direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Boveneindsestraat 4 Kesteren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1

Motivering

behorende bij het TAM-omgevingsplan Boveneindsestraat 4 Kesteren

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Initiatiefnemer is voornemens aan weerszijden van de woning aan de Boveneindsestraat 4 in Kesteren één nieuwe, vrijstaande woning te realiseren. Dit voornemen past niet in het omgevingsplan. Voor een verdere realisatie van het plan is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

1.2 Ligging en begrenzing

De locatie is gelegen in de kern van het dorp Kesteren. Kadastraal staat het perceel bekend als gemeente Kesteren, sectie E, nummers 2028, 2029 en 2030.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0001.jpg"

Ligging in omgeving

1.3 Leeswijzer

Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

2.1 Huidige situatie

Omgeving

De locatie is gelegen in de kern van Kesteren. De omgeving bestaat hier voornamelijk uit woningen en een aantal bedrijven. Ongeveer 300 meter ten zuidwesten van de locatie is het bedrijventerrein van Kesteren gelegen. Voor de rest bestaat de omgeving, buiten de kern van het dorp, uit het buitengebied van de gemeente waar het grondgebruik overwegend agrarisch is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0002.jpg"

Luchtfoto omgeving

Projectgebied

De locatie is gelegen in het kruispunt Boveneindsestraat - Spoorstraat. De locatie heeft een omvang van ruim 2.450 m2. Op de locatie is een vrijstaande woning aanwezig. Ook is nog een ander pand aanwezig. Op de opritten en het erf rondom de bebouwing na zijn de gronden ingericht als grasland. Langs de noordelijke perceelsgrens is een haag aanwezig. Ook staan een paar bomen op de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0003.jpg"

Luchtfoto locatie

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer wil graag 2 extra woningen realiseren op de locatie. De omvang van de grote percelen biedt daarvoor voldoende ruimte en het sluit aan bij de omliggende dorpsbebouwing. Het kleine (bij)gebouw op de locatie wordt gesloopt. Vervolgens worden aan beide kanten van de bestaande woning nieuwe, vrijstaande woningen gebouwd. De westelijke nieuwe woning krijgt een omvang van 140 m2. Dat perceel is ook het grootst, en is daarom ook geschikt voor een grotere woning. De oostelijke nieuwe woning wordt circa 100 m2. De nieuwe woningen krijgen een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter. Daarmee wordt aangesloten op de Boveneindsestraat 1, waar ook nieuwbouw gerealiseerd wordt met een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 10 meter.

De beeldbepalende coniferen blijven behouden. Verder wordt de locatie landschappelijk ingepast door de toevoeging van een nieuwe, geschoren gemengde haag, een laagstam fruitboomgaard en nieuwe bomen. Elke woning krijg een eigen oprit vanaf de Boveneindsestraat. Er wordt daarnaast voldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0004.jpg"

Inrichtingsplan

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.

Toetsing

Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van de locatie. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu). Het gaat in principe nog steeds om een goede ruimtelijke ordening, maar met een bredere afweging waar onder andere ook gezondheid een rol in speelt.

De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:

  • waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
  • behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
  • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

Toetsing

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief daaraan getoetst.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland wil de provincie Gelderland in de toekomst gaaf houden. In deze omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om nu en in de toekomst prettig in de provincie te kunnen wonen, studeren en ontspannen. Samen met partners wordt elke dag gewerkt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Er wordt gericht op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Aan de hand van 7 onderwerpen wordt hier richting aan gegeven:

  • Energietransitie: van fossielvrij naar duurzaam.
  • Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.
  • Circulaire economie: sluiten van kringlopen.
  • Biodiversiteit: werken met de natuur.
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
  • Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
  • Woon- en leefklimaat: dynamisch, divers en duurzaam.

In de omgevingsvisie worden geen specifieke uitgangspunten beschreven voor deze ontwikkeling. In algemene zin draagt deze ontwikkeling wel bij aan een dynamisch, divers en duurzaam woon- en leefklimaat.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgenomen die door gemeenten meegenomen moeten worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze regels beschermen en waarborgen de belangen van de provincie. In de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Hieronder worden de relevantie bepalingen voor het plangebied besproken.

Artikel 5.35 (beschermen landschap Gelderse streken: Betuwe en Tielerwaard)

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard.

Voor de streek Betuwe en Tielerwaard zijn de volgende kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen benoemd:
afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0005.jpg"

Toetsing

De genoemde kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. De gronden zijn daarnaast al bestemd voor wonen. Twee nieuwe woningen zullen geen afbreuk doen aan de genoemde kernkwaliteiten.

Artikel 5.64 (doorwerking regionale woonagenda)

  • 1. Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda.
  • 2. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:
    • a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
    • b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

Toetsing

De colleges van de acht gemeenten binnen de regio Rivierenland hebben ingestemd met de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030. De regionale woonagenda vormt een belangrijk kader voor de ontwikkelingen van nieuwe woningen in de regio. In de woonagenda is het regionaal woningbouwprogramma opgenomen. In het woningbouwprogramma wordt gewerkt met een bandbreedte. In totaal bevat het woningbouwprogramma voor 2020-2030 van de Regio Rivierenland 7.900 - 12.550 woningen. Het deel van de gemeente Neder-Betuwe bedraag 950-1.400 woningen. Dit project maakt de ontwikkeling mogelijk van twee nieuwe woningen en past binnen deze regionale afspraken.

Conclusie

Dit project is in overeenstemming met de omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woonagenda 2020-2030

In het najaar van 2020 is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Neder-Betuwe heeft samen met de andere regiogemeenten vijf thema's gekozen waarin we samenwerking zoeken:

  • Continuïteit in productie waarbij we de bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren en waar gaan proberen om adaptief (flexibeler) te programmeren.
  • Betaalbaarheid waarbij we ons extra inzetten voor huishoudens met een laag- of middeninkomen.
  • Flexibiliteit op de woningmarkt: er is een toenemend aantal inwoners dat behoefte heeft aan betaalbare en snel beschikbare woonruimte.
  • Wonen en zorg waarbij er voldoende passende en betaalbare woonruimte beschikbaar moet zijn in een breed scala aan woonvormen.
  • Duurzame woningvoorraad waarbij we kijken naar de Regionale Energie Strategie (RES) die invulling moet geven aan de ambities uit het Klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord.

Toetsing

Met de ontwikkeling wordt voorzien in twee woningen. De woningen zullen aan de gebruikelijke duurzaamheidseisen voldoen, met extra aandacht voor de inpassing.

3.3.2 Regionaal woningbouwprogramma Rivierenland

Het Woningbouwprogramma voor de periode 2020-2030 is vastgesteld door de Provincie Gelderland. Voor de gemeente Neder-Betuwe gaat het om minimaal 950 en maximaal 1.400 woningen tot 2030.

De Omgevingsverordening stelt ten aanzien van nieuwe woonlocaties (artikel 2.2.1.1) dat “in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.”

De gemeenten in de regio Rivierenland werken al jarenlang samen op het gebied van wonen. De regio heeft een methodiek van kwalitatief programmeren ontwikkeld, die de instemming van de provincie heeft. Om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen hebben de gemeenten van de regio Rivierenland afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren - actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Alle projecten worden getoetst op vier punten:

  • 1. Woonmilieu, prijs en woningtype
  • 2. Hardheid
  • 3. Ruimtelijke kwaliteit en meerwaarde voor de omgeving
  • 4. Prioritering

Toetsing

De ontwikkeling (twee nieuwe woningen) past binnen de regionale afspraken en de wens van de gemeente Neder-Betuwe maximaal 1.400 woningen te bouwen tot 2030.

Met betrekking tot de toets van de 4 punten:

  • 1. Dit project voorziet in (middel)dure woningen. Dat zorgt voor doorstroming, waardoor meer betaalbare wonignen beschikbaar komen.
  • 2. Voorliggende ontwikkeling scoort op dit punt nog 'oranje' aangezien het plan wel is goedgekeurd door de regiekamer (principeakkoord) en met het college een anterieure overeenkomst is gesloten. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan leidt tot een omslag naar 'groen'.
  • 3. Onder deze noemer vallen in ieder geval de plannen waar sprake is van een verbetering van locatie en omgeving zoals bij herstructurering en bedrijfssanering. Daarnaast kan een bepaald woningbouwprogramma aanleiding zijn om prioriteit te geven aan een project. Het realiseren van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied betreft een verbetering van locatie en omgeving.
  • 4. Het plan sluit goed aan bij de woningbehoefte en het woonbeleid. hiermee valt in categorie 1: kansrijke plannen (groen). Daarin vallen plannen die goed aansluiten bij de actuele markt, waarvoor tenminste een bestuurlijk besluit is genomen en die gerealiseerd worden binnen vijf jaar.
3.3.3 Woondeal Rivierenland

Algemeen

De Woondeal Rivierenland die de 8 gemeenten in de regio Rivierenland opstelden in samenwerking met de provincie Gelderland en het Ministerie van Binnenlandse zaken is de regionale uitwerking van de Nationale Woon- en Bouwagenda die in het voorjaar van 2022 verscheen. De provincie Gelderland koos ervoor de Gelderse Woondeal op te stellen. In Gelderland is afgesproken de komende jaren in te zetten op de bouw van 100.000 woningen, waarvan minimaal 60% betaalbaar en waarvan minimaal 28% sociale huur door corporaties.

Regionaal

De Gelderse Woondeal is vervolgens vertaald in regionale Woondeals. Voor de regio Rivierenland is afgesproken in te zetten op de realisatie van circa 12.940 nieuwe woningen en met daarbij een streven voor de realisatie van minimaal 61% betaalbare woningen inclusief minimaal 28% sociale huurwoningen in het woningbouwprogramma tot 2030.

Voor de gemeente Neder-Betuwe wordt uitgegaan van 1.396 te realiseren woningen.

Toetsing

De afspraken over het programma van dit plan zijn gemaakt voordat de regionale Woondeal is ondertekend. Kwantitatief draagt de ontwikkeling bij aan het invullen van de woonbehoefte. Dit project voorziet in 2 nieuwe, middeldure koopwoningen. Doorstroming zorgt ervoor dat betaalbaardere woningen beschikbaar komen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe

De Omgevingsvisie Neder-Betuwe is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 februari 2022. De Omgevingsvisie Neder-Betuwe richt zich op 10 speerpunten. Het relevante speerpunt voor dit plan is 'Wonen voor iedereen'. Hierover is het volgende beschreven:

Met onze acties richten wij ons op het faciliteren van woningbouwplannen in alle kernen. Het gaat om de juiste woningen op de juiste plek en waar behoefte is. Bij de nieuwe ontwikkelingen leggen wij de nadruk op betaalbaar wonen en wonen voor starters en senioren. We zorgen er voor dat in alle kernen wordt gebouwd.

Verder zijn de volgende relevante uitgangspunten benoemd:

Uitbreiding en inbreiding

  • Bestaande uitbreidingslocaties worden ontwikkeld en afgerond.
  • Nieuwe woningbouwlocaties zijn alleen mogelijk aansluitend aan bestaande kernen met een goede landschappelijke inpassing, een goede ontsluiting en met aandacht voor de aanwezigheid of bereikbaarheid van voorzieningen.
  • We onderzoeken mogelijke inbreidingslocaties voor woningbouw.
  • Gestapelde bouw behoort tot de mogelijkheden, om uitbreiding te voorkomen.

Type woningen

  • We zetten in op gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua woningtype als prijsklasse, om aan de autonome inwonersgroei van de gemeente te voldoen. Het aantal is afhankelijk van de bestaande woningbouw, behoefte en nieuwbouwmogelijkheden per kern.
  • We realiseren in elke kern voldoende aanbod van betaalbare (sociale)huur- en koopwoningen.
  • Bij de kernen Kesteren, Dodewaard, Ochten en Opheusden zoeken we partners om woon-zorg aanbod te realiseren.
  • Voor het huisvesten van statushouders, zorgdoelgroepen en spoedzoekers werken we samen met woningcorporatie Thius. Door bij nieuwbouw voldoende sociale huur te realiseren draagt elke ontwikkelaar een steentje bij aan deze maatschappelijke opgave.
  • Bij de kernen Echteld en IJzendoorn stimuleren en faciliteren we lokale initiatieven voor bijvoorbeeld meergeneratiewoningen en woonzorgboerderijen die passen bij de schaal van de omgeving.
  • We zorgen voor voldoende huisvestingsmogelijkheden voor de lokaal werkende arbeidsmigranten.
  • We zorgen voor integratie en begeleiding van migranten.
  • Wij werken samen met Neder-Betuwe Bloeit aan leefbare wijken.

Duurzaam bouwen

  • De focus ligt op klimaatneutraal en circulair bouwen.
  • We bouwen duurzame goed geïsoleerde woningen, zonder aardgas. Bij de bouw van nieuwe woningen en gebouwen kiezen we voor duurzame (bouw)materialen en de mogelijkheid van hergebruik van materialen.
  • We stimuleren het opwekken van energie door zonnepanelen op daken van woningen en (agrarische en bedrijfs-) gebouwen.

Toetsing

Dit plan voorziet in 2 nieuwe woningen. Er is sprake van inbreiding: de ontwikkeling vindt plaats in de kern van Kesteren, en de gronden zijn al bestemd voor wonen. De vrijstaande woningen passen in de directe omgeving. Dit zullen geen betaalbare woningen zijn voor starters, maar wel zorgt dit voor doorstroming op de woningmarkt. Daar zijn ook starters bij gebaat. Daarmee is dit project in overeenstemming met de omgevingsvisie.

3.4.2 Programma Wonen 2022-2030

Op 27 januari 2022 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe het Programma Wonen vastgesteld. Het Programma Wonen is de uitvoering van het doel wonen voor iedereen uit de gemeentelijke omgevingsvisie.

Het programma wonen kijkt vooruit en bevat speerpunten tot 2030. Die speerpunten zijn als volgt:

  • 1. Betaalbaar voor iedereen
  • 2. Beschikbaar voor iedereen
  • 3. Vindbaar voor iedereen
  • 4. Lagere inkomens
  • 5. Starters
  • 6. Senioren

Het programma wonen kort samengevat zijn goede aanvullingen op de woningvoorraad:

  • Sociale huurwoningen
  • Sociale koopwoningen
  • Betaalbare koop tot 300.000 euro
  • Woningtypen voor eenpersoonshuishoudens
  • Levensloopgeschikte woningen voor senioren
  • Kleinschalige woonoplossingen voor zorgdoelgroepen

Toetsing

Dit plan voorziet in 2 nieuwe, vrijstaande woningen. Zoals benoemd zijn die niet direct geschikt voor starters of senioren, maar door doorstroming op de woningmarkt komen betaalbare woningen wel beschikbaar. Indirect draagt dit project daarmee bij aan de speerpunten uit het Programma Wonen.

3.4.3 Omgevingsplan

Voor het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe', vastgesteld door de gemeenteraad op 14 mei 2020, het bestemmingsplan 'Parapluplan 2023', vastgesteld door de gemeenteraad op 4 juli 2024 en het bestemmingsplan 'Parapluregeling Parkeren', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 april 2018.

Voor de locatie geldt de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak gesitueerd worden. Op de locatie is 1 vrijstaande woning toegestaan. Daarvoor geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter. Bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,25 en 5 meter. Maximaal 120 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan op bouwpercelen groter dan 800 m2.

Verder geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Hiermee zijn deze gronden mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde - Beschermd dorpsgezicht. Daarmee zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische waarden.

Met het bestemmingsplan Parapluplan 2023 is de dubbelbestemming Waarde - Integraal ensemble: Rijnbandijk - Boveneindsestraat toegekend aan de locatie, en heeft daarmee de dubbelbestemming Waarde - Beschermd dorpsgezicht vervangen. Daarmee zijn deze gronden mede bestemd voor de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble.

In het bestemmingsplan Parapluregeling Parkeren zijn als het ware regels en normen voor parkeren toegevoegd aan diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente. In het kort houden deze regels in dat bij het bouwen of aanpassen van gebouwen in voldoende parkeerruimte moet worden voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0006.jpg"

Uitsnede verbeelding

Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. Het omgevingsplan c.q. bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van nieuwe woningen. Op die plekken ontbreekt namelijk een bouwvlak. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde leefomgeving

4.1 Weging van het waterbelang

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • watercompensatie in verband met toenemende verharding
  • bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning

Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 8. Hieruit blijkt dat geen relevante waterschapsbelangen geraakt worden.

Met dit project neemt het totale verhardingsoppervlak op de locatie toe. Die toename is niet zodanig dat daarvoor compenserende maatregelen voor waterberging nodig zijn. Het beleid van het Waterschap biedt namelijk ruimte om bij een beperkte extra verharding, gebruik te maken van een vrijstelling.

Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggende gronden, waar het de bodem kan infiltreren.

Op de locatie en in de omgeving is geen grondwateroverlast bekend. Op en rond de locatie is geen oppervlaktewater aanwezig.

De vuilwaterafvoer van de nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem.

Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is het concept van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2022 gebruikt. Deze nieuwe handreiking (verwacht eerste kwartaal 2024) is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.

Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur.

Dit project voorziet in nieuwe woningen. Daarmee is alleen sprake van inwaartse zonering.

Aan de Rijnbandijk 171 is een agrarisch bedrijf aanwezig. Het gaat om een groot- en kleinhandel in groenten en fruit. Voor het geluidaspect geldt geluidzone 2 en voor het geuraspect geurzone 1. De grootste richtafstand bedraagt 50 meter. De afstand tot de projectlocatie bedraagt ruim 90 meter. Er wordt dus aan de richtafstand voldaan.

Overige milieubelastende activiteiten zijn op ruimere afstand gelegen of hebben een lagere milieucategorie.

Conclusie

Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:

  • landbouw en natuur
  • wonen
  • industrie

Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.

Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.

Voor dit project is door adviesbureau Vink een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.

Conclusie toplaag deellocatie A & B (perceel 2028 & 2030)

Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de toplaag van de gehelo onderzoekslocatie mogelijk diffuus verontreinigd is met chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (OCB) met een heterogeen karakter op schaal van monsterneming en daarom de hypothese ‘verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ geldt.

Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende:

  • Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen.
  • In de toplaag (0,0 - 0,30 m-mv) zijn geen chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (OCB’s) aangetroffen. Op basis van de parameter OCB voldoet de toplaag aan klasse landbouw/natuur.

Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ voor de toplaag verworpen kan worden.

Conclusie deellocatie B: perceel 2030 (drupzone)

Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem ter plaatse van de drupzone mogelijk diffuus verontreinigd is geraakt met asbest met een heterogeen karakter op schaal van monsterneming en daarom de hypothese ‘verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ geldt.

Uit de resultaten van het verkennend asbestonderzoek blijkt het volgende:

  • Ter plaatse van de drupzone zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • In de fijne fractie van de inspectiegaten 11, 12 en 13 is geen asbest aangetoond.

Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ formeel verworpen kan worden.

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten vormt de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen verontreinigingen aangetroffen die planuitvoering in de weg staan of die nopen tot nader onderzoek of sanering. Daarmee is het aspect bodem voldoende onderbouwd en vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Valt een project binnen een genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool (Excelapplicatie) op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.

Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van 2 nieuwe woningen. Daarmee valt dit onder de Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', namelijk in de categorie '1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg'. Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

In de directe omgeving van de locatie vinden geen geurbelastende activiteiten plaats. Geurhinder vormt daarmee geen belemmering.

4.6 Geluid

Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.

Voor dit project is door adviesbureau SPA WNP een akoestisch onderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 2. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.

De twee nieuwe woningen liggen binnen het aandachtsgebied van de geluidbronsoort gemeentewegen (o.a.: Spoorstraat, Boveneindsestraat, Stationsstraat). De overige geluidbronnen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze geluidbronnen niet relevant zijn met betrekking tot het geluid.

Uit het onderzoek blijkt dat het geluid vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen op de gevel van de:

  • nieuwe woning I hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde. Gezien de situatie en het berekende geluid zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid bij deze nieuwe woning te reduceren tot de standaardwaarde;
  • nieuwe woning II niet hoger is dan de standaardwaarde.

Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid is het gecumuleerde geluid bepaald. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen wat aanvaardbaar is. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 57 dB. Beide woningen beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Ook beschikken beiden woningen over meerdere geluidluwe buitenruimten. Op basis hiervan wordt gesteld dat er bij het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie.

Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 57 dB. De gemeente moet het gezamenlijke geluid op de gevel(s) vastleggen in het omgevingsplan.

4.7 Omgevingsveiligheid

De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
  • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor)
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal
  • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal

Kwetsbare gebouwen en locaties

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.

Plaatsgebonden risico

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.

Aandachtsgebieden

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:

  • brandaandachtsgebied
  • explosieaandachtsgebied
  • gifwolkaandachtsgebied

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0007.jpg"

Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De locatie is niet gelegen in of nabij een aandachtsgebied. Externe veiligheidsrisico's staan de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.

4.8 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

In de ruime omgeving van de locatie zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.9 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Dit project maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.

4.10 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek wijst uit dat de locatie een verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is.

Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd.

Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.11 Conclusie veilige en gezonde leefomgeving

De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Dit project voorziet in twee woningen. Het plan is daarmee niet ladderplichtig. Daarmee hoeft de ruimtebehoefte niet afgewogen te worden.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geldt voor de locatie een hoge verwachting. Hier is archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm. Dit project voorziet in 2 nieuwe woningen. Daarmee wordt de ondergrens van 1.000 m2 niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.

Op de locatie zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel ligt de locatie in een beschermd dorpsgezicht. In de toelichting van het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe is hierover het volgende beschreven:

"Enkele percelen aan de Boveneindsestraat in Kesteren zijn onderdeel van een beschermd dorpsgezicht. De betreffende percelen maken onderdeel uit van het gebied Boveneindsestraat - Rijnbandijk, dat op 1 maart 2005 is aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Met deze status wordt beoogd het waardevolle gebied direct ten oosten van de kern Kesteren te beschermen. De belangrijkste reden hiervoor is de sterke samenhang tussen de functie van het gebied, het bebouwingsbeeld en de aanwezige landschappelijk structuur. Deze factoren tezamen weerspiegelen de geschiedenis van dit deel van de gemeente. Conform het gemeentelijk beleid zijn alle wijzigingen aan objecten in dit gebied vergunningplichtig, dus ook bouwwerken die niet zelf als gemeentelijk of Rijksmonument zijn aangewezen.

Bij de vaststelling van het beschermd dorpsgezicht is daarnaast bepaald dat het verboden is bestaande bouwwerken in het gebied geheel of gedeeltelijk te slopen zonder omgevingsvergunning om kaalslag in het gebied te voorkomen."

De aanwezige waarden hebben betrekking op:

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;
  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;
  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;
  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;
  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;
  • de profilering van het dijklichaam.

Dit project voorziet in de sloop van 1 verouderd pand op de locatie, maar er komen 2 woningen voor terug. Het voorkomen van kaalheid in het gebied wordt daarmee juist versterkt. Op de waardenkaart zijn op de projectlocatie zijn twee beeldbepalende panden aangegeven, alsmede de bestaande bomen. De bomen blijven behouden, maar het oostelijke pand verdwijnt. Die is in vervallen staat en draagt op dit moment niet meer bij aan de kwaliteit of het karakter van het dorpsbeeld. Door de sloop ontstaat ruimte voor twee zorgvuldig ingepaste nieuwbouwwoningen die qua hoofdvorm, dakhelling en materiaalgebruik worden afgestemd op de karakteristieken van het beschermde dorpsgezicht. De situering van de woningen volgt de bestaande rooilijn langs de Boveneindsestraat, waardoor de karakteristieke nederzettingsstructuur behouden blijft. De nieuwbouw tast de zichtlijnen en de beleving van het landschap niet aan en versterkt het groene karakter van het gebied. Voor de goot- en bouwhoogtes wordt aansluiting gezocht bij de nieuwbouwontwikkeling aan de Boveneindsestraat 1. Daar worden vrijstaande nieuwbouwwoningen met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter gerealiseerd. De maximale bouwhoogte is tevens slechts 1 meter hoger dan de maximale bouwhoogte van de bestaande woning op de Boveneindsestraat 4. De maximale goothoogte blijft gelijk.

Verder blijft het bestaande verkavelingspatroon en de open voortuinen behouden, en worden versterkt door het toevoegen van nieuwe beplanting, waaronder gemengde hagen en (laagstam)fruitbomen. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met de beschermde waarden van het dorpsgezicht en levert deze zelfs een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Ter bescherming van het dorpsgezicht is de dubbelbestemming Waarde - Integraal ensemble: Rijnbandijk - Boveneindsestraat, uit het Parapluplan 2023, overgenomen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woningen zal het ontwerp voorgelegd worden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEboveneindse4-vst1_0008.jpg"

Uitsnede waardenkaart

5.3 Ecologie

Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.

Voor dit project is een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als . Hierna worden de uitkomsten van dit onderzoek besproken.

Voor dit project is door adviesbureau Ecofect een natuurtoets uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.

Houtopstanden
Er worden bomen gekapt zoals bedoeld in de Omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Er geldt een herplant- of meldingsplicht.

Soortbescherming
Voor flora worden geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Voor vogels worden mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek naar de huismus wordt noodzakelijk geacht.

Ook voor vleermuizen worden mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek naar de gewone grootoorvleermuis wordt noodzakelijk geacht.

Wat betreft zoogdieren worden geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Voor overige soorten worden mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek naar teunisbloempijlstaart wordt noodzakelijk geacht.

Nader onderzoek huismus

Het nadere onderzoek naar de huismus is opgenomen als Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat het uitvoeren van de geplande werkzaamheden geen schadelijke handelingen met zich meebrengt in het kader van de flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet. Tijdens de veldbezoeken is geen nestindicatief gedrag vastgesteld en zijn er geen waarnemingen gedaan van nest- of verblijfplaatsen van de huismus. Het plangebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied en de huismus is niet aanwezig. Er zijn geen schadelijke effecten op de functionaliteit van het leefgebied te verwachten en ook de gunstige staat van instandhouding van de soort blijft onaangetast. Op basis van deze uitkomsten zijn mitigerende of compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er geen vergunning nodig is voor schadelijke handelingen in het kader van de flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet, omdat dergelijke handelingen niet plaatsvinden.

Nader onderzoek teunisbloempijlstaart

Het nadere onderzoek naar de huismus is opgenomen als Bijlage 5. Tijdens de veldbezoeken zijn geen rupsen of sporen van rupsen van teunisbloempijlstaart in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aangetroffen. Negatieve effecten op (de voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van) teunisbloempijlstaart als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Maatregelen en een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna zijn niet nodig.

Nader onderzoek vleermuis

Het nadere onderzoek naar de huismus is opgenomen als Bijlage 6. Er zijn geen vast rust- en/of voortplantingsplaatsen waargenomen op de planlocatie. De mogelijkheid dat gebouwbewonende vleermuizen zullen worden verwond of gedood tijdens de werkzaamheden is daarmee uitgesloten. Verdere actie in de vorm van maatregelen of een vergunningsaanvraag is niet nodig.

Gebiedsbescherming
Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt daarom ook noodzakelijk geacht. Voor de overige storingsfactoren wordt geen externe werking verwacht. Een Voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht.

De planlocatie is gelegen buiten de Groene ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt, wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is.

Stikstofdepositie-onderzoek

Voor dit project is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 7. Uit de berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase volgen geen toenames hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gezien het resultaat van de met Aerius uitgevoerde berekeningen, zijn geen negatieve effecten aan de ordedoor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het project is niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit).

5.4 Verkeer en parkeren

In de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe zijn de parkeernormen per functie opgenomen. Voor een vrijstaande woning in de bebouwde kom geldt de norm van 2,7 parkeerplaatsen per woning. Zoals op de inrichtingstekening in paragraaf 2.2 te zien is, is bij elke woning ruimte om minimaal 3 auto's te parkeren. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm.

Wat betreft de verkeersgeneratie voorziet dit project in de 2 nieuwe woningen. Op basis van CROW-publicatie 381 is een inschatting van de toename in de verkeersgeneratie te maken. Voor een vrijstaande woning is het kengetal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Naar verwachting zal de verkeersgeneratie dus met afgerond 17 verkeersbewegingen per etmaal toenemen door de komst van de nieuwe woningen. Het gaat om een zeer beperkte toename van het verkeer. Op basis van het heersende verkeersbeeld op de Boveneidnsestraat en de Spoorstraat, kan gesteld worden dat de toename verwaarloosbaar is en daarmee acceptabel

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag neemt toe, echter neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte de huidige situatie. Er is slechts een kleine toename in de kans dat veel en langdurige regenval leidt tot grondwateroverlast op het perceel door de lage grondwaterstand. Voorliggend plangebied blijft echter in de toekomstige situatie voor een groot deel onverhard. Dat wordt geborgd middels de voorwaardelijke verplichting. Water kan de bodem daardoor blijven infiltreren en er is nauw contact geweest met het waterschap om de waterberging zo goed mogelijk in te vullen en kans op opbarsting tegen te gaan.

Hittestress

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op een natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.

Overstroming

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied nabij het grote water van de Waal ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) dat een deel van het plangebied overstroomt. Dit is vergelijkbaar met de verwachting voor het hele dorp Kesteren en daarmee aanvaardbaar.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

Inspraak

Initiatiefnemer heeft de omwonenden geinformeerd over het initiatief. Daaruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.

Overleg

Onderhavig initiatief is in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.

Ontwerp

Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 18 september tot en met 29 oktober 2025 ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.

Ten aanzien van het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan zijn inhoudelijk geen wijzigingen doorgevoerd. Wel is het uitgevoerde vleermuisonderzoek verwerkt in deze motivering en er is verwerkt dat participatie is uitgevoerd.

6.2 Kostenverhaal

Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Het kostenverhaal voor dit plan vindt plaats via de gemeentelijke legesverordening. Daarnaast wordt een aparte nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst gesloten.