direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22s Goorsestraat 13 Hengevelde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding

Dit plan is tot stand gekomen doordat voormalig zalencentrum Assink failliet is gegaan in 2017. Sindsdien staat het pand aan de Goorsestraat 13 in Hengevelde leeg. De initiatiefnemer is voornemens om het voormalige zalencentrum te slopen. Hiervoor in de plaats komt er een nieuw appartementencomplex met 13 appartementen en een commerciële ruimte. De appartementen worden verdeeld over de begane grond, eerste verdieping en tweede verdieping. De commerciële ruimte op de begane grond krijgt een oppervlakte van circa 240 m2. Voorliggend initiatief is niet (geheel) mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente.

Om het voorgenomen bouwplan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied is gelegen aan de Goorsestraat 13 te Hengevelde en betreft een voormalig zalencentrum, dat sinds 2017 leegstaat. Het plangebied bevindt zich in het centrum van Hengevelde, aan de oostelijke zijde van de kern. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Ambt Delden sectie K, perceelnummers 185, 200, 2234 en 81. Perceelnummers 81, 200 en 2234 worden voor een gedeelte meegenomen als plangebied. In figuur 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven. Figuur 1.3 geeft de kadastrale begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0001.png"

Figuur 1.1 Luchtfoto met globale ligging plangebied (Bron: PDOK viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0002.png"

Figuur 1.2 Luchtfoto plangebied, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied wordt in figuur 1.3 globaal weergegeven met een rode omkadering. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Goorsestraat, aan de overkant van de Goorsestraat bevindt zich detailhandel en woningen. Aan de oost- en westzijde wordt het plangebied begrensd door horeca bedrijven. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door groen en een woonwijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0003.png"

Figuur 1.3 Uitsnede kadstralekaart, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: PDOK viewer)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het plangebied is gelegen in het plangebied van het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Hof van Twente', onderdeel 'Hengevelde'. Het plangebied heeft de functie(s) 'Centrum' en 'Waarde - Archeologie 2'. Daarnaast is het perceel voorzien van een bouwvlak en zijn de aanduidingen 'horeca tot en met horecacategorie 2', 'wonen' en de maatvoeringen 'Maximum goothoogte (m): 4' en 'Maximum bouwhoogte (m): 9' opgenomen. In figuur 1.4 is een fragment van dit omgevingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0004.png"

Figuur 1.4 Uitsnede omgevingsplan gemeente Hof van Twente, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart)

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bedoeld voor gemengde functies. Hieronder vallen onder andere detailhandel, dienstverlenende bedrijven, kantoren en wonen. Per bouwperceel is één woning per bouwperceel toegestaan, indien geen bestaande woning aanwezig is.

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het herstel en behoud van archeologische waarden.

Het geldende omgevingsplan biedt op basis van de geldende regels de mogelijkheid tot wonen op het plangebied. Echter past de realisatie van 13 appartementen en een commerciële ruimte niet binnen de gestelde regels. Middels voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt het mogelijk gemaakt om de 13 appartementen en de commerciële ruimte te realiseren.

1.4 Leeswijzer

Deze onderbouwing kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding, ligging en begrenzing van het plangebied omschreven. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader en de toetsing hieraan. In hoofdstuk 4 worden alle omgevingsaspecten behandeld die invloed hebben op de fysieke leefomgeving alsmede de daarbij behorende onderzoeken. Hoofdstuk 5 laat zien of het plan economisch en maatschappelijk uitvoerbaar is. In hoofdstuk 6 staat de juridische toelichting van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Beoogde plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er sprake van een leegstaand zalencentrum 'Assink'. Dit zalencentrum is in 2017 failliet gegaan. Sinds 2017 staat dit zalencentrum leeg. Voor op het perceel staat het leegstaande zalencentrum, achter op het perceel staan meerdere kleinere leegstaande gebouwen. Op het plangebied bevinden zich in de huidige situatie weinig tot geen eigen parkeerplaatsen.

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden er 13 appartementen gerealiseerd met een inpandige commerciële ruimte. De commerciële ruimte krijgt een oppervlakte van 240 m2. De appartementen krijgen een oppervlakte van tussen de 52,3 m2 en 86,3 m2. De appartementen op de begane grond krijgen een tuin van tussen de 16,5 m2 en 17,5 m2. De overige appartementen krijgen een dakterras. Deze hebben een oppervlakte van tussen de 16 m2 en 28 m2.

Aan weerzijde van het gebouw komt een toerit. Deze leidt naar de parkeerplaatsen die achter op het terrein liggen. Achter op het terrein worden 25 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de voorzijde van het gebouw worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast bevinden zich achter op het terrein 13 bergingen voor de appartementen.

Figuur 2.1 geeft een situatietekening weer van de nieuwe situatie. Figuur 2.2 en 2.3 geven een impressie weer van de nieuwe bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0005.png"

Figuur 2.1 Situatietekening nieuwe situatie (Bron: L&O Architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0006.png"

Figuur 2.2 Impressie nieuw te bouwen gebouw vanaf de voorzijde (Bron: L&O Architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0007.png"

Figuur 2.3 Impressie nieuw te bouwen gebouw vanaf de achterzijde (Bron: L&O Architecten)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

In de NOVI wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies.

Naast de prioriteit wonen is er een prioriteit gesteld waarin wordt ingezet op duurzaam economisch groeipotentieel. Daarbij is de opgave te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving, en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten worden voorkomen.

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte. Zoals beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. Met de realisatie van 13 appartementen wordt de woningvoorraad aangevuld. Met de realisatie van een commerciële ruimte wordt er aangesloten bij de omliggende functies die al een 'centrum' functie kennen. Dit wordt gezien als een logische locatie voor dit gedeelte van de ontwikkeling. Zowel de appartementen als ook de commerciële ruimte passen binnen het gemeentelijk beleid. Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Toets

Met dit plan wordt de realisatie van 13 appartementen met een commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Op grond van vaste jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wanneer meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ECLI:RVS:2015:953). De Ladder voor duurzame verstedelijking is pas van toepassing bij meer dan 11 woningen. De voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 13 appartementen met een commerciële ruimte. De commerciële ruimte heeft een oppervlakte van minder dan 400 m2. Hiermee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 3 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4409). De realisatie van de commerciële ruimte hoeft verder dan ook niet getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De realisatie van de 13 appartementen op het plan gebied betreft wél een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.

Ten eerste moet worden beoordeeld of er concreet behoefte bestaat aan de betreffende vorm van verstedelijking van de betreffende kwaliteit. Daarbij moet de ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) in ogenschouw worden genomen. Het gaat om de ruimtevraag waarin elders in de regio nog niet is voorzien. Bij aanbod elders kan worden gedacht aan al geplande woningbouw- of werklocaties, een binnenstedelijke herstructurering, of bijvoorbeeld leegstand.

Kwantitatieve behoefte regio Twente

De provincie, gemeenten, woningcorporaties, marktpartijen en het Rijk hebben samen vastgesteld dat tot en met 2030 minstens 47.300 extra huizen nodig zijn. Niet alleen om een achterstand in te lopen, maar ook omdat extra vraag wordt verwacht van onder andere inwoners uit de Randstad. Minimaal 42.300 van deze woningen moeten worden gerealiseerd in provincie Overijssel. Twente zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van minimaal 14.100 woningen tot en met 2030. Met het Rijk, de gemeenten en de provincie is afgesproken om bovenop de bruto realisatie van 14.100 woningen tot en met eind 2030, nog eens minimaal 5.000 woningen extra te bouwen in diezelfde periode. De totale bruto opgave komt daarmee op minimaal 19.100 woningen. Om te zorgen dat deze aantallen worden gehaald zijn er regionaal afspraken gemaakt waar deze woningen moeten komen.

Met de realisatie van 13 appartementen wordt de woningvoorraad in de regio Twente (en binnen de gemeente Hof van Twente) aangevuld. Hierdoor wordt er een bijdrage geleverd aan de gestelde doelen om woningen te realiseren.

Kwalitatieve behoefte regio Twente

Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland. Om aan te sluiten bij die grote behoefte is het streven dat tweederde (600.000 woningen) van de nieuwe woningen in Nederland t/m 2030 betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max. van €1000 per maand en koopwoningen tot €355.000.

Ook Overijssel onderstreept dat het streven dat tweederde van de nieuwe woningen binnen het betaalbare segment moet vallen. Uitgaande van de opgave om tot en met 2030 minimaal 42.300 woningen in Overijssel toe te voegen, wordt er in de provincie gestreefd naar 28.200 betaalbare huur- en koopwoningen. Twente zet zich in om binnen onze planvorming tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar te maken. Hiermee streeft Twente naar de realisatie van minimaal 9.400 betaalbare huur- en koopwoningen tot en met 2030.

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van o.a. 10 koopappartementen in het betaalbare segment, hiermee wordt voldaan aan de eis vanuit de gemeente/regio. Deze woningen zijn geschikt voor onder andere starters en één- en twee koppige huishoudens. Hiermee wordt er voldaan aan de gevraagde betaalbare woningen in de regio Twente.

Kwantitatieve behoefte Hof van Twente

In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat we de huidige woningvoorraad optimaal moeten benutten, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden.

Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. Onderstaan figuur geeft de aantallen van de woningbehoefte weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0008.png"

De gemeente zet in op een evenwichtige verdeling van de bouwopgave onder alle kernen en het buitengebied. In alle kernen moet passend en betaalbaar gebouwd worden voor zowel jongeren, gezinnen, ouderen en huishoudens van buitenaf. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de programmaruimte per kern tot 2030. Deze is niet in beton gegoten, maar moet vooral als richtinggevend gezien worden. Voor de kern Hengevelde geldt een woningprogramma van 50 tot 60 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0009.png"

Voorliggend plan, waarmee 13 appartementen mogelijk gemaakt worden, past binnen de kwalitatieve behoefte van de gemeente Hof van Twente.

Kwalitatieve behoefte Hof van Twente

De gemeente Hof van Twente streeft naar een gemeente met toekomstbestendige kernen, waar leefbaarheid en vitaliteit gewaarborgd zijn met passende woonruimte voor inwoners. De belangrijkste uitdaging is zorgen voor kwalitatief goede woningen voor iedereen op de juiste plek. Dit betekent dat er meer bijgebouwd moet worden, in de juiste segmenten. Terwijl het sociale huursegment stabiel lijkt te blijven, neemt de vraag naar koop en vrije sectorhuur toe.

De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levensfasen en met diverse woonwensen. Met een wachttijd van minder dan 12 maanden bij sociale huurwoningen, lijkt er in Hof van Twente geen sprake van een grote druk op de sociale huurmarkt. Wel staat betaalbaarheid in het koopsegment en de geliberaliseerde huur onder druk. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen.

Een andere uitdaging is de demografische verandering in onze gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500 75-plussers bij. Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Woningcorporaties Viverion en Wonen Delden verwachten de komende jaren een vraagverschuiving van de traditionele rijwoning naar meer klein, betaalbaar en toegankelijk wonen.

Met de realisatie van de 13 koopappartementen wordt de huidige leegstaande bebouwing gesloopt. Het betreft koopappartementen, die zich goed richten voor starters of juist ouderen mede door de oppervlakte van de woningen. Gelet op de woonvisie van de gemeente Hof van Twente is daar vraag naar.

Geacht wordt daarmee dat voldaan wordt aan de kwalitatieve behoefte.

Bestaand stedelijk gebied

Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied.

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Hengevelde en wordt omgeven door stedelijke functies zoals (woon)bebouwing en doorgaande wegen. Een groot gedeelte van het plangebied is in de huidige situatie bebouwd en/of verhard. Het plangebied is aan te merken als bestaand stedelijk gebied.

Er is sprake van een bestaand bebouwd perceel in de bebouwde kom die wordt herontwikkeld. Als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de Ladder. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De omgevingsvisie is, onder de Omgevingswet, een verplicht instrument voor het Rijk, provincies en gemeenten.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2024 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groende omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0010.png"

Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat het volgende beeld:

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:

Artikel 4.4 (principe van concentratie)

Lid 1

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Toets

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte in de kern Hengevelde. In de kern van Hengevelde zijn reeds gemengde functies aanwezig. De realisatie van de 13 appartementen voorziet in de lokale behoefte van Hengevelde. Zoals te lezen is in paragraaf 3.5.2. Ook de commerciële ruimte voorziet in de lokale behoefte zoals te lezen is in paragraaf 3.5.1. Hiermee is het voorliggende plan in lijn met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;

b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en

c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toets

Voorliggend initiatief voorziet in de herontwikkeling van een leegstaand zalencentrum naar appartementen en een commerciële ruimte in de kern van Hengevelde. Hiermee wordt er geen extra ruimtebeslag gelegd op de groene omgeving. In de huidige situatie is het perceel immers vrijwel volledig bebouwd en verhard. Gesteld kan worden dat het voorliggende initiatief in lijn is met artikel 4.5 van de omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.6 (toekomstbestendigdheid)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:

a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;

b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en

c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

Toets

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte in de kern van Hengevelde. Het hebben van woonruimte is een behoefte van de huidige generatie, maar ook voor de toekomstige generatie. Door het realiseren van 13 woningen draagt het plan bij aan het welzijn van mensen (nu en in de toekomst) en hebben de woningen op lange termijn een toegevoegde waarde.

Door de realisatie van één commerciële ruimte binnen de nieuwe bebouwing kan er op lokaal niveau worden voorzien van nieuwe bedrijfsruimte. De locatie van de commerciële ruimte is in de kern van Hengevelde, waar in de omgeving al een mix van functies aanwezig is. Door de oppervlakte van de commerciële ruimte kan er ruimte worden geboden voor kleinere bedrijven die zich willen vestigen in het centrum van Hengevelde. Hiermee wordt er een kleinschalige bijgedrage geleverd aan de lokale economische welvaart.

Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.8 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)

Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;

b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en

c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toets

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte op de locatie van een voormalige leegstaand zalencentrum aan de Goorsestraat. Door het leegstaande pand te vervangen wordt er nieuwe ruimtelijke kwaliteit toegevoegd aan het straatbeeld van de Goorsestraat. De bebouwing wordt gerealiseerd in dezelfde stijl als de omliggende bebouwing. Zoals ook te zien is in 2.2. Daarnaast past de ontwikkeling binnen het ontwikkelperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en de gebiedskenmerken, zoals onderstaand gemotiveerd wordt. Gelet op vorenstaande kan gesteld worden dat het initiatief in lijn is met artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.14 (woonafspraken)

Lid 1

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.

Toets

Met voorliggend plan worden 13 nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Er is behoefte aan de nieuwe woningen zoals te lezen is in paragraaf 3.2 en 3.4.

Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraad gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het gebied van toepassing is. De provincie heeft zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd voor de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarna gemotiveerd af te wijken. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0011.png"

Figuur 3.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectief, plangebied in zwart globaal omkaderd (Bron: provincie Overijssel)

Zoals in figuur 3.2 is afgebeeld (zie zwarte markering), ligt het plangebied in het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toets

In het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' mag er altijd voor eigen behoefte worden gebouwd. In de gemeente Hof van Twente is behoefte aan nieuwe woningen en nieuwe commerciële ruimte, zoals blijkt uit paragraaf 3.5.1. Met de realisatie van 13 woningen worden er nieuwe woningen aan de woningvoorraad toegevoegd en kan er bijgedragen worden aan de woningbehoefte. Met de realisatie van de commerciële ruimte wordt er voorzien in de lokale behoefte aan ruimte voor bedrijvigheid, zoals blijkt uit paragraaf 3.4.1. Voorliggend initiatief is in lijn met het ontwikkelingsperspectie 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.

Gebiedskenmerken

Gelet op de ligging van het projectgebied in het stedelijk gebied is voornamelijk de ‘stedelijke laag’ van belang. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied, hierdoor zijn de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap niet meer aanwezig. Volgens de omgevingsvisie Overijssel zijn geen kenmerken van de laag van de beleving aanwezig in het plangebied. Deze lagen worden daarom verder achterwege gelaten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0012.png"

Figuur 3.3 Uitsnede gebiedskenmerk, plangebied in zwart gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)

In figuur 3.3 zijn de kenmerken van de ‘woonwijken van 1955 tot nu’ opgenomen. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar.

Toets

De realisatie van 13 woningen en de commerciële ruimte aan de Goorsestraat, in de stijl van omliggende bebouwing, past binnen het gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955-nu'. In het ontwerp van de bebouwing wordt rekening gehouden met de uitstraling. De uitstraling van de nieuw te bouwen bebouwing sluit aan bij de uitstraling van de omliggende bebouwing. Door de realisatie van de appartementen en de commerciële ruimte wordt er voorkomen dat er een verpauperde ruimte ontstaat door het leegstaande zalencentrum. Daarnaast wordt nieuwe bebouwing geplaatst in de bestaande structuren van Hengevelde. Gesteld kan worden dat het voorliggende plan in lijn is met de gebiedskenmerk 'woonwijken van 1955 tot nu'.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Waterschapbeleid

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de

oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2027 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • 1. de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • 2. de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • 3. de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.

Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:

  • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
  • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
  • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Weging van het waterbelang in voorliggend plan

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen.

Toets

Op 11-06-2025 is de digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl, hieruit is gebleken dat bij voorliggend plan sprake is van een normale procedure. Hierop is er contact opgenomen met het waterschap. Hieruit is gebleken dat het waterschap geen bezwaren tegen het plan heeft. De ingevulde watertoets is te vinden in Bijlage 1.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionale woonagenda Twente

De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten, WoON Twente en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. De partijen maken periodiek meerjarige afspraken over opgaven en ambities. In de woonagenda Twente 2021-2025 schetsen de Twentse gemeenten, woningcorporaties, markt en andere partners - wat de komende jaren de prioriteiten zijn op de Twentse woningmarkt. De belangrijkste bevindingen uit de Twentse woonagenda 2021-2025 zijn als volgt:

  • Toevoegen van 60.000 woningen tot 2030: In de regionale woonagenda's gaan gemeenten en provincies de slag maken van sturen op aantallen naar sturen en verleiden op kwaliteit en toegankelijkheid. Er wordt een verbinding gelegd tussen nieuwbouw en herstructurering. De aantallen zijn de uitkomst van het sturen op kwaliteiten;
  • Inspelen en voorsorteren op veranderende woningvraag: Tegelijkertijd met de bevolkingsgroei vindt een verandering van de huishoudenssamenstelling en leeftijdsopbouw plaats. Door vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning neemt het aandeel kleine huishoudens fors toe. Dit leidt tot een gedifferentieerde kwaliteitsvraag binnen de regio's.
  • Verstedelijking en stedelijke vernieuwing: De verstedelijking van onze regio's kan niet los gezien worden van economische en mobiliteitsvraagstukken. Gebiedsontwikkelingen dienen als belangrijke motor voor woningbouw en vragen om inbreiding en uitbreiding om de groei te accommoderen, altijd in samenhang met de regio. De stedelijke vernieuwingsopgave kent een samenhang met de energietransitie en leefbaarheid in de wijken.
  • Sterke dorpen en platteland in het regionale netwerk: Sterke regio's bestaan uit sterke steden én sterke dorpen en platteland. De groene en ruime woonmilieus waarmee Twente zich ook onderscheidt, liggen voor een groot deel in de groene zones om de steden, waarin ook de dorpen zijn gelegen. Steden, dorpen en het platteland hebben een gezamenlijke woonopgave in te vullen waarvoor onderlinge afstemming en samenhang noodzakelijk is.
  • Verduurzaming: Het regionale schaalniveau komt om de hoek kijken als het gaat om het verbinden en sluiten van ketens, het verknopen van besparing en individuele woningen aan collectieve opwek op wijkniveau. Maar ook als het gaat om experimenteren en kennisdeling. Het is de opgave om de verduurzamingsslag (inclusief energietransitie) en de leefbaarheidsaanpak van wijken te koppelen en de bewoners mee te krijgen. Haalbaarheid en betaalbaarheid zijn daarvoor sleutelbegrippen.
  • Versnelling: Met de inzet van provincie, marktpartijen, corporaties en gemeenten willen we de woningproductie op peil brengen en het benodigde tempo halen om voldoende nieuwbouwwoningen te realiseren. Versnelling realiseren we door tegelijk in te zetten op inbreiding en uitbreiding, met bijpassende stimuleringsmaatregelen, samenwerkingsvormen en proces- en procedureafspraken.
  • Toegankelijkheid en doorstroming: Naast het op peil brengen van de woningbouwproductie, willen we ook de doorstroming in de huidige woningvoorraad beter op gang brengen. De toegang voor verschillende doelgroepen tot de woningmarkt staat onder druk. Strategische nieuwbouw is een manier om de kansen voor verschillende doelgroepen te verbeteren, maar het vraagt om een breed palet van interventies en samenwerking.

Toets

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte op de locatie van een voormalig zalencentrum. Met de realisatie van de 13 appartementen kan op lokaal en regionaal niveau een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave van 60.000 woningen in de regio Twente. In de regio Twente is naast de vraag van 60.000 woningen ook de vraag naar betaalbare koopwoningen, zoals ook te lezen is in 3.1.2. De nieuw te realiseren woningen passen binnen de gevraagde groep woningen. Geconcludeerd wordt de ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de Woonagenda Twente 2021-2025.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 De Hof in 2040

In 'De Hof in 2040' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. In de visie heeft de gemeente onderscheid gemaakt tussen vier thema's:

  • Herkenbaar Hof van Twente
  • Leefbaar Hof van Twente
  • Duurzaam Hof van Twente
  • Ondernemend Hof van Twente

Herkenbaar Hof van Twente

Als het gaat over de herkenbaarheid van Hof van Twente, dan heeft de gemeente het enerzijds over de ervaring en beleving van het landschap en van de stads-, kern- en dorpsgezichten. Anderzijds gaat het over sociale en culturele elementen die het karakter van de kernen en dorpen typeren en die zodoende ook invloed hebben op de fysieke leefomgeving van de gemeente. Binnen dit thema zijn er twee hoofddoelen:

  • Behouden en versterken van stads-, dorpsgezichten.
  • Verbinden van waardevolle natuurgebieden en unieke landschapselementen.

Hengevelde

Hengevelde is met zo’n 2.100 inwoners een klein, maar wel een opmerkelijk bedrijvig dorp in Hof van Twente. Hengevelde was oorspronkelijk alleen een buurschap en marke in het kerspel Delden. In de 17de eeuw werd aan de weg van Goor naar Haaksbergen de herberg Wegdam gebouwd. Rond deze herberg ontstond een klein dorpje dat eveneens met de naam Wegdam werd aangeduid. Later werd de kerk naar Wegdam verplaatst en nam het dorp in grootte toe. Het katholieke karakter van de nederzetting bleef bewaard, maar de naam Wegdam raakte in onbruik en werd vervangen door Hengeveld(e). Hengevelde is een ondernemende, actieve kern met een relatief jonge bevolking in vergelijking met de overige kernen.

Hengeveldenaren zijn er over uit dat een duurzame toekomst voor Hengevelde gedeeltelijk afhankelijk is van duurzame woningen. Dit is tweeledig. In het kader van de energietransitie en klimaatadaptatie geven Hengeveldenaren aan dat ze het belangrijk vinden dat woningen op een duurzame manier en met duurzame materialen gebouwd worden en worden omsloten door een groene biodiverse omgeving. Anderzijds zien ze in duurzaamheid ook de toekomstbestendigheid van wonen. Ze willen een woningaanbod, bestaande uit een goede balans tussen starters- en seniorenwoningen en uit voldoende adaptatieve woningen, die zodoende slim is ingericht op de toekomst.

Verder is het belangrijk dat de kern ‘leeft’. Hengeveldenaren vinden voldoende recreatieve voorzieningen en mogelijkheden voor het ondernemen van activiteiten belangrijk. Ook zou hier het clusteren van winkels en horeca aan bij kunnen dragen.

Daarom zetten we in Hengevelde in op:

  • Het bouwen van woningen, met specifieke aandacht voor betaalbaarheid en levensloopbestendigheid. We benutten de mogelijkheden voor inbreidingslocaties. Wanneer er onvoldoende ruimte is, wordt ook gekeken naar uitbreidingslocaties.
  • Het bieden van ruimte voor lokaalgebonden bedrijven.
  • Het onderzoeken van de mogelijkheden van een nieuwe MFA aan de overzijde van de Needseweg.
  • Het behouden en versterken van een groene en recreatieve omgeving.
  • Het verduurzamen van woningen en bedrijven, lokale initiatieven op het gebied van duurzaamheid worden waar mogelijk gestimuleerd.
  • Het uitbreiden van het bestaande bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0013.png"

Figuur 3.4 Uitsnede toekomstvisiekaart Hengevelde (Bron: gemeente Hof van Twente)

Toets

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte op de locatie van het voormalige zalencentrum 'Assink'. De planlocatie betreft hierdoor een inbreidingslocatie. Volgens De Hof wordt er in Hengevelde ingezet op o.a. het benutten van inbreidingslocaties voor woningen en het bieden van ruimte voor lokaalgebonden bedrijven. Daarnaast is de locatie aan de Goorsestraat 13 al aangemerkt als een toekomstig woongebied, zoals te zien is op de toekomstvisiekaart van Hengevelde (figuur 3.4). Er is vooral vraag naar onder andere betaalbare koopwoningen en levensloopbestendige woningen. De nieuw te realiseren woningen voorzien in deze aspecten. Voorliggend initiatief is hierdoor in lijn met de toekomstvisie van de gemeente Hof van Twente.

3.5.2 Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025

De Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021 - 2025 is op 14 december 2021 vastgesteld. De woonvisie vormt de stip op de horizon voor wonen in de Hof en geeft aan waar de gemeente Hof van Twente zich met het woonbeleid de komende jaren op gaat richten. Het geeft de ambities aan en laat zien wat de belangrijkste opgaven zijn waar de gemeente de komende jaren voor staan. Het formuleert de belangrijkste ambities om de woningmarkt te versterken: met passende woonruimte voor inwoners. De woonvisie geeft niet altijd kant-en-klare antwoorden op de opgaven die er liggen, maar geeft wel richting aan de manier waarop de gemeente de opgaven wil oppakken.


De belangrijkste uitdaging is zorgen voor kwalitatief goede woningen voor iedereen op de juiste plek. Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. Dit betekent dat er meer bijgebouwd moet worden, in de juiste segmenten. Terwijl het sociale huursegment stabiel lijkt te blijven, neemt de vraag naar koop en vrije sectorhuur toe. Ook ligt er een belangrijke uitdaging in het optimaliseren en verduurzamen van de huidige woningvoorraad. Zo zorgt de gemeente voor een woningmarkt met de juiste woning voor iedereen en behouden we de goede kwaliteiten in de Hof. De woonvisie vormt de basis voor prestatieafspraken die worden gemaakt tussen de woningcorporatie, de huurders en de gemeente.


Toets
Het voorliggende plan heeft betrekking op o.a. de realisatie van 13 appartementen op een locatie van een voormalig zalencentrum. Met de realisatie van 13 appartementen wordt de bestaande woningvoorraad van de gemeente Hof van Twente uitgebreid en voorzien in de inhaalvraag naar woningen voor de lokale behoefte. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de plannen en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met plan-mer-plichtige en plan-mer-beoordelingsplichtige plannen opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen:

  • Eerst wordt bekeken of het plan voldoet aan de omschrijving in kolom 1.
  • Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat.
  • Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan:
    • 1. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht.
    • 2. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-mer-beoordelingsplicht.

Indien sprake is van een plan-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

Toets

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk plan wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig, waaronder een maatschappelijke functie (kerk), horeca en woningen. De nieuwe woningen sluiten qua bouwmogelijkheden (bouw- en goothoogte) aan bij de bebouwing van de nabije omgeving. Daarnaast wordt qua uiterlijke verschijningsvorm aangesloten bij de naastgelegen woningen in de wijk. Het plan past stedenbouwkundig binnen de omgeving.

De te slopen bebouwing heeft een oppervlakte van circa 1150 m2. De bebouwde oppervlakte (woningen met commerciële ruimte en bergingen) van het nieuwe bouwplan bedraagt circa 775 m2. Derhalve neemt de bebouwde oppervlakte in het plangebied af met 375 m2. Daarmee is er sprake van een afname van bebouwd oppervlak.

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 Ow).

4.2 Milieubelastende activiteiten

In de bijlage bij artikel 1.1, van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

De VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' gaat uit van zones die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering.

Richtafstand   Positie   Zones geluid   Zones geur  
Tabel VNG-2009   Tabel VNG-2024   Rustig woongebied   Gemengd gebied met wonen    
0 of 10 m   FM (functiemenging)   -   -   -  
30 m   1   Beperkt   Basis   Basis (> 30m)  
50 m   2   Beperkt ( > 50m)   Basis   Basis (> 50 m)  
100 m   3   Basis   Basis (> 50 m)   Verruimd (>100m)  
200 m   4   Verruimd   Verruimd (>100 m)   Maatwerk (>200m)  
300 m en hoger   IT (industrieterrein)   -   -   -  

Toets

De vernieuwde handreiking van de VNG heeft verschillende gebiedstypen opgenomen. Tevens kunnen binnen deze gebiedstypen differentiaties worden aangebracht. Voorliggend initiatief is gelegen in 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied met wonen typeert zich als een gebied met lichte bedrijvigheid en wonen. In de nabijheid van het plangebied liggen verschillende functies, tevens is het plangebied bedoeld voor de functie 'Centrum'.

Externe werking

Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder en/of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 13 appartementen met één commerciële ruimte op de locatie van het voormalige zalencentrum. In de omgeving van het plangebied zijn woningen, bedrijven, bebouwing met maatschappelijke doeleinden en horeca. De woonfunctie is geen functie waarbij milieubelastende activiteiten ontstaan voor de omgeving. Voor de commcerciële ruimte geldt maximaal de milieucategorie FM. Gelet op de ligging van het plangebied is het een gemengd gebied. Hierdoor vervalt de richtafstand. De commerciële ruimte geeft geen belemmering voor de te realiseren woningen. Gesteld kan worden dat leefgeluiden aanvaardbaar zijn en dat het woon- en leefklimaat van omwonenden daarom niet in ernstige mate worden aangetast.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de functie 'Wonen' hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende functies aanwezig.

Functie   Afstand tot plangebied   Milieucategorie   Richtafstand (gemengd gebied)   Voldaan ja/ nee  
Horeca bedrijf (Goorsestraat 15)   3,5 meter   FM (SBI-2008: 563)   0 meter   Ja  
Horeca bedrijf (Goorsestraat 11)   7 meter   FM (SBI-2008: 561)   0 meter   Ja  
Detailhandel (Goorsestraat 20d)   13 meter   FM (SBI-2008: 47)   0 meter   Ja  
Detailhandel (Goorsestraat 18)   27 meter   FM (SBI-2008: 47)   0 meter   Ja  
Detailhandel (Goorsestraat 16)   19 meter   FM (SBI-2008: 47)   0 meter   Ja  

Bovenstaande tabel geeft de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weer. Op basis van de gemeten afstanden tussen plangebied en de milieubelastende activiteiten wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'milieubelastende activiteiten' geen belemmering is voor het planvoornemen.

4.3 Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets

Met het voorliggende plan wordt de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 13 appartementen met commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het mogelijk maken van een nieuw bodemgevoelig gebouw. Dit onderzoek is uitgevoerd door Dumea milieu (projectnummer: 2021-382). Uit het bodemonderzoek is de volgende conclusie gekomen:

Verkennend bodemonderzoek NEN5740

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.

Gehele locatie

In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen.In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte Tetrachlooretheen (Per) aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"  

Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.

Gehele locatie

Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

In de mengmonsters MM1 en MM2 is analytisch geen asbest aangetoond.

Conclusie

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.

4.4 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals

verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven van artikel 5.78t/ 5.78u van het Bkl.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Provinciale wegen
Rijkswegen  
50 Lden   65 Lden  
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
53 Lden   70 Lden  
Lokale spoorwegen
Hoofdspoorwegen  
55 Lden   70 Lden  
Industrieterreinen   50 Lden
40 Lnight  
60 Lden
50 Lnight  

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;
  • de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;
  • bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;
  • het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt;
  • het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt;
  • besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een TAM-IMRO op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Toets

Wegverkeerslawaai en spoorwegen

Met het voorliggende plan wordt de realisatie van 13 appartementen en een commerciële ruimte mogelijk gemaakt.

Het plangebied bevindt zich in het geluidaandachtsgebied van de Goorsestraat in Hengevelde. Onderstaande figuur geeft de geluidszoneringskaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0014.png"

Figuur 4.1 Uitsnede wegverkeerlawaai kaart, plangebied globaal in blauw omcirkeld (Bron: Atlas leefomgeving)

De Goorsestraat is een asfalt weg waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h.

Binnen het plangebied vindt mogelijk een overschrijding van de standaardwaarden plaats op de gevel(s) van de nieuw op te richten bebouwing. Hierom is een onderzoek uitgevoerd m.b.t. het wegverkeerslawaai, het gehele onderzoek is opgenomen onder Bijlage 3.

Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de geluidbronsoort gemeentelijke wegen wordt overschreden ter plaatse van de noordoost-, noordwest- en zuidoostgevel. De standaardwaarde wordt op alle appartementen overschreden. Het hoogste geluid op de gevel bedraagt 65 dB;
  • Maatregelen om het geluid op de gevel terug te dringen tot aan de standaardwaarde van 53 dB stuit naar verwachting op overwegende bezwaren van verkeerstechnische, financiële en stedenbouwkundige aard;
  • Het is realistisch om een hogere waarde dan de standaardwaarde toe te staan van 65 dB voor de appartementen;
  • Bij toepassing van een scherm met een borstwering van 1,5 m bij het dakterras van appartement 9 en 10 en een borstwering van 1,75 m (of dichte loggia met schuifbare beglazing) bij appartement 13 kan een geluidluwe buitenruimte worden gerealiseerd;
  • Uit de berekeningen blijkt dat het gezamenlijke geluid op de gevel de 53 dB overschrijdt ter plaatse van de noordoost-, noordwest- en zuidoostgevels van de appartementen. Daarmee wordt voor de appartementen niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk. Dit moet in een gevelweringsonderzoek worden aangetoond.

Voor het voorliggende plan wordt een gevelweringsonderzoek uitgevoerd. De uitvoering van dit gevelsweringsonderzoek wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het voorliggende plan.

Industrielawaai

In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein die voor mogelijke geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het plangebied.

Geluid door belastende activiteiten

Met voorliggend plan worden 13 nieuwe appartementen gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied zijn milieubelastende activiteiten aanwezig. Zoals te lezen is in 4.2. Deze milieubelastende activiteiten liggen op voldoende afstand dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Andersom ondervinden deze belastende activiteiten geen hinder van de nieuw te realiseren appartementen. Mede door voldoende afstand tussen de activiteiten.

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.5 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat).

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets

Het dichtstbijzijnde (agrarische) bedrijf in de omgeving betreft een agrariër met vleeskuikens aan de Kerkstraat 1 en ligt op ca. 212 meter afstand. Hiermee wordt er voldaan aan de gestelde afstanden van 100 meter binnen de bebouwingscontouren zoals opgenomen in artikel 5.110 t/m artikel 5.116 van het Bkl.

Conclusie

Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

4.6 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Verkeer

Met voorliggend plan wordt de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen 87,2 extra verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 88 per dag gesteld worden. Er zal sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 88 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0015.png"

Figuur 4.2 Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Conclusie

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) gaan over het toestaan van verschillende soorten gebouwen en locaties, afhankelijk van hun kwetsbaarheid. Dit betreft zowel beperkt kwetsbare, kwetsbare als zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit is relevant in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een specifieke locatie wordt uitgevoerd, zoals aangegeven in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een activiteit die buiten het geldende omgevingsplan valt.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0016.png"

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart, planlocatie in rood omcirkeld (Bron: Atlas leefomgeving)

Voorliggend initiatief voorziet in de sloop van bestaande bebouwing, de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte. In figuur 4.3 is de dichtstbijzijnde risicobron te zien. Deze risicobron ligt op circa 685 meter van het plangebied af. Het gaat hierbij om een opslagtank voor propaan. Gelet op de afstand tot de risicobron en het feit dat het plangebied niet in een aandachtsgebied ligt kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de omgevingsveiligheid.

Conclusie

Het aspect 'Omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.8 Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Toets Natuurnetwerk Nederland

Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied ligt op circa 1,5 km afstand tot het plangebied, zoals te zien is op figuur 4.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0017.png"

Figuur 4.4 Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland gebieden, plangebied onder de blauwe druppel (Bron: Atlas Leefomgeving)

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Plannen die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een plan een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Toets Natura 2000-gebieden

Op onderstaande afbeelding (figuur 4.5) wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0018.png"

Figuur 4.5 Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied onder de blauwe druppel (Bron: Atlas Leefomgeving)

Het plangebied ligt op circa 9,8 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het 'Buurserzand & Haaksbergerveen'. Voorliggend initiatief voorziet in het slopen van de bestaande bebouwing en het realiseren van 13 appartementen en één commerciële ruimte. Gelet op het voorliggende plan en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Stikstofdepositie

Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 13 appartementen en één commerciële ruimte. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen:

  • Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
  • Voor het bouwen is een bouwmelding nodig.
  • Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt.
  • Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met:
    • 1. de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)
    • 2. de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling).

Toets stikstofdepositie

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 appartementen met één commerciële ruimte. Om deze appartementen en de commerciële ruimte te realiseren wordt de huidige bebouwing gesloopt. De nieuwe bebouwing wordt niet aangesloten aan het gasnet. Zoals op figuur 4.4 te zien is, is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied circa 9,8 km. Bij een vergelijkbaar project, waar een appartementen gebouw met een parkeerkelder werd gerealiseerd is een hoeveelheid stikstof uitgestoten die geen belemmering vormt voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Bij deze realisatie was de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 3,6 km. Gelet op het voorliggende plan en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan worden gesteld dat er geen AERIUS-berekening opgesteld hoeft te worden. Stikstofdepositie veroorzaakt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).


Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.

Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toets soortenbescherming

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (projectnummer: 4149). Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 4. Hieruit is de volgende conclusie gekomen:

De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt en de sloop- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie

Het milieuaspect 'Natuurwaarden' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).

Toets

Archeologie

Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Hof van Twente, blijkt dat er een hoge archeologische verwachting op het plangebied ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0019.png"

Figuur 4.6 Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Hof van Twente, plangebied in blauw oncirkeld (Bron: gemeente Hof van Twente)

Volgens de beleidskaders van de gemeente Hof van Twente geldt voor een gebied met een hoge verwachting (zie figuur 4.6) geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Binnen het plangebied vinden geen (graaf)werkzaamheden plaats die groter zijn dan het toetsingskader. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 1.949 m2. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.

Cultuurhistorie

Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10 Mobiliteit en parkeren

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in 'Parkeernormen Hof van Twente'. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeercijfers 2024' (uitgave 744).

Verkeer

Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Weinig stedelijk, centrum, koop, appartement 75-100 m2 BVO
  • Weinig stedelijk, centrum, koop, appartement <75 m2 BVO
  • Weinig stedelijk, centrum, kantoor (zonder baliefunctie)

Voor wonen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van afgerond 6 verkeersbewegingen per appartement. Aan de hand van de CROW-kengetallen is de berekening als volgt:

((5,4 + 6,2)/2) = 5,8 per appartement 7

((4,8 + 5,6)/2) = 5,2 per appartement 6

((5,5 + 7,2)/2) = 6,4 per 100 m2 BVO

Voor de grotere appartementen geldt dat er een verkeersgeneratie ontstaat van 40,6. Voor de kleinere appartementen geldt dat er een verkeersgeneratie ontstaat van 31,2. De appartementen brengen een totale verkeersgeneratie van 71,8 per etmaal met zich mee. De commerciële ruimte brengt een totale verkeersgeneratie van 15,4 met zich mee. Voor het gehele plan neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 87,2. De verkeersafwikkeling vindt plaats via de Goorsestraat. Gelet op het aantal toenemende bewegingen kan de Goorsestraat deze bewegingen goed afwikkelen. De toenemende verkeersbewegingen vormen geen belemmering voor het voorliggende plan.

Parkeren

Voor het parkeren hanteert de gemeente Hof van Twente het beleid zoals benoemd in 'Parkeernormen Hof van Twente'. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. Met het ontwikkelen van 13 appartementen en één commerciële ruimte, zal de parkeerbehoefte toenemen.

Voor het aspect parkeren worden de uitgangspunten weinig stedelijk en centrum aangehouden, zoals ook bij de berekening van het aantal verkeersbewegingen. Met het voorliggende plan worden 10 appartementen gerealiseerd als koop appartementen in het midden segment. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,4 per appartement. Daarnaast worden er 3 koopappartementen in het dure segment gerealiseerd. Deze appartementen hebben een parkeernorm van 1,6. Voor de te realiseren commerciële ruimte (kantoor met baliefunctie) wordt de norm gehanteerd van 2,45 per 100 m2 BVO. Hiermee komt het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen op in totaal 24,68, afgerond 25 parkeerplaatsen. Op het plangebied worden aan de achterzijde 25 parkeerplaatsen gerealiseerd en 2 aan de voorzijde. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd.

Figuur 4.7 geeft de locatie van de parkeerplaatsen weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExGoorsestraat13-VS10_0020.png"

Figuur 4.7 Uitsnede toekomstige situatie (Bron: L&O architecten)

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect 'Verkeer en parkeren' geen belemmering voor het voorliggend plan.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.

Om het kostenverhaal te borgen wordt er een exploitatieovereenkomst gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente.

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

Middels een exploitatieovereenkomst zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Vooroverleg

Provincie Overijssel

Het plan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.

Waterschap Vechtstromen

Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Waterschap Vechtstromen heeft schriftelijk aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben (zaaknummer: 44419).

Participatie

Voor het voorliggende plan hebben de initiatiefnemers gesproken met omwonenden. Dit is gedaan middels een informatieavond. De omwonenden reageren positief op het voorliggende initiatief. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 5.

5.3 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 6 november 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. De beantwoording van de zienswijze heeft niet geleid tot wijzigingen in het TAM-Omgevingsplan. Voor de beantwoording van de zienswijze, kunt u het verslag van de zienswijzenbeantwoording raadplegen, als Bijlage 6 gevoegd bij voorliggend omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Juridische toelichting

6.1 Planopzet en systematiek

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Voorliggend plan betreft een wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente dat technisch opgesteld is conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar inhoudelijk uitgewerkt is op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook daarna worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing het plangebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

6.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

6.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

6.2.3 Functies en activiteiten

In het Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten is opgenomen welke functie binnen het plangebied toegestaan is. Hierbij is ook aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

6.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

6.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Toelichting op de regels

Centrum

De centrumbebouwing langs de Goorsestraat heeft de functie “Centrum” gekregen. Voor deze functie is gekozen omdat er binnen deze bebouwing sprake is van een differentiatie van functies. Zo worden binnen deze functie detailhandel, dienstverlening, kantoren en horeca (categorie 1) toegestaan.

Waarde - Archeologie 2

Voor de archeologisch waardevolle gebieden binnen het plangebied is de functie “Waarde – Archeologie 2” opgenomen. Het betreft gebieden met een hoge verwachtingswaarde (Waarde – Archeologie 2). Voor deze functie geldt een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek vanaf 2.500 m² en dieper dan 40 cm.