| Plan: | Buitengebied, Honingveldsestraat 6a, Driel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0366BUITHningvld6a-VSG1 |
Op de locatie Honingveldsestraat 6a te Driel in het buitengebied van Overbetuwe is momenteel een paardenhouderij/manege aanwezig. De initiatiefnemer wil deze functie beëindigen, de bestaande bebouwing slopen en op het perceel een meergeneratiewoning met één zelfstandig en twee onzelfstandige woningen, plus één vrijstaande woning oprichten. Daarbij is de wens om de meergeneratiewoning in de toekomst om te kunnen zetten naar maximaal 3 zelfstandige wooneenheden. Om de realisatie van het initiatief mogelijk te maken, is een wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming nodig en moet het bestemmingsplan worden herzien. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Honingveldsestraat 6a, Driel' maakt de beoogde ruimtelijke en functionele wijzigingen mogelijk en stelt de kaders vast voor het plangebied.
Het plangebied betreft de locatie Honingveldsestraat 6a te Driel. Deze locatie ligt in het buitengebied van Overbetuwe, ten zuidoosten van de kern Driel. Circa 800 meter ten oosten van het plangebied ligt de Arnhemse wijk Schuytgraaf. Het plangebied ligt in een overwegend agrarisch gebied, vlakbij de bebouwde kom. Aan de Honingveldsestraat en de nabij gelegen Elster Grindweg zijn bebouwingslinten met voornamelijk woningen aanwezig. De ligging van het plangebied is indicatief aangegeven op afbeelding 1.1.
|
| Afbeelding 1.1: ligging plangebied (bron: Bing Maps) |
In het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. Op afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het huidige bestemmingsplan opgenomen. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing in het plangebied:
In het plangebied is ook het bestemmingsplan 'Overbetuwe, Paraplubestemmingsplan Plussenbeleid' (vastgesteld op 7 januari 2020) van toepassing. Dit bestemmingsplan stelt nadere regels aan het uitbreiden van intensieve veehouderijen. Daarvan is hier geen sprake.
|
| Afbeelding 1.2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', met in rood kader de begrenzing van het plangebied en in blauw kader het bouwvlak verbeeld (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het niet mogelijk om nieuwe woningen op te richten. Het initiatief is ruimtelijk en functioneel in strijd met het huidige bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Hiermee kan het initiatief mogelijk worden gemaakt en kunnen hieraan de gewenste randvoorwaarden worden gesteld.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.
Het plangebied beslaat de locatie Honingveldsestraat 6a te Driel. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heteren, sectie O, perceelnummer 809. Dit agrarische perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 4 hectare en ligt ten zuidoosten van de kern Driel. Het maakt onderdeel uit van een oud bebouwingslint aan weerszijden van de Honingveldsestraat. Het plangebied wordt begrensd door de Honingveldsestraat aan de noordzijde, een A-watergang aan de oostzijde, agrarische percelen aan de zuid- en westzijde en het woonperceel Honingveldsestraat 5 aan de noordwestzijde. De begrenzing is op afbeelding 2.1 indicatief zichtbaar.
Op het perceel is een paardenhouderij/manege aanwezig, alsmede een paardenpension. Er is één fors (bedrijfs)gebouw aanwezig, met een oppervlakte van ongeveer 3.100 m². De paardenhouderij/manege bestaat uit een binnenrijbaan, foyer, buitenrijbaan (ten westen van de bebouwing), 42 paardenboxen, een overdekte 8-paards trainingsmolen, paddocks en een weidegang. Op de locatie is ook één inpandige bedrijfswoning aanwezig.
Afbeeldingen 2.1 en 2.2 geven een indruk van de huidige situatie, waarbij op het noordelijk deel van het perceel relatief grootschalige bebouwing en verharding aanwezig is. Deze is op enige afstand van de weg gelegen. Het perceel is toegankelijk via één ontsluiting aan de noordoostzijde van het perceel. De zuidkant van het perceel is weliswaar grotendeels onbebouwd, maar de hekken/terreinafscheidingen zijn dominant in het landschap aanwezig.
|
| Afbeelding 2.1: huidige situatie en begrenzing plangebied (bron: Google Maps) |
|
|
|
| Afbeelding 2.2: vogelvlucht- en vooraanzichten huidige bebouwing en verharding (bron: Oostzee) |
De initiatiefnemer wil de huidige agrarisch functie als paardenhouderij en -pension beëindigen. De vrijkomende agrarische bebouwing, de klinkerverharding en de bijbehorende voorzieningen (zoals stapmolen, rijbak en terreinafscheidingen) worden gesloopt c.q. verwijderd. Het agrarisch bouwvlak wordt daarmee ook verwijderd. In plaats van de te slopen/verwijderen bebouwing en voorzieningen wil de initiatiefnemer één meergenratiewoning met één zelfstandige en twee onzelfstandige wooneenheden realiseren centraal op het perceel. In de toekomst wordt de meergeneratiewoning mogelijk omgezet in drie zelfstandige wooneenheden. Aan de westkant van het perceel wordt één vrijstaande woning opgericht. De vrijstaande woning krijgt een geïntegreerde aanbouw. De meergeneratiewoning krijgt een vrijstaand bijgebouw ten oosten van de hoofdmassa, plus een geïntegreerde aanbouw. Afbeelding 3.1 geeft de beoogde situering van deze bebouwing weer.
Zowel de meergeneratiewoning als de vrijstaande woning krijgen een compact erf met bijbehorende tuinen. Er komt één gedeelde ontsluiting op de Honingveldsestraat. Parkeren zal op eigen terrein worden opgelost. Het voorste (noordelijke) perceelsdeel blijft vrij van bebouwing. Hier komen weides, alsmede een fruitboomgaard. Ook het zuidelijk deel van het perceel blijft onbebouwd. Dit zal hoofdzakelijk als weide worden ingericht en een natuurlijker karakter krijgen dan in de huidige situatie. Mogelijk wordt hier tevens een paddenpoel gerealiseerd. De percelen en bebouwing worden landschappelijk ingepast. Dit onderdeel wordt nader toegelicht in paragraaf 4.3.
|
| Afbeelding 3.1: toekomstige inrichting met landschappelijke inpassing (bron: Oostzee) |
Het nieuwe gebouw van de meergeneratiewoning krijgt de allure van een landhuis, gevestigd aan de rand van het open kommenlandschap en passend binnen de landelijke sfeer van de omgeving. Het bebouwingsensemble is vormgegeven als een centraal gelegen hoofdelement (de meergeneratiewoning) met een samenstelling van meerdere, in omvang min of meer gelijkwaardige, rechthoekige (bij)gebouwen. Voor de nieuwe bebouwing is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat eveneens is opgenomen in Bijlage 1. Dit zal onderdeel gaan uitmaken van de welstandstoetsing. De architectonische expressie heeft bij voorkeur een eigentijds karakter. In afbeelding 3.2 en in de bijlage zijn referentiebeelden opgenomen.
Het woongebouw (hoofdgebouw) krijgt een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 12 meter. De inhoud is maximaal 2.400 m³ (exclusief bijgebouw en aanbouw). Zoals eerder aangegeven mogen er maximaal drie woningen in de meergeneratiewoning komen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat het woongebouw een geveluitstraling heeft van drie woningen met ieder een eigen entree. Naast de hoofdmassa is een los bijgebouw beoogd met een oppervlakte van maximaal 240 m².
De overige bebouwing, inclusief de vrijstaande woning, wordt lager uitgevoerd, met een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 8 meter. De vrijstaande woning krijgt een inhoud van maximaal 800 m³ (exclusief inpandige aanbouw).
|
| Afbeelding 3.2: referentiebeelden voor de toekomstige bebouwing (bron: Oostzee) |
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het kader van de invoering van de Omgevingswet (Ow), die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie, zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.
Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en omvat een ontwikkeling van lokaal belang. Het betreft immers het omzetten van een agrarische bedrijfslocatie (paardenhouderij en -pension) naar kleinschalige woningbouw. Er zijn geen nationale belangen, zoals beschreven in de NOVI, in het geding. Het plan is niet in strijd met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).
In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt: 'De toelichting
bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een
beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling
mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand
stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.
Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bedrijfslocatie, bestaande uit een paardenhouderij en -pension met een aanzienlijke hoeveelheid bebouwing en verharding, naar kleinschalige woningbouw. In de toekomstige situatie zijn er in totaal maximaal vier wooneenheden in het plangebied aanwezig. Volgens vaste jurisprudentie is een ontwikkeling in deze omvang niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:
De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.
Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. Gezien de aard en omvang van het initiatief, is dit bestemmingsplan niet in strijd met de provinciale ambities in de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van februari 2022.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen op de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening:
Deze aanduidingen stellen beperkingen aan respectievelijk glastuinbouw en de winning van fossiele energie. Deze functies en activiteiten zijn zowel in de huidige als toekomstige situatie in het plangebied niet aan de orde en ook niet toegestaan.
Romeinse limes
Het noordwestelijk deel van het plangebied ligt aan de rand van de Romeinse limes. Bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes, mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. Deze kernkwaliteiten bestaan uit: forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken. Gezien de aard en omvang van het plan is van een aantasting van deze kernkwaliteiten geen sprake. In de huidige situatie zijn in het plangebied grootschalige bebouwing en verharding aanwezig. Het bebouwd en verhard oppervlak nemen door het plan beide aanzienlijk af. In de huidige situatie zijn er geen zichtbare restanten van de limes aanwezig in het plangebied. In het kader van dit plan is tevens een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen archeologische waarden verloren gaan. Zie hierover nader paragraaf 5.12 en Bijlage 4.
Wonen
Het thema 'Wonen' voor dit bestemmingsplan van belang, omdat het plan het toevoegen van in totaal maximaal vier extra woningen mogelijk maakt. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer dit in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief/Kwantitatieve Woonprogramma past. De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgesteld in de Woonagenda Overbetuwe 2020. Zie daarover nader paragraaf 4.3. Er wordt maatwerk binnen het woningaanbod geleverd, een belangrijk speerpunt in beide woningbouwprogramma's. De vier extra woningen passen binnen het woningbouwprogramma. Verder kan worden opgemerkt dat er sprake is van een geschikte woningbouwlocatie in een woonomgeving, namelijk een bebouwingslint met woningen nabij de bebouwde kom. Door de ligging in een landelijk woonmilieu nabij de bebouwde kom, is het plangebied een aantrekkelijke woonlocatie.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.
De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.
In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:
Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.
Beoordeling
Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe. De gemeente wil het buitengebied vitaal houden, onder andere door meer te differentiëren. Daarom zijn er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelingsmogelijkheden.
Het plangebied ligt in het komlandschap. De komgronden werden extensief gebruikt als hooi- en weiland. Het verkavelingspatroon was regelmatig, het landschap open en grootschalig. Een stelsel van rechtlijnige weteringen zorgde voor de afwatering van het gebied. Door de kommen liepen slechts enkele wegen en er werd niet gewoond. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden de kommen intensiever gebruikt door de invoering van ruilverkavelingsplannen en door het toepassen van bemesting. De afwatering en ontwatering van de kommen werd verbeterd. Er werden nieuwe rechte wegen aangelegd, waarlangs boerderijen werden gebouwd en erfbeplanting werd aangebracht. De typerende openheid van de kommen is daardoor enigszins verloren gegaan.
Het plangebied maakt deel uit van een bebouwingslint langs één van de oorspronkelijke spaarzame wegen in het komlandschap nabij Driel. De huidige bebouwing, verharding en voorzieningen in het plangebied zijn echter dominant aanwezig in het landschap. De typerende openheid is hier dan ook verloren gegaan. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze bebouwing en voorzieningen verwijderd. In plaats daarvan komen één meergeneratiewoning en een vrijstaande woning terug, met daarbij behorende compacte erven. De toekomstige invulling past ruimtelijk en functioneel aanzienlijk beter binnen het bebouwingslint aan de Honingveldsestraat. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt bovendien natuurlijker en open ingericht. Hierdoor worden de typerende kenmerken van het kommenlandschap in zekere mate weer teruggebracht. Het initiatief past daarmee binnen de ontwikkelrichting, die door de gemeente in de Omgevingsvisie voor het landelijk gebied is voorzien.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in functiewijzigingen in het buitengebied, namelijk de omzetting van een agrarische bedrijfslocatie (manege/paardenhouderij) naar wonen. De beleidsregel is vertaald in de wijzigingsbevoegdheden van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling van de beleidsregel in agrarisch gebied. Artikel 7 van de beleidsregel bevat regels voor dit gebiedstype. De beleidsregel biedt mogelijkheden om een functiewijziging naar wonen toe te staan binnen het agrarisch gebied. Uitgangspunt is een reductie van bebouwing met ten minste 50%.
Met dit plan wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden, die deze beleidsregels biedt. De huidige agrrische bedrijfsbebouwing met een omvang van circa 3.100 m² wordt gesloopt. Bij sloop van meer dan 3.000 m² is er sprake van maatwerk. In principe wil de gemeente niet meer dan drie extra woningen toestaan bij de toepassing van deze beleidsregel. De bestaande woning telt daarbij niet mee. In dit geval zijn er in de toekomstige situatie vier woningen: één vrijstaande woning en één woongebouw met (maximaal) drie woningen. In de huidige situatie is er sprake van één inpandige bedrijfswoning, waardoor het aantal woningen met netto drie toeneemt. Het initiatief is daarmee in lijn met de uitgangspunten van de beleidsregel (bij sloop tot 3.000 m² is één woongebouw met drie wooneenheden mogelijk). Ook leidt het plan tot een reductie van het bebouwd oppervlak met meer dan 50% en neemt het verhard oppervlak aanzienlijk af.
De nieuwe woningen overschrijden wel de inhoudsmaten uit de beleidsregel (400-600 m³ per woning), maar dit onderdeel van het beleid is in het later vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (2013) gewijzigd. De in dat bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid naar 'Wonen' gaat uit van maximaal 800 m³ per woning en de Beleidsregel planologische afwijkingen (kruimelgevallen) stelt een maximale maatvoering van 1.000 m³ afweegbaar. Aan beide wordt voldaan. Daarnaast wordt deze inhoudsmaat door de sloop van méér dan 3.000 m² aan bebouwing in combinatie met de reductie van het overig verhard oppervlak, de afstand tot de weg en het feit dat de woningen in één meergeneratiewoning in plaats van losse vrijstaande woningen worden gerealiseerd, acceptabel geacht. De beoogde inhoudsmaten zijn ruimtelijk-stedenbouwkundig afgewogen en passen bij de beoogde inrichting van het erf en de beeldkwaliteit.
Bij de meergeneratiewoning wordt maximaal 180 m² aan aan-/uitbouwen toegestaan, alsmede een bijgebouw van maximaal 240 m². Met een totale oppervlakte van maximaal 420 m² bij de meergeneratiewoning (waarin maximaal 3 wooneenheden zijn beoogd, waarvan twee onzelfstandige), wordt voldaan aan de regels voor bijbehorende bouwwerken en dit komt overeen met de uitgangspunten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.
Het initiatief is in lijn met de beleidsregel, waarin voor dit geval maatwerk van toepassing is.
Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling betreft het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.
Doorwerking en conclusie
Het plangebied ligt in het deelgebied 13a, 'Het Vlot'. Dit betreft grofweg het gebied tussen enerzijds de randen van Arnhem (Schuytgraaf) en anderzijds Driel. In dit gebied ligt een ecologische verbindingszone die de Neder-Rijn aan de noordkant verbindt met Park Lingezegen aan de zuidkant. In het gebied staat het realiseren van natuur centraal, naast het maken van een recreatief netwerk.
Het LOP stelt de volgende relevante gebiedsspecifieke doelstellingen voor het deelgebied:
De kenmerken van het komgebied, de specifieke locatie van het plangebied en de gebiedsspecifieke opgaven uit het LOP zijn als uitgangpunt genomen bij de toekomstige erfinrichting. Deze is uitgewerkt in het in Bijlage 1 bij de regels opgenomen inrichtings- en beplantingsplan. Voor een uitvoerige toelichting op de gekozen inpassing en inrichting wordt verwezen naar deze bijlage. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van het inrichtingsplan opgenomen. De landschappelijke inpassing en inrichting gaat uit van het creëren van twee compacte erven: één met een vrijstaande woning (inclusief geïntegreerde aanbouw) en één met een meergeneratiewoning (inclusief geïntegreerde aanbouw en een vrijstaand bijgebouw). Het laatstgenoemde erf krijgt een landgoedachtige allure. De bebouwing is op enige afstand van de weg gesitueerd, zoals ook in de huidige situatie het geval is. De bebouwing past binnen de lintbebouwing aan de Honingveldsestraat, die op variabele afstand van de weg gesitueerd is. Door een gedeelde ontsluiting centraal op het erf ontstaan aan de voorzijde van het perceel twee kleinschalige weides. Het zuidelijk deel van het plangebied blijft eveneens open.
Concreet worden de volgende inpassings- en inrichtingsmaatregelen gerealiseerd:
In de bijlage is tevens een beplantingsplan opgenomen. Er is gekozen voor gevarieerde, gebiedseigen beplanting. De solitaire bomen, het bomencluster en de bomenrij versterken de kleinschaligheid in relatie tot de weide en bieden tevens schuilgelegenheid aan dieren in de weide.
Met de voorgeschreven inpassings- en inrichtingsmaatregelen ontstaan compacte erven, die landschappelijk ingepast zijn. De toe te voegen elementen dragen bij aan de kleinschaligheid en vergroten ook de ecologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt de overgang tussen het open kommenlandschap, het bebouwingslint en verderop de bebouwde kom verzacht en in landschappelijk opzicht sterk verbeterd. Het initiatief past onder de gestelde voorwaarden, die planologisch zijn geborgd, dus binnen de uitgangspunten en doelstellingen van het LOP.
|
| Afbeelding 4.1: landschappelijke inpassing en inrichting (bron: Oostzee) |
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.
Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn', die sinds 16 mei 2017 in werking is, is in dit kader van belang. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt in totaal maximaal 4 woningen mogelijk. In de huidige situatie is er een paardenhouderij/-pension in het plangebied aanwezig. Deze functies worden beëindigd. Met deze wijzigingen is, op grond van de aard en omvang van de wijzigingen, geen sprake van activiteiten die voorkomen op de lijsten C of D van het Besluit m.e.r. Immers is er per saldo geen sprake van een uitbreiding aan bouwmogelijkheden of een intensivering van het gebruik en wordt er een milieubelastende functie beëindigd. Met het realiseren van maximaal 4 woningen, verdeeld over 2 gebouwen, is er sprake van een kleinschalig project. Het project wordt niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.
Er is daarom geen sprake van m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De gemeente heeft een beleidsnota voor het toepassen van hogere waarden opgesteld.
Beoordeling
Met dit bestemmingsplan worden maximaal 4 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Deze liggen binnen de geluidzone van de Honingveldsestraat. Een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk. In Bijlage
1 bij deze toelichting is de rapportage van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Hierin is ook de Dorpsstraat volledigheidshalve meegenomen. Dit betreft een 30 km/uurweg zonder wettelijke geluidzone, die voor het woon- en leefklimaat niettemin relevant is.
De geluidbelasting van de Honingveldsestraat is maximaal 47 dB en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van de Wgh niet. Daarom is een hogere waarde niet benodigd. De Wgh vormt geen belemmering voor het plan. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is ook de cumulatieve geluidbelasting vanwege het wegverkeer berekend. Deze bedraagt maximaal 52 dB. Bij een standaard geluidwering van minimaal 20 dB voldoet het binnenniveau aan de normen van het Bouwbesluit (maximaal 33 dB). Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee worden gegarandeerd.
Conclusie
Het thema akoestiek vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
Beoordeling
Het bestemmingsplan maakt maximaal 4 woningen ter plaatse van een bestaand agrarisch bedrijf (paardenhouderij en -pension) mogelijk. Het project is daarmee aanzienlijk kleinschaliger dan de in de Regeling NIBM genoemde categorieën van gevallen. Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie is bovendien zeer beperkt (zie ook paragraaf 5.13). Hierdoor staat op voorhand vast dat het project onder de regeling NIBM valt. Nader onderzoek ten aanzien van de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie
De ontwikkeling valt onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. Nader onderzoek is niet nodig.
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de huidige agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming ten behoeve van maximaal 4 nieuwe woningen. In de toekomstige situatie zijn er geen milieubelastende activiteiten meer aan de orde, in tegenstelling tot in de huidige situatie. Het initiatief heeft geen externe werking wat betreft het onderdeel milieuzonering. Het bestemmingsplan voorziet juist in het verwijderen van een bestaande milieubelastende functie. Het initiatief zorgt daarmee voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Wel wordt er een nieuwe gevoelige functie toegevoegd. Daarom moet worden onderzocht of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Tevens moet worden onderzocht of het oprichten van woningen tot belemmeringen voor omliggende bedrijvigheid kan leiden. Hoewel er sprake is van een gebied met een zekere verweving van functies, is zorgvuldigheidshalve uitgegaan van het gebiedstype 'rustig buitengebied'. In de onderstaande tabel is getoetst of de woningen binnen de (reguliere) richtafstanden tot omliggende functies liggen. Hierbij zijn de kortste onderlinge afstanden genomen.
| Adres | Functie | Milieucat. | Richtafstand | Afstand werkelijk |
| Honingveldsestraat 2 | Catefaria | 1 | 10 m | ca. 30 m |
| Honingveldsestraat 7 | Groenverwerkingsbedrijf | 3.2 | 100 m | ca. 190 m |
| Dorpsstraat 13 | Veldsportcomplex met verlichting | 3.1 | 50 m | ca. 60 m |
| Elster Grindweg 1 | Reparatie witgoed e.d. | 1 | 10 m | ca. 80 m |
Uit de voorgaande toets blijkt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan. Dit betekent dat omliggende functies niet in hun gebruiksmogelijkheden worden beperkt en dat er voor de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek is niet nodig.
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling op. Omliggende functies worden niet beperkt. Ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt maximaal 4 nieuwe woningen mogelijk. Daarmee is er sprake van nieuwe geurgevoelige objecten. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. Door de afwezigheid van veehouderijen in de nabijheid van het plangebied, is het uitgesloten dat er over en weer belemmeringen optreden. Er worden geen veehouderijen beperkt en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan in voldoende mate worden gewaarborgd. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.
Conclusie
Ter plaatse van de woningen is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Aan de Wgv wordt voldaan. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen en andere gevoelige functies op verontreinigde grond.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Bij een dergelijke bestemmingswijziging is een bodemonderzoek, waarin wordt onderzocht of de bodem geschikt is voor de beoogde nieuwe functie, noodzakelijk. In Bijlage 2 is de rapportage van het verkennend bodemonderzoek opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond hooguit lichte verontreinigingen zijn aangetoond. Dit betreft licht verontreinigingen met nikkel. De aangetoonde gehalten liggen ruimschoots onder de achtergrondwaarde en geven geen aanleiding tot nader onderzoek. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik ten behoeve van wonen. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium gemeten en plaatselijk een lichte verontreiniging met zink. Dit zijn vermoedelijk van nature in verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig stoffen. De gemeten gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.
Conclusie
Het aspect 'bodem' zorgt niet voor belemmeringen. De bodem- en grondwaterkwaliteit is geschikt voor het beoogde gebruik.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar maximaal 4 woningen. Daarmee is er sprake van nieuwe kwetsbare objecten. De ontwikkeling is vanuit externe veiligheidsoogpunt relevant. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 5.1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
|
| Afbeelding 5.1: uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 23 november 2021) |
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.
Het plangebied ligt op ca. 3.680 meter ten oosten van de snelweg A50 en op ca. 2.180 meter ten westen van de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Over deze twee transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze twee risicobronnen niet over het plangebied ligt.
Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van beide risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en beide risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Verantwoording groepsrisico
Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een twee externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 22 november 2021 (kenmerk: 2021-00757) het volgende geadviseerd:
'Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans op dit incident is
erg klein. Het plan leidt nauwelijks tot toename van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting
dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen door te vluchten of bescherming te zoeken, mits
geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. In het kader van de verantwoording groepsrisico's zien wij geen
aanleiding om aanvullend te adviseren over de rampenbestrijding en zelfredzaamheid'.
Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.
Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.
Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van beide risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarnaast zag de VGGM ook geen aanleiding om nader te adviseren.
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat ook in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.
Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van beplanting, kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe bebouwing, terreinverharding en landschapselementen. Voor een deel van deze werkzaamheden moet rekening worden gehouden met eventuele aanwezigheid van NGE's. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de grond vermoedelijk al zodanig verstoord, dat de risico's op het aantreffen van NGE's nagenoeg nihil zullen zijn. Voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden, zal inzichtelijk moeten worden gemaakt of in de rest van het plangebied nog risico's op het aantreffen van NGE's aanwezig zijn. Eventueel dient nader onderzoek plaats te vinden. Het omgaan met de aanwezigheid van eventuele NGE's vormt een uitvoeringsaspect en staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg. In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is nader onderzoek niet nodig.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.
Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
Beoordeling (watertoets)
Hemelwater en vuilwater
In de huidige situatie is binnen het plangebied een gebouw van meer dan 3.000 m² omvang aanwezig. Daaromheen ligt grootschalige verharding. In de toekomstige situatie nemen zowel het bebouwd als het verhard oppervlak aanzienlijk af. Daarom is de vrijstelling op de compensatieverplichting van toepassing. Het plan heeft een positieve invloed op de waterhuishouding.
Hemel- en vuilwater moeten bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd. Een relevante toename van de hoeveelheid afvalwater is niet te verwachten, wanneer de huidige en toekomstige functies met elkaar worden vergeleken. De ontwikkeling kan zonder problemen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.
Oppervlaktewater
Aan de randen van het plangebied zijn enkele watergangen aanwezig. Het gaat om een A-watergang aan de oostkant, een B-watergang aan de westkant (ten zuiden van het woonperceel Honingveldsestraat 5) en C-watergangen aan de noord- en noordwestkant. Het plan voorziet niet in het verwijderen of wijzigen van oppervlaktewater. In het zuidelijk deel van het plangebied wordt optioneel nieuw oppervlaktewater in de vorm van een paddenpoel toegevoegd. Dit wordt een solitaire poel, die niet in verbinding staat met de bestaande watergangen. Ten behoeve van de te verplaatsen toegangsweg tot de nieuwe woningen zal een duiker moeten worden gerealiseerd ter plaatse van de C-watergang aan de noordzijde. Dit zal het functioneren van deze watergang niet in de weg staan.
Het plan heeft samenvattend geen negatieve effecten op oppervlaktewateren.
Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.
Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, leidt tot een (significante) afname van het bebouwd en verhard oppervlak en wordt hydrologisch neutraal uitgevoerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten.
Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Beoordeling
Het plan voorziet in sloop van bestaande bebouwing, realisatie van nieuwe bebouwing en landschapselementen en een wijziging van de bestemming naar wonen. Gezien de aard van de benodigde ingerepen, is overtreding van de Wnb op voorhand niet uitgesloten. Om te beoordelen of er (potentiële) negatieve effecten op beschermde soorten en/of gebieden aan de orde (kunnen) zijn met dit plan, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hierna volgt een samenvatting van de onderzoeksbevindingen.
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of een Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Voor Natura 2000-gebieden is externe werking wel van toepassing. Een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van het rapport uitgesloten worden. Ook overige potentiële negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibiën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibiën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen grondgebonden zoogdieren of amfibiën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibiën en vogels, niet aangetast.
Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde soorten en natuurgebieden zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Bij uitvoering van de werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht met enkele specifieke aandachtspunten.
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.
De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Beoordeling
Cultuurhistorie
In het plangebied en de direct eomgeving zijn geen bijzondere, als zodanig aangewezen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden of elementen aanwezig. Het open kommenlandschap, waartoe het plangebied behoort, heeft wel bepaalde landschappelijke kenmerken en waarden (met name openheid). In het huidige bestemmingsplan is het plangebied grotendeels aangemerkt als onderdeel van dit waardevolle landschap. Deze waarden zijn in de gemeentelijke beleidskaders beschreven en beschermd (Omgevingsvisie Overbetuwe 2040, Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe). Hiermee is bij de planontwikkeling rekening gehouden. In paragraaf 4.3 is nader beschreven en gemotiveerd dat het plan tot een verbetering van de landschappelijke encultuurhistorische kenmerken leidt.
Het plan doet geen afbreuk aan cuktuurhistorische waarden.
Archeologie
In het plangebied geldt op basis van het huidige bestemmingsplan een middelhoge tot lage archeologische waarde (dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 3 en 4'). Wanneer er sprake is van ingrepen groter dan 500 m² voor waarde 3 en groter dan 2.500 m² voor waarde 4, dan moet archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. In 2018 is een update van de gemeentelijke archeologische beleidskaart doorgevoerd en zijn de vrijgestelde oppervlakten verhoogd naar respectievelijk 1.000 en 10.000 m². De eerstgenoemde drempelwaarde wordt in dit geval echter nog steeds overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. In Bijlage 4 is de rapportage van het verkennend bureau- en veldonderzoek opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, ook niet ten aanzien van de Romeinse limes. Het plangebied kan daarom worden vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. De archeologische verwachtingswaarde wordt bijgesteld naar een lage verwachting.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
Conclusie
Het plan brengt geen aantasting van cultuurhistorische waarden met zich mee. Daarnaast vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het plan. Op basis van het verkennend onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden worden verwacht en dat nader onderzoek dus niet nodig is.
Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Het plangebied ligt in het buitengebied. In de toekomstige situatie is er sprake van een meergeneratiewoning met maximaal 3 wooneenheden, welke worden beschouwd als aaneeengebouwde woningen en van één vrijstaande woning. De parkeerbehoefte is in de toekomstige situatie als volgt:
| Type woning | Aantal | Norm | P.p. nodig |
| Vrijstaand | 1 | 2,8 | 2,8 |
| Aaaneengebouwd | 3 | 2,4 | 7,2 |
| Totaal | 4 | 10 |
In totaal zijn er 10 parkeerplaatsen nodig in het plangebied. Het parkeren wordt op eigen terrein voorzien in de vorm van parkeerplaatsen in halfverharding en/of klinkerverharding nabij de nieuwe toegangsweg. Er is voldoende ruimte beschikbaar om de 10 benodigde parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein, waardoor wordt voldaan aan de Nota.
Het aspect parkeren vormt zodoende geen belemmering voor het plan.
Verkeer
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381 (maart 2019). In deze publicatie zijn kencijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie van autoverkeer voor verschillende typen functies.
De verkeersgeneratie voor in totaal 4 woningen is, uitgaande van het gebied 'buitengebied', 'weinig stedelijk' en met toepassing van de gemiddelde normen in totaal afgerond 33 verkeersbewegingen per etmaal. Het verkeer wordt via één nieuwe ontsluiting afgewikkeld op de Honingveldsestraat. Het verkeer kan op veilige wijze worden afgewikkeld.
In de huidige situatie is ter plaatse een manege/paardenhouderij gevestigd. Voor een dergelijke functie uitgaande van het gebied 'buitengebied', 'weinig stedelijk', is de verwachte verkeersgeneratie 4,0 verkeersbewegingen per etmaal per bezette paardenbox. Gezien de forse omvang van de huidige manege, is de te verwachten vekeersgeneratie zonder meer hoger dan de toekomstige verkeersgeneratie.
De verkeersgeneratie vanwege het plan is op zichzelf beschouwd dus al zeer beperkt en daarnaast leidt het oplan tot een afname van het verwachte aantal verkeersbewegingen. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt niet op bezwaren stuit.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Honingveldsestraat 6a, Driel' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
De planregels bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding de volgende enkelbestemmingen opgenomen: 'Agrarisch', 'Wonen' en 'Water'. Zie voor verdere toelichting van de bestemmingen paragraaf 6.2. Daarnaast zijn op de verbeelding enkele aanduidingen en twee bouwvlakken opgenomen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de planregels van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De wijze van bestemmen sluit bovendien aan op de inrichtingsprincipes en de ruimtelijke randvoorwaarden, die in het inrichtings- en beeldkwaliteitsplan zijn beschreven.
Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.
Agrarisch
Een gedeelte van het plangebied, aan de noord- en aan de zuidkanten, behoudt de huidige bestemming 'Agrarisch'. Er is geen bouwvlak opgenomen. Daarom zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische activiteiten, hobbymatig agrarisch grondgebruik en bijbehorende functies en voorzieningen, zoals groen en water.
Water
Aan de oostkant van het plangebied ligt een A-watergang. Deze wordt behouden en blijft bestemd als 'Water'. Deze gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede voor bijbehorende functies en voorzieningen. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Wonen
Centraal in het plangebied worden in totaal maximaal 4 woningen gerealiseerd in twee gebouwen. Dit betreft één vrijstaande woning en één meergeneratiewoning. De meergeneratiewoning zal bestaan uit één zelfstandige en twee onzelfstandige woning, maar kan in de toekomst uit maximaal 3 zelfstandige woningen bestaan. De woningen en de omliggende gronden, die als tuin zullen worden ingericht, zijn bestemd als 'Wonen'. Ook de toegangsweg is als zodanig bestemd.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, eventueel in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, tuinen en erven en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Tevens zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
Binnen de bestemming zijn drie bouwvlakken opgenomen: één voor de vrijstaande woning (inclusief inpandige aanbouw), één voor de meergeneratiewoning (inclusief inpandige aanbouw) en één voor het bijgebouw bij dit woongebouw. De bouwvlakken zijn afgestemd op het inrichtingsplan en bieden enige flexibiliteit in de exacte situering van de hoofd- en bijgebouwen. Zowel de hoofd- als de aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden opgericht, maar ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' (die is opgenomen binnen het bouwvlak voor het bijgebouw bij de hoofdmassa) zijn geen hoofdgebouwen toegestaan. Op de verbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven, evenals het maximum aantal woningen per bouwvlak. Omdat de bouwregels op onderdelen verschillen voor de vrijstaande woning en de meergeneratiewoning met (maximaal) drie woningen, zijn de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 1' en 'specifieke bouwaanduiding - 2' opgenomen. Hiermee zijn verschillen in bijvoorbeeld de maximale inhoud en de maximale gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen geregeld.
Binnen de gehele bestemming zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Het gebruik van de woningen voor woondoeleinden is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de landschappelijke inpassing volgens het in de bijlage opgenomen inrichtingsplan tijdig wordt gerealiseerd. Na realisatie moet deze in stand worden gehouden.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Algemene aanduidingsregels
In dit asrtikel zijn regels opgenomen voor de twee in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. De aanduiding 'waardevol landschap' stelt nadere regels aan het eventueel toepassen van in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Daarbij moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de waarden van het landschap (met name openheid). De aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' heeft voornamelijk een signaleringsfunctie, die de gebruiker erop wijst dat bepaalde rechtstreeks werkende regels uit de Omgevingsverordening van toepassing zijn (zie hierover tevens paragraaf 4.2).
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.
Overige regels
In dit artikel is een parkeerregeling opgenomen, waarmee geborgd is dat er in geval van nieuwbouw en bij een functiewijziging voldoende parkeergelegenheid conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt gerealiseerd.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal plaatsvindt. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw bouwplan, omdat er nieuwe hoofdgebouwen mogelijk worden gemaakt. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Hierin zijn afspraken vastgelegd over het verhaal van kosten, evenals over eventuele planschade. Hiermee is verzekerd dat er voor de gemeente geen kosten aan het plan verbonden zijn.
De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen.
De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, vanwege de aard en kleinschalige omvang van het plan, geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn.
Het ontwerpbestemmingsplan is aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in het Rapport zienswijzen, dat in de bijlagen is opgenomen.
Het plan is vervolgens op 21 november 2023 vastgesteld door de gemeenteraad.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.