direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Buitengebied, Logtsestraat 6 en 6a, Elst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens twee vrijstaande woningen te realiseren na sloop van alle niet-karakteristieke agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel Landgoed Schoonderlogt aan de Logtsestraat 6 in Elst. Door de sloop van de bebouwing ontstaat er een mogelijkheid tot de ontwikkeling van twee woningen. Deze twee woningen zijn voorzien op het achtergelegen perceel aan de Logtsestraat 6 en 6a in Elst waarbij een deel van het agrarische perceel zal worden veranderd tot twee woonfuncties. De twee bedrijfswoningen zijn in een BOPA procedure al omgezet naar burgerwoning, en worden in dit TAM-omgevingsplan opgenomen in het omgevingsplan.

Het voorliggende initiatief is in strijd met het huidige omgevingsplan. Om het verzoek mogelijk te maken is een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan noodzakelijk. De wijziging van het omgevingsplan wordt doorlopen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Logtsestraat ter hoogte van nummers 6 en 6a lokaal bekend als het Landgoed Schoonderlogt. Het perceel is bebouwd en is gelegen in het buitengebied van Overbetuwe, tussen Elst en Valburg. Het perceel heeft een compacte vorm en wordt aan de Logtsestraat ontsloten. De toegangsweg loopt door de woonbebouwing bekend als Logtsestraat 4 en 4a welke onderdeel vormen van één van de monumentale panden van het Landgoed Schoonderlogt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0001.png"
Globale aanduiding locatie van het plangebied aan de Logtsestraat

Het perceel aan de Logtsestraat betreft de recent gesplitste kadastrale percelen bekend als gemeente Elst, sectie M, perceelsnummers 2071, 2072, 2073, en 2074. Binnen het perceel 2072 staan tevens de woningen aan Logtsestraat 4a, 6, en 6a. De percelen 2071 en 2073 zijn opgesplitst voor de toekomstige woningen. Op een klein deel van 2074 komt ook de tweede nieuwe woning te staan. De percelen zijn nu nog in eigendom van de initiatiefnemer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0002.png"

Luchtfoto van de locatie Schoonderlogt en omliggende percelen

Om aan het functieveranderingsbeleid van de gemeente te voldoen worden er agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Momenteel staan er twee grote bedrijfsgebouwen van gezamenlijk ca. 1.500 m² die daarvoor in aanmerking komen. De twee voornoemde grote agrarische bedrijfsgebouwen zijn door de beoogde bedrijfsbeëindiging overtollig en kunnen daarom gesloopt worden. De overige bedrijfsbebouwing is karakteristieke bebouwing die juist behouden blijft.

De woningen aan de Logtsestraat 6 en 6a waren in gebruik als bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf. Door de beëindiging van het bedrijf en de voorziene sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing zijn deze woningen omgezet naar burgerwoning. De omzetting naar burgerwoning voor deze twee bedrijfswoningen is met een BOPA dus reeds mogelijk gemaakt. Deze woningen en aangebouwde karakteristieke schuren zijn (deels) aangewezen als gemeentelijk monument, waardoor het waardevol is om deze te behouden. Door het opnemen van deze burgerwoningen in dit TAM-omgevingsplan zal het gehele agrarische bouwvlak verdwijnen.

1.3 Huidig juridisch-planologisch regime

Ten aanzien van alle gronden is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied Overbetuwe”, welke op 5 maart 2013 werd vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe en onherroepelijk werd door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2014. Het bestemmingsplan is van rechtswege per 1 januari 2024 opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0003.png"
Uitsnede geldend omgevingsplan Buitengebied Overbetuwe

Volgens dit bestemmingsplan rust op de grond de enkelbestemming “Agrarisch”. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan. Ter plaatse van de gasleiding is een dubbelbestemming “Leiding – Gas” opgenomen. Er geldt voor het gehele plangebied een dubbelbestemming “Waarde- Archeologische verwachting 2”. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' van toepassing op het gebied waar onderhavig plangebied zich binnen bevindt. Door deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie


Op het perceel aan de Logtsestraat 6, 6a te Elst is in de bestaande situatie geen agrarisch bedrijf meer actief. Middels een (BOPA)vergunning zijn de twee voormalige bedrijfswoningen als burgerwoning in gebruik genomen. Deze zijn onderdeel van de karakteristieke bebouwing die bij het voormalige agrarische bedrijf behoorde.

De niet-karakteristieke bedrijfsbebouwing ten noorden en oosten gelegen van dit ensemble hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.500 m² en zijn niet meer als agrarische bedrijfsbebouwing in gebruik. Daarnaast is er tussenliggende verharding binnen het bouwvlak aanwezig. Ten westen ligt het entreegebouw van het Landgoed waar de ontsluiting tussendoor loopt en waar twee woningen in gevestigd zijn (Logtsestraat 4 en 4a). Deze meer aan de weg gelegen 'poortwoningen' hebben dan ook al een woonfunctie. Ten noorden van het terrein ligt een watergang die ook als zodanig is bestemd. Ten oosten van het plangebied ligt een gasleiding die momenteel het agrarische bouwvlak doorsnijdt, maar die - door zorgvuldige inpassing van de twee nieuwe woningen buiten de aandachtscontouren, geen hinder zal geven aan de nieuw te realiseren woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0004.png"
Plangebied Logtsestraat 6 en 6a te Elst

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Op basis van het geldende functieveranderingsbeleid hebben de initiatiefnemers de mogelijkheid om na sloop van twee bedrijfsgebouwen (ca. 1.500 m²), twee vrijstaande woningen te realiseren. In de toekomstige situatie zal middels dit TAM-omgevingsplan de bedrijfsbebouwing moeten worden gesloopt, en worden er op deze locatie twee woningen mogelijk gemaakt. Voor de stedenbouwkundige invulling is een inrichtingsschets opgenomen in het landschapsplan:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0005.png"
Inrichtingsplan met landschappelijke inpassing (bron: Oostzee Ontwerp en Omgeving)

Met toepassing van het functieveranderingsbeleid mogen er in ruil voor de sloop van de bedrijfsgebouwen twee woningen terug gebouwd worden. Het voorliggende plan voorziet in het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing door het weghalen van het bouwvlak op deze locatie. Deze te slopen bebouwing is de bebouwing die niet-karakteristiek of als gemeentelijk monument onderdeel is van het landgoed. Deze gebouwen zijn na bedrijfsbeëindiging overtollig en worden derhalve gesloopt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0006.png"
Te slopen agrarische bedrijfsgebouwen op basis van functieveranderingsbeleid

Met toepassing van het functieveranderingsbeleid worden de achtergelegen gronden omgezet naar de functie 'Wonen'. Het bouwvlak voor het agrarische perceel zal op deze plek ook vervallen. Het woonperceel zal landschappelijk worden aangekleed door middel van streekeigen beplanting. De overige gronden rondom het perceel zullen worden ingezet ten behoeve van agrarische gronden (grasland).

Landschappelijke kenmerken en inpassing
De landschappelijke inpassing sluit aan op de waarden en ambities voor deelgebied 9 "Oeverwal Valburg-Homoet" zoals die in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) staan. Het landschapsplan is opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit en de aanwezigheid van natuurwaarden op het perceel te versterken en de biodiversiteit te vergroten.

In het plangebied geven nieuwe solitaire streekeigen bomen diepte aan de tuin en zorgen voor landschappelijke inpassing. De bestaande boomgaard blijft behouden en wordt versterkt met historische fruitrassen. De bestaande knip- en scheerheg (beuk) rondom ensemble Landgoed Schoonderlogt blijft behouden en nieuwe knip- en scheerheggen en natuurlijke struweelhagen zorgen voor landschappelijke inpassing van de nieuwe woonkavels. De landerijen van boerderij Schoonderlogt waren vroeger ingericht als akkers, boomgaarden, weide (veeteelt) en kleinvee. De weides bieden ruimte om als ‘landgoedeigenaar’ verder ingericht te worden met o.a. graanakkers, hoogstamboomgaarden, voedselbossen of dierenweides. Het beplantingsplan, als onderdeel van het landschapsinpassingsplan is als bijlage 1 bij de regels toegevoegd aan dit plan.

Bij onderhavig plan zal worden ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Voor de exacte juridische vertaling van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Beoordeling en conclusie
Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing en realisatie van twee woningen, in combinatie met een zorgvuldig landschappelijk ontwerp en inpassing, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

Beoordeling en conclusie
Het plan ziet toe op de sloop van overtollige agrarische bedrijfsbebouwing, en de realisatie van twee nieuwe woningen in het kader van het functieveranderingsbeleid van Overbetuwe. De overige twee burgerwoningen in de karakteristieke bebouwing worden juridisch vastgelegd, maar zijn al bestaand. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de realisatie van twee woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan. Met de ontwikkeling van twee nieuwe woningen die middels het functieveranderingsbeleid passen binnen de behoefte aan woningbouw in de gemeente wordt voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in het Bkl.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst. Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden nieuwe woonpercelen mogelijk te maken. Daarnaast wordt overtollige agrarisch bedrijfsbebouwing gesloopt en zal het bouwvlak in het plangebied vervallen, om nieuwe bedrijfsbebouwing uit te sluiten. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten actualiseren de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) regelmatig. De Omgevingsverordening is in januari 2024 in werking getreden en geactualiseerd in april 2025. De laatste actualisatie betreft kleine wijzigingen en heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

Wonen
Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Het plan past binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan de instructieregel wordt voldaan.

Gelderse streek Over-Betuwe
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.

De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd:

  • 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen.
  • 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt.
  • 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden.
  • 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen.
  • 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing.
  • 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement.
  • 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief.
  • 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw.
  • 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden.
  • 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde).
  • 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het buitengebied tussen de kernen Elst en Valburg . Ongeveer 500 m ten noorden van de locatie is de rivier de Linge gelegen. Het gebied kenmerkt zich door de overwegend agrarische landschappen met een relatief open karakter. Het ligt in het rivierengebied waar de klassieke opbouw van rivier en de open komgronden herkenbaar zijn. Er liggen verschillende agrarische percelen met hier en daar woonfuncties op ruime vrijliggende percelen.

De aanwezige bebouwing heeft een grote historische waarde met een landhuis en entreepoort waar momenteel 2 woningen in gehuisvest zijn. Op deze plek wordt dan ook bijzondere aandacht besteed aan de cultuurhistorische waarden die het terrein behelzen. De twee woningen lokaal bekend als Logtsestraat 6 en 6a zijn daarvoor al middels een BOPA voor omgezet naar burgerwoning. Het accent wordt met deze ontwikkeling extra gelegd op de karakteristieke panden, waar twee nieuw op te richten woningen op de achtergrond aanwezig zullen zijn, en extra beleefbaarheid aan het perceel toevoegen. De oude overtollige bebouwing wordt gesloopt wat leidt tot ruimtelijke kwalititeitsverbetering, die verder wordt verbeterd door de zorgvuldige landschappelijke inpassing. De ontwikkeling past dan ook binnen de kernkwaliteiten van de Gelderse streek Over-Betuwe.

De ontwikkeling is daarmee passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland en de kernkwaliteiten die daarin worden omschreven.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken.

In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen:

  • 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied.
  • 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied.
  • 3. Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren.
  • 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe en biedt de mogelijkheid tot het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het terrein door overtollige bebouwing van het agrarische bedrijf te slopen en twee woningen achter op het terrein te realiseren die landschappelijk worden ingepast. Hierdoor wordt voor de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing waardecreatie voorop gesteld en een toekomstbestendige functie aan het gebied gegeven. Door het behouden van de karakteristieke bebouwing blijven de unieke elementen uit het gebied behouden, en worden deze aangevuld met twee nieuwe woningen die worden ingepast en waarmee wordt aangesloten op de al bestaande bebouwing en een meerwaarde wordt gecreëerd voor Landgoed Schoonderlogt. Het landgoed blijft echter privéterrein en daarmee niet openbaar toegankelijk. Ook hierdoor blijft het karakter van het landgoed behouden.

Dit TAM-omgevingsplan is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen:

  • In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten);
  • Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen;
  • Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap;
  • Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt;
  • Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in deelgebied 9 “Oeverwal Valburg-Homoet” zoals die in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) staat. Kenmerken zijn hierin:

  • Hogere oeverwal met oude bewoning.
  • Veel karakteristieke en monumentale boerderijen rond Homoet en Valburg.
  • Het oude gedeelte van Valburg ligt op een rivierduin.
  • Kleinschalig/besloten landschap, veel microreliëf.
  • Kenmerkende hagen rond Homoet, boomgaarden rond Valburg.

Daarnaast zijn er specifieke opgaven geformuleerd, waaronder monumentale beplanting op erven behouden en versterken, en behoud en versterking van het kleinschalige besloten landschap. Het Landgoed Schoonderlogt is een karakteristiek en monumentale boerderij met veel kenmerkende landschappelijke elementen. Naar aanleiding van opmerkingen van de gemeente is het landschapsplan aangepast en is gezorgd dat deze elementen zo goed mogelijk versterkt en ingepast worden. In het kader van deze ontwikkeling en op basis van het LOP is daarom een landschapsinpassingsplan opgesteld. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij de regels van dit plan.

Verder is er sprake van functieverandering, waar aan voorwaarden voldaan moet worden om te voorkomen dat de gemeente Overbetuwe volstroomt met niet-agrarische functies. Sloop van agrarische bebouwing is één van die voorwaarden. Uiteraard wordt ingezien dat bepaalde hergebruiksvormen niet onwenselijk zijn in bepaalde gebieden. Het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie past dan ook binnen de uitgangspunten van het LOP.

Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.

Beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied gemeente Overbetuwe
Evenals de provincie Gelderland onderkent het gemeentebestuur van Overbetuwe de ‘leegloop’ in de agrarische sector en staat men niet in alle gevallen onwelwillend tegenover functieverandering in het buitengebied. Door functieverandering van bestaande gebouwen kan tegemoet worden gekomen aan de aanwezige behoefte aan wonen en werken in het buitengebied, zonder daarvoor extra bouwlocaties toe te voegen. Doelstelling van het beleid is een toetsingskader te bieden voor functieverandering in het buitengebied.

In het agrarisch gebied kan functieverandering naar wonen plaatsvinden. Voor dit gebied geldt bij sloop van minimaal 1.500 m² dat medewerking kan worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een functieverandering in het buitengebied. Dergelijke initiatieven worden getoetst aan de beleidsregel functieverandering. De activiteiten van het agrarisch bedrijf zijn reeds beëindigd. In totaal wordt er 1500 m² aan overtollige bebouwing gesloopt. In ruil voor het beëindigen van het agrarische bedrijf en de m² te slopen bedrijfsgebouwen is het mogelijk om twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren.

Het initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsregel en is daarmee in overeenstemming met het functieveranderingsbeleid.

Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe (2020)
Het doel van het plussenbeleid is meer kwaliteit bij de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven: in dialoog met de omgeving en extra investeren in fysieke maatregelen passend bij een gebied. Iedere uitbreiding van mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij ten opzichte van het geldende bouwvlak (incl. eventuele beperkende regels die gelden binnen het bouwvlak) moet worden getoetst aan het plussenbeleid.

Tot het moment dat het plussenbeleid is geïmplementeerd in het omgevingsplan (voor een locatie of een gebied) wordt in de beleidsregels uitbreiding van agrarische bebouwing binnen de mogelijkheden van het bestaande bouwvlak gerespecteerd, wat betekent dat hierbij geen plussenbeleid toegepast hoeft te worden. De gemeente Overbetuwe heeft het plussenbeleid-gebied geregeld in het parapluplan bij gebruikmaking van de wijzigings- en afwijkings-bevoegdheden die flexibiliteit bieden. Dit betekent dat bij iedere verruiming van de planologische mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij de spelregels van het plussenbeleid toegepast moeten worden.

Omdat het plussenbeleid niet onnodig belemmerend mag werken kan per niet-grondgebonden veehouderij(tak) elke 5 jaar éénmaal een uitbreiding van 500 m² of minder mogelijk worden gemaakt zonder dat de spelregels van het plussenbeleid van toepassing zijn. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kunnen groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plussen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Het voeren van een omgevingsdialoog speelt bij hierbij een belangrijke rol.

Beoordeling en conclusie
Het plussenbeleid van gemeente Overbetuwe is alleen van toepassing voor uitbreiding of verruiming van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven. Onderhavige ontwikkeling gaat over het beperken van de veehouderij en verwijdering van het bouwvlak in het onderhavige plangebied van de agrarische functie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;
  • b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt.

Beoordeling en conclusie
Gezien de omvang en locatie kan de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de functiewijziging van een agrarisch bedrijf met sloop van bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee woningen, niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Geluidbronsoorten   Standaardwaarde  
Rijkswegen en provinciale wegen   50 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   53 Lden  
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen   55 Lden  

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.

Beoordeling

Wegverkeer
Omdat niet op voorhand uitgesloten is dat de woning binnen een geluidaandachtsgebied van een weg ligt, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 1. Het plan bevindt zich op enige afstand van de A50, de A15, en de provinciale weg N836. Het plan valt buiten het aandachtgebied van deze rijkswegen. Er zijn geen wegen in de directe omgeving gelegen waarvoor een Geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld.

Het plan valt binnen het aandachtsgebied van de doorgaande gemeentelijke wegen. In deze situatie is er sprake van wegen met 1 rijstrook per richting en een rijsnelheid van 60 km/u. De geluidbronsoort betreft de gemeentelijke wegen die binnen het aandachtsgebied zijn gelegen. De waarde van het geluid bedraagt maximaal 44 dB. Dit punt is het meest nabij de Logtsestraat gelegen. Deze waarde op het plan is lager dan de standaardwaarde van 53dB genoemd in het Bkl (art. 3.20). Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het realiseren van de ontwikkeling.

Spoorwegverkeer
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden twee nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt aan de Logtsestraat. De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op meer dan 750 meter ten zuiden van het plangebied. Dit is de spoorlijn tussen Tiel en Elst. De spoorlijn van de Betuweroute ligt op meer dan 2 km ten zuiden van het plangebied en het aandachtsgebied hiervan valt niet in het plangebied.

Conclusie
Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).

Niet in betekende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Beoordeling
Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool.

CIMLK
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied.

Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51468751_15563742 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Valburgseweg niet worden overschreden.

De waardes bedragen 11,7 µg/m3 voor NO2, 15,0 µg/m3 voor PM10 en 8,4 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

Effect op de luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in de realisatie van een functiewijziging met twee nieuwe woningen.

Voor de functieverandering van agrarisch bedrijf naar wonen zal de luchtkwaliteit verbeteren, aangezien de functiewijziging naar wonen minder voertuigbewegingen zal genereren dan het agrarische bedrijf wat voorheen op de locatie aanwezig was. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde.

Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Activiteiten en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

  • 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is.
  • 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

Spuitzonering
Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. In het 'Buitengebied Overbetuwe' zijn regels opgenomen voor agrarische percelen en het in acht nemen van deze spuitzone. Deze regels zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan voorziet aan de Logtsestraat in de sloop van agrarisch bedrijfsbebouwing en het realiseren van twee woningen. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige activiteit. Er worden met de oprichting van twee nieuwe woningen geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn deze niet meer relevant en kunnen er met de functieverandering woningen gerealiseerd worden waarbij sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

Afstand tot bedrijven
De dichtstbijzijnde bedrijfsfunctie is gelegen aan de Valburgseweg op meer dan 750 meter van het plangebied gelegen. Er zijn derhalve geen bedrijven in de omgeving aanwezig die hinder ondervinden van onderhavige functieverandering. Andersom zijn er geen bedrijven in de omgeving liggend die activiteiten ontplooien die een goed woon- en leefklimaat voor de woningen belemmeren.

Spuitzonering
Rondom het perceel liggen percelen met de functie 'Agrarisch'. In verband met het mogelijk spuiten van bestrijdingsmiddelen moet er tevens rekening worden gehouden met een spuitzone van 50 meter. Een tuin is ook een voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functie. De bestaande (voormalige) bedrijfswoningen die onderdeel maken van het stoppende agrarische bedrijf zijn al een gevoelige functie. Aangezien de bedrijfsvoering van dit agrarische perceel gaat stoppen, en het bouwvlak met bedrijfsbebouwing hiervoor wordt beperkt middels dit TAM-omgevingsplan is niet te verwachten dat hier nog gewerkt wordt met gewasbeschermingsmiddelen die invloed hebben op het plangebied.

Het nieuwe woonensemble aan de Logtsestraat bevat ten noorden van het plangebied agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan en worden gebruikt. Om te voorkomen dat dit overlast veroorzaakt tot de nieuwe te realiseren woningen zijn de woningen zo gesitueerd dat er minimaal 50 meter afstand van deze agrarische percelen is gehouden. Omdat er ook in het plangebied agrarische percelen over blijven (zonder bouwvlak) is een dergelijk gebruik uitgesloten in de regels. Door het opnemen van de regeling voor spuitzonering en afstand te houden tot omliggende agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zorgt het niet voor belemmeringen van het initiatief of naastgelegen agrarische bedrijven.

De twee burgerwoningen die eerder met een BOPA zijn omgezet zijn bestaand en vastgelegd in de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan. Door het vastleggen van de woningen wordt bestaande rechten vastgelegd. Dat er al sprake is van burgerwoningen zal de agrarische bedrijfsvoering niet inperken. Door het opnemen van een ontsluiting binnen de functie agrarisch blijft de afstand tot de woonfuncties zodanig dat het perceel ten noorden van het plangebied niet in zijn bedrijfsvoering wordt geschaad.

Conclusie
Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.5 Geurhinder

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van geurgevoelige gebouwen mogelijk. Er worden daarentegen geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt.

Voor het aspect geur geldt dat er voor het plangebied geen veehouderijen binnen 100 meter van het plan aanwezig zijn. Ten noorden van het plangebied aan de Logtsestraat 8 is een veehouderij gesitueerd waar rundvee is toegestaan. Deze ligt op meer dan 130 meter van het plangebied. Een tweede veehouderij is gelegen op aan de Stationsstraat 42 op ongeveer 240 meter afstand. Hiertussen liggen echter twee andere burgerwoningen die maatgevend zijn voor de geurbelastende activiteiten op de omgeving.

Het plangebied ligt circa 6 km vanaf de dichtstbijzijnde geitenhouderij (Breedlersestraat 7, Elst). Voor geitenhouderijen geldt een afstand van 2.000 meter tot nieuwe gevoelige objecten (woningen). De woningen vallen buiten de milieuzonering voor geitenhouderijen. Ook op het gebied van geur van geitenveehouderijen zijn dus geen belemmeringen te verwachten. Bij de oprichting van geurgevoelige gebouwen is op deze plekken is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden er geen bedrijven met geurbelastende activiteiten geschaad in hun bedrijfsvoering.

Conclusie
Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.6 Bodem

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk waar een agrarisch bedrijf beëindigd wordt. Hiermee is er sprake van een nieuwe bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in bijlage 2. Hierna worden de resultaten van het onderzoek toegelicht.

Bodem
Uit de analyseresultaten blijkt dat de zintuiglijk schone, kleiige ondergrond licht verhoogde gehalten aan barium, nikkel en PAK bevat. De kleiige bovengrond met bijmenging aan baksteen en/of kolengruis is licht verontreinigd met barium. De interventiewaarde wordt nergens overschreden. In de kleiige toplaag zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond. De geanalyseerde bovengrond van alle mengmonsters voldoen indicatief aan de kwaliteitsklasse "Landbouw / Natuur". De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie.

Grondwater
Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat barium in een licht verhoogde concentratie ten opzichte van de voormalige streefwaarde is aangetoond. Aangezien met betrekking tot de aangetoonde verhoogde concentratie barium geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig.

Asbest
Voor asbest zijn geen verdachte deellocaties te onderscheiden. Een verkennend onderzoek asbest conform NEN5707 wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.

5.7 Omgevingsveiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden.

Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is.

Groepsrisico
De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Beoordeling
Het initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing, oprichting van twee burgerwoningen en het verwijderen van het bouwvlak van de agrarische bedrijfsbebouwing ter plaatse. Op basis van de signaleringskaart omgevingsveiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0007.png"

Uitsnede aandachtsgebied omgevingsveiligheid met aanduiding plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl)

De planlocatie is niet gelegen binnen de aandachtsgebieden van de A50 (ten westen) en de spoorlijn Nijmegen - Arnhem (ten oosten). Daarnaast is op ongeveer 100 meter ten zuiden van het plangebied een Gasontvangststation (N-409) gelegen. De risicocontour valt niet binnen het plangebied en het plangebied is gelegen buiten het brandaandachtsgebied (50 m) van dit station.

Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van de buisleiding aan de oostzijde van het plangebied. Deze loopt in de bestaande situatie dwars door het agrarische bouwvlak heen. De buisleiding van Gasunie heeft een brandaandachtsgebied van 130 meter waarbinnen de realisatie van de twee woningen valt. De buisleiding heeft geen explosie- of gifwolkaandachtsgebied. In het vigerende 'Buitengebied Overbetuwe' is deze gasleiding als zodanig aangewezen. Voor de specifieke gasleiding geldt een aanduiding 'hartlijn leiding - gas 4' met een doorsnede van 323,9 mm en een druk van 40 bar. Hiervoor geldt dat binnen een afstand van 4 m aan weerszijden van de hartlijn van de gasleiding geen nieuwe bouwwerken mogen worden gebouwd. Mede hierdoor zijn de woonfuncties in dit plan (op basis van het inrichtingsplan) zodanig gesitueerd dat deze afstand tot de buisleiding in acht wordt genomen.

Binnen het brandaandachtsgebied kan door het bevoegd gezag in het omgevingsplan een voorschriftengebied aangewezen worden (art. 5.14 Bkl). Binnen een brandvoorschriftengebied gelden conform art. 4.91 t/m 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor nieuw te bouwen gebouwen aanvullende bouweisen. Deze hebben betrekking op de brandwerendheid, de brandklasse van het buitenoppervlak en het dak, de vluchtroute en de sterkte bij brand. Voor glas geldt als aanvullende bouwkundige maatregel brandklasse D. Deze eisen hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brandvoorschriftengebied heeft aangewezen in het omgevingsplan, dan gelden binnen het brandaandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Een brandvoorschriftengebied mag niet groter zijn dan het brandaandachtsgebied. In dit geval heeft de gemeente geen brandvoorschriftengebied aangewezen dus zijn er - buiten de 4 m afstandseis - geen aanvullende eisen van toepassing.

Groepsrisico
Door de beoogde functieverandering zullen de agrarische activiteiten op deze plek beëindigen. Dat betekent dat er minder mensen (werknemers, leveranciers, logistiek) op het perceel aanwezig zullen zijn. Op het gebied van risico ten behoeve van groepen of personen zal hier in de toekomst dan ook een kleiner (groeps)risico zijn dan de voormalige situatie betrof. Het groepsrisico op deze locatie zal dan ook afnemen. Omdat er al twee bedrijfswoningen aanwezig zijn betreft de realisatie van de twee nieuwe woningen de oprichting van twee nieuwe kwetsbare gebouwen. Mede door de regelgeving die geldt vanuit het Bal is er voor gekozen de twee nieuwe woningen op een gepaste afstand te realiseren. In het kader van omgevingsveiligheid vormt de oprichting van twee woningen dus niet voor belemmeringen. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Mede hierdoor is het bouwen van de woningen mogelijk binnen de planologische regels die zijn opgenomen in dit TAM-omgevingsplan, en worden de risico's - door de afname van het groepsrisico - voor het realiseren van woningen binnen het brandaandachtsgebied aanvaardbaar geacht. Het plangebied wordt aangemerkt als ‘kwetsbaar object’ waarvoor het aanwijzen van een voorschriftengebied niet noodzakelijk is, wat in dit geval ook niet is gedaan. Er gelden derhalve geen aanvullende bouweisen binnen het te realiseren plan.

Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.8 Ontplofbare oorlogsresten

In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang.

Ter plaatse van de Logtsestraat wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf verwijderd, en worden woningen mogelijk gemaakt binnen ditzelfde te verwijderen bouwvlak. Het bouwvlak wordt dermate verkleind dat nader onderzoek naar explosieven afkomstig uit WOII niet benodigd wordt geacht. Indien er op de locatie Logtsestraat 6 in de toekomst wordt gebouwd dan kan mogelijk rekening worden gehouden met aantoonbare naoorlogse bodemroeringen die het onderzoeksgebied kunnen verkleinen.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de hoogspanningleidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante hoogspanningskabels en -leidingen aanwezig. Wel zijn er twee buisleidingen aanwezig van Gasunie, welke beschreven zijn in het aspect Omgevingsveiligheid. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:

  • Dagelijks beheer van water en dijken;
  • Beschermen tegen overstromingen;
  • Water eerlijk verdelen;
  • Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);
  • Werken aan schoon water;
  • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur.

Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast wat daarna verschillende keren is geactualiseerd in het waterbeheerplan. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt.

Met het waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.

In 2024 is het Water- en Rioleringsplan Overbetuwe vastgesteld: Samen Werken aan een Klimaatbestendige Toekomst. In het nieuwe Water- en Rioleringsprogramma (Wrp) voor 2025-2029 is er aandacht voor klimaatadaptatie (aanpassing aan het klimaat) en is er de wens wateroverlast en droogte aan te pakken en de kwaliteit van het water te verbeteren.

Belangrijke punten uit het plan:

  • water vasthouden waar het kan en afvoeren waar het moet;
  • afspraken over rioolheffing;
  • samenwerken met inwoners, bedrijven en organisaties voor een betere leefomgeving
  • scheiden van vuil- en regenwaterafvoer;
  • nieuwe initiatieven zoals het Klimaat Meekoppelbudget.

Beoordeling (watertoets)
Op het perceel Logtsestraat 6 worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. In de toekomstige situatie wordt op het perceel erfverharding gerealiseerd die er voor zorgt dat de woningen ontsloten kunnen worden. Daar tegenover staat dat er een deel van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt, en er aan de achterzijde van het perceel een significant deel van de verharding zal vervallen (20 m x 50 m). Het oppervlak ‘verharding en bebouwing’ wordt door functieverandering gereduceerd met ongeveer 50% (bestaande situatie: 6.200 m², en nieuwe situatie 3.100 m²).

Door het toevoegen van de woningen met bouwvlakken wordt het bebouwd en verhard oppervlak per saldo dus alsnog minder. De eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht op basis van de Waterschapsverordening is in geval van een beperkte toename zonder meer toepasbaar voor dit plan. De totale omvang van de toename van verharding is namelijk niet meer dan 1.500 m².

In planologisch opzicht is er sprake van een aanzienlijke afname, omdat het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt namelijk het agrarische bouwvlak verwijderd zodat alleen de woningen nog een bouwvlak bevatten. Voor het overige zal voor het plangebied van dit TAM-omgevingsplan het agrarische bouwvlak volledig vervallen.

Oppervlaktewater
Het plangebied is gelegen naast een primaire watergang (A-watergang) die ligt ten noorden van het plangebied. Deze A-watergang is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' aangeduid als waterfunctie en vormt een van de hoofdwatergangen in het gebied. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het onderhoud hier van.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Rondom het plangebied zijn enkele A-watergangen aanwezig. Deze blijven intact. Er worden geen belemmeringen voor het functioneren van de watergangen verwacht. Er is in het plangebied voldoende mogelijkheid tot het aanleggen van aanvullende waterberging en ruimte voor het vertraagd afvoeren van water op de watergangen. Tot slot liggen er geen waterkeringen met betreffende beschermingszone nabij het plangebied. Er gelden derhalve geen beperkingen vanwege het belang van waterkeringen.

Waterberging
Het betreft een bestaand erf waar het oppervlak verharding en bebouwing aanzienlijk zal afnemen door de beoogde ontwikkeling. Voor de hemelwateropvang zijn wadi's/zakgreppels aan de voorzijde van de nieuwe woonkavels voorzien. Deze zorgen er voor dat het water opgevangen wordt en vertraagd afgevoerd zal worden. Aangezien het verhard oppervlak afneemt is er geen extra waterberging in het plan benodigd. Regenwater wordt binnen het perceel zelf verwerkt. Conform het gemeentelijk beleid vindt er geen afvoer van regenwater plaats naar de straat / openbaar terrein. In het kader van de latere omgevingsvergunningaanvraag heeft de gemeente gevraagd grondwatermonitoring toe te passen, zodat voor een bepaalde meetperiode het vloerpeil goed te bepalen is. Aangezien er momenteel geen wateroverlast is op het terrein zorgt het huidige waterpeil echter niet tot belemmeringen voor het aspect waterhuishouding binnen het plangebied.

Hemelwater en vuilwater
Hemel- en afvalwater zullen bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het gemengd rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld infiltratiekratten, wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Wat betreft de bestaande twee (bedrijfs)woningen behorende bij het agrarische perceel, verandert er niets. De ontwikkeling is verder hydrologisch neutraal. Per saldo leidt de ontwikkeling echter tot een afname van de hoeveelheid afvalwater omdat het agrarische bedrijf beëindigd zal worden.

Op de riolering mag alleen afvalwater. Voor wat betreft capaciteit van de riolering voor afvoer van afvalwater betreft het een toevoeging van slechts twee woningen. De capaciteit van de bestaande drukriolering voldoet voor het toevoegen van twee woningen. Voor aansluiting van het plan op het bestaande rioleringsstelsel zijn geen aanpassingen benodigd.

Waterkwaliteit
De waterkwaliteit van de legger-watergangen (A in dit geval) zal niet verslechteren, en door het beperken van de agrarische bedrijfsactiviteiten zelfs significant verbeteren. Daarmee voldoet het plan aan het opgestelde beleid. Daarnaast wordt met het plan rekening gehouden met:

  • hemelwaterlozingen worden voorzien van zuiverende voorzieningen, zoals een helofytenfilter en/of bodempassage;
  • in verband met de waterkwaliteit wordt terughoudend omgegaan met bomen langs oppervlaktewater;
  • watergangen worden in principe voorzien van natuurvriendelijke oevers;
  • er worden geen uitlogende bouwmaterialen toegepast;
  • kansen voor klimaatadaptatie worden benut (opvang hevige neerslag, koelte realiseren, bestrijden van verdroging, gevolgen van een overstroming beperken, biodiversiteit versterken).


Advies Waterschap
In het kader van vooroverleg is advies gevraagd van het waterschap en een wateradvies uitgevoerd. Het wateradvies is als bijlage 3 bij dit plan toegevoegd. In het advies van het waterschap is geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het gaat om het aspect waterhuishouding.

Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.

5.11 Natuur

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

NNN-gebieden
Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

Soortenbescherming
Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

  • vogels;
  • europees beschermde soorten;
  • nationaal beschermde soorten.

Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie.

Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

Beoordeling
Het plan voorziet in de functieverandering van agrarisch bedrijf naar twee burgerwoningen en het vastleggen van de reeds vergunde burgerwoningen in het omgevingsplan. Om de nieuwe woningen in te passen worden enkele landschapselementen toegevoegd. Omdat negatieve effecten op beschermde flora en fauna op voorhand niet volledig zijn uitgesloten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen weergegeven.

Gebiedsbescherming
Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde gebieden ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van het integrale rapport dan ook uitgesloten worden.

Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming geldt dat voor de in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen staan. Voor deze soorten hoeft geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Daarnaast geldt dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor beschermde plantensoorten, beschermde vissen en kreeftachtigen, reptielen en beschermde ongewervelden zal leiden.

Voor gebouw bewonende soorten als de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger is nader onderzoek naar zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen vereist. Daarnaast is nader onderzoek naar mannenverblijven van de meervleermuis vereist, en nader onderzoek naar de steenuil. De habitateisen van de huiszwaluw en de steenuil moeten in de planuitwerking meegenomen worden zodat het leefgebied van deze soorten niet gefragmenteerd wordt. Ten behoeve van deze (vogel)soorten moeten de voorgenomen uit te voeren activiteiten buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren) plaatsvinden. De lengte en de aanvang van het broedseizoen is soortafhankelijk maar deze loopt globaal in de periode half maart tot half augustus. Ten slotte dient er te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht.

Samenvattend kan worden gesteld dat het onderdeel soortenbescherming geen belemmering voor het plan vormt, maar alleen enkele eisen aan de uitvoering van het plan stelt.

Houtopstanden
Voor houtopstanden geldt dat er geen monumentale bomen gekapt zullen worden. In de rapportage is inzichtelijk gemaakt welke bomen dat zijn. In het achtergebied van de twee te realiseren woningen zullen enkele andere bomen gekapt worden om deze woningen mogelijk te maken. Dit zal gedaan worden conform de regels omtrent houtopstanden van de gemeente Overbetuwe.

Stikstof
Voor de berekening van de stikstofuitstoot is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd die is bijgevoegd als bijlage 5. Uit de resultaten blijkt dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gecombineerde fase als in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft dan ook geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. De beoogde ontwikkeling betreft geen Natura 2000-activiteit.

Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Vanuit het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten;
  • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Beoordeling
Cultuurhistorie
De cultuurhistorische kenmerken zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overbetuwe. Het plangebied ligt niet binnen een specifiek aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Het maakt ook geen onderdeel uit van een oude woongrond en/of andere oude cultuurlaag. Ook is het landgoed geen onderdeel van een oude opgehoogde woon- of vluchtplaats.

Het plangebied bestaat uit Landgoed Schoonderlogt. Een herenboerderij met poorthuis en een parkachtige voortuin. In de omgeving staan een drietal woningen met dezelfde architectonische details als die van de villa van de boerderij. Ze zijn gestuct en wit gesausd, in de topgevel van de woning zit een verwijzing naar Normandische of Engelse boerderijen en de kozijnen van de ramen en deuren zijn zacht geel met groen geschilderd. Dit ensemble heeft cultuurhistorische betekenis en is afwijkend van de omgeving. De karakteristieke gebouwen die aanwezig zijn op Landgoed Schoonderlogt zijn (deels) gemeentelijk monument. Deze karakteristieke bebouwing wordt niet gewijzigd in dit plan, en door de zorgvuldige inpassing alleen maar omarmd. Door het slopen van de niet-karakteristieke agrarische bebouwing zal de nadruk meer op het karakteristieke deel gelegd worden. Het plan vormt geen belemmering voor de cultuurhistorische waarden van het plangebied.

Archeologie
De geplande woningen hebben een oppervlakte van elk circa 165 m², de bijgebouwen elk 75 m². De opdrachtgever heeft aangegeven dat hierbij tot 0,6 m -mv zal worden gegraven ten behoeve van de funderingen. De te slopen stal is ongeveer 850 m² groot, en deze is geheel onderkelderd tot een diepte van circa 2,3 m beneden vloerpeil. De ingrepen zijn overwegend gepland binnen beleidswaarde Archeologie 3 en zijn groter dan de vrijgestelde oppervlakte van 50 m² die voor deze zone geldt, daarom is archeologisch onderzoek vereist voorafgaand aan de voorgenomen plannen. Dit onderzoek is uitgevoerd en als bijlage 6 aan dit plan toegevoegd.

De regels voor archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen aan de hand van de archeologische beleidskaart. De planlocatie Logtsestraat ligt binnen de archeologische verwachtingswaarde met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Daarnaast zijn er op de locatie 1 waarnemingslocatie en nabij de locatie nog 5 waarnemingslocaties met archeologische resten met attentiezone van 50 meter aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0416BUITlLogtstr6-VSG1_0008.png"

Uitsnede uit archeologische beleidskaart Overbetuwe met aanduiding planlocatie

Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van de afzettingen gerelateerd aan de stroomrug van Homoet-Klomp, die actief was tussen 2500 v. Chr. tot 1800 v. Chr. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het midden-neolithicum tot en met de nieuwe tijd. In de nieuwe tijd was het plangebied onderdeel van landgoed Schoonderlogt. Op het terrein van het landgoed lagen verschillende omgrachte percelen. De hoofdgebouwen van het landgoed waren ten noorden en westen van onderhavige locatie gesitueerd, maar mogelijk zijn wel bijgebouwen aanwezig geweest. Ook de gracht bevindt zich volgens de kadastrale minuut uit 1811-1832 in het noordwestelijke deel van het plangebied.

Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de laagopeenvolging in het plangebied van onder naar boven bestaat uit bedding- en oeverafzettingen, afgedekt door komafzettingen en recente antropogene lagen. In de komafzettingen en op de overgang naar de onderliggende oeverafzettingen is in de meeste boringen een vegetatie-horizont waargenomen op circa 1,2 tot 1,6 m -mv (7,0 tot 7,4 m NAP) en in boring 1 op -0,8 m NAP. Het vegetatieniveau is een oude bodem, die is gevormd in een periode met weinig overstromingen. In deze periode was het gebied gunstig voor bewoning. Gezien de hoge archeologische verwachting van dit niveau is besloten in het noordelijke deel van het plangebied aanvullende boringen te zetten, met als doel om eventuele vindplaatsen op te sporen. In het vegetatieniveau zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het vegetatieniveau vertoont verder geen sporen van vertrapping of omwoeling, zoals scherpe laagovergangen en klei- of veenbrokken. Gezien het gehanteerde boorgrid (20 m tot maximaal 35 m tussenafstand) kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van het vegetatieniveau geen afgedekte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.

Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de gehanteerde prospectiemethode niet geschikt is voor het opsporen van grafvelden of zeer kleine vindplaatsen (< 20 m). Het vegetatieniveau is afgedekt door een pakket zware komklei. In de periode na afdekking van het vegetatieniveau lag het plangebied waarschijnlijk in een relatief vochtig en laaggelegen gebied. De archeologische verwachting voor de periode neolithicum tot en met de late middeleeuwen kan daarmee naar laag worden bijgesteld.

Vanaf de 17e eeuw zijn resten van het landgoed Schoonderlogt binnen het plangebied te verwachten. Op basis van de historische kaarten lag het plangebied aan de zuidoostelijke rand van het omgrachte terrein. De voormalige gracht loopt door het plangebied. Op basis van de kaarten is de gracht aan het begin van de 20e eeuw gedempt. Op de vermoede locatie van deze gracht zijn de boringen 9 en 10 gezet. Op deze locatie zijn geen humeuze grachtvullingen aangeboord. Mogelijk liggen deze iets westelijker. In boring 9 is wel een vergraven niveau zichtbaar. Mogelijk is hier in de rand van de grachtdemping geboord. Ter hoogte van het erf is de bodem verstoord tot minimaal 0,6 m -mv. De grond is afgegraven en opgevuld met cunetzand, waarschijnlijk bij de aanleg van de huidige stallen. De huidige stallen zijn onderkelderd tot 2,3 m - mv (ca 6,3 m NAP). Gezien de grote verstoringsdiepte zijn geen intacte archeologische resten meer te verwachten op de locatie van de stallen. Eventuele resten gerelateerd aan het landgoed zijn zeer waarschijnlijk verstoord tot deze diepte. Alleen zeer diepe sporen, zoals de gracht, zullen nog deels intact zijn. De archeologische verwachting kan daarmee naar laag worden bijgesteld, behalve op de vermoedelijke locatie van de gracht.

Het archeologisch relevante niveau zal niet worden verstoord door de ontwikkeling op de projectlocatie. De woningbouw zal leiden tot een bodemverstoring tot 0,6 m -mv, ruim boven het vegetatieniveau. De bestaande stal zal worden gesloopt. Op deze locatie is de bodem verstoord tot 2,3 m -mv, ver onder het archeologisch niveau. Zolang de graafwerkzaamheden ten behoeve van de sloop zich beperken tot de contouren van de bestaande stal, vormen de werkzaamheden geen bedreiging voor het bodemarchief.

Op basis van de resultaten van het onderzoek is verder onderzoek niet noodzakelijk en kan het plangebied vrijgegeven worden ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden. Voorwaarde daarbij is wel dat bij de sloop van de stal niet dieper dan 1 m -mv wordt ontgraven buiten de contouren van de stal, in verband met mogelijk intacte grachtvullingen. Op basis van het uitgevoerde karterende booronderzoek wordt om de archeologische waarde van het plangebied naar laag bij te stellen, behalve op de locatie van de voormalige gracht van het landgoed.

Op basis van het onderzoek zijn de dubbelbestemmingen die vallen buiten het archeologische onderzoeksgebied maar binnen het plangebied - die daar ten behoeve van het agrarische bouwvlak onderdeel van uit maken - gehandhaafd. Deze dubbelbestemmingen zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen zodat de archeologische waarden blijven beschermd.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel cultuurhistorie als archeologie voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Hierna is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

Het plan maakt twee nieuwe woningen mogelijk. Voor ontwikkelingen in het buitengebied wordt bij het bepalen van de parkeernorm uitgegaan van de lagere stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen voor deze woningen (locatie: buitengebied). In het plan is voorzien in erven met meer dan voldoende ruimte voor minimaal 3 parkeerplaatsen bij de woningen, ook voor de 0,3 pp/woning voor het aandeel bezoekers per woning. Op iedere woonkavel is voldoende ruimte voor parkeren waarmee op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden.

Verkeer
Voor de Logtsestraat geldt dat een agrarisch bedrijf in zijn activiteiten wordt beperkt. Hier wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt en worden er twee burgerwoningen opgericht. Deze woningen zullen significant minder (vracht)verkeer genereren en dus een bijdrage leveren aan een verbetering van de verkeerssituatie aan de Logtsestraat. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruikgemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ in combinatie met het gemeentelijke parkeerbeleid Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Voor vrijstaande woningen geldt een gemiddelde van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Voor twee woningen geldt een totale verkeersgeneratie van 16,4 verkeersbewegingen. De Logtsestraat is een ontsluitingsweg waar de capaciteit voldoende van is om deze minimale extra verkeersgeneratie te kunnen opvangen. Om de ontsluitingsweg naar de Logtsestraat planologisch te borgen, is er binnen de agrarische functie, waar deze weg loopt, een aanduiding 'ontsluiting' opgenomen.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel parkeren als verkeer voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.

5.14 Trillingen

Er dient bij een wijziging van het omgevingsplan rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie. Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.

Beoordeling en conclusie
Met deze omgevingsplanwijziging worden geen trillingsgevoelige gebouwen in de buurt van een spoorverbinding mogelijk gemaakt. Deze wijziging betreft geen toevoeging van een trillinggevoelig object/gebouw in de betreffende contour. Derhalve is het aspect 'trilling' niet van toepassing op de wijziging.

5.15 Gezondheid

In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Landelijk bestaat de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners.

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten, zoals de omgevingsvisie, -verordening en programma's.

Beoordeling en conclusie
Ten eerste maakt dit TAM-omgevingsplan de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk. Bij de inrichting van het plangebied is in ruime mate ruimte voor groen behouden. Dit draagt bij aan het behoud van een gezonde en prettige woon- en leefomgeving. Daarnaast ligt het plangebied op een locatie, waar de verblijfskwaliteit goed is. Dit is uit de voorgaande paragrafen gebleken. Er zijn daarnaast geen grote geurbelastende activiteiten zoals geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het plan houdt op een verantwoorde wijze rekening met het gezondheidsbelang en de beoogde functie is met het oog op de gezondheid verantwoord op deze locatie.

Daarnaast zorgt dit TAM-omgevingsplan voor beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel van de (voormalige) veehouderij. Dit betekent dat op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, en omgevingsveiligheid, een verbetering van de woon- en leefkwaliteit zal plaatsvinden aan de Logtsestraat. Verder zal er een vermindering van het aantal verkeersbewegingen zijn wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Bovendien zal er veel verharding worden verwijderd, zodat groen hiervoor in de plaats kan komen. Dit is goed voor het voorkomen van hittestress, wat de gezondheidsambities van de gemeente volgt.

5.16 Duurzaamheid

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het onderdeel duurzaamheid integraal onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Duurzaamheid is een breed begrip; de gemeente verstaat hieronder in ieder geval de volgende aspecten:

  • duurzaam en zorgvuldig omgaan met water;
  • duurzaam energieverbruik en beperking van energieverbruik en gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen;
  • duurzaam materiaalgebruik en hergebruik;
  • bevorderen van het klimaatadaptief vermogen van de omgeving;
  • natuurinclusief bouwen;
  • versterking van landschaps-, natuur- en groene waarden.

Beoordeling
Bij het bepalen van de inrichting van het plangebied, de landschappelijke inpassing en de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is duurzaamheid een integraal onderdeel in het ontwerpproces. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de regels is hierover het nodige opgenomen. Hieronder worden de voornaamste overwegingen, maatregelen en principes beschreven:

  • Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld een wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties.
  • Ter vermindering van hittestress blijft de woonkavel zo groen mogelijk en zal de hoeveelheid verharding bij voorkeur zo beperkt mogelijk worden toegepast.
  • De voorgeschreven beeldkwaliteit maakt vele “onzichtbare” technieken mogelijk. Te denken valt aan zonnepanelen integraal te verwerken in het dakvlak van de bebouwing en het toepassen van duurzame bouwmaterialen.
  • De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd en energiezuinig uitgevoerd. Hiermee wordt bijgedragen aan verduurzaming van de woningvoorraad.
  • De bijgebouwen bieden ruimte voor natuurinclusieve elementen, met ruimte voor o.a. vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen.
  • De aanplant van bomen en struiken zijn veelal soorten die vruchten-besdragend zijn. Aan te planten boom- en struiksoorten zijn onder andere appel, peer, pruim, kers, zomereik, walnoot, hondsroos, sleedoorn, hazelaar en de bottelroos. Deze beplanting heeft naast een landschappelijk-cultuurhistorische meerwaarde ook een ecologische meerwaarde.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch wijzigen van de agrarische bebouwing aan de Logtsestraat, het inpassen van twee vergunde burgerwoningen, en het toevoegen van twee woonfuncties op het achtergelegen perceel. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe.

Het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Buitengebied, Logtsestraat 6 en 6a, Elst' bestaat uit de volgende onderdelen:

De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. De regels bevatten de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.

De (digitale) verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies, in dit geval 'Agrarisch', en 'Wonen'. Ook zijn er bouwvlakken en enkele werkingsgebieden (maatvoeringen) voor specifieke regels opgenomen. Tot slot zijn werkingsgebieden met het oog op de borging van de belangen van bepaalde andere functies opgenomen, namelijk archeologie en gasleiding.

De opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de TAM-omgevingsplan systematiek zoals die voor de gemeente Overbetuwe is vastgesteld in eerdere plannen die aan dit format voldoen.

6.2 Toelichting op de regels

Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht.

Agrarisch
Buiten de woonfuncties zijn de gebieden aangemerkt als 'Agrarisch', die ook op basis van de geldende bestemming van toepassing is. Het bouwvlak is hier niet opgenomen omdat deze vervalt ten behoeve van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing. De gronden zijn bedoeld voor grondgebonden agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast is er ruimte voor ontsluiting van de woningen opgenomen middels een aparte aanduiding.

Wonen
De toekomstige woonpercelen en de burgerwoningen in de karakteristieke bebouwing krijgen het werkingsgebied 'Wonen'. Deze gronden zijn bedoeld voor de functies wonen (eventueel met een aan huis gebonden beroep/bedrijf), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bijbehorende voorzieningen, waaronder tuinen en parkeervoorzieningen.

Er zijn beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen, aan-/uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Voor de nieuwe woningen geldt dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gebouwd. In de beoordelingsregels zijn verder maatvoeringseisen voor de verschillende typen bouwwerken opgenomen. Indien aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, kan een omgevingsvergunning worden verleend.

Leiding - Gas
Dit werkingsgebied is opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van de gasleiding. Binnen dit gebied gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij beperkingen aan het bebouwen van de gronden worden gesteld. Er zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen, waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken te verlenen.

Waarde - Archeologische verwachting 2
Dit werkingsgebied is opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van de archeologische waarden in het plangebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij onder voorwaarden een onderzoeksplicht voor eventueel archeologische waarden wordt gesteld. Er zijn regels opgenomen waarbij advies van een archeologisch deskundige wordt verplicht.

Algemene regels
In de algemene regels zijn regels opgenomen, die voor het gehele werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan van toepassing zijn.

Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel zijn beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen, die voor elke omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteit van toepassing zijn. Het betref onder meer een regeling voor ondergronds bouwen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat een algemene strijdig gebruiksbepaling, alsmede de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met het TAM-omgevingsplan. Ook is een parkeerregeling opgenomen, die van toepassing is bij een wijziging van het gebruik.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van de regels uit het omgevingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor bouwwerken en voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar.

De ontwikkeling betreft een bouwactiviteit waarvan kosten moeten worden verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.

8.2 Participatie

De wijze waarop participatie wordt uitgevoerd is door de wetgever niet bepaald. Gemeenten kunnen hiervoor beleid opstellen. De gemeente Overbetuwe beschikt over beleid op dit gebied.

De initiatiefnemer heeft de directe omgeving geïnformeerd over de plannen aan de Logtsestraat. Participatie heeft plaatsgevonden in de vorm van een omgevingsdialoog. Hieruit is gekomen dat omwonenden positief zijn over de voorgenomen plannen, en er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. De verslaglegging van de omgevingsdialoog wordt als bijlage bij het besluit op dit plan opgenomen.

8.3 Overleg

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.

De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.

8.4 Wijziging van het omgevingsplan

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is door de gemeente bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend. Daarmee kan de wijziging van het omgevingsplan worden vastgesteld.

8.5 Beroep

Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.