direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Westerflierweg ong.
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, aan de Westerflierweg te Markelo, bevinden zich enkele percelen die in eigendom zijn van het landgoed Nijenhuis en Westerflier. De percelen zijn in de huidige situatie onbebouwd en ingericht als bos/natuur.


Het landgoed Nijenhuis en Westerflier is voornemens om 5 hectare van deze percelen in te richten als asurnenbewaarplaats. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. In dit bestemmingsplan zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.

1.2 Ligging van het plan gebied

Het plangebied bestaat uit onbebouwde percelen gelegen aan de Westerflierweg te Markelo. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Markelo, sectie E, nummers 2481, 3301, 3428 en 3622 . In afbeelding 1.1 is een topografische kaart opgenomen waarin de ligging van het plangebied en de directe omgeving is weergegeven. Met de rode omlijning is globaal het plangebied aangegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0001.png"

afbeelding 1.1 topografische kaart ligging plangebied

1.3 Huidig planologisch regiem

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente ". Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Hof van Twente op 16 december 2014 vastgesteld.

Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende (dubbel)bestemmingen en aanduidingen:

  • Bestemming: Natuur
  • Dubbelbestemming: Waarde - Archeologische verwachting 1 en Waarde - Archeologische verwachting 2
  • Gebiedsaanduidingen: reconstructiewetzone - extensiveringsgebied, vrijwaringszone - radar

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0002.png"

Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan. Met de rode omlijning wordt globaal het plangebied aangegeven.

De tot 'natuur' bestemde gronden zijn onder meer bedoeld voor bos en multifunctionele bosbouw, extensieve dagrecreatie en het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd tot een hoogte van maximaal 2 meter.

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' zijn opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van eventueel te verwachten archeologische waarden. In deze dubbel bestemmingen is bepaald dat bij ontwikkelingen met bodemingrepen die dieper reiken dan 40 centimeter en omvang groter hebben dan respectievelijk 2.500 m² en 5.000 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

In de regels zijn aan de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' afwijkingsbevoegdheden gekoppeld ten aanzien van agrarische bedrijvigheid. Tot slot geldt ter plaatse van de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - radar' een maximum bouwhoogte van respectievelijk 45 meter voor bouwwerken, ter bescherming en instandhouding van het radarverstoringsgebied.

Het inrichten van het plangebied als asurnenbegraafplaats is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders om het voornemen te realiseren.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 beschrijft het plan. Hoofdstuk 4 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de uitvoerbaarheidsaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. Hoofdstuk 7 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 8 wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 9.

Hoofdstuk 2 De beschrijving van de huidige situatie

2.1 Landschapskarakteristiek

Het plangebied is gelegen in het jonge heide- en broekontginningslandschap, op de overgang naar het oude hoevenlandschap. Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemesten plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden.

Afbeelding 2.1 geeft een goede weergave van de ontwikkelingen die het landschap de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0003.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0004.png"

Afbeelding 2.1: situatie rond 1900 situatie rond 1950

De ontwikkeling is gelegen op het landgoed Nijenhuis en Westerflier. Nabij Café de Viersprong. De naam Westerflier komt voor het eerst voor als Westerflé in 1046, als de Duitse koning Hendrik III de grenzen van het graafschap Hamaland vaststelt. Westerflier dient hier te worden opgevat als de naam van de streek en niet die van een huis of een boerenerf. In 1570 wordt huis Westerflier gebouwd. Palick van Heerdt en Christina van Warmelo zijn de eerste bewoners. In 1729 liet Johan van de Sluys het huidige huis bouwen. In 1854 koopt Rutger Jan graaf Schimmelpenninck het Westerflier. In de verkoopcatalogus wordt het Westerflier dan omschreven als een “aanzienlijk en rentegevend landgoed, met wildrijke jagt en met de regten en gerechtigdheden in de nog onverdeelde marke van Stokkum en Herike.”

Het landschap op het Westerflier is een relatief jong ontginningslandschap. Aan de hand van oude kaarten kan geconcludeerd worden dat het grootste gedeelte van de bossen op het Westerflier tussen 1850 en 1900 is aangelegd. Rond 1960 zijn de laatste kleine heide restanten ontgonnen en bebost. Het bosbeheer is altijd hoofdzakelijk gericht geweest op houtproductie. Verspreid over het bos ligt een goed onderhouden padenstructuur.

Het plangebied ligt nabij café de Viersprong. De Viersprong is in 1858 gebouwd als jachthuis annex café door de toenmalige bewoner van het Westerflier, Rutger Jan Schimmelpenninck. Rutger Jan had grootse plannen in deze omgeving. Hij liet hier een steenfabriek, een winkel annex broodbakkerij, een windmolen en een aantal boerderijen bouwen. De Viersprong zou moeten dienen als een centrum van een buurtschapje en als rustplaats tijdens jachtpartijen. Het buurtschap kwam er nooit, maar de Viersprong is nog steeds een markant gebouw. Al vijf generaties wordt de Viersprong beheerd door een telg uit het geslacht Runneboom. De huidige generatie huurt het pand nog steeds van het landgoed.

2.2 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Westerflierweg, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, op circa 2 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Diepenheim en op circa 3,5 kilometer ten zuiden van Markelo..

De hoofdfuncties in de omgeving betreffen natuur en agrarische bedrijvigheid. Vooral ten zuidoosten van het plangebied komt natuur voor. Aan de noord zijde zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig. Dit betreffen vooral veehouderijen. Burgerwoningen en reguliere bedrijvigheid komen in de directe omgeving slechts in beperkte mate voor.

Het plangebied wordt hoofdzakelijk begrensd door bos/natuurgronden. Het plangebied heeft een omvang van 5 hectare en is onbebouwd. De gronden zijn thans in gebruik als bos en natuur.

In afbeelding 2.2 is een luchtfoto van de bestaande situatie in het plangebied opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0005.png"

afbeelding 2.2: luchtfoto bestaande situatie plangebied (blauw omlijnd)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

In hoofdstuk 2 is al ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan

3.1 Gewenste ontwikkeling

Het voornemen is om 5 hectare bos in te richten als asurnenbewaarplaats. De reeds bestaande functies van houtgroei, landschap en drager natuurwaarden blijft volledig en zonder beperkingen in stand.

De urnen worden op een onopvallende wijze en een minimum aan bodemverstoring op 80 cm diepte ingegraven in de bosbodem. De handmatig met de boorschop uitgegraven grond wordt direct weer teruggezet.

De bosgrond blijft voor het overige onaangetast. Er hoeven geen gronden te worden opgehoogd of afgegraven. Werkzaamheden als aanleg van verharde wandelpaden of drainage zijn niet noodzakelijk. Wel worden wat bospaden aangelegd. Deels bestaande bospaden die op geschoond worden en deels nieuwe bospaden waarbij de humuslaag aan de kant wordt geschoven. Bouwwerken als een aula en andere gebouwde voorzieningen als hekwerken zijn niet gewenst. Het bestemmingsplan staat alleen een gebouw met een oppervlakte van 75 m2 toe die gebruikt kan worden voor de opslag van materialen en stalling van machines voor het onderhoud van het terrein.

Om verspreiding van milieubelastende stoffen in de bodem te voorkomen mogen alleen urnen worden gebruikt die gemaakt zijn van niet afbreekbare materialen. De as wordt door het crematorium geborgen in een zwarte kunststof asbus die op zijn beurt gevat is in een houder van glas of een keramisch materiaal.

De onderaardse bewaring vindt plaats in handmatig geboorde gaten van ruim 80 cm diep met een diameter van ca. 25 cm en een inhoud van ca. 0.039 m3.

Op de plaats van bijzetting kan op verzoek van de rechthebbende gedurende een periode van maximaal 12 maanden na bijzetting ter herkenning van de locatie een eenvoudige kleine veldkei worden geplaatst. G P S- meting zal plaatsvinden om te kunnen voldoen aan het in artikel 65 van de Wlb vastgelegde registratie aan de gemeente Hof van Twente.

Het bestaande bos blijft visueel ongerept. Daarom zijn markeringen van de bijzetplek met bijvoorbeeld een grafsteen, kruis, kunstwerk of verlichting niet toegestaan. Na het verstrijken van de periode van 12 maanden wordt de kleine veldkei blijvend verwijderd.

Bijzettingen vinden plaats op afspraak en in zeer beperkte kring van ca. 6 – 8 personen. De asbus wordt door het crematorium na een wettelijke bewaarperiode van een maand aan rechthebbende ter beschikking gesteld.

Het aantal bijzettingen wordt – afhankelijk van de maatschappelijke vraag – geschat op maximaal 2 per week. De bewaarperiode van de urn in de bosbodem is voor onbepaalde tijd omdat binnen het concept niet de intentie bestaat de asurnen op enig moment op te graven.

Het bijzetten zal plaatsvinden in een patroon van ruime cirkels rondom een bestaande boom.

De bijzettingen worden vastgelegd in G P S- coördinaten en administratief gemeld conform wettelijke voorschriften ingevolge artikel 65 Wlb en artikel 10, lid 2 van het Besluit.

3.2 Verkeer en parkeren

Er wordt geparkeerd bij de parkeerplaats aan de Westerflierweg ter hoogte van Café de Viersprong. Ter plaatse kunnen circa 20 auto's worden geparkeerd. Dit is een parkeerplaats die zowel gebruikt kan worden voor bezoeker van het natuurgebied, bezoekers van café de viersprong en bezoekers van de asurnenbewaarplaats.

De Westerflierweg ligt op de kruising met de provinciale wegen N346 en N754. De toename van verkeersbewegingen als gevolg van de deze ontwikkeling zullen beperkt blijven, aangezien er slechts sprake is van gemiddeld twee plechtigheden per week. De Westerflierweg en de provinciale wegen kunnen de toename van verkeersbewegingen eenvoudig verwerken.

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.

3.3 Landschappelijke inpassing

Ter plaatse kan de ruimtelijke kwaliteit niet worden versterkt. Dit heeft te maken dat de ontwikkeling in bestaand bos plaats vindt.

Om toch een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit wordt op vier locaties elders op het landgoed het landschap versterkt.

Op deze 4 locaties is beplanting aangebracht en vervolgens in een groenediensten contract vastgelegd zodat ook het beheer en onderhoud voor de komende 21 jaar is vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0006.jpg"

ter hoogte van locatie Goorseweg 71 - 73 Diepenheim (Elzensingel, bomenrij)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0007.jpg"

ter hoogte van locatie Nijenhuiserlaan 17, Diepenheim (Heg, fruitboomgaard, bomengroep met raster)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0008.jpg"

ter hoogte van locatie Wilgenmansweg 4, Diepenheim (Heg en Poel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0009.jpg"

ter hoogte van locatie Lochemseweg 11 Markelo. (fruitboomgaard)

Hoofdstuk 4 Inventarisatie van relevant beleid

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
4.1.2 Wet op de lijkbezorging/ Besluit op de lijkbezorging

De Wet op de lijkbezorging regelt de lijkbezorging in ruime zin, zoals de locatie en beheer van een bijzondere begraafplaats. De wet geeft aan dat een bijzondere begraafplaats kan worden aangelegd en in stand kan worden gehouden door een privaatrechtelijke rechtspersoon. De wet regelt voorts dat de gemeenteraad bevoegd gezag is in het aanwijzen van de locatie van de begraafplaats. Het Besluit op de lijkbezorging regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf.

4.1.3 Toetsing aan het rijksbeleid

Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Daarnaast is de locatie reeds getoetst aan het bepaalde in de wet ten aanzien van natuurbegraafplaatsen. De locatie alsmede de inrichting ervan is in overeenstemming met de Wet en Besluitop de lijkbezorging. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel.

4.2.1 Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 september 2013 in werking getreden. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

4.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

4.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

4.2.3.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Het uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel is hieronder schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0010.jpg" 

Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvies Overijssel (Bron provincie Overijssel)

4.2.4 Toetsing aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijsel ontstaat globaal het volgende beeld:

4.2.4.1 Generieke beleidskeuzes

In voorliggend geval is artikel 2.1.4. (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) van belang. Op de hiervoor genoemde artikelen wordt hierna nader ingegaan.

Artikel 2.1.4: Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan de generieke beleidskeuzes

Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van een nieuwe functie ter plaatse van het plangebied met een asurnenbewaarplaats. Gelet op de functie asurnenbewaarplaats, is het niet wenselijk om bestaande erven of bebouwing te herbenutten. Dit vanwege het feit dat het wenselijk is om enige afstand aan te houden tussen een asurnenbewaarplaats en een erf. Binnen het plangebied kan uitsluitend een gebouw van beperkte omvang gerealiseerd worden met een oppervlakte van maximaal 75 m². Er worden geen verharde paden aangelegd. De bestaande parkeervoorzieningen en infrastructuur zijn reeds uitgevoerd in de vorm van grasbetonblokken. De bestaande wandelpaden bestaan uit zand. Het ruimtebeslag op de groene omgeving is in voorliggend geval dan ook zeer beperkt omdat de gronden nu al in gebruik en bestemd zijn als natuur. Het voornemen wordt in overeenstemming geacht met de principes van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik'.

4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief Ecologische Hoofdstructuur bestaande natuur.

De Ambitie voor de natuur is behoud en versterking van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) in samenhang met de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en, waar mogelijk, met sociaal economische ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0011.png"

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'

Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van een maatschappelijk voorziening (asurnenbewaarplaats) aan de bestaande natuur. De ingrepen in het bos zijn minimaal en daardoor niet verstorend voor de natuur. Daarnaast zorgt het toevoegen streekeigen beplanting op vier locaties in de zone 'ondernemen met Natuur en Water', voor een versterking van het bestaande landschap ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de van toepassing zijnde perspectieven.

4.2.4.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (Natuurlijke laag, Laag van het agrarisch-cultuurlandschap, Stedelijke laag en Lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

1. De ‘Natuurlijke laag’

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met de gebiedstypen ‘Dekzandvlakte en ruggen’ In afbeelding 4.3 is dat aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0012.png"

Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag: 'Dekzand en ruggen'

‘Dekzandvlakte en ruggen’

In deze gebieden is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. In het geval dat er ontwikkelingen plaats vinden, dan moeten deze bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem.

Toetsing van het initiatief aan de Natuurlijke laag''

In het gebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap deels nog waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied gebruikt is ten behoeve van de bosbouw. Gelet op de geringe impact van deze ontwikkeling worden de oorspronkelijke kwaliteiten niet verslechterd.

Daarnaast worden er op een viertal andere plekken juist het landschap versterkt zie ook 3.3

2. De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.

De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype ‘Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In afbeelding 4.4 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0013.png"

Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag: 'Agrarisch cultuurlandschap"

‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’

Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’

Bij de uitwerking van het plan zijn de gebiedskenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ als uitgangspunt genomen. Met de investeringen in het landschap die elders op het landgoed worden gedaan door de aanplant van streekeigen beplanting wordt bijgedragen aan het versterken van dragende structuren (groenstructuur en routes) van het ontginningslandschap. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassingen wordt verwezen naar paragraaf 3.1. Hier wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling leidt tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

3. De ’Stedelijke laag’

Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Stedelijke laag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.

4. De ‘Lust- en leisurelaag’

Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Lust- en leisurelaag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden
hierna behandeld.

4.3.1 Beleidsnota 'Natuurbegraafplaatsen op particulier terrein'
4.3.1.1 Algemeen

Binnen de gemeente Hof van Twente is er een gedifferentieerd aanbod van begraafmogelijkheden. Vanuit de “markt” komt steeds vaker de vraag of er natuurbegraafplaatsen gerealiseerd mogen worden. Om verzoeken gelijkwaardig te kunnen beoordelen is de beleidsnota 'Natuurbegraafplaatsen op particulier terrein' opgesteld.

Deze beleidsnota geeft de kaders en uitgangspunten aan voor het realiseren van natuurbegraafplaatsen. Vastgelegd is dat aan maximaal 3 nieuwe natuurbegraafplaatsen medewerking zal worden verleend.

4.3.1.2 Uitgangspunten

Er zijn in de beleidsnota uitgangspunten opgenomen ten aanzien van de volgende thema's: situering en omvang, bebouwing, verkeer, landschappelijke inpassing en milieuaspecten. Hierna worden per thema de uitgangspunten genoemd.

1. Situering en omvang

Natuurbegraafplaatsen worden alleen toegestaan in de verweving- en extensiveringsgebieden. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn uitgesloten. De omvang van een “natuur begraafplaats” is kleinschalig (maximaal ca. 5 ha). Grotere begraafplaatsen hebben een te grote impact op de omgeving. Ter compensatie dient er te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Hoe er geïnvesteerd wordt in de ruimtelijke kwaliteit moet blijken uit een landschapsplan. Een parkachtige uitstraling is niet gewenst. Om de economische uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen dient er een bedrijfsplan te worden opgesteld.

2. Bebouwing

Realiseren van een bedrijfswoningen of bouwwerken geen gebouw zijnde is niet toegestaan. Voor het onderhoud van het terrein kan een klein gebouw met een oppervlakte van maximaal 75 m2 worden toegestaan. Wel moet dit gebouw landschappelijk worden ingepast en een eenvoudige uitstraling hebben.

3. Verkeer

Parkeren dient plaats te vinden op eigen perceel en moet landschappelijk worden ingepast en mag vanaf de openbare weg niet opvallen. Daarnaast moet worden onderbouwd hoe de ontsluiting wordt geregeld en er moet aangetoond of de bestaande wegenstructuur dit kan dragen.

4. Landschappelijke inpassing

Er dienen nadere afspraken te worden gemaakt over het markeren van graven, uitgangspunt: géén grafstenen alleen een zwerfkei en geen versieringen. Alle beplanting die wordt gebruikt dient streekeigen te zijn. Bestaande streekeigen beplanting dient zoveel mogelijk te worden behouden. Het aanleggen van verharde paden is niet toegestaan. Het terrein moet worden opengesteld en het aanleggen van toeristisch paden en het aansluiten bij bestaande recreatieve routes is gewenst. Het begraven in grafheuvels is niet toegestaan. De bestaande maaiveld hoogtes dienen te worden gerespecteerd. Het realiseren van urnenvelden en urnenmuren is niet toegestaan vanwege de ongewenste ruimtelijke impact en het niet mogen realiseren van nieuwe bebouwing. Het begraven van urnen past wel.

5. Milieuaspecten

Er mag geen belemmering plaatsvinden van (agrarische) bedrijven en woningen in de omgeving en gebruikers van omliggende gronden. Uit onderzoek moet blijken dat de bodemgesteldheid en de grondwaterstanden in het plangebied geschikt zijn voor het realiseren van een begraafplaats. Er mag geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden plaatsvinden. Het gebruik van geluidsinstallaties bij de plechtigheid is niet toegestaan. Voor strooivelden geldt dat ze maximaal 1 hectare groot en er mogen niet meer dan 90 verstrooiingen per jaar plaatsvinden dit i.v.m. het waarborgen van de kwaliteit van de bodem zonder aanvullende ingrepen.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnota 'Natuurbegraafplaatsen op particuier terrein'

Hierna wordt de ontwikkeling puntsgewijs getoetst aan de gestelde uitgangspunten:

1. Het plangebied is gelegen binnen het extensiveringsgebied. De desbetreffende gronden zijn bestemd als natuur. Het gebied behoeft nauwelijks nader ingericht te worden. De oppervlakte van de natuurbegraafplaats bedraagt maximaal 5 hectare en hiermee wordt voldaan aan de maximale oppervlakte. Voor deze ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld waaruit blijkt op welke wijze in de ruimtelijke kwaliteit wordt geïnvesteerd. De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit zijn van dusdanige aard dat sprake is van een aanzienlijke impuls in de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van deze toelichting. Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid wordt opgemerkt dat voor deze ontwikkeling een bedrijfsplan is opgesteld waaruit blijkt dat sprake is van een sluitende exploitatie.

2. Er worden op dit moment geen gebouwen opgericht, Het bestemmingsplan maakt dit conform het beleid wel mogelijk. De oppervlakte van een gebouw ten behoeve van opslag en stalling bedraagt maximaal 75 m2, Bouwwerken, geen gebouwen zijn niet toegestaan ter plaatse van de asurnenbewaarplaats, met uitzondering van waterhuishoudkundige voorzieningen (o.a. bruggen).

3. Zoals reeds weergegeven in paragraaf 3.2 worden de parkeervoorzieningen landschappelijk ingepast. Wat betreft de onderbouwing ten aanzien van de ontsluiting van het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 3.2.

4. Voor wat betreft het markeren van graven zijn er afspraken gemaakt. Er mogen geen grafstenen of soortgelijke markeringen worden geplaatst, het moet gaan om natuurlijk materiaal bijvoorbeeld een zwerfkei. Alle beplanting in het landschapsplan zijn streekeigen. De inrichting van de wandelpaden zal bestaan uit zand en het terrein wordt opengesteld voor publiek. Er worden geen grafheuvels aangelegd of urnenvelden/urnenmuren gerealiseerd.

5. De ontwikkeling brengt geen belemmeringen mee voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven of het woon- en leekfklimaat van omwonenden. Dit blijkt uit de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van deze toelichting. In het desbetreffende hoofdstuk wordt ook ingegaan op het aspect archeologie. Hier wordt geconcludeerd dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Tot slot zijn er in de privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer afspraken gemaakt ten aanzien van geluidsinstallaties bij plechtigheden en is dit uitgesloten.

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling passend is binnen de kaders van de gemeentelijke beleidsnota. Gezien het feit dat aan de voorwaarden wordt voldaan en het maximum van 3 nieuwe natuurbegraafplaatsen nog niet is bereikt heeft de gemeente Hof van Twente besloten medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente
4.3.2.1 Algemeen

De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Het landschapsontwikkelingsplan biedt een samenhangende visie op landschapskwaliteiten bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling. Per landschapstype is aangegeven welk kenmerken dienen te worden behouden en/of versterkt. Deuitwerking is gebaseerd op vier thema's:

  • behoud en versterking van waardevolle ensembles: Behoud, herstel, aanleg en onderhoud van een samenhangend patroon van landschapselementen (beplantingen inclusief lanen, historische elementen met name in het kampenlandschap, open essen en erfbeplantingen) is het speerpunt;
  • landschappelijke versterking van het watersysteem;
  • zorg voor het agrarisch werklandschap: Dit doel uit zich met name in het behouden van relicten van het voormalige kampenlandschap, zonder de patronen te willen herstellen;
  • inpassen van kernen en routes. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan deze visie. Inrichtingsvoorstellen krijgen als leidraad deze visie mee.
4.3.2.2 Uitgangspunten

In de landschapsontwikkelingsvisie is het toekomstbeeld geschetst en de ontwikkeling per legenda-eenheid aangegeven. Hoofddoel van de visie is het onderscheid en de diversiteit tussen de landschapseenheden te vergroten en de samenhang te verbeteren met gerichte investeringen voor de toekomst. De landschapsontwikkelingsvisie is vertaald in een overzichtelijk kaartbeeld. Een uitsnede van deze kaart wordt hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0014.png"

Afbeelding 4.5: Ligging van het plangebied in het LOP (rode ster)

Voor de ontwikkeling van het landschap zijn in het landschapsontwikkelingsplan vier thema's benoemd. Uit de bovenstaande uitsnede van de bij de landschapsontwikkelingsvisie behorende kaart blijkt dat de locatie is gelegen in het 'Veldontginningslandschap' binnen het thema 'Behoud en versterking landschapspatroon'.

4.3.2.3 Veldontginningslandschap

Het veldontginningslandschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. Ieder ontgonnen veld kent een eigen schaal en patroon van beplanting en bebouwing. In het dekzandlandschap komen kleinere velden voor waar restanten van bos, ven en hei te behouden landschapselementen zijn zoals bij de Benteler Heide en het Markveldensche Veld.

De wegbeplanting beperkt zich tot de ontginningsbasis en -grens of langs een zandpad en bestaat bij voorkeur uit berken incidenteel afgewisseld met grove den.

Maatregelen:

  • Ontwikkeling landschapspatroon door inrichting en onderhoud wegbeplanting en bermen;
  • Ontwikkeling landschapspatroon door stimuleren gebiedseigen erfbeplanting (hagen, fruitbomen, grote solitairen);
  • Behoud landschapselementen.

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het LOP

Op de locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt nieuwe streekeigen beplanting aangelegd, waarmee de lineaire dragende structuren worden versterkt en de natuurbegraafplaats op een adequate wijze landschappelijk wordt ingepast. Bestaande landschapselementen blijven zoveel mogelijk behouden en worden waar mogelijk versterkt. Resumerend wordt gesteld dat de ontwikkeling bijdraagt aan de ontwikkeling van het natuur. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen het landschapsontwikkelingsplan.

4.3.3 Archeologie
4.3.3.1 Algemeen

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het archeologiebeleid

In paragraaf 5.8.1 wordt getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.4 Bodembeleid
4.3.4.1 Algemeen

De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan het bodembeleid.

In paragraaf 5.2 wordt de bodemkwaliteit beschreven. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.5 Nota Externe veiligheid
4.3.5.1 Algemeen

De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.

4.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Externe Veiligheid

In paragraaf 5.4 wordt het plan getoetst aan het aspect externe veiligheid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.6 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsdocumenten.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheidsaspecten/onderzoek

Dit onderdeel bevat een inventarisatie van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij komen de volgende aspecten aan de orde: geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.

5.1 Geluid

5.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek teworden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is.

5.1.2 Situatie plangebied

De nieuwe functie (natuurbegraafplaats) is niet aan te merken als een geluidsgevoelig object of als een nieuwe geluidsbron als bedoeld in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder is dan ook niet van toepassing op de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling.

5.1.3 Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een doorgaans een verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

Maar gelet op het feit dat het hier gaat om een locatie die al decenia lang als bos is gebruikt en waar geen verharde wegen doorlopen en daarnaast de grondverstoring bij het uiteindelijk plaatsen van de urnen dusdanig klein is kan worden geconcludeerd dat een bodemonderzoek in dit geval niet nodig is.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Gelet op de aard en omvang van dit project, in vergelijking tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Er moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Onderzoeksresultaten externe veiligheid

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0015.png"

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
5.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
5.5.2 Gebiedstypen

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van de geldende bestemming mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Met betrekking tot het plangebied geldt, gezien de rustige ligging in het buitengebied, het omgevingstype rustige woonwijk. De richtafstanden die gelden bij de verschillende gebiedstypes en milieucategorieën zijn hierna weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0016.png"

5.5.3 Onderzoeksresultaten milieuzonering

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol:

1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).


Ad 1: Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Begraafplaatsen vallen op basis van de VNG-uitgave onder de inrichting 'Begrafenisondernemingen: begraafplaatsen'. Dergelijk inrichtingen vallen binnen milieucategorie 1 met als grootste richtafstand 10 meter voor het aspect geluid.
In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de natuurbegraafplaats en omliggende milieugevoelige objecten meer dan 250 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand.

Ad 2:

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In het kader van milieuzonering is er geen sprake van de toevoeging van nieuwe gevoelige objecten. Derhalve ondervindt de nieuwe functie geen hinder van bestaande functies.

5.5.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6 Geur

5.6.1 Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunnings- plichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat binnen een concentratiegebied als bedoeld in de Meststoffenwet, de gemeente Hof van Twente is gelegen in een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven op basis van het Activiteitenbesluit gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd.

5.6.2 Situatie plangebied

In dit geval zijn met name de woorden permanent en een vergelijkbare wijze uit de definitie van een 'geurgevoelig object' belang. Hierna wordt aan de hand van diverse jurisprudentie toegelicht wat hieronder wordt verstaan.

In een uitspraak van de Raad van State (201301469/1/R1) van 10 juli 2013 had de raad zich op het standpunt gesteld dat sanitaire voorzieningen en een berging niet aangemerkt kunnen worden als geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Ten aanzien hiervan heeft de Raad van State als volgt geoordeeld:

“Voor zover [appelant] betoogt dat in het kader van het onderzoek ook de geurbelasting op het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging had moeten worden berekend, overweegt de Afdeling dat deze niet worden aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wgv omdat geen sprake is van permanente bewoning of verblijf.”

In haar uitspraak (201111498/1/T1/R4) van 13 februari heeft de Raad van State de volgende overweging gehanteerd:

“uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term 'regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), volgt dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, aangenomen moet worden dat niet langdurig in de gebouwen zal worden verbleven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan ook in zoverre niet voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv.”

Op 12 juni 2013 heeft de Raad van State zich uitgesproken in een zaak (201210676/1/A4) waar onder andere de vraag voorlag of een tijdelijke woonunit kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object. De uitspraak van de Raad van State luide ten aanzien hiervan als volgt:

“Gezien de in artikel 1 van de Wgv gegeven definitie is voor het antwoord op de vraag of de woonunit een geurgevoelig object is, van belang of die bestemd en geschikt is voor menselijk wonen of verblijf en of dat gebruik permanent is of daarmee vergelijkbaar. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17) wordt met de term 'bestemd' bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2013 in zaak nr. 201111498/1/T1/R4) valt uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term 'regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), af te leiden dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de woonunit niet als geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv is aan te merken, omdat op de locatie van de woonunit ingevolge het ter plaats geldende bestemmingsplan geen woonbestemming rust. Door het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning zal de woonunit gedurende de periode waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, in ruimtelijke en planologische zin worden toegelaten, zodat de woonunit bestemd en, naar niet in geschil is, geschikt is voor menselijk wonen of verblijf als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de woonunit, gedurende de periode waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, door [vergunninghouder] zal worden bewoond.Gelet op de aard van dat gebruik moet worden aangenomen dat gedurende die periode langdurig in het gebouw zal worden verbleven. Vanwege dat gebruik moet deze woonunit daarom als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv worden aangemerkt.”

In dit geval kan er een nieuw gebouw van maximaal 75 m2 worden gerealiseerd die gebruikt moet worden als opslagruimte voor materiaal benodigd voor het onderhouden van het terrein. Van permanent verblijf of op een daarmee vergelijkware wijze van gebruik zal geen sprake zijn. Het gebouw kan niet worden aangemerkt als geurgevoelig object.

Omgekeerd vormt de ontwikkeling geen belemmering voor omliggende bedrijven ten aanzien van de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

5.6.3 Conclusie

Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening is er geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.7 Ecologie

5.7.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.

Gelet op de zeer beperkte (grond)verstoring bij het uiteindelijk plaatsen van de urnen is de kans klein dat de flora en fauna soorten ingedrang komen. Er worden geen negatieve effecten op de EHS en het Natura-2000 gebied verwacht.

5.8 Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Op grond van de Monumentenwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie

Op basis van de archeologische verwachtingskaart is het plangebied grotendeels gelegen in een gebied met een 'hoge archeologische verwachting'. Hiervoor geldt dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte van 2500 m2 of meer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor een beperkt deel is het plangebied gelegen in een gebied met een 'middelhoge archeologische verwachting'. Voor gebieden met een dergelijke verwachting geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2. Een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt weergegeven op afbeelding 5.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxwesterflierwg-VS10_0017.png"

Afbeelding 5.4: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart.

De bodemingrepen waarin het project voorziet en die kunnen reiken tot in de archeologische laag, betreffen met name het realiseren van het gebouwtje en de urnenbegraafplaatsen. Deze bodemingrepen hebben een oppervlakte kleiner dan
2.500 m2. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ter bescherming van de (mogelijke) archeologische waarden zijn de bestaande dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan overgenomen.

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachtenmonumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.8.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie

Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. Geconcludeerd wordt dat cultuurhistorie geen belemmering vormt.

5.8.3 Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Tevens bevinden er zich in het plangebied geen cultuurhistorische waarden die een belemmering vormen voor de uitvoering van het gewenste plan.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid

6.1.1 Waterschap Rijn en IJssel

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.


Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.


Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Om deze zogenaamde waterparagraaf op te kunnen stellen wordt overleg gevoerd met het waterschap.

Waterschap Rijn en IJssel heeft een handreiking ontworpen waarbij een initiatiefnemer zelf kan bepalen voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Voor meer complexe ontwikkelingen kan deze handreiking voor het waterschap en de initiatiefnemer als leidraad en geheugensteun gelden in het ontwerpproces. Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateraspecten en kan water een positieve bijdrage leveren aan de leefomgeving.

Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt.

Watertoetstabel

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit#  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire
waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
2

2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
2
1
1  
Wateroverlast (oppervlakte-water)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden,
beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee
Nee
Nee
Nee  
2
1
1
1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
 
Nee
 
1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
4. Beoogt het plan aanleg van drainage?  
Nee
Nee
Nee
Nee  
1
1
1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
1

2  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee


Nee  
1


1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee
Nee  
2
2
1
1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?  
Nee  

2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

# de intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.

Conclusie

Gelet op de invulling van de watertoetstabel kan geconcludeerd worden dat er geen wateradvies gevraagd hoeft te worden bij het waterschap.

6.1.2 Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.
  • Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
  • Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.
6.1.3 Gemeentelijk Rioleringsplan 2008-1012 (GRP)

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater;
  • grondwater(maatregelen).

De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het GRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:

  • De trits “vasthouden – bergen – afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
  • De trits “schoonhouden – scheiden – schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement te worden verhoogd.

In het GRP zijn de gemeentelijke zorgplichten nader gedefinieerd. Maatregelen in particulier gebied behoren tot de zorgplichten van de eigenaar.

6.2 Waterparagraaf

 

6.2.1 Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2 Watertoetsproces

De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen advies gevraagd hoeft te worden aan het waterschap.

Oppervlaktewater

In gebied zijn geen (hoofd)watergangen aanwezig.

Grondwater

Het plangebied bevindt zich niet in een intrekgebied en grondwaterbeschermings- gebied. Uit de kaarten met de grondwatertrappen, die via het waterschap beschikbaar zijn, is gebleken dat het gebied geschikt is om mensen te begraven.

Hemel- en afvalwater

Hemelwater zal worden geïnfiltreerd ter plaatse. Er worden geen sanitaire voorzieningen gerealiseerd. Er zal dan ook geen sprake zijn van afvalwater.

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving

7.1 Inleiding

De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie an visualisering van de bestemmingen.

7.2 Opbouw van de regels

7.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
1. Inleidende regels (begrippen en wijze van meten);
2. Bestemmingsregels;
3. Algemene regels;
4. Overgangs- en slotregels.

7.2.2 Inleidende regels

Begrippen

In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschiften wordt verstaan.

7.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Een dubbelbestemming ten aanzien van archeologie is ook in dit hoofdstuk opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

7.2.4 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene gebruiksregels (Artikel 7): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 8): in de algemene aanduidingsregels zijn zones aangegeven waarvoor bijzondere regels gelden. Deze zones zijn weergegeven op de verbeelding.
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 9): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
7.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.


Natuur (Artikel 3)

De gronden binnen het plangebied worden ingericht als natuur, waarvan 5 hectare in gebruik wordt genomen als natuurbegraafplaats. Omdat de functie 'Natuur' de voornaamste functie betreft, zijn de gronden in het plangebied ook als zodanig bestemd.

Binnen deze bestemming is onder meer het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden toegestaan. De natuurbegraafplaats is specifiek aangeduid, uitsluitend ter plaatse van deze aanduiding is een natuurbegraafplaats toegestaan. Op deze wijze is eveneens verzekerd dat de omvang van de natuurbegraafplaats niet meer dan 5 hectare kan bedragen.

Binnen deze bestemming mogen één gebouw en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd. Het gebouw moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan respectievelijk 3 meter en 6 meter. Daarnaast mag de oppervlakte van het gebouw niet meer mag bedragen dan 75 m² en mag het uitsluitend worden aangewend ten behoeve van de opslag van materiaal benodigd bij de toegestane functies. Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt dat uitsluitend zitgelegenheden (bijv. picknicktafels) en waterhuishoudkundige voorzieningen (bijv. steigers of bruggetjes) zijn toegestaan. Dit overeenkomstig de gemeentelijke beleidsnota voor natuurbegraafplaatsen. De bouwhoogte van deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 meter.

Waarde - Archeologische verwachting 1 & Waarde - Archeologische verwachting 2 (Artikel 4 en 5)

Gronden ter plaatse van deze dubbelbestemmingen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ter bescherming van deze gronden zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde,
en werkzaamheden.

Voorwaardelijke verplichting

In voorliggend bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘voorwaardelijke verplichting’. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging opdat verzekerd is dat de maatregelen om te komen tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls in de groene omgeving verzekerd zijn. Deze maatregelen zijn (mits ruimtelijk relevant, niet geheel geborgd middels sectorale wetgeving of middels de privaatrechtelijke overeenkomst welke is gesloten) als voorwaardelijke verplichting in de regels van opgenomen. Concreet betekent dit dat het gebruik van, en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken pas is toegestaan nadat de landschapsmaatregelen als opgenomen in het inrichtingsplan zijn gerealiseerd. Dit teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van het geheel.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Vooroverleg

9.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2 Provincie Overijssel

Het plan is in het kader van het vooroverleg besproken met de provincie Overijssel.
De provincie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgenomen ontwikkeling. Desalniettemin zal de provincie op de hoogte worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

9.1.3 Waterschap Rijn en IJssel

Na invulling van de watertoetstabel bleek dat het aanvragen van een wateradvies bij het waterschap niet noodzakelijk was. Het waterschap zal op de hoogte worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

9.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan.