| Plan: | Varakker ongenummerd/Varakker 6 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerAen6-VST1 |
De boomkwekerij VOF Gebr. Roodbeen is op dit moment gevestigd aan de Varakker 6 in Opheusden. De huidige situatie van het bedrijf biedt geen ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame, toekomstbestendige bedrijfsvoering. Dit, alsmede de veranderingen in de laanboomteeltmarkt, leidt er toe dat er een noodzaak is voor een betere uitgangspositie voor het bedrijf. Hiervoor dient een nieuw bedrijfsgebouw met voldoende hoogte gerealiseerd te worden. Op de huidige locatie is het door de aanwezigheid van een hoogspanningsleiding schuin over het erf, niet mogelijk een bedrijfsgebouw van voldoende hoogte te realiseren. Dit leidt tot het voornemen de bestaande boomkwekerij te verplaatsen naar een nieuwe locatie aan de Varakker. Op deze nieuwe locatie kan de boomkwekerij een bedrijfsloods en te zijner tijd een bedrijfswoning realiseren. De huidige locatie aan de Varakker 6 zal omgevormd worden tot een burgerwoning. De gemeente heeft op 21 juli 2014 aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief.
Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De bestaande en nieuwe locaties van het bedrijf zijn gelegen aan de Varakker, ten zuidwesten van de kern Opheusden en ten noorden van de Betuwelijn en de A15. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van de planlocaties in de omgeving. De noordoostelijke locatie betreft de bestaande kwekerij met bedrijfswoning op Varakker 6, de zuidwestelijke locatie betreft de beoogde nieuwe locatie voor de kwekerij.
|
|
| Globale ligging planlocaties. Bron: Ruimtelijke plannen.nl |
Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan. Voor het plan is voorliggend bestemmingsplan opgesteld dat hiermee planologisch-juridisch de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. In dit document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het nieuwe bouwvlak, inclusief de bouw- en gebruiksmogelijkheden, zijn vastgelegd in de regels en aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Ter plaatse van beide planlocaties geldt het bestemmingsplan ''Buitengebied Kesteren", vastgesteld op 8 april 2014. De noordelijke planlocatie (Varakker 6) heeft de bestemming 'Agrarisch', met daarbij dubbelbestemmingen 'Leiding-Hoogspanningsverbinding' en 'Waarde-Archeologie 4'.
De zuidelijke planlocatie (Varakker ong.) heeft de bestemming 'Agrarisch' met daarbij dubbelbestemming 'Leiding-Gas'. Op onderstaande afbeelding is het geldend bestemmingsplan weergegeven.
Uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied Kesteren" (bron: Ruimtelijke plannen.nl)
Binnen de bestemming 'Agrarisch' is gebruik van de gronden ten behoeve van een boomkwekerij mogelijk. Op de locatie Varakker ong. is geen bouwvlak aanwezig. Realisatie van bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning is daardoor op basis van het geldend bestemmingsplan niet mogelijk. Aangezien geen sprake is van bedrijfsbeëindiging maar een verplaatsing kan het noordelijke perceel op basis van wijzigingsregels uit het vigerende plan niet omgezet worden naar de bestemming wonen. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
De planlocaties zijn gelegen in het buitengebied van Kesteren. In het buitengebied overheerst agrarisch grondgebruik in de vorm van (fruit)boomgaarden. De planlocaties zijn gelegen in het als diffuus landschap aangemerkte gebied (bron: LOP). In dit middengebied is de identiteit zoek en de structuur niet meer beleefbaar. Dit komt met name doordat het gebied doorkruist wordt door de spoorlijn tussen Elst en Rhenen, de Betuwelijn en de Rijksweg A15.
Ligging planlocaties; Varakker 6 rood omlijnd rechtsboven; Varakker ong. rood omlijnd linksonder. Bron: Ruimtelijke plannen.nl
Het noordelijke plangebied aan de Varakker 6 betreft een agrarisch perceel met bedrijfswoning van circa 11 hectare. Het bouwperceel heeft een omvang van circa 0,7 ha en is gelegen tussen een woonperceel en een ander agrarisch perceel met bedrijfswoning. Aan de Varakker 6 is naast de bedrijfswoning een garage en een bedrijfsgebouw aanwezig. Op onderstaande afbeelding is het perceel te zien vanaf de Varakker.
Perceel Varakker 6 (Bron: Google street view)
De teeltgronden van het bedrijf met een oppervlakte van in totaal circa 12 ha liggen verspreid over een aantal locaties in de gemeente Neder-Betuwe en buurgemeente. Het merendeel van de teeltgronden ligt aan de Varakker.
Verspreide ligging teeltgronden van initiatiefnemers
In de huidige situatie zijn er voor het bedrijf op de locatie Varakker 6 geen ontwikkelingsmogelijkheden. De aanwezige schuur is te klein en te laag om het materieel alsook de bomen te herbergen. Het materieel en de bomen staan op dit moment buiten: een onwenselijke situatie.
De aanwezigheid van de 150 KV hoogspanningsverbinding over de schuur leidt er toe dat er een beperking geldt ten aanzien van de bouwhoogte. Binnen de zakelijk rechtzone heeft Tennet laten weten dat de maximale nokhoogte 9 meter mag bedragen en de daarmee samenhangende goothoogte 5,5 meter. Dit is te laag voor het beoogde doel en gebruik van de boomkwekerijschuur. Daarnaast dient het dak 60 minuten brandwerend te zijn, wat aanzienlijke meerkosten met zich meebrengt. Realisatie van een nieuwe boomkwekerijschuur welke voldoet aan de eisen van een duurzame bedrijfsvoering is binnen deze zone dan ook niet mogelijk. De schuur zou verder naar achteren op het perceel kunnen worden gebouwd, waar deze hoogtebeperkingen niet gelden. Dit is landschappelijk gezien ongewenst, aangezien er hierdoor solitaire bebouwing ontstaat in het relatief open agrarisch landschap. Tevens levert het verlies aan teeltgronden op door het ontstaan van onrendabele reststukken.
Deze overwegingen hebben ertoe geleid dat de initiatiefnemers gezocht hebben naar een nieuwe locatie voor het boomteeltbedrijf. Deze locatie is gevonden iets verderop ten zuidoosten van de Varakker 6: de locatie Varakker ongenummerd.
Het perceel aan de Varakker ongenummerd is gelegen in agrarisch gebied. De omliggende percelen zijn in agrarisch gebruik (weidegrond en boomteelt). Het perceel zelf is reeds in gebruik als boomkwekerij en heeft een oppervlakte van circa 8 hectare. In de directe omgeving zijn geen bouwpercelen of woningen gelegen. Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergegeven.
Perceel overzijde Varakker (Bron: Google street view)
In het landschap van het buitengebied van Kesteren zijn van oudsher drie landschapsbeelden te onderscheiden: uiterwaarden, stroomruggen en kommen. De hoofdopbouw van het landschap is op vele plekken verbijzonderd door de grilligheden van de natuur en de ontwikkeling van de cultuur: dijken, wielen,
wegen en waterlopen.
Van oudsher lagen de wegen parallel aan de dijken. Na de eerste wegen achter de dijken, de Voorstraten, ontstonden de Achterstraten. Ook ontwikkelden zich de wegen op de dijken. De onderlinge verbinding tussen de dorpen verliep bijna steeds via de dijk. Noord-zuid verbindingen ontstonden als karrensporen en werden in de loop van de 20e eeuw verhard en met bruggen ontsloten. Het transport vond tot die tijd voornamelijk over water plaats. Momenteel liggen er twee spoorlijnen in het gebied, van Tiel via Echteld, Kesteren en Opheusden naar Nijmegen/Arnhem en de Betuweroute, parallel aan de A15, van Rotterdam naar Duitsland.
In het gebied liggen twee wegen van bovenlokaal niveau: de A15 en de N233 langs Kesteren naar Ochten.
Lokale doorgaande wegen zijn: Hoofstraat-Betuwestraatweg-N320 en de Broekdijk.
Zowel in de ondergrond als in het huidige landschapsbeeld blijkt dat Kesteren sterk is gefragmenteerd. De ondergrondse fragmentatie komt tot uiting in de aanwezigheid van patronen van verschillende soorten rivierafzettingen in de ondergrond tot aan de oppervlakte van het gebied. De horizontale fragmentatie is in het landschap waarneembaar in drie landschapsbeelden: stroomruggen, kommen en uiterwaarden. De stroomruggen zijn gefragmenteerd door intensieve gebruiksvormen die sterk zijn gebonden aan de afwisselende onderliggende bodemkwaliteit. De kommen zijn opgedeeld door elementen, zoals infrastructuur, die niet bodemgebonden zijn.
De landschappelijk minst gefragmenteerde maar ook kwetsbaarste gebieden zijn de uiterwaarden met sommige, daarmee samenhangende, gedeelten direct binnendijks op de hoge stroomruggronden.
Het resultaat van de sterke fragmentatie is een rijk geschakeerd landschap, waarin vele waarden en ontwikkelingsmogelijkheden voor cultuur en natuur kort naast elkaar aanwezig zijn.
Zoals overal in het rivierenlandschap speelt de dijk in het landschap een grote rol. Deze vormt een kronkelend schaalelement, vanaf waar men de mooiste uitzichten over het landschap heeft. Op de dijk beleeft men sterk het contrast tussen het weidse uiterwaardengebied en het binnendijkse, veelal gesloten
landschap met boomgaarden en boomkwekerijen.
Locatie Varakker ong.
Dit plan voorziet in de verplaatsing van de boomkwekerij VOF Roodbeen van Varakker 6 naar het perceel aan de Varakker ong. Op deze nieuwe locatie wordt de boomkwekerij gevestigd op een nieuw bouwperceel. Op het perceel komt een nieuwe bedrijfsloods en te zijner tijd een nieuwe bedrijfswoning. Dit moment is er voor het initiatief nog geen specifiek inrichtingsplan danwel bouwtekening aanwezig waarop ook de te zijner tijd te bouwen bedrijfswoning op is aangegeven. Wel is er een concept inrichtingsschets die een mogelijke ligging van de bedrijfsloods weergeeft. De woning zal naast of (schuin)voor de nieuwe loods worden gerealiseerd. De benodigde parkeerplaatsen (7 stuks, zie paragraaf 5.5 voor een onderbouwing van het aantal) zullen aan de voorzijde van de schuur ten oosten van de bestaande verharding gerealiseerd worden in de vorm van bijvoorbeeld grasbetonklinkers.
Concept inrichtingsschets met locatie nieuwe schuur
Impressie bedrijfsloods
De nieuwe loods en bedrijfswoning zullen komen te liggen binnen het bouwvlak, zoals opgenomen op de verbeelding. Ten aanzien van de goot- en bouwhoogtes van de bedrijfsbebouwing zijn hoogtes van respectievelijk 6,6 m en 10,6 m in beeld. In ieder geval zal worden voldaan aan de maximale toegestane goot- en bouwhoogtes (respectievelijk 8 m en 12 m) als opgenomen in de regeling in het geldend bestemmingsplan "Buitengebied Kesteren". Datzelfde geldt voor de nieuwe bedrijfswoning. Hiervoor gelden maximale maatvoeringen van 750 m3 (inhoud), 4 m (goothoogte) en 9 m (bouwhoogte). Op deze manier wordt aangesloten bij de bestaande ruimtelijke situatie en kaders in het plangebied. De vorm en de uitstraling van de nieuw te bouwen woning zal aansluiten op de bebouwing die aan dit deel van de Varakker staan en passen binnen de reguliere agrarische bedrijfsbebouwing, zodat een eenheid in bebouwing in deze straat ontstaat.
Locatie Varakker 6
De voormalige bedrijfslocatie aan de Varakker 6 zal worden omgevormd naar een woonbestemming en behoudt voor een deel de agrarische bestemming, waarbij het agrarisch bouwvlak zal worden verwijderd. De voormalige bedrijfswoning op de Varakter 6 blijft gehandhaafd en krijgt een woonbestemming.
De gronden aan de voorzijde en westkant van de bestaande bebouwing zullen een nieuwe groene inrichting krijgen. Hiertoe is een inrichtingsschets opgenomen, zie bijlage 1 'erfinrichtingsschets'. De gronden achter de bestaande bedrijfsbebouwing blijven in agrarisch gebruik (boomteelt). Ten behoeve van de bereikbaarheid van dit agrarisch perceel blijft er tussen de Varakker en het achterliggende perceel een strook grond de agrarische bestemming houden. Hierdoor blijft deze strook ook in de toekomst vrij van bebouwing en kan het achterliggende perceel altijd via de Varakker bereikt worden.
De aanwezige bijgebouwen zullen vooralsnog worden gehandhaafd. De oppervlakte van deze schuren is 305 m² en dit is meer dan normaal gesproken bij een burgerwoning is toegestaan. Wel is het stedenbouwkundig gezien wenselijk om dit aantal vierkante meters aan bijgebouwen terug te brengen. Daarom is er op de nieuwe locatie een beperkt bouwvlak opgenomen en is hier niet bij recht een bedrijfswoning toegestaan. Zodra een uitbreiding op de nieuwe locatie wordt aangevraagd dan wel zodra een nieuwe bedrijfswoning wordt gebouwd, dient allereerst het totaal aan m2 aan bijbehorende bouwwerken op de Varakker 6 teruggebracht te worden naar 75m2. Ook zal bij herbouw van bijgebouwen maximaal 75 m2 aanwezig mogen zijn.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking. De treden zijn:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in, of in de directe nabijheid van een van de aangewezen, beschermde, gebieden waarover de SVIR een specifieke uitspraak doet.
Ladder duurzame verstedelijking
In voorliggend plan wordt een bestaande boomkwekerij verplaatst naar een locatie aan de Varakker ong. Het perceel waar de boomkwekerij zal worden gevestigd is reeds in gebruik als boomkwekerij. Er wordt een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning wordt gerealiseerd. Dit valt echter niet onder de niet valt onder één nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.
Algemeen
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Gelderland. Deze visie en verordening is recent vastgesteld (28-10-2014). De omgevingsvisie en verordening vervangen het Streekplan en de provinciale verordening Gelderland.
Omgevingsvisie Gelderland
De omgevingsvisie heeft een tweetal doelen geformuleerd, te weten:
Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Deze versterking van de economie gebeurt in een andere context dan een aantal jaar geleden. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van 'groei' en meer in termen van 'beheer en ontwikkeling van het bestaande'. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. Dat betekent vooral:
De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent vooral:
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Dit vereist een denk- en cultuuromslag. Als leidend principe hanteren de provincie en partners de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen, staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik is in onderhavig plan van toepassing, de ladder bestaat uit de volgende stappen.
Indien uit bovenstaande blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre kan worden voorzien in de behoefte op locaties die niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Met de verordening worden de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie verantwoordelijk is juridisch gewaarborgd.
Omgevingsverordening Gelderland
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Gebiedsgericht
De gebiedsgerichte voorwaarden die van belang is voor onderhavig plan hebben betrekking op de Limes. Overige gebiedsgerichte voorwaarden met betrekking tot bijvoorbeeld de Ecologische Hoofdstructuur, Nationaal Landschap, Waardevol open gebied, watergebieden liggen ruim buiten het plangebied.
Romeinse Limes
Voor de Limes is de begrenzing van het gebied indicatief aangegeven. De nadere begrenzing van de Limes is binnen het Samenwerkingsverband Limes afgesproken welke terreinen de kernkwaliteiten van de Limes bevatten. Dit betreft de terreinen met een vastgestelde archeologische waarde die resten uit de Romeinse tijd bevatten. In Gelderland zijn dat 16 archeologische Rijksmonumenten en 16 Archeologische Monumenten Kaart (AMK) -terreinen. De gebiedsbegrenzing is gebaseerd op de zones die een hoge en middelhoge archeologische verwachting hebben.
De kernkwaliteiten zijn als volgt geformuleerd: de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:
Planspecifiek
Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik
In paragraaf 4.1 is in gegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij is aangeven dat met onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is daarom niet noodzakelijk.
Gebiedsgericht
De daadwerkelijk beschermde gebieden (Rijksmonumenten en AMK-terreinen) liggen buiten het plangebied. Onderhavig plan heeft hier dan ook geen relatie mee. In het plangebied zijn geen nederzettingen, infrastructuur, scheepswrakken etc bekend. Eventuele ondergrondse archeologische waarden blijven middels een beschermingsregeling en dubbelbestemming binnen het voorliggend bestemmingsplan beschermd.
Het plangebied ligt niet in of in de directe omgeving van het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
Op basis van het bovenstaande past het plan binnen het provinciaal beleid.
Op 16 maart 2015 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de Structuurvisie 2015 vastgesteld. In de Structuurvisie is beschreven dat de gemeente een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving biedt.
De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.
De laanboomteelt is in Neder-Betuwe de belangrijkste grondgebruiker van het buitengebied. De gemeente wil de laanboomteelt sector stimuleren om de aspecten landschap, beleving en beeldkwaliteit mee te nemen in de bedrijfsvoering. Het gaat erom dat de agrarische sector zich op de wereldmarkt kan blijven ontwikkelen en tegelijkertijd de belangen van de eigen dorpsgenoten en bezoekers van elders niet uit het oog verliest.
De gemeente zal bij de toetsing van de aanvragen tot oprichting dan wel uitbreiding van een laanboomteeltbedrijf sturen op ruimtelijke kwaliteit. Tevens is het aspect waterberging een belangrijk aandachtspunt.
Planspecifiek
De gemeente Neder-Betuwe heeft als doel gesteld om de potenties van de gemeente als het laanboomcentrum van Europa verder te ontwikkelen. Hiertoe wordt in het gehele buitengebied de ruimte gegeven aan de laanboomteelt.
Het planlocatie is gelegen in het gebied dat is omschreven als het middengebied. Het middengebied bestaat grotendeels uit (voormalige) komgebieden. De identiteit van dit diffuse landschap is zoek. De structuur in dit gebied is niet meer beleefbaar door de veelvuldige doorsnijding met infrastructuur (A15, Betuweroute en bijbehorende viaducten), de veelvuldig aanwezige hoogspanningsleidingen, en door het voor Neder-Betuwe belangrijke en karakteristieke grondgebruik, de laanboomteelt. De structuur is onoverzichtelijk en veelvormig.
Het voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een nieuw agrarisch bouwvlak. Op deze nieuwe locatie kan de boomkwekerij een duurzame, toekomstbestendige bedrijfsvoering opbouwen en een bedrijfsschuur en bedrijfswoning realiseren. Dit sluit aan bij de ambities voor de laanboomteelt zoals omschreven in de structuurvisie. Omdat de nieuwe locatie ligt in het middengebied is geen sprake van aantasting van (belangrijke) landschappelijke of cultuurhistorische waarden, mede gezien het huidige gebruik als teeltgrond voor laanbomen.
Onderhavig initiatief (realisatie van een nieuw bouwperceel ten behoeve van duurzame bedrijfsvoering van een bestaand laanboomteeltbedrijf) sluit goed aan op de ambities uit de Structuurvisie Neder-Betuwe. De Structuurvisie staat uitvoering van het plan niet in de weg.
In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt.
De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.
De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.
De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.
In de gemeente Neder-Betuwe is gekozen het accent voor het behoud van de openheid te leggen op het door de provincie aangewezen weidevogelgebied, het Eldikse en Dodewaardse Veld. Het weidevogelgebied in het Eldikse en Dodewaardse Veld vormt het hart van het komgebied langs de A15 in contrast met de beslotenheid en kleinschaligheid van de oeverwal bij Ochten en Eldik in het zuiden en de oeverwal van Kesteren - Opheusden in het noorden. Uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing is vanuit een landschappelijke visie hier niet wenselijk.
In de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" (2008) is de wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe agrarische bouwpercelen op plaatsen waar nog geen bebouwing aanwezig is, geschrapt uit het bestemmingsplan Buitengebied. Hierdoor is de aanwijzing van een nieuw bouwperceel alleen nog mogelijk met een planherziening. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar verder geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er zullen geen bouwpercelen in het komgebied worden aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn.
Hieronder wordt voor alle criteria afzonderlijk gemotiveerd in hoeverre het initiatief aan de Varakker ong. voldoet aan de criteria voor nieuwe agrarische bouwpercelen.
Beschikbaarheid hergebruikslocatie
Criterium a: Er is aantoonbaar geen hergebruikslocatie voorhanden binnen het zoekgebied. Het zoekgebied wordt gedefinieerd als de zone binnen 1 kilometer van alle in eigendom zijnde, en voor de vestiging geschikte, percelen van de aanvrager. Met "geschikt" wordt bedoeld dat de omvang minimaal 1,5 ha dient te bedragen. Het aantoonbaar betekent dat het op de weg van aanvrager ligt om e.e.a. te onderbouwen, maar in elk geval dient de aanvrager minimaal 1 jaar actief te hebben gezocht naar een bestaande locatie (bijv. via inschrijvingen bij makelaars). Een hergebruikslocatie met uitsluitend een woning en/of totaal ongeschikte bebouwing danwel te weinig grond voor de benodigde bebouwing en/of in al deze gevallen met een aankoopprijs boven de € 400.000; wordt op voorhand beschouwd als ongeschikt.
De initiatiefnemer heeft de afgelopen jaren gezocht naar geschikte locaties in de omgeving van zijn teeltgronden om daarop de bedrijfslocatie te kunnen ontwikkelen. Gezocht is naar locaties op een afstand van maximaal 1 kilometer van de percelen waar de teelt plaatsvindt. De zoektocht is in een rapportage verslagen, deze rapportage is als bijlage 1 toegevoegd aan de toelichting. De conclusie is dat er geen geschikte hergebruikslocatie is gevonden.
Volwaardig bedrijf
Criterium b: Het dient een volwaardig bedrijf te betreffen dat ook reeds minimaal drie jaar als volwaardig bedrijf operationeel is, hetgeen middels accountantsverklaringen hard kan worden gemaakt. De advisering over de volwaardigheid wordt in handen gesteld van de provincie of een andere onafhankelijke agrarische instantie.
De onafhankelijke Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen heeft beoordeeld of er reeds minimaal drie jaar sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Per brief van d.d. 5 januari 2016 (zie bijlage 2 ) heeft deze stichting geconcludeerd dat er inderdaad minimaal drie jaar sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf.
Op basis van de aangeleverde gegevens heeft Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen geconcludeerd dat de opbrengsten uit het agrarische bedrijf renderend zijn en in een volwaardig inkomen voorzien. Het bedrijf kan gezien de bedrijfseconomische omvang als volwaardig worden beschouwd.
Geen vestiging in agrarisch komgebied
Criterium: c. Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming "agrarisch gebied", dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. In het bestemmingsplan buitengebied Kesteren (1978) zijn deze gebieden globaal bestemd tot "agrarisch gebied met (hoge) landschappelijke waarden". Bij de herziening van dit bestemmingsplan worden deze gebieden opnieuw begrensd, waarbij de vigerende bestemming een belangrijk vertrekpunt is.
Vigerend bestemmingsplan
De locatie van het gewenste agrarische bouwvlak binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Kesteren. De vigerende bestemming is 'Agrarisch'). Op gronden met deze bestemming zijn landschappelijke waarden niet of zeer beperkt aanwezig. Het is dan ook niet aannemelijk dat landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden aangetast worden.
Landschapsontwikkelingsplan
Volgens het Landschapsontwikkelingsplan ligt de locatie van het gewenste bouwvlak in het Dynamisch Middengebied. Het beleid is erop gericht de grootschaligheid van het landschap te behouden. Met name bij de inpassing van nieuwe ontwikkelingen is het creëren en behouden van lange doorgaande lijnen van belang. De ontwikkeling van een boomteeltbedrijf waarin de bebouwin zicht voegt naar de verkavelingsrichting, past binnen deze landschappelijke visie. Aan de zuidzijde van het perceel langs de Linge is een zone aangewezen als nat ecologisch lint. Doelstelling van het natte ecologisch lint is om een samenhangend hoogwaardig lint Linge-oevers,
watergangverbreding met rietoevers en zichtbaar cultuurhistorisch erfgoed te realiseren. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het grondgebruik langs de Linge.
Overwegend grondgebonden bedrijf
Criterium d: Het dient een overwegend grondgebonden bedrijf te betreffen (geen intensieve veehouderijen). Een uitzondering hierop wordt gevormd door containerteelt, welke formeel gezien niet grondgebonden is, maar wel als een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector wordt beschouwd. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie. Een overwegend handelsbedrijf (zowel in dieren als in planten) wordt niet beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ondergeschikte handelsactiviteiten passen uiteraard wel binnen een agrarische bestemming.
Het bedrijf, waarvoor een agrarisch bouwvlak is gewenst, teelt bomen. Het is daarom een bedrijf dat gekenmerkt wordt door een volledig grondgebonden bedrijfsvoering.
Bouwperceel van maximaal 1 ha
Criterium e: De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha, via wijziging onder de gebruikelijke voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha.
Het gewenste bouwvlak aan de aan de Varakker beslaat een oppervlakte van 5000 m2. Deze oppervlakte voldoet aan het gestelde criterium van maximaal 1 ha.
Bedrijfswoning
Criterium f: Indien een bedrijfswoning, met name voor gezinsbedrijven (niet voor het personeel), aantoonbaar noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (op advies van een onafhankelijk agrarische adviesinstantie), kan deze worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening.
Aangezien het hier om een bedrijfsverplaatsing gaat waarbij op een gegeven moment de oorspronkelijke bedrijfswoning aan de Varakker 6 niet meer als zodanig kan functioneren, wordt bij afwijking de bouw van een bedrijfswoning toegelaten.
Gesitueerd aan verharde openbare weg
Criterium g: Een agrarisch bouwperceel wordt uitsluitend gesitueerd aan een verharde openbare weg en is bij voorkeur goed ontsloten.
Het gewenste bouwvlak zou moeten worden gerealiseerd aan de Varakker te Opheusden. Dit is een verharde weg die van diverse richtingen bereikbaar is. Om deze locatie vanuit de doorgaande wegen te bereiken is het niet noodzakelijk het landelijke gebied over grote afstanden te doorkruizen. Daarnaast is het in de nabijheid van de bestaande teeltronden.
Het plan voldoet aan alle gestelde criteria. Vanuit dit beleidsstuk bestaan er dus geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen het boomteeltconcentratiegebied. Dit is het gebied waar de laanboomteeltsector de ruimte krijgt. Realisatie van een nieuw bouwperceel past hiermee binnen de ambitie van de structuurvisie. Het plangebied is niet gelegen binnen weidevogelgebied. Uitbreiding van boomteelt op de planlocatie is vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt passend binnen de structuurvisie. Het plan voldoet aan de criteria zoals deze in de beleidsnotitie Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen zijn verwoord.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurd aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Varakker ong.
De nieuwe locatie is gelegen binnen de onderzoekszones van de Varakker, de A15 en de Betuwelijn. Om de effecten van het weg- en railverkeer van deze infrastructuur op het woon- en leefklimaat in het plangebied te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. december 2015). Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In het akoestisch onderzoek geconcludeerd dat de geluidsbelasting op de agrarische bedrijfswoning ten gevolge van de geluidsbronnen ten noorden van het plan (Varakker en Betuwelijn) lager of gelijk is aan de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB, waardoor sprake is van een geluidsluwe gevel. Ten gevolge van beide geluidsbronnen aan de zuidzijde van het plan (A15 en Betuweroute) treden overschrijdingen op van de ten hoogste toelaatbare waarde van respectievelijk 48 en 55 dB. De overschrijdingen bedragen maximaal 9 en 10 dB ten gevolge van respectievelijk de A15 en Betuweroute. De geluidsbelastingen ten gevolge van de A15 en Betuweroute zijn echter nog ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 58 en 68 dB voor een nieuw te realiseren agrarische bedrijfswoning buiten de bebouwde kom. Door de overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare waarde is een afweging van geluidreducerende maatregelen voor zowel de A15 als de Betuweroute benodigd. Het nemen van geluidreducerende maatregelen wordt niet reëel geacht. Voor de bedrijfswoning dient daarom ten gevolge van de overschrijdingen van de voorkeurswaarden van zowel de A15 als de Betuweroute hogere waarden te worden aangevraagd. Dit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief echter niet in de weg.
Varakker 6
De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd, maar wordt planologisch-juridisch omgevormd naar een burgerwoning. Het feitelijk gebruik blijft echter hetzelfde. Nader akoestisch onderzoek is hier niet noodzakelijk.
Zoals hiervoor is beschreven, zal er voor een eventueel nieuw te bouwen bedrijfswoning een procedure hogere waarden moeten worden gevolgd. Hiermee is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal afgewogen moeten worden of het wenselijk is om een project op een bepaalde locatie te realiseren. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging een rol. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten twee aspecten in beeld gebracht worden met betrekking tot 'lucht'. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
Sinds juni 2008 is de luchtkwaliteitsrichtlijn 2008/50/EG van de Europese Unie (EU) van kracht. Deze richtlijn bevat normen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens en de natuur. De normen bedragen 40 µg/m3 (grenswaarde) voor zowel PM10 als NO2.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (paragraaf 5.2). De Wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Daarnaast wordt vanuit een goede ruimtelijke ordening de huidige luchtkwaliteit ter plaatse bekeken door middel van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden kan gekeken worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Uit metingen van het rekenpunt 692887 (tussen de A15 en de Betuwelijn, ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10 (Fijn stof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2013 (µg/m3) | 27,1 µg/m3 | 15,2 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (maximaal één bedrijfswoning) ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Daarmee draagt het initiatief 'niet in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek
Varakker 6
De bestaande bedrijfswoning wordt omgevormd naar een burgerwoning. Dit levert vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen problemen op. Er is reeds sprake van bewoning op deze plek en er zijn geen andere knelpunten aanwezig in het kader van externe veiligheid.
Varakker ong.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Neder-Betuwe heeft op 4 juni 2015 de beleidsnotitie 'Externe veiligheid' vastgesteld. Voor voorliggend initiatief zijn de volgende ambities relevant:
Het voorliggend initiatief betreft geen nieuwvestiging van een Bevi-inrichting in een agrarisch gebied. Tevens wordt geen bijzonder kwetsbaar object opgericht.
Risicokaart.nl
Via de site risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die site.
Uitsnede risicokaart.nl (plangebieden aangegeven met zwarte cirkels)
Risicovolle inrichtingen
Ten zuidwesten van het plangebied is een tankstation met LPG gelegen (circa 300 m van het nieuwe bouwvlak). Het nieuwe bouwvlak ligt ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het bijbehorende invloedsgebied (150 m). In de directe omgeving zijn geen overige inrichtingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.
Transport buisleidingen
Ten zuiden van het nieuwe bouwvlak loopt een gasleiding op een afstand van ruim 60 m. Het nieuwe bouwvlak is niet gelegen binnen de 10-6 pr-contour en het invloedsgebied (GR) van deze leiding.
Het plangebied ligt wel binnen de 100% letaalafstand van de buisleiding. Aangezien binnen het plangebied minder dan 10 personen aanwezig zullen zijn, is het groepsrisico per kilometer buisleiding nabij het plangebied niet relevant en kan de risicoberekening achterwege worden gelaten. Binnen het kilometertraject van de leiding zijn namelijk binnen het invloedsgebied geen andere (beperkt)kwetsbare objecten gelegen.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A15 en de Betuweroute. De 2 deel-plangebieden liggen namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen. De deel-plangebieden (voor zover hier (beperkt (kwetsbare) objecten mogelijk worden gemaakt) liggen echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied. Deelgebied Varakker 6 te Opheusden ligt verder buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones), maar deelgebied Varakker ong. te Opheusden ligt wel binnen de 200 meter zones van de Betuweroute en de A15.
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
- de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
- de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 4 januari 2017 aangegeven dat in dit geval onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A15 en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat vanwege deze transportroutes geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Om de effecten van de bodemkwaliteit op het woon- en leefklimaat in het plangebied te bepalen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. januari 2016) dat is opgenomen in bijlage 4.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit
van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Wel is er parallel aan de westelijke perceelsgrens een pad van puingranulaat aangetroffen. Plaatselijk is in de grond direct onder deze verhardingslaag een sterke bijmenging met puin waargenomen. Deze laag met sterke bijmengingen kan aangemerkt worden als onderdeel van de reeds genoemde verhardingslaag. In de verhardingslaag, alsmede op het overige deel van de onderzoekslocatie, zijn géén asbestverdachte materialen aangetroffen. Mocht de aangetroffen puinverharding (deels) binnen de toekomstige omgevingsvergunning procedure komen te vallen, c.q. het bouwvlak (inclusief tuin) van het nieuw te bouwen woonhuis en bedrijfsloods zullen (deels) overlappen met de puinverharding (en onderliggende puinhoudende bodem), dan zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning ter plaatse nog aanvullend onderzoek dienen te worden verricht. Vooralsnog is dit niet aan de orde en is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die milieuhinder kunnen veroorzaken. Geconcludeerd kan worden dat voor het te ontwikkelen bedrijf en de bedrijfswoning sprake is van een goede leefomgeving. Tevens worden de omliggende bedrijven niet (extra) in hun bedrijfsvoering belemmerd door de realisatie van het initiatief. In het kader van bedrijven en milieuzonering is het plan uitvoerbaar.
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.
Zoals hiervoor staat aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per dossier te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en onderzoek komen de volgende aandachtspunten naar voren:
Planspecifiek
Omdat het plan uitgaat van realisatie van een woning (gevoelig object), dient onderzocht te worden of het bestemmingsplan uitvoerbaar is ten aanzien van spuitzonering.
Voor de locatie Varakker 6 geldt dat de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Het achterliggende perceel kan nog steeds gebruikt worden als boomkwekerij. Om de bestaande woning te beschermen is binnen een afstand van 50 m het gebruik van gewasbeschermende middelen niet toegestaan. Hiertoe is in de regels een specifieke regeling opgenomen die op de verbeelding is aangeduid. Voor de tegenover gelegen boomkwekerij geldt dat deze reeds beperkt wordt door de aanwezige watergang (waar niet gespoten mag worden). Hiermee is de bestaande woning Varakker 6 voldoende beschermd op dit vlak.
Voor de nieuwe locatie van de boomkwekerij Varakker ong. zal op een zelfde wijze rekening te worden gehouden met de nieuw op te richten bedrijfswoning. Aan de overzijde van de Varakker is een boomteeltbedrijf (teelt van potplanten) aanwezig. Het opgenomen bouwvlak voor de eventuele nieuwe woning valt binnen de zonering van 50 meter. Omdat op dit moment nog niet duidelijk of een bedrijfswoning met tuin gerealiseerd wordt, wordt als onderdeel van de afwijkingsvoorwaarden gesteld dat middels een locatiespecifiek onderzoek aangetoond moet worden dat een bedrijfswoning met erf gerealiseerd kan worden. Door aanwezigheid van watergangen, de afstand tot de eerste rij teelt (35 meter) en de mogelijkheden voor realisatie van drifthagen is het aannemelijk dat een goed woon- en leefklimaat realiseerbaar is.
Ten aanzien van het aspect spuitzonering is het plan uitvoerbaar.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een gemeentelijke verordening af te wijken van de wettelijke normen. De gemeenteraad heeft een geurverordening vastgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. De vaststelling van de geurverordening is onderbouwd in de herziening van de Gebiedsvisie, behorende bij de geurverordening N-B 2011, vastgesteld 15 september 2011.
In de gebiedsvisie zijn kaarten opgenomen met achtergrondbelasting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de veehouderijen. Uit deze kaart (maximale geursituatie) is af te leiden dat ter plaatse van de beide plangebieden de leefsituatie 'goed' is.
De bestaande veehouderijen in de gemeente Neder-Betuwe zijn op een ruime afstand (meer dan 1 km) van het nieuwe bouwvlak gelegen. Door deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen voor gevoelige functies te verwachten met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan. Ook worden geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door het initiatief. Verder onderzoek naar het aspect 'geur' is dan ook niet nodig.
Ten aanzien van het aspect geur is het plan uitvoerbaar.
Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillingshinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen:
Planspecifiek
Voor onderhavig plan ligt het nieuw te vestigen bouwblok op korte afstand van het spoor.Een eventueel later te bouwen bedrijfswoning mag niet dichter dan 100 meter tot het hart van het spoor gebouwd worden. De beoogde bedrijfsgebouwen zijn eenvoudige bedrijfsloodsen waarin zicht geen gevoelige apparatuur bevindt. Voor dit plan is dan ook voornamelijk de eventuele bouw van een bedrijfswoning van belang. Door de relatief grote afstand is door eventuele aanpassingen in de constructie eventuele trillingshinder goed op te lossen. Nader onderzoek is in deze fase niet zinvol, maar wordt als voorwaarde gesteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan beschrijft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland, ook voor toekomstige generaties, veilig en leefbaar te houden. Daarnaast richt het plan zich op de kansen die water biedt beter te benutten.
Waterbeleid Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 (WBP) van Waterschap Rivierenland heeft als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om de lange termijn doelen te bereiken voor waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap. Het WBP beschrijft wat het waterschap in de planperiode 2016-2021 willen bereiken en hoe ze dat willen doen.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied is de Watertoets een belangrijk instrument. De watertoets blijft een belangrijk instrument om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangen van goed waterbeheer mee te wegen. Er mag in de toekomst geen nieuwe overlast (door bijvoorbeeld toename van verharding) ontstaan.
Bij de watertoets hebben we ook oog voor drinkwater, grondwater en beleving van water.
De watertoets is ook een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de voorliggende waterparagraaf worden de resultaten van de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg te zijner tijd opgenomen.
Waterplan Neder-Betuwe
Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Het Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012).
Het Waterplan kan gezien worden als het samenvattend gemeentelijk Waterhuishoudingsplan op hoofdlijnen, waarin de gemeente haar beleid ten aanzien van het waterbeheer en -gebruik vastlegt. Dit beleid geeft enerzijds een visie op de ruimtelijke inpassing van watertaken en de organisatie van het waterbeheer en anderzijds een programma van activiteiten waarmee de wateropgave voor de toekomst wordt afgedekt. Het waterplan geeft hierdoor een samenhang aan andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt, zoals het baggerplan, waterhuishoudingsplannen, rioleringsplannen en afkoppelplannen. Bovendien schept het waterplan randvoorwaarden en uitgangspunten voor milieu- en RO-plannen binnen de gemeente.
Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming als een mede ordenende factor worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Op deze manier wordt vroegtijdig zicht verkregen op de gevolgen voor het watersysteem en de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder is het nodig dat nieuwe ontwikkelingen hydrologisch neutraal worden aangelegd. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in bestemmingsplannen planologisch veilig gesteld.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat een voornemen geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatieve zin als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat:
1. De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie;
2. De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
3. De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren;
4. De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
5. Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied.
Planspecifiek
De afvoer van het peilgebied waarbinnen het plangebied is gelegen is gericht naar de Linge. Dat betekent dat het overtollige water in noordelijke richting wordt afgevoerd. Voor de situatie aan de Varakker 6 geldt dat de hoeveelheid verharding en het gebruik ten aanzien van het aspect water niet wijzigen. Voor wat betreft de locatie Varakker ong. geldt dat in de huidige situatie het plangebied onverhard is. Langs de Varakker is een A-watergang gelegen en langs het beoogde plangebied aan de Varakker B- watergangen . In het plangebied zijn geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen.
De voorgenomen verplaatsing van de boomkwekerij gaat gepaard met de bouw van een nieuwe bedrijfsloods en een bedrijfswoning. Hiermee zal de verharding op het perceel Varakker ong. toenemen. In de nieuwe situatie zal minder dan 1.500 m2 (circa 850 m2 terreinverharding en 500 m2 bedrijfsgebouw) worden verhard. Dit betreft het plangebied exclusief de gronden met halfverharding en groen. Overeenkomstig het waterschapsbeleid is in situaties in het landelijk gebied met een toename minder dan 1.500 m2 geen compenserende waterberging nodig.
De nieuwe bebouwing wordt op het bestaande rioolpersleidingstelsel aangesloten. Het hemelwater vanaf de dakoppervlakken wordt vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater langs de Varakker.
Over een deel van het plangebied is in het geldend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang' gelegen. Binnen deze zone mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Deze zone met beschermende regeling is in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
Archeologie
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.
Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
Planspecifiek
Archeologie
Een gedeelte van het perceel Varakker 6 heeft een archeologische verwachtingswaarde, met bescherming door middel van een dubbelbestemming (Waarde-Archeologie 4). Aangezien er op dit perceel geen grondroeringen plaatsvinden is een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Door het handhaven van de dubbelbestemming worden eventueel aanwezige waarden beschermd.
Voor de locatie Varakker ong. is in het geldend bestemmingsplan geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Het archeologisch beleid voor de locatie, laat ook zien dat het perceel reeds verstoord is door boomteelt en dat er een lage archeologische trefkans wordt verwacht.
uitsnede archeologisch beleidskaart
Archeologisch onderzoek voor verstoringen in gebieden met een lage archeologische trefkans is niet verplicht.
Cultuurhistorie
In het kader van cultuurhistorie kan worden benoemd dat de aanwezige verkavelingsstructuur in het gebied behouden zal blijven. Overige cultuurhistorische elementen zijn zowel op de locatie Varakker 6 als Varakker ong. niet aanwezig. Met betrekking tot cultuurhistorische waarden worden geen belemmeringen voorzien.
Ten aanzien van de aspecten archeologie en cultuurhistorie is het plan uitvoerbaar.
In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen en oorlogshandelingen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.
Planspecifiek
Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Planspecifiek
Met het initiatief zal een beperkte verschuiving in de verkeerssituatie voor de planlocaties optreden.
De bestaande inrit van het perceel aan de Varakker ong. zal worden benut. Er wordt geen nieuwe infrastructuur gerealiseerd.
De verplaatsing van de boomkwekerij, met de realisatie van nieuwe bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning zorgt voor een verschuiving van het aantal verkeersbewegingen aan de Varakker (meer westelijk). Dit zal geen problemen opleveren. Gezien de wegcapaciteit van de relatief rustige weg Varakker worden hiermee geen belemmering voorzien.
Met betrekking tot parkeren zal het plan voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. In dit beleid wordt een parkeernorm gehanteerd van 2,8 parkeerplaatsen per woning en 1,3 parkeerplaatsen per 100m2 bvo. Uitgaande van voorliggend plan dat bestaat uit een bedrijfsgebouw van 500m2 komt dit neer op een parkeerbehoefte van 6,5 parkeerplaatsen. Mocht een bedrijfswoning via afwijking gerealiseerd worden dan zal hiervoor nog 2,8 parkeerplaatsen extra gerealiseerd moeten worden. De parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen zal plaatsvinden op eigen terrein, hiervoor is aan de voorzijde van het beoogde bedrijfsgebouw voldoende ruimte. De aanleg van deze parkeerplaatsen conform het gemeentelijk beleid zal worden geborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting.
Ten aanzien van het aspect verkeer is het plan uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is het Gelders Natuurnetwerk (GNN, voorheen EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Het GNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het GNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor de locatie Varakker 6 is sprake van verplaatsing van de bedrijfsvoering naar de nieuwe locatie. Aan de Varakker 6 zal geen bebouwing worden gesloopt. Het grondgebruik zal mogelijk veranderen van een situatie met veel erfverharding naar een situatie met minder erfverharding. Dit zal echter alleen maar gunstig zijn voor mogelijk aanwezige plant- en diersoorten.
Op de locatie Varakker ong. is in de huidige situatie sprake van het gebruik van de agrarische gronden voor boomteelt. Er is hiermee sprake van een (reeds langere tijd) intensief agrarisch gebruik. Er is geen bebouwing aanwezig. In de directe omgeving zijn geen beschermde natuurgebieden, zoals een weidevogelgebied, gelegen.
Om deze reden is de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied niet waarschijnlijk.
Ten noorden van het plangebied ligt is de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend aan gronden in 10 meter brede stroken langs de A-watergangen die een verbinding vormen tussen de Linge enerzijds en de Rijnbandijk en de uiterwaarden anderzijds. De dubbelbestemming is gericht op het bieden van mogelijkheden voor de ontwikkeling van ecologische linten via een bevoegdheid tot afwijken van het plan in de algemene afwijkingsregels. Volgens het bestemmingsplan maakt dit onderdeel van de ontworpen landschappelijk-ecologische structuur, deze structuur is niet in het bestemmingsplan of het LOP terug te vinden. In de toelichting staat dat de realisatie van de ecologische linten vrijblijvend is. De gronden mogen worden gebruikt en bebouwd volgens de onderliggende bestemmingen. Er is op dit moment een dam met duiker gelegen die zal in de nieuwe situatie verbreed moeten om geschikt te zijn. Deze verbreding is in het huidige bestemmingsplan ook mogelijk. Bij de verbreding van de dam zullen de gebruikelijke zorgplicht in acht worden genomen. Het is niet aannemelijk dat dit invloed heeft op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ook blijven de mogelijkheden voor realisatie van een natuurvriendelijke oever intact omdat het bouwblok buiten de dubbelbestemming is gesitueerd.
Gezien de aard en omvang van de nieuwe functie (bedrijfsloods en bedrijfswoning) en de bijbehorende bedrijfsvoering (verplaatsing van een bestaand bedrijf iets westelijker dan in de huidige situatie) in relatie tot de ruime afstand waarop beschermde natuurgebieden zijn gelegen zal ook geen sprake zijn van effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is daarmee aangetoond.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe wordt voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2008 (SVBP 2008).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Tevens bevat het voorliggend bestemmingsplan de volgende dubbelbestemmingen:
In de Algemene regels zijn voorwaarden opgenomen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die tot doel hebben een goed woon- en leefklimaat te waarborgen.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het plan is toegezonden aan de provincie Gelderland en waterschap Rivierenland. De provincie Gelderland had geen opmerkingen op het voorgenomen plan. Waterschap Rivierenland had ook geen opmerkingen, mits minder dan 1500 m2 verhard oppervlak toegevoegd wordt. Dat is met het voorliggende plan het geval.
Op basis van ontvangen advies van de veiligheidsregio (VRGZ) is besloten invulling te geven aan externe veiligheid rond de Betuweroute en de A15 door het toepassen van een standaardparagraaf. Dit betekent dat de tekst onder 5.1.3 onder de koppen “Transport Betuweroute” en “ Transport A15” gewijzigd is. Dit heeft verder geen gevolgen voor de eindconclusie dat het plan uitvoerbaar is met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Op 6 februari is een zienswijze ontvangen van ProRail. In de zienswijze geeft ProRail aan dat ondanks dat er geen wettelijke vereisten zijn voor wat betreft het aspect trillingen hier, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, toch rekening mee gehouden dient te worden. Naar aanleiding van deze zienswijze is contact gezocht met ProRail. Uitkomst van dit gesprek was dat een onderzoek naar eventuele trillingshinder in de bouwfase van de bedrijswoning uitgevoerd wordt, omdat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat en in die fase beter geanticipeerd kan worden op eventuele bouwkundige aanpassingen. Voor de bouw van de loods zijn er geen belemmeringen voorzien. De toelichting is op dat punt aangepast, door het toevoegen van paragraaf 5.1.8 in de toelichting. De regels zijn aangepast door het toevoegen van een voorwaarde in artikel 3.3.3, dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd moet worden voor wat betreft trillingshinder voordat een bedrijfswoning gerealiseerd kan worden. Op basis van voorgestelde aanpassingen heeft ProRail besloten de zienswijze in te trekken.
Het plan heeft van 29 december 2016 t/m 8 februari 2017 ter inzage gelegen, waarbij voor eenieder de gelegenheid was een zienswijze in te dienen. Alleen ProRail heeft een zienswijze ingediend maar deze later weer ingetrokken, zie hiervoor paragraaf 8.2.