direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Proodsweg 7 Ambt Delden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie Proodsweg 7 in Ambt Delden is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer wenst een (kleinschalige) opslagruimte en een personal sportstudio op het perceel te realiseren. De opslagruimte is bedoeld ten behoeve van een technisch adviesbureau dat reeds op deze locatie gevestigd is. Momenteel vinden de uitvoerende werkzaamheden (bijna) allemaal elders plaats. De initiatiefnemer wenst de opslag te realiseren om efficienter te werken en om kleinschalige werkzaamheden voor te bereiden. Daarnaast zal er een personal trainingsstudio worden gerealiseerd. In de trainingsstudio worden individuele trainingen gegeven of in klein groepsverband (maximaal 12 personen).

Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet de bestemming 'Wonen' worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen-Vab' (Vrijstaande Agrarische Bebouwing). Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

De planlocatie ligt aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden. De locatie bestaat uit een voormalig agrarisch erf met een woonhuis en een aantal schuren. Het plangebied ligt ten zuiden van de Rijksweg A1 en ten westen van het Twentekanaal. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Ambt Delden, sectie P, perceelnummers 75 en 76. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0001.png" Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK Viewer; bewerking Ad Fontem)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). Voor de begrenzing is de grens van de huidige enkelbestemming 'Wonen' aangehouden. Zie de verbeelding van het bestemmingsplan voor de exacte begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0002.png" Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de Proodsweg 7 in Ambt Delden geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019'. Met dit veegplan is het bestemingsplan 'Buitengebied (vastgesteld op 16 december 2014) inclusief herziening 2015 (vastgesteld op 9 december 2015), herziening regels beleid KGO (vastgesteld op 7 maart 2017) en Veegplan 2018 (vastgesteld op 10 juli 2018), gedeeltelijk herzien. Niet alle gronden zijn voorzien van bestemmingen en aanduidingen: op deze gronden wijzigen de bestemmingen en aanduidingen uit het moederplan en/of het reparatieplan niet. Alleen de gewijzigde aanduidingen of bestemmingen zijn in dit veegplan opnieuw vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0003.png" Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Aan het plangebied is de enkelbestemming 'Wonen' toegekend met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Arcehologische verwachting 3'. Op het perceel liggen ook een drietal gebiedaaanduidingen, te weten: 'luchtvaartverkeerzone', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'vrijwaringszone - radar'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor maximaal één woning per bestemmingsvak waarbij inwoning is toegestaan.

Bewoners van de Proodsweg 7 wensen een deel van de schuren te gebruiken als opslag en een personal sportstudio. Deze functies passen niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de functies te kunnen toevoegen is een bestemmingsplanwijziging nodig, waarbij de bestemming 'Wonen' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen - Vab'. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, herziening Proodsweg 7 Ambt Delden' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden sprake van een woonerf met woonhuis en meerdere schuren. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Proodsweg, een rustige erfontsluitingsweg (60 km/u) met voornamelijk bestemmingsverkeer in het buitengebied. Parkeren vindt momenteel plaats op eigen terrein. In de directe omgeving van de planlocatie liggen voornamelijk agrarische bedrijven. Ten zuiden van de planlocatie, op circa 30 meter afstand, ligt een intensieve veehouderij. Ten noorden van de planlocatie, op circa 170 meter afstand, ligt de Rijksweg A1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0004.png" Figuur 2.1: huidige situatie Proodsweg 7 Ambt Delden (bron: Cyclomedia)

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemers zijn momenteel woonachtig op het perceel aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden. Op het perceel hebben de initiatiefnemers ook een eigen onderneming, namelijk een klein technisch adviesbureau gericht op engineering, maintenance en projectmanagement. Het werkgebied richt zich op bouwstoffen, agro-industrie, bio-industrie en de levensmiddelen industrie.

Ten behoeve hiervan wensen de initiatiefnemers een deel van de aanwezige schuren op het terrein om te bouwen. Het gaat om een ruimte ten behoeve van opslag ten behoeve van de kleinschalige werkplaats met kantoor. De opslag is voorzien in één van de schuren (zie figuur 2.2 ). Een deel van deze schuur wordt vervangen (blauw omlijnd in figuur 2.2). De oppervlakte van de schuur blijft gelijk (150 m²).

In een andere schuur wordt een kleinschalige personal sportstudio (60 m²) gerealiseerd. Deze is voorzien in een gedeelte van de schuur aangegegeven in onderstaande figuur. Een deel van deze schuur (rood omlijnd in figuur 2.2) wordt vervangen. Hierdoor zal de oppervlakte toenemen met 20 m².

Om dit te compenseren is de initiatiefnemer bereid om twee andere opstallen met een gezamenlijke oppervlakte van 50 m² te slopen. De te slopen opstallen zijn weergegeven met nummers 3 en 4 (geel omlijnd). Door het saneren van twee gebouwen en het herbouwen van twee andere gebouwen, zal het bebouwingsoppervlakte in de eindsituatie met circa 30 m² afnemen. Daarnaast verbeterd de ruimtelijke kwaliteit en wordt de erfbebouwing verfraaid doordat onsamenhangende gebouwen worden vervangen. Voor wat betreft landschappelijke inpassing is er in het voorjaar van 2020 een bloemenweide en wandelpad aangelegd aan de zuidzijde van het erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0005.png"

Figuur 2.2: plannen voor de Proodsweg 7 in Ambt Delden (bron: initiatiefnemer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0006.png" Figuur 2.3: landschappelijke inpassing Proodsweg 7 in Ambt Delden (bron: initiatiefnemer)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de vestiging van nieuwe economische functies (opslag en personal sportstudio) in het buitengebied (landelijk gebied) van de gemeente Hof van Twente. Daarmee is de vierde pijler "toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied" relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. In de Novi wordt voor het landelijk gebied aangegeven dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied moet cultureel erfgoed en unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten behouden en versterkt worden. Waar mogelijk en gewenst dienen nieuwe kwaliteiten toegevoegd te worden. Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied. Vrijkomende agrarische bebouwing kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van nieuwe functies en woonconcepten.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden voormalige agrarische opstallen gebruikt door nieuwe economische functies (opslag en personal sportstudio). De voorgenomen ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het erf verbeterd. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de prioriteiten van de NOVI past. Er wordt een bijdrage geleverd aan de toekomst van het landelijk gebied.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Onderhavig plan betreft een bestemmingswijziging van 'Wonen' naar 'Wonen - Vab'. Dit om opslagruimte ten behoeve van een werkplaats met kantoor en een personal sportstudio mogelijk te maken. Ter compensatie worden er twee kleine vrijstaande schuren gesloopt waardoor de bebouwingsoppervlakte in de eindsituatie met 30 m² zal afnemen.

Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op basis van de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) geldt dat een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Middels dit bestemmingsplan wordt een opslagruimte en een personal sportstudio gerealiseerd. De functies worden zoveel mogelijk binnen bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Bij een deel van de schuren vindt vervangende nieuwbouw plaats. Per saldo neemt het bebouwde oppervlakte op het perceel niet toe, aangezien er ook twee schuren gesloopt worden. Daarnaast zijn de gevolgen voor het milieu zeer gering (zie hoofdstuk 4). Derhalve geldt dat het plan geen betrekking heeft op een functiewijziging van zodanige aard en omvang, waardoor geldt dat het plan niet kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0007.png" Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

In het voorliggende geval dienen bij de afweging in de eerste fase, de 'generieke beleidskeuzes' de volgende artikelen te worden getoetst:

  • Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3)
  • Ruimtelijke kwaliteit (art. 2.1.5).

Hierna worden de artikelen nader getoetst.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Op grond van de Omgevingsverordening wordt onder stedelijke ontwikkelingen verstaan: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorend groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden;

Op grond van het vigerende bestemmingsplan geldt reeds de bestemming Wonen waardoor stedelijke functies (o.a. woningbouw met bijbehorende infrastructuur en groen) reeds mogelijk zijn. Als gevolg van het plan wijzigt de bestemming in feite niet, anders dat er op het bestaande erf voorzien wordt in nieuwe stedelijke functies (opslag en peronsal sportstudio). Ter compensatie worden twee schuren gesloopt. Met de voorliggende ontwikkeling zal het bebouwingsoppervlakte in de eindsituatie met 30 m² afnemen. Derhalve kan gesteld worden dat het voornemen voldoet aan de uitgangspunten van artikel 2.1.3 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Doorwerking voor voorliggend plan:

De initiatiefnemer is voornemens om een tweetal schuren, ten zuiden van het erf, te slopen. De schuren hebben een gezamenlijke oppervlakte van 50 m². Hiervoor wenst de initiatiefnemer twee bestaande schuren beperkt uit te breiden (ca. 20 m²) ten behoeve van opslag en een personal sportstudio.

Door het saneren van vier gebouwen en het herbouwen van twee gebouwen, zal de bebouwingsoppervlakte in de eindsituatie met circa 30 m² afnemen. Daarnaast verbetert de ruimtelijke kwaliteit en wordt de erfbebouwing verfraaid doordat onsamenhangende gebouwen worden vervangen. Er ontstaat op deze manier meer samenhang tussen de bebouwing. Ook is in het voorjaar van 2020 een bloemenweide en wandelpad aangelegd aan de zuidzijde van het erf. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. Het plangebied is deels gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0008.png" Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de vestiging van opslagruimte en een personal sportstudio. Dit betreft functies waar niet langdurig door mensen verbleven wordt. In de huidige situatie is reeds de woonfunctie toegestaan. Het verbreden van de gebruiksmogelijkheden op het perceel heeft geen negatieve effecten voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de omliggende functies. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het voornemen in overeenstemming is met het geldende ontwikkelingsperspectief.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Beekdalen en natte laagtes' en 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0009.png" Figuur 3.3: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Voor 'Beekdalen en natte laagtes' heeft de provincie Overijssel de ambitie de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier.

De laag 'Dekzandgronden en ruggen' beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie Overijssel. De provincie heeft de ambitie geformuleerd om de de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan de gebiedskenmerken ter plaatse.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude Hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0010.png" Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Kenmerken van het 'Oude hoevenlandschap' is een landschap met verspreide erven. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit deverspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Voorliggend plan voorziet in een investering in de ruimtelijke kwaliteit en past derhalve binnen de ambitie van het agrarisch cultuurlandschap.

De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030"

Doel van de toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente Hof van Twente nu en straks. Maar de visie geeft ook een mogelijk toekomstperspectief specifiek voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. Een perspectief dat beoogt te boeien, te inspireren en richtinggevend te zijn bij het maken van keuzes.

Alle kernen en buurtschappen hebben hun eigen sterke en zwakke punten. In 2030 wordt het onderscheid tussen de verschillende delen gerespecteerd en krijgt het de ruimte. In die verscheidenheid schuilt de kracht van Hof van Twente. Vanzelfsprekend houden kernen uiteenlopende functies, maar door bewust accenten te leggen kan iedere kern werken aan een herkenbaar profiel van de eigen sterke punten en zich hiermee profileren.

Op basis van een schets van de identiteit van de gemeente en een analyse van trends is in de vorm van een wensbeeld een toekomstperspectief geschreven. Dit perspectief is geschreven in de vorm van een twintigtal streefbeelden voor 2030. In het kader van het onderhavig bestemmingsplan is vooral streefbeeld 15 van belang.

Streefbeeld 15: Werkgelegenheid in kernen, concentraties technische en productiebedrijven in grotere kernen.

Hof van Twente beschikt in 2030 over een uitstekende bereikbaarheid over spoor, weg en water. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor het vestigen van bedrijven in de gemeente. Binnen de gemeente is een grote diversiteit aan locaties ten behoeve van bedrijven. Voor grotere bedrijven is er het bedrijventerrein Zenkeldamshoek in Goor. Wat de behoefte aan nieuwe bedrijfsterreinen betreft: door revitalisering en in hoogte bouwen (efficiënter ruimtegebruik) is de behoefte aan nieuwe terreinen beperkt. Bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen zullen in belangrijke mate centraal worden gecreëerd en gerevitaliseerd. Maar ook voor die centrale bedrijventerreinen geldt, dat ze voor lokale bedrijvigheid van binnen de gemeente bedoeld blijven en géén regionale functie bezitten. In de kleine kernen beperkt zich dit tot werkelijk lokaal gebonden bedrijvigheid. Niet sociaal economisch gebonden bedrijven zijn aangewezen op de centrale kernen.

Toets

Op de locatie aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden is momenteel reeds een technisch adviesbureau gevestigd. De wens is om de bedrijfsvoering uit te breiden op de huidige locatie. Behoefte aan een nieuwe andere locatie, elders binnen de gemeente Hof van Twente, is er niet. De initiatiefnemers hebben juist de wens om de bedrijfigheid te concentreren op één locatie. Daarbij zal het plangebied specifiek worden ingericht op de wensen van het adviesbureau en zal de ruimte efficienter gebruikt gaan worden. Daarmee wordt op een bestaande locatie in Ambt Delden voorzien in een specifieke wens. Tot slot zal de bedrijvigheid op de locatie worden uitgebereid met een personal sportstudio. Beide functies dragen bij bij aan de lokaal gebonden bedrijvigheid, wat ook als pijler is aangeveven door de gemeente in de structuurvisie.

3.3.2 VAB-beleid Hof van Twente

Het VAB-beleid maakt het mogelijk om diverse niet-agrarische activiteiten te ontwikkelen invoormalige agrarische bebouwing. Belangrijkste wijziging die voor het VAB-beleid wordt doorgevoerd is dat de Landbouwontwikkelingsgebieden gelijk gesteld worden met de verwevingsgebieden voor wat betreft ontwikkeling van nevenactiviteiten. De beperkingen van het landbouwontwikkelingsgebied voor VAB’s worden opgeheven, zonder dat dit ten koste gaat van de ontwikkeling van de agrarisch bedrijven.

Het hoofddoel van het Vab-beleid is sociaal- economisch van aard, met andere woorden:

  • het leveren van een bijdrage aan de versterking van de vitaliteit van het platteland;
  • het behouden van de sociale structuren;
  • het realiseren van nieuwe economische dragers in het landelijk gebied;
  • het benutten van de resterende economische waarde van Vab voor andere bedrijvigheid

Tevens voorkomt hergebruik kapitaalsvernietiging en worden startende bedrijven gestimuleerd. Het buitengebied wordt daardoor een streekgebonden werkgebied in plaats van woongebied voor niet streekgebonden forensen.

De terugloop in de landbouw maakt het voor de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het landelijk gebied noodzakelijk dat zich in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen hierna te noemen Vab’s andere functies kunnen vestigen. Een bijkomende doelstelling is het verbeteren van de omgevingskwaliteit eventueel in combinatie met de regeling Rood voor Rood. Immers een blijvende landelijke uitstraling van de gebouwen en omgeving is gewenst.

Nieuwe functies kunnen worden toegelaten afhankelijk van de situering in het landschap, aanwezige natuur- en landschapswaarden en bijvoorbeeld de ligging ten opzichte van een woonkern.

Toetsingscriteria

  • de activiteiten moeten binnen de gebouwen plaatsvinden;
  • er mag geen buitenopslag plaatsvinden;
  • de nieuwe functie moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen ongewenste verstedelijking of aantasting van de landschappelijke waarden veroorzaken. Dit kan eventueel gepaard gaan met sloop van een deel van de bestaande bebouwing.
  • de nieuwe activiteit mag de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmeren in hun bedrijfsvoering;
  • de nieuwe activiteit moet behoren tot de categorie 1 en 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” dan wel een daarmee gelijk te stellen activiteit;
  • het milieu mag niet extra worden belast ten opzichte van de milieubelasting van het stoppende of gestopte (deel van het) bedrijf (stank, geluid, luchtkwaliteit, veiligheid etc.;
  • de bestaande infrastructuur moet berekend zijn op de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van eenonevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • eventuele parkeerplaatsen worden ingepast in het groen c.q. omgeving;
  • er mag geen sprake zijn van een industriële uitstraling, dergelijke activiteiten behoren op een industrieterrein;
  • er moet sprake zijn van een landschappelijke inpassing, waarvoor het noodzakelijk kan zijn dat een beeldkwaliteitplan voor het totale erf( en de directe omgeving) ingediend moet worden;
  • er mag geen sprake zijn van detailhandel, anders dan ter plaatse vervaardigde producten, waarbij er geensprake is van enige tussenhandel.
  • reclame-uitingen dienen in overeenstemming te zijn met de Welstandsnota.

Toets

Met voorliggende ontwikkeling worden twee nieuwe functies (opslag en een personal sportstudio) mogelijk gemaakt binnen (voormalig) agrarische bebouwing aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden. Op deze manier worden nieuwe economische dragers in het landelijk gebied gerealiseerd. Ook levert het een bijdrage aan de versterking van de vitaliteit van het platteland. De activiteiten vinden binnen gebouwen plaats en er is geen sprake van buitenopslag. Ook belemmert de ontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven niet. De ontwikkeling voldoet aan de toetingscriteria zoals de gemeente Hof van Twente deze in het VAB beleid stelt.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.

Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een inpandige functiewijziging. De bebouwde oppervlakte op het perceel wordt per saldo niet vergroot, maar neemt juist af. Ten aanzien van de milieugevolgen wordt in de paragrafen 4.2 tot en met 4.10 aangetoond dat de milieugevolgen zeer beperkt zijn. Op basis van het feit dat de bebouwde oppervlakte als gevolg van het plan niet toeneemt, het plan geen negatieve milieugevolgen heeft en het plan leidt tot een verbetering van de opzet en vormgeving van het plangebied in de omgeving (onder andere door middel van de landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van de kenmerkende erfbeplanting), kan geconcludeerd worden dat het plan niet kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit m.e.r..

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0011.png" Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Voorliggende ontwikkeling ligt in het buitengebied van Hof van Twente. Hiervoor geldt omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een werkplaats met kantoor en een sportstudio. Bij het realiseren van een dergelijke functie spelen in het kader van bedrijven en milieuzonering twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast.

Voor de opslag behorende bij de werkplaats met kantoor is voorzichtigheidshalve, op basis van de VNG-uitgave, de categorie 'Overige metaalbewerkende industrie, inpandig < 200 m²' aangehouden. Voor deze categorie geldt een maximale richtafstand van 50 meter in verband met het aspect geluid (milieucategorie 3.1.). De meest nabijgelegen milieugevoelige functies betreffen de woningen behorende bij de intensieve veehouderij gelegen aan de Proodsweg 3 en 3a. Deze woningen bevinden zich op circa 60 meter afstand van het plangebied (gemeten tussen locatie van de werkplaatsen en het bouwvlak van het perceel Proodsweg 3/3a). Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden en wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Voor de realisatie van de personal sportstudio is, op basis van de VNG-uitgave, de categorie 'fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden' aangehouden. Voor deze categorie geldt een maximale richtafstand van 30 meter in verband met aspect geluid (milieucategorie 2). Echter zal het geluidniveau door muziek binnen de inrichting meer bedragen dan 80 dB. Op basis van het Activiteitenbesluit moet er daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Uit het akoestisch onderzoek moet blijken of er aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Door De Geluidpraktijk is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt behandeld in paragraaf 4.5 en is opgenomen in Bijlage 2. In het kort luidt de conclusie als volgt:

  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L AR,LT ) - uit de rekenresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L AR,LT ) op de omliggende woningen ten hoogste 31 en 34 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Hiermee wordt er voldaan aan het gestelde toetsingskader van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag,- avond- en nachtperiode.
  • Maximale geluidniveaus (L Amax ) - uit de rekenresultaten blijkt dat het maximale geluidsniveau (L Amax ) op de omliggende woningen ten hoogste 45 en 49 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Hiermee wordt er voldaan aan het gestelde toetsingskader van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag,- avond- en nachtperiode, zoals weergegeven in hoofdstuk 3. Gesteld kan worden dat het beoordelen van maximale geluidniveaus bij muziek- en installatiegeluid als niet relevant aangemerkt kan worden. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door het dichtslaan van een autoportier.

Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de richtafstanden en dat een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande
functies in de omgeving. Momenteel is er reeds een woonfunctie mogelijk. Dit betekent dat omliggende functies in de huidige situatie reeds moeten voldoen aan een goed woon- en leefklimaat voor het perceel aan de Proodsweg 7 in Ambt Delden. Verdere toetsing aan interne werking kan derhalve achterwege blijven. De voorgenomen ontwikkeling past in de omgeving en vormt geen belemmering voor de huidige bedrijven in de omgeving. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering en een goed woon- en leefklimaat.

Geconcludeerd kan worden dat omliggende bedrijven als gevolg van de gebruikswijziging niet in hun functioneren worden beperkt. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Het perceel aan de Proodsweg 7 is gelegen in het buitengebied van Hof van Twente. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Proodsweg 3-3a. Dit betreft een melkvee bedrijf. Het plangebied aan de Proodsweg 7 heeft reeds een woonbestemming. Het agararisch bedrijf aan de Proodsweg 3-3a moet derhalve reeds rekening houden met de woning aan de Proodsweg 7.

Daarnaast liggen de twee toe te voegen functies (opslag en personal sportstudio) op meer dan 50 meter afstand van het agrarisch bedrijf aan de Proodsweg 3-3a. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Door Bodem Portaal is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Proodsweg 7 in Ambt-Delden. Het bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 1. De aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen sloop en herbouw van enkele opstallen op het terrein. Vanuit de gewijzigde functie en bestemming van het terrein is door de gemeente Hof van Twente een verkennend bodemonderzoek voorgeschreven. Het onderzoek heeft als doel, inzicht te verschaffen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de te slopen en herbouwen opstallen, teneinde vast te kunnen stellen of deze al dan niet een belemmering vormt voor de beoogde nieuwbouw.

In de door de gemeente Hof van Twente opgestelde anterieure overeenkomst is aangegeven dat het verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5725, 5740 en 5707. De gekozen onderzoeksopzet is op voorhand met de gemeente afgestemd, waarbij is overeengekomen dat de twee nieuwbouwlocaties gezamenlijk, als zijnde één locatie, mogen worden onderzocht.

Het vooronderzoek is conform de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5725 (2017): “Bodem, leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek” verricht. Het aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NTA 5755: 2010 strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – onderzoek naar de ernst en omvang van bodemverontreiniging. Het verkennend en aanvullend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5707: Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. De uitkomsten zijn als volgt:

  • Uit de analyseresultaten blijkt dat in de beide mengmonsters van de bovengrond die zijn geanalyseerd op de standaard NEN bodemparameters, licht verhoogde gehaltes zink, minerale olie en PAK worden aangetoond. In het mengmonster van de ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes van de onderzochte stoffen aangetoond.
  • Uit de analyseresultaten blijkt dat er in het grondmonsters afkomstig van mp 1-02 (beoogde sportstudio) sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest. Vanuit de visuele waarnemingen blijkt er ter plaatse van mp 1-03 ook sprake is van sterke visueel waarneembare bijmengingen met asbest, waarmee de ophooglaag/puinverharding ter plaatse van dit monsterpunt eveneens als sterk met asbest verontreinigd moet worden beschouwd.
  • Vanuit de visuele waarnemingen en de analyseresultaten van het grondmengmonster afkomstig van de toplaag ter plaatse van de monsterpunten mp 2-01 t/m 2-03 (beoogde werkplaats) wordt geen sterke verontreiniging met asbest in de grond verwacht.
  • In het grondwatermonster, afkomstig uit peilbuis 2-01, is ten opzichte van de streefwaarden, een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Van de overig geanalyseerde parameters zijn geen gehalten boven de geldende streefwaarden aangetoond.
  • De aangetoonde licht verhoogde gehaltes zink, minerale olie en PAK zijn representatief voor de bebouwde omgeving en vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek.
  • Aangezien barium niet in een significant verhoogde gehalte in de grond is aangetroffen en er geen aanwijsbare bron bekend is die de aanwezigheid van deze stof zou kunnen verklaren, wordt aangenomen dat de verhoogde concentratie barium in het grondwater een natuurlijke oorsprong heeft. Ook zou sprake kunnen zijn van een (nog) niet volledig hersteld chemisch bodemevenwicht, na plaatsing van de peilbuis. Nader bodemonderzoek naar dit licht verhoogde gehalte barium wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

De sterk verhoogde gehaltes asbest in de bodem ter plaatse van de beoogde sportstudio moeten vanuit de geldende wet- en regelgeving (Wet bodembescherming), voorafgaand aan de realisatie van de sportstudio worden gesaneerd. De feitelijke beslissing hieromtrent ligt echter bij de gemeente Hof van Twente.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat rekening gehouden dient te worden gehouden met het gegeven, dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit Bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden.

Bij het afvoeren van grond vanaf het perceel dient tevens rekening te worden gehouden met het tijdelijk handelingskader PFAS/PFOA, waardoor de bodem voorafgaand aan toepassing buiten de locatie aanvullend op deze parameters dient te worden onderzocht.

Naar verwachting zijn de analyseresultaten van onderhavig bodemonderzoek wel afdoende voor de afvoer van de sterk met asbest verontreinigde grond naar een hiertoe erkend verwerker.

Conclusie

Na saneren is er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

De initiatiefnemer is voornemens om in schuren bij de bestaande woning een opslagruimte voor de werkplaats met kantoor en een personal sportstudio te vestigen. Hoewel de bestaande woning op grond van de Wet geluidhinder wordt aangemerkt als een geluidsgevoelig object, geldt op grond van artikel 76, lid 3 Wgh dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. De nieuwe functies (opslag en sportstudio) worden niet aangemerkt als geluidsgevoelig objecten op grond van de Wet geluidhinder. Derhalve geldt dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Industrielawaai

In voorliggend plan worden twee functies mogelijk gemaakt. Het betreft een opslagfunctie en een personal sportstudio.

Voor de realisatie van opslagruimte ten behoeve van de werkplaats met kantoor is, op basis van de VNG-uitgave, de categorie 'Overige metaalbewerkende industrie, inpandig < 200 m²' aangehouden. Voor deze categorie geldt een maximale richtafstand van 50 meter in verband met het aspect geluid (milieucategorie 3.1.).

De meest nabijgelegen milieugevoelige functies betreffen de woningen behorende bij de intensieve veehouderij gelegen aan de Proodsweg 3 en 3a. Deze woningen bevinden zich op circa 60 meter afstand van het plangebied (gemeten tussen locatie van de werkplaatsen en het bouwvlak van het perceel Proodsweg 3/3a). Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden en wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Voor de realisatie van de personal sportstudio is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 2. Aanleiding voor het onderzoek is aangezien het geluidniveau door muziek binnen de inrichting meer dan 80 dB(A) zal bedragen. Op basis van het Activiteitenbesluit moet er daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Uit het akoestisch onderzoek moet blijken of er aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan.

Het onderzoek leidt bij een representatieve bedrijfssituatie tot de volgende conclusies, te weten:

  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L AR,LT ) - uit de rekenresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L AR,LT ) op de omliggende woningen ten hoogste 31 en 34 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Hiermee wordt er voldaan aan het gestelde toetsingskader van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag,- avond- en nachtperiode.
  • Maximale geluidniveaus (L Amax ) - uit de rekenresultaten blijkt dat het maximale geluidsniveau (L Amax ) op de omliggende woningen ten hoogste 45 en 49 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Hiermee wordt er voldaan aan het gestelde toetsingskader van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag,- avond- en nachtperiode, zoals weergegeven in hoofdstuk 3. Gesteld kan worden dat het beoordelen van maximale geluidniveaus bij muziek- en installatiegeluid als niet relevant aangemerkt kan worden. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door het dichtslaan van een autoportier.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. De ontwikkeling voldoet daarmee aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Met de realisatie van een opslagruimte ten behoeve van werkplaats met kantoor en een personal sportstudio zal het aantal verkeersbewegingen naar verwachting slechts beperkt toenemen.

  • Uitgaande van de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)' gaat het om een toename van maximaal 10,9 verkeersbewegingen in het buitengebied per 100 m² (worst-case scenario). Uitgaande van 150 m² komt dat neer op afgerond 16 verkeersbewegingen.
  • Uitgaande van de categorie 'fitnessstudio/sportschool' gaat het om een toename van 7,0 verkeersbewegingen in het buitengebied per 100 m² (worst-case scenario). Uitgaande van 60 m² komt dat neer op afgerond 4 verkeersbewegingen.

Er zal nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In totaal gaat het derhalve om 20 verkeersbewegingen. In figuur 4.1 is de worst-case berekening weergegeven met 20 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0012.png"

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0013.png" Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van circa 200 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron bevindt zich op een afstand van 200 meter en betreft de Rijksweg A1 aangemerkt als Basisnet-wegtraject met PAG-indicatie. Voor deze weg geldt een groepsrisico-plafond van 74 meter. Gelet op de afstand van het plangebied tot aan de dichtstbijzijnde risicobron geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 20-10-2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. Op grond van de digitale watertoets bijkt dat er geen waterschapsbelang is. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een Quickscan Wet Natuurbescherming en soortenbescherming, zie ook Bijlage 4 Quickscan natuurwaardenonderzoek. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.

Het onderzoek is uitgevoerd door het uitvoeren van meerdere locatiebezoeken en een bureauonderzoek. Het locatiebezoek is uitgevoerd door de heer Kruse.

Tijdens het locatieonderzoek is het plangebied, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Er is zoveel mogelijk informatie verzameld om aan-of afwezigheid van beschermde soorten te kunnen vaststellen. Hiervoor is gekeken of er visuele waarnemingen konden worden gedaan of dat geluiden van soorten konden worden waargenomen. Tijdens het bezoek is gekeken naar nesten, pootafdrukken, krabsporen uitwerpselen en dergelijke.

Op basis van het locatieonderzoek is een goed beeld ontstaan van welke beschermde flora en fauna in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. De quickscan is echter geen volwaardig (soorten) onderzoek of ecologische inventarisatie.

Er hebben 8 veldbezoeken op de planlocatie en de naaste omgeving plaatsgevonden vanaf 12 april telkens om de 2 weken. Er werd op verschillende tijdstippen in de vroege ochtend gewerkt om zoveel mogelijk zangvogels te kunnen waarnemen.

Beoordeling Wet natuurbescherming

  • Vogels: Er zijn geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten. Effecten op jaarrond beschermde soorten (Cat. 1 t/m 4) zijn uitgesloten. De omgeving stimuleert het gebruik door vogels. De houtwallen zijn talrijk en goed onderhouden. Verder wordt met kunstnesten en de vorming van plas drasgebieden de vogelstand ondersteund. Periode werkzaamheden zullen beginnen buiten het broedseizoen en hebben daarmee geen invloed op de broedmogelijkheden.
  • Vleermuizen: Er zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied. De voorgenomen ingreep zal niet voor aantasting van het fourageergebied of vliegroutes zorgen. Effecten op vleermuizen zijn uitgesloten.
  • Overige grondgebonden zoogdieren: Er zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied van grondgebonden zoogdieren. Ook na de ingreep zal de omgeving geschikt blijven voor genoemde soorten. Effecten op zoogdieren zijn uitgesloten.
  • Reptielen, amfibieën en vissen: 
    • 1. Reptielen: Er zijn geen reptielen waargenomen. Effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.
    • 2. Amfibieën: Effecten zijn vanwege de afstand tot de geschikte habitat in het plangebied uitgesloten.
    • 3. Vissen: Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied uitgesloten.
  • Vlinders, libellen en juffers:
    • 1. Dagvlinder: Effecten zijn vanwege de afstand tot de geschikte habitat in het plangebied uitgesloten.
    • 2. Libellen en juffers: Effecten zijn vanwege de afstand tot de geschikte habitat in het plangebied uitgesloten.
  • Vaatplanten: In het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten.
  • Overige diersoorten: Effecten zijn vanwege de afstand tot de geschikte habitat in het plangebied uitgesloten.

Conclusie

Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen aanvangen en de aanbevelingen uit tabel 8 worden uitgevoerd, dan kunnen effecten op broedvogels voorkomen worden en is er voor vogels geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk. In de tabel zijn de effecten samengevat

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0014.png" Figuur 4.4: overzicht conclusies (bron: Quickscan wet natuurbescherming, 19 oktober 2020)

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Het plangebied ligt op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart in een gebied met een hoge- en lage archeologische verwachtingswaarde, zoals weergegeven is in figuur 4.5. Het plangebied kent op basis hiervan dan ook deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Een ander deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0015.png" Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: BAAC en gemeente Hof van Twente)

Op basis van de archeologische verwachtingskaart kent het plangebied, rood omkaderd, een hoge- en lage archeoligsche verwachting. Voor het gebied met een hoge verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2500 m². Voor het gebied met een lage verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 hectare.

Toets

Er vinden in het plangebied geen bodemingrepen plaats over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm, archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxProodsweg7-VS10_0016.png" Figuur 4.4: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Overijssel)

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle structuren en elementen bevinden. Op korte afstand bevindt zich wel de grens van een landgoedzone en enkele bos percelen. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer / parkeren

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Proodsweg. De Proodsweg is een rustige weg in het buitengebied met een maximale snelheid van 60 km/h.

Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-normen die zijn opgenomen in CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). Voor de twee functies zijn de volgende uitgangspunten aangehouden:

  • Uitgaande van de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)' gaat het om een toename van maximaal 10,9 verkeersbewegingen in het buitengebied per 100 m² (worst-case scenario). Uitgaande van 150 m² kom dat neer op afgerond 16 verkeersbewegingen.
  • Uitgaande van de categorie 'fitnessstudio/sportschool' gaat het om een toename van 7,0 verkeersbewegingen in het buitengebied per 100 m² (worst-case scenario). Uitgaande van 60 m² komt dat neer op afgerond 4 verkeersbewegingen.

Er zal nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In totaal gaat het derhalve om 20 verkeersbewegingen. Gelet op de huidige infrastructuur (Proodsweg) kan deze toename aan verkeersbewegingen eenvoudig via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Parkeren

Om het aantal parkeerplaatsen als gevolg van het plan te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-normen die zijn opgenomen in CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). De volgende uitgangspunten zijn aangehouden:

  • Uitgaande van de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)' gaat het om 2,6 parkeerplaatsen in het buitengebied per 100 m². Uitgaande van 150 m² komt dat neer op afgerond 4 parkeerplaatsen.
  • Uitgaande van de categorie 'fitnessstudio/sportschool' gaat het om 7,9 parkeerplaatsen in het buitengebied per 100 m². Uitgaande van 60 m² komt dat neer op afgerond 5 parkeerplaatsen.

De totale parkeerbehoefte bedraagt derhalve afgerond 9 parkeerplaatsen. Op het erf is voldoende ruimte om in de benodigde parkeerbehoefte te voorzien. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels en gebruiksregels ) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

  • Wonen - Vab

De gronden in dit bestemmingsplan met de bestemming wonen zijn bestemd voor maximaal één woning per bestemmingsvlak, waarbij inwoning is toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'personal sportstudio' is een personal sportstudio als nevenactiviteit toegestaan. De maximale oppervlakte van bebouwing die in gebruik mag zijn voor een personal sportstudio mag maximaal 60 m² bedragen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van - opslag' is tevens opslag ten behoeve van een werkplaats en kantoor toegestaan. Deze mag maximaal 150 m² bedragen.

In de bouwregels zijn de voor alle bouwwerken van toepassing zijnde bouwregels opgenomen. In de regels is onderscheid gemaakt in de bouwregels voor hoofdgebouwen en ondergeschikte gebouwen.

  • Waarde - Archeologische verwachting 1

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

  • Waarde - Archeologische verwachting 3

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 5, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen
Op 29-01-2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 6 januari 2022 tot en met 17 februari 2022 ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Op grond van de bevindingen naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De reactie op de zienswijze is opgenomen in Bijlage 5.