direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kesteren, Hoofdstraat 31
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel van het plan

Recent is de supermarkt Spar (nu Plus) verhuisd van de Hoofdstraat 31-33 in Kesteren naar een nieuwe locatie aan de Stationsstraat 1-3. Bouwbedrijf J.G. Timmer en Bogor Projectontwikkeling B.V. zijn voornemens om op de locatie van de Hoofdstraat 31-33 bebouwing te realiseren met detailhandel in de plint en appartementen op de verdiepingen. Binnen het huidige bestemmingsplan zijn in feite al winkels en woningen op de genoemde bouwlagen toegestaan. Het plan wijkt, ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, af ten aanzien van het aantal woningen, het toegestane bouwvolume en de gedeeltelijke ligging van de bebouwing buiten het bouwvlak. Hiertoe is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

Omdat het initiatief past op de locatie en stedenbouwkundig aanvaardbaar wordt geacht, wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Hoofdstraat, welke centraal door Kesteren gaat. De locatie is aan de zuidzijde van het centrum gelegen op de plek van de voormalige supermarkt Spar en een slijter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0001.png"

Afbeelding 1.1: globale ligging en begrenzing plangebied

1.3 Geldende plannen

Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe', dat op 14 mei 2020 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe is vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0002.png"

Afbeelding 1.2: uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl

Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan

Voorliggend initiatief is op een drietal punten strijdig met het vigerende bestemmingsplan:

  • 1. De overschrijding van de bouwmassa.

De toegestane goot- en bouwhoogte bedraagt voor het meest noordelijke bouwvlak respectievelijk 3 en 4 meter en voor het meest zuidelijke bouwvlak respectievelijk 6 en 9 meter. De voorgenomen ontwikkeling wordt hoger, namelijk respectievelijk 6,5 en 11 meter.

  • 2. Het bouwen buiten het bouwvlak.

De footprint van de toekomstige bebouwing is op een andere wijze geprojecteerd op het perceel. Daarmee vindt er een overschrijding plaats van de grenzen van de bouwvlakken.

  • 3. Het vergroten van het aantal toegestane wooneenheden.

Momenteel zijn alleen de bestaande woningen in het plangebied toegestaan. Op dit moment is er één woning aanwezig. Met voorliggend initiatief worden 13 appartementen gerealiseerd.

Met voorliggend bestemmingsplan is aangesloten op de regels uit het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe', aangevuld met de bovenstaande uitgangspunten van het plan.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemming in het plangebied is aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

In het recente verleden was aan de Hoofdstraat 31-33 de supermarkt Spar en een slijterij gevestigd. Deze supermarkt (nu Plus) en slijterij zijn verhuisd naar een nieuwe locatie op de hoek van de Stationsstraat/Hoofdstraat. Het pand aan de Hoofdstraat 31 staat momenteel leeg. Daarnaast is er een bedrijfswoning aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0003.png"

Afbeelding 2.1 Luchtfoto en begrenzing plangebied

2.2 Toekomstige situatie

In het Masterplan voor het centrum van Kesteren (15-12-2011) is reeds voorgesorteerd op onderhavige ontwikkeling en zijn randvoorwaarden opgenomen voor de herontwikkeling. In het ontwerp van het initiatief zijn deze randvoorwaarden verwerkt. Zie voor een nadere toelichting de navolgende paragrafen.

2.2.1 Programma

Op de begane grond is ruimte voor het vestigen van ca. 517 m² aan winkelruimtes en/of maatschappelijke voorzieningen. Een supermarkt is uitgesloten. Op de verdiepingen zijn 13 appartementen met deels binnen en buitenterrassen opgenomen.

2.2.2 Ruimtelijke ontwikkeling

Het gebouw staat op de hoek van de Hoofdstraat en de Schenkhofstraat. Deze hoek vormt de markering van de zuidelijke entree voor het centrum, een economische trekker die zorgt voor de afsluiting van het centrum als tegenhanger van de nieuw gerealiseerde Plus aan de noordzijde.


Het beoogde bouwplan kenmerkt zich door de verschillende beukmaten, hoogtes en verspringende rooilijn en voorziet in authentieke detaillering wat goed past binnen de dorpse context. Verschillend kleurgebruik en luxe materialen geven extra diversiteit aan het gebouw en verhogen de architectonische kwaliteit.


Aan de Schenkhofstraat wordt het gebouw eenvoudiger/ingetogen uitgevoerd om zo aansluiting te vinden op de bestaande bebouwing. De goot- en bouwhoogte is hier ook iets lager. Tevens is hier ook de entree gesitueerd naar het binnenhof waar geparkeerd kan worden. Waarmee tevens meer afstand tot de naastgelegen bestaande woning wordt gerealiseerd.


Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies en een plattegrond (bijlage 1) opgenomen van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0004.png"

Afbeelding 2.2: Impressie toekomstige situatie, gezien vanuit de Hoofdstraat. Bron: HZ Bouwadvies

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0005.png"

Afbeelding 2.3: Impressie toekomstige situatie, gezien vanuit de achterzijde. Bron: HZ Bouwadvies

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0006.png"

Afbeelding 2.4 Gevelaanzichten. Bron: HZ Bouwadvies

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0007.png"

Afbeelding 2.5: Plattegrond toekomstige situatie. Bron: HZ Bouwadvies

2.2.3 Ontsluiting en parkeren

Ontsluiting

De bebouwing is gelegen op de hoek van de Hoofdstraat en de Schenkhofstraat. De toekomstige winkels zijn aan de zijde van de Hoofdstraat te bereiken. De appartementen krijgen een ingang aan de Schenkhofstraat. Het laden en lossen ten aanzien van de winkels en/of maatschappelijke voorzieningen zal beperkt blijven gezien het aantal beschikbare m². Dit laden en lossen kan plaatsvinden aan de achterzijde van de bebouwing. Het achterterrein is bereikbaar via de Schenkhofstraat.

Parkeren

Met voorliggend plan worden 25 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Voor een nadere toelichting met betrekking tot het aspect parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.1 en de memo parkeren in bijlage 2.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en biedt lagere overheden, burgers en bedrijven, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.


Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."


Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3.1.2 Conclusie

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

Met voorliggend plan worden 13 appartementen gerealiseerd, waarvan 1 reeds is toegestaan. Uit jurisprudentie blijkt dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Met het toevoegen van 12 extra woningen ligt het initiatief net op deze grens. Daarom dient voor de woningen de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. In de volgende alinea wordt hierop ingegaan.
Voor overige stedelijke functies (anders dan wonen) in de vorm van een gebouw ligt de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m². In de huidige situatie is reeds circa 800 m² aan winkelvloeroppervlak toegestaan en aanwezig. De te ontwikkelen winkelruimte uit voorliggend plan omvat ca. 517 m² bvo. Geconcludeerd wordt dat hiermee geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiermee is de ladder van duurzame verstedelijking in principe niet van toepassing voor de te realiseren winkelruimtes. Desondanks kan kortheidshalve worden gesteld dat dit onderdeel van het plan wel voldoet aan de uitgangspunten van de ladder. De hoeveelheid winkeloppervlakte neemt af en doordat er een flexibele bestemming op ligt kan de ruimte worden ingevuld naar behoefte. Verdere concentratie van winkels/voorzieningen aan de Hoofdstraat heeft de voorkeur boven verspreide ligging in de kern. Dit is tevens onderbouwd in de detailhandelsvisie en het masterplan van de gemeente.

Hieronder wordt de ladder voor duurzame verstedelijking met betrekking tot de toe te voegen woningen doorlopen.

Ten eerste dient de behoefte aan de appartementen onderbouwd te worden. Uit het onderzoek van Stec (Update Thermometer woningmarkt, 5 februari 2018) wordt op grond van de bevolkingsprognose Primos 2017 aangegeven dat er ruimte is voor toevoeging van 970 woningen in de periode 2017 - 2027 binnen de gemeente Neder-Betuwe. De plancapaciteit in Neder-Betuwe in harde plannen tot 2027 bedraagt op dit moment 427 woningen. Het realiseren van 13 appartementen (waarvan 1 reeds toegestaan) in het plangebied levert een bijdrage aan de invulling van deze kwantitatieve behoefte aan woningen.
Wat betreft de kwalitatieve opgave blijkt uit de Woonvisie dat er in de gemeente Neder-Betuwe behoefte is aan woningen/appartementen voor senioren en starters. De gemeente wil voor senioren inzetten op flexibele woonconcepten die ten minste voldoen aan de kwaliteitseisen die (zorgvragende) senioren stellen, maar ook aantrekkelijk zijn voor vitale senioren. De woonomgeving moet zodanig zijn ingericht, dat deze voldoende inspeelt op de wensen van ouderen: voorzieningen, sociaal veilig en toegankelijk. Er is ook vraag naar appartementen in de huursector voor starters die dit zien als een tijdelijke opstap naar een eengezins(koop)woning. De appartementen uit voorliggend plan spelen in op deze behoefte van senioren en starters. Er is daarmee zowel kwantitatief als kwalitatief behoefte aan de toe te voegen appartementen.


Daarnaast dient te worden ingegaan op de locatie van het initiatief. Voorliggend plan betreft een herontwikkeling van bestaande bebouwing in het centrum. De nieuwe appartementen worden gerealiseerd op de locatie van een voormalige supermarkt (inbreidingslocatie). Hiermee is sprake van duurzaam ruimtegebruik.

De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee succesvol doorlopen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik

De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik gehanteerd. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

3.2.3 Omgevingsverordening

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

In de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen over detailhandel:

  • 1. In een bestemmingsplan worden geen nieuwe locaties voor detailhandel mogelijk gemaakt die leiden tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur.
  • 2. Voor zover er voor het betreffende gebied een regionale afspraak is gemaakt over de programmering van detailhandel, is de bestemming detailhandel in een bestemmingsplan alleen mogelijk als deze ontwikkeling niet in strijd is met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraak.
  • 3. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe een nieuwe detailhandelsontwikkeling zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid en een eventuele intergemeentelijke samenwerking op het gebied van detailhandel.

De gebiedsgerichte voorwaarde die van belang kan zijn voor onderhavig plan heeft betrekking op de Limes. Voor de Limes is de begrenzing van het gebied indicatief aangegeven. De nadere begrenzing van de Limes is binnen het Samenwerkingsverband Limes afgesproken welke terreinen de kernkwaliteiten van de Limes bevatten. Dit betreft de terreinen met een vastgestelde archeologische waarde die resten uit de Romeinse tijd bevatten. In Gelderland zijn dat 16 archeologische Rijksmonumenten en 16 Archeologische Monumenten Kaart (AMK) -terreinen. De gebiedsbegrenzing is gebaseerd op de zones die een hoge en middelhoge archeologische verwachting hebben.

De kernkwaliteiten zijn als volgt geformuleerd: De unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:

  • forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;
  • militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;
  • scheepswrakken.
3.2.4 Conclusie

Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat.

Het plan gaat uit van herstructurering van het centrum van Kesteren. Er heeft een zorgvuldige afweging plaats gevonden met betrekking tot het plan in relatie met de omgeving in het kader van het opgestelde Masterplan Centrum Kesteren (zie paragraaf 3.4.2). Het plan draagt in grote mate bij aan het versterken van de winkelstructuur. Er wordt in kwalitatieve zin een impuls gegeven aan het centrum om deze voor nu en in de toekomst vitaal te houden.

Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Door in combinatie met de winkels tevens 13 appartementen te realiseren wordt aangesloten op de ambitie om een divers woon- en leefklimaat te creëren in het centrum van Kesteren. Hierdoor blijft deze plek ook na sluitingstijd levendig en een aantrekkelijke plek aan de Hoofdstraat.

Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking

Voor wat betreft de afweging met de ladder voor duurzaam ruimtegebruik wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1. Hierin is de behoefte aangetoond, bovendien is er sprake van herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Het plan sluit aan bij de doelstellingen van de ladder.

Detailhandel

De locatie was tot voor kort in gebruik als supermarkt en staat momenteel leeg. Het oppervlak van de nieuwe winkelruimtes is kleiner dan wat momenteel aanwezig is en planologisch is toegestaan, waarmee er geen sprake is van een ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur of een substantiële toename van het winkeloppervlak.

Limes

De daadwerkelijk beschermde gebieden (Rijksmonumenten en AMK-terreinen) van de Limes liggen buiten het plangebied. Het initiatief heeft hier dan ook geen relatie mee. In het plangebied zijn geen nederzettingen, infrastructuur, scheepswrakken etc. van de Limes aanwezig. Daarnaast is er geen sprake van ondergrondse archeologische waarden, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.9. De ontwikkeling gaat uit van vervangende nieuwbouw. Van aantasting van de waarden van de Limes is geen sprake.

Conclusie

Het plan sluit goed aan bij de doelstellingen van het provinciaal beleid, zonder dat de beschermde cultuurhistorische en landschappelijke waarden uit het beleid worden aangetast.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale detailhandelstructuurvisie Rivierenland

In 2014 is deze regionale detailhandelsvisie opgesteld vanuit de gedachte dat een eenduidige gezamenlijke visie op de detailhandelsstructuur de voorwaarde is om een toekomstbestendig aantrekkelijk regionaal winkelvoorzieningenniveau in Rivierenland te waarborgen. De regionale visie moet leiden tot versterking van de koopkrachtbinding binnen Rivierenland en een omgeving waarin marktpartijen en overheid durven en kunnen investeren. De visie is opgesteld vanuit de vraag hoe de optimale toekomstige detailhandelsstructuur van de regio eruit ziet, waarbij ingespeeld wordt op structurele ontwikkelingen in de detailhandel en regio. De visie is op 5 maart 2015 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe vastgesteld.

De dagelijkse winkelvoorzieningenstructuur in met name de kleine kernen staat onder druk. Het aanbod supermarkten in kernen kleiner dan 2.500 inwoners neemt al jaren af. Er dient rekening te worden gehouden met de verschillen tussen de kleine en grote(re) kernen. Binnen de regio streeft men naar het in stand houden van deze fijnmazige voorzieningenstructuur. Dit betekent dat er beperkte mogelijkheden zijn om substantiële toevoegingen in het dagelijks winkelaanbod te realiseren, mede gelet op de bestaande winkelplannen in de dagelijkse sector. Omdat de dagelijkse winkelvoorzieningen vooral een lokale verzorgingsfunctie hebben, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de individuele gemeenten.

Het winkelaanbod in de regio is zeer verspreid. In 75 van de 81 woonplaatsen zijn detailhandelsvestigingen aanwezig. Er zijn sterke verschillen per gemeente en tevens tussen de woonplaatsen binnen de gemeenten. Er is een duidelijke regionale hiërarchie, waarbij de steden buiten de regio ook een grote aantrekkingskracht hebben. Binnen de gemeente Neder-Betuwe heeft Kesteren de meeste detailhandel, zowel in aantal vestigingen als in oppervlakte. Als gevolg van een structureel veranderende winkelmarkt dient de periode tot en met 2020 in het teken te staan van:

  • terughoudendheid ten aanzien van meer winkelmeters,
  • concentratie van (nu nog verspreide) winkelvoorzieningen,
  • focus op functionaliteit, bereikbaarheid en kwaliteit van winkelgebieden,
  • initiatieven primair binnen de bestaande winkelstructuur huisvesten,
  • samenwerking tissen gemeenten en faciliterende rol van gemeenten in Rivierenland.
3.3.2 Conclusie

Uit de visie blijkt dat Kesteren de belangrijkste winkelkern is binnen de gemeente Neder-Betuwe. In de huidige situatie is reeds sprake van een bestaande plek voor detailhandel. Met de realisatie van nieuwe winkels op deze locatie wordt blijvend bijgedragen aan de versterking van de winkelstructuur in Kesteren en wordt duidelijk invulling gegeven aan de markering van het kernwinkelgebied.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018

Een structuurvisie is als beleidsdocument de belangrijkste ruimtelijke grondlegger op gemeentelijk niveau. De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 31 mei 2018 de 'Structuurvisie Neder-Betuwe 2018' vastgesteld.

De gemeente biedt een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving. Alle kernen hebben een eigen karakteristiek woonmilieu, met een hechte sociale samenhang en actief verenigings- en kerkelijk leven. De gemeente streeft nog steeds naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees kwaliteit) van de kern niet verloren gaat. De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied. Daar waar nodig zijn bij de kernen en/ of ontwikkelingslocaties waterbergingsvoorzieningen gerealiseerd.

Kesteren

Voor Kesteren is het wenselijk de herkenbaarheid van het oorspronkelijke stratenpatroon en het bebouwingsbeeld in een deel van het dorp te handhaven. Kesteren heeft daar immers nog een directe relatie met de ontstaansgeschiedenis. Datzelfde geldt voor de plaatselijk open structuur met een aantal fraaie (groene) binnenterreinen. Tevens is het wenselijk de historisch waardevolle bebouwing te handhaven en te beschermen. Het gaat hier met name om de bebouwing aan de Rijnbandijk/Boveneindsestraat. Voorts is het van belang de samenhang tussen de verschillende dorpsgebieden te verbeteren. Wegen en de spoorlijn vormen vaak een fysieke barrière. Een aantal gebieden heeft nu een geïsoleerde ligging. Door toevoeging van nieuwe functies kan een verbinding tussen de verschillende gebieden worden bewerkstelligd. Het spoor en station, de Cuneraweg en de Betuwestraatweg vormen barrières in het dorp die geslecht moeten worden. De Betuwestraatweg zal steeds meer een binnenstedelijke weg worden. In dit kader is ook het verbeteren van langzaamverkeersroutes van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0008.png"

Afbeelding 3.1: Uitsnede visiekaart van de Structuurvisie Neder-Betuwe, plangebied aangeven met een witte cirkel

Het verbeteren van de uitstraling van het dorp is een prioriteit. Dit wordt bereikt door te investeren in de inrichting van knooppunten en entrees. De Rijnbandijk is een historische groene structuur en vormt de ontstaansbasis van het dorp. Het nieuwe dorpshart met de nieuwe supermarkt ligt hier tegenaan. Door de relatie te verbeteren versterken beide elementen elkaar.

Voor wat betreft voorzieningen streeft de gemeente naar winkelconcentratie ter plekke van het huidige centrumgebied. Hiermee kan het karakter en de uitstraling van het centrum worden versterkt. Naast bovenstaande uitgangspunten is voor het centrum ruimte voorzien voor circa 60 woningen boven de voorzieningen. De woningen en winkels zijn met name georiënteerd op de Hoofdstraat.

Planspecifiek

In het voorliggende bestemmingsplan is rekening gehouden met de beleidsdoelstellingen en uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de structuurvisie Neder-Betuwe 2018. Met het behoud van detailhandel binnen het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan de concentratie van voorzieningen in het centrumgebied van Kesteren. Daarnaast sluit de realisatie van appartementen boven de winkels eveneens aan bij de visie. Tenslotte zal de nieuwbouw in combinatie met de herinrichting van de openbare ruimte bijdragen aan de verbetering van de uitstraling van het centrumgebied. Onderhavig plan vormt een belangrijk onderdeel van de herontwikkeling van het centrum van Kesteren. Dit is niet alleen iets wat in de structuurvisie van 2015 als doelstelling is benoemd, maar waar de gemeente al tientallen jaren naar streeft. Het plan is vanuit gemeentelijk ruimtelijk beleid goed inpasbaar.

3.4.2 Masterplan centrum Kesteren

Voor het centrumgebied van Kesteren is het Masterplan centrum Kesteren opgesteld. De gemeenteraad heeft dit plan op 15 december 2011 vastgesteld. Het plan heeft het doel om ruimtelijke en functionele sturing voor toekomstige ontwikkelingen in het centrum van Kesteren te geven. Het is een kader dat marktpartijen moet stimuleren om te werken aan een vernieuwd centrum. Naast een sturingsinstrument en inspiratiebron is het Masterplan een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Het plan geeft een beleids-, historische, ruimtelijke en functionele analyse van het centrum van Kesteren en formuleert uitgangspunten voor de herontwikkeling van het centrum. Op onderstaande afbeelding wordt de visie op de herontwikkeling ter plaatse van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0009.png"

Afbeelding 3.2: Visie Masterplan centrum Kesteren

Conform de huidige situatie blijft de Hoofdstraat de slagader van het centrum van Kesteren met een clustering van voorzieningen rondom een plein aan de noordzijde. De begrenzing van het centrum is herkenbaar door een eenduidige inrichting van de Hoofdstraat. De inrichting van het centrum is gericht op een comfortabel verblijf voor bezoekers en goede parkeervoorzieningen. Deze inrichting wijkt af van de aanloopstraten waar de stroomfunctie centraal staat. De overgangen van de aanloopstraten naar het centrumgebied krijgen een markering met centrumvoorzieningen zodat de entrees van het centrum duidelijk herkenbaar zijn. De markeringen bij de entrees zijn functionele trekkers. Buitensporig markante gebouwen als markering van het centrum passen niet in de dorpse context. Globaal zijn drie deelgebieden te onderscheiden in het centrum. Nabij de Rijnbandijk komt een centraal dorpsplein met concentratie van centrumvoorzieningen: het Dorpshart. Dit plein vormt ook meteen de entree van het centrum vanaf de noordzijde. Herontwikkeling van voorliggende opgave (de voormalige SPAR-locatie) moet de zuidelijke entree van het centrum markeren: Entree Zuid.

Als verbindend element vormt de Hoofdstraat het derde deelgebied. Tussen het Dorpshart aan de noordzijde en Entree Zuid blijft de bestaande mix van woningen, met verspreid gelegen voorzieningen, behouden. Er zijn uitgangspunten geformuleerd voor de locatie en ten aanzien van de deelaspecten verschijningsvorm bebouwing, inrichting van de openbare ruimte, verkeersaspecten, parkeren, laden en lossen, maar ook reclame, rolluiken en terrassen. Uitgangspunten die een directe relatie hebben met onderhavig plan en die in het kader van het bestemmingsplan relevant zijn, zijn hieronder beschreven:

Planspecifiek

Entree Zuid

Met het realiseren van onderhavig plan wordt voldaan aan de ambities uit het Masterplan. De ontwikkeling van een economische trekker op de hoek Hoofdstraat – Schenkhofstraat zorgt voor de gewenste markering van de zuidelijke entree van het centrum. Daarnaast wordt voldaan aan het uitgangspunt dat boven de voorzieningen ruimte is voor één laag met kap voor wonen.

Verschijningsvorm bebouwing

Nieuwe bebouwing moet passen binnen de dorpse context van Kesteren. Het uitgangspunt voor nieuwe gebouwen is maximaal twee bouwlagen met een kap. Eenheid in verscheidenheid. Bij grote bebouwing is het (visueel) opdelen in kleine volumes, passend bij dorpse bebouwing in de omgeving, van belang. Hiermee is in het architectonisch ontwerp rekening gehouden.

Laden en lossen

Het laden en lossen geschiedt aan de achterzijde van de winkels. Het achterterrein is bereikbaar vanaf de Schenkhofstraat, conform het Masterplan. De exacte locatie van het laden en lossen is afhankelijk van de nieuwe functie.

Parkeren

Voor een nadere uitwerking van het onderwerp parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.1.

3.4.3 Woonvisie 2016-2021 'Vitale kernen in een sterke gemeente'

Op 1 februari 2016 is de woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Hierin is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, kansen, aanbod en behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt deze visie belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw in de gemeente en alle facetten die hiermee samenhangen. Binnen het Regionale Woningmarktonderzoek en de Regionale Woonagenda worden de kaders van de nieuwbouwopgave met de regiogemeenten afgestemd. Hiermee wordt gezorgd dat de nieuwbouwproductie past binnen de regionale behoefte.

De gemeente wil het woonklimaat de komende jaren verder versterken en verbeteren zodat Neder-Betuwe een sterke gemeente met vitale kernen blijft. Dit wil de gemeente bereiken door actief woonbeleid te voeren op de volgende aandachtspunten:

1. Toevoegen van duurzaam aantrekkelijke woningen

De vergrijzing van Neder-Betuwe zet zich voort, maar zit rond 2035 op haar hoogtepunt. De veranderende bevolkingssamenstelling vraagt om een aanpassing van de woningvoorraad. Levensloopgeschiktheid is daarin een belangrijk criterium. Binnen de ambitie om tot een gevarieerde, levensloopgeschikte woningvoorraad te komen, worden enkele doelgroepen iets meer ondersteund: starters en senioren. Naast de bovengenoemde grote doelgroep zijn er een aantal kleine doelgroepen die ook aandacht vragen: mensen in scheiding, statushouders/vluchtelingen en mensen met een lichte zorgvraag.

2. Inzetten op een realistische nieuwbouwambitie

Het hanteren van een realistische woningbouwambitie is belangrijk om ervoor te waken dat het woningaanbod goed aansluit bij de woningbehoefte. Op basis van het regionale woningbehoefteonderzoek wordt tot 2025 uitgegaan van een jaarlijkse productie van 60 tot 80 woningen voor de gemeente Neder-Betuwe.

3. Woningbouw in elke kern, volwaardige afronding van huidige plannen

Om de kernen vitaal te houden is het belangrijk dat elke kern de mogelijkheid behoudt om nieuwe woningen aan de voorraad toe te voegen, als hier voldoende behoefte aan is. Het is belangrijk dat de plannen die in de afgelopen jaren zijn voorbereid -en waarvan de behoefte is bewezen- nu ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. In Kesteren betekent dit een grotere woningbouwprogramma om de uitleglocatie Casterhoven goed te kunnen afronden. Binnen de woonvisie is het geplande woningbouwprogramma van de verschillende kernen gecategoriseerd in plannen die goed aansluiten bij de marktvraag voor de korte/middellange termijn (tot 2020) en plannen die minder goed aansluiten of op een langere termijn spelen. Deze zijn afgewogen tegenover de ontwikkeling van afgelopen jaren en de wensen van de gemeente. Hiermee is gekomen tot een 'streefprogramma 2015-2025' per kern.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0010.png"

Voor de gemeente Neder-Betuwe zijn de volgende segmenten als kansrijk benoemd: grondgebonden sociale huurwoning, tweekamer huurappartement in de vrije sector, goedkope grondgebonden koopwoning, rij-/hoekwoning in het middensegment (levensloopbestendig) en luxe grondgebonden koopwoning in dure segment.

4. Verder verduurzamen van de woningvoorraad

De komende jaren wil de gemeente verder met het energiezuiniger en levensloopgeschikter maken van de bestaande woningvoorraad. In de nieuwbouw houden we vast aan de energieprestatienorm uit het Bouwbesluit. De belangrijkste opgave ligt in de bestaande voorraad. Daar wil de gemeente eigenaar-bewoners stimuleren om hun woning te verduurzamen. Om ervoor te zorgen dat mensen met een zorgvraag zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, is het belangrijk alle nieuwbouw 'maximaal aanpasbaar' te ontwikkelen.

5. Betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen

Er zullen voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen moeten worden gerealiseerd. Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan passende woonruimte kunnen komen. Hierbij richt men op huishoudens met lage inkomens en lage middeninkomens (sociale huur). Om de voorraad de komende jaren te consolideren moeten er minimaal 75 woningen in de periode 2015-2020 gebouwd worden om aan de verwachte vraag te voldoen (ter compensatie van sloop en verkoop).

Planspecifiek

In het plan zijn 13 appartementen opgenomen die inspelen op de vraag van senioren en starters. Voor senioren wil de gemeente inzetten op flexibele woonconcepten die ten minste voldoen aan de kwaliteitseisen die (zorgvragende) senioren stellen, maar ook aantrekkelijk zijn voor vitale senioren. Belangrijk hierbij is in te spelen op de differentiatie in de seniorengroep. Een kwalitatieve randvoorwaarde die veel senioren stellen bij een eventuele verhuizing is, dat zij er (ook voor hun gevoel) niet op achteruit gaan. Minder vierkante meters moeten dan gecompenseerd worden door meer comfort. Bovendien moet de woonomgeving zodanig zijn ingericht, dat deze voldoende inspeelt op de wensen van ouderen: voorzieningen, sociaal veilig en toegankelijk. Er is ook vraag naar appartementen in de huursector voor starters die dit zien als een tijdelijke opstap naar een eengezins(koop)woning. Hiermee sluit het plan goed aan op het gestelde woningbouwprogramma uit de Woonvisie.

3.5 Conclusie

Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving

De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen:

  • Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is.
  • Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen.

4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag (aantal vervoersbewegingen per weekdag: vvb/wd).

De toe- of afname wordt berekend aan de hand van het toekomstig programma met de bijbehorende verkeersaantrekkende werking minus de huidige verkeersaantrekkende werking van het programma dat verdwijnt. De omgeving wordt getypeerd als 'niet-stedelijk' en waarbij conform de Nota parkeernormen van de gemeente van 'binnen de bebouwde kom' wordt aangehouden. Dit is vergelijkbaar met de CROW-typering van 'rest bebouwde kom'. Hieronder is gerekend met de gemiddelde kengetallen van de minimale en maximale toename die in de CROW-publicatie zijn opgenomen.

- Detailhandel in dorpscentrum: 79,4 vvb/wd per 100 b.v.o.

- Wonen koop vrijstaand: 8,6 vvb/wd per woning.

- Wonen koop etage middelduur: 6,0 vvb/wd per woning.

Huidige situatie   m²/aantal   kengetal   vvb/wd  
Detailhandel   950   79,4   754,3  
Wonen koop vrijstaand   1   8,6   8,6  
Totaal       762,9  

Toekomstige situatie   m²/aantal   kengetal   vvb/wd  
Detailhandel   517   79,4   410,5  
Wonen koop middelduur   13   6,0   78  
Totaal       488,5  

Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een verkeersafname van 274,4 vervoersbewegingen per weekdag. Hierbij moet opgemerkt worden dat de verkeersstroom voor de supermarkt deels is verplaatst. Aangenomen kan worden dat de huidige en toekomstige inrichting van de Hoofdstraat toereikend is om de verkeersstromen te kunnen verwerken. Hiervoor heeft de gemeente onlangs de openbare ruimte heringericht, waarmee rekening wordt gehouden met onderhavige ontwikkeling.

Laden en lossen

Het laden en lossen geschiedt aan de achterzijde van de winkels. Dit terrein is bereikbaar vanaf de Schenkhofstraat.

4.1.2 Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving

De Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (11 mei 2017) en het 'Parapluplan Parkeren' (26 april 2018) zijn van toepassing op nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Neder-Betuwe. Hierin worden onder andere parkeernormen gesteld op basis van de toe te voegen functies.

4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan

Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe het aspect 'parkeren' ten aanzien van bouwen en gebruik geregeld. Dit bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' met de daarin opgenomen parkeerregeling is thans van kracht voor het plangebied. In het voorliggende bestemmingsplan zal een vergelijkbare parkeerregeling worden opgenomen. De parkeernormen zijn gebaseerd op de Nota Parkernormen Neder-Betuwe. De gemeente heeft de parkeernormen ontleend aan de landelijke kencijfers van het CROW.

De onderbouwing van het aspect parkeren is opgenomen in de memo parkeren in bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd het plan voldoet aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Neder-Betuwe. In de openbare ruimte en op het achterterrein is voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Het voorzien in de parkeerbehoefte is geborgd in voorliggend bestemmingsplan en in de overeenkomst met de gemeente.

4.1.3 Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van verkeer en parkeren.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Daarnaast is onderzoek gedaan ter plaatse van een voormalige ondergrondse tank. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen.

Verkennend NEN 5740

De onderzoekslocatie is vooraf m.b.t. het NEN 5740-onderzoek als onverdacht verklaard. In de toplaagmengmonsters (zand) liggen de gemeten gehaltes onder de achtergrondwaarden. In de onderlaagmengmonsters (klei) liggen enkel de gemeten nikkelgehaltes in geringe mate boven de achtergrondwaarden. Nikkel in de bodem heeft in het rivierengebied vaak een natuurlijk licht verhoogde waarde. Geconcludeerd wordt dat de veronderstelling van onverdacht terrein gehandhaafd kan worden.

Verkennend NEN 5707 asbest

De onderzoekslocatie is vooraf m.b.t. asbest als onverdacht verklaard. Asbest verdacht materiaal is bij de inspectie van het maaiveld en in de opgeboorde grond zintuiglijk niet waargenomen. Daarnaast is in de grondmengmonsters geen asbest gedetecteerd. Geconcludeerd wordt dat de veronderstelling van onverdacht wat betreft asbest gehandhaafd kan worden.

Voormalige ondergrondse tank

In de resultaten komt naar voren dat er een matige oliewaarneming is gedaan en er analytisch een minerale oliegehalte is aangetroffen. Dit gehalte ligt boven de achtergrondwaarde. De aangetroffen olieverontreiniging in de bodem is gering en de omvang wordt geraamd op ca. 1 m³. De aangetroffen olieverontreiniging in het grondwater is eveneens gering en de omvang wordt geraamd op enkele m³. De verontreiniging heeft, gezien diepte en omvang, geen enkel milieuhygiënisch risico (zowel humaan, ecologisch en qua verspreiding). Daarnaast is zij (grotendeels) veroorzaakt voor 1987 en betreft daarmee een historische verontreiniging en zij behoeft daarmee wettelijk geen saneringsacties. Wordt in de toekomst de bodem ter plaatse op de vervuilingsdiepte geroerd (kelder, aanleg leidingen) dan is het zinvol om de verontreiniging te verwijderen. In het huidige plan zullen er geen grondroeringen plaatsvinden op vervuilingsdiepte ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank. De verontreiniging zal in dit plan dan ook niet worden verwijderd.

Op grond van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt bodemkundig geen beletselen zijn voor ontwikkeling van de onderzoekslocatie ten behoeve van voorliggend initiatief.

4.2.3 Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

4.3.2 Wegverkeerslawaai

Regelgeving

In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0011.png"

Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt.

Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen.

De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Kesteren. De locatie ligt op ca. 17 m van de Hoofdstraat, op 10 meter van de Schenkhofstraat en op 20 meter van de Nedereindsestraat. Dit zijn alle 30 km wegen zonder geluidzone volgens de Wet geluidhinder en dus niet onderzoeksplichtig. Er hoeft bovendien geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de wegen in de omgeving indien de voorkeurswaarde wordt overschreden. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' is er wel een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De geluidbelasting door wegverkeer bedraagt 63 dB zonder aftrek (58 dB incl. aftrek) op de (zuid)gevel van de hoogst geluidsbelaste appartementen.

Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de appartementen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt 30 dB bij een geluidbelasting van 63 dB zonder aftrek. In de regels van dit plan is met een voorwaardelijke verplichting geborgd dat hieraan wordt voldaan.

4.3.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0012.png"

Tabel 4.1: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Met betrekking tot milieuzonering is gekeken naar het effect van het uitbaten van de winkelfunctie en de activiteiten die hierbij komen kijken in relatie tot gevoelige functies in de omgeving. Daarnaast is geanalyseerd in hoeverre de woningen boven de winkel hinder ondervinden van bedrijven in en rond het plangebied.

Op basis van de VNG-brochure is de omgeving van het plangebied aan te merken als een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat is gelegen nabij hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor het omgevingstype 'gemengd gebied' is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Gelet op de aanwezige functies en infrastructuur, te weten het centrum van Kesteren met diverse winkels en kantoren in combinatie met woningen, is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap. Dit betekent concreet dat de gereduceerde richtafstanden – zoals opgenomen in tabel 1 – van toepassing zijn.

Effect functies/bedrijven omgeving op nieuwe appartementen

In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven en voorzieningen aanwezig. In onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven en inrichtingen weergegeven.

Adres   Inrichting   Toelaatbare milieucategorie   Maatgevende aspect   Richtafstand (in m)*   Feitelijke afstand (in m)  
Nedereindsestraat 2   Kantoor   1   Geluid   10 (0)   31  
Hoofdstraat 28   Winkel   1   Geluid   10 (0)   27  
Hoofdstraat 26   Winkel   1   Geluid   10 (0)   28  

* de gereduceerde richtafstand in gemengd gebied is tussen haakjes weergegeven

Tabel 4.2: overzicht relevante bedrijvigheid

Overige functies/bedrijven zijn op een nog grotere afstand gelegen. De huidige bedrijven in de omgeving worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering met het realiseren van onderhavig initiatief.

Effect winkels in de plint op gevoelige functies

Met betrekking tot het realiseren van de winkels in het plangebied vormt 'geluid' het bepalende aspect. Op basis van de VNG-brochure geldt er een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk, en 0 meter in gemengd gebied. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zijn van onaanvaardbare geluidhinder bij omwonenden en de nieuwe woningen boven de winkels.

Het plan is met betrekking tot het aspect milieuzonering uitvoerbaar.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.5.2 Onderzoek

Onderhavig plan is aan te merken als een 'klein' project aangezien het plan voorziet in vervangende nieuwbouw en het programma in verhouding tot 'grote' projecten gering is. Op basis van de verwachte verandering van het aantal vervoersbewegingen per weekdag is bepaald wat de bijdrage is aan de luchtkwaliteit, dit is berekend in paragraaf 4.1.1. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een verkeersafname van 161,3 vervoersbewegingen per weekdag. Dit betekent dat het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool)

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (N233) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald.

In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2015. Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0013.png"

Afbeelding 4.3.: NSL-monitoringstool

4.5.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018

Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan.

Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt.

De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij:

  • 1. de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht;
  • 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's;
  • 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid;
  • 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's;
  • 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.
4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen. Onderstaand een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEhoofdstraat31-vst2_0014.png"

Afbeelding 4.4: Uitsnede risicokaart.nl (plangebied blauw omcirkeld)

Risicovolle inrichtingen

In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen of buisleidingen gelegen die van belang zijn. De dichtstbijzijnde inrichting (LPG-installatie) is gelegen op 470 meter van het plangebied, en valt daarmee buiten het invloedsgebied van 150 meter.

Transport gevaarlijke stoffen

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, namelijk binnen de 4 kilometer die volgens Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Neder-Betuwe 2015-2019 moet worden gehanteerd. Binnen deze zone kunnen personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied is op 1,35 kilometer vanaf de Betuwelijn gelegen. Het plangebied ligt hiermee wel buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute( s) en;
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 4 maart 2021 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.


Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gezien het bovenstaande staat het aspect externe veiligheid de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Dit geldt voor het plaatsgebonden risico en voor het groepsrisico.

Ook ten aanzien van transportrisico's ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en over het water zijn geen belemmeringen voor het plangebied aanwezig. Er zijn ook geen risicovolle buisleidingen in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Het plangebied valt buiten de veiligheidszones.

4.6.3 Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7 Waterhuishouding

4.7.1 Regelgeving

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren;

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit :

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe

Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor de komende jaren is omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe (GRP) 2019 - 2023. In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater.

Waterplan

Omdat de opgave in het watersysteem door uitvoering van maatregelen de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is, is het eerder op zichzelf staande waterplan in het GRP geïntegreerd opgenomen. De bekostiging van het gemeentelijke deel van de wateropgave is opgenomen in de kostendekking GRP.

Belangrijke aanleiding voor het losknippen van de watertaak uit het GRP in een apart plan was de destijds grote opgave op het gebied van waterberging, het benodigde specialisme en de genoemde gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een gemeentelijk waterspecialist begeleid de uitvoering van de watertaken. Op dit moment zijn veel van de gestelde doelen bereikt of verkeren in een afrondende fase. De nog uit te voeren waterbergingsopgave is kleiner en duidelijk. Het waterplan maakt daarom weer geïntegreerd onderdeel uit van het GRP 2019 - 2023.

Gemeente en Waterschap streven voor stedelijk gebied naar een robuust watersysteem waardoor overstroming alleen optreedt bij extreme situaties. Dit betekent dat er watersysteemmaatregelen moeten worden getroffen. Dit kan door extra ruimte voor oppervlaktewater in het bestaande watersysteem te creëren of door het realiseren van extra waterpartijen.

Om de doelstellingen van het rijk (2050) te halen moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen die nu gerealiseerd worden klimaatbestendig en water robuust zijn. Als ze dat niet zijn komt de rekening voor aanpassingen bij toekomstige inwoners of de gemeente voor herinrichting van de openbare ruimte. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar worden afgestemd en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Klimaatbestendig inrichten heeft niet enkel betrekking op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar betreft ook de (herinrichting van) bestaande openbare ruimte.

Een klimaatbestendig oppervlaktewatersysteem betekent een robuust watersysteem van belang dat zowel extreme droge als natte situaties aan kan (regenwater-, droogte- en hittebestendig). In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over wateroverlast en watertekort. In het NBW zijn werknormen opgenomen ten aanzien van het noodzakelijke beschermingsniveau. Om nu en in de toekomst aan deze beschermingsniveaus te voldoen is de realisatie van aanvullende waterberging noodzakelijk. Deze opgave wordt bepaald aan de hand van modelleringen (hydrologische berekening van het oppervlaktewatersysteem).

4.7.2 Doorwerking plangebied

Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl), zie bijlage 5. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap.

Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. Er staat een winkelpand met daaraan vast een bedrijfswoning. Rond de bebouwing zijn inritten en parkeerplaatsen aanwezig. Aan twee zijden van de bedrijfswoning is een onverharde tuin aanwezig van circa 350 m². In de toekomstige situatie zal het gehele perceel verhard worden waarmee er een toename aan verharding plaatsvindt van 350 m². Het waterschap hanteert voor stedelijk gebied een drempelwaarde van 500 m2 aan toename verharding waarbij compenserende maatregelen dienen te worden genomen. Geconcludeerd wordt dat de toename van de verharding onder deze grens blijft en er geen compenserende maatregelen nodig zijn.

Er zijn verder geen watergangen of beschermde gebieden in het kader van de waterkwaliteit of grondwater aanwezig. Tenslotte zal het hemelwater en afvalwater overeenkomstig de huidige situatie gescheiden worden afgevoerd. Voor de volledigheid zal in het kader van het wettelijk vooroverleg het voorliggende bestemmingsplan worden voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland.

4.7.3 Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Ecologie

4.8.1 Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

4.8.1.1 Soortenbescherming

Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

  • 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
  • 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en
    • c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
      • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of
      • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
  • 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.8.1.2 Gebiedsbescherming

Natura2000

De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan
4.8.2.1 Soortenbescherming

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting opgenomen. In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen voormalige supermarkt en de woning hebben mogelijk een essentiële functie voor vleermuizen als vaste rust- en/of verblijfplaats. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden.

Ten aanzien van vleermuizen is een aanvullend onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 7. Hierin wordt geconcludeerd dat de bebouwing op de planlocatie geen functie heeft voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wnb ten aanzien van vleermuizen is daarom niet nodig. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Wel is het mogelijk dat er algemeen beschermde soorten aanwezig zijn. Het betreft hier echter alleen soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor het vernietigen van verblijfsplaatsen en het verstoren van deze soorten. Wel blijft voor deze soorten de algemene zorgplicht gelden. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.8.2.2 Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat onder de Wet natuurbescherming (Wnb) valt, betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken en op een afstand van circa 1,4 km ten oosten van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland. In paragraaf 4.1.1 is geconcludeerd dat er sprake is van een verkeersafname van 274,4 vervoersbewegingen per weekdag ten opzichte van de huidige functie. Daarnaast zal de nieuwe functie gasloos worden gerealiseerd. Om de depositie van stikstof te berekenen is een voortoets stikstofdepositie gedaan. De rapportage is toegevoegd als bijlage 8. Hierin is geconcludeerd dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee zijn er als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

4.8.3 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9 Archeologie & cultuurhistorie

4.9.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2021. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan
4.9.2.1 Archeologie

Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Ter plaatse van het plangebied gelden geen verwachtingswaarden. Het aspect archeologie zorgt daardoor niet voor belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.9.2.2 Cultuurhistorie

Binnen de plangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle bebouwing of structuren aanwezig.

4.9.3 Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10 Leidingen

4.10.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er zijn geen grote buisleidingen in de directe omgeving aanwezig. Voor de herontwikkeling zullen middels een Klic-melding eventueel aanwezige leidingen in beeld worden gebracht en eventueel worden verlegd. Dit heeft echter geen invloed op de uitvoerbaarheid van het plan.

4.11 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd:

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels 
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2 Bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming :

  • Centrum: Ter plaatse van deze gronden is de beoogde winkelfunctie toegestaan op de begane grond. Er zijn maximaal 13 woningen toegestaan, uitsluitend op de verdieping. De toegestane goot- en bouwhoogten zijn aangegeven op de verbeelding.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels 

Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen, zwembaden en ten aanzien van de bestaande situatie.

Algemene gebruiksregels 

Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn regels voor (niet-publieksgerichte) aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten opgenomen.

Algemene afwijkingsregels 

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Er zijn onder meer algemene afwijkingsregels opgenomen voor evenementen, publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, bed & breakfastaccommodaties, parkeren en jongerenontmoetingsplaatsen.

Overige regels

In deze bepaling is opgenomen dat het initiatief dient te voldoen aan de gestelde parkeernormen.

Algemene wijzigingsregels 

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht 

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel

Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

6.1.2 Conclusie

Omdat de gemeente de nog te ontwikkelen gronden niet in eigendom heeft, is een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar gesloten. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Overleg

Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Omdat voorliggend plan slechts een functionele wijziging betreft, namelijk het toevoegen van 13 appartementen, het vergroten van het bouwvolume en de ligging van het bouwvlak, en geen provinciale of waterschapsbelangen raakt, is het toezenden achterwege gelaten. Bij het ontwerpbestemmingsplan behouden zij de mogelijkheid tot het geven van zienswijzen. De ontvangen reacties worden te zijner tijd voorzien van een gemeentelijke beantwoording.

7.2 Inspraak

Gezien de geringe impact van de voorgenomen ontwikkeling kan de inspraakfase worden overgeslagen en wordt het plan direct als ontwerp ter inzage gelegd. Belanghebbenden hebben dan nog steeds de mogelijkheid om hun zienswijzen te geven. De direct naastgelegen buren zijn door de initiatiefnemer over het plan geïnformeerd.

7.3 Ontwerpfase

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties moet worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 27 mei tot en met 7 juli 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend. Een verslag van de zienswijze en de beantwoording van de zienswijze is opgenomen in bijlage 9. De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

7.4 Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat voor belanghebbenden direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

Tegen het beroepsbesluit is beroep ingediend en tevens een voorlopige voorziening ingediend. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan op enkele onderdelen aangepast. Zie hiervoor het raadsbesluit.