| Plan: | TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22u Sloezenweg 2 Ambt Delden |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BGxSloezenweg2-VS10 |
Het plangebied is gelegen aan de Sloezenweg 2 in Ambt Delden. Op het plangebied is de initiatiefnemer voornemens om in het kader van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente één compensatiewoning te realiseren. Hierbij wordt de functie van het perceel omgezet naar 'Wonen'. Om de woning te realiseren worden er voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt.
Om het voorgenomen bouwplan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied is gelegen aan de Sloezenweg 2 in Ambt Delden en betreft een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, ten zuidenoosten van de kern Goor. Figuur 1.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Figuur 1.1 Uitsnede luchtfoto omgeving plangebied, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
Begrenzing
Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Ambt-Delden, sectie E, perceelnummers 5396, 6491 en 6726. Deze percelen hebben een gezamenlijk oppervlak van 8.570 m2. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing weer.
Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart, plangebied in rood omkaderd (Bron: kadastrale
kaart)
Het plangebied is gelegen in het plangebied van het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Hof van Twente', onderdeel 'Buitengebied Hof van Twente'. Het plangebied heeft de functies 'Agrarisch met waarden' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Het plangebied heeft de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'vrijwaringszone - radar'. Figuur 1.3 geeft het geldende omgevingsplan weer.
Figuur 1.3 Uitsnede geldend omgevingsplan, plangebied in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart)
De gronden met de functie 'Agrarisch met waarden' zijn in eerste instantie bedoeld voor agrarische activiteiten en bestemd voor behoud van de aanwezige landschapswaarden zijnde: beeldbepalende landschapselementen, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, natuur en waterhuishouding. De gronden met de functie 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zijn in eerste instantie bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De gronden met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' gelden dezelfde regels zoals opgenomen voor de functie 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - radar' zijn mede bestemd voor een radarverstoringsgebied.
De realisatie van één compensatiewoning ter behoeve van wonen past niet binnen het geldende omgevingsplan.
De toelichting van het TAM-Omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt de economische haalbaarheid aangetoont. En in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
In de huidige situatie is er sprake van een voormalig agrarisch bedrijf aan de Sloezenweg 2 in Ambt Delden. Op het erf is een (bedrijfs)woning aanwezig met voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn als opslag. Op het perceel vinden geen agrarische activiteiten meer plaats. Figuur 2.1 geeft de planlocatie weer gezien vanaf de Brummelhuisweg.
Figuur 2.1 Streetview afbeelding van plangebied (Bron: Google Streetview, 2021)
De initiatiefnemer is voornemens om op het erf aan de Sloezenweg 2 in Ambt Delden een deel van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (schuren) te slopen. In de plaats van deze schuren wil de initiatiefnemer één woning terugbouwen. Dit wil de initiatiefnemer door middel van het rood voor rood beleid (KGO) van de gemeente Hof van Twente. Om te voldoen aan de eisen van het rood voor rood beleid wordt er op het erf 361 m2 aan schuren gesloopt. Hierbij blijft er één schuur behouden. De te slopen schuren zijn te zien in figuur 2.2. Daarnaast is er 639 m2 aan sloopvouches aangekocht om te voldoen aan de 1000 m2 landschapsontsierende bebouwing die gesloopt moet worden. Deze sloopvouches komen van de Herikerweg 14a, Grondhuttenweg ong. en aan de Spenkelinksweg. Met de realisatie van de compensatiewoning wordt de functie van het erf aan de Sloezenweg 2 omgezet naar wonen.
In de nieuwe situatie wordt de nieuw te bouwen woning rechtsachter de bestaande schuren geplaatst. Om de erfsamenhang te behouden wordt het nieuwe bijgebouw aan het behouden bijgebouw gekoppeld. De nieuwe woning loopt evenwijdig met de weg in de richting van de bijgebouwen, waardoor de bestaande woning als hoofdwoning herkenbaar blijft. Voor de nieuwe woning is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 1). Rondom de woning komt een (landschappelijke) tuin, waarbij een groot deel weide blijft als overgang naar het ontginningslandschap. Met name aan de voorzijde en randen van het perceel worden groenstructuren aangebracht. Hierdoor blijft de openheid van het gebied behouden, maar krijgt het erf een groenere uitstraling. De gehele inrichting van het erf is te zien in Bijlage 2. Figuur 2.3 geeft een weergave van het erf in de nieuwe situatie.
Figuur 2.3 Uitsnede inrichtingsplan, huidige situatie (Bron: Mark ter Hofte)
Figuur 2.2 Uitsnede inrichtingsplan, nieuwe situatie (Bron: Mark ter Hofte)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag,hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuwbouw woning aan de Sloezenweg 2 te Ambt Delden. Met de realisatie van deze woning wordt er een woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het plan is gericht op een toekomstbestendige ontwikkeling en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets
Met voorliggend plan wordt het realiseren van één woning mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling is de ladder voor duurzame ontwikkeling niet van toepassing, zoals blijkt uit de jurisprudentie van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Er word enkel één nieuwe woning gerealiseerd en één bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning, dit ligt onder de gestelde grens van 11 woningen, waarvan de Raad van State heeft aangegeven dat dit geen stedelijke ontwikkeling is.
Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2024 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe
veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.
Met betrekking tot dit plan zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
Artikel 4.4 principe van concentratie
Lid 1
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Toets
Met het voorliggende plan wordt er een voormalige bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Daarnaast wordt er ook één nieuwe woning gerealiseerd. De woningen bevinden zich op één erf. Hierdoor wordt er elders geen extra ruimte in beslag genomen van de Groene Omgeving. Daarnaast is in paragraaf 3.4.2 aangetoont dat er behoefte is aan nieuwe woningen.
Voorliggend plan is in lijk met artikel 4.4 van de omgevingsverordening van de provincie Overijssel.
Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Toets
Voorliggen initiatief voorziet in het slopen van schuren en het bouwen van één nieuwe woning. Met de realisatie van de compensatie woning neemt het bebouwde oppervlak niet toe. Hiermee wordt er geen nieuw extra ruimtebeslag gelegd op de Groene Omgeving. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast, ook word er rekening gehouden met het ontwerp van de woning. Zoals te zien is in Bijlage 1 en Bijlage 2. Hiermee kan gesteld worden dat er zuinig en zorgvuldig wordt omgegaan met de Groene Omgeving van de provincie Overijssel en dat de ontwikkeling in lijn is met artikel 4.5 van de generieke beleidskeuzes van de provincie Overijssel.
Artikel 4.6 Toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en
c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.
Toets
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning en het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. De nieuw te bouwen woning voorziet in een woonvoorziening voor de huidige generatie, maar ook voor de toekomstige generaties. Door de woning duurzaam te realiseren draagt deze woning bij aan het welzijn van mensen en heeft de woning op lange termijn een toegevoegde waarde. Daarnaast kan de (voormalige)bedrijfswoning bewoond worden door derden. Hierdoor wordt de woning toekomstbestendiger.
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.6 van de Overijsselse Omgevingsverordening.
Artikel 4.14 Woonafspraken
Lid 1
Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
Toets
Met voorliggend plan wordt een nieuwe woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Het biedt één huishouden meer een woonverblijf. De bouw van deze woning is in lijn met de gemeentelijke afspraken, welke in lijn zijn met de provinciale uitgangspunten, zoals te lezen is in paragraaf 3.4. Er wordt voldaan aan artikel 4.14 uit de provinciale verordening van Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Met de Groene Omgeving bedoelt de provincie Overijssel het grondgebied buiten de steden, dorpen en hoofdinfrastructuur. Het gaat dus om natuurgebieden, akkers, weiden, bossen, landgoederen, rivieren, beekdalen, buurtschappen, verspreide bebouwing en recreatiemogelijkheden.
Provincie Overijssel ziet de Groene Omgeving als een mozaïek van woon-, werk-, geniet- en natuurlandschappen waar diverse beleidsambities goed samen gaan. Zo is het vergroten van de veerkracht van het watersysteem goed te combineren met robuuste natuur en het versterken van de biodiversiteit, en gaat het ontwikkelen van mogelijkheden voor vrije tijd en toerisme in veel gevallen samen met de agrarische functie van een gebied. Er zijn natuurlijk ook functies die op gespannen voet staan met elkaar en/of elkaar uitsluiten. Denk bijvoorbeeld aan intensieve vormen van landbouw en robuuste natuur.
Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Figuur 3.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectief landelijk gebied, plangebied globaal omcirkeld (Bron: provincie Overijssel)
Toets
Op het plangebied ligt het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap', zoals te zien is in figuur 3.2. In het ontwikkelperspectief wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap wordt beschreven dat verschillende functies van werken en van wonen gemixt worden. Het toevoegen van één woning past binnen een gemixt landschap. De realisatie van één woning is in lijn met het ontwikkelingsperspectief van de provincie Overijssel.
Gebiedskenmerken
De gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vinden, zijn opgenomen in de Catalogus Gebiedskenmerken. De provincie beschrijft voor alle gebiedstypen in Overijssel welke kwaliteiten en kenmerken in de vier lagen behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden in de catalogus zijn integraal, in de zin dat ze aspecten als milieu, water, cultuur, landschap en infrastructuur omvatten voor zover ze te koppelen zijn aan een gebiedstype.
De vier lagen van de gebiedskenmerken van de provincie Overijssel:
Deze lagen zijn zo onderscheiden omdat de ingrepen in de fysieke leefomgeving in elke laag volgens eigen principes en processen verlopen. Uiteraard staan ze niet los van elkaar, maar zijn ze altijd met elkaar verbonden. Immers, plekken die eerst natuurlijk waren, zijn nu bebouwd en in een enkel geval andersom. Vaak liggen ze over elkaar heen en hebben we op één plek te maken met kenmerken van verschillende lagen. Op andere plekken is dat niet zo en domineert een bepaalde laag.
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.
Figuur 3.3 Uitsnede gebiedskenmerk, plangebied met rood omcirkeld (Bron: provincie Overijssel)
Natuurlijke laag - Dekzandvlakte en ruggen
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie van de provincie Overijssel is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
Toets
Op het plangebied ligt het gebiedskenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen', zoals te zien is in figuur 3.3. Op de planlocatie is reeds bebouwing aanwezig. Een deel van deze bebouwing wordt gesloopt, hiervoor in de plaats wordt er één woning gerealiseerd. De ontwikkeling heeft beperkte invloed op de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De grote oppervlakte aan voormalige natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels ongezoomd door boscomplex.
De ambitie van de provincie Overijssel is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijke raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken.
Figuur 3.4 Uitsnede gebiedskenmerk, plangebied in rood omcirkeld (Bron: provincie Overijssel)
Toets
Op het plangebied worden bestaande schuren gesloopt. Hierdoor wordt er meer ruimte geboden aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap. De ontwikkeling heeft een positieve invloed op de natuurlijke laag. Wel wordt voor de te slopen schuren een nieuwe woning gerealiseerd. Deze woning is landschappelijk ingepast (Bijlage 2).
Bij het opstellen van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap zodat de maatregelen een versterking van het landschap tot gevolg hebben. Er is geen sprake van afbreuk aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-Omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe
het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaat robuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Toets
Op 31 juli 2025 is een digitale watertoets gedaan op www.hetwateradvies.nl. Hieruit blijkt dat er een ‘korte’ procedure doorlopen moet worden. De ingevulde watertoets is in Bijlage 3 te lezen. Waterschap Vechtstromen heeft via een schriftelijke reactie laten weten geen bezwaren te hebben op het plan.
Op 7 juni 2010 heeft de gemeenteraad van gemeente Hof van Twente de structuurvisie ‘Structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente’ vastgesteld. Het buitengebied van Hof van Twente is volop in beweging, daarom is de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente opgesteld. Voor het buitengebied zijn er een aantal kernkwaliteiten geformuleerd. Het gaat om de volgende kernkwaliteiten:
In de structuurvisie wordt de ruimtelijke visie aan de hand van verschillende thema’s beschreven. Voor het voorliggende plan is het thema ‘Wonen en Leven’ belangrijk.
Thema Wonen en Leven
Nieuwe woningen op bestaande erven
Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Dit beleid is uitgewerkt in de Beleidsregel Rood voor Rood met gesloten beurs. Met dit beleid wordt ten eerste gestreefd naar een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende voormalige bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing. Ten tweede wordt gestreefd naar het ondersteunen van de leefbaarheid op het platteland door een leegloop te voorkomen. Uitgangspunt is dat de nieuwe woning wordt gerealiseerd op het erf waar ook de sloop plaatsvindt. De nieuwe woning moet daarbij wel deel uitmaken van een bestaand bebouwingscluster, bij voorkeur in een buurtschap of indien de sloop plaatsvindt binnen een landgoed, gelegen zijn op het betreffende landgoed.
Toets
Voor het voorliggende plan wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Sloezenweg en drie andere locaties. Hiervoor in de plaats wordt er aan de Sloezenweg 2 één compensatiewoning gerealiseerd. De woning wordt gerealiseerd op een bestaand erf. Met de realisatie van de woning wordt ook de functie van het erf omgezet naar een woonfunctie. Er wordt geen solitaire woning gerealiseerd. Er wordt nieuwe inheemse beplanting geplant, zoals te zien in Bijlage 2.
Het voorliggende plan is in lijn met de structuurvisie van de gemeente Hof van Twente.
In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat we de huidige woningvoorraad optimaal moeten benutten, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij we ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente waarborgen.
Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:
Toets
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één extra woning en het omzetten van een (voormalige)bedrijfswoning naar een reguliere woning op het erf aan de Sloezenweg 2. Met het omzetten van de (voormalige)bedrijfswoning wordt er geen nieuwe woning gerealiseerd. Door het realiseren van deze woning kan de doorstroming op de woningmarkt worden versterkt. Met de realisatie van deze woning blijven meer mensen wonen in het buitengebied van gemeente Hof van Twente. Dit komt de leefbaarheid van het buitengebied ten goede. Gesteld kan worden dat het realiseren van één woning in lijn is met het woonbeleid van gemeente Hof van Twente.
Sinds 2005 maakt de Hof van Twente gebruik van de Rood voor Rood-regeling. Waarbij de regels al een aantal keer zijn aangepast zodat ze beter aansluiten bij wat de behoefte is. De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten en deze tendens zet zich ook de komende jaren nog voort. Hierdoor komen de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen.
Ter compensatie van de sloop van minimaal 1.000 m2 landschap ontsierende bedrijfsgebouwen (waaronder ook torensilo’s en mestsilo’s en de helft van de oppervlakte van mestkelders buiten de stallen/opstallen) kunnen onder voorwaarden één bouwkavel voor een woning worden toegekend (compensatiekavels). De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen.
Toets
De initiatiefnemer is voor het voorliggende plan in bezit van de minimale aantal sloopmeters van 1000 m2. De compensatie woning die gerealiseerd word heeft een maximale inhoud van 750 m3. Zoals te zien is in Bijlage 2 wordt de compensatie woning achter op het erf gerealiseerd om de erfensamble instand te houden. Er is rekening gehouden met de omgeving en de bestaande erfstructuur. Op het erf blijft een agrarisch bedrijfsgebouw behouden, zoals te zien is in Bijlage 2. Deze bebouwing dient in de toekomst als een bijgebouw bij de (voormalige)bedrijfswoning.
Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van Rood voor Rood zoals vastgelegd in het gemeentelijke beleid.
Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Bij ruimtelijke projecten moet, mede hierom, in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn o.a. de volgende thema’s relevant: milieuzonering, bodem, geluid, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Eventuele beperkingengebieden zijn meegenomen onder het betreffende onderdeel (mobiliteit, geluid, omgevingsveiligheid, etc.). Beperkingengebieden voor water zijn, indien aanwezig, opgenomen onder het waterschap beleid. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-merplichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen:
Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:
Toets
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.
Het begrip ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde ‘kleine wijziging’ of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op ‘kleine gebieden op lokaal niveau’, dan is het toegestaan om eerst een plan-merbeoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Met dit project wordt één compensatie woning mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning.
Gelet op de uitspraak van 16 september 2016, worden geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.
In de bijlage bij artikel 1.1, van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.
Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het plan. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.
De VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' gaat uit van zones die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering.
| Richtafstand | Positie | Zones geluid | Zones geur | |
| Tabel VNG-2009 | Tabel VNG-2024 | Rustig woongebied | Gemengd gebied met wonen | |
| 0 of 10 m | FM (functiemenging) | - | - | - |
| 30 m | 1 | Beperkt | Basis | Basis (>30m) |
| 50 m | 2 | Beperkt (>50m) | Basis | Basis (>50m) |
| 100 m | 3 | Basis | Basis (>50m) | Verruimd (>100m) |
| 200 m | 4 | Verruimd | Verruimd (>100m) | Maatwerk (>200m) |
| 300 m en hoger | IT | - | - | - |
Toets
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval dient de woning aangemerkt te worden als milieugevoelig object.
In de omgeving van het plangebied zijn reeds woningen toegestaan. Met het voorliggende plan wordt één woning gerealiseerd aan de Sloezenweg 2. In de omgeving bevindt zich één intensieve veehouderijen. Deze intensieve veehouderij bevind zich op circa 304 meter afstand tot het plangebied. De nieuwe woning ondervindt geen hinder van deze veehouderij.
| Functie | Afstand tot plangebied | Milieucategorie | Richtafstand | Voldaan ja/nee |
| Veefokker (Boswinkelsweg 14) | 304 meter | 3 (SBI-2008:0141, 0142) | 100 m (geur) | ja |
In de omgeving is één intensieve veehouderij aanwezig (Boswinkelseweg 14). Op deze veehouderij fokken ze rundvee. Op basis van de gemeten afstand tussen het plangebied en de milieubelastende activiteit wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot extra hinder of belemmeringen van de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven en hebben omliggende (agrarische) bedrijven geen negatief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse.
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie, die vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ETFAL. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving.
Met de realisatie van de compensatiewoning en het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning wordt er een nieuwe woonfunctie toegevoegd aan de omgeving. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit in de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
Conclusie
Het aspect ‘Milieubelastende activiteiten' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Toets
Met voorliggend plan wordt het bouwen van één woning mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Hiermee is sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw. Volgens artikel 5.89g van het Bkl wordt een bodemgevoelig gebouw (woning) gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is er verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Kruse groep BV. (Projectnummer 25037916) Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 4.
Ter plekke van het voormalig agrarisch erf en het weiland zijn in de bovengrond en in het grondwater enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. De oerhoudende bodemlagen in de ondergrond zijn niet verontreinigd met arseen. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van de bijlage. Aangezien de tussenwaarden (grond) en interventiewaarden (grondwater) in geen geval worden overschreden, is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk.
In de bovengrond is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de herontwikkelingsplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluidsgevoelige gebouwen
In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:
In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In figuur 2 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
Figuur 4.1 Tabel 5.78T/5.78U, standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen (Bron: Bkl)
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.
Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:
geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluid door activiteiten
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan.
In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Toets
Wegverkeerslawaai en spoorwegen
Met het voorliggende plan wordt de realisatie van één compensatie woning mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning aan de Sloezenweg. Hierbij wordt de functie van het plangebied omgezet naar wonen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorlijnen aanwezig. Wel zijn er wegen aanwezig die geluidsoverlast zouden kunnen veroorzaken. Onderstaande afbeelding geeft de geluidsbelasting van verkeer weer.
Figuur 4.2 Uitsnede wegverkeergeluid, plangebied onder de blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uit bovenstaande kaart blijkt dat er wordt voldaan aan de gestelde standaard waarden, nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Geluid door activiteiten
In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen milieubelastende activiteiten die overlast van geluid kunnen veroorzaken. Zoals blijkt uit paragraaf 4.2. Nadere toetsing aan het aspect geluid m.b.t. geluid door activiteiten is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Toets
Zoals blijkt uit paragraaf 4.2 ligt het dichtsbijzijnde (intensieve agrarisch) bedrijf in de omgeving een veefokker 'Wildhoeve Anges'. Deze intensieve veehouderij ligt op circa 304 meter afstand. De intensieve veehouderij ligt op voldoende afstand tot het plangebied en vormt geen belemmering voor de nieuw te realiseren woning. Ook geeft de nieuwe woning geen belemmering voor de agrariër. Daarnaast zijn er op een kortere afstand al woningen aanwezig die de intensieve veehouderij al belemmeren.
Conclusie
Het aspect ‘Geur’ vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in 'Parkeernormen Hof van Twente'. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstig parkeren' (uitgave 744).
Verkeer
Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegeaan van de volgende uitgangspunten:
Voor wonen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 9 verkeersbewegingen per woning. De berekening voor dit plan is als volgt:
((7,8 + 8,6)/2) = 8,2 * 2
Voorliggend plan brengt een totale verkeersgeneratie van afgerond 17 per etmaal met zich mee. De verder verkeersafwikkeling vind plaats via de Sloezenweg, Brummelhuisweg en de Boswinkelsweg. Gelet op het aantal toenemende bewegingen kunnen deze wegen de verkeersbewegingen goed afwikkelen. De 17 verkeersbewegingen is een worst-case scenario. Het aantal verkeersbewegingen van de woningen vormen geen belemmering voor het voorliggende plan.
Parkeren
Voor het parkeren hanteert de gemeente Hof van Twente het beleid zoals benoemd in 'Parkeernormen Hof van Twente'. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. Met het ontwikkelen van één woning en het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een reguliere woning, zal de parkeerbehoefte toenemen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder het kopje verkeer is aangegeven.
In totaal ontstaat er met het ontwikkelen van het realiseren van één woning en het omzetten van één woning een parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen. Door de ruimte op het erf is het parkeren op eigen erf mogelijk, zie figuur 4.3. Met voorliggend plan word hiermee voorzien in het benodigd aantal parkeerplaatsen.
Figuur 4.3 Uitsnede inrichtingsplan (Bron: Mark ter Horst)
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect 'mobiliteit en parkeren' geen belemmering voor het voorliggend plan.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Toets
Verkeer
Met dit plan wordt de realisatie van één compensatie woning en het omzetten van een (voormalige)bedrijfswoning naar reguliere woning mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen 16,4 extra verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 17 per dag gesteld worden. Er zal sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In figuur 4.4 is de worst-case berekening weergegeven met 17 extra bewegingen extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.4: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Toets
Aan de hand van de ‘Risicokaart Nederland’ is een inventarisatie verricht van de mogelijk aanwezige risicobronnen rond het plangebied. Op de risicokaar staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Figuur 4.5 toont een uitsnede van de ‘Risicokaart Nederland’. Het plangebied is aangegeven met een blauwe icon.
Figuur 4.5 Uitsnede risicokaart, plangebied onder blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er een terreingrens is opgenomen op een naastgelegen perceel. Deze grens is opgenomen voor een propeen opslagtank. De terreingrens ligt niet over de grenzen van het plangebied. Verder zijn er geen risicobronnen aanwezig op het plangebied.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Toets Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het plangebied is niet gelegen in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1,3 km van het plangebied, zoals weergegeven is op figuur 4.6.
Figuur 4.6 Uitsnede Natuurnetwerk Nederland gebieden, plangebied in rood omcirkeld (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het NNN kent geen externe werking, gezien dit feit en de grote afstand heeft voorliggend plan geen negatieve invloed op het dichtstbijzijnde NNN-gebied.
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Plannen die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Toets Natura 2000-gebieden
De planlocatie is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Borkeld, ligt op circa 9,36 km. Gelet op het voorliggende plan, waar één nieuwe woning gerealiseerd word, en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied worden er geen negatieve effecten verwacht. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Figuur 4.7 Uitsnede Natura 2000-gebieden, plangebied in rood omcirkeld (Bron: Atlas Leefomgeving)
Stikstofdepositie
Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van één compensatiewoning onder de rood voor rood regeling. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen:
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. In het kader van dit plan is geen AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen.
Toets stikstofdepositie
Gelet op de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aard en omvang van het project zijn enige negatieve effecten met betrekking tot stikstof uitgesloten. Een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht.
In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Toets soortenbescherming
In het kader van voorliggend project is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, de conclusies uit dit onderzoek zijn onderstaand weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 5.
Resultaten quickscan:
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Ook overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.
Soortenbescherming
De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de gebouwen worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vogels. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Mits zorgvuldig gewerkt wordt (geen dieren opzettelijk doden), en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, kunnen de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Conclusie
Het aspect ‘Natuurwaarden’ vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Cultureel erfgoed
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Toets
Archeologie
Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Hof van Twente, blijkt dat er een lage archeologische verwachting op het plangebied ligt.
Figuur 4.6 Uitsnede archeologische waardenkaart, plangebied in rood omcirkeld (Bron: gemeente Hof van Twente)
Volgens de beleidskaders van de gemeente Hof van Twente geldt voor een gebied met een lage archeologische verwachting (zie figuur 4.6) geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 10 ha of bij bodemingreper dieper dan 40 cm. Binnen het plangebied vinden geen (graaf)werkzaamheden plaats die groter zijn dan 10 ha. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk, het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.
Cultuurhistorie
Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Conclusie
Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Toets
Met het voorliggende plan wordt het mogelijk gemaakt om één woning te realiseren en één (voormalige)bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning onder de rood-voor-rood regeling van gemeente Hof van Twente. Dit kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden/bezoekers/inwoners van de gemeente. Het toestaan van deze woning draagt bij aan de woningbehoefte binnen gemeente Hof van Twente. De woning die gerealiseerd wordt betreft een moderne woning welke het woongenot/ woongeluk van toekomstige bewoners vergroot. Daarnaast vergroot het plaatsen van een extra woning tevens de leefbaarheid op het erf en in het landelijke gebied als geheel. Er ontstaan tevens meer mogelijkheden tot sociaal contact wat een positief effect heeft op de gezondheid.
Kostenverhaal
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13.11 Ow volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten.
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
In de anterieure overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Provincie Overijssel
Het plan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.
Waterschap Vechtstromen
Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de ‘weging van het waterbelang’. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat er vooralsnog geen bezwaren zijn voor het plan.
Participatie
De initiatiefnemer heeft met directe omwonenden gesproken. Deze buren hebben geen bewaren tegen het voorliggende plan. Het verslag is te lezen in Bijlage 6.