| Plan: | TAM-omgevingsplan Oosterhout, Peperstraat ong. |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-IMRO |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0408OOSTpeperstr-VSG1 |
De initiatiefnemer wil op een perceel op de hoek van de Peperstraat en de Dijkstraat te Oosterhout één vrijstaande woning realiseren. Dit perceel is momenteel agrarisch in gebruik. Het initiatief past niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe, dat op deze locatie van toepassing is.
De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied.
Het plangebied ligt op de grens van de bebouwde kom van Oosterhout en het buitengebied binnen de gemeente Overbetuwe, aan de zuidwestelijke rand van het dorp. Ten zuiden/zuidoosten van het plangebied liggen de Waal, de uiterwaarden van deze rivier en de Waaldijk. Ten noorden en ten westen van het plangebied zijn voornamelijk agrarische gronden aanwezig, waaronder boomgaarden en kassen. Zuidwestelijk van het plangebied is een bebouwingslint aanwezig met een aantal (bedrijfs)woningen. Oostelijk van het plangebied is betrekkelijk recent de woningbouwontwikkeling Hoge Wei gerealiseerd. Hierdoor grenst het plangebied nu aan de bebouwde kom, waar het voorheen tot een bebouwingslint als uitloper van de bebouwde kom behoorde. De ligging van het plangebied is op afbeelding 1 aangegeven.
Het plangebied zelf betreft een agrarisch perceel op de hoek van de Peperstraat en de Dijkstraat. Dit is vrijwel geheel onbebouwd en ingericht als weiland. In de noordoostelijke hoek is verharding en kleinschalige bebouwing aanwezig. Hier vindt op kleine schaal opslag plaats. Voor een uitvoeriger beschrijving van de huidige situatie en de begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar Hoofdstuk
2.
|
| Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: Google Maps) |
In het plangebied is op grond van het op 1 januari 2024 ontstane tijdelijke omgevingsplan de beheersverordening 'Buitengebied, beheersverordening De Danenberg' van toepassing. Deze beheersverordening verklaart op het plangebied het daarvóór geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Valburg (herziening 2002)' van de voormalige gemeente Valburg van toepassing. Afbeelding 2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij dat bestemmingsplan.
Het plangebied heeft op basis van het genoemde bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch gebied'. De meest zuidelijke rand van het plangebied is bestemd als 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Er is geen bouwvlak van toepassing in het plangebied. Het plangebied ligt tevens binnen gebieden die zijn aangewezen als 'Natuurrandzone' (N) en 'Kernrandzone' (K).
|
| Afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Valburg (herziening 2002)', van toepassing op basis van de beheersverordening 'Buitengebied, beheersverordening De Danenberg' als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
De initiatiefnemer wil op het perceel een woning met bijbehorend erf realiseren. Dit is niet toegestaan volgens de bouw- en gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan. Om de gewenste bebouwing en gebruik mogelijk te maken, is een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan nodig. Hierbij is ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan in de vorm van een TAM-omgevingsplan te doorlopen.
Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.
Het plangebied beslaat een perceel op de hoek van de Peperstraat en de Dijkstraat te Oosterhout, kadastraal bekend als gemeente Valburg, sectie L, perceelnummers 3112 en 3113. Het plangebied volgt de kadastrale grens van deze percelen en heeft een oppervlakte van ruim 5.500 m². In afbeelding 3 is de begrenzing van het plangebied indicatief aangegeven en is de huidige situatie in het plangebied en de directe omgeving zichtbaar. Het plangebied ligt aan de Peperstraat en de Dijkstraat, welke beide tot de historische wegenstructuur rondom Oosterhout behoren. Ten noorden van het plangebied is een woonperceel met landschapstuin aanwezig en aan de oostkant aan de overzijde van de Peperstraat zijn eveneens enkele woonpercelen gelegen, waarvan enkele recent zijn gerealiseerd. Aan de zuidoostkant van het plangebied is een perceel met openbaar groen aanwezig. Daarachter is de Waaldijk gelegen. Aan de overzijde van de Dijkstraat zijn enkele percelen met woningen, bedrijfswoningen en bijbehorende erven aanwezig. Tot slot is ten westen van het plangebied een agrarische bedrijfswoning met omliggend perceel aanwezig, met aangrenzend teeltgronden (boomteelt).
Het plangebied zelf is momenteel in gebruik en ingericht als weide. Aan de randen van de weide zijn op gelijkmatige afstand van elkaar bomen geplant. Ook is er een erfafscheiding in de vorm van een lage haag aanwezig. In de noordoostelijke hoek van het perceel is kleinschalige verharding aanwezig, waarop opslag van hout e.d. plaatsvindt. Hier is het perceel ook toegankelijk vanaf de Peperstraat. Op afbeelding 4 is de huidige situatie zichtbaar, bezien vanaf de Peperstraat.
|
| Afbeelding 3: huidige situatie en indicatieve begrenzing plangebied (bron: Google Maps) |
|
| Afbeelding 4: zicht op het plangebied vanaf de Peperstraat (Bron: Google Maps) |
De initiatiefnemer wil één vrijstaande woning realiseren in het plangebied. Beoogd wordt om deze aan de noordoostkant van het perceel te realiseren, aan de zijde van de Peperstraat. De realisatie van een vrijstaande woning op deze plek past ruimtelijk en functioneel bij de omgeving. Het initiatief is tegen de kern van Oosterhout gelegen, waarbij de realisatie van een woonperceel op deze plek logisch aansluit bij het bestaande bebouwingslint aan de westkant van de Peperstraat.
Het perceel wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat wordt gezorgd voor een zachte overgang van de kern naar het buitengebied. Het initiatief zorgt daarnaast ook in ecologisch opzicht voor een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De landschappelijke inpassing en inrichting is in Bijlage 1 nader uitgewerkt en beschreven. In afbeelding 5 is de toekomstige inrichting weergegeven.
Met de beoogde inrichting ontstaan drie deelgebieden binnen het plangebied:
De drie delen worden met hagen omgeven, waardoor een natuurlijke afscheiding tussen de plandelen ontstaat. In paragraaf 4.3 wordt nader toegelicht dat de beoogde inrichting en inpassing passen binnen het landschapsbeleid van de gemeente.
|
| Afbeelding 5: inrichting plangebied in de toekomstige situatie (bron: Oostzee) |
De nieuwe woning sluit qua ligging en vormgeving aan op het bestaande lintje aan de Peperstraat. De woning heeft een terugliggende rooilijn en is bescheiden in afmeting en vormgeving. De voorgestelde dwarskap vormt een uitzondering op de vele langskappen aan de Peperstraat en rondt hierbij het losse dorpslint af. De architectuur krijgt een landelijk karakter en wordt hedendaags uitgevoerd met traditionele materialen en stijlelementen. De woning zal bestaan uit één bouwlaag met een relatief grote kap (maximale goothoogte 4 meter en maximale bouwhoote 9 meter). De inhoud bedraagt maximaal 800 m³. Bij de woning wordt een bijgebouw voorzien, dat in omvang en hoogte ondergeschikt zal zijn aan het hoofdgebouw. Het woonperceel is toegankelijk vanaf de Peperstraat ter plaatse van de bestaande perceelstoegang. Op eigen terrein wordt voorzien in de benodigde parkeerplaatsen voor de woning.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:
Beoordeling en conclusie
Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de realisatie van één woning aansluitend op de bebouwde kom en de bestaande bebouwde structuren in de directe omgeving, in combinatie met een zorgvuldig landschappelijk ontwerp en inpassing, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambitites uit de NOVI.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substatieel is'.
Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening woren gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.
Beoordeling en conclusie
Het plan ziet toe op de realisatie van één woning. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de realisatie van één woning geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:
De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.
Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst. Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden een nieuw woonperceel mogelijk te maken. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2024.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Beoordeling
Uit toetsing aan de Omgevingsverording komen de volgende relevante thema's en regels naar voren.|
Wonen
Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. In paragraaf 4.3 wordt hieraan nader getoetst. Het plan past binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan de instructieregel wordt voldaan.
Gelderse streek Over-Betuwe
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.
Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.
De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd:
Toets
Het plangebied ligt op de overgang tussen het buitengebied en de bebouwde kom van Oosterhout. Kenmerkend is de ligging nabij de Waaldijk. Rondom het plangebied is geen sprake van een grootschalig open gebied, maar van overwegend kleinschalige woon- en agrarische erven gelegen aan de oorspronkelijke lintstructuren rondom Oosterhout. De realisatie van één woonperceel ter plaatse van de bestaande weide in het plangebied doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de streek Over-Betuwe, doordat er sprake is van een robuuste en gebiedseigen landschappelijke inpassing. Zie daarover nader paragraaf 4.3. Bovendien sluit de realisatie van het woonperceel logisch aan op de bestaande stedenbouwkundige en functionele structuur.
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken.
In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen:
Beoordeling
Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Oosterhout. Oosterhout is een lint-dorp, waar kleinschaligheid en een dorps karakter kenmerkend zijn. Om het dorp heen zijn de uiterwaarden, het agrarisch landschap en de groene buffers naar de Waalsprong en Park 15 belangrijk en kenmerkend. In het buitengebied worden door de gemeente zeven deelgebieden met verschillende ontwikkelmogelijkheden onderscheiden. De ambities per deelgebied zijn in de Omgevingsvisie geformuleerd.
Het plangebied ligt op een snijvlak van gebieden met verschillende karakteristieken. Naast de ligging aan de rand van de bebouwde kom (dorpsrandzone), ligt het plangebied aan de rand van de landschappelijke zone van het 'Landbouwlandschap (knoop 38 en De Danenberg) enerzijds en een agrarische zone anderzijds. Door de ligging op het snijvlak van deze verschillende gebieden, staat bij de planontwikkeling centraal dat de beoogde invulling en inrichting voor een logische overgang zorgt en past bij deze verschillende karakteristieken. De realisatie van één woonperceel sluit stedenbouwkundig aan op de bestaande bebouwing van de bebouwde kom. Er wordt een compact woonperceel gerealiseerd, omgeven met een weide en een landschapselement in de vorm van een hoogstamboomgaard. Hierdoor zijn kenmerkende kleinschalige elementen aan het plangebied toegevoegd, terwijl het westelijk perceel een meer open karakter behoudt (kamer). De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met de kenmerken van de omgeving en past bij de doelstellingen uit de Omgevingsvisie.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen:
Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.
Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het deelgebied 'Landgoed Loenen, Slijk-Ewijk, Danenberg' (deelgebied 8). Voor deelgebied 8 zijn twee plannen opgesteld: landschapsvisie Slijk-Ewijk/landgoed Loenen en de landschapsvisie De Danenberg. Het plangebied behoort tot laatstgenoemd gebied. De plannen geven aan dat behoud en versterking van de landschappelijke karakteristieken, zoals cultuurhistorische relicten, contrast tussen openheid en besloten oeverwal en de zandwinplassen van belang zijn. Ook zijn recreatieve verbindingen in de plannen uitgebreid opgenomen. Het LOP pleit voor uitvoering van de landschapsvisie Slijk-Ewijk/landgoed Loenen en de Danenberg. Uit de landschapsvisie voor de Danenberg volgen onder meer de volgende voor het plangebied relevante gebiedsspecifieke opgaven:
In het kader van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit is opgenomen in Bijlage 1 bij deze motivering. Hieronder is dit plan weergegeven (afbeelding 6).
|
| Afbeelding 6: landschappelijke inpassing en inrichting plangebied (bron: Oostzee) |
Bij de totstandkoming van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de kenmerken en kwaliteiten van de omgeving van het plangebied en met de doelstellingen uit het LOP en de landschapsvisie voor de Danenberg. Concreet zijn in het plan de volgende landschappelijke inpassings-/ inrichtingsmaatregelen opgenomen (nummering verwijst naar afbeelding 6):
Met deze inpassing- en inrichtingsmaatregelen ontstaan binnen het plangebied drie kleinere deelgebieden met elk een eigen karakteristiek, die aansluit bij de omgeving met ten noorden en ten westen van het plangebied landschapstuinen. De kleinschaligheid wordt versterkt en de overgang tussen de rand van de bebouwde kom en het buitengebied verbeterd. Tegelijkertijd wordt de bestaande open weide deels gehandhaafd, waardoor een afwisselend landschap ontstaat. Door de toevoeging van streekeigen beplanting verbetert ook de ecologische waarde.
Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.
Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.
Beoordeling en conclusie
In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt.
Gezien de omvang en locatie kan de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de realisatie van slechts één woning aansluitend op de bebouwde kom, niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
| Geluidbronsoorten | Standaardwaarde |
| Rijkswegen en provinciale wegen | 50 Lden |
| Gemeentewegen en waterschapswegen | 53 Lden |
| Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen | 55 Lden |
| Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg | |
De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.
Beoordeling
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt een nieuw geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt, namelijk een woning. De woning ligt in de nabijheid van enkele wegen (Peperstraat, Dijkstraat en Waaldijk). Spoorwegen zijn in de omgeving niet gelegen. Omdat niet op voorhand uitgesloten is dat de woning binnen een geluidaandachtsgebied ligt, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 2. Hoewel in deze rapportage is getoetst aan het wettelijk kader vóór invoering van de Omgevingswet, kan op basis van het onderzoek voldoende worden getoetst aan het huidige wettelijke kader en is het onderzoek dus representatief.
Uit het onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting vanwege het wegverkeer maximaal 51 dB bedraagt bedraagt. De betreffende wegen betreffen gemeente-/waterschapswegen. Er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Daarnaast wordt met een standaard gevelwering van ten minste 20 dB een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning bereikt. Ter plaatse van de beoogde woning is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek of aanvullende maatregelen zijn niet nodig.
Conclusie
Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).
Niet in betekende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
Beoordeling
Grenswaarde
Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied. Uit raadpleging van het CIMLK-instrument blijkt dat de achtergrondwaarden op de rekenpunten in de omgeving van het plangebied aanzienlijk lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Invloed plan op luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in de realisatie van slechts één woning. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde.
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied.
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.
Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige activiteit. Er worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.
In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en agrarische gronden aanwezig. Er zijn geen (agrarische) bedrijven of andere milieubelastende functies in de omgeving aanwezig, waarvan een relevante milieubelasting richting het plangebied te verwachten is. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied is dan ook voldoende gewaarborgd zonder het stellen van nadere regels in dit omgevingsplan. Daarnaast leidt het plan niet tot belemmeringen voor functies in de omgeving.
Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. Van deze afstand kan gemotiveerd worden afgeweken. Het nieuwe woonperceel wordt op circa 70 meter afstand van de agrarische percelen ten noordwesten van het plangebied gerealiseerd en daarmee op voldoende afstand. Voor het overige zijn er in de omgeving geen percelen aanwezig waar teelt plaatsvindt of op bedrijfsmatige schaal kan plaatsvinden. Binnen het plangebied is een dergelijk gebruik uitgesloten in de regels. Zodoende vormt de aanwezigheid van spuitzones geen belemmering voor het plan.
Conclusie
Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van een nieuw geurgevoelig gebouw mogelijk. Er worden geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig of andere activiteiten toegestaan, die tot geurhinder leiden. De realisatie van de nieuwe woning vormt dan ook geen belemmering voor bestaande activiteiten in de omgeving. Anderzijds is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd.
Conclusie
Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.
Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk. Hiermee is er sprake van een nieuw bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in Bijlage 3. Hierna worden de resultaten van het onderzoek besproken.
In de bodem zijn hooguit lichte verontreinigingen aangetroffen (cadmium en nikkel). De aangetroffen gehalten zijn dermate laag, dat er geen aanleiding tot nader onderzoek is. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen, die kan worden verklaard door een van nature verhoogd gehalte. Ook dit geeft geen aanleiding tot nader onderzoek.
Uit het onderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie.
Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden.
Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is.
Groepsrisico
De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.
Beoordeling
Het initiatief betreft het realiseren van één vrijstaande woning in het plangebied. Het plangebied betreft nu een agrarische perceel op de hoek van de Peperstraat en de Dijkstraat. Dit is vrijwel geheel onbebouwd en ingericht als weiland. Op basis van de signaleringskaart externe veiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 7 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
|
| Afbeelding 7: Uitsnede EV signaleringskaart (geraadpleegd op 25 juni 2024) met het plangebied in de zwarte cirkel. |
De informatie van de kaarten levert de volgende inzichten op.
Het plangebied ligt op ca. 640 meter ten zuidoosten van twee hogedruk aardgasleidingen (A-524 en A-533), ca. 400 meter van de Waal, ca. 1700 meter van de snelweg A15 en ca. 1900 meter van de Betuweroute. Daarnaast ligt het plangebied op ca. 2.500 meter ten zuiden van het emplacement Container Uitwissel Punt Betuweroute (CUP).
Plaatsgebonden risico
Op basis van het Bkl, de regeling Basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied liggen. Dit betekent dat wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarde van het Plaatsgebonden Risico zoals genoemd in artikel 5.7 en 5.11 van het Bkl.
Groepsrisico
Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied niet gelegen in een aandachtsgebied van deze risicobronnen. Hierdoor hoeft er geen rekening te worden gehouden met het groepsrisico, maar dient er wel rekeningen te worden gehouden met mogelijkheden van bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening in het geval van brand, ramp of crisis.
Verantwoording groepsrisico
Volgens artikel 5.2 Bkl moet voor deze ontwikkeling beoordeeld worden of:
Bestrijdbaarheid
Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van de ontwikkeling.
Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De aanwezigen dienen te worden geïnformeerd over de risico's en hun handelingsperspectief.
Het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden van 19 juni 2024, kenmerk Z2024-00002241, geeft het volgende aan:
Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons.
De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant en enkel ter verbetering.
Uit het advies is naar voren gekomen dat VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Gezien de beoogde ontwikkeling en het betreffende scenario zijn aanvullende bouwkundige veiligheidsmaatregelen niet zinvol. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico is voldoende verantwoord en aanvaardbaar.
Geneeskundige hulpverlening
De huidige protocollen en ruimtelijke invulling zijn toereikend voor de hulpverlening. De veiligheidsregio heeft in het kader van de geneeskundige hulpverlening geen aanvullend advies uitgebracht.
Conclusie
Het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Het plangebied ligt buiten een aandachtsgebied van een risicobron. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht. Het restrisico wordt geaccepteerd.
In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond.
Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Dergelijke werkzaamheden zijn bij het oprichten van de nieuwe woning aan de orde. De risico's zullen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in beeld moeten worden gebracht, zodat de werkzaamheden veilig en zonder belemmeringen kunnen plaatsvinden. Dit staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Nader onderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.
Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.
Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:
Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.
Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing.De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
Beoordeling (watertoets)
Hemelwater en vuilwater
Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard. Uitzondering betreft de verharding in de noordoostelijke hoek (circa 140 m²). In de toekomstige situatie wordt een woonperceel met een hoofdgebouw, bijgebouw en een erf met drie parkeerplaatsen gerealiseerd. Het verhard oppervlak neemt hierdoor toe, maar deze toename is minder dan 500 m². Hierdoor geldt de vrijstellingsdrempel en is geen compensatie voor deze toename vereist. Dat neemt niet weg dat het plan zodanig wordt uitgevoerd dat hemel- en vuilwater gescheiden worden afgevoerd en er binnen het plan voldoende ruimte aanwezig is voor een natuurlijke wijze van afvoer van hemelwater.
Oppervlaktewater
Het plan voorziet niet in het verwijderen of wijzigen van oppervlaktewateren. Aan de zuidoostelijke randen van het plangebied ligt een A-watergang. Deze wordt gehandhaafd en voor de toegang tot het perceel wordt gebruik gemaakt van de bestaande duiker. De onderhoudsstrook/eschermingszone bij de watergang van 4 meter breedte wordt planologisch beschermd door middel van een werkingsgebied ('Waterstaat - Waterlopen'), waarin beperkingen zijn gesteld aan het bebouwen van de gronden en aan het uitvoeren van bepaalde activiteiten met negatieve effecten op (het beheer en onderhoud van) de watergang. Binnen deze strook mogen ook geen bomen worden geplant.
Aan de westelijke rand van het plangebied ligt een C-watergang. Deze watergang heeft geen beschermingszone. Er vinden geen ingrepen plaats aan de watergang. Negatieve effecten zijn hierdoor niet aan de orde.
Het plan heeft geen negatieve effecten op oppervlaktewateren.
Waterkeringen
Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van de waterkering ten zuiden van het plangebied (Waaldijk). De buitenbeschermingszone van deze waterkering ligt geheel binnen het plangebied. Het realiseren van het nieuwe woonperceel is niet strijdig met de regels voor de buitenbeschermingszone. De binnenkant van de beschermingszone reikt alleen over het zuidoostelijke deel. Binnen deze zone gelden meer beperkingen vanwege het belang van de waterkering. Het nieuwe woonperceel wordt buiten de uiterste bebouwingsgrens gerealiseerd. Door middel van een werkingsgebied ('Waterstaat - Waterkering') worden binnen de binnenkant van de beschermingszone beperkingen gesteld aan het realiseren van bebouwing en het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Bij verlening van een omgevingsvergunning moet altijd worden getoetst aan de belangen van de waterkering en moet de beheerder om advies worden gevraagd. Het waterschap is voorafgaand aan de publicatie van de ontwerp omgevingsplanwijziging om advies gevraagd en heeft op 4 juli 2024 aangegeven dat het bouwvlak zich in de buitenbeschermingszone bevindt en ook buiten de invloedslijn van het profiel van vrije ruimte en achter de bouwgrens. Aangezien het initiatief duidelijk buiten de bouwgrens ligt, hoeft het plan niet ingetekend worden op de legger waterkeringen.
Al met al wordt met dit TAM-omgevingsplan voorzien in adequate regels met het oog op de bescherming van de waterstaatsbelangen.
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.
De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.
NNN-gebieden
Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
Soortenbescherming
Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie.
Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.
Beoordeling
Het plan voorziet in de realisatie van een nieuw woonperceel ter plaatse van het bestaande weiland. Ook worden enkele landschapselementen verplaatst en toegevoegd. Omdat negateieve effecten op beschermde flora en fauna op voorhand niet volledig zijn uitgesloten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het integrale rapport is als Bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd. In deze paragraaf is een samenvatting van de bevindingen weergegeven.
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Nationaal landschap, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast hebben de voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het plangebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben.
Een negatief effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van de quickscan op voorhand niet uitgesloten worden. Vanwege de korte afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken, is een significant negatief effecten in de vorm van stikstofdepositie op voorhand niet uitgesloten. Daarom is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in Bijlage 5. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de gebruiks- als in de realisatiefase van het plan geen deposities >0,00 mol/ha/j optreden op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.
Het onderdeel gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het plan.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Van de ter plaatse nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. De voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Deze restrictie staat de uitvoerbaarheid niet in de weg.
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen is om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van de vogels worden uitgevoerd. Voor het overige zijn er geen restricties aan het plan verbonden. Vanuit het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:
Beoordeling
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt niet binnen een specifiek aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Er zijn ook geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen of elementen aanwezig. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Archeologie
Het plangebied ligt op basis van de actuele gemeentelijke archeologische beleidskaart vrijwel geheel binnen een gebied met archeologische waarden (categorie 3 van de beleidskaart) en in de meest noordwestelijke hoek binnen een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6). Het beoogde woonperceel wordt geheel binnen de eerstgenoemde zone gerealiseerd. Daarom is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 6.
Uit het onderzoek, dat bestaat uit een bureau- en een veldonderzoek, blijkt dat de kans klein is dat in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is. Op basis van deze bevindingen is de locatie vrijgegeven.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het plan uitvoerbaar.
Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Hierna is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en het aantal te realiseren parkeerplaatsen.
Het plan maakt de realisatie van één vrijstaande woning mogelijk. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen voor deze woning (locatie: overige kernen). In het plan is voorzien in een erf met ruimte voor minimaal 3 parkeerplaatsen bij de woning. Hiermee worden op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. In de planregels is ter waarborging tevens een parkeerregeling opgenomen.
Verkeer
De realisatie van één nieuwe vrijstaande woning leidt tot een beperkte toename van de verkeersgeneratie. In de huidige situatie is er sprake van hooguit incidenteel verkeer. De nieuwe woning genereert op basis van de kencijfers van het CROW (publicatie 381) circa 8,2 vervoersbewegingen per etmaal. De woning wordt via de bestaande perceelsontsluiting op de Peperstraat aangesloten. Gezien het zeer geringe aantal verkeersbewegingen, is op voorhand duidelijk dat het plan geen onevenredig negatieve effecten op de verkeersafwikkeling tot gevolg heeft. Het verkeer gaat direct op in het heersende verkeersbeeld. Er zijn in dit opzicht geen belemmeringen voor het plan aan de orde.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Landelijk bestaat de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners.
Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten, zoals de omgevingsvisie, -verordening en programma's.
Beoordeling en conclusie
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk. Bij de inrichting van het plangebied is in ruime mate ruimte voor groen behouden. Dit draagt bij aan het behoud van een gezonde en prettige woon- en leefomgeving. Daarnaast ligt het plangebied op een locatie, waar de verblijfskwaliteit goed is. Dit is uit de voorgaande paragrafen gebleken. Er zijn ook geen geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het plan houdt op een vernatwoorde wijze rekening met het gezondheidsbelang en de beoogde functie is met het oog op de gezondheid verantwoord op deze locatie.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het onderdeel duurzaamheid integraal onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Duurzaamheid is een breed begrip; de gemeente verstaat hieronder in ieder geval de volgende aspecten:
Beoordeling
Bij het bepalen van de inrichting van het plangebied, de landschappelijke inpassing en de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is duurzaamheid een integraal onderdeel in het ontwerpproces geweest. In het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 is hierover het nodige opgenomen. Hieronder worden de voornaamste overwegingen, maatregelen en principe beschreven:
Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch mogelijk maken van één nieuw woonperceel met bijbehorende bebouwing en tuin-/landschapsinrichting op de hoek Peperstraat-Dijkstraat te Oosterhout. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe.
Het 'TAM-omgevingsplan Oosterhout, Peperstraat ong.' bestaat uit de volgende onderdelen:
De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
De regels worden zoals gezegd opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. De regels bevatten de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.
De (digitale) verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies, in dit geval 'Agrarisch', 'Groen' en 'Wonen'. Ook zijn er een bouwvlak en enkele werkingsgebieden (maatvoeringen) voor specifieke regels opgenomen. Tot slot zijn werkingsgebieden met het oog op de borging van de belangen van bepaalde andere functies opgenomen, namelijk een A-waterloop en een waterkering.
De opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is waar mogelijk aansluiting gezocht bij de planregels van het bestemmingsplan 'Oosterhout' en de recente herziening van de bestemmingsplannen voor de kernen Driel, Randwijk, Slijk-Ewijk en Valburg. Deze bestemmingsplannen maken allen onderdeel uit van het van rechtswege ontstane omgevingsplan. Hiermee wordt de rechtseenheid binnen het tijdelijke omgevingsplan bevorderd.
Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht.
Agrarisch
Het westelijke gedeelte van het plangebied behoudt de functie 'Agrarisch', die ook op basis van de geldende bestemming van toepassing is. Hier blijft een weide aanwezig. De gronden zijn bedoeld voor grondgebonden agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten dienste van de betreffende functies mogen met een omgevingsvergunning alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hiervoor zijn beoordelingsregels opgenomen.
Groen
Voor het zuidoostelijke perceelsgedeelte is het werkingsgebied 'Groen' opgenomen. Deze gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, paden, beeldende kunstwerken en in-/uitritten. Ten dienste van de betreffende functies mogen met een omgevingsvergunning alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hiervoor zijn beoordelingsregels opgenomen.
Wonen
Het toekomstige woonperceel krijgt het werkingsgebied 'Wonen'. Deze gronden zijn bedoeld voor de functies wonen (eventueel met een aan huis gebonden beroep/bedrijf), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bijbehorende voorzieningen, waaronder tuinen en parkeervoorzieningen.
Er zijn beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen, aan-/uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Het hoofdgebouw moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. In de beoordelingsregels zijn verder maatvoeringseisen voor de verschillende typen bouwwerken opgenomen. Indien aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, kan een omgevingsvergunning worden verleend.
Waterstaat - Waterkering en Waterstaat - Waterlopen
Deze twee werkingsgebieden zijn opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van respectievelijk de waterkering en de A-waterloop. Binnen deze werkingsgebieden gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij beperkingen aan het bebouwen van de gronden worden gesteld. Er zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen, waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken te kunnen verkrijgen. Tevens is een voorrangsregeling opgenomen, waaruit blijkt welke bepalingen bij eventuele strijdigheid voorgaan. Met deze regels zijn de belangen van het functioneren en onderhouden van de waterloop en waterkering geborgd.
Algemene regels
In de algemene regels zijn regels opgenomen, die voor het gehele werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan van toepassing zijn.
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen, die voor elke omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteit van toepassing zijn. Het betref onder meer een regeling voor ondergronds bouwen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat een algemene strijdig gebruiksbepaling, alsmede de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met het TAM-omgevingsplan. Ook is een parkeerregeling opgenomen, die van toepassing is bij een wijziging van het gebruik.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van de regels uit het omgevingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor bouwwerken en voor gebruik opgenomen.
De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten (zie hierna). Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar.
De ontwikkeling betreft een bouwactiviteit waarvan kosten moeten worden verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van arti-kel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk.
De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.
De wijze waarop participatie wordt uitgevoerd is door de wetgever niet bepaald. Gemeenten kunnen hiervoor beleid opstellen. De gemeente Overbetuwe beschikt over beleid op dit gebeied.
Gezien de kleinschalighewid van het initiatief is een uitvoerig participatietraject niet vereist en niet doelmatig. De initiatiefnemer de omwonenden tijdig op de hoogte gebracht van het initiatief en de buurt goed en tijdig geïnformeerd. Er zijn geen overwegende bezwaren naar voren gekomen.
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.
De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is door de gemeente bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Ook is er geen aanleiding geweest tot ambtshalve wijzigingen aan het plan.
De omgevingsplanwijziging wordt vervolgens vastgesteld door de gemeenteraad.
Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. werking.