| Plan: | Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BGxDeldnsstr158160-VS10 |
Voor de locatie 'Deldensestraat 158-160' in Goor is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer wil een nieuwe woning toevoegen aan een bestaand erf gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Om dit mogelijk te maken wil de initiatiefnemer gebruik maken van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente.
De rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente is in het leven geroepen om de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te verbeteren. Dit wordt gedaan door landschapsontsierende bedrijfsgebouwen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente te slopen. In ruil voor de sloop van de agrarische gebouwen krijgt de sloper recht op een bouwkavel.
Doordat de betreffende gronden, dus de plek waar de nieuwe schuurwoning wordt beoogd, niet de juiste planologische mogelijkheden (bouw- en gebruiksmogelijkheden) hebben, past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Omdat het vigerende bestemmingsplan geen relevante afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden bevat om de ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied bestaat uit het perceel aan de Deldensestraat 158-160 in Goor. Het plangebied ligt op circa 210 meter ten noordoosten van de kern Goor. Binnen het plangebied komen de percelen voor die kadastraal bekend staan als gemeente Goor, sectie A en perceelnummer 4052. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 750 m². In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied middels een rode ster weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: pdok viewer).
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 globaal weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto opgenomen waarop het plangebied te zien is. Het plangebied wordt aan alle zijden (noord, oost, zuid en west) begrensd door agrarische weilanden en door een aantal woonfuncties. Verderop liggen enkele bedrijfsfuncties en een camping. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: pdok viewer).
Voor het plangebied, zoals in figuur 1.2 weergegeven, geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente 2019' vastgesteld op 15 oktober 2019 door de gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente. In figuur 1.3 is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van dit bestemmingsplan. Het plangebied is globaal weergegeven middels een rode pijl.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019' (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Aan het plangebied is de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' toegekend, eveneens de dubbelbstemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en verwachting 3' en de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied en vrijwaringszone - radar'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor het behoud van de aanwezige landschapswaarden zijnde: beeldbepalende landschapselementen, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, natuur en waterhuishouding. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, de uitoefening van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, het hobbymatig agrarisch gebruik buiten het bouwvlak, het bestaande en legale aantal bedrijfswoning(en), de bestaande en legale nevenactiviteiten, aan huis verbonden beroepen, bed & breakfast, extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, de bestaande nutsvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen, ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen bestemmingen en met bjibehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven.
Op de tot 'Agrarisch met waarden' bestemde gronden mogen bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen, bedrijfswoningen en recreatiewoningen gebouwd worden. Tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen zowel in het bouwvlak, direct aansluitend aan het bouwvlak als buiten het bouwvlak gerealiseerd worden.
Het voornemen is om een nieuwe schuurwoning te bouwen ten behoeve van regulier woongebruik op de tot 'Agrarisch met waarden' bestemde gronden. Gelet op de bouw- en gebruiksmogelijkheden kan ter plaatse van de beoogde plek voor de schuurwoning geen reguliere woning gebouwd worden. Dit omdat de gronden geen bouwvlak hebben en regulier wonen niet past binnen de gebruiksmogelijkheden van de gronden. Door het ontbreken van relevante afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019' is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is er aan de Deldensestraat 158-160 in Goor sprake van een woonerf met bijbehorende bouwwerken. De erf is gelegen aan de Deldensestraat, via waar de ontsluiting van het erf plaatsvindt en van de beoogde schuurwoning zal plaatsvinden. Het parkeren geschiedt op eigen terrein en ter plaatse van de beoogde schuurwoning is voldoende ruimte om extra/nieuwe parkeerplaatsen te realiseren. De erf wordt begrensd door agrarische weilanden en woonfuncties. Verderop zijn nog enkele bedrijfsfuncties en een camping gelegen. In onderstaande afbeeldingen is het erf nader in beeld gebracht door middel van een vogelaanzicht en streetviews.
Figuur 2.1: Vogelaanzicht van Deldensestraat 158-160 Goor (bron: Cyclomedia).
Figuur 2.2: Streetview van Deldensestraat 158-160 Goor (bron: Cyclomedia).
De initiatiefnemer wil op het bestaande erf aan de Deldensestraat 158-160 in Goor een nieuwe schuurwoning bouwen. De schuurwoning krijgt een maximale bouwhoogte van circa 8 meter en bestaat uit een beganegrond waar de woonkamer, badkamer, keuken, slaapkamer, berging en entree/hal worden gesitueerd en op de verdieping logeerkamer/techniek kamer, slaapkamers, badkamer en een overloopruimte. De totale gebruiksoppervlakte van de woning bedraagt circa 200 m². In onderstaande afbeeldingen is de ontwerptekening van de beoogde schuurwoning en een algehele impressie van de woning opgenomen.
Figuur 2.4: Ontwerptekening van de schuurwoning (bron: initiatiefnemer).
Figuur 2.5: Algehele impressie van de te bouwen schuurwoning (bron: initiatiefnemer).
Zoals reeds beschreven wordt voor de voorgenomen ontwikkeling de gemeentelijke rood voor rood regeling toegepast. De bedoeling van de rood voor regeling is kort gezegd dat de gemeente Hof van Twente voor de sloop van minimaal 1.000 m² aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen een bouwkavel voor een woning kan toekennen. De inhoud van de woning mag maximaal 750 m³ bedragen en er dient te worden voldaan aan de algemene welstandcriteria. Voor het afwijken van het welstandsbeleid dient er een beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld. Als gevolg van de rood voor rood ontwikkeling dient de ruimtelijke kwaliteit van alle betrokken locaties te zijn gewaarborgd. Dit moet worden gedaan door middel van een erfinrichtingsplan.
De initiatiefnemer beschikt over 5 sloopvouchers, samen goed voor het verkrijgen van één bouwkavel. Deze vouchers kunnen op verzoek bij de initiatiefnemer worden opgevraagd. De realisatie van de schuurwoning wordt landschappelijk ingepast. Voor het borgen van de landschappelijke inpassing is een erfinrichtingsplan opgesteld, zie Bijlage 1. In figuur 2.6 is hier een fragment van weergegeven.
Figuur 2.6: Fragment erfinrichtingsplan (bron: Ad Fontem).
Het erf aan de Deldensestraat 158-160 te Goor ligt in een landschap met verspreide liggende erven behorende bij de ontgininingen in het gebied Gijminkshoek. De erven in het 'oude hoevenlandschap' werden ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze op hoger gelegen gronden in het landschap die individueel werden ontgonnen. Deze kleine schaal van ontginning leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Een samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en - voormalige - heidevelden met lijnen in het landschap, geaccentueerd met begroeiing, die die de 'organische' vormen volgen. De landschapselementen volgen deze lijnen in het landschap. Door andere landbouwmethoden, prikkeldraad, ruilverkaveling en het gebruik van kunstmest zijn veel van deze houtwallen en bosschages verdwenen.
De nieuwe woning zal qua hiërarchie op het erf ondergeschikt worden aan het hoofdgebouw aan de noordzijde van het erf. De woning heeft een opzichzelf staande kavel maar heeft een ruimtelijke relatie met de overige bebouwing. Erfbeplanting is streekeigen, inheems, versterkt het karakter van het erf en sluit aan op bestaande landschapselementen.
Op het erf worden diverse beplantingsmaatregelen getroffen om de nieuwe situatie in te passen, passend in het oude hoevenlandschap. De perceelsgrenzen zijn grotendeels reeds voorzien van houtsingels die worden versterkt. Diverse solitaire bomen en heesters markeren het erf en benadrukken het kleinschalige karakter. De nieuwe aanplant sluit aan op de reeds gemaakte plannen van het westelijk naastgelegen perceel en de onlangs aangeplante bomen door initiatiefnemer. Een hagenstructuur wordt aangebracht als markering van de kavelgrenzen en draagt bij aan de herkenbaarheid van het erf. Geacht wordt hiermee dat de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk goed en zorgvuldig wordt ingepast.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van één woning in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Zoals hierboven beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de navolgende paragrafen wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het provinciale beleid. Daarin wordt aangetoond dat het past binnen het provinciale beleid ten aanzien van wonen. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid
Geacht wordt hiermee dat voorliggend plan in overeenstemming is met de prioriteiten van de NOVI en er geen rijksbelangen worden geraakt.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan
Voorliggend plan heeft betrekking op de bouw van een nieuwe schuurwoning in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, nabij de kern Goor. De realisatie van de schuurwoning wordt mogelijk gemaakt middels de rood voor rood regeling van de gemeente. De initiatiefnemer heeft vijf sloopvouchers in bezit die hij zal inzetten voor het verkrijgen van een bouwkavel aan de Deldensestraat 158-160 in Goor.
Op basis van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2015:2921 en ECLI:NL:RVS:2015:953) blijkt dat woningbouwontwikkelingen pas tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt, wanneer er meer dan 11 woningen worden toegevoegd. In onderhavig plan wordt er één woning toegevoegd. Geacht wordt hiermee dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de woning wordt toegevoegd met toepassing van de gemeentelijke rood voor regeling, waarbij elders in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente landschapsontsierende bedrijfsgebouwen zijn gesloopt. Per saldo is er dus geen sprake van een extra ruimtebeslag en wordt de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied van de gemeente verhoogd.
Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). In de navolgende paragrafen (zie paragraaf 3.2 en 3.3) wordt de ontwikkeling zowel getoetst aan provinciaal als gemeentelijk beleid getoetst en wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die een rol spelen bij de voorliggende ontwikkeling en wordt getoetst of er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op voorhand worden voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan geen belemmeringen verwacht.
Gelet op het feit dat in het onderhavige plan:
kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.
artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
lid 2
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwe schuurwoning mogelijk aan de Deldensestraat 158-160 in Goor. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, waardoor er in principe nieuw ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving. Echter wordt de nieuwe woning mogelijk gemaakt middels de toepassing van de gemeentelijke rood voor rood regeling. De initiatiefnemer beschikt over vijf sloopvouchers die hij gaat inzetten voor het verkrijgen van een bouwkavel. Per saldo wordt er meer gesloopt dan dat er teruggebouwd wordt, dus kan worden gesteld dat er geen sprake is van een toename in het ruimtebeslag. Verder wordt de schuurwoning landschappelijk goed ingepast en wordt de woning gebouwd op een bestaand erf. Geacht wordt hiermee dat er voldaan wordt aan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
Naar aanleiding van het plan worden vijf sloopvouchers ingezet voor het verkrijgen van een bouwkavel. Met de bouw van een nieuwe woning die landschappelijk wordt ingepast en de sloop van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen wordt de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied verhoogd.
artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Doorwerking voor voorliggend plan:
De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is in onderhavig geval niet van toepassing, aangezien de ontwikkeling aangemerkt kan worden tot een kleinschalige ontwikkeling. Daarnaast wordt met de toepassing van de gemeentelijke rood voor rood regeling en landschappelijke inpassing reeds een tegenprestatie geleverd.
artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen
lid 1
Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.
lid 2
In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien.
lid 3
In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken.
lid 4
De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.
lid 5
Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten.
lid 6
In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
Doorwerking voor voorliggend plan:
In paragraaf 3.3 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de woonvisie c.q. woningbouwprogramma van de gemeente Hof van Twente. Daarbij wordt tevens ingegaan op de behoefte aan nieuwe woningen binnen de gemeente. Geacht wordt daarmee dat voldaan wordt aan artikel 2.2.2 uit de omgevingsverordening van provincie Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Gezien de ligging van het plangebied, zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, plangebied globaal aangegeven met een rode markering, (Bron: provincie Overijssel).
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Met name de verschuiving van eenzijdige volumeproductie en kostprijsreductie naar specialisatie en omgevingsgericht ondernemen in de landbouw is hier kansrijk voor het behouden van een sterke concurrentiepositie. Waardevermeerdering ontstaat door het benutten van de specifieke gebiedskwaliteiten, en van het maatschappelijk draagvlak voor kwaliteitsproductie en -producten. Ook verbreding van economische activiteiten op het erf, bijvoorbeeld met zorg, recreatie of landwinkels, krijgt de ruimte. Door directe verkoop bij de boer ontstaan korte ketens en meer waardering voor het agrarisch product.
In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
Naar aanleiding van het plan wordt een nieuwe schuurwoning op een bestaand erf gerealiseerd. De schuurwoning wordt landschappelijk goed en zorgvuldig ingepast. Om de landschappelijke inpassing te borgen, is een erfinrichtingsplan opgesteld. De beoogde ontwikkeling zal dus geen belemmeringen opleveren voor het landschap en het eigen karakter van het gebied/erf. Daarnaast wordt met de beoogde woonfunctie geen belemmeringen verwacht voor agrarische functies in de omgeving van het plangebied.
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de ambities van het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.
Gebiedskenmerken
Op voorhand kan worden opgemerkt dat de gebiedskenmerken van de stedelijke laag niet binnen het plangebied zichtbaar zijn, waardoor deze laag buiten beschouwing is gelaten. Dit omdat het plangebied gelegen is in het buitengebied op een braakliggend stuk grond waar de gronden nog niet bebouwd zijn. De laag van de beleving (lust- leisurelaag) is eveneens niet zichtbaar en is deze laag tevens buiten beschouwing gelaten.
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel).
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Als ontwikkelingen plaatsvinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)-richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
De kenmerken van de natuurlijke laag, hoog en laag, zijn in de omgeving goed zichtbaar. Echter wel vervlakt door de landbouw. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kenmerken van de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevelandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel).
De kenmerken van het oude hoevenlandschap zijn verspreide erven. Het landschap werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Het oude hoevenlandschap kent dezelfde opbouw als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant.
Als er ontwikkelingen plaatsvinden, dan dragen deze bij aan het behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. Ontwikkelingen vergroten daarnaast de toegankelijkheid van erven en erfroutes.
De nieuwe woning zal qua hiërarchie op het erf ondergeschikt worden aan het hoofdgebouw aan de noordzijde van het erf. De woning heeft een opzichzelf staande kavel maar heeft een ruimtelijke relatie met de overige bebouwing. Erfbeplanting is streekeigen, inheems, versterkt het karakter van het erf, sluit aan op bestaande landschapselementen en is dus conform de gebiedskenmerken van het oude hoevenlandschap. Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling hiermee geen afbreuk doet aan de kenmerken van de laag van het agrarische cultuurlandschap.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Algemeen
In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 10 is voornamelijk van belang. Deze wordt hierna behandeld.
Streefbeeld: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld
Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden.
De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend.
Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.
Toets en conclusie
Middels de voorgenomen ontwikkeling wordt er bijgedragen aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied, omdat landschapsontsierende bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en de vouchers daarvan worden ingezet voor het verkrijgen van een bouwkavel waarop een nieuwe schuurwoning wordt gebouwd die landschappelijk wordt ingepast. Gelet erop dat de ontwikkeling gekoppeld wordt met het landschap, kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als bedoeld in de 'Hof van Twente, zicht op 2030'.
In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal.
De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.
De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:
Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen mede- werking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Dit hangt ook samen met het beschermen van agrarische bedrijvigheid tegen beperkingen die uit de nabijheid van woningen voortkomen.
Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van ruimteijke kwaliteit plaatsvindt. Dit beleid is uitgewerkt in de beleidsregel Rood voor Rood met gesloten beurs. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing.
Toets en conclusie
Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe schuurwoning mogelijk gemaakt door toepassing van de gemeentelijke rood voor rood regeling, waarbij vijf sloopvouchers worden ingezet voor het verkrijgen van een bouwkavel op een bestaand erf aan de Deldensestraat 158-160 in Goor. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld waarin de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling wordt geborgt. Geacht wordt hiermee dat onderhavige ontwikkeling binnen het streefbeeld als bedoeld in de 'Structuurvisie Landelijk Gebied' past.
De gemeente Hof van Twente heeft voor de periode 2021-2025 een nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met bewoners, woningcorporaties, zorginstellingen, makelaars en met de gemeenteraad van gemeente Hof van Twente. Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente Hof van Twente op het gebied van wonen (o.a. versnelling van de woningbouwproductie, meer betaalbare woningen realiseren en waarborgen van leefbaarheid en vitaliteit in de kernen en het buitengebied etc.). De gemeente Hof van Twente heeft gekozen voor een woonvisie waarin doelstellingen niet 'in beton gegoten zijn'. Zo wordt bijvoorbeeld ruimte gehouden om in te spelen op constante veranderingen op de woningmarkt.
Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van circa 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. De oplopende woningbehoefte vraagt om voortdurende aandacht en om concrete acties. Versnelling van de nieuwbouw in de kernen en het buitengebied is nodig om te voorzien in de woningbehoefte. Daarbij zorgt de gemeente voor een evenwichtige verhouding in nieuwbouw voor nieuwkomers en de lokale bevolking. Voor het buitengebied van de gemeente Hof van Twente geldt een woningprogramma van tussen de 160 tot 165 woningen.
Bij de realisatie van een nieuwe woning dient de woning bij de locatie passend te zijn. Per locatie wordt daarom bepaald welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt allereerst ingezet op transformatie, inbreiding, en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt tevens gezorgd voor verdichting. Verder is het van belang dat er duurzaam wordt gebouwd (o.a. energieneutraal bouwen, klimaat adaptief bouwen en duurzame bouwmaterialen). De gemeente wil in de komende jaren een inhaalslag maken om het aanbod in alle segmenten te vergroten. Hierbij wordt de nadruk voornamelijk gelegd op het toevoegen van meer middenhuur en betaalbare koop in alle kernen en het buitengebied.
Afwegingskader voor woningbouwplannen
Bij het beoordelen van nieuwbouwplannen wordt het afwegingskader voor nieuwbouw opgenomen als bijlage 1 bij de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 gebruikt. Dit kader geeft aan op welke criteria woningbouwplannen worden getoetst. In figuur 3.5 is daar een fragment van weergegeven.
Figuur 3.5: Afwegingskader voor woningbouwplannen in gemeente Hof van Twente (bron: Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025).
Toets en conclusie
Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwe schuurwoning in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente mogelijk. Voor het buitengebied bestaat er in de periode van 2021-2025 een woningbehoefte van tussen de 160 tot 165 woningen. Met de realisatie van de woning kan daaraan worden bijgedragen. De woning zal worden gerealiseerd op een bestaand erf en zal landschappelijk worden ingepast. De nieuwe woning zal voldoen aan de eisen van het bouwbesluit, wat onder andere inhoudt dat de woning gasloos moet worden gebouwd en 'bijna energie neutraal' (BENG) moet zijn. De woning kan in de toekomst indien noodzakelijk eenvoudig volledig energie neutraal worden gemaakt.
Gelet op dat de realisatie van een nieuwe woning in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente binnen het woningprogramma voor het buitengebied past, landschappelijk wordt ingepast, voldoet aan duurzaamheideisen en toekomstbestendig is, wordt geacht dat voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met de woonvisie van de gemeente Hof van Twente.
Algemeen
De gemeente Hof van Twente staat voor een enorme opgave als het gaat om het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tot 2030 komt naar verwachting meer dan 300.000 m2 aan agrarische bebouwing leeg te staan. Deze vrijkomende erven bieden volop kansen voor nieuwe ontwikkelingen.
Om een objectieve en eenduidige toepassing van instrumentarium mogelijk te maken is een duidelijke integrale benadering van nieuwe initiatieven van belang. In het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is een aantal regelingen opgenomen die ontwikkelingen in het buitengebied eenvoudig mogelijk maken en het versterken van ruimtelijke kwaliteit (sloop en nieuwe functies) als doel hebben. Voor grootschalige projecten is echter een bestemmingsplanprocedure (herziening of wijziging) nodig.
In voorliggend geval is een herziening van het bestemmingsplan benodigd. De beleidsnotitie 'grond voor gebruik' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het VAB-beleid, Rood voor Rood beleid, beleid omtrent veldschuren, landgoederen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied en de sloopvoucher-regeling. In dit geval zijn de kaders omtrent het Rood voor Rood beleid van belang.
Rood voor Rood
Het doel dat de gemeente voor ogen heeft is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Dit doel is onder andere te bewerkstelligen door de sloop van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen. De regeling Rood voor Rood gaat uit van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De maximale inhoud van de te realiseren woning op de compensatiewoning bedraagt 750 m3. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend aan de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen.
De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw is 150 m2.
Toets en conclusie
De initiatiefnemer heeft vijf sloopvouchers die hij wil inzetten voor het verkrijgen van een bouwkavel, als bedoeld in de beleidsnota 'Grond voor gebruik'. De gezamenlijke sloopoppervlakte van de vouchers bedraagt 1.018 m²:
Aan de minimum sloopvereiste van 1.000 m² voor het verkrijgen van een bouwkavel wordt derhalve voldaan. Volgens de beleidsnota' Grond voor gebruik' dient de bouwkavel bij voorkeur gesitueerd te zijn waar het meest wordt gesloopt. In dit geval komen de meeste sloopmeters van de slooplocatie aan de Kooidijk 7 te Markelo. De initiatiefnemer wil echter een bouwkavel aan de Deldensestraat 158-160 in Goor. De gemeente Hof van Twente kan bij bepaalde gevallen een uitzondering geven voor de situering van de bouwkavel. Bijvoorbeeld wanneer bestaande erven en bebouwingstructuren zoals lintbebouwing worden versterkt. Aangezien de initiatiefnemer de nieuwe schuurwoning op een bestaand erf aan de Deldensestraat 158-160 in Goor wil bouwen en de woning landschappelijk wordt ingepast, wordt geacht dat het erf wordt versterkt en de situering van de bouwkavel elders dan de slooplocatie wenselijk is.
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling aan de beleidsnota 'Grond voor gebruik' voldoet.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets en conclusie
Er wordt middels dit bestemmingsplan één compensatiewoning in het kader van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente aan de Deldensestraat 158-160 mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch met waarden.
Woningbouw kan in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage geschaald worden bij 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Wanneer een project in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage benoemd wordt en de drempelwaarden niet worden overschreden, dan bestaat er geen m.e.r.-plicht maar een m.e.r.-beoordelingsplicht.
In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd:
“Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt dus af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.
Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).
Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien het plan betrekking heeft op de toevoeging van slechts één woning op agrarische gronden, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel.
Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft er geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering
Toets en conclusie
In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied', aangezien het plangebied in het buitengebied gelegen is.
Het plangebied is gelegen aan de Deldensestraat 158-160 in Goor (buitengebied), waardoor de richtafstanden van de 1e kolom uit figuur 4.1 dienen te worden gebruikt. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig en een agrarische bestemming (Deldensestraat 115 aanwezig waar zowel een grondgebonden agrarisch bedrijf als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf kan vestigen. Voor wat betreft agrarische functies moeten voor het aspect 'Geur' niet de richtafstanden van de VNG-uitgave te worden gehanteerd, maar de wettelijke afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Of hieraan voldaan kan worden, wordt in paragraaf 4.3 nader op ingegaan.
Zoals reeds hiervoor beschreven dient bij de realisatie van nieuwe een nieuwe bestemming gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemming gerealiseerd wordt gerealiseerd. Daarbij spelen twee vragen een rol:
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
In het voorliggende geval wordt er één nieuwe woning gerealiseerd. De hierbij behorende functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, waardoor geen sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.
Nabij het plangebied bevinden zich, zoals vermeld, voornamelijk woonfuncties en een agrarische bestemming met bouwblok waar zowel een niet-grondgebonden als een grondgebonden agrarisch bedrijf zich kan vestigen. De woonfuncties zijn geen milieubelastende functies, waardoor een toesting achterwege kan blijven. Voor de agrarische bestemming met bouwblok geldt voor het aspect 'Geur' de wettelijke afstanden. Zoals reeds aangegeven worden deze in de navolgende paragraaf (4.3) behandeld. Voor de overige aspecten (stof, geluid, gevaar) kunnen de richtafstanden van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' worden gehanteerd. Aan de Deldensestraat 115 ligt een agrarisch bedrijf dat zich bezig houdt met het fokken van melk en rundvee. Derhalve wordt in de VNG uitgave uitgegaan van 'fokken en houden van rundvee (SBI-2008 0147)', waarbij de volgende richtafstanden gelden:
De afstand tussen de bestemmingsgrens van de agrarische bestemming met bouwblok en het plangebied bedraagt circa 140 meter. Gelet op dat alle drie geadviseerde richtafstanden ruimschoots worden behaald, kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de beoogde woning voor zover het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect 'Milieuzonering' worden dan ook geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie
In de nabije omgeving is een agrarische bestemming met een agrarisch bouwblok gelegen. Het is niet bekend welke soort agrarisch bedrijf hier gevestigd is. Op basis van de Wgv dient er ten minste 50 meter te bestaan tussen een agrarische functie en een geurgevoelig object, indien het laastgenoemde buiten de bebouwde kom is gelegen. Daar is sprake van, aangezien in onderhavig geval het plangebied in het buitengebied is gelegen.
De onderlinge afstand tussen de toekomstige geurgevoelige objecten (woningen) en de agrarische functies bedraagt circa 140 meter. Aangezien deze afstand bijna drie keer groter is dan de wettelijke afstand, wordt er voldaan aan de Wgv.
Vanuit het aspect 'Geur' zijn er dan ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets en conclusie
Het voornemen is om op het bestaande erf aan de Deldensestraat 158-160 in Goor een schuurwoning te bouwen. Omdat er een nieuwe verblijfsfunctie worden opgericht en niet bekend is of de gronden daartoe geschikt zijn, is een bodemonderzoek noodzakelijk om de milieu-hygiënische bodemkwaliteit te onderzoeken.
Op 20 december 2021 heeft Kruse Milieu BV een verkennend (asbest)bodem onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. De conclusies worden hieronder besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 2.
Resultaten veldwerk
In totaal zijn er 6 inspectiegaten gegraven, waarvan 2 boringen zijn doorgeboord tot grondwaterstand. Eén diepe boring is afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (puin). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 0.95 m-mv.
Resultaten analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Hypothese
De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er een overschrijding van de streef- en tussenwaarden zijn aangetoond.
De hypothese "asbestverdachte locatie" kan worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.
Conclusies en aanbevelingen
In het grondwater (PB 1) zijn lichte en een matige veronteiniging aangetoond. Voor een
beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in het bodemonderzoek opgenomen in Bijlage 2 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond (OG I) zijn geen verontreinigingen gemeten.
Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel. Omdat de onderzoekslocatie niet verdacht is voor nikkel en in de vaste bodem geen verontreinigingen met nikkel is aangetoond, wordt het matig verhoogde nikkelgehalte, met instemming van de gemeente Hof van Twente, beschouwd als een plaatselijk verhoogde achtergrondwaarde. Aanvullend of nader grondwateronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 bevat asbest, maar het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Slotconclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en het nieuwbouwplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Vanuit het aspect 'Bodem' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Toets en conclusie
Wegverkeerslawaai
Op grond van het artikel 74 van de Wgh bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
Deze zonering geldt niet:
Het plangebied is gelegen aan de Deldensestraat in Goor. Deze weg betreft een weg met twee rijstroken gelegen in buitenstedelijk gebied, waar een maximumsnelheidsregime van 50 km/u geldt. Op basis van de Wgh is er langs deze weg een geluidszone aanwezig die aan weerszijde een breedte heeft van 250 meter. Aangezien het plangebied binnen deze geluidszone valt, is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk.
Op 3 december 2021 heeft Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht. Dit onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Uit het onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de relevante wegen niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 44 dB, inclusief de wettelijke dB aftrek ten gevolge van zowel de Rondweg (N346) als de Deldensestraat. Daarmee voldoen de geluidbelastingen niet aan de ambitiewaarde uit het geluidbeleid maar wel ruimschoots aan de plafondwaarde. Uit de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting blijkt dat de 53 dB om te voldoen aan het minimale binnenniveau uit het Bouwbesluit niet wordt overschreden. Extra geluidwerende voorzieningen zijn niet noodzakelijk.
Railverkeerslawaai
Ten zuiden van het plangebied is een spoorweg gelegen. De onderlinge afstand bedraagt circa 480 meter, gemeten vanuit het midden van de spoorweg tot aan het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van deze spoorweg. Derhalve is een onderzoek naar railverkeerslawaai niet noodzakelijk.
Industrielawaai
In de directe omgeving van het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig, waarvoor richtafstanden gelden. Voor wat betreft milieuzonering is in paragraaf 4.2 aangetoond dat de geadviseerde richtafstanden ruimschoots worden behaald en ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve is een onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect 'Geluid' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets en conclusie
Voorliggend plan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk. Het plangebied is gelegen aan een enkele ontsluitingsweg. Dit betekent dat projecten/plannen die maximaal 1500 nieuwe woningen realiseren aangemerkt worden tot projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Aangezien in onderhavig geval het gaat om slechts één woning, kan worden geconcludeerd dat onderhavig plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omdat de grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland afkomstig is van het wegverkeer, is door middel van de NIBM-Tool tevens een worst-case berekening gemaakt om te laten zien dat de bijdrage aan de luchtverontreiniging door de extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning niet in betekenende mate is.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de woning op maximaal 8,6 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Dit is de maximale dagelijke verkeersgeneratie bij een vrijstaande woning gelegen in het buitengebied. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op nihil gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 8,6 extra voertuigbewegingen. De conclusie van de berekening is dat de extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning aan te merken is als niet in betekenende mate.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer als gevolg van de
nieuwe woning (bron: infomil.nl).
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Risicokaart
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets en conclusie
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart Nederland).
Uit de inventarisatievan de risicokaart zoals weergegeven in figuur 4.3 blijkt dat er in de omgeving van plangebied een aantal risicobronnen zijn gelegen:
Zoals te zien is valt het plangebied buiten de invloedssferen van de genoemede risicobronnen. Gelet op dat het plangebied zich op een ruim grote afstand bevindt van de genoemde risicobronnen, wordt geacht dat er vanuit deze risicobronnen geen gevaren kunnen ontstaan plangebied. Verder bevindt het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Vanuit het aspect 'Externe veiligheid' worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
Waterbeheerplan 2016-2021
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoetsproces
Op 15-11-2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 2. Door de beantwoording van de vragen is naar voren gekomen dat de normale waterprocedure doorlopen dient te worden. Dit houdt in dat er bij een verdere planvorming een advies van het waterschap Vechtstromen moet worden verkregen.
Het waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat deze waterparagraaf aan de hand van de uitgangspuntennotitie van waterschap Vechtstromen, die als leidraad dient bij het doorlopen van het watertoetsproces, nader te worden uitgewerkt op de van toepassing zijnde thema's. Dit omdat bij het uitvoeren van de watertoets de kaarten met normering van gewijzigd en huidig klimaat zijn geraakt. Dit betekent dat bij het huidige en gewijzigde klimaat het huidige maaiveldniveau onder water kan komen te staan. Het perceel zal voldoende moeten worden opgehoogd om deze wateroverlast te voorkomen. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de woning 30 cm boven straatpeil aan te brengen en een drooglegging van groter dan 80 cm boven GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) aan te houden. Verder zal er een waterberging van 55 mm/m2 verhard oppervlak moeten worden aangelegd in de vorm van een wadi of retentievijver of andere vorm van waterberging met vertraagde afvoer naar oppervlaktewater (perceelssloot of bermsloot. Het afvalwater kan aangesloten worden op het aanwezige drukriool. Aandachtpunt hierbij is nadere afstemming met de gemeente of aansluiting op het aanwezige lozingspunt (pompput drukriool) qua capaciteit mogelijk is.
Wateroverlast
Het vloerpeil van de woning wordt 30 cm boven het straatpeil aangebracht en er wordt een doorlegging van groter dan 80 cm boven GHG aangehouden.
Verwerking hemelwater
Er wordt een wadi aangelegd met een overloop op de bestaande sloot ter plaatse van het plangebied.
Riolering
Voor het lozen van afvalwater zal worden aangesloten op het hogedruk riool van de gemeente Hof van Twente. Hiervoor heeft er afstemming met de gemeente plaatsgevonden.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Toets en conclusie
Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een Quick Scan natuurwaarden die is uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. De Quick Scan is opgenomen als Bijlage 4 in het voorliggende bestemmingsplan. Hieronder worden de conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 4.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied meer gebruiken het wel als foerageergebied. Beschermde amfibieënsoorten bezetten geen (winter)rustplaats in het plangebied en gebruiken het ook niet als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de solitaire loofboom verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits er een broedvogelscan wordt uitgevoerd indien de sloop- en bouwwerkzaamheden c.q. verwijdering van beplanting tijdens de voortplantingsperiode plaatsvinden.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
Volgens het geldende bestemmingsplan kent het plangebied voor een groot deel de dubbelbesteming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en voor een klein deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op deze gronden zijn geen nieuwe gebouwen toegestaan en bestaande legale gebouwen mogen niet worden vergroot. Hiervan kan worden afgeweken middels een omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning is niet nodig wanneer het plangebied niet groter is dan 5.000 m² (verwachting 2) / 10 ha (verwachting 3) of de bodemingrepen niet dieper gaan dan 40 cm beneden het maaiveld. Ook is een omgevingsvergunning niet nodig indien met een archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van de gronden geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn of waneer het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut.
Toets en conclusie
In onderhavig geval bedraagt de oppervlakte van het plangebied circa 750 m². Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning nodig is. Een archeologisch onderzoek is tevens niet nodig. Vanuit het aspect 'Archeologie' worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets en conclusie
Er zijn binnen het plangebied geen benoemenswaardige cultuurhistorische waarden. Vanuit het aspect 'Cultuurhistorie' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Het plangebied wordt ontsloten via de Deldensestraat. Deze weg kent twee rijstroken, heeft een maximumsnelheidsregime van 50 km/u en is gelegen in buitenstedelijk gebied. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie als gevolg van het gebruik van de nieuwe woning, wordt gebruik gemaakt van de 381e CROW publicatie waarin landelijke kengetallen instaan die bij ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan gebruikt kunnen worden.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied en kent een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied met een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad geldt een maximale dagelijkse verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen. Geacht wordt dat de huidige infrastructuur deze verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen. Het aspect 'Verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Het parkeren zal, net als in de huidige situatie, plaatsvinden op eigen terrein. Op basis van de 381e CROW uitgave bedraagt de parkeernorm voor een vrijstaande woning minimaal 2 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in parkeerplaatsen voor de nieuwe woning te voorzien. Geacht wordt hiermee dat het aspect 'Parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Hier staan algemene procedureregels waarin eisen zijn geformuleerd voor het
waarborgen van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan;
Hier staan regels geformuleerd met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing;
De toepasselijkheid van de algemene regels.
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Bestemmingen
Wonen
Deze bestemming is opgenomen om de nieuwe woning aan de Deldensestraat 158-160 in Goor mogelijk te maken. De regels van deze bestemming zijn conform de bepalingen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019' opgenomen.
Op basis van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente mag op de compensatiekavel een woning met een inhoud van ten hoogste 750 m³ gebouwd worden. Bij de woning is een bijgebouw van ten hoogste 150 m² toegelaten. Verder geldt dat de woning landschappelijk moet worden ingepast. Voor het borgen van de landschappelijke inpassing is een erfinrichtingsplan opgesteld. Bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan is derhalve een voorwaardelijke verplichting opgenomen teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van de woning.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1 waardoor vooroverleg niet nodig is.
Waterschap Vechtstromen
Op 07-12-2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is er voldaan aan het verplichte vooroverleg.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 12 januari 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.