| Plan: | Ochten - Wethouder van Lavierenstraat 3 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1740.wpOClavierenstr3-vst1 |
behorende bij het wijzigingsplan Ochten - Wethouder van Lavierenstraat 3
In deze regels wordt verstaan onder:
het wijzigingsplan Ochten - Wethouder van Lavierenstraat 3 met identificatienummer NL.IMRO.1740.wpOClavierenstr3-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe.
de bestemmingsplannen 'Kernen Neder-Betuwe' die is vastgesteld op 14 mei 2020 , de 'Parapluregeling Archeologie' die is vastgesteld op 27 september 2018 en de 'Parapluregeling parkeren' welke is vastgesteld op 26 april 2018.
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0703.02KrBPKom1W met de bijbehorende regels en bijlagen.
Met uitzondering van de slotregel blijven de planregels behorende bij het moederplan. De bestemmingsplannen 'Kernen Neder-Betuwe' die is vastgesteld op 14 mei 2020 , de 'Parapluregeling Archeologie' die is vastgesteld op 27 september 2018 en de 'Parapluregeling parkeren' welke is vastgesteld op 26 april 2018.
De verbeelding behorende bij het moederplan bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe' wordt voor wat het plangebied van het wijzigingsplan 'Ochten - Wethouder van Lavierenstraat 3' als volgt gewijzigd. De bestemming 'Dienstverlening' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Verder blijven de in de huidige verbeelding aanwezig maximum goot- en bouwhoogte en de Archeologische verwachtingswaarde aanwezig.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen als bedoeld in 1.97;
a. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 34.3 binnen het moederplan 'kernen Neder-Betuwe';
b. nutsvoorzieningen;
c. waterhuishoudkundige voorzieningen;
d. een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan;
b. bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' alsmede ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
a. de voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak;
b. het bestaande aantal woningen niet mag toenemen, met dien verstande dat indien de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, het aantal woningen niet meer mag bedragen dan aangegeven;
c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
d. voor de bouwwijze van woningen geldt het volgende:
1.ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
2.ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneengebouwde woningen toegestaan;
3.ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;
4.ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;
5.ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patiowoning' zijn uitsluitend patiowoningen toegestaan;
6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rug-aan-rugwoning' zijn uitsluitend rug-aan-rugwoningen toegestaan
7.indien meerdere aanduidingen zijn opgenomen, zijn alle aangeduide bouwwijzen toegestaan;
e. de breedte van een woning mag niet meer bedragen dan 12 m;
f. in afwijking van het bepaalde in e mag de breedte van een woning niet meer bedragen dan 15 m, indien de breedte van het bouwperceel meer bedraagt dan 30 m;
g. ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' mag de inhoud van de woning niet meer bedragen dan aangegeven;
h. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' mag het bebouwingspercentage van het bouwvlak niet meer bedragen dan aangegeven;
i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 10' bedraagt de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrenzen minimaal:
1.bij vrijstaande woningen: 3 m;
bij twee aaneengebouwde woningen aan één zijde van de woning 3 m;
bij een woning mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd conform het bepaalde in 33.4;
in afwijking van het bepaalde onder k. mogen ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bijbehorende bouwwerken' geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in verband met de aanwezige landschappelijke- en natuurwaarden.
Erkers mogen worden gebouwd buiten de aanduiding 'bouwvlak' en buiten de aanduiding 'bijgebouwen' onder de volgende voorwaarden:
a. de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
b. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m;
c. indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m;
d. de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt het bepaalde in 33.6.
a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 8' mag het bruto vloeroppervlak:
1.ten behoeve van een groothandel niet meer bedragen dan 80 m2;
2.ten behoeve van detailhandel (met bijbehorende reparatie- en onderhoudsactiviteiten) niet meer bedragen dan 70 m2.
b.Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - 2' mag het bruto vloeroppervlak ten behoeve van kantoren niet meer dan 150 m2 bedragen;
c.Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 6' mag het bruto vloeroppervlak ten behoeve van een atelier en theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 125 m2 bedragen.
Ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk', onder de volgende voorwaarde:
a. het bedrijfsvloeroppervlak ondersteunende horeca mag niet meer bedragen dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 35 m2 van het bedrijfsvloeroppervlak;
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 5' is een aan huis gebonden ambacht toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het brutovloeroppervlak bedraagt niet meer dan 100 m2;
b. de hoofdgebruiker dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
c. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;
d. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;
e. buitenopslag is niet toegestaan.
Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt verstaan:
a. het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 2' aanwezig hebben van beplanting hoger dan 0,5 m of van bebouwing;
b. het gebruiken van gronden of bouwwerken voor detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel uitgesloten'.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen om het bouwvlak op een andere plaats op het bouwperceel te situeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de maatvoeringseisen en bouwwijze mogen niet worden veranderd;
b. het aantal woningen per bouwperceel blijft gelijk;
c. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
e. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen om één nieuwe woning extra op een bouwperceel toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de woning mag in de bouwwijze vrijstaand worden gerealiseerd of de bouwwijze van een aanwezige woning veranderen, zolang niet meer dan één extra woning wordt mogelijk gemaakt;
b. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een vrijstaande woning aan twee zijden en bij twee aaneengebouwde woningen aan één zijde niet minder dan 3 m;
c. de maatvoering sluit aan op de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving;
d. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
e. uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor vestiging van de woning;
f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
g. op de kaart worden de aanduidingen 'bouwvlak', 'bijgebouwen' en de specifieke bouwaanduiding om de bouwwijze te typeren opgenomen;
h. de woning dient direct vanaf de openbare weg te worden ontsloten en dient zich op diezelfde openbare weg te oriënteren.
i. de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens dient tenminste 8 m te bedragen.
j. de bepalingen in Artikel 21 Wonen zijn van overeenkomstige toepassing.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen teneinde een grotere goot- en/of bouwhoogte toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
c. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast.
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.
Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:
a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of,
b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of,
c. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 100 m²;
met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en) toe te staan, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.4.1 wordt niet verleend voordat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of,
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is het verboden, behoudens het bepaalde in artikel 26.5.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
b. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist;
c. het verlagen van het waterpeil;
d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Het onder artikel 26.5.1 vervatte verbod geldt niet:
a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld;
b. voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast' voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
c. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt;
d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 100 m2;
e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
f. voor het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten;
g. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen;
h. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het wijzigignsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
i. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 26.4.1.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 26.5.1, wordt niet verleend voordat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 26.5.1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 26.5.1 in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of,
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van een archeologisch deskundige, het plan zodanig te wijzigen dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' naar ligging wordt verschoven, naar omvang wordt verkleind of vergroot of in het voorkomende geval uit het plan wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het wijzigingsplan Ochten - Wethouder van Lavierenstraat 3 met identificatienummer NL.IMRO.1740.wpOClavierenstr3-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe.