voor-rood. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op de Kadernota Landelijk gebied of de opvolger daarvan.

Bij een (grootschalige) uitbreiding of nieuwvestiging (al dan niet op een bestaand erf) in het buitengebied is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Het voorliggende beleid zal ook een richtlijn geven voor een rekenmethode waarbij de investering in de ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in het buitengebied inzichtelijk wordt gemaakt.

Rood voor Rood

Er is in december 2024 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het beleid 'Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied 2024'. De regelingen zijn gebaseerd op eerdere regelingen.

Uitgangspunt voor deelname aan de rood-voor-rood regeling blijft de sloop van landschapontsierende bebouwing binnen de gemeente Rijssen-Holten. Dit kunnen buiten gebruik gestelde (agrarische) bedrijfsgebouwen, torensilo's, dan wel andere solitaire (bedrijfs-)bebouwing in het buitengebied zijn. De minimale sloopverplichting is afhankelijk van de gewenste ontwikkeling.

De kaders en voorwaarden die van toepassing zijn op een rood-voor-rood project worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

Algemene voorwaarden

Naast het slopen van landschapontsierende bebouwing worden er aan de nieuw te realiseren functies voorwaarden gesteld aan landschappelijke inpassing en uiterlijke verschijningsvormen. Voor een groot gedeelte gelden deze voorwaarden voor alle nieuwe functies, een aantal voorwaarden is echter specifiek en zullen verderop in deze paragraaf aan bod komen.

Algemene voorwaarden die gelden voor alle nieuwe functies zijn:

  • Compensatie vindt in beginsel plaats op de locatie waar de meeste vierkante meters gesloopt worden;
  • Nieuwe functies worden gerealiseerd met behoud en versterking van het karakter van het oorspronkelijke erf en de erfopzet;
  • De slooplocatie(s) en de nieuwe functie moeten landschappelijk ingepast worden, in overeenstemming met het type landschap zoals opgenomen in het Landschapsontwikkelingsplan en de gebiedskenmerken zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel;
  • De nieuwe functie moet duurzaam gerealiseerd worden en passen binnen het natuurlijk bodem- en watersysteem;
  • De rekenmethode KGO, zoals beschreven in hoofdstuk 6 is van toepassing;
  • Het is mogelijk om meerdere nieuwe functies met elkaar te combineren, hiervoor geldt echter wel een cumulatie in het slopen van landschapontsierende bebouwing.

Inwoonsituaties

In het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten zijn sinds jaar en dag inwoonsituaties aanwezig. Sommige van deze inwoonsituaties zijn kadastraal afgesplitst en sindsdien veelal als separate woning in gebruik, maar hebben niet de planologische rechten van een reguliere woning. Er zijn verschillende routes om een dergelijke bestaande inwoonsituatie planologisch om te zetten naar een reguliere woning. Hieronder worden de verschillende routes beschreven:

  • 1. omgevingsplanactiviteit voor het omzetten van inwoning naar regulier wonen middels een omgevingsvergunning;
  • 2. rood-voor-rood regeling via:
    • a. het inzetten van sloopmeters, of;
    • b. het afstorten van het compensatiebedrag in het landschapsfonds.

Route 2

Door gebruik te maken van de rood-voor-rood regeling (planologische route 2) moeten er sloopmeters of een compensatiebedrag worden ingebracht voor het verkrijgen van een reguliere woning. In tegenstelling tot de eerste route worden hier wel de bouwmogelijkheden geboden die bij een reguliere woning van toepassing zijn. Ook bij het omzetten van inwoning naar regulier wonen middels rood-voor-rood is het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit een belangrijke voorwaarde, hiervoor gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

  • Er moet minimaal 300m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt worden;
  • wanneer een initiatiefnemer niet kan voldoen aan de sloopnorm van minimaal 300 m2, doordat er geen sloopmeters op het erf (of elders) aanwezig zijn, wordt de mogelijkheid geboden om het compensatiebedrag af te storten in het gemeentelijk landschapsfonds. Voorwaarde is dat voor maximaal 300 m2 gecompenseerd kan worden via het afstorten in het landschapsfonds door een eenmalige storting van €125,- per m2. Na de omzetting naar een reguliere woning mag er maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning aanwezig zijn.
  • Naast de algemene voorwaarden gelden er voor het omzetten van een inwoonsituatie naar een reguliere woning nog specifieke voorwaarden:
  • Er is sprake van een vergunde inwoonsituatie met als peildatum 27 augustus 2021 (inwerkingtreding Chw Omgevingsplan buitengebied Rijssen-Holten).
  • Bedrijfswoningen zijn uitgesloten.
  • De bestaande compactheid van het erf moet behouden blijven (één-erf-gedachte), dus in beginsel is er sprake van één hoofdgebouw (bestaande uit twee woningen), één erf.
  • De landschappelijke inpassing moet bijdragen aan deze één-erf-gedachte. Erfverharding moet doorlopen, privacy kan worden gewaarborgd door gebruik van subtiele en passende materialen of groen.
  • Het bestaande voor- en achtererf moet worden behouden en eventueel versterkt.
  • Bij nieuwbouw mag er geen tweede hoofdgebouw worden gerealiseerd. Uitgangspunt blijft een twee-aan-één woning die passend is in het buitengebied.
  • Per woning mag één vrijstaand bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden van 150m2, dus in totaal twee vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor de gehele kavel.

Beoordeling van de plannen:

Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om middels de beleidsnotitie 'Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied 2024' een woonrecht toe te voegen op de vergunde inwoning. Op basis van de Rood voor Rood-regeling kan in ruil voor het slopen van minimaal 300 m2 aan landschapsontsierende agrarische bebouwing het woonrecht voor inwoning worden verkregen.

Algemene voorwaarden

Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden. Ten eerste vind de compensatie plaats op de locatie waar ook gesloopt wordt. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast op basis van het karakter van het erf en landschap. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de lokale bodem- en waterhuishouding en past hiermee binnen de voorwaarde conform duurzame realisatie.

Om te voldoen aan de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd, wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Het volledige ruimtelijke kwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 1.

De uitvoering en instandhouding van de maatregelen genoemd in dit plan worden tevens geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, evenals de sloopopgave. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota 'Ruimtelijke Ontwikkelingen in het Buitengebied'.

Nieuwe woningen

De maatvoering van de compensatiewoning en bijgebouwen is gebaseerd op de huidige regels uit het Chw Veegplan buitengebied Rijssen-Holten.

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het 'Beleid Ruimtelijke Ontwikkelingen in het Buitengebied'.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Besluit milieueffectrapportage

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure.

Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat eerder nog moest worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie de artt. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen.

Beoordeling van de plannen:

De voorgenomen activiteit voor het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het in plaats hiervan realiseren van een apart woonrecht en bijgebouwen. Deze ontwikkeling staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

4.2 Duurzaamheid

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Dez e wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

Beoordeling van de plannen:
De plannen van initiatiefnemer geven invulling aan duurzame ontwikkeling. Er vindt duurzaam ruimtegebruik plaats op een voormalig agrarisch erf door de leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing te slopen, waarbij de bestaande (te splitsen) woningen behouden blijven. Hiervoor in de plaats komen nieuwe bijgebouwen, behorend bij de woningen. Op het erf is voldoende ruimte om in de benodigde ruimtegebruik te voorzien.

Verder wordt een groene inpassing gerealiseerd conform de geldende gebiedskenmerken. Het plan geeft invulling aan een duurzaam gebruik van een bestaande erflocatie en zorgt voor toekomstbestendigheid. In onbruik geraakte bebouwing wordt verwijderd en behoudenswaardige bebouwing blijft geintegreerd in het compacte erfensemble. Het woongebruik voorziet in een duurzaam gebruik van de erflocatie, waarbij onderhoud en instandhouding voor de langere termijn worden gegarandeerd. Het plan geeft hiermee goede invulling aan het thema duurzaamheid.

4.3 Milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

De VNG werkt momenteel aan de handreiking Activiteiten en milieuzonering als opvolger van de bekende uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 ('het groene boekje') en de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl. Het streven van de VNG is om de nieuwe handreiking in het voorjaar 2024 te publiceren. Dit is om moment van schrijven nog niet gebeurd. In maart 2023 heeft de VNG daarom een kort advies gepubliceerd hoe in de tussenperiode om te gaan met actualisatie van planregelingen en nieuwe ontwikkelingen. Hierin wordt aangegeven dat de systematiek vanuit de bedrijven en milieuzonering 2009 voorlopig gehandhaafd kan blijven indien voldaan wordt aan de richtafstanden.

Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van voormalig agrarische bebouwing en de realisatie van woonfuncties. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afstand tot omliggende functies/activiteiten.

Beoordeling van de plannen:

Met de beoogde toevoeging van de woonfunctie binnen het plangebied worden in feite geen onoverkomelijke wijzigingen aangebracht als het gaat om milieuzonering. De omgeving kenmerkt zich als buitengebied met verspreide woonerven.

De activiteit binnen het plangebied voor wonen kent geen milieucategorie. In dit geval is er sprake van twee woningen, dit blijven twee woningen. Derhalve is er geen nieuw object waarvoor milieubelasting kan gelden. Daarom is er geen sprake van milieubelasting vanuit het plangebied of van omliggende activiteiten op het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

  • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Beoordeling van de plannen:

Met de ontwikkeling is er sprake van een nieuwe bodemgevoelige functie, er wordt namelijk planologisch gezien een woning toegevoegd. Daarnaast wordt er bebouwing gesloopt, de ondergrond dient hiervoor onderzocht te worden. Derhalve is er een bodemonderzoek uitgevoerd, de volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3. Onderstaand is de samenvatting en conclusie opgenomen.

Algemeen

In opdracht van de initiatiefnemer is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel met een oppervlakte van circa 2576 m2 aan de Beusebergerweg 43+43a in Holten. De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een te splitsen woning en met enkele te slopen schuren. In de schuren zijn betonvloeren aanwezig in de zuidelijke schuur zijn kelders aanwezig. Het terrein is deels verhard met klinkers en asfalt. Het overige deel van de onderzoekslocatie is onverhard en begroeid met gras of in gebruik als tuin.

De aanleiding van dit onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging, herontwikkeling en nieuwbouw. De 3 schuren op het westelijke deel van het perceel zullen worden gesloopt. Er zal een nieuwe functie aan de gehele onderzoekslocatie locatie worden toebedeeld en er zullen 2 nieuwe bijgebouwen worden gebouwd.

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 "Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek". Op basis van de resultaten uit dit vooronderzoek wordt de bovengrond als heterogeen verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. Dit is gebaseerd op het historische gebruik van de locatie als agrarisch erf. De ondergrond en het grondwater worden vooralsnog als onverdacht beschouwd. Er zijn 3 verdachte druppelzones op de locatie aanwezig. Deze worden als verdachte deellocaties beschouwd en separaat onderzocht.

Resultaten veldwerk

In totaal zijn er 14 inspectiegaten gegraven. Er zijn 4 inspectiegaten zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis. De bodemopbouw is globaal als volgt: in de bovengrond is voornamelijk matig fijn, zwak siltig zwak humeus zand aangetroffen en de ondergrond bestaat voornamelijk uit matig fijn, zwak siltig, zwak grindig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Er zijn bodemvreemde materialen aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 1.30 m-mv.

Resultaten analyses

Gehele onderzoekslocatie

Op basis van de resultaten van de analyses kan onderstaande worden geconcludeerd.

  • de bovengrond (BG 1) is niet verontreinigd;
  • de bovengrond (BG Il) is zeer licht verontreinigd met PAK;
  • de bovengrond (BG 111) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
  • het grondwater (PB 1) is niet verontreinigd;
  • mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend;
  • het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek;
  • mengmonster MM FF - 03 is niet asbesthoudend.

Deellocatie A: asbestverdachte druppelzone

  • het mengmonster van de fijne fractie MM FF - A is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm is maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels;
  • uit de aanvullende SEM-analyse blijkt dat de hoeveelheid respirabele vezels (0.2 mg/kg d.s.) lager is dan de risiconorm van maximaal 10 mg/kg d.s.

Deellocatie B: asbestverdachte druppelzone

  • het mengmonster van de fijne fractie MM FF - B is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm is maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels;
  • uit de aanvullende SEM-analyse blijkt dat de hoeveelheid respirabele vezels (1.2 mg/kg d.s.) lager is dan de risiconorm van maximaal 10 mg/kg d.s.

Deellocatie C: asbestverdachte druppelzone

  • het mengmonster van de fijne fractie MM FF - C (asbestverdachte druppelzone) is asbest­houdend. Het gewogen asbestgehalte is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Hypothese

De hypothese "verdachte locatie" uit norm NEN5740 dient met betrekking tot de bovengrond te worden aangenomen, aangezien er een overschrijding van de achtergrondwaarde is aangetoond.

De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740, kan met betrekking tot de ondergrond en het grondwater van de gehele onderzoekslocatie worden aangenomen aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden of signaleringsparameters zijn aangetoond.

De hypothese "verdachte locatie" uit norm NEN5707 dient met betrekking tot de bovengrond van de gehele onderzoekslocatie en de asbestverdachte druppelzones worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.

Conclusies en aanbevelingen

In de bovengrond (BG Il) is een lichte verontreiniging aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de boven-en ondergrond (BG 1, BG 111 en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarde niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.

In de bovengrond MM FF - 02 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm is maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat geen asbestverdachte vezels.

Het gewogen asbestgehalte in MM FF -A is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en er zijn asbestverdachte vezels aangetoond. Uit de aanvullend uitgevoerde SEM analyse blijkt dat de hoeveelheid respirabele vezels (0.2 mg/kg d.s.) lager is dan de risiconorm van maximaal 10 mg/kg d.s. Derhalve is er geen saneringsnoodzaak voor druppelzone A.

Het gewogen asbestgehalte in MM FF - Bis lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en er zijn asbestverdachte vezels aangetoond. Uit de aanvullend uitgevoerde SEM analyse blijkt dat de hoeveelheid respirabele vezels (1.2 mg/kg d.s.) lager is dan de risiconorm van maximaal 10 mg/kg d.s. Derhalve is er geen saneringsnoodzaak voor druppelzone B.

Het gewogen asbestgehalte in MM FF - Cis ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm is maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels.

Formeel gezien is een nader asbestbodemonderzoek noodzakelijk vanwege het gewogen asbestgehalte. Geadviseerd wordt om, zonder nader asbestbodemonderzoek direct over te gaan tot sanering van de asbestverontreinigingen ter plekke van druppelzone C. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de asbestverontreiniging ter plekke van druppelzone A geschat op circa 5 m3 (circa 16 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep).

Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.

4.5 Geluid

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Beoordeling van de plannen:

De Beusebergerweg betreft een 60 km/u gebiedsontsluitingsweg in het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten. Zoals benoemd in 4.3 is er geen sprake van een nieuwe milieugevoelige activiteit, aangezien er al gewoond werd door twee huishoudens op de locatie.

Andersom is er met de realisatie van de woning geen sprake van een geluidsbelastende activiteit.

Met inachtneming van het voorgaande blijft sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geluid.

4.6 Geur

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:

  • bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid;
  • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties;
  • aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit;
  • historie van het bedrijf en het klachtenpatroon;
  • bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit;
  • kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

Beoordeling van de plannen:

Onderhavige plannen maken een ontwikkeling mogelijk op het erf Beusebergerweg 43 en voorzien van een woonrecht zodat de inwoning een reguliere woning wordt. Aangezien het erf reeds bestond uit 2 woningen, zijn er geen nieuwe belemmeringen aanwezig betreft geurbelasting.

Door de gemeente Rijssen-Holten is een MER omschrijving opgesteld, hierin is ook de geurkwaliteit benoemd. Op onderstaande kaart is de geur achtergrondniveau in de huidige situatie weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0010.png"

Afbeelding 4.1: Verbeelding geur achtergrondniveau huidige situatie in de gemeente, plangebied paars omcirkeld (bron: gemeente Rijssen-Holten)

Voor het plangebied geldt het niveau 'redelijk goed' met een waarde tussen de 3,5 en 6,5 ou/m3. Volgens het omgevingsplan is er met een nieuw geurgevoelig object sprake van een maximale mogelijke geurbelasting van 14 ou/m3 buiten de bebouwde kom. De genoemde waardes vallen hier onder, dus er is geen sprake van belemmering betreft geur.

Bovendien is er in geen geval overmatige geurbelasting betreft omliggende bedrijven. De dichtstbijzijnde geurbelastende activiteit betreft een intensief agrarisch bedrijf, waarvan het bedrijfsperceel op circa 370 meter van het onderhavig plangebied ligt. Het gaat om een varkenshouderij. Volgens de VNG handleiding uit 2024 geeft een varkenshouderij een score van 3 voor geur. Deze scores komen overeen met een afstand van 100 meter. De afstand tot het agrarische bedrijf van 370 meter valt er ruim boven. Er is dus geen sprake van hinder van geurbelastende activiteiten.

Er zijn dus geen belemmeringen betreft het aspect geur.

4.7 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Rijssen-Holten is niet aangewezen als concentratiegebied.

Beoordeling van de plannen:

Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse, waarbij de woning met inwoning wordt omgezet naar twee aparte woningen met eigen woonrecht en bijgebouwen. Hiermee is er in de praktijk geen sprake van een nieuwe woning of andere activiteit waarvoor er extra verkeer is als gevolg van het plan. Daarmee is er tevens geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het worst-case scenario kan worden uitgegaan van het toevoegen van 1 woning. Dit geeft een verkeersgeneratie van 8. De NIBM tool is onderstaand weergegeven waaruit mogelijke invloed op de luchtkwaliteit af te leiden is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0011.png"

Afbeelding 4.2: NIBM tool met invloed van de verkeerstoename op de luchtkwaliteit (bron: Informatiepunt Leefomgeving)

De NIBM tool geeft dat de bijdrage van het extra verkeer in niet-betekende mate is. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de potentiële toename in verkeer geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit.

Conclusie

Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Beoordeling van de plannen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0012.png"

Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving)

Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 251 meter van het plangebied de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een bufferzone van de A1, aangeduid als gifwolk. Het plangebied ligt echter ruim buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.

4.9 Water

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Watervisie 2030 Waterschap Rijn en IJssel

In deze watervisie worden de huidige ontwikkelingen benoemd die uitdagingen met zich meebrengen. Het gaat hierbij om: klimaatverandering, duurzaam omgaan met grondstoffen en energie, informatiesamenleving en sociaal economische trends. Het waterschap Rijn en IJssel willen hierop inspelen met de volgende thema's:

  • Een multischalig landschap: samenwerken met organisaties, bedrijven en medeoverheden op verschillende schalen
  • Hoogwaterveiligheid op niveau: doelen op een robuuste en kosteneffectieve bescherming van de regio tegen hoogwater
  • Helder regionaal waterbeheer: samenwerken aan maatregelen om exremen op te vangen en waterkwaliteit te verbeteren
  • Stoffen winnen uit de waterketen: afvalwater zuiveren, doelen op grotendeels energie gebruiken die uit afvalwater wordt opgewekt

Deze thema's worden elk nader toegelicht in de Watervisie.

De Watervisie 2030 wil een inspirerend toekomstbeeld scheppen, waar ze als waterschap niet als enige vooraan de lat staan, maar wel een bijzondere verantwoordelijkheid voor hebben. De organisatie gaat zich erop toeleggen om de visie in de praktijk te brengen.

Watertoetsproces

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 09-09-2025 de digitale watertoets uitgevoerd. Uit het resultaat van deze watertoets is gebleken dat de normale procedure gevolgd dient te worden. Het Waterschap Rijn en Ijssel heeft gereageerd met het volgende advies:

De ontwikkeling betreft de sloop van een aantal bestaande opstallen op het erf en de realisatie van een tweetal nieuwe bijgebouwen. Er vindt hierbij geen toename van verhard oppervlak plaats ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee heeft deze ontwikkeling geen negatieve invloed op het oppervlaktewatersysteem.

Er spelen voor deze zaak verder geen andere waterbelangen voor het waterschap in de RO-procedure. Hiervoor geldt de waterparagraaf zoals bijgevoegd in Bijlage 4.

Het aspect water vormt voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen.

4.10 Ecologie

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

4.10.1 Quickscan natuurwaarden

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Stikstof

Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Soortenbescherming

Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Beoordeling van de plannen:

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, de volledige uitwerking is bijgevoegd als Bijlage 2. Onderstaand is de conclusie opgenomen.

Conclusie toetsing

Gebiedsbescherming 

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel- als de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten worden. Indien men juridische zekerheid wil hebben, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Overige negatieve effecten, zoals trillingen, licht en geluid, kunnen wel worden uitgesloten.

Soortenbescherming

De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de gebouwen en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor een deel van de soorten die mogelijk negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling voor het beschadigen of vernielen van de voortplantings- of rustplaats. Het doden van dieren kan voorkomen worden door zorgvuldig te werken en het terrein natuurvrij te maken voorafgaand aan de werkzaamheden. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De oude kippenstal dient onderzocht te worden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor steenuilen. Voor de steenmarter en de egel dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Ook kan beslist worden om direct over te gaan op het aanvragen van een omgevingsvergunning voor deze soort.

Conclusies van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:

  • Indien men juridische zekerheid wil; uitvoeren van stikstofberekening uitvoeren
  • Nader onderzoek uitvoeren of direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen in verband met mogelijke aanwezigheid voortplantings- of rustplaats van steenuil;
  • Nader onderzoek uitvoeren of direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen in verband met mogelijke aanwezigheid voortplantings- of rustplaats van steenmarter en egel;
  • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren);
  • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

Vervolg

Uit het natuurwaardenonderzoek is gebleken dat er vervolgonderzoeken dienen te worden uitgevoerd naar steenuil, steenmarter en egel. Deze vervolgonderzoeken worden in 2026 uitgevoerd.

4.10.2 Stikstofberekening

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk.

Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase wanneer dat van toepassing is bij de ontwikkeling.

Beoordeling van de plannen:

Het gebruik van de bebouwing wijzigt niet, er is enkel sprake van het toepassen van een woonrecht op de inwoning en de nieuwbouw van bijbehorende bouwwerken.

Het plangebied is op 3,5 km afstand gelegen van een Natura 2000-gebied. Wanneer er volgens de advieslijn stikstofdepositie van de Omgevingsdienst Twente wordt uitgegaan van de bouw van 5 vrijstaande woningen met schuren is een afstand van 1,5 km ten opzichte van N2000 gebied voldoende. De onderlinge afstand is ruim groter en stikstof vormt derhalve geen belemmeringen. Er is geen sprake van aanvullende stikstofdepositie en het plan vormt geen extra belasting voor Natura2000 gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401_0013.png"

Afbeelding 4.3: Afstand planlocatie tot Natura2000 gebied (bron: Atlas Leefomgeving)

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen geen problemen leveren betreft stikstof.

4.11 Archeologie en Cultuurhistorie

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Beoordeling van de plannen:

4.11.1 Archeologie

Ter plaatse van het plangebied geldt geen archeologische functie en derhalve geen archeologische waarde. Archeologisch onderzoek is hiervoor niet noodzakelijk.

Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

4.11.2 Cultuurhistorie

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft.

Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.12 Verkeer en parkeren

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied.

In het kader van ruimtelijke plannen dient verder te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘'Toekomstbestendig parkeren" gehanteerd. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘buitengebied’ en ‘niet stedelijk’ van toepassing.

4.12.1 Verkeer

Het voorliggend plan voorziet in de toevoeging van een woonrecht. In dit geval is er sprake van een planologische wijziging waarbij een nieuwe woning wordt toegevoegd. Met deze wijziging is er volgens de CROW-publicatie een verkeersgeneratie van 8.

Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de toe te voegen woning.

Conclusie

Er blijft voor wat betreft verkeer sprake van een aanvaardbare situatie.

4.12.2 Parkeren

In voorliggend geval wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de eerder genoemde CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'.

Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden

Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Rijssen-Holten dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval is er sprake van een planologische wijziging waarbij er een nieuwe woning wordt toegevoegd. De woning kan worden geschaard onder 'twee-onder-een-kap' in het buitengebied. Dit komt uit op maximaal 2,6, afgerond 3 parkeerplaatsen.

Er is geen toename van de parkeerdruk in de omgeving, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de parkeervoorziening.

Conclusie

Het plan voorziet voldoende in de benodigde parkeervoorzieningen. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Wijziging omgevingsplan

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Buitengebied Holten, Beusebergerweg 43, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMB2025013-0401. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid

6.1 Wettelijke kaders

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).

Nadeelcompensatie

In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

6.2 Toetsing

Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Rijssen-Holten zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.

7.1 Procedurestappen

Dit plan kent de volgende procedurestappen:

7.1.1 Ontwerp

Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

7.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

7.1.3 Beroep

Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverlegpartners

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst geplubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.

Waterschap Rijn en IJssel

Het Waterschap Rijn en IJssel is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen bijzondere waterschapsbelangen gemoeid zijn. Met inachtneming van de standaard uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan ligt vanaf DATUM gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de zienswijzennota.

7.4 Participatie

De initiatiefnemers hebben de buren bezocht en geïnformeerd over de plannen. Alle buren waren positief en hebben geen bezwaren kenbaar gemaakt. Het gaat om de volgende adressen:

  • Langstraat 28 & 28w
  • Langstraat 7w
  • Langstraat 7
  • Beusebergerweg 64

Daarmee vormt het aspect participatie geen verdere belemmeringen of aanpassingen voor het plan.