direct naar inhoud van Toelichting
Plan: BP 'Tielsestraat 85c Opheusden'
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op Noesk B.V. Eiken houtbouw en gebintconstructies aan de Tielsestraat 85c te Opheusden, in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe.

Het bedrijf is gespecialiseerd in het maken van prefab houtproducten Het hout wordt door het bedrijf zelf ingekocht en verwerkt tot een uniek product. Deze werkwijze voorkomt veel stikstofemissie op de bouwplaats aangezien een hoop van de bouwwerkzaamheden reeds zijn uitgevoerd. Gezien de huidige stikstofcrisis en de woningnood is dit een bedrijfstak waar veel vraag naar is. Dit is mede de reden dat het bedrijf de laatste jaren sterk is gegroeid en nog altijd een sterke groei doormaakt, waardoor uitbreiding buiten het bestaande bedrijfsperceel gewenst is.

Momenteel zijn op de locatie een bedrijfswoning met bijgebouwen en drie bedrijfsgebouwen aanwezig. De bebouwing heeft een totale oppervlakte van circa 2.500 m². Concreet voorziet het voornemen in de sloop van één bijgebouw (circa 550 m²), om ruimte te maken om één van de bedrijfsgebouwen naar 4.200 m² uit te breiden met name ten behoeve van (droge) opslagruimte. Door de bestaande bebouwing te draaien en uit te breiden wordt het tevens mogelijk het dak te voorzien van zonnecollectoren. Hiermee zal het bedrijf ruimschoots zelfvoorzienend kunnen zijn in energiebehoefte. De gronden rondom het bedrijf zullen in gebruik blijven ten behoeve van de laanboomteelt.

Het voornemen is niet in overeenstemming met de huidige bestemmingsplannen "Tielsestraat 85c, Opheusden" en "Buitengebied Kesteren". Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling ontbreken de benodigde gebruiks- en bouwregels om de uitbreiding te kunnen realiseren. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Er zal worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied bevindt zich in de gemeente Neder-Betuwe in het buitengebied van Opheusden. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Opheusden, sectie C, nummers 3652, 5429, 5430, 5431, 5432, 5433 en deels 5257. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Opheusden en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied nabij Opheusden en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK.nl)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "BP 'Tielsestraat 85c Opheusden'" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1) en een renvooi;
  • regels;
  • deze toelichting.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. Deze toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzingen van de geldende bestemmingsplannen "Tielsestraat 85c, Opheusden" en "Buitengebied Kesteren". Deze bestemmingsplannen zijn respectievelijk vastgesteld op 22 september 2016 en 24 mei 2012 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van deze plannen te zien, het plangebied is hierin indicatief met een rode contour aangegeven.

Overige geldende bestemmingsplannen ter plaatse van het projectgebied zijn:

  • Plattelandswoningen (31 oktober 2013)
  • VAB-beleid (9 maart 2017)
  • Parapluregeling Parkeren (26 april 2018)
  • Parapluregeling Archeologie (27 september 2018)
  • Parapluplan 2020 (24 september 2020)
  • Aanpassing woonbeleid Buitengebied (2021 september 2021)
afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede geldende bestemmingsplannen (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.2 Beschrijving bestemmingen

Op basis van het vigerende planologische regime zijn de volgende gronden binnen het plangebied voorzien van de enkelbestemmingen: 'Agrarisch', 'Groen' en 'Bedrijf' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

Een strook langs de kant gelegen aan de Tielsestraat in het noorden van het plangebied is voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg'. Verder is binnen de bedrijfsbestemming de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel' opgenomen, deze bevat ook een bouwvlak van circa 800 m2.

'Agrarisch'
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren en bijbehorende voorzieningen. Binnen de agrarische bestemming mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd worden. In voorliggend geval is deze niet aanwezig.

'Groen'
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groen, bos, landschappelijke beplanting, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, water en andere waterhuishoudkundige voorzieningen zoals wadi's. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde die ten dienste staan van de bestemming.

'Bedrijf'
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een houthandel (omwille van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel'), bijbehorende voorzieningen en opslag, een bedrijfswoning en landschappelijke beplanting. Het bebouwd oppervlak van bedrijfsgebouwen en bedrijfsbouwwerken mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwd oppervlak. In afwijking hiervan mag binnen het bouwvlak een bedrijfsgebouw gebouwd worden met een oppervlak van maximaal 840 m2.

'Waarde - Archeologie 5'
De voor “Waarde - Archeologie 5” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.

'Vrijwaringszone - weg'
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Het bevoegd gezag kan hier met een omgevingsvergunning van afwijken voor de bouw van bouwwerken, indien hierdoor gehoord de betrokken wegbeheerder, is gebleken dat hierdoor de belangen van de bescherming van de desbetreffende verkeerswegen, of de veiligheid van mensen, dieren en goederen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

1.4.3 Strijdigheid

De beoogde uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van de ter plaatse geldende bestemmingen, aangezien het bebouwd oppervlak niet meer mag bedragen dan het bestaande bebouwd oppervlak. Daarnaast wordt een deel van de bebouwing geprojecteerd op de gronden met de bestemming 'Agrarisch' en 'Groen. Het realiseren van de gewenste ontwikkeling is hiermee in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingen. Het is daarom noodzakelijk dat het bestemmingsplan wordt herzien.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders om het voornemen mogelijk te maken.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven.

Hoofdstuk 3 bevat een planbeschrijving.

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Gelderland en gemeente Neder-Betuwe beschreven.

In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.

Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten.

In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 9 beschrijft het vooroverleg en de inspraak.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Tielsestraat 85c, tussen de kernen Opheusden en Kesteren in de gemeente Neder-Betuwe. Aan de Tielsestraat liggen hoofdzakelijk bedrijven, agrarisch en niet-agrarisch, met daarbij behorende bedrijfswoningen maar ook reguliere woningen. Ook nabij gelegen is een maatschappelijke functie in de vorm van een begraafplaats en uitvaartcentrum.

Binnen het plangebied bevinden zich in de huidige situatie een bedrijfswoning met bijgebouwen en drie bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 2.500 m2, waarin de initiatiefnemer een houthandel met eigen werkplaats in exploiteert. Aan de west- en zuidzijde is de grond in gebruik ten behoeve van laanboomteelt.

Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van de huidige inrichting van het plangebied. Hierop is het te verwijderen bedrijfsgebouw indicatief weergegeven met groen, en de te draaien loods met geel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie in het plangebied (Bron: PDOK.nl)  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Gewenste ontwikkeling

Door maatschappelijke ontwikkelingen zal de vraag naar hout en houtproducten toenemen. Om hierop in te spelen is initiatief voornemens zijn bedrijf uit te breiden, dit vertaalt zich met name in de realisatie van extra opslagruimte voor het droog kunnen stallen en opslaan van hout.

Bekeken is op welke wijze zo compact mogelijk, nieuwe bedrijfsbebouwing op het perceel kan worden toegevoegd. In de eindsituatie is circa 5.000 m2, droge opslagruimte beoogd. Het bestaande bedrijfsgebouw van 42 bij 25 meter, in afbeelding 2.1 aangegeven met de gele kleur, zal worden gedemonteerd om deze 90 graden te draaien en uit te bouwen. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een oppervlak van 42 bij 100 meter, met vier identieke kapconstructies zodat de goot- en nokhoogtes relatief laag kunnen blijven. De op het zuiden gerichte dakvlakken zullen worden voorzien van zonnecollectoren, hiermee zal het bedrijf ruimschoots zelfvoorzienend kunnen zijn in de energiebehoefte. Aan de zijde van de bedrijfswoning zal eveneens een kantoorruimte van circa 175 m2 grotendeels in de loods gerealiseerd worden.

De bestaande bedrijfswoning met aangrenzend bedrijfsgebouw zullen ongewijzigd blijven. De gronden rondom het bedrijf zullen in gebruik blijven ten behoeve van de laanboomteelt. Dit zorgt tevens voor een goede landschappelijke inpassing, hierdoor zal het zicht op de bedrijfsgebouwen worden ontnomen.

Het vernieuwde pand zal qua schaal en verschijningsvorm aansluiten bij het bebouwingsbeeld van de omgeving. Afbeelding 3.1 en 3.2 omvatten impressies van de erfinrichting en het gevelbeeld van de toekomstige situatie. In Bijlage 1 is een plattegrond van het beoogde nieuwe opslagruimte met kantoor opgenomen evenals de gevelaanzichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0004.png"  
Afbeelding 3.1: Erfinrichting impressie toekomstige situatie (Bron: tekenbureau Van der Giessen)  
afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0005.png"  
Afbeelding 3.2: Gevelbeeld toekomstige situatie (Bron: tekenbureau Van der Giessen)  

3.2 Landschappelijke Inpassing

Om de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing landschappelijk in te passen worden de randen van het perceel, langs de watergangen, sterk aangezet door middel van knotwilgen. Deze hebben hoge ecologische waarden doordat ze als schuilplaats kunnen dienen en al vroeg in het voorzjaar nectar hebben. Verder is het voorerf benadrukt door middel van een hoogstamfruitboomgaard met daar omheen een (dieren)weide. Diverse solitaire bomen zorgen verspreid over het terrein voor zwaartepunten. Oorspronkelijk hadden deze bomen de functie van bliksemafleider. Hagen op het voorerf zorgen voor een heldere structuur. Vanaf de Tielsestraat wordt de bedrijfsbebouwing ingepast door middel van een houtsingel met boomvormers. Deze zorgt in de zomer voor dat er geen zicht is op de bedrijfsbebouwing en in de winter voor een gefilterd beeld. Daarnaast is de houtsingel een verrijking voor de biodiversiteit en dient als nestplaats en voedselvoorziening voor vogels en kleine zoogdieren. Watercompensatie vindt plaats door het verbreden van de watergang aan de westzijde. Laatstgnoemde wordt aangeplant onder andere knotbomen en voorzien van een natuurvriendelijke oever.

Afbeelding 3.3 toont de landschappelijke inrichting, voor het volledige document inclusief beplantingsplan wordt verwezen naar Bijlage 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0006.png"  
Afbeelding 3.3: Landschappelijke inpassing  

3.3 Verkeer en parkeren

3.3.1 Algemeen

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad.

De gemeente Neder-Betuwe maakt voor de parkeerrichtlijnen gebruik van de kencijfers van het CROW en vertaald deze door in de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe', versie 30 maart 2017.

3.3.2 Situatie plangebied
3.3.2.1 Uitgangspunten

Qua functie wordt aansluiting gezocht bij 'arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)' uit de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe. Hierbij geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo binnen de gehele gemeente.

3.3.2.2 Parkeren

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van circa 3.150 m2 aan bedrijfsbebouwing. Echter wordt ook een huidig bedrijfsgebouw gesloopt, waardoor per saldo sprake is van een uitbreiding van circa 2.650 m2 bvo.

Uitgaand van de uitgangspunten zoals genoemd in paragraaf 3.2.2.1 zijn er daarvoor (2.650 m2 bvo / 100 m2 = 26.5; 26,5 * 1,3 = 34,45) afgerond 35 parkeerplaatsen benodigd. Op het perceel is ruim voldoende ruimte aanwezig om het parkeren geheel op eigen terrein op te vangen. Ook zal de werkelijke parkeerbehoefte een stuk lager liggen dan de gehanteerde kencijfers door de aard van het bedrijf. De beoogde uitbreiding is hoofdzakelijk om meer droge opslagruimte te creëren voor het hout, hier is naar alle waarschijnlijkheid geen extra parkeerbehoefte mee gemoeid.

3.3.2.3 Verkeersgeneratie

Gesteld wordt dat de verkeersgeneratie als gevolg van de toevoeging van de opslagloods beperkt is. Regulier vrachtverkeer zal het bedrijf bevoorraden. In de huidige situatie worden bestellingen pas geleverd waarvoor opdracht verkregen is, wanneer meer opslag voorhanden is kan de gehele vracht worden gelost. Per saldo zal het aandeel van het vrachtverkeer naar verwachting afnemen doordat elke vracht door de vergrote opslag kan worden gelost. Zo wordt voorkomen dat vrachtwagens vaker halve leveringen moeten afleveren om eenzelfde productie te kunnen draaien.

Er worden op de Tielsestraat geen knelpunten verwacht met betrekking tot de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

3.3.3 Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Ruimte Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op de ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
4.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI

Voorliggend initiatief betreft een plan waarbij geen nationale belangen in het ding zijn, ook is er geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Met het voornemen wordt een bestaand bedrijf uitgebreid met per saldo 2.650 m2 bvo. De kenmerken en identiteit van de directe omgeving van het plangebied blijven gewaarborgd.

Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.2.1 Algemeen

De laddertoets die is opgenomen in artikel 3.1.6 lid van het Bro is een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes en zo nodig wordt onderzoek gedaan naar behoefte aan de in het bestemmingsplan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van dit toetsingskader nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is, dat wil zeggen in aanvulling op de algemene vereisten van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen.

Een stedelijke ontwikkeling is in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro gedefinieerd als:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Bestaand stedelijk gebied is in artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro gedefinieerd als:
'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte (ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd (ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471 (Weststellingwerf)).

4.1.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat de toetsing noodzakelijk is bij "nieuwe stedelijke ontwikkelingen"(3.1.6 Bro). Zoals aangegeven wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder een 'overige stedelijke voorziening' vallen in ieder geval accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

Op voorliggende ontwikkeling is onder andere de overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:VVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2 er in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling en er getoetst moet worden aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking.

De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een bestaand houthandelsbedrijf met circa 2.650 m2. Hierdoor voorziet voorliggend bestemmingsplan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt ingegaan op de behoefte en de ligging van het gebied.

Behoefte
Het houtbewerkingsbedrijf van de initiatiefnemer is al geruime tijd gevestigd op het bedrijfsperceel aan de Tielsestraat 85c te Opheusden. De afgelopen jaren heeft het bedrijf een groei doorgemaakt door de groeiende maatschappelijke vraag naar prefab houtproducten (eikenhout). Het hout wordt door het bedrijf zelf ingekocht en verwerkt tot een uniek product. Deze werkwijze voorkomt veel emissie uitstoot op de bouwplaats. Dit is mede ook de reden dat het bedrijf in de laatste jaren sterk is gegroeid, het biedt immers een gestaafde oplossing voor prefab woningbouw tijdens de stikstofcrisis. Deze groei zal door recente ontwikkelingen, bijvoorbeeld de Stikstof uitspraak 202107079/1/R4 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) die de bouwvrijstelling ontkracht, naar verwachting aanhouden.

Het uitbreiden van het bedrijfsperceel is noodzakelijk om deze groei te kunnen opvangen en te voorzien van een duurzame bedrijfsvoering. Deze ontwikkelingen brengen een andere ruimtevraag met zich mee, hiervoor is de bestaande bedrijfsbebouwing niet geschikt. Met het nieuwe bestemmingsvlak, voorzien van een bouwvlak, wordt ingespeeld op de groei van het bedrijf en de behoefte op de langere termijn.

Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied
De ruimtevraag moet bij voorkeur worden opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied past niet direct binnen de genoemde definitie van 'bestaand stedelijk gebied'. Het plangebied ligt immers in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe en wordt omringd door agrarische cultuurgronden. Het merendeel van de beoogde bebouwing zal echter binnen de bedrijfsbestemming vallen en is reeds verhard.

Tevens is het bedrijf al jaren onlosmakelijk verbonden met de omgeving en staat bekend als dé houtbewerker uit de Betuwe. Een verplaatsing van het bedrijf naar een industrieterrein wordt daarmee onwenselijk geacht. Immers is het gebruikelijk dat een houtbewerkersbedrijf zich in het buitengebied bevindt. Ook wordt het plangebied omgeven door laanbomenteelt, wat past bij het houtbewerkbedrijf en landschappelijk inricht.

Volledige verplaatsing naar een locatie elders (bijv. een ander bedrijventerrein) is eveneens niet realistisch, dit vanwege de goede staat van de bedrijfsbebouwing en de forse investeringen die de afgelopen jaren op de locatie zijn gedaan. Verplaatsing van het bedrijf betekent gelet hierop kapitaalvernietiging en brengt onevenredige bedrijfseconomische gevolgen met zich mee. Verder is verplaatsing naar een andere kern is geen optie, gezien het bedrijf lokaal geworteld is en fors bijdraagt aan de plaatselijke economie en werkgelegenheid. Gelet op vorenstaande is de beoogde uitbreiding passend op de gewenste locatie.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtevraag dan ook op een bestaande bedrijfslocatie in het buitengebied van de Neder-Betuwe opgevangen. Dat maakt dat er sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het Rijksbeleid en de daarin opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van het rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland.

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
4.2.1.1 Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld op 19 december 2018, is aangegeven dat de provincie streeft naar het stimuleren van economische ontwikkelingen en dynamiek. Om zorg te dragen voor een duurzame stedelijke ontwikkeling, worden in de Omgevingsvisie verschillende handvaten geboden. De provincie heeft zeven ambities geformuleerd voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland:

  • 1. Energietransitie: van fossiel naar duurzaam;
  • 2. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer;
  • 3. Circulaire economie: sluiten van kringlopen;
  • 4. Biodiversiteit: werken met de natuur;
  • 5. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden;
  • 6. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio!;
  • 7. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers en duurzaam.

Er wordt ingezet op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met een impuls voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen. De Omgevingsvisie biedt daarnaast een basis voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in plannen en zorgvuldige locatie-afwegingen. Deze bouwen voort op de kwaliteit en de kracht van het bestaande, zonder het uitgaan van het bestaande tot dogma te verheffen.

4.2.1.2 Duurzaamheid en vestigingsklimaat

Hoe de provincie haar taken invult varieert afhankelijk van wat de vraag is en wat nodig is. Wat wel vaststaat, is dat de focus ligt op duurzaamheid, verbonden en een krachtige economie als werkende bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland.

Duurzaam: groen doen!
Duurzaam is geen keuze. De manier van wonen, werken, verplaatsen, leven moet echt anders. Het roer moet om wil men het gave Gelderland te behouden in de toekomst. Of het nu gaat om water, natuur, landbouw of om hoe men woont, werkt en zich verplaatst, er moet ingezet worden op duurzaamheid in alle opzichten.

Een krachtige economie: leefbare groei!
Een economie in balans met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving: dat is waar het om gaat. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. Internationale concurrentie neemt toe en mensen en bedrijven verhuizen sneller als het elders beter is. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. De kwaliteit van het vestigingsklimaat, een kwalitatief en kwantitatief sterk arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden in dit licht steeds belangrijker. Bij uitstek kan Gelderland garen spinnen bij deze nieuwe industriële revolutie. Zo kent de provincie sterke clusters van economische activiteiten en een uitstekende bereikbaarheid.

4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Hoewel de Omgevingsvisie zich niet specifiek uitlaat over dergelijke initiatieven, is wel duidelijk dat duurzaamheid een belangrijk onderdeel moet zijn van plannen. Voorliggend plan heeft betrekking op de uitbreiding van een bedrijfsperceel van een houtbewerker actief in de productie van houten gebinten (prefab bouw). Hier is een groeiende maatschappelijke vraag naar, met name wegens de duurzaamheid van de producten en een unieke werkwijze die negatieve stikstofemissie op de bouwplaats voorkomt. Hiermee draagt het bedrijf bij aan de krachtige economie zoals omschreven in de omgevingsvisie. Tevens wordt de nieuwe bedrijfsbebouwing uitgerust met zonnepanelen om zo ruimschoots zelfvoorzienend te kunnen zijn in energiebehoefte.

Zoals ook uit paragraaf 4.1.2 blijkt, sluit de ontwikkeling aan bij de Ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De gewenste ontwikkeling wordt als passend in en rondom het plangebied beschouwd.

Gelet op vorenstaande is het initiatief in overeenstemming met de provinciale uitgangspunten zoals verwoord in de Omgevingsvisie Gelderland.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022)

De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Aritkel 2.12 (solitaire bedrijvigheid)

3. Een bestemmingsplan maakt in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing niet mogelijk, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:

  • a. verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is;
  • b. de uitbreiding regionaal is afgestemd;
  • c. de uitbreiding landschappelijk goed wordt ingepast;
  • d. de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt met een maatbestemming.

Toetsing aan aritkel 2.12 van de Omgevingsverordening Gelderland

De initiatiefnemer is er niet in geslaagd elders in de regio een geschikte plek voor het bedrijf te vinden. Daarbij komt dat de het bedrijf verbonden is met de huidige locatie en omgeving. Ten aanzien van het regionaal afstemmen wordt verwezen naar paragraaf 4.3.2 waarin het positieve advies van het Regionaal Acquisitie Platform staat. Ook wordt de locatie landschappelijk ingepast, conform Bijlage 2. Tevens is sprake van een maatbestemming door enkel een houthandel toe te staan in de regels behorende bij dit bestemmingsplan.

Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Gelderland geen bepalingen bevat die de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in de weg staan. Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Gelderland de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.2.3 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Gelderland, die is verankerd in de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Regionaal beleid

Regio Rivierenland beschikt over een Ruimtelijke Strategische Visie, hier wordt hieronder aan getoetst. Verder is nog in in het kader van het Regionaal Programma Werklocaties advies ingewonnen bij het Regionaal Acquisitie Platform (RAP) Rivierenland.

4.3.1 Ruimtelijke Strategische Visie Regio Rivierenland
4.3.1.1 Algemeen

In 2016 hebben de gemeenten in Regio Rivierenland een regionale ambitie opgesteld voor de periode 2016-2020. Dat zijn Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel. Met de regionale ambitie hebben deze 10 gemeenten een gezamenlijke focus gelegd op drie economische speerpunten: agribusiness, economie en logistiek en recreatie en toerisme. Hierbij zijn de randvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke ordening heel belangrijk. De Ruimtelijke Strategisch Visie (RSV) - die duidelijk maakt waar kansen liggen voor de drie speerpunten en welke uitgangspunten daarbij belangrijk zijn - stelt de regio in staat om deze randvoorwaarden te optimaliseren. De RVS Regio Rivierenland is op 16 juni 2019 vastgesteld.

4.3.1.2 Economie en Logistiek

De regio heeft de ambitie om in de top 3 van logistieke hotspots van Nederland te komen. Daarbij gaan ze uit van een goede balans tussen duurzame economische groei en behoud en versterking van een goede leefomgeving. Daarom wordt ingezet op bedrijvigheid die past bij de regio, die de economische structuur versterkt en aansluit op de wensen en mogelijkheden van de bevolking.

4.3.1.3 Integratie van bedrijven in het landschap

Mede door de kenmerkende agrarische sector in de regio, met hoofdzakelijk fruitteelt, laanboomteelt, glastuinbouw en paddenstoelenteelt, is in de RVS een voorbeeld opgenomen van het inpassen van een (landbouw)bedrijf in het landschap. Hierin wordt een hoogstammige (laan)boomgaard van minimaal 2 á 3 rijen als buffer tussen de nieuwe bedrijfsbebouwing en de straat/het landschap afgebeeld.

4.3.1.4 Toetsing aan de Ruimtelijke Strategische Visie Regio Rivierenland

De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een economische impuls (of het behoud hiervan) in het buitengebied van de Neder-Betuwe. Hoewel het bedrijf niet exact past binnen de agribussiness of de logistiek zoals wordt benadrukt in de RVS, is het houtbewerkingsbedrijf wel degelijk aanverwant aan beide sectoren. Het voornemen draagt bij aan een duurzaam toekomstperspectief voor het bestaande plangebied en de omgeving hiervan. Ook wordt conform de RVS de bedrijfsbebouwing met laanboom geïntegreerd in het bestaande landschap. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten van het relevante regionale beleid.

4.3.2 Advies Regionaal Acquisitie Platform Rivierenland
4.3.2.1 Aanleiding

De Tielsestraat is een échte ondernemersstraat aan de rand van het buitengebied waar van oudsher al bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, veelal op voormalige boerenerven. ln de Tielsestraat zijn naast laanboomkwekers dan ook verschillende kleine en (middel)grote bedrijven gevestigd: een woonwinkel, een machinebouwer, een aannemer, een transportbedrijf, een loonbedrijf, een tegelhandel, etc. De locatie ligt ook nog eens op steenworp afstand van bedrijventerrein 't Panhuys. Binnen het buitengebied ligt het bedrijf dan ook relatief gunstig voor bedrijfsmatige activiteiten. Dit beeld wordt versterkt als je in acht neemt dat het tracé van de Randweg Opheusden via een rotonde direct aansluit op de Tielsestraat. Het tracé loopt achter het perceel van NOESK langs. Daarmee ligt het bedrijf in een zone waar in de toekomst mogelijk nog ontwikkeling plaats vindt.

ln de huidige situatie zijn op de locatie een bedrijfswoning met bijgebouwen en drie bedrijfsgebouwen aanwezig. De bebouwing heeft een totale oppervlakte van circa 2.500 m2. Concreet voorziet het voornemen in de sloop van één bedrijfsgebouw (500 m2), om ruimte te maken om één van de bedrijfsgebouwen te draaien en naar 3.150 m2 uit te breiden met name ten behoeve van (droge)opslagruimte. Hiermee wordt netto 2.650 m2 bedrijfsgebouw toegevoegd.

Op dit moment is een gedeelte van het perceel met de bestemming groen verhard en als zodanig bedrijfsmatig in gebruik als buitenopslag. Deze bestemming groen wordt nu gewijzigd naar de bestemming bedrijventerrein. Hierdoor zal de bedrijfsbestemming met circa 3.300 m2 toenemen. Het perceel met de huidige bestemming bedrijf heeft een oppervlakte van circa 6.500 m2. ln totaal komt de nieuwe bestemming bedrijf op circa 9.800 m2. De manoeuvreerruimte voor de bestemming bedrijf wordt op het naastgelegen perceel gepositioneerd. Deze manoeuvreerruimte wordt uitdrukkelijk nietonder de bestemming bedrijf meegenomen, zodat er in de toekomst geen uitbreidingsmogelijkheid ontstaat.

4.3.2.2 Verzoek

Het verzoek is om een positief advies te ontvangen mbt de voorgestelde wijzingen:

  • uitbreiding van de enkelbestemming bedrijf aan de zuidzijde van de kavel;
  • toevoegen van een (gedeeltelijke) verharding in de agrarische bestemming;
  • toevoegen van een groter bouwvlak ivm de netto uitbouw van de bestaande bebouwing met 2650 m2.

4.3.2.3 Advies R.A.P.

Conform het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) en de daaraan gekoppelde afspraken met provincie Gelderland en regiogemeenten is voor een solitaire ontwikkeling in het buitengebied advies van het RAP noodzakelijk. Hiermee wordt vanuit regionaal opzicht voorzien in specifieke vereisten die in de provinciale omgevingsverordening staan ten aanzien van een dergelijke ontwikkeling.

Het doel hierbij is verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en dat zuinig wordt omgegaan met de schaarse beschikbare ruimte. Het RAP heeft daartoe de volgende zaken afgewogen:

  • 1. ls de uitbreiding van het aantal m2 minimaal t.o.v. de huidige bebouwing;
  • 2. Zijn er in de regio andere terreinen of locaties op (korte) termijn beschikbaar;
  • 3. Zorgt de extra uitbreiding voor een kwaliteitsslag in het buitengebied.

Aanvullend wordt hierbij benadrukt dat enkel de ruimtelijke-economische criteria (volgend uit wet- en regelgeving in deze van toepassing) deel zullen uitmaken van de añveging die ten grondslag ligt aan het advies van het RAP inzake de ingediende casus.

Uitbreiding functiebedrijf (m'z) in bestemmingsplan buitengebied

Het RAP constateert op basis van de ontvangen toelichting dat het voorstel gaat om het toevoegen van m2 bouvwolumen op gedeeltelijk bestaand terrein. Daarnaast wordt circa 3.300 m2 bedrijfsbestemming toegevoegd. De uitbreiding van deze m2 en de uitbreiding van het bouwvolume op de kavel wordt in deze casus als acceptabel gezien. Temeer omdat blijkt dat het niet is gelukt om elders in de regio een plek voor dit bedrijf te vinden. Tenslotte wordt door een andere invulling van de bouwkavel de verrommeling tegen gegaan (van buitenopslag naar binnenopslag) waarbij nadrukkelijk ook is afgesproken dat er gewerkt gaat worden aan de landschappelijke inpassing van het geheel. De landschappelijke inpassing zal aansluiten bij de laanboom gerelateerde activiteiten in de directeomgeving. Daarnaast weegt mee dat er op dit moment weliswaar sprake is van een "solitaire" vestiging, maar dat er wel sprake is van een lintbebouwing met voornamelijk percelen met een bedrijfsbestemming.

4.3.2.4 Conclusie

Het RAP adviseert conform het huidige Afsprakenkader en het beleid, positief op de vraag voor een uibtreiding van de bestaande bedrijfslocatie aan de Tielsestraat 85c.

4.4 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Met betrekking tot het voorliggende bestemmingsplan zijn de hieronder genoemde beleidsstukken het belangrijkst.

4.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe
4.4.1.1 Algemeen

De gemeentelijke Omgevingsvisie Neder-Betuwe is vastgesteld op 24 februari 2022 door de gemeenteraad. Deze omgevingsvisie laat zien wat de gemeente belangrijk vindt voor de omgeving waarin haar inwoners wonen, werken en hun vrije tijd doorbrengen. De loop van de rivieren hebben eeuwenlang historie geschreven in het landschap, maar ook de karakters van de inwoners. Een karakter van hard werken en naar elkaar omzien. Dat kenmerkt het motto van de gemeente: 'samen leven, werken en ondernemen, samen (voort)bouwen aan onze identiteit'.

De omgevingsvisie bestaat uit 10 speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. Hierop is te lezen waar de gemeente op in wil zetten en welke waarden behouden moeten blijven.

De volgende speerpunten laten zien waar de gemeente zich de komende jaren op wil richten.

  • 1. Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken;
  • 2. Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt;
  • 3. Wonen voor iedereen;
  • 4. Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar;
  • 5. Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit;
  • 6. Doorontwikkelen van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren;
  • 7. Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier;
  • 8. Voorbereid zijn op de veranderingen in het klimaat;
  • 9. Een gezonde, groene en biodiverse omgeving;
  • 10. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente.
4.4.1.2 Opheusden

Specifiek voor de kern Opheusden zijn een aantal ambities omschreven. Deze hebben echter hoofdzakelijk betrekking op de kern zelf. Aangegeven wordt dat de bereikbaarheid en het openbaar vervoer van de kern opgehoogd zal worden. Ook wordt de behoefte aan woningen en een horeca voorziening in de kern uitgesproken.

4.4.1.3 Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat

De gemeente gaat voor een samenleving waarin een goede aansluiting is tussen onderwijs, werkgelegenheid en de arbeidsmarkt. Werken is waardevol. Werk zorgt voor een sociaal netwerk, waardoor onze inwoners in de maatschappij blijven meedoen. Mede dankzij de ondernemers en lokale instellingen kunnen we de werkgelegenheid in de regio vergroten.

De gemeente wil zorgen voor ruimte voor een in kwalitatieve zin én kwalitatieve zin goede, gevarieerde werkgelegenheid en een diversiteit aan bedrijvigheid. Daarbij ligt de focus op het behoud en versterking van het lokale bedrijfsleven en bedrijven in de lokaal toonaangevende sectoren als de laanboomsector en aanverwante sectoren. Er wordt gestreefd naar een goed vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven, met aantrekkelijke, vitale en duurzame werklocaties met passende functies.

Het is wenselijk dat opleiding, lokale beroepsbevolking en beschikbare werkgelegenheid goed op elkaar zijn afgestemd. Doel is dat wie werk zoekt, werk moet kunnen vinden, en dat ondernemers die personeel zoeken, personeel moeten kunnen vinden. Men werkt aan doorontwikkeling van ondernemersdienstverlening en versterking van het ondernemersklimaat.

4.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Neder-Betuwe

Voorliggend initiatief betreft de uitbreiding van een bedrijfsperceel in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe. In de Omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat zij wil zorgen voor ruimte voor een in kwalitatieve én kwalitatieve zin goede, gevarieerde werkgelegenheid en een diversiteit aan bedrijvigheid. Daarbij ligt de focus op het behoud en versterking van het lokale bedrijfsleven en bedrijven in de lokaal toonaangevende sectoren. Voorliggende ontwikkeling voorziet bij uitstek in een versterking van een lokaal toonaangevend bedrijf, aangezien het hier om een toonaangevend bedrijf in de houtverwerkingsindustrie betreft. De uitbreiding is benodigd voor het bedrijf om deze positie te behouden. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een versterking van het ondernemersklimaat in de gemeente.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling naadloos aansluit op de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Neder-Betuwe.

4.4.2 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten en geen van de ambities in de weg staats zoals verwoord in de Omgevingsvisie Neder-Betuwe.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectenrapportage.

5.1 Geluid

5.1.1 Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

5.1.2 Beoordeling

In voorliggend geval zijn de aspecten rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang aangezien er geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Wat betreft de invloed van de bedrijfsbebouwing op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.3 Conclusie

De Wet geluidshinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

5.2 Bodem

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hier inzicht in te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht:

  • 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd;
  • 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurdend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid);
  • 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik niet sindsdien is gewijzigd).

5.2.2 Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een bedrijfsperceel, waarbij een bestaand bedrijfsgebouw wordt afgebroken, gedraaid wordt teruggebouwd en tevens uitgebreid. Het gewenste gebruik van de bebouwing betreft dat van opslag van hout. Daarmee is er geen sprake van de realisatie van een bouwwerk dat bestemd is voor (nagenoeg) langdurig menselijk verblijf. De kantoorfunctie die in de nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gerealiseerd komt ter plaatse van de huidige bedrijfsbebouwing waar de bodemkwaliteit reeds toereikend wordt geacht ten aanzien van langdurig gebruik. Daarmee wordt voldaan aan de tweede uitzonderingsregel uit de voorgaande paragraaf en kan een bodemonderzoek dus achterwege blijven. Daarnaast hebben de overige gronden een groene en agrarische bestemming zonder bouwrechten. Er wordt dan ook niet verwacht dat bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

5.2.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

5.3.2 Situatie plangebied

Er zijn bepaalde gevallen waarbij een plan als 'niet in betekende mate' bijdragend aan de luchtkwaliteit wordt beschouwd. Dit betreffen bijvoorbeeld woonwijken waar minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd of een kantoorpand met een maximaal bvo van 100.000 m2.

Voor dergelijke plannen hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd en kan worden aangenomen dat deze plannen daarom in niet betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van circa 2.450 m2 bvo van een bedrijfsgebouw. De uitbreiding is daarmee vele malen kleiner dan bovengenoemde gevallen. Ook kan redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen (zie ook paragraaf 3.3). Een verdere toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit hoeft niet plaats te vinden. Doordat er geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit plaatsvindt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is nader onderzoek naar dit aspect niet noodzakelijk en staat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Situatie in het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0007.png"  
Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (bron: risicokaart.nl)  

Uit de inventarisatie blijkt dat zich op enige afstand een aantal risicobronnen bevinden. Circa 900 meter ten zuiden van het plangebied loopt een buisleiding (N-574-10). Tevens bevinden zich een aantal BEVI LPG inrichtingen (tankstations) op minimaal 1 kilometer afstand.

Buisleiding (N-574-10)
Op circa 900 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een gasleiding. Het betreft een aardgasleiding met een diameter van 168 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij een dergelijke gasleiding ligt de 1% lethaliteitsgrens op 70 meter aan weerszijden van de gasleiding.

Het plangebied bevindt zich op ruim voldoende afstand van de gasleiding. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

LPG inrichting
Op enige afstand, zowel 1 en 1,2 kilometer ten zuiden, als 1,2 kilometer ten westen van het plangebied bevinden zich een aantal tankstations. Deze inrichtingen hebben een plaatsgebonden risicocontour van 40 meter voor de zuidelijk gelegen tankstations, 25 meter voor het tankstation ten westen. De inrichtingen beschikken niet over een groepsrisicocontour. Wel zijn explosie aandachtsgebieden in kaart gebracht, deze zijn op afbeelding 5.1 aangegeven met de oranje contouren. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand van de LPG inrichtingen.

5.4.3 Conclusie

Het initiatief is in overeenstemming met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2 Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

Het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse functies. Aan de Tielsestraat liggen hoofdzakelijk bedrijven, agrarisch en niet-agrarisch, met daarbij behorende bedrijfswoningen maar ook reguliere woningen. Ook nabij gelegen is een maatschappelijke functie in de vorm van een begraafplaats en uitvaartcentrum. Door deze functiemenging is het plangebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden voor zowel een rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0008.png"  
5.5.3 Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Zoals hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving.

De beoogde opslagfunctie kan worden gekwalificeerd zijnde milieucategorie 2. Anderzijds is er een vergunning verleend voor het in werking hebben van een houtzagerij. Een houtzagerij wordt aangemerkt zijnde categorie 3.2 bedrijf, waarvoor in het omgevingstype ‘gemengd’ gebied een richtafstand van 50 meter geldt.

Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling breidt het bedrijfsperceel zich in zuidelijke en westelijke richting uit. Ten zuiden bevinden zich binnen 50 meter geen milieugevoelige functies. Het bedrijfsperceel komt als gevolg van de uitbreiding wel dichter op de woning aan de Tielsestraat 85b te liggen. De afstand tussen het bedrijfsperceel en dit woonperceel bedraagt als gevolg van de uitbreiding circa 45 meter. De daadwerkelijke afstand tussen het beoogde bouwvlak en deze woning bedraagt 58 meter. Geluidsgevoelige activiteiten, zoals het laden en lossen zullen daarnaast inpandig plaatsvinden. Daarom wordt aangenomen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen nieuwe milieugevoelige functies opgericht. Daarmee is geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

5.5.4 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur

5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

5.6.2 Situatie plangebied

In het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het voornemen levert dan ook geen extra belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van omliggende agrarisch bedrijven.

5.6.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7 Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.1 Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd.

In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond plannen die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

Het plangebied ligt op circa 750 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Van directe negatieve efecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake.

Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijk toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht worden. Van Weesteren Adviseurs Ruimtelijke Ontwikkeling heeft daarom een AERIUS-berkening uitgevoerd. Deze is als Bijlage 3 bijgevoegd. Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdeposititie op Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn dan ook uit te sluiten. Er is geen Wet natuurbeschermingsvergunning nodig.

5.7.1.2 Gelders Natuurwerk

Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. De gronden welke zijn aangemerkt als GNN liggen op circa 750 meter afstand vanaf het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van geluidverstoring, verlichting of stikstofdepositie. Gelet op vorenstaande en vanwege de lokale invloedsfeer wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op gronden die behoren tot het GNN.

5.7.2 Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

5.7.2.2 Situatie plangebied

In voorliggend geval is sprake van de sloop van een bedrijfsgebouw en de demontatie en heropbouw van een tweede bedrijfsgebouw. Het gebrek aan opening en kieren in beide gebouwen, de huidige inrichting, het grotendeels bestrate erf en intensieve beheer maken het plangebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Daarnaast wordt er geen beplanting gerooid ten behoeve van het voornemen.

Gelet op het vorenstaande wordt een natuurwaardeonderzoek niet noodzakelijk geacht. Opgemerkt wordt dat ten alle tijde rekening wordt gehouden met de zorgplichtingbepaling uit de Wet natuurbescherming. Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken.

5.7.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake ecologie.

5.8 Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van plannen waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.

Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen binnen gronden die zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’, in de planregels is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een nieuw te bouwen oppervlak van 2.000 m². In voorliggend geval wordt het bestaande bedrijfsgebouw gedemonteerd, opnieuw opgebouwd en uitgebreid tot circa 4.200 m2. Hoewel dit oppervlak de onderzoeksgrens uit de dubbelbestemming overschrijdt, wordt deze bebouwing toegevoegd op reeds verharde ondergrond. De gronden zijn daardoor reeds geroerd waardoor het niet waarschijnlijk is dat zich hier archeologische resten bevinden. Ook zullen geen werkzaamheden plaatsvinden, dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

5.8.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in of nabij het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Ook kent het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de archeologische waarden. Daarnaast kent het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage

5.9.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
    Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd.

5.9.2 Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 750 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit is ook gebleken uit de stikstofberekening (zie paragraaf 5.7). Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. De beoogde ontwikkeling is opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage, namelijk: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

In een uitspraak uit 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een (standaard) beoordelingskader voor de kwalificatie van stedelijke ontwikkelingsprojecten gegeven. De Afdeling stelt voorop dat het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject” ruimte voor interpretatie laat. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Op basis van jurisprudentie is gebleken dat deze concrete omstandigheden van het geval kunnen worden beoordeeld aan de hand van verschillende aspecten. Concreet gaat het onder andere om aspecten zoals:

  • de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen (functie)wijziging, en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht.

Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. De concrete plannen zien immers toe op de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Daarbij wordt een nieuwe bouwmogelijkheid gecreëerd voor het bouwen van een bedrijfsgebouw van circa 4.000 m2. Dit oppervlakte ligt ruim onder de in voorgaande paragraaf genoemde drempelwaarden.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo voorziet dit bestemmingsplan in de uitbreiding van de bestemming 'Bedrijf' van circa 7.000 m2, terwijl pas bij 20 hectare bedrijfsvloeroppervlakte of meer sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Zo wordt er geen nieuw bedrijf toegevoegd en betreft het enkel een uitbreiding die met name is benodigd voor de opslag van materiaal waarmee geen extra verkeersbewegingen gemoeid zijn.

5.9.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan en er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan MER noodzakelijk maakt.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid

6.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2 Rijksbeleid

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en duurzame watersystemen. Het Waterschap Rijn en IJssel laat in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten het waterschap in de samenwerking met haar partners wil leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden:

  • het (grond)waterpeil te beheren;
  • rioolwater te zuiveren;
  • zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en
  • stevige dijken.
6.1.3 Provinciaal beleid

Het Regionaal waterprogramma 2021-2027 bevat het waterbeleid van de provincie. Hierin beschrijft de provincie haar doelen, hoe ze deze wil bereiken en met welk pakket aan acties en maatregelen. Daarnaast wordt in het programma de integrale en strategische visie en het beleid op het gebied van regionaal waterbeheer beschreven.

6.1.4 Waterschap Rivierenland

'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' is de titel van het waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap Rivierenland. Hierin staat hun rol omschreven als deskundige en omgevingsbewuste partner om mee samen te werken en hoe ze hun dagelijks beheer van water en dijken bewerkstelligen. Tevens opgenomen is het beleid betreft overstromingen, extreem weer, hoe wordt gewerkt aan schoon water en hoe toegewerkt moet worden naar klimaat- en energieneutraliteit en circulariteit.

6.2 Waterparagraaf

6.2.1 Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap Rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Doordat in voorliggend geval meer dan 1.500 m2 aan verharding wordt toegevoegd dient hiervoor gecompenseerd te worden. Zodoende is in overleg met het waterschap de waterhuishouding in de beoogde situatie als volgt geregeld:

Hierna is de berekening opgenomen, hoe de benodigde compensatie is berekend.

  • Er is sprake van een toename van 7.290 m² x 436 m³/10.000 m² = 318 m³. Waarna vervolgens 318 m³/0,3 = 1.059 m² aan nieuw oppervlaktewater noodzakelijk.
  • Dit zal geschieden door de watergang te verbreden over een lengte van 574 meter met een breedte van 1,85 meter. 574 x 1,85 = 1.062 m² nieuw oppervlakte water. Hiermee vind er voldoende watercompensatie plaats.

Watercompensatie vindt plaats door de c-watergang en greppel te verbreden. Deze zal tevens worden voorzien van een natuurvriendelijke oever door de aanplant van onder andere knotwilgen. In Bijlage 4 is hiervan een overzicht opgenomen, afbeelding 6.1 is hier een uitsnede van. Om de compensatie van verharding juridisch te borgen is hiervoor in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPtielsestraat85-vst1_0009.png"  
Afbeelding 6.1: Verbeelding compensatie verharding (Bron: Van Westreenen)  
6.2.3 Klimaatadaptatie

Hittegolven, hoosbuien en droogte zijn inmiddels bekende gevolgen van de niet meer te ontkennen klimaatverandering en gaan vaak gepaard met aanzienlijke schade en risico’s voor economie, gezondheid en veiligheid. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, is voor klimaatadaptatiemaatregelen een belangrijke rol weggelegd.

6.2.3.1 Klimaatadaptatiebeleid

In het Deltaprogramma worden telkens vier belangrijke effecten van de klimaatverandering genoemd:

  • wateroverlast;
  • droogte en waterveiligheid (overstromingen).
  • hittestress;

Klimaatadaptatiemaatregelen zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Om wat voor maatregelen gaat het? Een aantal voorbeelden:

  • 1. Extra waterberging in gecreëerde ‘wadi’s’ of afvoer naar zaksloot/ watergang.
  • 2. Gescheiden waterafvoersystemen om overbelasting van het riool te voorkomen.
  • 3. Meer bomen planten en nieuwbouw met lichte gekleurde daken uitvoeren of met minder ramen op het westen/oosten of met buitenzonwering voor alle ramen op de oost-, zuid- en westgevels om hittestress te beperken.
6.2.3.2 Extra waterberging

Door de klimaatverandering worden regenbuien intensiever, neemt de kans op wateroverlast toe en wordt de riolering meer belast. Daarnaast wordt door de warmere periodes het thema verdroging steeds belangrijker. Echter door bebouwing wordt steeds meer oppervlak verhard waardoor regenwater niet meer kan infiltreren in de bodem. Hierdoor neemt de druk op de capaciteit van het riool toe. Omdat hemelwater in principe schoon water is kun je het ook slim gebruiken. Daarom is bij de realisatie van dit een ontwerp gemaakt dat al het regenwater afgevoerd wordt naar te graven sloot. Deze watergang/sloot dragen bij aan een natuurlijkere waterhuishouding en zorgen ervoor dat regenwater blijft waar het valt, ze helpen het grondwaterpeil hoger te houden en ontlasten de riolering.

6.2.3.3 Aanleg groen

Met de aanleg van groen kun je vaak al veel schade en overlast door klimaatverandering tegengegaan. Als je op de juiste manier groen aanlegt, kan het helpen tegen wateroverlast en hitte. Verder maakt groen een terrein niet alleen klimaatbestendiger, maar ook biodiverser en aantrekkelijker. Het is belangrijk om rekening te houden met schaduw en licht, maar ook met de bodem en ondergrond. Doordat het terrein voor een groot deel bestaan uit verhardingen, stroomt regenwater snel naar het laagste punt. Dat kan leiden tot schade en overlast in panden, op (parkeer)terreinen en wegen. Meer groen kan de wateroverlast verminderen, doordat groen het regenwater afvangt en er meer water wegzakt (infiltreert) in de bodem. Als het nodig is, kun je de groene maatregelen aanvullen met technische maatregelen, zoals waterberging via wadi’s.

6.2.3.4 Beperking hittestress

Door de grote hoeveelheid verhardingen kan het op terrein en de gebouwen erg heet worden. Bij hitte kunnen mensen niet goed meer werken. Ook bepaalde machines en producten kunnen niet tegen te hoge temperaturen. Hitte kun je tegengaan door lichte kleuren te gebruiken voor daken, gevels, gebouwen en verhardingen. Ook slimme keuzes voor schaduw, zoals zonwering, kunnen de opwarming aanzienlijk verminderen. In het plangebied wordt dit voorkomen door de aanleg van groen, en dit komt tot uiting in de landschappelijke inpassing van het geheel (zoals reeds in hoofdstuk 3.1 en 3.2 uitgebreid is beschreven).

6.2.4 Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels

7.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten);
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels);
  • 4. Overgangs- en slotregels.

7.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

  • Begrippen (Artikel 1)
    In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
  • Wijze van meten (Artikel 2)
    Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
  • wijzigingsbevoegdheid: op welke onderdelen Burgermeerster en wethouders het plan kunnen wijzigen.
7.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 6)
    Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
  • Algemene gebruiksregels (Artikel 7)
    In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens worden vormen van strijdig gebruik beschreven.
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 8)
    In dit artikel worden de beschrijvingen van de specifieke aanduidingen binnen het bestemmingsplan beschreven.
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 9)
    In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
  • Algemene wijzigingsregels (Artikel 10)
    In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.
7.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Op basis van de geldende bestemmingsplannen zijn binnen het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’ en 'Agrarisch' overgenomen, met dien verstande dit inhoudelijk in de regels enkele wijzingen hebben plaatsgevonden. De bestemming 'Groen' is komen te vervallen. Daarnaast zijn de gronden in het plangebied (net zoals in het geldende bestemmingsplan) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en de aanduidingen 'vrijwaringszone - weg' en 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel'. Ten slotte is een bouwvlak opgenomen ten behoeve van de beoogde bedrijfsbebouwing.

'Agrarisch' (Artikel 3)
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor grond gebonden agrarische productie, teelt en het houden van dieren met daarbij behorende voorzieningen. Doordat de bestemming agrarisch niet beschikt over een bouwvlak, zijn de bouwmogelijkheden beperkt.

'Bedrijf' (Artikel 4)
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn dankzij de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel' uitsluitend bestemd voor een houthandel, met bijbehorende voorzieningen en opslag, bewoning en landschappelijke beplanting. Nieuwe bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

'Waarde - Archeologie 5' (Artikel 5)
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. In de bouwregels is bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Als uitzondering hierop is onder andere gegeven: wanneer de totale bebouwde oppervlakte kleiner is dan 2.000 m2, of niet dieper gaat dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval wordt een planschadeafwentelingsovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Neder-Betuwe. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 9 Vooroverleg en inspraak

9.1 Vooroverleg

9.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2 Provincie Gelderland

Het voorgenomen plan wordt met de provincie in het kader van vooroverleg besproken.

9.1.3 Waterschap Rivierenland

Het waterschap is geïnformeerd over het voornemen door gebruik te maken van de digitale watertoets. Verwezen wordt naar de watertoetsprocedure opgenomen in subparagraaf 6.2.2.

9.2 Inspraak

Gelet op de omvang en de impact van het initiatief wordt een inspraakprocedure niet noodzakelijk geacht.

9.3 Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.