direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stationsweg 27, Echteld
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Aan de Stationsweg 27 in Echteld is het kleinschalig hoveniersbedrijf Van Ravenswaaij Tuinen gevestigd. Naast een woning staan op het perceel vier schuren met een oppervlakte van in totaal 225 m². Daarnaast is een overkapping aanwezig met een oppervlakte van 60 m². Van Ravenswaaij Tuinen is gestart in 2011 en sinds 2014 gevestigd aan de Stationsweg 27. Op deze locatie heeft eigenaar de beschikking over agrarische grond ten behoeve van teelt van gewassen die worden ingezet binnen onder andere de eigen hovenierstak. De hoveniersactiviteiten vinden plaats op de locatie van de klanten en zijn op dit moment ondergeschikt aan het wonen. Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' de bestemming 'Wonen' en deels 'Agrarisch'.

Het bedrijf is succesvol en de wens is om het bedrijf door te ontwikkelen tot een breed bedrijf met eigen teelt op de omliggende agrarische gronden, de hovenierstak en daaraan en ondergeschikt een ontwerpbureau. Ten behoeve van de ontwikkeling bestaat de wens om een nieuwe schuur op het perceel te realiseren. Het betreft het bouwen van een nieuwe schuur van 500 m². De ontwikkeling tot een volwaardig agrarisch bedrijf met teelt van eigen gewassen is passend op de locatie. Echter, de realisatie van een grotere schuur voor opslag en verwerking van eigen teeltproducten past niet binnen de bestemming 'Wonen'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt in voorliggend plan aangesloten bij een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan, zijnde 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'. In voorliggend wijzigingsplan (vorm van bestemmingsplan) wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Stationsweg 27, ten oosten van de kern Echteld en is kadastraal bekend als gemeente Echteld, sectie I, nummer 380 en deels nummer 220 en 221. De onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0001.png"

Ligging plangebied ten opzichte van omgeving (bron: openstreetmap.org)

1.3 Geldende plannen

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld', vastgesteld door de gemeente Neder-Betuwe op 30 mei 2013. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch'. Aan de zuidzijde van het plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg'. Aan de noordzijde van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang' opgenomen. Voor het gehele plangebied geldt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', dit is in 'Parapluregeling Archeologie' aangepast naar dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Voorts gelden ter plaatse de volgende (paraplu)bestemmingsplannen:

  • Parapluregeling Parkeren (vastgesteld 26 april 2018);
  • Parapluregeling Archeologie (vastgesteld 27 september 2018);
  • Parapluplan 2020 (vastgesteld 24 september 2020);
  • Bestemmingsplan Plattelandswoningen (vastgesteld 31 oktober 2013), Bestemmingsplan VAB-beleid (vastgesteld 9 maart 2017) en Bestemmingsplan Aanpassing Woonbestemmingen Buitengebied (vastgesteld 28 september 2021) gelden eveneens maar zijn niet van toepassing bij voorliggend plan en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0002.png" Vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Strijdigheid met vigerende bestemmingsplan

Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen' en de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Het uitvoeren van een kwekerij met ondergeschikt een hoveniersbedrijf en ontwerpbureau en het realiseren van de schuur op de gewenste plek op het perceel is niet toegestaan. De gewenste ontwikkeling kan worden toegestaan met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 48.4 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'. In dat bestemmingsplan is de volledige wijzigingsbevoegdheid opgenomen met alle bijbehorende voorwaarden, waaraan in voorliggend wijzigingsplan wordt getoetst. Hierin staat het navolgende:

48.4 Functiewijziging ten behoeve van een agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten aanzien van de gronden met de bestemmingen Bedrijf, Bedrijf - Agrarisch verwant, Bedrijf - Buitengebied gebonden, Horeca en Wonen voor het aanwijzen van een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf ter plaatse van de bestaande bebouwing, indien en voor zover:

  • a. op basis van een advies van een onafhankelijk agrarisch deskundige is gebleken dat het bouwvlak noodzakelijk is voor de vestiging van een nieuw, volwaardig, in hoofdzaak op de grondgebonden agrarische productie gericht bedrijf;
  • b. de wijziging geschiedt door het aanwijzen van de desbetreffende gronden voor de agrarische bestemming die in het plan is toegekend aan de aangrenzende gronden en het aangeven van een bijbehorend bouwvlak, dat zich ook over de aangrenzende gronden mag uitstrekken;
  • c. de oppervlakte van het nieuwe bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 ha;
  • d. van tevoren, op basis van een inrichtingsplan, in voldoende mate wordt verzekerd dat wordt voorzien in de ruimtelijke en/of landschappelijke inpassing ter plaatse;
  • e. voor zover de gronden zijn gelegen ter plaatse van de bestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied, is gebleken dat het provinciaal waardevolle landschap en de daarbij behorende kernkwaliteiten, zoals deze blijken uit de structuurvisie Gelderland, zoals deze luidt ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, in voldoende mate zijn verzekerd;
  • f. in het wijzigingsplan inzicht wordt gegeven in de uitkomsten van onderzoek naar bodemverontreiniging, archeologische waarden, flora en fauna en regenwaterretentie en is gebleken dat de betreffende belangen in voldoende mate zijn verzekerd en waarbij ten aanzien van de hemelwaterretentie uit een schriftelijke verklaring van het waterschap is gebleken dat zij geen overwegende bezwaren hebben.

Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid

In het kader van het wijzigen van de bestemming van het perceel is getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid:

  • a. Hiertoe heeft de onafhankelijk adviseur SAAB een advies uitgebracht. Deze is als bijlage 1 bijgevoegd bij deze plantoelichting. Uit het advies volgt dat SAAB van mening is dat de voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied wenselijk is vanuit het oogpunt van een doelmatige en toekomstgerichte bedrijfsvoering. De toebedeling van een nieuw agrarisch bouwvlak van 0,3 ha is noodzakelijk voor de vestiging van de nieuwe, op termijn volwaardige boomkwekerij met hoveniersbedrijf, zijnde een in hoofdzaak grondgebonden agrarisch bedrijf.
  • b. De gehele woonbestemming is omgevormd naar de bestemming 'Agrarisch' en voorzien van een bouwvlak. De nieuwe bedrijfsbebouwing van de boomkwekerij, het woonhuis met theehuis en de nieuwe benodigde verharding vallen binnen het bouwvlak;
  • c. Het nieuwe bouwvlak heeft een omvang van circa 3.000 m² waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de maximale omvang van 1 ha;
  • d. Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie bijlage 1 van de Bijlagen bij de regels. Dit inpassingsplan zorgt voor een versterking van de bestaande landschappelijke beplanting bestaande uit een struweel met hoge en lage beplanting met inheemse soorten. Daarbij, het inpassingsplan wordt middels voorliggend document voorwaardelijk verplicht.
  • e. De ontwikkeling vindt niet plaats binnen de bestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Derhalve kan nadere toetsing achterwege blijven;
  • f. De toetsing aan de gestelde omgevingsaspecten wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk wordt geconcludeerd dat de genoemde omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan en tevens de betreffende belangen van deze aspecten in voldoende mate zijn verzekerd;

Concluderend kan worden gesteld dat voorliggende plan voldoet aan alle genoemde voorwaarden die in de wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen.

1.4 Leeswijzer

Het wijzigingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.


Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt ten oosten van de kern Echteld aan de Stationsweg 27. In het buitengebied van Neder-Betuwe overheerst agrarisch grondgebruik en bestaan vele kwekerijen met laanboomteelt. Daarnaast zijn er relatief veel hoveniersbedrijven aanwezig, waarbij de combinatie is gemaakt tussen kwekerij en hoveniersbedrijf. Ten noorden van het plangebied loopt de Betuwelijn en de Rijksweg A15. De Stationsweg is een rustige landbouwweg waaraan voornamelijk agrarische bedrijven en (bedrijfs)woningen zijn gevestigd.

De initiatiefnemer is in 2011 gestart met onderneming Van Ravenswaaij Tuinen en in 2014 gevestigd aan de Stationsweg 27. In 2019 is hier het ontwerpbureau aan toegevoegd voor het maken van ontwerpen en plannen. Klanten zijn voornamelijk particulieren in de omgeving West-Betuwe, Tiel en Neder-Betuwe. Alle werkzaamheden worden in de huidige situatie op locatie van de klanten uitgevoerd en op het perceel wordt hoofdzakelijk gewoond. In de schuren aan de Stationsweg 27 wordt het bedrijfsmaterieel (handgereedschap, aanhanger, bus, minishovel, etc.) gestald. De agrarische gronden achter de woning werden tot het najaar 2021 verpacht aan een agrariër, waarbij de gronden zijn gebruikt t.b.v. akkerbouw. Navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ligging plangebied.

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is eind 2021 gestart met het gebruik van de agrarische gronden ten oosten van de woning ten behoeve van volle grondteelt. De agrarische gronden zijn hiervoor gedraineerd, bemest en gespit, zodat het plantklaar is voor de nieuwe aanplant. Ook in 2020 is er al geïnvesteerd in de gronden, inzake het gereed maken voor de volle grondteelt. De bestaande ontsluiting is gerenoveerd en voorzien van een degelijke afsluiting en een kavelpad. De initiatiefnemer is voornemens de beoogde bedrijfsvoering samen met zijn vrouw uit te voeren op het perceel.

2.2.1 Ruimtelijke ontwikkeling

De beoogde activiteiten op het perceel bestaan uit hoofdzakelijk de teelt van laan- en parkbomen en betreft daarmee volle grondteelt. Dit wordt uitgebreid met een containerveld van circa 1000 m2, achter het agrarisch bouwvlak. Het containerveld biedt de mogelijkheid om een standaard sortiment aan vaste planten en siergrassen op te kweken. De eigen gekweekte beplanting wordt uiteindelijk uitgeleverd bij de (voornamelijk) particuliere klanten. Het aanplanten van de beplanting op locatie, wordt verzorgd door het hoveniersbedrijf.

Vanwege de wens om zelf gewassen te telen is er behoefte aan een daarbij passende schuur. De huidige schuren op het perceel zijn van slechte kwaliteit en zijn te klein voor de gewenste opslag van materiaal en producten ten behoeve van de kwekerij en de stalling van diverse machines, zoals mini tractor, hoogwerker en bomenwagen. Deze schuren/bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van circa 225 m² worden gesloopt. De nieuw te realiseren schuur voldoet voor de toekomstige bedrijfsvoering en heeft een omvang van 500 m². Het grootste deel van de schuur wordt vrijgehouden voor het verzamelen en klaarmaken van bestellingen (circa 200 m²) en het overige deel is nodig voor de berging van handgereedschap (50 m²), machinestalling (150 m²), magazijn (50 m²) en werkruimte met werkbank (50 m²).

De bebouwing wordt met een versterking van de bestaande landschappelijke beplanting ingepast. Hierdoor ontstaat er een ruimtelijke versterking voor de omgeving. De landschappelijke inpassing is voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels van voorliggend wijzigingsplan. In navolgende afbeelding is de toekomstige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0004.png"

Schetsontwerp toekomstige situatie met landschappelijke inpassing (bron: Buro Buitenruimte)

2.2.2 Ontsluiting en parkeren

Ontsluiting

Het perceel is in de huidige situatie middels twee inritten ontsloten op de Stationsweg. De inrit van de bestaande woning blijft behouden en de erfverharding wordt uitgebreid naar de nieuw te realiseren schuur achter de woning. De inrit tot het kavelpad langs de rand van de teeltgronden blijft eveneens behouden ten behoeve van de ontsluiting van de kwekerij.

Parkeren

Ten behoeve van het agrarisch bedrijf, inclusief de hovenierstak en de bedrijfswoning, zijn 3 parkeerplaatsen benodigd binnen het plangebied. Op het erf, binnen het gedeelte 'nieuwe benodigde verharding' is voldoende ruimte om te parkeren op eigen terrein. Daarbij geldt dat er geen sprake is van werknemers en ook niet van bezoekers en klanten.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.3.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Doorvertaling bestemmingsplan

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

Voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een woonperceel in het buitengebied tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt circa 225 m² aan bijgebouwen gesloopt en een nieuwe schuur met een oppervlak van 375 m² gerealiseerd. Er is gezien de beperkte omvang van het initiatief geen sprake van stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder is niet aan de orde.

3.1.5 Conclusie

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan plannen moeten voldoen.

3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.3 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planspecifiek

De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie. De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals is besproken in paragraaf 3.1. Daarnaast geldt dat de locatie is gelegen in het intrekgebied waar de bescherming van water en de waterkwaliteit belangrink is. Het voorliggende wijzigingsplan maakt de winning van fossiele brandstoffen niet mogelijk. Geconcludeerd wordt dat het initiatief uitvoerbaar is vanuit het provinciale beleid.

3.2.4 Conclusie

Het plan is passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe

De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Neder-Betuwe' vastgesteld. De Omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld met belangrijke waarden, die Neder-Betuwe kenmerken en wil behouden en versterken voor toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Omgevingsvisie ook een beeld waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. De Omgevingsvisie bestaat uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart.

De speerpunten

  • Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken.
  • Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
  • Wonen voor iedereen.
  • Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar.
  • Doorontwikkelen en beleefbaar maken van de identiteit.
  • Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren.
  • Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier.
  • Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat.
  • Een gezonde, groene en biodiverse omgeving.
  • Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente.

Richtinggevende kaart:

Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0005.png"

Richtinggevende kaart Omgevingsvisie Neder-Betuwe

Waardenkaart

Op de waardenkaart staan gebieden aangegeven waarin de specifiek waarden van de gekozen locatie op aan staan. Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met de waarden van het gebied waarin de locatie ligt.

In de Omgevingsvisie worden op de waardenkaart voor het buitengebied de volgende waarden benoemd:

  • Landelijk, groen, agrarisch gebied
  • Kleinschalige recreatieve voorzieningen
  • Laanbomenteelt
  • Fruitteelt
  • Linge en oude dijken
  • Eldikse en Dodewaardse Veld (nat, open en rijk aan weidevogels)
  • Fiets- en wandelmogelijkheden

Bij ontwikkelingen in het buitengebied wil de gemeente rekening houden met:

  • Het landelijke en groene karakter
  • De toegankelijkheid en het comfort voor rustige vormen van recreatie
  • De zichtbaarheid en toegankelijkheid van waardevolle gebieden en elementen op het gebied van landschap, cultuurhistorie en natuur
  • Het open, natte en weidevogelrijke karakter van het Eldikse en Dodewaardse Veld

Planspecifiek

Voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een woonperceel in het buitengebied tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. De beoogde activiteiten op het perceel bestaat uit onder andere het aanplanten van laan- en parkbomen, naast de kweek van vaste planten en siergrassen. Een hoveniersbedrijf betreft een aanverwante bedrijvigheid waarmee het initiatief een logische binding heeft met de laanboomteelt. Hiermee draagt het plan bij aan de ontwikkeling van de laanboomteelt sector in het buitengebied van de gemeente. Daarbij is ten behoeve van het planvoornemen een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 van de regels) opgesteld waarmee middels een voorwaardelijke verplichting in voorliggend document een landschappelijke bijdrage planologisch geborgd is. Het plan past daarmee binnen de Omgevingsvisie Neder-Betuwe.

3.3.2 Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt

In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt.

De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.

De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.

De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.

Planspecifiek

Het plangebied is gelegen binnen het bestaande boomteelt/boomteeltconcentratiegebied. Dit is het gebied waar de laanboomteeltsector de ruimte krijgt. Het omzetten van het perceel ten behoeve van deze laanboomteelt en het aanverwante hoveniersbedrijf binnen het plangebied past hiermee binnen de ambitie van de visie.

Het initiatief past binnen de Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt.

3.3.3 Beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen"

In de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" (2008) is de wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe agrarische bouwpercelen op plaatsen waar nog geen bebouwing aanwezig is, geschrapt uit het bestemmingsplan Buitengebied. Hierdoor is de aanwijzing van een nieuw bouwperceel alleen nog mogelijk met een planherziening. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar verder geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er zullen geen bouwpercelen in het komgebied worden aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn.

Hieronder wordt voor alle criteria afzonderlijk gemotiveerd in hoeverre voorliggend initiatief voldoet aan de criteria voor nieuwe agrarische bouwpercelen.

Beschikbaarheid hergebruikslocatie

Criterium a: Er is aantoonbaar geen hergebruikslocatie voorhanden binnen het zoekgebied. Het zoekgebied wordt gedefinieerd als de zone binnen 1 kilometer van alle in eigendom zijnde, en voor de vestiging geschikte, percelen van de aanvrager. Met "geschikt" wordt bedoeld dat de omvang minimaal 1,5 ha dient te bedragen. Het aantoonbaar betekent dat het op de weg van aanvrager ligt om e.e.a. te onderbouwen, maar in elk geval dient de aanvrager minimaal 1 jaar actief te hebben gezocht naar een bestaande locatie (bijv. via inschrijvingen bij makelaars). Een hergebruikslocatie met uitsluitend een woning en/of totaal ongeschikte bebouwing danwel te weinig grond voor de benodigde bebouwing en/of in al deze gevallen met een aankoopprijs boven de € 400.000; wordt op voorhand beschouwd als ongeschikt.


Ter plaatse van de als woonperceel bestemde locatie aan de Stationsweg 27 is het bedrijf reeds 10 jaar aanwezig en wordt met voorliggend bestemmingsplan vastgelegd en positief bestemd als kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. Gezien het ruimtebeslag van de kwekerij in combinatie met het hoveniersbedrijf en ontwerpbureau, is doorontwikkeling op de huidige locatie in het buitengebied vanzelfsprekend. Het afsplitsen van de hovenierstak en ontwerpbureau van de kwekerij en het vestigen daarvan op een bestaand bedrijventerrein binnen de gemeente economisch niet mogelijk en ruimtelijk niet wenselijk. De fysiek nauwe samenwerking tussen de drie bedrijfsonderdelen is juist de kracht van deze onderneming. Daarnaast is de stalling van de machines en materieel op grote afstand van de teeltgronden niet efficiënt en zorgt voor onnodige verkeersbewegingen, daarom is het gewenst dat de schuren nabij de teeltgronden komen te staan. Bovendien is het, gezien de uitgifteprijzen gecombineerd met de benodigde oppervlakte voor teelt, voor het bedrijf bedrijfseconomisch niet haalbaar om zich op een bedrijventerrein te vestigen. Herontwikkeling van het woonperceel tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau, waarbij het totaal bebouwd oppervlakte beperkt toeneemt, is passend en verantwoord.


Volwaardig bedrijf

Criterium b: Het dient een volwaardig bedrijf te betreffen dat ook reeds minimaal drie jaar als volwaardig bedrijf operationeel is, hetgeen middels accountantsverklaringen hard kan worden gemaakt. De advisering over de volwaardigheid wordt in handen gesteld van de provincie of een andere onafhankelijke agrarische instantie.


De initiatiefnemer is Van Ravenswaaij Tuinen is gestart in 2011 en het bedrijf is sinds 2014 gevestigd aan de Stationsweg 27. In 2019 is hier de handelsnaam Bureau Buitenruimte aan toegevoegd voor het maken van ontwerpen en plannen. Op 1 oktober 2021 heeft de eigenaar van de gronden de kwekerij genaamd 'Handelskwekerij Van Ravenswaaij V.O.F.' opgericht en officieel ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het bedrijf kan gezien de bedrijfseconomische omvang al meer dan 10 jaar als volwaardig worden beschouwd.

Geen vestiging in agrarisch komgebied

Criterium: c. Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming "agrarisch gebied", dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. In het bestemmingsplan buitengebied Kesteren (1978) zijn deze gebieden globaal bestemd tot "agrarisch gebied met (hoge) landschappelijke waarden". Bij de herziening van dit bestemmingsplan worden deze gebieden opnieuw begrensd, waarbij de vigerende bestemming een belangrijk vertrekpunt is.

De locatie van het gewenste agrarische bouwvlak ligt binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'. De vigerende bestemmingen zijn 'Wonen' en 'Agrarisch'. Op gronden met deze bestemming zijn landschappelijke waarden niet of zeer beperkt aanwezig. Het is dan ook niet aannemelijk dat landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden aangetast worden.

Het perceel is gelegen in een agrarisch komgebied, echter is er geen sprake van landschappelijke en/of natuurlijke waarden op het perceel. De gronden zijn gedeeltelijk reeds in gebruik voor de teelt van laan- en sierbomen. Er zijn op de locatie geen cultuurhistorische elementen aanwezig. Doordat het initiatief uitsluitend de sloop van een gedeelte van de bestaande schuren en de bouw van een nieuwe schuur aan de achterzijde van de woning omvat wordt er rekening gehouden met de traditionele erfopzet, de compactheid van de bebouwing en het landschappelijk versterken van een struweel met afwisseling in hoge en lage beplanting (6-8m hoog en 5m breed, met inheemse soorten). Hierdoor voegt het plan iets toe aan de afwisseling en kleinschalige structuur van het landschap. Gezien het perceel in de huidige situatie reeds gedeeltelijk gebruikt wordt voor de teelt van laan- en sierbomen is er met het realiseren van het initiatief geen sprake van de aantasting van eventuele natuurwaarden. Aan dit criterium wordt voldaan.


Overwegend grondgebonden bedrijf

Criterium d: Het dient een overwegend grondgebonden bedrijf te betreffen (geen intensieve veehouderijen). Een uitzondering hierop wordt gevormd door containerteelt, welke formeel gezien niet grondgebonden is, maar wel als een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector wordt beschouwd. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie. Een overwegend handelsbedrijf (zowel in dieren als in planten) wordt niet beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ondergeschikte handelsactiviteiten passen uiteraard wel binnen een agrarische bestemming.


Het bedrijf betreft een kwekerij wat gericht is op het kweken van laan- en parkbomen in de volle grond. Daarnaast wordt dit uitgebreid met een containerveld van circa 1000 m2. Het containerveld biedt de mogelijkheid om een standaard sortiment aan vaste planten en siergrassen op te kweken. De onderneming is daarmee overwegend agrarisch en grondgebonden. De combinatie tussen kwekerij en hoveniersbedrijf zorgt er voor dat de gekweekte bomen en planten gemakkelijk kunnen worden afgezet via het hoveniersbedrijf. De activiteiten ter plaatse van het plangebied bevatten hoofdzakelijk de teelt, de hovenierswerkzaamheden vinden plaats op de locatie van de klanten en is daarmee een gering onderdeel van de bedrijfsvoering. Het is daarom een bedrijf dat op deze locatie gekenmerkt wordt door een hoofdzakelijk grondgebonden bedrijfsvoering.


Bouwperceel van maximaal 1 ha

Criterium e: De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha, via wijziging onder de gebruikelijke voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha.


Het in dit plan opgenomen bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 3.000 m² en biedt ruimte aan de bestaande bedrijfswoning met bijgebouw en een bedrijfsgebouw (schuur ten behoeve van opslag en verwerking van producten). Deze oppervlakte blijft ruimschoots onder het gestelde criterium van maximaal 1 ha.


Bedrijfswoning

Criterium f: Indien een bedrijfswoning, met name voor gezinsbedrijven (niet voor het personeel), aantoonbaar noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (op advies van een onafhankelijk agrarische adviesinstantie), kan deze worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening.

Op het perceel is reeds een woning aanwezig. Met voorliggend initiatief blijft deze woning behouden en wordt deze omgezet naar een bedrijfswoning. De woning is en blijft bewoond door de initiatiefnemer en zijn gezin, die samen de werkzaamheden ter plaatse uitvoeren.


Gesitueerd aan verharde openbare weg

Criterium g: Een agrarisch bouwperceel wordt uitsluitend gesitueerd aan een verharde openbare weg en is bij voorkeur goed ontsloten.

Het perceel is ontsloten op de Stationsweg. Dit is een verharde en openbare weg. Het initiatief voldoet hiermee aan het gestelde criterium.


Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan alle criteria uit de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" wordt voldaan.

3.4 Conclusie

Het bestemmingsplan (hier: wijzigingsplan) is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving

De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen:

  • Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is.
  • Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen.

4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan

Het perceel wordt ontsloten via de Stationsweg, een lokale landbouwweg die alleen wordt gebruikt door

bestemmingsverkeer van aanliggende agrarische bedrijven en (bedrijfs)woningen. Met voorliggend plan wordt het reeds aanwezige bedrijf goed geregeld op de huidige locatie. Het contact met de klanten en de werkzaamheden daaromtrent zal ook in de toekomstige situatie plaatsvinden op de locatie van de klanten. Gezien het feit dat de eigenaar en zijn gezin samen de kweekwerkzaamheden op het perceel aan de Stationsweg (gaan) uitvoeren zal er slechts beperkt sprake zijn van een toename aan verkeer. Het gaat om 1 vrachtwagen in de dagperiode en 6 personenauto's in de dagperiode. Deze toename kan zonder problemen worden opgevangen door de omliggende wegen.

4.1.2 Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving

Op 11 mei 2017 heeft de gemeenteraad de 'Nota Parkeernormen' vastgesteld. Deze nota beoogt het vastleggen van de parkeernormen in de gemeente Neder-Betuwe en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Aan de hand van de parkeernormen kan de parkeerbehoefte van toekomstige ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen berekend worden. De gemeente heeft de parkeernormen ontleend aan de landelijke kencijfers van CROW.

4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan

Volgens de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017' dienen er bij een vrijstaande woning in het buitengebied minimaal 2,8 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op het eigen erf is en blijft er voldoende ruimte om minimaal 3 auto's te parkeren.

Voor agrarische bedrijven zijn geen normen opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017'. Ook voor het parkeren van de machines behorende bij een agrarisch bedrijf zijn geen vaste normen opgenomen. Wel wordt de eis gesteld dat er voldoende ruimte op het bedrijf aanwezig moet zijn voor de stalling van machines en voertuigen en voor de auto's van werknemers en dus voor de eigen bedrijfsvoering. In de nieuw te realiseren schuur is voldoende ruimte voorzien voor de stalling van de machines en voertuigen. Het realiseren van parkeerplaatsen voor werknemers is niet aan de orde, gezien de initiatiefnemer samen met zijn vrouw de activiteiten op het perceel uitvoert. Daarnaast is er ook geen sprake van bezoekers of klanten die naar het bedrijf toekomen waarvoor parkeerplaatsen benodigd zijn, gezien de werkzaamheden op de locatie van de klant wordt uitgevoerd.

Op grond van het bestemmingsplan 'Parapluregeling Parkeren' is de instandhouding van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd. Immers bij elke vergunning wordt de parkeernorm getoetst.

4.1.3 Conclusie

Het aspect 'verkeer & parkeren' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een woonperceel in het buitengebied tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. Het initiatief betreft geen bodemgevoelige functie. In het kader van voorliggend initiatief wordt momenteel een bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek wordt onder andere de nulsituatie vastgesteld, vanwege de ouderdom van het erf. De rapportage van dit onderzoek zal worden opgenomen in bijlage 2.

De voor de onderzoekslocatie gestelde hypothese 'verdacht voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen

(OCB) en diverse parameters ter plaatse van de slootdemping' dient verworpen te worden, vanwege de

niet aangetoonde gehalten aan OCB en diverse parameters in de grond. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek voor de algemene bodemkwaliteit is de hypothese 'verdacht voor verontreiniging' bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten plaatselijk in de grond. De aangetoonde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen onzes inziens niet noodzakelijk worden geacht.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming.

4.2.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan en daarmee is het plan uitvoerbaar op het gebied van bodem.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

4.3.2 Wegverkeerslawaai

Regelgeving

In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een ruimtelijk plan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0006.png"

Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt.

Doorvertaling bestemmingsplan

Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van de reeds aanwezige burgerwoning naar een bedrijfswoning. Een akoestisch onderzoek is daarom niet benodigd. Vanuit de Wet geluidhinder gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.3 Railverkeerslawaai

Regelgeving

In de Wgh en het Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. Binnen deze zone is de Wgh van toepassing.

Doorvertaling bestemmingsplan

Gelijk aan de benadering van het aspect wegverkeerlawaai is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek inzake railverkeerslawaai niet aan de orde. Er is sprake van een reeds bestaande woning die wordt omgezet van een burgerwoning naar een bedrijfswoning, er wordt geen nieuw geluidgevoelig object toegevoegd op het perceel.

4.3.4 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.4 Bedrijven en Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0007.jpg"

Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Algemeen

Op basis van de VNG-brochure is de omgeving van het plangebied aan te merken als een 'rustig buitengebied'. Gelet op de aanwezige functies zoals diverse agrarische gronden en woonfuncties in het buitengebied is sprake van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Dit betekent concreet dat de bovenstaande richtafstanden van de middelste kolom van toepassing zijn.

Bedrijfswoning binnen het plangebied

De woning in het plan betreft een bestaande (bedrijfs)woning voor het agrarisch bedrijf. Dergelijke woningen zijn niet gevoelig voor milieuhinder van het eigen bedrijf, maar wel dient te worden onderzocht of er sprake is van hinder van andere bedrijven of functies in de omgeving. Binnen het plangebied is en blijft een (bedrijfs)woning aanwezig. Omliggende bedrijven dienen reeds rekening te houden met de woning binnen het plangebied, waardoor er ter plaatse van de woning vanuit milieuzonering sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Er verandert immers niets aan deze situatie. Daarnaast zal onderhavig plan de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet extra belemmeren omdat deze bedrijven reeds rekening moeten houden met de aanwezigheid van de woning.

Gevoelige functies in de omgeving

Andersom moet worden beoordeeld of de vestiging van een agrarisch bedrijf invloed heeft op het woon- en leefklimaat van bestaande gevoelige functies in de buurt. Een kwekerij is geen bedrijfstype dat is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG handreiking. Het kan het best worden vergeleken met een akkerbouwbedrijf, hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in rustig buitengebied, vanwege geluid. Op naastgelegen perceel, binnen 10 m afstand, bevindt zich een burgerwoning. In het kader van voorliggend initiatief is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus bij de woningen in de omgeving niet worden overschreden. Er zal dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.5.2 Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Het agrarische terrein ten oosten van het plangebied wordt al gebruikt voor de teelt, en hiervoor zijn in de huidige situatie ook landbouwmachines nodig. De veranderde stalling van deze machines op het erf zelf zal niet leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de (bedrijfs)woning reeds aanwezig op het perceel, waarmee dit bestemmingsplan binnen de NIBM-regeling valt. Een onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool)

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   14,8 µg/m3   15,9 µg/m3   8,9 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden.

4.5.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten
bebouwde kom  
diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij

In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe

Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden. Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde.

4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het bedrijf dat hier gevestigd wordt is een kwekerij met ondergeschikt hoveniersbedrijf en ontwerpbureau. Er wordt geen vee gehouden. De omliggende geurgevoelige functies worden niet belemmerd door de komst van het bedrijf.

Binnen het plangebied wordt de burgerwoning omgezet naar een bedrijfswoning, waarmee er blijvend sprake zal zijn van een geurgevoelig object op het perceel. Mogelijke veehouderijen in de omgeving dienen reeds rekening te houden met de aanwezigheid van deze woning, waarmee de geurbelasting ter plaatse van de woning aanvaardbaar zal zijn. Daarnaast is er geen sprake van extra hinder ten aanzien van de ontwikkelmogelijkheden van dit bedrijf en omliggende bedrijven gezien de situatie op het perceel niet veranderd, de bestaande woning blijft behouden als zodanig.

4.6.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018

Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan.

Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt.

De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij:

  • 1. de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht;
  • 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's;
  • 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid;
  • 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's;
  • 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.
4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen. In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Het gaat om:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.wpECstationsweg27-vst1_0008.png"

Uitsnede risicokaart, plangebied blauw omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)

In de omgeving van het plangebied lopen meerdere leidingen, transportroutes en zijn enkele inrichtingen gevestigd. Op ca. 125 m ten oosten van het plangebied ligt een hogedrukaardgastransportleiding (NEN 3650). De 1%-lethaliteitsgrens van deze leiding ligt op 70 meter. Het plangebied ligt hier buiten. Op ca. 460 m afstand loopt een bovengrondse hoogspanningslijn, waarmee de woning ruim buiten de indicatieve magneetveldzone voor deze hoogspanningslijn valt (2 x 70 m).

Het plan voorziet zelf niet in het oprichten van risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten.

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A15. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

- de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en

- de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 30 oktober 2023 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de

zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NLalert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

4.7.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A15. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende

mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterprogramma 2022-2027, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen', Watervisie 2050, Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe

Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor de komende jaren is omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe (GRP) 2019 - 2023. In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater.

Watervisie 2050 en Waterbeheerprogramma 2022-2027

Waterschap Rivierenland heeft als missie in de Watervisie 2050 opgenomen dat ze zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. in het Waterbeheerprogramma (WBP) wordt dit verder uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Hierbij zijn een aantal principes leidend:

  • 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk.
  • 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied.
  • 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen.
  • 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus.
  • 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af.
  • 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes.
  • 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

Voor Neder-Betuwe geldt een zogenoemd categorie 1 focusgebied. Neder-Betuwe is een gebied met lokale kwetsbaarheden door wisselende maaiveldhoogten en een kleinschalig watersysteem. Af- en aanvoerknelpunten liggen dicht bij elkaar en moeten in samenhang worden aangepakt. Lokaal zijn de grenzen bereikt en zullen we in samenwerking met de fruit- en de laanboomsector naar een oplossing moeten zoeken, mogelijk ook in combinatie met het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen. De streek moet ook een bijdrage leveren. Ruimte voor water creëren en water vasthouden en vertraagd afvoeren kan hier interessant zijn. Een toekomstbestendig watersysteem voor voldoende water is het doel.

4.8.2 Doorwerking plangebied

Voorliggend initiatief betreft de herontwikkeling van een woonperceel tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. Hiertoe worden in totaal ca. 225 m² aan schuren gesloopt en een nieuwe schuur van 500 m² opgericht. Daarnaast bestaat er binnen het bouwvlak de mogelijkheid om erfverharding toe te passen. Ook de komst van het containerveld met een oppervlakte van 1000 m2 leidt tot een toename van verharding.

Watertoets

Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat het plangebied grenst aan een A-, B- en C- watergang en op het terrein de bijbehorende (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/ watergangen aanwezig zijn. Hierom wordt voor de voorgenomen ontwikkeling de normale procedure doorlopen. Het resultaat van de watertoets is te vinden in bijlage 4.

Oppervlaktewatersysteem

In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen te vinden. Direct ten noorden van het plangebied ligt een A watergang (id: 691568). Tussen het plangebied en de Stationsweg ligt een B watergang (id: 66264011). Direct ten oosten van het plangebied ligt eveneens een B watergang (id: 66243152). Binnen het plangebied loopt een C watergang (id: 66269640). Langs de noordelijke rand van het plangebied loopt de beschermingszone van de A watergang, de bijbehorende dubbelbestemming is overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het oprichten van bouwwerken is binnen deze zone niet toegestaan, ten behoeve van het beheer en onderhoud van de watergang.

Veiligheid

In de omgeving van de planlocatie zijn geen waterkeringen gelegen. Ook is er geen sprake van overstromingsrisico.

Kwantitatieve wateropgave

De voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een totale toename van bebouwing en verharding in het gebied met een omvang van ca. 1.946 m² (de bedrijfsbebouwing met verharding omvat ca. 1.343 m2, de toegangsweg ten oosten hiervan omvat ca. 603 m²). Volgens het beleid van Waterschap Rivierenland geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 1.500 m2 voor landelijk gebied, waardoor er sprake is van een compensatieplicht voor 446 m². Op basis van de T=10+10% ontwerpbui, moet in het plangebied 19,4 m3 (446/10.000*436) aan waterberging gerealiseerd worden om deze verharding te compenseren. Om deze waterberging te realiseren, kan de bestaande watergang ten oosten van het plangebied, liggend langs de rand van het aangrenzende agrarische perceel worden verbreed. Deze verbreding en de wateropgave wordt daarmee binnen het peilgebied opgelost.

Kwalitatieve wateropgave

Bij nieuwbouw gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Schoon hemelwater van daken wordt via een hemelwaterafvoerleiding rechtstreeks op het oppervlaktewater worden geloosd. Voor een goede waterkwaliteit is het van belang dat er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt worden, om te voorkomen dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Het gebruik van (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen is niet toegestaan op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Als dergelijke materialen toch gebruikt worden, dient het regenwater te worden gezuiverd alvorens het wordt afgevoerd; daarbij valt te denken aan bodempassages, lamellenfilters en bermpassages (van belang is een voldoende zuiveringsrendement). Hemelwater moet in ieder geval op deze wijze gezuiverd worden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Natte natuur / verdroging

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden niet via het oppervlaktewater worden aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast.

Kwel en hydrologisch neutraal bouwen

Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. De extra kwel moet dan in het plangebied worden geborgen.

Grondwateroverlast

Indien ondergrondse constructies worden gebouwd dient waterdicht gebouwd te worden om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. De meeste drinkwaterbedrijven stellen zich op het standpunt dat koudewarmteopslagsystemen in grondwaterbeschermingsgebieden ongewenst zijn zolang er onduidelijkheid bestaat over de effecten. De concrete uitwerking van de schuur wordt opgenomen bij de definitieve aanvraag van de omgevingsvergunning van het bouwen.

Keur en Legger

Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd.

De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is.

Overleg Waterschap Rivierenland

In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het voorliggende plan voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland.

4.8.3 Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

4.9.1.1 Soortenbescherming

Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een ruimtelijk plan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

  • 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
  • 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en
    • c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
      • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of
      • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
  • 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.9.1.2 Gebiedsbescherming

Natura2000

De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan
4.9.2.1 Soortenbescherming

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. Geconcludeerd wordt dat er een aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd naar huismussen, welke bij de uitvoering (omgevingsvergunning) wordt uitgevoerd. Daarnaast is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Hiermee is de beoogde ruimtelijke ingreep aan de Stationsweg 27 te Echteld uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

4.9.2.2 Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Gelderland. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken' en ligt op circa 1,4 km van het plangebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, wordt momenteel een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 6.

4.9.3 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2021. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan
4.10.2.1 Archeologie

Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Voor het plangebied geldt de verwachtingswaarde 'Waarde - Archeologie 2'. Voor gronden met een dergelijke verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht bij initiatieven die voorzien in nieuw te bouwen oppervlakte van 1.000 m2 en dieper dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld. Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van bouwwerken en werkzaamheden die de gestelde grenswaarde overschrijden, waarmee het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde is.

De geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan om de mogelijk aanwezige archeologische waardes in de toekomst te beschermen.

4.10.2.2 Cultuurhistorie

Voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een woonperceel tot een kwekerij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf met ontwerpbureau. Daarbij worden enkele schuren verwijderd en een nieuwe schuur aan de achterzijde van de bedrijfswoning opgericht. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig. Met de sloop en bouw van de schuren worden geen cultuurhistorische waarden in het plangebied of in de directe omgeving aangetast. De nieuwbouw achter op het erf past in de structuur van een agrarisch erf.

4.10.3 Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit plan en daarmee is het plan uitvoerbaar op het gebied van archeologie en cultuurhistorie.

4.11 Leidingen

4.11.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig binnen het plangebied.

4.11.3 Conclusie

Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.12 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Het plan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

4.13 Spuitzonering

4.13.1 Regelgeving

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater en het neerwaarts bespuiten op basis van lage druk (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming om op die manier te garanderen dat er sprake is vaan goed woon- en leefklimaat. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Hiervan kan worden afgeweken als op basis van onderzoek wordt aangetoond dat er ook met een kleinere afstand sprake is en/of blijft van een goed woon- en leefklimaat.


Sinds 1 januari 2017 is het grond van het artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%. Uitgaande van deze verplichte spuitmethode en vaste jurisprudentie geldt dat bij een minimale afstand van 50 meter van de bebouwing tot de eerste bomenrij er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.13.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld, is de teelt van de gewassen binnen de agrarische bestemming reeds toegestaan en daarmee de mogelijkheid van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De volle grondteelt van het bedrijf vindt plaats buiten het toe te voegen agrarisch bouwvlak en binnen de bestaande planologische mogelijkheden. Doordat deze agrarische gronden al omringd zijn door de aanwezigheid van gevoelige functies is er geen sprake van een significante verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Bijkomend is het plangebied in de huidige situatie reeds deels bestemd als agrarisch, echter zonder bouwvlak. De naastgelegen woonbestemming grenst ook direct aan een agrarische bestemming waar teelt van gewassen en daarmee het potentiele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Deze functie is reeds gevoelig voor gewasbeschermingsmiddelen. Het toevoegen van een bouwvlak ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering doet daar niets aan af. Daarbij komt dat enkel op het agrarisch bouwvlak sprake is van de bedrijfsgebouwen en niet van teelt van gewassen. Middels de afscherming door de struweelhaag/ landschappelijke beplanting, wordt verwaaiing van drift grotendeels voorkomen. Hiermee is voldoende onderbouwd dat er sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat.

4.13.3 Conclusie

Het aspect 'spuitzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan (hier: wijzigingsplan) bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen, die overeenkomen en aansluiten op het moederplan. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd:

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels 
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2 Bestemmingen

Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de verschillende bestemmingen.

Agrarisch

Het perceel had gedeeltelijk reeds deze bestemming, het gedeelte van de bestemming 'Wonen' is aangepast naar 'Agrarisch'. Met dit plan is tevens een bouwvlak toegevoegd, zodat het mogelijk is om een schuur te realiseren op de gewenste plek. Als voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuw te realiseren schuur de landschappelijke inpassing is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Ook ten aanzien van de waterbergingsopgave is een voorwaardelijke verplichting voor aanleg en instandhouding opgenomen.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'

Het hele plangebied behoudt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', ten behoeve van het waarborgen van mogelijk aanwezige (toevals)vondsten.

Dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang'

Deze bestemming is, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding.

In de Overige regels in artikel 10 is de 'Parapluregeling Parkeren' ook voor dit plangebied van toepassing opgenomen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene gebruiksregels 

Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn regels voor (niet-publieksgerichte) aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten opgenomen.

Algemene aanduidingsregels

Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Ter plaatse van het plangebied geldt de gebiedsaanduiding:

  • 'vrijwaringszone - weg'.

Algemene afwijkingsregels 

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Er zijn onder meer algemene afwijkingsregels opgenomen voor evenementen, publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, bed & breakfastaccommodaties, parkeren en jongerenontmoetingsplaatsen.

Algemene wijzigingsregels 

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht 

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel

Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

6.1.2 Conclusie

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt afgezien van het houden van inspraak. De initiatiefnemer heeft de naaste buren van de voorgenomen wijziging op de hoogte gesteld.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Overleg

Met dit bestemmingsplan (hier: wijzigingsplan) worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die ingrijpen op het provinciaal belang. In het kader van het wettelijk overleg is dan ook alleen het waterschap betrokken.

7.2 Inspraak

Voor dit plan wordt geen formele inspraakprocedure doorlopen. De omwonenden zijn op de hoogte gesteld van het plan. Het bestemmingsplan (hier: wijzigingsplan) wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.

7.3 Ontwerpfase

Het ontwerpwijzigingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een

ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

7.4 Vaststellingsfase

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpwijzigingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.