direct naar inhoud van Planregels
Plan: TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Buitengebied Holten, Helhuizerweg 16
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1742.TAMB2025011-0401

Planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

1.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan "TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Buitengebied Holten, Helhuizerweg 16" met identificatienummer NL.IMRO.1742.TAMB2025011-0401 

1.2 de verbeelding

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMB2025011-0401 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 archeologische waarden

de in de plantoelichting beschreven of genoemde sporen van menselijke activiteiten in het verleden, die vanwege hun zeldzaamheid en/of vanwege hun betekenis voor archeologisch onderzoek in aanmerking komen voor behoud, bescherming en - zo mogelijk - herstel en/of bijzonder beheer;

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bijgebouw

een vrijstaand gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

1.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.13 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.15 bruto vloeroppervlak

de totale bebouwde oppervlakte van detailhandelsvestiging, inclusief magazijn- en kantoorruimte en met inbegrip van kelderruimten;

1.16 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.17 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;

1.18 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.19 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn indeling of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

1.20 horecabedrijf

een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

1.21 huishouden

een met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband;

1.22 maatschappelijke voorzieningen
  • a. (sociaal-)medische instellingen;
  • b. sociaal-culturele instellingen;
  • c. bestaande religieuze instellingen;
  • d. bestaande bijzondere woonvormen, waaronder verpleging en verzorgingen en begeleid wonen voor jongeren, al dan niet in samenhang centrale voorzieningen;
  • e. bestaande onderwijsinstellingen en kinderopvang;
  • f. bestaande openbare dienstverlening, waaronder politie, brandweer en gemeenteopslag;
  • g. bestaande sportvoorzieningen;
1.23 netto vloeroppervlak

het voor het publiek toegankelijke deel van de detailhandelsvestiging die is bestemd als verkoop- en uitstallingsruimte, exclusief magazijn- en kantoorruimte;

1.24 prostitutiebedrijf

een gebouw, voer- of vaartuig, dan wel enig gedeelte daarvan, geheel of gedeeltelijk bestemd, dan wel in gebruik voor het daar uitoefenen van prostitutie; prostitutie is het tegen betaling hebben van sexuele omgang met anderen op een naar buiten toe kenbare wijze;

1.25 sex- en/of pornobedrijf

een inrichting bestemd voor het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard. Onder sex en/of pornobedrijf wordt mede begrepen:

sexbioscoop:

een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van film- en/of videovoorstellingen van erotische en/of pornografische aard;

sexclub:

een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard;

sexautomaat:

een inrichting, bestemd voor het door middel van automaten doen plaatsvinden van films- en/of videovoorstellingen van erotische en/of pornografische aard;

sexwinkel:

een ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van sexartikelen aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker;

1.26 Staat van Bedrijfsactiviteiten

Een van het TAM-omgevingsplan deel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen;

1.27 volumineuze goederen

Goederen die vanwege hun omvang een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals goederen in bouw- en doe-het-zelf producten, automobielen, motorfietsen, boten, caravans, e.d.;

1.28 woning

Een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken.

2.1 bepalen maten, maatvoering

In dit TAM-IMRO deel van het omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • a. peil:
  • 1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor gebouwen waarvan de toegang niet onmiddellijk aan de weg grenst en waar direct in de omgeving is gelegen: de gemiddelde hoogtemaat ten opzichte van NAP;
  • 3. de gemiddelde hoogte van het terrein, of;
  • 4. in andere gevallen: het door de gemeentelijk toezichthouder aangewezen peil;
  • b. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  • c. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • d. de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • e. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gemeten vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;
  • f. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • g. afstand tot de zijdelingse perceelgrens: tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  • h. afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels;
  • i. maaiveld: de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzend) terrein;
2.2 ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten en het bepalen van het oppervlak van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.

Voor ondergeschikte bouwdelen groter dan 0,5 m, maar kleiner dan 0,75 m wordt een oppervlak van maximaal 4 m² niet meegerekend tot het toegelaten oppervlak. Het eventuele resterende oppervlak wordt tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.

Bouwdelen groter dan 0,75 m zijn niet ondergeschikt en worden altijd tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.

2.3 maten
  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. voor hoeken/hellingen in graden (º).
2.4 indieningsvereisten

Voor het indienen van een landschaps- en/of erfinrichtingsplan gelden de volgende eisen:

  • a. het plan moet een geschaalde plattegrond bevatten;
  • b. de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) dient als ondergrond voor het plan gebruikt te worden;
  • c. het plan moet noord-gericht zijn getekend.
2.5 indieningsvereisten melding

Voor het indienen van een melding op basis van het omgevingsplan gelden de volgende eisen:

  • a. de melding wordt ingediend via het op de gemeentelijke website beschikbaar gestelde elektronische formulier en;
  • b. een melding wordt gedaan uiterlijk 4 weken voor aanvang van de activiteit.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. a. Het Chw Veegplan buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) is niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid. b. Voor zover de begripsbepalingen en de wijze van meten van plannen op de locatie bedoeld in het derde lid afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, gaat dit hoofdstuk voor bij de uitleg van hoofdstuk 220.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Als de regels uit afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3, in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Helhuizerweg 16, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMB2025011-0401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 4. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Agrarisch landschap - gemengde functies

4.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Agrarisch landschap - gemengde functies'' mogen worden gebruikt voor:

  • a. het gebruik van van gronden ten behoeve van akkerbouw activiteiten men dien verstande dat het bedrijfsmatig houden van dieren of anderszins vestigen van een veehouderij is niet toegestaan.
  • b. hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf
  • c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • d. tuinen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. paden;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen
  • i. de bestaande nutsvoorzieningen;
  • j. ontsluitingsvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen
  • k. bestaande groenstructuren

met dien verstande dat deze grond niet dient te worden beschouwd als erf in de zin van Bijlage I van de begripsbepalingen van het Omgevingsplan Rijssen-Holten.

4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Bouwregels voor gebouwen

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

4.2.2 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m;
  • b. sleufsilo's en kuilvoerplaten zijn niet toegestaan;
  • c. lichtmasten zijn niet toegestaan;
4.3 Strijdig gebruik

 Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:

  • a. het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;
  • b. het omschakelen naar, uitbreiden met of toevoegen van geiten aan een bestaand (intensief) agrarisch bedrijf;
  • c. huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;
  • d. (boom)kwekerijen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  • e. het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  • f. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  • g. detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel,
  • h. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  • i. het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of vergund met een omgevingsvergunning;
  • j. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  • k. bewoning van (agrarische) bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
  • l. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
  • m. het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;
  • n. het uitbreiden van de horeca functie;
  • o. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op het moment van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan legaal aanwezig was of;
  • p. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
4.4 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.

Artikel 5 Wonen - rood voor rood

5.1 Functieomschrijving

Binnen de functie 'Wonen rood voor rood' is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. het wonen in bestaande woningen met daarbij behorende gebouwen;
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
    • 2. werken, geen bouwwerk zijnde;
    • 3. waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal;
  • b. voorzieningen zoals:
    • 1. in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    • 2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    • 3. speelvoorzieningen;
  • c. water;
  • d. bed & breakfast in de woning, mits:
    • 1. niet meer dan drie kamers worden verhuurd;
    • 2. de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  • e. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    • 1. met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen
    • 2. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen;
  • f. een paardrijbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak (artikel 5.7.1);
  • g. een aan huis gebonden beroep na melding, zoals opgenomen in Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (artikel 5.7.3);
  • h. mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit mantelzorg (artikel 5.7.2);
  • i. inwoning na melding, zoals opgenomen in Melding voor inwoning (artikel 5.7.4);

met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf in de zin van Bijlage I van de begripsbepalingen van het Omgevingsplan Rijssen-Holten.

5.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken de volgende beoordelingsregels:

  • a. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht. Als wordt voldaan aan onderstaande regels wordt de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel verleend.
  • b. Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van het Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 uit Bijlage 2;
  • c. Er is in het gehele plangebied geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen;
  • d. Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
    Type weg   Afstand  
    provinciale weg   50 m  
    lokale weg - verhard   20 m  
    lokale weg - onverhard   10 m  
  • e. Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
  • f. Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
  • g. Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota en het ruimtelijk kwaliteitsplan;
  • h. Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
5.3 Beoordelingsregels voor maatvoering en landschappelijke inpassing
  • a. Voor woningen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    • 1. het maximum oppervlak is 200 m2;
    • 2. de maximale bouwhoogte is 10 m;
    • 3. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    • 4. de minimale dakhelling is 30°;
    • 5. in afwijking van 1 tot en met 4 geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan gehandhaafd mogen worden;

  • b. in afwijking van het genoemde onder a kan worden afgeweken ten behoeve van het wijzigen van de gevel voor duurzaamheidsdoeleinden middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het wijzigen van de gevel voor duurzaamheidsdoeleinden;
  • c. Voor bijbehorende bouwwerken gelden onderstaande bouwregels:
    • 1. het maximale oppervlak is 150 m2, waarvan maximaal 30 m2 aangebouwd;
    • 2. per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
    • 3. de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 m;
    • 4. de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 m lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;
    • 5. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    • 6. de minimale dakhelling is 30°, een andere dakhelling is onder voorwaarden mogelijk middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken;
    • 7. in afwijking van het bepaalde onder 3 tot en met6 kan voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken worden afgeweken van de goot- en bouwhoogte of dakhelling, middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de goot- en bouwhoogte of dakhelling voor platafgedekte ondergeschikte bouwdelen;
    • 8. in afwijking van het bepaalde onder 1 tot en met 6 geldt dat afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het TAM-omgevingsplan gehandhaafd mogen worden. Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken geldt als de legaal aanwezige m2 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.
5.4 Beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    • 1. Zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    • 2. De maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m
    • 3. Het maximale oppervlak aan zonnepanelen in veldopstelling is 50 m²;
    • 4. Zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota;
    • 5. Als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
  • b. De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 m boven de nok van het dak;
  • c. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 m waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
5.5 Specifieke functieregels
5.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:

  • a. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  • b. detailhandel;
  • c. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  • d. het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen;
  • e. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  • f. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding/omgevingsvergunning is toegestaan;
  • g. een paardrijbak;
  • h. vrijstaande lichtmasten;
  • i. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
5.5.2 Milieuregels

a. Een nieuwe activiteit voldoet aan de volgende regels:

  Milieunormering  
Donkerte   Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid.  
Fijnstof (PM10)   Woningen worden niet gebouwd en niet uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.  

5.6 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardenbak

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 onder f voor het realiseren van een paardrijbak bij een woning, onder voorwaarde dat:

  • 1. een paardrijbak uitsluitend is toegestaan in het achtererfgebied;
  • 2. er maximaal 1 paardrijbak per woning is toegestaan;
  • 3. de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd dient te worden, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • 4. de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m²;
  • 5. de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m;
  • 6. de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 m;
  • 7. lichtmasten zijn niet toegestaan
5.7 Afwijken van de functieregels
5.7.1 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 onder f voor het realiseren van een paardrijbak bij een woning, onder voorwaarde dat:

  • 1. een paardrijbak uitsluitend is toegestaan in het achtererfgebied;
  • 2. er maximaal 1 paardrijbak per woning is toegestaan;
  • 3. de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd dient te worden, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • 4. de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m²;
  • 5. de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m;
  • 6. de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 m;
  • 7. lichtmasten zijn niet toegestaan
5.7.2 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 onder h en mantelzorg mogelijk maken onder voorwaarden dat:

  • a. het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;
  • b. situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt;
  • c. de afstand van de bijbehorende woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 m bedraagt;
  • d. de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m²;
  • e. de mantelzorgsituatie enkellaags is;
  • f. er een door een zorgprofessional opgestelde zorgindicatie kan worden overlegd waaruit blijkt dat de mantelzorg noodzakelijk is en;
  • g. de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.

5.7.3 Melding ten behoeve van beroeps-of bedrijfsmatige activiteit aan huis
  • a. Het is toegestaan om in afwijking van artikel 5.1 onder g een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te realiseren binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder Afwijken ten indiening van een situatieschets op schaal of het college realisatie van het beroep aan huis heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit indien:
    • 1. de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
    • 2. meer dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
      • 75 m², dan wel;
      • indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
  • 1. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;
  • 2. de ruimtelijke uitstraling niet in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
  • 3. er detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden;
  • 4. de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
  • c. Het aan huis gebonden beroep kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.

5.7.4 Melding voor inwoning
  • a. Het is toegestaan om in afwijking van artikel 5.1 onder i een inwoonsituatie te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste inwoonsituatie, tenzij het college realisatie van de inwoonsituatie heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de inwoonsituatie indien:
    • 1. de twee huishoudens niet onder één dak worden gehuisvest;
    • 2. het uiterlijk van de woning niet één woning, één bouwmassa is;
    • 3. er geen sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
    • 4. er geen sprake is van woningscheidende wand;
    • 5. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
  • c. De inwoonsituatie kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.

5.7.5 Melding voor een nevenactiviteit in voormalige agrarische bebouwing
  • a. Het is toegestaan om een nevenactiviteit te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste nevenactiviteit, tenzij het college realisatie van de nevenactiviteit heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de nevenactiviteit indien:
    • 1. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden;
    • 2. de activiteiten niet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
    • 3. er opslag en stalling buiten de bestaande bebouwing plaatsvindt;
    • 4. er sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
    • 5. de activiteiten niet ondergeschikt aan de woonfunctie zijn;
    • 6. er sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en agrarische producten;
    • 7. er sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    • 8. er zelfstandig vergunningplichtige activiteiten in het kader van milieu plaatsvinden;
    • 9. er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
    • 10. de nevenactiviteit niet wordt uitgevoerd door één van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
    • 11. parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, conform de gemeentelijke parkeernormen;
    • 12. er sprake is van reclame-uitingen.
  • c. De nevenactiviteit kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
5.8 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.

Artikel 6 Wonen - VAB

6.1 Functieomschrijving

Op deze locatie is het volgende gebruik en de volgende functies toegestaan:

  • a. het wonen in bestaande woningen met:
    • 1. daarbijbehorende gebouwen;
    • 2. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
    • 3. werken, geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat:

    • 1. het aantal woningen bedraagt hoogstens twee;
    • 2. de woningen worden aaneen gebouwd;
    • 3. de maatvoering is aangehouden zoals benoemd in 6.2.3.

  • b. één bedrijf tot en met milieucategorie 2 zoals opgenomen in Bijlage 1, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten enkel zijn toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2, waaronder akkerbouwbedrijf’;
  • c. voorzieningen zoals:
    • 1. inritten met bijbehorende uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    • 2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    • 3. speelvoorzieningen;
    • 4. water;
  • d. bed & breakfast is toegestaan in de woning, met dien verstande dat:
    • 1. niet meer dan 3 kamers mogen worden verhuurd;
    • 2. de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  • e. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    • 1. met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
    • 2. met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen;
  • f. bestaande mestopslag
  • g. hobbymatig houden van dieren;
  • h. een paardrijbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak (artikel 6.5.1);
  • i. een aan huis gebonden beroep na melding, zoals opgenomen in Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (artikel 6.5.2);
  • j. mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit mantelzorg (artikel 6.5.3);
  • k. inwoning na melding, zoals opgenomen in Melding voor inwoning (artikel 6.5.4);

met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf in de zin van Bijlage I van de begripsbepalingen van het Omgevingsplan Rijssen-Holten.

6.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken de volgende beoordelingsregels:

  • a. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht. Als wordt voldaan aan onderstaande regels wordt de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel verleend.
  • b. Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van het Ruimtelijk kwaliteitsplan Hessenweg 16 uit Bijlage 2;
  • c. Er is in het gehele plangebied geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen;
  • d. Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:

afbeelding "i_NL.IMRO.1742.TAMB2025011-0401_0001.png"

  • e. Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
  • f. Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
  • g. Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
  • h. Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota en het ruimtelijk kwaliteitsplan .
6.3 Beoordelingsregels voor maatvoering en landschappelijke inpassing
  • a. Voor woningen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    • 1. het maximum oppervlak is 150 m2 per woning;
    • 2. de maximale bouwhoogte is 10 m;
    • 3. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    • 4. de minimale dakhelling is 30°;

  • b. Voor bijbehorende bouwwerken bij de woningen gelden onderstaande bouwregels:
    • 1. het maximale oppervlak is 300 m2, waarvan maximaal 30 m2 per woning aangebouwd, met dien verstande dat;
      • het aantal bijbehorende bouwwerken per woning maximaal 1 bedraagt;
    • 2. de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 m;
    • 3. de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 m lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;
    • 4. maximale goothoogte is 3,5 m;
    • 5. de minimale dakhelling is 30°;

  • c. Voor bijbehorende bouwwerken aangeduid als 'bedrijf t/m categorie 2' geldt het volgende;
    • 1. het maximale oppervlak is 1.000 m2;
    • 2. de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 14 meter, dan wel de bestaande hoogte;
    • 3. maximale goothoogte is 6 m, dan wel de bestaande goothoogte;
    • 4. de minimale dakhelling is 15°;
    • 5. het maximale aantal is 1;
6.4 Beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    • 1. Zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    • 2. De maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m
    • 3. Het maximale oppervlak aan zonnepanelen in veldopstelling is 50 m²;
    • 4. Zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota;
    • 5. Als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
  • b. De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 m boven de nok van het dak;
  • c. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 m waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
6.5 Specifieke functieregels
6.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:

  • a. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  • b. detailhandel;
  • c. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  • d. het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen;
  • e. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  • f. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding/omgevingsvergunning is toegestaan;
  • g. een paardrijbak;
  • h. vrijstaande lichtmasten;
  • i. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
6.5.2 Milieuregels VAB-activiteit

a. Een nieuwe activiteit voldoet aan de volgende regels:

  Milieunormering  
Donkerte   Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid.  
Fijnstof (PM 10)   Woningen worden niet gebouwd en niet uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.  

b. Er kan afgeweken worden van de milieuregels mits er aangetoond kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.6 Afwijken van de functieregels
6.6.1 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 onder h voor het realiseren van een paardrijbak bij een woning, onder voorwaarde dat:

  • 1. een paardrijbak uitsluitend is toegestaan in het achtererfgebied;
  • 2. er maximaal 1 paardrijbak per woning is toegestaan;
  • 3. de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd dient te worden, volgens het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • 4. de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m²;
  • 5. de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m;
  • 6. de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 m;
  • 7. lichtmasten zijn niet toegestaan
6.6.2 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 onder j en mantelzorg mogelijk maken onder voorwaarden dat:

  • a. het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;
  • b. situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt;
  • c. de afstand van de bijbehorende woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 m bedraagt;
  • d. de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m²;
  • e. de mantelzorgsituatie enkellaags is;
  • f. er een door een zorgprofessional opgestelde zorgindicatie kan worden overlegd waaruit blijkt dat de mantelzorg noodzakelijk is en;
  • g. de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.

6.6.3 Melding ten behoeve van beroeps-of bedrijfsmatige activiteit aan huis
  • a. Het is toegestaan om in afwijking van artikel 6.1 onder i een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te realiseren binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder Afwijken ten indiening van een situatieschets op schaal of het college realisatie van het beroep aan huis heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit indien:
    • 1. de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
    • 2. meer dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
      • 75 m², dan wel;
      • indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
  • 1. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;
  • 2. de ruimtelijke uitstraling niet in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
  • 3. er detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden;
  • 4. de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
  • c. Het aan huis gebonden beroep kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.

6.6.4 Melding voor inwoning
  • a. Het is toegestaan om in afwijking van artikel 6.1 onder k een inwoonsituatie te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste inwoonsituatie, tenzij het college realisatie van de inwoonsituatie heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de inwoonsituatie indien:
    • 1. de twee huishoudens niet onder één dak worden gehuisvest;
    • 2. het uiterlijk van de woning niet één woning, één bouwmassa is;
    • 3. er geen sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
    • 4. er geen sprake is van woningscheidende wand;
    • 5. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
  • c. De inwoonsituatie kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.

6.6.5 Melding voor een nevenactiviteit in voormalige agrarische bebouwing
  • a. Het is toegestaan om een nevenactiviteit te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste nevenactiviteit, tenzij het college realisatie van de nevenactiviteit heeft verboden.
  • b. Het college verbiedt de nevenactiviteit indien:
    • 1. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden;
    • 2. de activiteiten niet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
    • 3. er opslag en stalling buiten de bestaande bebouwing plaatsvindt;
    • 4. er sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
    • 5. de activiteiten niet ondergeschikt aan de woonfunctie zijn;
    • 6. er sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en agrarische producten;
    • 7. er sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    • 8. er zelfstandig vergunningplichtige activiteiten in het kader van milieu plaatsvinden;
    • 9. er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
    • 10. de nevenactiviteit niet wordt uitgevoerd door één van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
    • 11. parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, conform de gemeentelijke parkeernormen;
    • 12. er sprake is van reclame-uitingen.
  • c. De nevenactiviteit kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
6.7 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan Helhuizerweg 16 Holten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 7 Algemene aanduidingsregels

7.1 Archeologische verwachtingswaarde
7.1.1 Functieomschrijving en aanwijzing gebieden met archeologische waarden

In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

7.1.2 Toedelen functies of activiteiten

Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.
7.1.3 Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie
  • a. Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden binnen een aangewezen gebied met archeologische waarden.
  • b. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
  • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties;
  • c. Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
  • 1. bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
  • 2. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
  • 3. bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
  • 4. bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.
7.2 Natuurnetwerk Nederland
7.2.1 Functieomschrijving

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en een betere aansluiting realiseren met het omringende agrarisch gebied. Onder het Natuurnetwerk Nederland vallen bestaande natuurgebieden, waaronder 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren en alle Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden, dit om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het bevoegde gezag voor het NNN. Voor de Natura 2000-gebieden zijn door de provincie Overijssel aanvullende beheersplannen vastgesteld met instandhoudingsdoeleinden.

7.2.2 Toegestaan gebruik of functies

Ter plaatse van de zonering Natuurnetwerk Nederland zijn de gronden behalve voor de daar toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. het behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.
7.2.3 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de zonering Natuurnetwerk Nederland wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor:

  • a. elke (nieuwe) ontwikkeling die niet bijdraagt aan het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken of werkzaamheden
7.3.1 Aanwijzing werkingsgebied

Binnen het plangebied zijn gebieden aangewezen waarbinnen regels gelden voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden.

7.3.2 Omgevingsvergunningsplicht

Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;
  • c. het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
  • d. het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
  • f. het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
7.3.3 Toetsingsgronden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning van worden verleend, mits er geen aantasting plaatsvindt van:

  • a. de landschappelijk en natuurlijke waarden;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of;
  • e. de externe veiligheid.
7.3.4 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht

In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2 binnen de basisfunctielagen Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies;
  • b. die het normale onderhoud betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • d. waarvoor een Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;
  • e. het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen of;
  • f. het aanleggen van koe- of kavelpaden.
7.4 Zone - hydrologische bescherming
7.4.1 Functieomschrijving

Deze zone van 1000 m aan de westflank van de Holterberg is van belang voor de hydrologie van het gebied. Om de kwantiteit en kwaliteit van de watervoorziening in dit gebied te kunnen waarborgen en de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied te waarborgen.

7.4.2 Toegestaan gebruik of functies

Er plaatse van de zone hydrologische bescherming zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. functies die de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied niet aantasten.
7.4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

Bij een nieuwe ontwikkeling binnen de zone hydrologische bescherming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid vereist. Aan de omgevingsvergunningen kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor geen nadelige hydrologische effecten optreden;
    • 2. alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het waterschap en de Provincie Overijssel.

  • b. In afwijking van sub a is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    • 1. bouwwerken of werken waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
    • 2. bouwwerken of werken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de effecten op de hydrologie zijn vastgesteld. Dit rapport mag niet ouder dan 5 jaar zijn;
    • 3. het vervangen van bouwwerken op de bestaande fundering.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 8 Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
8.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Buitengebied Holten, Helhuizerweg 16'.